Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
de Wok) verbiedt het aanbieden van kansspelen, tenzij de aanbieder een vergunning voor kansspelen via het internet heeft. Het is pas sinds oktober 2021 mogelijk om in Nederland een dergelijke vergunning te krijgen. Toch spelen al lange tijd heel veel mensen vanuit Nederland via het internet kansspelen. Verschillende spelers vorderen nu van de kansspelaanbieders het geld dat zij daarmee hebben verloren terug. Zij stellen dat de door hen gesloten kansspelovereenkomsten ongeldig zijn, omdat de kansspelaanbieder geen vergunning had.
het aangaan van kansspelovereenkomstenheeft willen verbieden. De wet verbiedt alleen het aanbieden van kansspelen zonder vergunning. De tekst, wetsgeschiedenis, wetssystematiek en doelstellingen van de Wok bieden ook geen aanwijzingen dat de Wok de strekking heeft of heeft gehad om de
geldigheidaan te tasten van kansspelovereenkomsten die tot stand zijn gekomen nadat daartoe zonder vergunning gelegenheid is geboden. De wetgever heeft alleen voorzien in handhaving via het bestuursrecht en het strafrecht. De openbare orde of goede zeden dwingen er ook niet toe om te oordelen dat kansspelovereenkomsten nietig zijn. Bescherming van consumentenbelangen kan bovendien waarschijnlijk ook, en mogelijk beter, worden bereikt met minder vergaande sancties, zoals vernietiging van kansspelovereenkomsten wegens dwaling of schadevergoeding uit onrechtmatige daad.
2.Opzet van deze conclusie
3.Feiten, procesverloop en inbreng van partijen en derden
Feiten
derden aanbieders) strekken tot beantwoording van de vragen in dezelfde zin als TSG ze heeft beantwoord: de Wok heeft nooit de strekking gehad om daarmee strijdige rechtshandelingen aan te tasten (vraag 1), maar als dat wel zo zou zijn dan heeft de Wok die strekking verloren (vraag 2), kansspelovereenkomsten zijn (dus) niet nietig op grond van art. 3:40 BW (vraag 3), waarbij geldt dat (het voldoen aan) de prioriteringscriteria niet relevant is/zijn voor de beantwoording van de prejudiciële vragen (vraag 4) en eventuele nietigheid van de kansspelovereenkomsten geen vordering tot terugbetaling oplevert van geleden verlies op grond van onverschuldigde betaling (vraag 5). De derden aanbieders zijn bovendien van mening dat het Nederlandse ‘totaalverbod’ op online kansspelen in de periode tot 1 oktober 2021 in strijd was met het Unierecht en dat het gevolg daarvan noodzakelijkerwijs is dat de vorderingen van de spelers moeten worden afgewezen. Zij stellen dat als de Hoge Raad dit anders ziet prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie overwogen kunnen worden (SO N1, nr. 6.10; SO BML, nr. 6.10 en SO Risepoint, nr. 68).
4.Kansspelovereenkomsten
De afdeling “Van spel en weddingschap” (art. 7A:1825 – 7A:1828 BW)
Anderzijds volgt daaruit dat krachtens deze wet verboden overeenkomsten van kansspelen ingevolge artikel 3:40 lid 2 BW nietig zijn, zodat ook weer in afwijking van artikel 7.16.1 lid 1 hetgeen vrijwillig is voldaan wel teruggevorderd kan worden.Omdat thans alle kansspelen onder de werking van de Wet op de kansspelen vallen, heeft titel 7.16 dan ook geen betekenis. Bij de voorgenomen herziening van de Wet op de kansspelen zullen bepaalde kansspelen mogelijk ook zonder vergunning worden toegestaan. Voor dergelijke kansspelen zou, omdat ook deze geoorloofd zijn, titel 7.16 ook van geen betekenis zijn. Omdat het daarbij om relatief onschuldige kansspelen gaat, zoals bijvoorbeeld promotionele kansspelen, kan ook niet gezegd worden dat deze afkeurenswaardig zijn. Dit alles lijkt er op te wijzen dat de noodzaak en het belang van invoering van titel 7.16 BW afwezig is, doch een definitieve beslissing daarover kan pas worden genomen indien duidelijk is hoe de thans voorgenomen herziening van de Wet op de kansspelen zijn beslag krijgt. Daarbij zal ook onder ogen moeten worden gezien of titel 7.16 BW mogelijk toch nog van belang kan zijn voor kansspelen als bedoeld in artikel 2, aanhef en onder a, van de Wet op de kansspelen. Zie immers ook artikel 39 van deze wet.” [51] (onderstreping door mij, A-G)
5.Kansspelwetgeving en kansspelbeleid
Opzet
kopenvan een lot verbood en ook niet uitdrukkelijk bepaalde dat overeenkomsten in strijd met de Loterijwet 1905 rechtsgevolgen missen. [60] De Hoge Raad oordeelde echter dat het niet er niet toe deed dat de Loterijwet 1905 niet uitdrukkelijk bepaalde dat koopovereenkomsten geen rechtsgevolgen hebben, omdat de Loterijwet 1905 niet derogeert aan de bepalingen uit het Burgerlijk Wetboek:
commissie) in 1958 kreeg om “het gehele vraagstuk van de loterijen en de daaraan verwante activiteiten in beschouwing te nemen en, mede met het oog op de hieraan verbonden algemene belangen op maatschappelijk en geestelijk gebied, van advies te dienen, met name over de vraag, of en in hoeverre wijziging of aanvulling van de geldende wettelijke bepalingen op dit stuk nodig zijn”. [64] De commissie heeft op 20 juni 1963 haar eindrapport ingediend, bestaande uit een voorontwerp van een wet, een ontwerp memorie van toelichting bij het voorontwerp en een ontwerp voor een algemene maatregel van bestuur. [65] Het voorontwerp is door de wetgever vrijwel in zijn geheel overgenomen. [66] Het uitgangspunt van de commissie om de materiële inhoud van bestaande bepalingen zoveel mogelijk te handhaven en alleen technische verbeteringen aan te brengen, is ook door de wetgever onderschreven. [67] Destijds waren bepalingen over kansspelen verspreid over verschillende wetten. [68] De wetgever achtte het van groot belang om tot harmonisatie en vereenvoudiging van de wetssystematiek te komen. [69] Het onderscheid tussen ‘hazardspel’ en ‘loterij’ werd daarom opgeheven en het voorstel van de commissie om één algemene verbodsbepaling op te nemen werd gevolgd. [70] Naast vereenvoudiging en harmonisatie wordt het voorontwerp van de Wok gekenmerkt door een ‘kanaliserende gedachte’: een gereguleerd aanbod van kansspelen zou misstanden aan producenten- en consumentenzijde van de kansspelmarkt kunnen voorkomen. [71]
gelegenhedenin beginsel verboden zijn, tenzij er vergunning is verleend of tenzij het kansspel onder één van de uitzonderingsbepalingen valt. [80]
meteen vergunning. In art. 39, één van de slotbepalingen (titel VII), is namelijk bepaald dat artikel 1825 BW [82] niet van toepassing is op prijzen en premies, behaald in gelegenheden, gegeven met vergunning ingevolge de Wok verleend. Artikel 39 Wok is niet toegelicht in de Memorie van Toelichting. [83]
zoals Pay-Tv, waarmee men in de huiskamer interactief aan kansspelen mee kan doen of aan kansspelen op PC’s via Internet, videotex of viditel.” [101] Die ontwikkelingen wilde het kabinet alert volgen en het wilde ook een verkennend onderzoek naar de rol van technologische ontwikkelingen voor het kansspelbeleid.
KLPD) een onderzoek te laten uitvoeren naar de aard en omvang van illegaal kansspelaanbod, en de mogelijkheden om illegaal aanbod van kansspelen via internet aan te pakken. [110] Ook de intensivering van de handhaving en de integrale aanpak daarvan kwam in de tweede voortgangsrapportage weer aan bod. Ditmaal werd opgemerkt dat naast strafrechtelijke, bestuursrechtelijke en fiscaalrechtelijke handhaving, vergunninghouders de mogelijkheid hebben om civielrechtelijk op te treden tegen illegaal kansspelaanbod. [111] Tot slot werd uitgesproken dat bij de herziening van de Wok het primaat zou komen te liggen bij bestuursrechtelijke handhaving, en dat het strafrecht zou dienen als ‘sluitstuk’. [112] De derde voortgangsrapportage (2005) bevatte de toezegging van de minister om een – op basis van het rapport van de KLPD uitgewerkte – strategie ter bestrijding van niet-gereguleerde internetgoksites te delen met de Tweede Kamer (waarover hierna meer). [113] Ook werd vermeld dat de ‘integrale aanpak’ van de handhaving de afgelopen jaren tot goede resultaten had geleid. [114] Onder die aanpak werd verstaan “een combinatie van civielrechtelijk optreden door kansspelvergunninghouders, bestuursrechtelijk optreden door ministeries en gemeenten, fiscaalrechtelijk optreden door de belastingdienst en FIOD-ECD, strafrechtelijke opsporing door de politie en vervolging door het Openbaar Ministerie”. [115] De minister zond tot slot, zoals gezegd, de voorgenomen ‘Aanpak bestrijding van kansspelen via internet’ naar de Kamer. [116] Die aanpak omvatte drie onderdelen: het ontwikkelen van instrumenten en hulpmiddelen om illegaal aanbod en bemiddeling op te sporen door middel van het detecteren op het internet en te komen tot vervolging, het via voorlichting ontmoedigen van aanbod van en deelname aan illegale kansspelen via internet, en de aanpak van illegale aanbieders en tussenpersonen op basis van bestuursrecht, fiscaal recht, civiel recht en strafrecht. [117] Over de handhaving door middel van het civiele recht werd opgemerkt:
Wetsvoorstel internetproef). [120] Het beoogde om beheerst en gecontroleerd ervaring op te doen met kansspelaanbod via internet door middel van een proef met het legaal organiseren van kansspelen via internet door één aanbieder, namelijk Holland Casino. [121] Het uitgangspunt was daarbij dat het legale aanbod de toets van de doelstellingen van het kansspelbeleid – het tegengaan van kansspelverslaving, bescherming van de consumenten en het tegengaan van criminaliteit – diende te doorstaan. [122] Tegelijkertijd werd met het oog op effectieve handhaving gewerkt aan een plan van aanpak voor het bestrijden van kansspelen via internet. [123] Het Wetsvoorstel internetproef is op 20 september 2006 aangenomen in de Tweede Kamer. Het is vervolgens echter bij een hoofdelijke stemming – met twee stemmen verschil – op 1 april 2008 door de Eerste Kamer verworpen. [124] Men vreesde voor een toename van kansspelverslaving en vond bovendien dat het aanbieden van kansspelen via internet geen overheidstaak was en dat ook andere partijen naast Holland Casino aan deze proef zouden moeten kunnen meedoen. [125]
adviescommissie) is vervolgens ingesteld om onderzoek te doen naar de regulering van kansspelen via internet, met het oog op verdergaande legalisering. [128] In augustus 2010 verscheen het eindrapport ‘Legalisatie van kansspelen via internet’ (hierna:
eindrapport). [129] Dit eindrapport geeft een goed beeld van de stand van zaken met betrekking tot wetgeving, beleid en handhaving van kansspelen via internet tot dan toe (augustus 2010), en bovendien wordt er op teruggegrepen bij het beleid dat daarna wordt gevormd.
partiëlelegalisatie’). Zo waren casinospelen in de Wok gekoppeld aan het casino als fysieke locatie, kansspelautomaten aan een automaat als fysiek object in een fysieke inrichting en krasloten aan fysieke verkoopkanalen. [135] De conclusie van de adviescommissie was dat er “al een aantal kansspelen via internet wordt toegestaan, namelijk de sporttotalisator, de totalisator, het lottospel, de staatsloterij, en de semi-permanente en incidentele goededoelenloterijen”. [136]
nietgeprobeerd werd een nieuwe legale aanbieder in de markt te zetten. In plaats van nieuwe legale aanbieders tegenover de bestaande illegale aanbieders te zetten, werd gepoogd (een deel van) de illegale aanbieders om te vormen tot legale aanbieders. Men richtte zich niet op legalisatie van het aanbod, maar op legalisatie van de aanbieders.” [138] (onderstreping in het origineel, A-G)
file sharing): een aanzienlijk deel van de bevolking doet het en behalve de gelaedeerden en beroepshalve betrokkenen ziet niemand er blijkbaar veel kwaad in.
ultimum remediumte zijn, aldus de adviescommissie. [150]
ultimum remedium, via het strafrecht. De Ksa deed zelf onderzoek of een aanbieder zijn websites had aangepast en of de aanbieder niet langer aan de prioriteringscriteria voldeed. De aanbieder werd daarover bericht. [203] De Ksa liet weten dat, in het geval dat de aanbieder niet meer binnen de criteria viel, de websites niet meer aan de prioriteringscriteria voldeden en “de daarop uitgevoerde activiteiten (voorlopig) niet meer onder de focus van deze kansspelautoriteit” vielen. De Ksa benadrukte echter ook dat “kansspelaanbieders, die niet langer voldoen aan deze prioriteringscriteria” daarmee “niet legaal” zijn, maar dat tegen deze aanbieders “slechts in het kader van de prioriteitsstelling (voorlopig) niet opgetreden [zou] worden”. Pas als een website niet gericht was op Nederland, bijvoorbeeld omdat de website niet raadpleegbaar was vanaf een Nederlands IP-adres en/of de aanbieder geen klanten uit Nederland accepteerde, zou dat aanbod volgens de Ksa niet meer onder de reikwijdte van de Wok vallen. De Ksa maakte tot slot duidelijk dat zij, mocht daar reden toe zijn, deze prioriteringscriteria zou aanscherpen, maar de markt daarover tijdig zou informeren. [204]
gamechangergeweest voor het kansspelbeleid en de handhaving ervan, omdat het kansspelaanbod niet langer binnen Nederland kon worden gereguleerd door uitsluiten van fysiek aanbod en het creëren van legaal aanbod. De wetgeving en handhaving zijn in wezen achter dit aanbod ‘aan gegroeid’ waarbij de aandacht is verschoven van legalisatie van het
aanbodnaar legalisatie van bepaalde
aanbiedersdie zich aan bepaalde regels hielden, maar ook dat bleek geen sinecure. De juridische status van de verschillende kansspelen via internet verschilde per kansspel en was voor het publiek onduidelijk. Een deel van het aanbod van kansspelen via internet was legaal, althans niet illegaal, omdat het (expliciet) via een bestaande vergunning was toegestaan, dan wel (impliciet) via het deelnemersreglement, dan wel omdat het werd gedoogd in een gedoogregeling (promotionele kansspelen). Een (groter) deel van het aanbod was echter illegaal. Toename van deelname aan (illegale) kansspelen leidde tot negatieve effecten als gokverslaving en criminaliteit. Men wilde de Wok daarom intensiever handhaven door middel van een integrale aanpak: een combinatie van bestuursrechtelijke, strafrechtelijke, fiscaalrechtelijke en civielrechtelijke handhaving. Dat laatste bespreek ik in de volgende paragraaf nog afzonderlijk. Naast het handhavingsspoor was er het wetgevingsspoor, waarbij werd gepoogd om kansspelen via internet te legaliseren. Het Wetsvoorstel internetproef werd in 2008 verworpen. Vervolgens werd nieuw beleid geformuleerd en een nieuw wetgevingstraject in gang gezet, vanuit de kanalisatiegedachte en de doelstellingen van het kansspelbeleid. Men had daarbij oog voor de (bijzondere) risico’s die aan kansspelen via internet waren verbonden. Tegelijkertijd werd het kansspelbeleid ‘gemoderniseerd’: spelers hebben een eigen verantwoordelijkheid, geen monopolieposities voor aanbieders meer maar concurrentie tussen verschillende aanbieders, en legalisering van kansspelen via internet. De Ksa is per 1 april 2012 opgericht en was belast met vergunningverlening, toezicht en handhaving. De civielrechtelijke handhavingslijn verdween met het voorstel voor een Wet kansspelen op afstand, waarin de nadruk lag op bestuursrechtelijke handhaving en handhaving via het strafrecht als
ultimum remedium, uit beeld. Het beleid dat vooruitlopend op de daadwerkelijke inwerkingtreding van de Wet kansspelen op afstand werd gevoerd, verhield zich ook niet goed met de civielrechtelijke handhaving: de gedachte was om bepaalde aanbieders van illegale kansspelen via internet aan te pakken en andere aanbieders niet, althans niet direct; civielrechtelijke handhaving zou dat beleid doorkruisen. Het wetgevingsproces nam ondertussen veel tijd in beslag en heeft lange tijd niet geleid tot een wettelijke regeling voor kansspelen via internet. Dat veranderde met de invoering van de Wet kansspelen op afstand per 1 april 2021.
deelnemersaan illegale kansspelen op grond van het privaatrecht konden optreden tegen de organisator van het illegale kansspel. [225] Daarbij werd niet toegelicht op welke wijze dat kon (een vordering uit onrechtmatige daad, een vordering op grond van onverschuldigde betaling?). Civielrechtelijke handhaving door het aankaarten van nietigheid van kansspelovereenkomsten is voor zover ik heb kunnen nagaan in het beleid nergens aan de orde geweest.
HvJ EU). [226]
Ladbrokes/De Lottoverder:
Ladbrokes-zaak het oordeel van het hof Arnhem in stand gelaten dat het Nederlandse vergunningstelsel door de Unierechtelijke beugel kan. [234] In de Nederlandse rechtspraak is daarna vaak teruggegrepen op deze jurisprudentie als argument dat het Nederlandse vergunningstelsel zoals neergelegd in art. 1 lid 1 aanhef en onder a Wok geen ontoelaatbare beperking vormt of heeft gevormd op het vrij verkeer van diensten. [235] De
Betfair- en
Ladbrokes-jurisprudentie ziet echter specifiek op de vraag of het éénvergunningstelsel met betrekking tot sportprijsvragen en lotto’s in overeenstemming is met het Unierecht, [236] terwijl de vraag zou kunnen rijzen of het feit dat het in de Nederlandse kansspelwetgeving tot 1 oktober 2021 niet mogelijk was om een vergunning te krijgen om in Nederland kansspelen via internet aan te bieden, in overeenstemming is met het Unierecht. Recentelijk zijn ook prejudiciële vragen gesteld aan het HvJEU over de verenigbaarheid van het (voormalige) Duitse totaalverbod op kansspelen via internet [237] en het vrij verkeer van diensten van art. 56 VWEU. [238]
Koa) [243] in werking getreden. [244] De kansspelen op afstand zijn geregeld in titel Vb ‘Kansspelen op afstand’ van de Wok (art. 31 e.v.).
ultimum remedium, met straffen. De wet voorziet niet met zoveel woorden in civielrechtelijke remedies bij handelen zonder een vergunning. Daaraan is voor zover ik heb kunnen nagaan in de wetsgeschiedenis van de kansspelwetgeving ook geen aandacht besteed en, afgezien van enkele opmerkingen over handhaving tegen oneerlijke concurrentie met art. 6:162 BW en één opmerking over de mogelijkheid van privaatrechtelijke handhaving door gedupeerde deelnemers aan kansspelen, in het handhavingsbeleid van de afgelopen decennia evenmin. Aan de geldigheid van een kansspelovereenkomst die is gesloten nadat daartoe een vergunde gelegenheid is gegeven is in art. 39 Wok wel aandacht besteed. Daarvoor gelden niet de beperkingen van art. 7A:1825 BW: een dergelijke overeenkomst is, behoudens bijvoorbeeld vernietiging wegens bedrog of dwaling, geldig, en de eruit voortvloeiende verplichtingen zijn in rechte afdwingbaar.
6.Verboden rechtshandelingen
Soms een specifieke regeling, anders terugvallen op art. 3:40 BW
Inleiding
inhoud of strekkingvan een rechtshandeling in strijd is met de
wetniet uitdrukkelijk geregeld in de tekst van art. 3:40 BW. [270] De niet met zoveel woorden geregelde gevallen kunnen niettemin langs indirecte weg tot nietigheid leiden. [271] Daarbij speelt een rol dat de terminologische onderscheidingen (inhoud, strekking en aangaan enerzijds en goede zeden, openbare orde en wet anderzijds) in werkelijkheid niet steeds scherp zijn. [272] Ik zal hierna de gebruikelijke interpretatie van art. 3:40 BW beschrijven en kom (in nr. 6.27 e.v.) tot een samenvatting.
Leden 2 en 3
verrichtenvan een rechtshandeling (bij een overeenkomst: het sluiten) als zodanig in strijd is met een dwingende wetsbepaling. Dit staat niet met zoveel woorden in lid 2, maar volgt uit de wetsgeschiedenis:
nietigheidvan rechtswege van de rechtshandeling is. Het rechtsgevolg kan echter ook zijn dat de rechtshandeling
vernietigbaaris. De hoofdregel van nietigheid gaat volgens lid 2 namelijk niet op indien een rechtshandeling in strijd is met een dwingende wetsbepaling die uitsluitend strekt ter bescherming van één van de partijen bij een meerzijdige rechtshandeling. Lid 2 bepaalt tot slot dat “een en ander” geldt “voor zover niet uit de strekking van de bepaling anders voortvloeit”. Dat voorbehoud ziet zowel op de hoofdregel (nietigheid) als op de uitzondering (vernietigbaarheid), in de zin dat uit de strekking van een dwingende wetsbepaling die één van de partijen bij een meerzijdige rechtshandeling beoogt te beschermen, kan voortvloeien dat een daarmee strijdige rechtshandeling desalniettemin van rechtswege nietig of juist geldig is. [277] Het voorbehoud biedt ook ruimte om tot een tussenvorm van nietigheid en vernietigbaarheid te concluderen. [278]
niet de strekking hebbende geldigheid van daarmee strijdige rechtshandelingen aan te tasten. Het gaat daarbij om wetsbepalingen op de schending waarvan geen enkele sanctie is gesteld (
leges imperfectae) of alleen de sanctie van schadevergoeding en/of straf (
leges minus quam perfectae), terwijl de rechtshandeling zelf rechtsgeldig blijft. [279] Rechtshandelingen die in strijd zijn met dergelijke wetsbepalingen worden niet door de uit lid 2 voortvloeiende nietigheid getroffen, maar zijn geldig. Het voorbeeld uit de wetsgeschiedenis is de koop in een winkel na sluitingstijd (verboden en voor de verkoper strafbaar gesteld bij de Winkelsluitingswet). [280] Het model van de leden 2 en 3 van art. 3:40 BW biedt dus een rijk geschakeerd beeld. Het artikel laat aan de rechter een grote vrijheid om naar gelang van de aard van de gevallen waarom het gaat, zijn weg te vinden. [281]
ervanvinden’ (aanwijzen, kiezen van de strekking van de wetsbepaling door de rechter).
catoochi’) liet de Hoge Raad het oordeel van het hof in stand dat in het licht van geconstateerde maatschappelijke ontwikkelingen op Aruba het enkele feit dat de loterij en het verkopen van nummers daarin bij wet is verboden inmiddels niet meer leidde tot nietigheid van de overeenkomst. [298] Het hof had vastgesteld dat de maatschappelijke ontwikkelingen op Aruba ertoe hadden geleid dat het (bedrijfsmatig) aanleggen van een ‘
catoochi’ in brede lagen van de Arubaanse samenleving niet meer als maatschappelijk onwenselijk, illegaal of strafwaardig werd ervaren en dan ook door de overheid werd gedoogd. [299] Bijkomende omstandigheden kunnen ondanks dergelijk strekkingsverlies nog steeds maken dat de overeenkomst nietig is wegens strijd met de goede zeden. [300]
Lid 1
verrichtenvan een rechtshandeling (het sluiten van een overeenkomst) in strijd is met de wet, kan ook de
inhoudof
strekkingvan een rechtshandeling in strijd zijn met een dwingende wetsbepaling. Dat geval is zoals gezegd niet met zoveel woorden in art. 3:40 BW geregeld, maar uit de wetsgeschiedenis blijkt dat de geldigheid van een dergelijke rechtshandeling via de toets van lid 1 moet worden beoordeeld. [303] De vraag is dan dus of een dergelijke rechtshandeling in strijd is met de goede zeden of de openbare orde. Als dat het geval is, is de rechtshandeling volgens art. 3:40 lid 1 BW nietig.
inhoudvan een rechtshandeling moet worden vastgesteld aan de hand van wat partijen over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben mogen afleiden (art. 3:33-35 BW). Bij een overeenkomst gaat het om de prestaties waartoe partijen zich verplichten. [304] De
strekkingvan een
rechtshandeling– nota bene wel te onderscheiden van de strekking van de geschonden
wetsbepaling(zie daarover nr. 6.15 hiervoor) – ziet in de eerste plaats op de ook voor anderen te voorziene gevolgen van een rechtshandeling. [305] De ‘voor anderen voorzienbare gevolgen’ betreffen bijkomende handelingen of voorbereidende handelingen. De prestatie is dan niet rechtstreeks verboden, maar wel indirect. [306] Een voorbeeld biedt het standaardarrest
B/Aviolandawaarin Aviolanda zich had verbonden om aluminium kammen aan B te leveren. [307] Om die kammen te produceren moest Aviolanda haar fabriek ombouwen, maar dat was behoudens een vergunning (die Aviolanda niet bezat) bij wet verboden. De Hoge Raad oordeelde dat dit verbod noch het aangaan van de overeenkomst, noch de prestatie waartoe Aviolanda zich verbond rechtstreeks trof, maar dat de overeenkomst toch een verboden strekking kon hebben en nietig kon zijn als beide partijen bij het aangaan van de overeenkomst de bedoeling hadden of zich er van bewust waren dat de nakoming ervan zou leiden tot de overtreding van het wettelijke verbod. In de tweede plaats ziet de strekking van de rechtshandeling op de voor anderen kenbare
motievenvan de handelende. [308] Bij een overeenkomst is ‘de ander’ de wederpartij. Het bekende voorbeeld uit de wetsgeschiedenis is het kopen van een mes om iemand te doden: alleen als deze bedoeling ten tijde van de koop voor de verkoper kenbaar is, is sprake van een overeenkomst die wegens haar strekking in strijd is met de openbare orde of goede zeden. [309] Voor de begrippen inhoud en strekking geldt overigens dat zij in de rechtspraak van de Hoge Raad wel zijn samengenomen. [310] Het onderscheid moet dus niet te sterk worden aangezet.
Esmilo/
Mediqheeft de Hoge Raad daarover overwogen:
LJNAA5401,
NJ2000/652 en HR 11 mei 2001,
LJNAB1555,
NJ2002/364), kan niet langer worden geoordeeld dat de enkele omstandigheid dat de overeenkomst tot een door de wet verboden prestatie verplicht, meebrengt dat zij een verboden strekking heeft en dus nietig is, ook niet als beide partijen zich bij het sluiten van de overeenkomst bewust waren van dat wettelijk verbod. Zoals door de regeringscommissaris is opgemerkt is er namelijk een groot aantal wettelijke verboden, in het algemeen van publiekrechtelijke aard, bij het opstellen waarvan de wetgever niet de privaatrechtelijke gevolgen voor ogen had (Parl. Gesch. Boek 3 (Inv. 3, 5 en 6), p. 1138). Een overeenkomst die in strijd komt met een zodanig verbod hoeft niet strijdig te zijn met de openbare orde. Daarom dient de rechter, indien een overeenkomst verplicht tot een door de wet verboden prestatie, in zijn beoordeling of de overeenkomst op die grond in strijd is met de openbare orde in elk geval te betrekken welke belangen door de geschonden regel worden beschermd, of door de inbreuk op de regel fundamentele beginselen worden geschonden, of partijen zich van de inbreuk op de regel bewust waren, en of de regel in een sanctie voorziet, en daarvan in de motivering van zijn oordeel rekenschap af te leggen.” [315]
Draft Common Frame of Reference. [321] Anderzijds kan privaatrechtelijke handhaving via nietigheid naast strafrechtelijke en bestuursrechtelijke sanctionering een aanvullende rol van betekenis vervullen: dergelijke aanvullende handhaving geeft een regel ‘meer tanden’. De genoemde gezichtspunten geven dus op zichzelf weinig sturing aan het rechterlijk oordeel over de strekking van een verbodsregel; zij bieden de rechter vooral aanknopingspunten om zijn keuze in de hem toekomende beoordelingsruimte met argumenten te stofferen. Het gaat hier volgens mij wel over een rechtsvraag (heeft een wetsbepaling de strekking om de geldigheid van een ermee strijdige rechtshandeling aan te tasten?), waarop het antwoord niet afhankelijk is van een individuele rechterlijke afweging van feiten.
datde inhoud of strekking van een rechtshandeling in strijd is met de wet. In gevallen waarin de wet dat met zoveel woorden bepaalt is dat betrekkelijk eenvoudig. Is dat niet het geval, dan kan ook hier de strekking van de wet van betekenis zijn: strekt de wet ertoe de
rechtshandelingte
verbieden? Ook op dit punt kan de strekking van de wet dus van betekenis zijn in het toetsingskader van art. 3:40 lid 1 BW. [322]
dat nietigheden in beginsel niet verder reiken dan de strekking daarvan meebrengt”. [326] Het is dus niet per definitie zo dat dat de rechtsgevolgen van een door nietigheid getroffen rechtshandeling in het geheel niet intreden. Zo kent de wet de rechtsfiguren van partiële nietigheid (art. 3:41 BW), conversie (art. 3:42 BW) en convalescentie (art. 3:58 BW), waardoor de rechtsgevolgen van een nietige rechtshandeling (deels) toch intreden. Ook in gevallen waarin deze bepalingen niet van toepassing zijn, hoeft niet noodzakelijkerwijs in termen van alles-of-niets te worden gedacht: er is een overgangsgebied tussen geldigheid en nietigheid van rechtshandelingen en de gevolgen daarvan laten zich modelleren. [327]
aangaanvan een rechtshandeling in strijd met de wet, dan moet volgens art. 3:40 lid 2 en 3 BW worden beoordeeld of, en zo ja, in hoeverre de geschonden wetsbepaling ertoe strekt om de geldigheid van de rechtshandeling aan te tasten. Dat vraagt in de eerste plaats om een onderzoek naar de wetsgeschiedenis van de geschonden regel, maar uiteindelijk – omdat dat onderzoek vaak geen uitsluitsel zal bieden – om een
interpretatievan de strekking van de regel, waartoe de rechter zijn volledige rechtsvindingsarsenaal mag en moet aanwenden. Hij moet bijvoorbeeld rekening houden met de wetsgeschiedenis, de aard van de bepaling, de door de bepaling beschermde belangen, de in de wet voorziene sancties, het systeem van het recht, de actuele maatschappelijke context, voortgeschreden inzichten en de redelijkheid.
kande rechtshandeling niettemin nietig zijn wegens strijd met de goede zeden of openbare orde (art. 3:40 lid 1 BW). De reflex dat elke rechtshandeling die verplicht tot een bij wet verboden prestatie ‘automatisch’ strijd met de openbare orde oplevert, is immers in ieder geval sinds
Esmilo/Mediqachterhaald: ook in dit geval moet de strekking van het wettelijke verbod door de rechter worden vastgesteld, eerst om vast te stellen wat de wet precies verbiedt, [328] en vervolgens om vast te stellen of dat gevolgen heeft voor de geldigheid van de rechtshandeling en, zo ja, welke. Anders gezegd: ook in dat geval moet de rechter door interpretatie vaststellen wat de gevolgen zijn van schending van een wettelijk verbod voor de geldigheid van een rechtshandeling. De Hoge Raad heeft voor die beoordeling een niet limitatief aantal gezichtspunten aangedragen die – begrijpelijkerwijs – verwantschap vertonen met voor de toepassing van art. 3:40 lid 2 en 3 BW relevante omstandigheden.
Balans: betekenis van kansspelwetgeving voor geldigheid van op afstand gesloten kansspelovereenkomsten
gelegenheid biedentot het spelen van kansspelen; [333] b) het zonder vergunning
bevorderen van deelnemingof het daartoe verschaffen van middelen; c) het
gebruik maken van een gelegenheid wetende datgeen vergunning is verleend; en d) het opzettelijk
wekken van het vermoeden dat een vergunning is verleend. De tekst van en de toelichting op de Wok bieden geen aanknopingspunten om te oordelen dat het
aangaanvan een kansspelovereenkomst zonder vergunning verboden is. [334] Evenmin blijkt uit de tekst of uit de wetsgeschiedenis dat de
inhoudof de
uitvoeringvan dergelijke kansspelovereenkomsten verboden is. [335] Naar de letter genomen verbiedt art. 1 Wok slechts het verrichten van bepaalde
feitelijke handelingen(‘gelegenheid geven’, ‘deelnemen’, ‘gebruik maken, ‘vermoeden wekken’). Het gaat daarbij telkens om handelingen die het
aanbod, in de zin van het beschikbaar maken, van kansspelen betreffen, hetgeen de wetgever met vergunningen heeft willen reguleren. Het is niet duidelijk hoe ver dit verbod op ‘gelegenheid geven’ reikt: is sprake van ‘gelegenheid geven’ als in een krant een advertentie wordt geplaatst waarin de lezer wordt opgeroepen tot deelneming aan een kansspel? Of als een bank geldt uitleent aan haar cliënt om mee te gokken? Of als een huis wordt verhuurd met de wetenschap dat er een kansspelbedrijf in zal worden gevestigd? [336] Stel dat men inderdaad aanneemt dat sprake is van overtreding van het verbod, dan is vervolgens niet duidelijk hoe zich dat verhoudt tot de overeenkomsten die in deze gevallen aan de orde zijn: is de geldleningsovereenkomst nietig?, de huurovereenkomst?, enz. Over al die vragen laat de Wok zich niet uit.
meteen vergunning zijn aangegaan wel geldig en afdwingbaar zijn. De Wok kent alleen bestuursrechtelijke en strafrechtelijke sancties (zie nr. 5.13).
verkopenals zodanig en – belangrijker – het leerstuk van de ongeoorloofde oorzaak heeft sindsdien een relevante ontwikkeling doorgemaakt. [337] Voorts bevat slechts de toelichting op het voorontwerp voor titel 7.16 en een daarop gebaseerde opmerking van een latere minister van justitie (Donner) een aanwijzing voor nietigheid van dergelijke overeenkomsten, maar dit voorontwerp is nooit wet geworden en de toelichting op het voorontwerp stamt uit een tijd waarin het leerstuk van de ‘ongeoorloofde oorzaak’ strikter werd opgevat dan volgens de huidige veel genuanceerdere regeling van art. 3:40 BW geldt. Uit de opmerking van Donner blijkt niet dat hij dit onder ogen heeft gezien. Het maakt in ieder geval geen onderdeel uit van zijn bespiegeling over het voorontwerp. [338]
aangaanvan kansspelovereenkomsten in strijd is met de wet. Dat zou betekenen dat het casustype buiten de leden 2 en 3 van art. 3:40 BW valt.
lid 2BW. [339] Zij lijken er zonder meer van uit te gaan dat de Wok het
verrichtenvan rechtshandelingen zonder vergunning verbiedt en dat de strekking van art. 1 Wok zonder meer meebrengt dat de rechtshandeling
nietigis. [340] Het eerste lees ik, als gezegd, niet in art. 1 Wok [341] en het tweede lijkt mij geen recht te doen aan het genuanceerde toetsingskader van art. 3:40 BW. Gelet op de in beginsel vergaande gevolgen van de sanctie van nietigheid verdient het in ieder geval (meer) motivering. In dat verband zijn de hierna te bespreken gezichtspunten relevant.
lid 2BW. [342] In de feitenrechtspraak is echter ook wel aangenomen dat kansspelovereenkomsten weliswaar in strijd zijn met dat verbod, maar niet nietig zijn omdat er sprake is van strekkingsverlies. [343] In het kader van art. 30u Wok, dat, kort gezegd, de verplichting tot weigering van kwetsbare personen inhoudt, [344] hebben verschillende rechtbanken en het hof Amsterdam verder geoordeeld dat schending van die bepaling niet leidt tot nietigheid of vernietigbaarheid van kansspelovereenkomsten. [345] Tot slot zijn er nog de ‘Dexia-zaken’ waarin het hof Amsterdam verschillende malen heeft geoordeeld dat (zijn vaste rechtspraak is dat) de Wok niet de strekking heeft de geldigheid van rechtshandelingen aan te tasten. [346]
lid 1BW nietig zijn, moet mijns inziens worden onderzocht of zij naar hun
strekking– in dit geval: vanwege de voor het aangaan onmisbare verboden ‘voorbereidingshandeling’: [347] het onvergund bieden van gelegenheid – in strijd zijn met de openbare orde of de goede zeden. Dat die strekking van de kansspelovereenkomsten in strijd is met de Wok (zonder overtreding van de Wok kunnen de kansspelovereenkomsten niet worden aangegaan) is daarvoor niet zonder meer voldoende: er moet een nadere beoordeling plaatsvinden aan de hand van onder meer de door de Hoge Raad in
Esmilo/Mediqgeformuleerde gezichtspunten (hiervoor nr. 6.22).
Durchsetzung’ van de doelen van die wet. [355] Ik gebruik dat woord, omdat dit, als ik het goed zie, voor de Duitse [356] en Oostenrijkse [357] rechter een belangrijk motief is geweest om zonder vergunning op afstand gesloten kansspelovereenkomsten nietig te achten.
Arvato Ien
Bol.comvan de Hoge Raad over de handhaving van in Nederlands recht omgezet Europees consumentenrecht waarin afwegingen over de (in)effectiviteit van publiekrechtelijke handhaving op de achtergrond mogelijk ook een rol hebben gespeeld. [358] Het betrof in die zaken (o.m.) schending van bepaalde informatieplichten uit de Richtlijn consumentenrechten, waarover art. 24 van die richtlijn bepaalt dat lidstaten sancties op overtredingen moeten vaststellen die “doeltreffend, evenredig en afschrikkend” zijn. De Hoge Raad heeft in deze arresten overwegingen gewijd aan de (gedeeltelijke) nietigheid van overeenkomsten waarbij deze informatieplichten zijn geschonden. [359] Ik merk hierbij overigens op dat kansspelovereenkomsten níet onder het geharmoniseerde Europese consumentenrecht vallen. Zo sluit de Richtlijn consumentenrechten (Richtlijn 2011/83/EU betreffende consumentenrechten), die in
Arvato Ien
Bol.comcentraal stond, kansspelovereenkomsten uitdrukkelijk uit van het toepassingsbereik. [360] Kansspelwetgeving, waaronder de sanctionering van overtreding daarvan, is met andere woorden – binnen de grenzen van de fundamentele vrijheden zoals vrij verkeer van diensten – overgelaten aan de lidstaten. [361]
aangaanvan kansspelovereenkomsten, maar het zonder vergunning bieden van gelegenheid tot het spelen van kansspelen op afstand. De casus valt daarmee buiten het bereik van art. 3:40 lid 2 en 3 BW. Het verbod om zonder vergunning kansspelen op afstand aan te bieden zou zo kunnen worden begrepen dat het de strekking van de rechtshandeling verbiedt in de zin van art. 3:40 lid 1 BW (het aangaan van kansspelovereenkomsten op afstand zonder dat de aanbieder ervan over een vergunning beschikt is niet mogelijk zonder overtreding van de Wok). In deze visie moet de geldigheid van de kansspelovereenkomsten worden beoordeeld naar de maatstaf van art. 3:40 lid 1 BW: zijn deze naar hun strekking in strijd met de goede zeden of openbare orde en om die reden nietig?
8.Bespreking van de voorlopige oordelen van de rechtbank
Hierbij is van belang dat kansspelen ingevolge de Wet op de kansspelen verboden zijn, tenzij een vergunning is verleend. Van dit verbod zijn ingevolge artikel 2, aanhef en onder a, van de wet uitgezonderd kansspelen die noch voor het publiek zijn opengesteld, noch bedrijfsmatig worden gegeven. Hieruit volgt enerzijds dat in afwijking van artikel 7.16.1 lid 1 verbintenissen uit krachtens de Wet op de kansspelen toegestane kansspelen in rechte afdwingbaar zijn. Anderzijds volgt daaruit dat krachtens deze wet verboden overeenkomsten van kansspelen ingevolge artikel 3:40 lid 2 BW nietig zijn, zodat ook weer in afwijking van artikel 7.16.1 lid 1 hetgeen vrijwillig is voldaan wel teruggevorderd kan worden. Omdat thans alle kansspelen onder de werking van de Wet op de kansspelen vallen, heeft titel 7.16 dan ook geen betekenis”. [372]
Uitgangspunt daarbij is dat het verbod van artikel 1, eerste lid onder a, Wok zowel strekt tot stelselmatige ordening van de markt voor kansspelen in Nederland als tot het tegengaan van fraude en het beteugelen van het risico van kansspelverslaving. Deze doelen worden gediend doordat de genoemde wetsbepaling het recht om op het grondgebied van Nederland gelegenheid te geven tot deelname aan kansspelen, beperkt tot aanbieders aan wie daartoe van overheidswege een vergunning is verleend en doordat aan een zodanige vergunning voorschriften kunnen worden verbonden, die de vergunninghouder moet naleven op grond van het bepaalde in artikel 1, tweede lid, Wok, dat handelen in strijd daarmee verbiedt. Het tweeledige doel van artikel 1, eerste lid onder a, Wok brengt mee dat deze bepaling niet uitsluitend strekt tot bescherming van de wederpartij van de aanbieder van kansspelen in een geval waarin in strijd met het daarin neergelegde verbod een kansspelovereenkomst is tot stand gekomen, zoals in de nu voorliggende zaak. Uit de artikelen 3:40, tweede en derde lid, BW volgt daarom dat een overeenkomst die is aangegaan in strijd met het verbod van artikel 1, eerste lid onder a, Wok nietig is, tenzij moet worden aangenomen dat laatstgenoemde bepaling niet de strekking heeft de geldigheid van een daarmee strijdige overeenkomst aan te tasten. Deze uitzondering doet zich in het voorliggende geval voor. Hierbij verdient overweging dat een wetsbepaling die oorspronkelijk, op het tijdstip van de inwerkingtreding ervan, de strekking heeft gehad de geldigheid van daarmee strijdige rechtshandelingen aan te tasten, deze strekking in de loop van de tijd onder invloed van maatschappelijke ontwikkelingen na haar inwerkingtreding kan verliezen. Ten aanzien van de overeenkomst tussen Unibet en [ ] is daarvan sprake.” [374]
3.10 In 1964 is in Nederland de Wet op de Kanspelen (Wok) tot stand gekomen. Deze wet voorziet in een vergunningstelsel voor kansspelen als gedefinieerd in die wet (art. 1 e.v. Wok). Gokspelen vallen in beginsel onder die wet. Dat geldt sinds 2021 door een wetswijziging ook voor het aanbieden van online kansspelen (kansspelen op afstand, Titel Vb Wok). (...).
worden gezegd dat het enkele feitdat het organiseren van het kansspel zonder vergunning is verboden, ook tot nietigheid van de spelovereenkomst leidt. De vraag of dit het geval is, is in de onderhavige procedure uitvoerig beargumenteerd. De rechtbank zal daarop hierna ingaan in haar bespreking van de vraag of de Wok de strekking om de geldigheid van daarmede strijdige rechtshandelingen aan te tasten heeft verloren.
Vanwege het algemene karakter van het verbod in artikel 1 van de Wok, de omstandigheid dat fundamentele beginselen in het geding zijn en de wetgever het specifiek met het oog op bescherming van de maatschappij en individuen van belang heeft geacht om het aanbieden van kansspelen bij uitzondering en gereguleerd toe te staan, is de rechtbank van oordeel dat sprake is van een wetsbepaling die de strekking heeft de geldigheid van daarmee strijdige rechtshandelingen aan te tasten.” [376]
overeenkomsten die onder de definitie van art. 1 WoK vallen maar ingevolge de WoK niet of niet zonder vergunning geoorloofd zijn, zijn nietig. Daaruit ontstaan dus geen verbintenissen; bij gebreke van een nadere wettelijke bepaling zijn de prestaties die op basis van dergelijke overeenkomsten worden verricht, zonder rechtsgrond - dus onverschuldigd verricht (art. 6:203).” [377]
Artikel 30u Wok strekt er weliswaar toe om te voorkomen dat probleemspelers overeenkomsten in speelhallen sluiten, maar houdt op zichzelf geen verbod van die overeenkomsten in, en strekt er evenmin toe om de geldigheid van deze overeenkomsten aan te tasten. Dat is wel vereist voor vernietiging van de overeenkomsten in de hier bedoelde zin.”
daarmede strijdige rechtshandelingenaan te tasten”, luidt het voorlopige antwoord (in r.o. 5.22) “dat de Wok de strekking had
het zonder vergunning aanbieden van online kansspelenaan te tasten”. In r.o. 5.24 overweegt de rechtbank dat in de Wok niet is bepaald dat het sluiten van een kansspelovereenkomst zonder vergunning leidt tot civielrechtelijke nietigheid van die overeenkomst en overweegt zij:
bieden van gelegenheidtot het spelen van kansspelen op afstand verbiedt, maar dat de vraag is wat de betekenis (strekking) van dit verbod is voor de geldigheid van een na het bieden van een dergelijke gelegenheid gesloten kansspel
overeenkomst. Het bieden van gelegenheid is een feitelijke handeling en geen rechtshandeling. Het bieden van gelegenheid is (dus) ook niet het
verrichtenvan een rechtshandeling als zodanig.
aangaan van kansspelovereenkomstenverbiedt, maar eventueel onder art. 3:40 lid 1 BW, omdat de
strekkingvan de rechtshandeling (in de vorm van een ‘voorbereidingshandeling’) meebrengt dat deze – als de aanbieder van het kansspel niet over een vergunning beschikt – niet kan worden verricht zonder wetsovertreding (hiervoor nr. 7.13 e.v.). Daarbij merk ik op dat in lid 1 van art. 3:40 BW de vraag niet (direct) is wat de strekking van de geschonden wetsbepaling is, [381] maar of een rechtshandeling in strijd is met de goede zeden of openbare orde. In dat kader kan echter ook de strekking van de wetsbepaling een rol spelen, zoals ook blijkt uit verschillende gezichtspunten in
Esmilo/Mediq. Dat betekent dat het aankomt op toetsing aan (onder meer) de in
Esmilo/Mediqgegeven gezichtspunten. De rechtbank lijkt dat ook onder ogen te zien, omdat zij (tussenvonnis, r.o. 5.25) ingaat op door de Wok beschermde belangen, maar zij toetst niet aan andere gezichtspunten voordat zij haar voorlopige oordeel formuleert (tussenvonnis, r.o. 5.25):
Esmilo/Mediqgegeven gezichtspunten:
Alsmen tot een andere beantwoording van de eerste vier vragen komt, ligt het mijns inziens niet voor de hand om tussen aanbieders onderscheid te maken in gevolgen voor de geldigheid van kansspelovereenkomsten aan de hand van de voor hen geldende handhavingscriteria.
tussen de kansspelaanbieder en de deelnemerniet (per se) een kansspelovereenkomst is. Dat gegeven is evenwel niet beslissend voor de beantwoording van de vragen 1 t/m 5, omdat de Wok niet het aangaan van (kansspel)overeenkomsten verbiedt, maar feitelijke handelingen (‘gelegenheid geven’), zodat ook in dit geval eenvoudigweg weer de vraag is: heeft de Wok de strekking (ook) een dergelijke overeenkomst tussen kansspelaanbieder en deelnemer aan te tasten? In die zin lijkt mij inderdaad niet relevant, zo meen ik met de rechtbank, dat de deelnemers niet tegen de kansspelaanbieder hebben gespeeld. Wél is relevant, lijkt mij, dat als eventueel wordt aangenomen dat de Wok de strekking heeft om daarmee strijdige rechtshandelingen aan te tasten, wellicht nog onderscheid moet worden gemaakt tussen verschillende overeenkomsten waarbij ‘gelegenheid wordt gegeven’. Het is bijvoorbeeld voorstelbaar dat de Wok wel de strekking heeft kansspelovereenkomsten aan te tasten, maar bijvoorbeeld niet de strekking heeft om een huurovereenkomst aan te tasten waarbij de verhuurde ruimte zal worden gebruikt om kansspelen te beoefenen. [384] Mijns inziens is, ten derde en tot slot, ook relevant dat in dit geval bij eventuele nietigheid van de overeenkomsten goed uit elkaar moet worden gehouden aan welke partij er onverschuldigd is betaald.
9.Beantwoording van de vragen
aangaanvan dergelijke overeenkomsten verbiedt. De overeenkomst tussen kansspelaanbieder en deelnemer aan een dergelijk kansspel is, indien zij zonder vergunning is aangegaan, wel naar haar strekking in strijd met art. 1 lid 1, aanhef en onder a, Wok, omdat de voorbereidingshandelingen voor het aangaan van de overeenkomst in strijd zijn met die bepaling. De Wok heeft echter niet de strekking de geldigheid van dergelijke overeenkomsten aan te tasten. Dergelijke overeenkomsten zijn dus niet nietig en er is dan ook geen sprake van onverschuldigde betaling van hetgeen ter uitvoering van die overeenkomst is gepresteerd.