ECLI:NL:PHR:2026:629

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
23 juni 2026
Publicatiedatum
22 juni 2026
Zaaknummer
25/00462
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 46 SrArt. 2 OpiumwetArt. 33a SrArt. 36d SrArt. 282 lid 1 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling medeplegen poging uitvoer cocaïne en medeplegen gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving

De verdachte is door het gerechtshof Den Haag veroordeeld voor medeplegen van poging tot uitvoer van 65 kilogram cocaïne, medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving en medeplegen van voorbereiding van gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het hof legde een gevangenisstraf van zeven jaar en tien maanden op en verklaarde vijf PGP-telefoons verbeurd.

De zaak draait om een voorgenomen drugstransport van Nederland naar Engeland in mei 2020, waarbij de partij cocaïne is verdwenen. De verdachte was betrokken bij de organisatie en communicatie rondom het transport en de nasleep, waaronder het uitloven van een beloning voor de dief. Tevens was hij betrokken bij de ontvoering van een persoon die verantwoordelijk werd gehouden voor de diefstal.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht heeft geoordeeld dat de verdachte medepleger is van de poging tot uitvoer van de cocaïne en van de wederrechtelijke vrijheidsberoving. Ten aanzien van de voorbereiding van gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving is het oordeel over de bestemdheid van voorwerpen zoals het baken en documenten deels onvoldoende gemotiveerd, maar dit leidt niet tot cassatie. De verbeurdverklaring van de PGP-telefoons wordt vernietigd omdat geen directe relatie met de bewezenverklaarde feiten is vastgesteld. Tevens wordt strafvermindering toegepast wegens overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: Veroordeling bevestigd, verbeurdverklaring PGP-telefoons vernietigd en strafvermindering toegepast wegens termijnoverschrijding.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00462
Zitting23 juni 2026
CONCLUSIE
P.T.C. van Kampen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1983,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is bij arrest van 4 februari 2025 door het gerechtshof Den Haag (rolnr. 22-001419-22) veroordeeld wegens
- “de eendaadse samenloop van medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven en medeplegen van voorbereiding van gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving” (parketnrs. 09-842343-20 en 09-765044-20 onder 1),
- “medeplegen van poging tot opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro A van de Opiumwet gegeven verbod” (parketnr. 09-765044-20 onder 2 primair) en
- “de eendaadse samenloop van medeplegen van een feit bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voorbereiden of bevorderen, door een ander gelegenheid, middelen en inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen en voorwerpen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit en opzettelijk handelen in strijd met het in artikel 2 onder Pro C van de Opiumwet gegeven verbod” (parketnr. 09-765044-20 onder 4 en 5). [1]
1.2
Het hof heeft de verdachte voor deze feiten een gevangenisstraf opgelegd voor de duur van zeven jaren en tien maanden, met aftrek van voorarrest. Daarnaast heeft het hof het beslissingen genomen ten aanzien van de inbeslaggenomen voorwerpen, waaronder een aantal PGP-telefoons.
1.3
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. De advocaat P. van de Kerkhof heeft drie middelen van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in deze zaak over gaat

2.1
De aan de verdachte tenlastegelegde (en grotendeels bewezenverklaarde) feiten hebben zich voor een belangrijk deel afgespeeld tegen de achtergrond van een voorgenomen uitvoer van een partij cocaïne van Nederland naar Engeland in mei 2020. Op basis van de bewijsmiddelen heeft het hof vastgesteld dat het beoogde transport een omvang had van 65 kilogram cocaïne, bestaande uit een partij van 40 kilogram en een partij van 25 kilogram. De verdachte in de onderhavige zaak is door het hof veroordeeld wegens het medeplegen van poging tot uitvoer van deze 65 kilogram; op die bewezenverklaring ziet het tweede cassatiemiddel.
2.2
[medeverdachte 1] ( [chatnaam 1] ) heeft verklaard benaderd te zijn om het transport van de cocaïne naar Engeland te regelen. Via een kennis is hij terecht gekomen bij een persoon genaamd [betrokkene 1] , over wie hij had gehoord dat [betrokkene 1] dit vaker had gedaan. Blijkens de overwegingen van het hof is ook de verdachte ( [chatnaam 2 / e-mailadres] ) bij het regelen van het transport betrokken. De naar Engeland te transporteren drugs zijn op 7 of 8 mei 2020 op een parkeerterrein bij een tuincentrum in [plaats] overgedragen. Deze locatie is volgens de verklaring van [medeverdachte 1] door [betrokkene 1] aangewezen. De drugs komen evenwel niet in Engeland aan. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] ( [chatnaam 3] ) worden verantwoordelijk gehouden voor het verdwijnen van de partij cocaïne. Op hun beurt houden [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en de verdachte [betrokkene 1] daarvoor verantwoordelijk. Ook van leden van de familie [betrokkene 3 & 4] wordt – onder meer door verdachte – vermoed dat zij bij de diefstal van de partij cocaïne betrokken zijn.
2.3
Het opsporingsonderzoek in de onderhavige zaak vangt aan naar aanleiding van berichten van Europol die op 12 mei 2020 worden ontvangen en waarin naar voren komt dat een groep criminelen op zoek is naar [betrokkene 1] .
2.4
Op 20 mei 2020 wordt de verdachte samen met [medeverdachte 3] ( [chatnaam 4 / e-mailadres] ) in een door de verdachte gehuurde Kia Picanto op heterdaad aangehouden in [plaats] op verdenking van de ontvoering van [betrokkene 1] . Dat gebeurt nadat [betrokkene 1] uit zijn eigen auto – waarin hij samen met de verdachte was gezeten – heeft weten te ontsnappen en een passerende automobilist heeft gevraagd 112 te bellen.
2.5
Onder de bij de ontvoering gebruikte auto van [betrokkene 1] wordt een baken aangetroffen. Bij de fouillering van de verdachte na zijn aanhouding worden twee telefoons en een klapmes aangetroffen. Eén van die twee telefoons – een zwarte Samsung – heeft contact met het baken onder de auto van [betrokkene 1] . De andere telefoon betreft een PGP-telefoon. Ook bij verdachte [medeverdachte 3] wordt een PGP-telefoon aangetroffen en inbeslaggenomen. In het zijvak van de deur aan de bestuurderskant van de Kia Picanto wordt een aantal documenten aangetroffen die zien op persoonlijke gegevens van [betrokkene 1] en diens familieleden. Op deze documenten staat onder meer het adres [a-straat 1] en dat daar ingeschreven staan: [betrokkene 2] , [geboortedatum] -1991 en [betrokkene 1] , [geboortedatum] -1953, alsmede gegevens over [betrokkene 2] (de zoon van [betrokkene 1] ). Uit nadien verricht dactyloscopisch onderzoek naar de in de Kia aangetroffen documenten zijn zeven sporen geïndividualiseerd op de verdachte.
2.6
Op 27 mei 2020 wordt in de woning van de verdachte aan de [b-straat 1] in [geboorteplaats] daarnaast een laptop aangetroffen. Uit onderzoek aan die laptop blijkt dat er gezocht is naar diverse adressen. Op het gezochte adres [c-straat 1] in [plaats] is de shishalounge [A] gevestigd en staan de broers [betrokkene 3] en [betrokkene 4] ingeschreven. Ook is er via Facebook gekeken op het profiel van [A] , de shishalounge van de broers [betrokkene 3 & 4] . Er is gezocht op [d-straat 1] in [plaats] ; een adres waarop volgens de politiesystemen mogelijk [betrokkene 5] verblijft. In Google Maps is op deze computer ook het adres [e-straat 1] in [plaats] ingevoerd. Volgens de Basisregistratie Personen is dit het adres van [betrokkene 6] , de ex-vrouw van [betrokkene 1] . Daarnaast is er op 15 mei 2020 gezocht op ‘ [voornaam betrokkene 1] [plaats] ’.
2.7
Alle hiervoor genoemde voorwerpen komen terug in de bewijsvoering van de aan de verdachte tenlastegelegde en bewezenverklaarde voorbereiding van gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving; daarop ziet het eerste cassatiemiddel.
2.8
Bij de verdachte thuis wordt bij een doorzoeking bovendien een aantal nieuwe (kennelijk ongebruikte) PGP-telefoons aangetroffen. Deze telefoons zijn door het hof verbeurdverklaard. Daarop ziet het derde en laatste cassatiemiddel.

3.Het eerste middel

3.1
Het eerste middel richt zich tegen de bewezenverklaring onder 1 in de zaak met parketnr. 09-765044-20 en bevat de klacht dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de tenlastegelegde voorwerpen bestemd waren tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid, te weten gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving.
3.2
Ten laste van verdachte is in de zaak met parketnr. 09-765044-20 onder 1 bewezenverklaard dat
“hij in de periode van 11 mei 2020 tot en met 20 mei 2020 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving (gericht tegen [betrokkene 1] en [betrokkene 6] en [betrokkene 2] en een of meer leden van de familie [betrokkene 3 & 4] ), opzettelijk
- een baken en PGP-telefoons, en
- een mes en
- documenten en een laptop met daarop de namen en adressen en kentekens en foto’s van voornoemde personen bestemd tot het begaan van die misdrijven voorhanden heeft gehad;”
3.3
Deze bewezenverklaring steunt – samen met de bewezenverklaring van het medeplegen van de (voltooide) wederrechtelijke vrijheidsberoving van [betrokkene 1] in de zaak met parketnr. 09-842343-20 – specifiek op de bewijsmiddelen 12 t/m 34, die in de bijlage bij het arrest van het hof zijn opgenomen. Daarnaast heeft het hof aan de hand van processen-verbaal van bevindingen de identiteit vastgesteld van de diverse bij de voor het bewijs gebruikte chats betrokken personen (bewijsmiddelen 1 t/m 11). Uit bewijsmiddel 3 blijkt dat de verdachte in de onderhavige zaak gebruik maakte van de [chatnaam 2 / e-mailadres] .
3.4
Het arrest bevat de volgende overwegingen van het hof met betrekking tot de vraag of de aangetroffen voorwerpen bestemd waren tot het begaan van de bewezenverklaarde misdrijven.
“Met de rechtbank ziet het hof zich voor de vraag gesteld of de verdachte de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen heeft verworven dan wel voorhanden heeft gehad, terwijl — indien die vraag bevestigend kan worden beantwoord — die voorwerpen bestemd waren voor de voorbereiding van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld. Ten aanzien van de vraag of de voorwerpen, afzonderlijk of gezamenlijk, naar hun uiterlijke verschijningsvorm bezien, zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf, heeft de Hoge Raad overwogen dat niet geabstraheerd kan worden van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had (zie in dit verband het arrest van 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1503). Het gaat er om of de voorwerpen, gezamenlijk bezien, ten tijde van het handelen aan dat misdadige doel dienstbaar kunnen zijn.
Hieruit volgt dat er een objectieve en subjectieve component te onderscheiden zijn. De objectieve component heeft betrekking op de bestemming van de voorwerpen die de verdachte voorhanden heeft. Deze bestemming kan blijken uit de aard van de voorwerpen zelf, uit het samenstel van voorwerpen, bezien in hun onderling verband, en uit het gebruik van de voorwerpen door de verdachte, ten tijde van het voorhanden hebben. De te hanteren maatstaf daarbij is de uiterlijke verschijningsvorm. De subjectieve component heeft betrekking op de intentie van de verdachte bij het gebruik van de voorwerpen. Hoe concreter de intentie of het plan dat de verdachte voor ogen stond uit de bewijsmiddelen naar voren komt, hoe eerder (op het oog onschuldige) voorwerpen kunnen worden aangemerkt als dienstig voor de uitvoering van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had.
Voorbereidingshandelingen
Uit de hierboven opgenomen bewijsmiddelen leidt het hof af dat de verdachte tezamen en in vereniging met anderen een baken, een PGP-telefoon, een mes, documenten en een laptop verworven en voorhanden heeft gehad. In de woning van de verdachte is een laptop aangetroffen en uit onderzoek blijkt dat gezocht is naar – kort gezegd – gegevens over [betrokkene 1] , [betrokkene 6] en leden van de familie [betrokkene 3 & 4] . De documenten die zijn aangetroffen bij de aanhouding van de verdachte bevatten (niet openbare) informatie over [betrokkene 1] , [betrokkene 7] en [betrokkene 2] . Op de documenten werden vinger- en handpalmafdrukken van de verdachte aangetroffen. Het onder de auto van [betrokkene 1] aangetroffen baken is te koppelen aan de in de Kia Picanto aangetroffen zwarte Samsung telefoon waarin de verdachte reed. Ten aanzien van het mes overweegt het hof het volgende. Bij de aanhouding van de verdachte is een mes aangetroffen. De vraag die het hof vervolgens dient te beantwoorden is of de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen bestemd waren tot het begaan van het grondfeit c.q. grondfeiten.
Het hof is van oordeel dat de verdachte en zijn mededaders niet beoogd hebben de in de tenlastelegging genoemde personen om het leven te brengen, te zwaar te mishandelen, opzettelijk brand te stichten of een ontploffing te veroorzaken, zodat de verdachte daarvan zal worden vrijgesproken. Het was de verdachte er immers om te doen een oplossing te vinden voor de verdwenen partij cocaïne en niet om de genoemde personen te doden of te verwonden. Uit de chats komt - gelet op de inhoud van de gesprekken en de context waarbinnen deze worden gevoerd - het beeld naar voren dat door middel van het ontvoeren van bepaalde personen er druk gezet kon worden op diegenen die verantwoordelijk waren voor het laten verdwijnen van de partij cocaïne.
De EncroChatgesprekken waaraan de verdachte met het account [chatnaam 2 / e-mailadres] deelnam, laten aan duidelijkheid weinig te wensen over. Er wordt gesproken over de jacht op de ripper, [betrokkene 1] , maar ook dat gejaagd moet worden op de familie van [betrokkene 1] . Over [betrokkene 7] heeft de verdachte geschreven dat hij hem in elkaar heeft geslagen en uit gesprekken van [chatnaam 1] blijkt dat de verdachte samen met [medeverdachte 1] op 12 mei 2020 bij de woning van [betrokkene 7] is binnengedrongen en op die manier [betrokkene 1] via de telefoon heeft gesproken. Hieruit volgt dat de verdachte en zijn mededaders het niet hebben gelaten bij gesprekken alleen: er is ook gericht actie ondernomen op de directe omgeving van [betrokkene 1] , met het doel om druk te zetten en zo een oplossing te vinden voor de verdwenen 65 kilo cocaïne. In het gesprek van 13 mei 2020 met [chatnaam 1] schrijft de verdachte dat de ‘kinderen of wijf’ ontvoerd moeten worden. [chatnaam 1] antwoordt daarop dat de familie wordt meegenomen als ze gevonden worden. Ook in het gesprek met [chatnaam 5 / e-mailadres] op diezelfde dag schrijft de verdachte dat gezocht wordt naar de vrouw en andere familieleden en dat hij ‘200k’ (het hof begrijpt: 200.000 euro) heeft uitgeloofd. Ditzelfde bedrag wordt genoemd in het gesprek met [betrokkene 8] , die wordt benaderd om de ontvoering uit te voeren.
In het dossier bevinden zich ook EncroChatgesprekken met betrekking tot leden van de familie [betrokkene 3 & 4] . In het gesprek van 17 mei 2020 dat de verdachte met [chatnaam 5 / e-mailadres] voert, wordt gesproken over het ontvoeren van ‘de [bijnaam 1] ’ en het overbrengen van die persoon naar een safe house. Op 18 mei 2020 schreef de verdachte dat er een plan wordt gemaakt en dat er een schone auto wordt geregeld. Uit de EncroChatgesprekken tussen [medeverdachte 3] en [chatnaam 5 / e-mailadres] blijkt dat [medeverdachte 3] op 18 mei 2020 bij de verdachte is en dat ze die avond naar de loods gaan.
De bij de verdachte en [medeverdachte 3] aangetroffen voorwerpen dienen bezien te worden in het licht van het misdadige doel dat de verdachte en zijn mededaders voor ogen hadden. Het hof acht met de rechtbank de PGP-telefoon wel dienstig voor de uitvoering van het misdadige doel dat de verdachte voor ogen had. Door middel van de PGP-telefoon was het immers mogelijk om op heimelijke wijze te communiceren met anderen om zo het misdadige doel – het ontvoeren van bepaalde personen – te verwezenlijken. Gelet op de aard van deze voorwerpen in onderlinge samenhang bezien en de wijze waarop de verdachte deze voorwerpen heeft gebruikt, zijn deze voorwerpen naar hun uiterlijke verschijningsvorm bezien dienstig voor de uitvoering van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had. Ten aanzien van voorbereidingshandelingen jegens [betrokkene 7] overweegt het hof dat, gelet op de inhoud van de EncroChatgesprekken, onvoldoende vaststaat dat de verdachte en zijn mededaders van plan waren om [betrokkene 7] – kort gezegd – te ontvoeren om op die wijze een oplossing te vinden voor de verdwenen partij cocaïne. Het hof zal de verdachte hiervan vrijspreken.
Het misdadige doel ten aanzien van de andere in de tenlastelegging genoemde personen, blijkt wel duidelijk uit de gevoerde EncroChatgesprekken. Gelet op die gesprekken is het hof van oordeel dat de genoemde voorwerpen, naar hun uiterlijke verschijningsvorm en in samenhang bezien, bestemd waren tot het begaan van de misdrijven gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving, gericht tegen [betrokkene 1] , [betrokkene 6] , [betrokkene 2] en leden van de familie [betrokkene 3 & 4] en dat de verdachte deze voorwerpen voorhanden hebben gehad.
Het tenlastegelegde medeplegen van voorbereiding van gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving gericht tegen [betrokkene 1] , [betrokkene 6] , [betrokkene 2] en leden van de familie [betrokkene 3 & 4] acht het hof op grond van het voorgaande dan ook wettig en overtuigend bewezen.”
Juridisch kader
3.5
Art. 46 lid 1 Sr Pro luidt:
“Voorbereiding van een misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld is strafbaar, wanneer de dader opzettelijk voorwerpen, stoffen, informatiedragers, ruimten of vervoermiddelen bestemd tot het begaan van dat misdrijf verwerft, vervaardigt, invoert, doorvoert, uitvoert of voorhanden heeft.”
3.6
Deze algemene strafbaarstelling van de voorbereidingshandeling is op 27 januari 1994 in werking getreden. [2] Tot dat moment was het verrichten van voorbereidingshandelingen slechts als zelfstandig delict strafbaar gesteld ten aanzien van een aantal specifieke misdrijven. In de memorie van toelichting bij het op 16 september 1991 ingediende wetsvoorstel inzake de algemene strafbaarstelling van voorbereidingshandelingen gaat de minister in op de achtergrond van het wetsvoorstel. [3] Doordat een algemene strafbaarstelling van voorbereiding tot een misdrijf ontbreekt, staat de politie tijdens de fase van voorbereiding van een misdrijf vaak machteloos. De strafvorderlijke bevoegdheden van de politie kunnen pas worden ingezet als sprake is van een strafbare poging, hetgeen volgens art. 45 Sr Pro een begin van uitvoering van het voorgenomen misdrijf vereist. In de memorie van toelichting bespreekt de minister vervolgens een reeks aan praktische voorbeelden om te onderbouwen dat dat onder omstandigheden te laat is. [4]
3.7
Voorafgaand aan de totstandkoming van art. 46 Sr Pro bestond de vrees dat de algemene strafbaarstelling van de voorbereidingshandeling een te verstrekkende inbreuk was op de grondgedachte van het strafrecht dat het bij strafbare feiten niet primair om de intentie of de planning gaat, maar om handelingen of gedragingen. [5] Ook verschillende leden van de Tweede Kamer vroegen zich tijdens de parlementaire behandeling van het wetsvoorstel af of de algemene strafbaarstelling niet zou leiden tot een toepassing van het strafrecht waarin niet langer de daad maar de intentie van de verdachte centraal staat. [6] De minister wees deze kritiek echter van de hand. Als in de redactie van de concrete strafbepaling nauwkeurig wordt voorzien in een aantal objectieve en objectiveerbare bestanddelen, dan blijft de strafrechtelijke aansprakelijkheid volgens hem beperkt en wordt de grondgedachte dat het strafrecht slechts optreedt tegen “uiterlijke handelingen en alszodanig ultimum remedium is”, niet aangetast. [7]
3.8
Om die grondgedachte gestand te doen is de strafrechtelijke aansprakelijkheid voor voorbereidingshandelingen op grond van art. 46 Sr Pro strak ingekaderd aan de hand van aansprakelijkheidsbeperkende voorwaarden. [8] Eén van die voorwaarden is dat het bij de strafbare voorbereiding in de zin van art. 46 Sr Pro steeds moet gaan om een specifieke gedraging: bijvoorbeeld het voorhanden hebben (de voorbereidingshandeling) van een voorwerp (het voorbereidingsmiddel) dat is bestemd tot het begaan van het door de verdachte voorgenomen misdrijf. [9] In navolging van de hiervoor genoemde kritiek over de mogelijke verschuiving van het daadstrafrecht naar het intentiestrafrecht bevat art. 46 Sr Pro dus geen strafbaarstelling die zich uitstrekt tot het bedenken en het plannen van het strafbare feit.
3.9
De strakke inkadering van de strafbare voorbereiding van art. 46 Sr Pro leidt tot een ietwat curieuze (maar verklaarbare) verhouding met de strafbare poging en het voltooide delict. Waar een voltooid delict altijd wordt voorafgegaan door een strafbare poging, wordt een voltooid delict niet altijd óók voorafgegaan door een strafbare voorbereiding. Elk voltooid delict vereist immers een begin van uitvoering van dat delict en dus een strafbare poging, terwijl niet voor elk voltooid delict (en strafbare poging) per definitie sprake hoeft te zijn van een (strafbare) voorfase waarin de verdachte voorwerpen voorhanden heeft die zijn bestemd tot het begaan van dat delict. Dat heeft tot gevolg dat het zo kan zijn dat het voltooide delict wel bewijsbaar is, maar de strafbare voorbereiding van datzelfde delict niet, bijvoorbeeld omdat niet kan worden bewezen dat de verdachte voorwerpen voorhanden heeft gehad die bestemd waren tot het begaan van het uiteindelijk gepleegde misdrijf.
3.1
Hoe ziet die – door de wetgever gewenste – strakke inkadering van de strafbare voorbereiding er dan uit? Naast de voor weinig discussie vatbare beperking dat het moet gaan om een (voorbereid) misdrijf waarop tenminste acht jaren gevangenisstraf is gesteld, wordt de reikwijdte van art. 46 Sr Pro in belangrijke mate bepaald door de zinsnede “bestemd tot het begaan van dat misdrijf”. In dit zogenoemde bestemmingsvereiste liggen twee belangrijke aansprakelijkheidsbeperkende voorwaarden besloten. Allereerst moeten de voorwerpen een ‘criminele’ bestemming hebben: zij moeten zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf. In de tweede plaats moet volgens de Hoge Raad uit dit zinnetje worden afgeleid dat de voorwerpen bestemd moeten zijn om op enigerlei wijze een rol te spelen bij de
uitvoeringvan het misdrijf, en dus niet slechts bij de voorbereiding van dat misdrijf. Ik ga hierna op beide onderdelen verder in.
3.11
Ik begin met de ‘criminele’ bestemming van de voorwerpen. Tot 2007 werden de woorden “bestemd tot” in art. 46 Sr Pro voorafgegaan door het woordje “kennelijk”. Dat wekte de indruk dat bij de vraag of de voorwerpen waren bestemd tot het begaan van het misdrijf, de nadruk lag op de uiterlijke verschijningsvorm van die voorwerpen. [10] Met het schrappen van dit woord uit art. 46 Sr Pro heeft de wetgever duidelijk(er) willen maken dat het gaat om de subjectieve bestemming van de voorwerpen. [11] Dat was een bevestiging van de koers die de Hoge Raad eerder had ingezet. Uit de
Ford Transit-arresten van 18 november 2003 bleek dat de criminele bestemming van een voorwerp niet – of in elk geval niet alleen – moet blijken uit de eigenschappen van het voorwerp zelf, maar dat daarbij ook betekenis moet worden toegekend aan de subjectieve bestemming van de voorwerpen. [12] Uit deze arresten volgt dat het – naast de uiterlijke verschijningsvorm en het gebruik van het voorwerp – ook gaat om het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van het voorwerp voor ogen had.
3.12
Aan de ene kant zorgt die nadruk op de subjectieve bestemming van de voorwerpen voor een uitbreiding van de reikwijdte van art. 46 Sr Pro. Zo ziet de strafbaarstelling als gevolg daarvan niet alleen op voorwerpen die vanwege een bepaalde gevaarlijkheid kunnen worden gebruikt bij het voorgenomen misdrijf, maar ook op meer ‘alledaagse’ voorwerpen waarmee de verdachte die criminele bestemming voor ogen had. Zo blijkt uit de hiervoor genoemde
Ford Transit-arresten dat ook een auto een criminele bestemming kan hebben. [13] Datzelfde geldt voor een telefoon. [14] Bepalend (en toereikend) voor de strafbaarheid is dan het misdadige doel dat de verdachte met die op zichzelf niet gevaarlijke voorwerpen voor ogen had. Daarnaast betekent de nadruk op de subjectieve bestemming dat er weinig ruimte is voor het aannemen van een ondeugdelijke voorbereiding. In HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213 twijfelde het hof bijvoorbeeld niet aan het terroristisch motief van de verdachte, maar oordeelde het hof dat het handelen van de verdachte zo onbeholpen en primitief was, dat daarvan geen reële dreiging uitging. Daarom kon volgens het hof nog niet gesproken worden van het voorhanden hebben van voorwerpen die kennelijk bestemd waren tot het plegen van een aanslag, omdat die voorwerpen die bestemming redelijkerwijs niet konden hebben. De Hoge Raad stelde voorop dat bij de vraag of een voorwerp naar zijn uiterlijke verschijningsvorm bestemd is tot het begaan van het misdrijf “niet [kan] worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had”. Volgens de Hoge Raad had het hof kennelijk als maatstaf aangelegd of de voorwerpen naar hun aard of hun concreet dan wel acuut gevaarzettend karakter daadwerkelijk zouden kunnen bijdragen aan het begaan van dat misdrijf. Dat gaf blijk van een te beperkte opvatting van art. 46 Sr Pro. [15]
3.13
Aan de andere kant wordt de reikwijdte van art. 46 Sr Pro ook weer beperkt door het subjectieve karakter van de strafbare voorbereiding. Uit de bewijsvoering zal altijd moeten kunnen worden afgeleid dat de voorwerpen in verband staan met een bepaald misdadig doel dat de verdachte voor ogen heeft. Zonder dat misdadige doel bestaat er geen strafbare voorbereiding. De Hullu en Van Kempen schrijven in dit verband over het opzetvereiste bij strafbare voorbereiding:
“Dit opzetvereiste op een bepaald misdrijf kan niet altijd gemakkelijk worden bewezen en vormt daarom een belangrijke beperking van de strafbare voorbereiding (en soms vergt het opzetvereiste een lastige precisering van wat op welke manier door het opzet wordt bestreken). Wanneer mensen zich ’s nachts bijvoorbeeld met wapens, bivakmutsen, handschoenen, een moker en duct tape in een auto bevinden, kan daaruit wellicht een vermoeden van slechte plannen worden afgeleid, maar nog niet voldoende zekerheid welke plannen dat precies zijn.” [16]
3.14
Het voorbeeld waarnaar zij verwijzen is ontleend aan een arrest van 28 januari 2014. In die zaak werd de verdachte met een aantal anderen staande gehouden in een auto waarin vervolgens allerlei (op z’n minst) verdachte voorwerpen werden aangetroffen; voorwerpen die naar hun uiterlijke verschijningsvorm zeer geschikt waren om allerhande misdrijven mee te plegen. De Hoge Raad oordeelde echter dat uit de bewijsvoering niet met voldoende bepaaldheid kon worden afgeleid welk misdadig doel de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen stond. De enkele overweging van het hof dat deze voorwerpen gebruikt kunnen worden bij het plegen van diefstal met geweld en/of afpersing, volstond naar het oordeel van de Hoge Raad niet. [17]
3.15
Een ander voorbeeld is het arrest van de Hoge Raad van 17 februari 2004. [18] De verdachte had van een medegedetineerde een zes pagina’s tellende brief gekregen met informatie over het plegen van een gewapende overval op een geldtransport. Volgens zijn voor het bewijs gebruikte verklaring had hij de brief gelezen en vervolgens in de zak van zijn winterjas gestopt. Daar werd de brief twee maanden later tijdens een huiszoeking aangetroffen. De verdachte verklaarde dat hij de jas niet meer aan had gehad en dat de brief al die tijd in zijn jaszak had gezeten. De Hoge Raad overwoog dat uit de bewijsmiddelen niet kon worden afgeleid dat het voorhanden hebben van die brief strekte ter voorbereiding van een gewapende overval. [19] Uit de bewijsmiddelen kon immers geen enkel concreet voornemen van de verdachte worden afgeleid om het misdadige doel waaraan de brief naar uiterlijke verschijningsvorm dienstig kon zijn, daadwerkelijk uit te voeren.
3.16
Hieruit blijkt andermaal de onlosmakelijke verbondenheid tussen de voorwerpen enerzijds en het misdadige doel van de verdachte anderzijds. Als er geen of onvoldoende duidelijkheid bestaat over het misdadig doel dat de verdachte met het gebruik van de voorwerpen voor ogen had, is er geen ruimte om enkel op basis van de uiterlijke verschijningsvorm van een voorwerp aan te nemen dat sprake is van strafbare voorbereiding.
3.17
De andere belangrijke beperking van de reikwijdte van art. 46 Sr Pro in het zinnetje “bestemd tot het begaan van dat misdrijf” is erin gelegen dat de voorwerpen bestemd moeten zijn om bij de uitvoering van het voorbereide misdrijf een rol te spelen. Volgens de Hoge Raad volgt uit de tekst van art. 46 Sr Pro dat met “dat misdrijf” wordt gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid, en niet op de voorbereiding zelf. [20] Dit vereiste leidt met enige regelmaat tot discussie.
3.18
In een zaak van 12 februari 2013 had de verdachte meerdere keren een bekende opgebeld en voorgesteld om een overval te plegen op een winkel. Hij probeerde die ander over te halen met de mededeling dat er op dat moment geen klanten in de winkel waren en dat hij wist hoeveel geld er in de kluis zat. Het hof oordeelde dat de mobiele telefoon van de verdachte daarmee was bestemd tot het begaan van een gewapende overval. Dat oordeel bleef in cassatie niet in stand, omdat uit de bewijsvoering niet kon worden afgeleid dat de telefoon waarmee de verdachte had gebeld, ook was bestemd om te worden gebruikt bij de gewapende overval zelf. [21] Daarbij wees de Hoge Raad op hetgeen hierboven al is opgemerkt, namelijk dat het voorwerp bestemd moet zijn tot het begaan van het beoogde misdrijf, en niet (slechts) tot de voorbereiding daarvan.
3.19
Eenzelfde lot trof de zaak van twee verdachten die geschriften en foto’s verzamelden van drie mannen die het slachtoffer zouden moeten worden van een beoogde (gewelddadige) gijzeling en die deze informatie ook ter hand stelden aan een tussenpersoon. [22] Het hof overwoog dat deze geschriften tezamen met de daaraan gehechte foto’s naar hun uiterlijke verschijningsvorm dienstig kunnen zijn voor het misdadige doel dat de verdachten met het gebruik daarvan voor ogen hadden. “Immers, zonder deze essentiële informatie over de slachtoffers, zouden de in te schakelen criminele derden niet weten welke personen het doelwit waren”, aldus het hof. De Hoge Raad casseerde, nu uit de bewijsvoering niet zonder meer kon worden afgeleid dat de foto’s en geschriften die de verdachte en haar medeverdachte hadden vervaardigd en voorhanden hadden, waren bestemd tot het begaan van de in de bewezenverklaring bedoelde misdrijven zelf.
3.2
Annotator Kooijmans leidde uit het laatstgenoemd arrest af dat uit de bewijsvoering dus moet blijken dat de voorhanden voorwerpen
daadwerkelijkeen rol zouden spelen bij (tijdens) de uitvoering van het delict en dat daar in het onderhavige geval de kneep zat:
“De geschriften en de foto’s speelden een rol bij de voorbereiding van de door de verdachte en haar medeverdachte beoogde gijzeling (en dergelijke) omdat aan de hand van deze voorwerpen de beoogde slachtoffers door J en de zijnen zouden kunnen worden geïdentificeerd. Denkbaar is dat deze voorwerpen ook een rol van betekenis zouden hebben gespeeld bij de uiteindelijke uitvoering van de gijzeling omdat deze voorwerpen de gijzelnemers in staat zouden stellen om de beoogde slachtoffers te identificeren — en dus te onderscheiden van bijvoorbeeld gezinsleden van die slachtoffers — en vanaf hun huisadres te ontvoeren. Het hof overwoog dienaangaande onder meer dat zonder de essentiële informatie over de slachtoffers die werd gepresenteerd in de geschriften en de foto’s, ‘criminele derden’ niet zouden weten welke personen het doelwit waren. Maar over de waarschijnlijkheid dat die ‘criminele derden’ bij de uitvoering van de gijzeling (en dergelijke) daadwerkelijk van die geschriften en foto’s gebruik zouden maken, houdt de bewijsvoering van het hof verder niets in en over dat motiveringsgebrek valt de Hoge Raad: uit de bewijsvoering kan niet
zonder meerworden afgeleid dat de geschriften en foto’s waren bestemd tot het begaan van de gijzeling (en dergelijke).”
3.21
Volgens Kooijmans was op grond van eerdere jurisprudentie al duidelijk dat het enkele feit dat een voorwerp dienstig
kanzijn aan een misdrijf, niet reeds op zichzelf meebrengt dat dat voorwerp ook bestemd
istot dat misdrijf. Over deze dienstigheid-eis leidt Kooijmans uit het door hem geannoteerde arrest af dat ook is vereist dat het voorwerp bij de uitvoering daadwerkelijk een rol zal spelen. Daarin zag hij aanleiding om de Hoge Raad ertoe uit te nodigen bij een volgende gelegenheid “
helderheid te verschaffen over de dienstigheid-eis in relatie tot de bestemming van het betreffende voorwerp, bijvoorbeeld door tot uitdrukking te brengen dat de dienstigheid een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde is voor strafbare voorbereiding, en dat uit de bewijsvoering moet kunnen worden afgeleid dat het voorwerp bij de uitvoering van het uiteindelijke misdrijf ook daadwerkelijk een rol zou gaan spelen. [23] Daarvoor was te meer aanleiding omdat de Hoge Raad in het door hem geannoteerde arrest – volgens Kooijmans – een strengere toets in cassatie leek te hanteren dan in eerdere zaken.
3.22
Zo concludeerde de Hoge Raad in een arrest uit 2015 dat het in de bewijsoverwegingen besloten liggende oordeel van het hof dat een bij de verdachte aangetroffen plattegrond van Holland Casino “dienstig kan zijn voor het misdadige doel dat de verdachte en een ander met het gebruik van de plattegrond voor ogen hadden”, niet blijk gaf van een onjuiste rechtsopvatting en niet onbegrijpelijk was. Kennelijk was daarbij voor de Hoge Raad niet beslissend dat uit de bewijsvoering niet bleek dat de plattegrond bedoeld was om
tijdensde overval op Holland Casino daadwerkelijk te worden gebruikt. [24]
3.23
Ook een door de Hoge Raad in september 2020 gewezen arrest lijkt ruimte te bieden voor een meer genuanceerde benadering, waarbij het gebruik van het voorhanden voorwerp
tijdensde daadwerkelijke uitvoering van het delict niet zonder meer noodzakelijk lijkt te zijn om van voorbereidingshandelingen in de zin van art. 46 Sr Pro te spreken. In die zaak had het hof vastgesteld dat de (prepaid) telefoons speciaal waren aangeschaft voor de overval, dat die telefoons van groot belang waren voor de timing van de overval en dat de verdachte op de dag van de voorgenomen overval per sms aan haar medeverdachte meerdere malen heeft laten weten dat het (te ontvreemden) geld bij haar was afgeleverd. In die zaak achtte de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de telefoons bestemd waren tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid, niet onjuist en toereikend gemotiveerd. [25]
3.24
In zijn conclusie voorafgaand aan dat arrest concludeerde AG Aben dat
“[V]an de feitenrechter wordt verwacht in de motivering van het oordeel dat het voorwerp bestemd is voor het begaan van het misdrijf, aandacht te besteden aan de wijze waarop dat voorwerp niet alleen gedurende de voorbereiding een rol heeft gespeeld, maar ook welke functie de verdachte aan het voorwerp beoogt toe te kennen bij de daadwerkelijke uitvoering van het delict. Als het gebruik van een voorwerp zich beperkt tot de voorbereiding, zal – op zijn minst in beginsel – niet zijn voldaan aan het bestemmingsvereiste. Aan die eis wordt wel voldaan als uit de bewijsvoering blijkt dat het voorwerp is bestemd om – op zijn minst mede – te fungeren in de uitvoering van het misdrijf.” [26]
3.25
Interessant is evenwel dat uit de bewijsvoering van het hof in dat arrest niet met zoveel woorden blijkt dat de telefoons een rol zouden spelen
tijdensde overval als zodanig: ze zijn van belang voor de
timingvan de overval, maar uit de bewijsvoering blijkt niet dat ze bij (tijdens) de daadwerkelijke uitvoering van de overval zelf zouden worden gebruikt. Dat heeft aanleiding gegeven voor discussie in de literatuur omtrent de vraag hoe het bestemmingsvereiste door de Hoge Raad precies wordt uitgelegd: is daarvoor nodig (en voldoende) dat de voorbereider beoogt dat het voorhanden voorwerp daadwerkelijk wordt gebruikt
tijdenshet begaan van het delict, of is daarvoor nodig dat (uit de bewijsvoering blijkt dat) het voorhanden voorwerp van (voldoende)
betekenisis voor de uitvoering van het voorbereide misdrijf?
3.26
In haar recente proefschrift
Strafbare voorbereidingbetoogt Van der Schors dat uit de door de Hoge Raad gewezen arresten in relatie tot art. 46 Sr Pro kan worden afgeleid dat het bij het bestemmingsvereiste niet zozeer gaat om
het momentwaarop het middel zal worden ingezet (de temporele interpretatie), maar om de
functievan het voorhanden middel bij de uitvoering van het voorbereide misdrijf (de functionele interpretatie): het gaat dan om de
betekenisvan het voorwerp voor de uitvoering van het beoogde delict als zodanig
. [27] “Een middel is in deze interpretatie bestemd tot het begaan van het misdrijf wanneer het van voldoende belang is voor de uitvoering daarvan, terwijl niet vereist is dat de voorbereider het middel beoogt in te zetten tijdens deze uitvoering.” [28] De strafbaarheid van het voorhanden hebben (en bestuderen) van de plattegrond van Holland Casino kan op basis van die functionele interpretatie worden verklaard, zoals ook de speciaal aangeschafte (prepaid) telefoons uit het arrest uit 2020: beide voorwerpen zijn van (groot) belang voor de uitvoering van het delict, ook als zij
tijdensdie uitvoering als zodanig niet rechtstreeks een rol (zouden) spelen. Eenzelfde functie komt echter niet zonder meer toe aan de informatie die de verdachte en haar medeverdachte moeder uit het arrest uit juli 2020 voorhanden hadden (en verstrekten) met het oog op de gijzeling van een aantal personen: die informatie is weliswaar van belang voor de vraag
jegens wiehet delict zal worden gepleegd, maar niet (zonder meer) voor de vraag
hoedat delict zal worden gepleegd.
3.27
De vraag welke interpretatie daadwerkelijk leidend is bij het bestemmingsvereiste van art. 46 Sr Pro is van wezenlijk belang. Zoals Van der Schors opmerkt, leidt een temporele interpretatie van dit vereiste tot inperking van de strafbaarheid op grond van art. 46 Sr Pro. Ze schrijft: “
Geld zou bijvoorbeeld alleen van betekenis kunnen zijn voor de uitvoering van financiële misdrijven, en ook de meeste informatiedragers hebben geen beoogde rol ten tijde van de uitvoering van het delict, terwijl zij daarvoor van cruciaal belang kunnen zijn. [29] Tegelijkertijd lijkt het bereik van die interpretatie op andere onderdelen juist te ruim: ook voorwerpen die feitelijk van geen betekenis zijn voor de uitvoering van het delict, maar daarbij wel zouden worden gebruikt, vallen in die interpretatie onder het bereik van art. 46 Sr Pro. [30] Bij een functionele interpretatie van het bestemmingsvereiste is niet het moment waarop het middel wordt ingezet doorslaggevend, maar de functie van het middel voor het begaan van het delict en de betekenis daarvan voor het handelingsplan van de uitvoerders. Die interpretatie van het bestemmingsvereiste biedt meer ruimte voor maatwerk, maar is tegelijkertijd een wat lastiger af te bakenen criterium. [31] Van der Schors schrijft hierover: “
Het beoogde gebruik van het middel vlak voor of ten tijde van de uitvoering kan een belangrijke indicatie vormen dat het middel bestemd is tot het begaan van het delict, maar is niet voldoende om tot die conclusie te komen. De (beoogde) specifieke inzet van het middel en de mate waarin het middel bijdraagt aan het slagen van de uitvoering van het delict zijn eveneens van belang, en kunnen maken dat een middel dat enkel een rol heeft in de voorbereidingsfase toch bestemd is tot het begaan van het beoogde misdrijf. [32]
3.28
De door Van der Schors bepleite interpretatie van het bestemmingsvereiste heeft daarmee niet de kracht van de eenvoud, maar lijkt wel het meeste recht te doen aan de ratio van het bestemmingsvereiste van art. 46 Sr Pro. Wellicht is dit dan ook het moment voor de Hoge Raad om in meer algemene zin helderheid te verschaffen over deze kwestie. Gaat het om de vraag of (uit de bewijsvoering kan blijken dat) het voorwerp daadwerkelijk zal worden gebruikt
tijdensde uitvoering van het delict, of ligt de nadruk op de betekenis van het voorwerp voor het handelingsplan van de uitvoerders en is daarvoor niet steeds noodzakelijk dat het voorwerp tijdens de uitvoering van het delict zelf daadwerkelijk zal worden gebruikt? Daarmee verschaft de Hoge Raad dan ook meteen de door Kooijmans gevraagde helderheid over de dienstigheid-eis (zie hiervoor, onder 3.21).
Bespreking van het eerste middel
3.29
Ik keer terug naar het middel. De bewezenverklaring houdt in dat de verdachte – tezamen en in vereniging met anderen – een gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving heeft voorbereid en dat hij in dat verband een baken, PGP-telefoons, een mes, documenten en een laptop met daarop namen, adressen, kentekens en foto’s voorhanden heeft gehad. Dit voorgenomen misdrijf was gericht tegen de personen [betrokkene 1] , [betrokkene 6] , [betrokkene 2] en een of meer leden van de familie [betrokkene 3 & 4] .
3.3
Voorafgaand aan de bespreking van deze klacht merk ik op dat het hier gaat om het medeplegen van voorbereiding van gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving ten aanzien van meerdere personen. Uit de bewijsvoering zal dus moeten blijken dat de verdachte en zijn medeverdachten ten aanzien van alle in de bewezenverklaring genoemde personen een of meer voorwerpen voorhanden hebben gehad die waren bestemd tot de gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving van elk van die personen.
3.31
Uit de bewijsvoering blijkt dat de verdachte en zijn medeverdachten sinds 12 mei 2020 op zoek zijn geweest naar [betrokkene 1] , die door hen verantwoordelijk werd gehouden voor de diefstal van de partij van 65 kilo cocaïne. Hun primaire doel was de ontvoering van deze [betrokkene 1] , maar uit de verschillende EncroChatgesprekken blijkt dat ook [betrokkene 6] (zijn vrouw) en [betrokkene 2] (zijn zoon) en leden van de familie [betrokkene 3 & 4] als doelwit werden gezien. Dat het hof kennelijk heeft geoordeeld dat het misdadige doel van de verdachte zich niet alleen uitstrekte tot de gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving van [betrokkene 1] maar ook van [betrokkene 6] , [betrokkene 2] en leden van de familie [betrokkene 3 & 4] , is, gelet op de gewisselde EncroChatgesprekken die het hof voor het bewijs heeft gebezigd, niet onbegrijpelijk en wordt in cassatie ook niet bestreden.
3.32
In deze zaak doet zich ten aanzien van [betrokkene 1] daarnaast de bijzonderheid voor dat niet alleen de voorbereiding van gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving is bewezenverklaard, maar ook de voltooide wederrechtelijke vrijheidsberoving. Ten aanzien van hem is het dus niet enkel gebleven bij een voornemen, maar is het voorgenomen misdrijf ook daadwerkelijk uitgevoerd. Zoals ik hiervoor onder 3.9 heb uitgelegd, brengt de bewezenverklaring van dat feit echter nog niet mee dat op grond van art. 46 Sr Pro ook automatisch sprake is van een strafbare voorbereiding van dat feit.
3.33
Het hof begint zijn overwegingen ter zake met de opmerking dat het hof zich gesteld ziet voor de vraag “of de verdachte de in de tenlastelegging genoemde voorwerpen heeft verworven dan wel voorhanden heeft gehad, terwijl – indien die vraag bevestigend kan worden beantwoord – die voorwerpen bestemd waren voor de voorbereiding van een misdrijf waarop een gevangenisstraf van acht jaar of meer is gesteld.” Hoewel het middel daar niet met zoveel woorden over klaagt, lijkt deze overweging te duiden op een onjuiste rechtsopvatting van het hof. De vraag is immers niet of de voorwerpen bestemd waren voor de
voorbereidingvan een dergelijk misdrijf, maar of de respectieve tenlastegelegde voorwerpen bestemd waren om te fungeren in de
uitvoeringvan het misdrijf.
3.34
Het hof heeft vervolgens overwogen dat deze voorwerpen – gelet op hun aard en de wijze waarop de verdachte deze voorwerpen heeft gebruikt – “dienstig [zijn] voor de uitvoering van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had”. Ten aanzien van de PGP-telefoon heeft het hof specifiek overwogen dat deze dienstig was voor de uitvoering van het misdadige doel dat de verdachte voor ogen had, omdat het daarmee “immers mogelijk [was] om op heimelijke wijze te communiceren met anderen om zo het misdadige doel – het ontvoeren van bepaalde personen – te verwezenlijken”.
3.35
De vraag die met het middel wordt opgeworpen is of uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen bestemd waren tot het begaan van de gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving van [betrokkene 1] , [betrokkene 6] , [betrokkene 2] en leden van de familie [betrokkene 3 & 4] . Volgens de toelichting kan uit de bewijsvoering van het hof weliswaar volgen dat de verdachte de bewezenverklaarde voorwerpen voorhanden heeft gehad, maar niet dat deze voorwerpen afzonderlijk of gezamenlijk (mede) waren bedoeld om enige rol te vervullen bij de daadwerkelijke uitvoering van het beoogde misdrijf.
3.36
In de onderhavige zaak is de bewijsvoering van het hof wat het bestemmingsvereiste van de bewezenverklaarde voorwerpen betreft niet in alle opzichten (voldoende) inzichtelijk. Ik zal hieronder ingaan op elk van de door het hof in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen en bezien of uit de bewijsvoering van het hof kan worden afgeleid dat deze voorwerpen elk voor zich bestemd waren tot het begaan van de gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Daarbij merk ik alvast op dat de beoordeling van de gezamenlijkheid van deze voorwerpen mijn eindoordeel niet anders maakt.
Het baken
3.37
Dat een (peil-)baken een belangrijke functie kan vervullen bij de uitvoering van een gijzeling en/of wederrechtelijke vrijheidsberoving, behoeft geen betoog: een heimelijk geplaatst baken is in potentie een belangrijk hulpmiddel bij dergelijke feiten, omdat het de uitvoerders in staat stelt het beoogde slachtoffer te lokaliseren en te verrassen. [33] In de temporele interpretatie van het bestemmingsvereiste zal uit de bewijsvoering moeten blijken welke rol het baken tijdens de uitvoering van het delict zou spelen. In de functionele interpretatie gaat het in de bewijsvoering vooral om de betekenis van het baken voor het handelingsplan van de uitvoerders.
3.38
Uit de bewijsvoering van het hof kan naar mijn oordeel voldoende worden afgeleid dat het baken – zowel in een temporele als functionele interpretatie – bestemd was tot het begaan van de gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Het baken was blijkens de bewijsvoering onder de auto van [betrokkene 1] geplakt. Dat het baken bedoeld was om [betrokkene 1] te lokaliseren en vervolgens van zijn vrijheid te beroven, wordt ondersteund door andere onderdelen van de bewijsvoering van het hof. Zo verwijst het hof bijvoorbeeld naar de verklaring van [medeverdachte 1] dat [medeverdachte 1] wist “van het gebruik van bakens om te achterhalen waar [betrokkene 1] was”. Ook uit de bewijsvoering van de onder 1 bewezenverklaarde voltooide wederrechtelijke vrijheidsberoving van [betrokkene 1] blijkt dat het hof die functie aan het baken heeft toegedicht. Het hof heeft daar immers overwogen “dat de verdachte middels dit baken op de hoogte was” van het feit dat [betrokkene 1] zich op de dag van de bewezenverklaarde wederrechtelijke vrijheidsberoving bevond in het huis van zijn (ex) zwager. Voorts heeft het hof overwogen dat de verdachte zich als medepleger schuldig heeft gemaakt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving (van [betrokkene 1] ), “aangezien hij samen met de [medeverdachte 3] naar de aangever is toegegaan, terwijl hij wist waar hij zich bevond door het plaatsen van een baken”.
3.39
Hieruit kan in ieder geval worden afgeleid dat het baken van wezenlijk belang was om [betrokkene 1] te kunnen ontvoeren bij de woning van zijn (ex) zwager, terwijl op grond van deze vaststellingen van het hof ook geconcludeerd kan worden dat het baken een rol heeft gespeeld tijdens de uitvoering van het delict. Het oordeel van het hof dat het baken bestemd was tot het begaan van gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving, is mijns inziens dan ook niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
Documenten en een laptop met daarop namen, adressen, kentekens en foto’s
3.4
Omtrent de laptop die bij de verdachte thuis is aangetroffen, blijkt uit de bewijsvoering van het hof slechts dat er op die laptop is gezocht naar gegevens over een aantal in de bewezenverklaring genoemde personen. Uit bewijsmiddel 33 blijkt in dat verband niet meer dan dat de op die laptop aangetroffen locatiegegevens afkomstig uit Google Maps en de zoekgeschiedenis van die laptop zijn onderzocht en dat daaruit volgt dat er een aantal zoektermen op de laptop is ingevoerd die aan de in de bewezenverklaring genoemde personen zijn te linken. Uit de bewijsvoering van het hof kan in het geheel niet worden afgeleid dat de laptop op enige manier bestemd was tot het begaan van de gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving.
3.41
Ten aanzien van de in de bewezenverklaring genoemde documenten ligt dat iets genuanceerder. Deze documenten – waarop verschillende niet vrij opvraagbare gegevens van [betrokkene 1] en [betrokkene 2] stonden – zijn bij de verdachte in de door hen gehuurde auto aangetroffen. Het hof heeft verder in zijn algemeenheid overwogen dat jacht gemaakt moest worden op de ripper ( [betrokkene 1] ) en zijn familie en dat ook gericht actie is ondernomen op de directe omgeving van [betrokkene 1] met als doel om druk te zetten en zo een oplossing te vinden voor de verdwenen 65 kilo cocaïne. Het hof vervolgt: “
In het gesprek van 13 mei 2020 met [chatnaam 1] schrijft de verdachte dat de ‘kinderen of wijf’ ontvoerd moeten worden. [chatnaam 1] antwoordt daarop dat de familie wordt meegenomen als ze gevonden worden. Ook in het gesprek met [chatnaam 5 / e-mailadres] op diezelfde dag schrijft de verdachte dat gezocht wordt naar de vrouw en andere familieleden en dat hij ‘200k’ (het hof begrijpt: 200.000 euro) heeft uitgeloofd.”
3.42
De documenten spelen naar hun uiterlijke verschijningsvorm in ieder geval een rol in de planning en de voorbereiding van een gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Onder de door het hof beschreven omstandigheden – waarin kennelijk snel moest kunnen worden geschakeld en waarin ook het plan was om de naasten van [betrokkene 1] te ontvoeren – kan ik me evenwel ook voorstellen dat deze in de auto van de verdachte aangetroffen documenten een rol zouden spelen bij uitvoering van de voorgenomen gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Zeker in de functionele interpretatie van het bestemmingsvereiste zou kunnen worden betoogd dat dit soort voorwerpen, die – net als het hiervoor besproken baken – zijn bedoeld om personen snel te kunnen lokaliseren en te identificeren, van wezenlijk belang zijn voor de uitvoering van het beoogde misdrijf. Tegelijkertijd zal dat wezenlijke belang dan wel uit de bewijsvoering moeten kunnen worden afgeleid. Daar schort het hier wat mij betreft aan. Uit de bewijsvoering blijkt niet dat de documenten hun rol in het kader van de planning en voorbereiding van de voorgenomen gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving ontstijgen en ook bestemd waren om te fungeren bij de uitvoering van de gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving ten aanzien van de in de bewezenverklaring genoemde personen als zodanig.
3.43
Het oordeel van het hof dat de documenten en de laptop bestemd waren tot het begaan van gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving, is naar mijn oordeel dan ook niet toereikend gemotiveerd.
Het mes
3.44
Ten aanzien van het in de bewezenverklaring genoemde mes geldt het volgende. Een mes zou naar zijn uiterlijke verschijningsvorm bestemd kunnen zijn tot het begaan van gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving. Uit de bewijsvoering volgt evenwel niet meer dan dat het mes is aangetroffen bij de verdachte toen hij werd aangehouden. Dat het mes kennelijk niet gebruikt is bij de bewezenverklaarde voltooide wederrechtelijke vrijheidsberoving van [betrokkene 1] , zoals in cassatie wordt aangevoerd, is overigens niet zo relevant: het gaat niet om de vraag welke functie het voorwerp uiteindelijk heeft gehad bij de uitvoering van het delict, maar om de vraag welke functie het voorwerp bij de uitvoering van het delict bedoeld was te hebben. Daarover blijkt niets uit de bewijsvoering van het hof.
3.45
Het oordeel van het hof dat het mes bestemd was tot het begaan van gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving, is naar mijn oordeel dan ook niet toereikend gemotiveerd.
De PGP-telefoons
3.46
Ook ten aanzien van de in de bewezenverklaring genoemde PGP-telefoons blijkt mijns inziens niet dat deze bedoeld waren om een rol te vervullen bij de uitvoering van de door de verdachte beoogde gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving, onafhankelijk van de vraag of daarbij een temporele of functionele interpretatie wordt gehanteerd. Ten aanzien van de PGP-telefoons overweegt het hof slechts dat deze dienstig waren voor de uitvoering van het misdadige doel dat de verdachte voor ogen had, omdat het daarmee “immers mogelijk [was] om op heimelijke wijze te communiceren met anderen om zo het misdadige doel – het ontvoeren van bepaalde personen – te verwezenlijken”. Deze overweging verwijst slechts naar het (in zijn algemeenheid) dienstig
kunnenzijn van de PGP-telefoons aan het misdadige doel van de verdachte. Daaruit blijkt nog niet dat de PGP-telefoons ook
daadwerkelijkbedoeld waren om te worden gebruikt voor de beoogde gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving of daarbij een wezenlijke functie hadden.
3.47
Het oordeel van het hof dat de PGP-telefoons bestemd waren tot het begaan van gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving, is dan ook naar mijn oordeel niet toereikend gemotiveerd.
Tussenconclusie
3.48
Het middel faalt voor zover wordt geklaagd over het in de bewezenverklaring genoemde baken. Voor het overige is het middel terecht voorgesteld.
Belang bij cassatie?
3.49
De vraag is of de verdachte (voldoende) belang heeft bij het onderhavige cassatiemiddel.
3.5
Daarbij is van belang dat het hof eendaadse samenloop heeft aangenomen tussen de in de zaak met parketnr. 09-842343-20 onder 1 bewezenverklaarde (voltooide) wederrechtelijke vrijheidsberoving van [betrokkene 1] enerzijds en de hiervoor besproken strafbare voorbereiding van gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving anderzijds. De omstandigheid dat de strafbare voorbereiding naar het oordeel van het hof niet alleen was gericht tegen [betrokkene 1] , maar ook tegen een aantal andere in de bewezenverklaring genoemde personen, heeft het hof kennelijk niet geleid tot het oordeel dat de verdachte ten aanzien van dat feitencomplex meer dan één verwijt moet worden gemaakt. [34]
3.51
Het aannemen van eendaadse samenloop tussen deze twee feiten heeft er toe geleid dat het hof in het kader van de strafoplegging op grond van art. 55 lid 1 Sr Pro slechts toepassing heeft gegeven aan de strafbepaling waarop de zwaarste hoofdstraf is gesteld. Die strafbepaling is in dit geval (het medeplegen van) wederrechtelijke vrijheidsberoving in de zin van art. 282 lid 1 Sr Pro van [betrokkene 1] . Immers: het (medeplegen van het) opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden kent een strafbedreiging van ten hoogste acht jaren (art. 282 lid 1 Sr Pro). Gijzeling als bedoeld in art. 282a Sr kent een strafbedreiging van ten hoogste 15 jaren. Art. 46 lid 2 Sr Pro bepaalt dat het maximum van de hoofdstraffen op het misdrijf gesteld bij voorbereiding met de helft wordt verminderd. Voor zowel wederrechtelijk vrijheidsberoving als gijzeling ligt dat laatste maximum lager dan de strafbedreiging van wederrechtelijke vrijheidsberoving als zodanig. Nu naar het oordeel van het hof sprake is van eendaadse samenloop van voorbereiding van gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving en het medeplegen van wederrechtelijke vrijheidsberoving, heeft het hof de straf moeten bepalen op grond van het strafmaximum ten aanzien van wederrechtelijke vrijheidsberoving (en niet op de voorbereiding van gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving).
3.52
Op grond hiervan meen ik dat de verdachte geen rechtens te respecteren belang heeft bij cassatie.
Slotsom van het eerste middel
3.53
Het middel leidt niet tot cassatie.

4.Het tweede middel

4.1
Het tweede middel ziet op de bewezenverklaring onder 2 primair in de zaak met parketnr. 09-765044-20 en bevat in het bijzonder de klacht dat uit de bewijsvoering niet kan worden afgeleid dat de verdachte een intellectuele en/of materiële bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan de poging tot uitvoer van 65 kilogram cocaïne.
4.2
Ten laste van verdachte is in de zaak met parketnr. 09-765044-20 onder 2 primair bewezenverklaard dat:
“hij in de periode van 7 mei 2020 tot en met 11 mei 2020 in Nederland ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk buiten het grondgebied van Nederland te brengen (ongeveer) 65 kilogram, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I,
metzijn mededaders opzettelijk
- met transporteurs en leveranciers en afnemers contacten
heeftgelegd en onderhouden en
- gesproken
heeftover en afspraken
heeftgemaakt over het transport en de verdeling van de (ongeveer) 65 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne en/of
- (ongeveer) 65 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne
heeftovergedragen aan de transporteur
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid”
4.3
Naast de bewijsmiddelen 1 t/m 11 betreffende de identificatie van de verschillende chatnamen, steunt deze bewezenverklaring specifiek op de bewijsmiddelen 35 t/m 39. Die bewijsmiddelen luiden als volgt:

35. Een proces-verbaal van bevindingenvan de politie eenheid Team Opsporing (DH) d.d. 29 oktober 2020 onder nummer 442. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 491 e.v. van het algemeen dossier):
Chat tussen [chatnaam 2 / e-mailadres] en [betrokkene 8]
Datum
Verzender
Bericht
2020-05-13 19:39:29
[chatnaam 2 / e-mailadres]
Maat wil je geld verdiene
2020-05-13 19:40:05
[chatnaam 2 / e-mailadres]
Iemand ophalen im [plaats] of zijn oom heb gisteren al alles op zijn kop gezet
2020-05-13 19:41:02
[chatnaam 2 / e-mailadres]
Als je brengt cash momey.
2020-05-13 19:52:47
[chatnaam 6 / e-mailadres]
Hoeve el is ie waard ?.
2020-05-13 19:58:57
[chatnaam 2 / e-mailadres]
200k cash
36. Een proces-verbaal van bevindingenvan de politie eenheid Team Opsporing (DH) d.d. 5 september 2020 onder nummer 399. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 925 e.v. van het algemeen dossier):
Chat tussen [chatnaam 5 / e-mailadres] en [chatnaam 4 / e-mailadres]
Datum
Verzender
Bericht
2020-05-18 13:43:18
[chatnaam 5 / e-mailadres]
These 3 middlemen brought tp to my pal
2020-05-18 13:43:33
[chatnaam 4 / e-mailadres]
[chatnaam 2 / e-mailadres] ?
2020-05-18 13:43:38
[chatnaam 5 / e-mailadres]
The [bijnaam 2] guy is one who works with the thief
2020-05-18 13:43:40
[chatnaam 4 / e-mailadres]
So he’s responsible
2020-05-18 13:44:01
[chatnaam 4 / e-mailadres]
Will he come on he's own?
2020-05-18 13:44:04
[chatnaam 5 / e-mailadres]
He's mate with [bijnaam 2] who brought tp to [chatnaam 2 / e-mailadres]
2020-05-18 17:55:57
[chatnaam 4 / e-mailadres]
Guy am with
2020-05-18 17:56:04
[chatnaam 5 / e-mailadres]
[chatnaam 2 / e-mailadres]
2020-05-18 17:56:09
[chatnaam 4 / e-mailadres]
Told [bijnaam 2] he wants 20 tops.
2020-05-18 17:56:11
[chatnaam 4 / e-mailadres]
Ye
2020-05-18 17:56:25
[chatnaam 5 / e-mailadres]
On top of our 65
2020-05-18 17:56:32
[chatnaam 4 / e-mailadres]
Yeh
2020-05-18 17:56:45
[chatnaam 5 / e-mailadres]
[chatnaam 2 / e-mailadres] brought the tp to my mate. Hes in middle
2020-05-18 17:56:59
[chatnaam 5 / e-mailadres]
This a fucking joke man
2020-05-18 17:57:22
[chatnaam 4 / e-mailadres]
So [chatnaam 2 / e-mailadres] brought that tp guy to [bijnaam 2] ?
2020-05-18 17:58:20
[chatnaam 5 / e-mailadres]
No [bijnaam 2] to [chatnaam 2 / e-mailadres] to [bijnaam 3] and him to my mate. They all lied but saying tp going a long time. Im not sure who told all lied
Chat tussen [chatnaam 7 / e-mailadres] en [chatnaam 8]
Datum
Verzender
Bericht
2020-06-06 22:05:28
[chatnaam 7 / e-mailadres]
All this mess [chatnaam 2 / e-mailadres] fault.also
2020-06-06 22:05:36
[chatnaam 7 / e-mailadres]
[bijnaam 4] has to shoot.him
2020-06-06 22:05:41
[chatnaam 7 / e-mailadres]
Or get stuff back
2020-06-06 22:06:48
[chatnaam 7 / e-mailadres]
How can this guy not be found
2020-06-06 22:07:17
[chatnaam 7 / e-mailadres]
[chatnaam 2 / e-mailadres] and [bijnaam 5] messed up kidnapping bad
2020-06-06 22:07:44
[chatnaam 7 / e-mailadres]
How the F
2020-06-06 22:07:49
[chatnaam 7 / e-mailadres]
Can he escape
2020-06-06 22:07:54
[chatnaam 7 / e-mailadres]
Open window
2020-06-06 22:08:02
[chatnaam 7 / e-mailadres]
You put hum back of car
2020-06-06 22:08:10
[chatnaam 7 / e-mailadres]
Between 2 people
37. Een proces-verbaal van bevindingenvan de politie eenheid Team Opsporing (DH) d.d. 18 september 2020 onder nummer 428. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (p. 112 e.v. van het algemeen dossier):
Chat tussen [chatnaam 1] en [chatnaam 2 / e-mailadres]
Datum
Verzender
Bericht
2020-05-07 10:19:40
[chatnaam 2 / e-mailadres]
Was een valse start maar nu gaan we knallen maat
2020-05-07 10:19:54
[chatnaam 1]
Zeker weten
2020-05-07 10:20:06
[chatnaam 1]
Beter zo contact
2020-05-07 10:20:26
[chatnaam 1]
[bijnaam 4] weet ,open boek met mij
2020-05-07 10:20:51
[chatnaam 2 / e-mailadres]
Ik ook met [bijnaam 4] is goud en jii ook
2020-05-07 10:21:05
[chatnaam 2 / e-mailadres]
Daarom alle handen aan dek en gas
2020-05-07 10:21:38
[chatnaam 1]
Ja gap ,gas en gaan
2020-05-07 10:21:58
[chatnaam 2 / e-mailadres]
Juist maat.hoeveel is nu drop totaal
2020-05-07 10:22:06
[chatnaam 1]
65
2020-05 0710:22:11
[chatnaam 2 / e-mailadres]
Lekker
2020-05-07 10:22:24
[chatnaam 1]
40 en 25
Chatgesprek tussen [chatnaam 1] en [chatnaam 3]
Datum
Verzender
Bericht
2020-05-11 09:35:38
[chatnaam 1]
Hij is veilig de grens over
2020-05-11 09:41:40
[chatnaam 2 / e-mailadres]
(emoticon)
2020-05-11 18:50:51
[chatnaam 2 / e-mailadres]
Ben je in de regio maatb
2020-05-11 18:51:08
[chatnaam 2 / e-mailadres]
Heb zo alvast pap van die 25 stuks
2020-05-11 18:51:23
[chatnaam 2 / e-mailadres]
[bijnaam 6] is onderweg na mij zaak is rond 19.20 bij me
2020-05-11 18:56:31
[chatnaam 2 / e-mailadres]
Gabber alles oke
2020-05-11 18:57:21
[chatnaam 1]
Nog geen contact met chauffeur
2020-05-11 18:58:37
[chatnaam 2 / e-mailadres]
Wachten daar al 1 uur
2020-05-11 18:58:47
[chatnaam 2 / e-mailadres]
Was de eerste drop al gedaan?
2020-05-11 18:59:08
[chatnaam 1]
Nee
2020-05-11 18:59:44
[chatnaam 2 / e-mailadres]
Is nog niets gedropt gabber
2020-05-11 19:00:31
[chatnaam 1]
Nee nog niet
Datum
Verzender
Bericht
2020-05-11 23:29:46
[chatnaam 3]
Maar nu gewoon niet afspreken
2020-05-11 23:30:19
[chatnaam 3]
En morgen probeer uit te leggen en kijken hoe ze reageren
2020-05-11 23:30:37
[chatnaam 3]
MAAR BEN BANG VAN GEEN RESPIJT
2020-05-11 23:31:06
[chatnaam 1]
Ik ook
2020-05-11 23:31:14
[chatnaam 3]
KIJK DIE [bijnaam 7] EN [bijnaam 8] MOETEN ECHT NAAST JE STaan
2020-05-11 23:31:40
[chatnaam 3]
Hun hebben jou deze man verkocht als een topper
2020-05-11 23:32:06
[chatnaam 1]
Ja, maar iedereen wijst naar mij
2020-05-11 23:32:40
[chatnaam 3]
Kan niet hun hebben die man gebracht
2020-05-11 23:33:13
[chatnaam 3]
Kunnen nooit na jou wijzen
2020-05-11 23:33:29
[chatnaam 1]
Ja ,maar [bijnaam 9] , [chatnaam 2 / e-mailadres] […]
2020-05-11 23:34:16
[chatnaam 3]
Ja die kunnen dat valen is valen rip kan niet
2020-05-11 23:37:53
[chatnaam 3]
Rip was onmogelijk
2020-05-11 23:38:26
[chatnaam 3]
Tyfes zooi
2020-05-11 23:38:40
[chatnaam 1]
Ik ga eraan
38. Een proces-verbaal van bevindingenvan de politie eenheid Team Opsporing (DH) d.d. 5 september 2020 onder nummer 399. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven (p. 973 van het algemeen dossier):
Chatgesprek tussen [chatnaam 7 / e-mailadres] en [chatnaam 8]
Datum
Verzender
Bericht
2020-06-06 22:05:28
[chatnaam 7 / e-mailadres]
All this mess [chatnaam 2 / e-mailadres] fault.also
4.4
Over de rol van de verdachte bij dit feit wordt door het hof in de bewijsoverwegingen het volgende opgemerkt:

De omvang van het transport en de rol van [verdachte]
Tussen [verdachte] ( [chatnaam 2 / e-mailadres] ) en [medeverdachte 1] ( [chatnaam 1] ) zijn voorafgaand aan het transport berichten uitgewisseld waaruit het hof afleidt dat het transport een totale omvang had van 65 kilogram cocaïne, bestaande uit een partij van 40 kilogram en 25 kilogram. [verdachte] bericht op 7 mei 2020 aan [medeverdachte 1] dat er een valse start was, maar dat zij nu gaan knallen. Hij vraagt naar de totale drop. [medeverdachte 1] antwoordt dat het gaat om 65, 40 en 25. Op 10 mei 2020 bericht [medeverdachte 1] aan [verdachte] dat hij (het hof begrijpt: de transporteur) veilig de grens over is. [verdachte] bericht dan dat hij alvast de pap van die 25 stuks heeft. De chauffeur is onderweg naar zijn zaak. Als berichten over de drops uitblijven, vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 1] of de eerste drop al is gedaan. [medeverdachte 1] antwoordt: nee. Diezelfde avond vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 1] wat hij moet zeggen. "Dit kost me kop". Op 13 mei 2020 stuurt [verdachte] berichten aan het account [chatnaam 5 / e-mailadres] dat hij 200K beschikbaar stelt om iemand naar een safe house te brengen.
[…]
Dagvaarding II – feit 2
Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor onder het kopje ‘aanleiding’ is overwogen over het transport van de 65 kg cocaïne en de rol van [verdachte] daarbij. In aanvulling daarop merkt het hof – in navolging van de rechtbank – uit de chatgesprekken het navolgende op.
Uit het chatgesprek tussen de gebruikers [chatnaam 5 / e-mailadres] en [chatnaam 4 / e-mailadres] leidt het hof af dat [medeverdachte 1] de transporteur van de cocaïne bij de verdachte heeft aangedragen, de verdachte op zijn beurt de transporteur aan de " [bijnaam 3] ” heeft voorgesteld, die de transporteur vervolgens in contact heeft gebracht met de eigenaren van de partij cocaïne, de personen die gebruik maakten van de accountnamen [chatnaam 8] en [chatnaam 9] . Uit de chatberichten blijkt verder dat de verdachte en [medeverdachte 1] veelvuldig contact hebben over dit transport. De verdachte informeert in het chatgesprek op 7 mei 2020 niet alleen naar de levering van de cocaïne, maar zegt daarbij ook (zoals hiervoor ook al overwogen) dat hij en [medeverdachte 1] samen "gaan knallen". Hij wordt vervolgens door [medeverdachte 1] op de hoogte gehouden of de transporteur de grens over is, waarna de verdachte zegt dat hij "pap van die 25 stuks" (het hof begrijpt: het geld voor de levering van 25 kilogram) bij zich heeft en dat de chauffeur onderweg is naar zijn zaak. Op het moment dat blijkt dat de 65 kilogram cocaïne is gestolen, looft de verdachte een bedrag van 200.000 euro uit voor de dief. Tot slot blijkt uit de chatgesprekken tussen andere EncroChatgebruikers dat de verdachte (mede) verantwoordelijk wordt gehouden voor het verdwijnen van de partij cocaïne. Zo volgt uit het gesprek tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 10 mei 2020 dat niet alleen [medeverdachte 1] , maar ook [chatnaam 2 / e-mailadres] verantwoordelijk is en stuurt [chatnaam 7 / e-mailadres] op 6 juni 2020 dat alles de fout van [chatnaam 2 / e-mailadres] , oftewel de verdachte, is.
De rol van de verdachte nader beschouwd
Anders dan de raadsman heeft betoogd en in navolging van de rechtbank, is het hof van oordeel dat de verdachte als medepleger voor dit feit kan worden aangemerkt. Uit de chatgesprekken blijkt dat de verdachte bij het drugstransport als tussenpersoon is opgetreden door de transporteur bij de eigenaren van de cocaïne aan te dragen. Dit leidt het hof niet alleen af uit de gesprekken die de verdachte en [medeverdachte 1] hebben gevoerd over het transport, maar ook uit het chatgesprek tussen [chatnaam 5 / e-mailadres] en [chatnaam 4 / e-mailadres] , waaruit blijkt dat de verdachte de transporteur met de ‘ [bijnaam 3] ’ in contact heeft gebracht. Dat de verdachte samen met anderen verantwoordelijk was voor het regelen van de transporteur blijkt ook uit het feit dat de verdachte door andere EncroChatgebruikers mede verantwoordelijk wordt gehouden voor de verdwijning van de partij cocaïne en hij een groot geldbedrag uitlooft voor het vinden van de dief. Tot slot blijkt uit de chatgesprekken dat de verdachte de beschikking had over het geldbedrag voor een deel van de partij cocaïne.
De verdachte heeft, gelet op het voorgaande, meer gedaan dan het enkele informeren naar (het transport van) de partij cocaïne. Hij heeft door op deze manier als tussenpersoon op te treden een wezenlijke en significante bijdrage geleverd aan, en een essentiële rol gehad bij, de poging tot uitvoer van de cocaïne. Voor het uitvoeren van cocaïne naar Engeland is het regelen van het transport immers cruciaal. Hij heeft bewust en nauw samengewerkt met de andere tussenpersonen bij de totstandkoming van het drugstransport. Gelet op dit alles is het hof evenals de rechtbank van oordeel dat de bijdrage van de verdachte van meer dan voldoende gewicht is geweest om hem als medepleger te kwalificeren.”
4.5
In de eerste plaats klaagt de steller van het middel over een specifiek onderdeel van de bewijsoverweging dat luidt: “
Diezelfde avond vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 1] wat hij moet zeggen. “Dit kost me kop”.” De bewijsmiddelen zouden geen chatbericht bevatten waaruit dit blijkt. Dat is een terechte klacht. Deze klacht leidt evenwel niet tot cassatie, nu de desbetreffende passage uit de bewijsoverwegingen van het hof kan worden weggedacht zonder dat dit daaraan afbreuk doet: ook uit andere bewijsmiddelen (in het bijzonder bewijsmiddel 36) volgt immers dat de verdachte door anderen (mede) verantwoordelijk werd gehouden voor de mislukte uitvoer van de cocaïne naar Engeland.
4.6
Voorts wordt geklaagd dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte en [medeverdachte 1] “veelvuldig contact hebben over dit transport”, zoals het hof in de bewijsoverweging heeft overwogen. Het hof heeft uitgelegd waar het contact tussen de verdachte en [medeverdachte 1] heeft bestaan. De verdachte heeft volgens het hof niet alleen geïnformeerd naar de levering, maar zegt ook dat hij en [medeverdachte 1] samen gaan knallen, terwijl hij vervolgens door [medeverdachte 1] op de hoogte wordt gehouden of de transporteur de grens over is. Het hof heeft dit contact kennelijk geduid als “veelvuldig contact”. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk. Verweven als het is met de feitelijke waardering van het bewijs, is voor verdere toetsing in cassatie geen plaats. Bovendien gaat het in het kader van de bewijsvoering vooral om de inhoud van dat contact tussen de verdachte en [medeverdachte 1] en niet om de vraag of al dan niet sprake is van “veelvuldig contact”. Ook voor zover de steller van het middel klaagt dat uit de bewijsmiddelen niet kan worden afgeleid dat de verdachte een bedrag van 200.000 euro heeft uitgeloofd voor de dief, faalt het middel. Het hof heeft die vaststelling wat mij betreft kunnen ontlenen aan bewijsmiddel 35.
4.7
Vervolgens is de vraag of uit de bewijsvoering kan worden afgeleid dat de verdachte een wezenlijke bijdrage heeft geleverd bij de uitvoering van het delict die zodanig is dat van medeplegen kan worden gesproken. De steller van het middel bestrijdt dat.
4.8
Bij de bespreking van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. Voor de kwalificatie medeplegen is vereist dat sprake is van nauwe en bewuste samenwerking. Blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad is die kwalificatie alleen gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde – intellectuele en/of materiële – bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Dat brengt met zich dat wanneer het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering, maar uit gedragingen die met medeplichtigheid in verband plegen te worden gebracht, op de rechter de taak rust om in het geval dat hij toch tot een bewezenverklaring van het medeplegen komt, in de bewijsvoering – dus in de bewijsmiddelen en zo nodig in een afzonderlijke bewijsoverweging – dat medeplegen nauwkeurig te motiveren. Daarbij kan de rechter rekening houden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. [35]
4.9
Het hof heeft overwogen dat de verdachte als tussenpersoon is opgetreden door de transporteur bij de eigenaren van de cocaïne aan te dragen. Dat zich tussen de verdachte en de eigenaren van de cocaïne nog een schakel bevond omdat de verdachte de transporteur met de “ [bijnaam 3] ” in contact heeft gebracht, die de transporteur vervolgens op zijn beurt weer in contact heeft gebracht met de eigenaren van de cocaïne, doet – anders dan de steller van het middel betoogt – niet af aan de vaststelling van het hof. Daarnaast heeft het hof in aanmerking genomen dat de verdachte “beschikking had over het geldbedrag voor een deel van de cocaïne”. Hoewel over deze vaststelling van het hof niet wordt geklaagd, zou ik uit de onder bewijsmiddel 37 opgenomen berichten eerder afleiden dat het de bedoeling was dat de verdachte het geld voor de levering van 25 kilo cocaïne zou ontvangen en dat de chauffeur daarmee naar hem toe zou komen, maar dat dat laatste niet is gebeurd. Wat daar ook van zij, voor de vraag of sprake is van medeplegen doet wat mij betreft weinig ter zake of de verdachte het geld voor de levering van de 25 kilo cocaïne uiteindelijk daadwerkelijk heeft ontvangen. Het hof heeft voorts in aanmerking genomen dat de verdachte, nadat de cocaïne was gestolen, een bedrag van 200.000 euro heeft uitgeloofd voor de dief. Tot slot heeft het hof gewezen op het feit dat de verdachte door anderen verantwoordelijk werd gehouden voor het verdwijnen van de cocaïne. De steller van het middel voert in dat verband weliswaar terecht aan dat de chatberichten van 10 mei 2020 tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] waarnaar het hof verwijst, zich niet bij de bewijsmiddelen bevinden, maar tot cassatie leidt dat niet. De door het hof relevant geachte conclusie dat de verdachte door anderen verantwoordelijk werd gehouden, kan immers ook worden ontleend aan de berichten tussen [chatnaam 5 / e-mailadres] en [chatnaam 4 / e-mailadres] , alsmede de gesprekken tussen [chatnaam 7 / e-mailadres] en [chatnaam 8] (bewijsmiddel 36).
4.1
Kort samengevat is het oordeel van het hof dat sprake is van medeplegen dus gebaseerd op de vaststellingen dat de verdachte
- als tussenpersoon is opgetreden door de transporteur bij de eigenaren van de cocaïne aan te dragen;
- tijdens en in aanloop naar het transport contact heeft gehad met [medeverdachte 1] over het transport;
- het geld van de levering van een deel van de cocaïne zou ontvangen, dan wel – volgens het hof – daadwerkelijk beschikte over dat geld;
- een bedrag van 200.000 euro heeft uitgeloofd voor de dief;
- door anderen (mede) verantwoordelijk werd gehouden voor de verdwijning van de partij cocaïne.
4.11
Uit deze vaststellingen blijkt dat de verdachte zowel in de aanloop naar het transport als tijdens het transport een rol van betekenis heeft gespeeld. Het hof heeft op grond van deze vaststellingen overwogen dat de verdachte “meer [heeft] gedaan dan het enkele informeren naar (het transport van) de partij cocaïne”. Over zijn rol in aanloop naar het transport – als tussenpersoon – heeft het hof nog specifiek overwogen dat het regelen van het transport voor het uitvoeren van cocaïne naar Engeland cruciaal is. Tijdens het transport heeft de verdachte vervolgens contact met [medeverdachte 1] onderhouden over het verloop en blijkt bovendien dat hij het geld voor de levering van een deel van de partij cocaïne zou ontvangen. Ook heeft de verdachte daarna een rol gespeeld in de nasleep van het (mislukte) transport.
4.12
Al met al heeft het hof op basis van deze vaststellingen en overwegingen kunnen oordelen dat de verdachte een wezenlijke en significante bijdrage heeft geleverd aan, en een essentiële rol gehad bij, de poging tot uitvoer van cocaïne. Het oordeel dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om als medeplegen te kwalificeren is daarmee niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
4.13
Het middel faalt.

5.Het derde middel

5.1
Het derde middel richt zich tegen de door het hof uitgesproken verbeurdverklaring van de telefoons die zijn opgenomen op de tweede beslaglijst, nr. 2 t/m 6. Het betreft vijf PGP-telefoons, elk in een (eigen) doosje.
5.2
Het hof heeft dienaangaande het volgende overwogen:
“Het hof zal tevens de PGP-telefoons zoals genoemd op de tweede beslaglijst onder de nummers 2 tot en met 6 verbeurd verklaren. Voor deze telefoons geldt dat deze niet zijn onderzocht en de inhoud van deze telefoons en daarmee de directe link met de gepleegde strafbare feiten, niet als zodanig kan worden vastgesteld. Echter, gelet op artikel 33a lid 1 sub e Sr, zijn ook deze telefoons voor verbeurdverklaring vatbaar nu kan worden vastgesteld dat de verdachte criminele bedoelingen had met deze voorwerpen. Deze bedoeling leidt het hof af uit de algemene ervaringsregel dat dergelijke versleutelde telefoons doorgaans enkel gebruikt worden voor (het voorbereiden van) drugscriminaliteit. De verdachte is in onderhavige zaak voor drugsgerelateerde misdrijven veroordeeld waarbij ook gebruik werd gemaakt van PGP telefoons om met elkaar te communiceren. Hieruit concludeert het hof dat ook de PGP telefoons die thuis bij de verdachte zijn aangetroffen (mede) bestemd waren tot het plegen van de bij dagvaarding II onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde feiten. De telefoons onder de nummers 2 tot en met 6 zullen derhalve verbeurd worden verklaard.”
5.3
Deze overweging roept vragen op over de interpretatie en reikwijdte van art. 33a lid 1 onder e Sr. Deze grond voor verbeurdverklaring, die ook voorkomt in art. 36c (sub 5) Sr en daarmee ook een grond kan vormen voor onttrekking aan het verkeer (voor zover zij van zodanige aard zijn dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet of met het algemeen belang), is in de jurisprudentie van de Hoge Raad nog weinig aan de orde geweest.
Juridisch kader
5.4
Art. 33a lid 1 luidt:
“Vatbaar voor verbeurdverklaring zijn:
a. voorwerpen die aan de veroordeelde toebehoren of die hij geheel of ten dele ten eigen bate kan aanwenden en die geheel of grotendeels door middel van of uit de baten van het strafbare feit zijn verkregen;
b. voorwerpen met betrekking tot welke het feit is begaan;
c. voorwerpen met behulp van welke het feit is begaan of voorbereid;
d. voorwerpen met behulp van welke de opsporing van het misdrijf is belemmerd;
e. voorwerpen die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd
;
f. zakelijke rechten op of persoonlijke rechten ten aanzien van de onder a tot en met e bedoelde voorwerpen.”
5.5
De verbeurdverklaring is in zijn huidige vorm ingevoerd in 1959. [36] Tot dat moment bevatte het Wetboek van Strafrecht een zeer beperkte algemene regeling van de verbeurdverklaring, waarvan in bijzondere wetten met regelmaat werd afgeweken. Daarom was het volgens de wetgever tijd voor een nieuwe en meer uitgebreide regeling voor de verbeurdverklaring. [37] Naast deze verbeurdverklaring – als straf – bestond volgens de wetgever ook behoefte aan een maatregel “
die er bepaalde rechtsgevolgen mede gemeen heeft, doch niet het karakter van een straf draagt”. [38] Deze maatregel – door de wetgever aangeduid als “onttrekking aan het verkeer” – was vooral bedoeld voor de situatie waarin er geen aanleiding bestond om een voorwerp bij wijze van straf verbeurd te verklaren, maar waarin het desondanks ongewenst is om een voorwerp na afloop van de procedure terug te geven. Om te voorkomen dat de nieuwe maatregel zou uitgroeien tot een verkapte straf, werd zij (bovendien) uitdrukkelijk beperkt tot voorwerpen “
die niet slechts in handen van de betrokken delinquent, doch in handen van het publiek in het algemeen gevaarlijk zijn.” [39]
5.6
In het wetsvoorstel van 1954 was dat laatste criterium één van de belangrijkste verschillen tussen de maatregel van onttrekking aan het verkeer en de bijkomende straf van verbeurdverklaring. Verder waren er vooral veel overeenkomsten: beide hadden zij betrekking op dezelfde voorwerpen en beide vereisten dat een in de wet omschreven directe link met het concrete strafbare feit aanwezig was. De vaste Commissie voor Justitie wees er vervolgens echter op dat dit laatste vereiste een categorie voorwerpen aan het ontwerp liet ontsnappen. Het betrof volgens de Commissie voorwerpen “
die weliswaar niet bij het begaan van het misdrijf zijn gebruikt, die ook niet daartoe waren vervaardigd of bestemd, maar die kennelijk zijn bestemd of vervaardigd tot het begaan van een misdrijf als datgene, waarvoor degeen, bij wie zij werden aangetroffen, wordt veroordeeld.” [40] Als voorbeeld noemde de Commissie voorwerpen die worden gevonden bij een wegens diefstal veroordeelde persoon, die hem na teruggave in staat zouden stellen om nieuwe diefstallen te plegen. [41] Anders dan de leden van de Commissie, die voorstelden om de regeling van de verbeurdverklaring in dit verband uit te breiden, lag het volgens de minister meer voor de hand om deze leemte op te vullen in de regeling van de onttrekking aan het verkeer, en niet via de verbeurdverklaring. Hij schreef hierover: “
Niet alleen vindt men dan een geschikt criterium in de gevaarlijkheid van het ongecontroleerd bezit der voorwerpen, doch tevens wordt vermeden dat de ontneming een strafkarakter draagt, hetgeen in het algemeen minder gewenst is indien het voorwerpen betreft, die niet in betrekking stonden tot het berechte strafbare feit. [42] Bij Nota van Wijziging werd daarom een nieuwe bepaling toegevoegd aan de regeling van onttrekking aan het verkeer, op grond waarvan ook voorwerpen kunnen worden onttrokken aan het verkeer, indien die voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar het begane feit worden aangetroffen en “kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven”. [43] Die bepaling kennen we nu – ten aanzien van soortgelijke feiten – als art. 36d Sr. Zo bleef in het uiteindelijke aangenomen wetsvoorstel de verbeurdverklaring beperkt tot voorwerpen die een directe relatie hebben met het concrete strafbare feit. Dat is nadien altijd zo gebleven.
5.7
In overeenstemming met deze wetsgeschiedenis is de lijn in de jurisprudentie van de Hoge Raad dat onder ‘het strafbare feit’, ‘het feit’ en ‘het misdrijf’ in art. 33a lid 1 Sr telkens het
bewezenverklaarde feitmoet worden verstaan. [44] Voor verbeurdverklaring is aldus vereist dat zich een van de in art. 33a lid 1 Sr genoemde gronden voordoet ten aanzien van dat bewezenverklaarde feit of die bewezenverklaarde feiten. [45] Ook voor de onttrekking aan het verkeer geldt dat met het “feit” in artikel 36c en 36d Sr wordt bedoeld een begaan strafbaar feit. [46] De enige grond om voorwerpen van de verdachte die geen directe relatie hebben met het bewezenverklaarde dan wel begane strafbare feit toch aan de staat te laten vervallen, is de onttrekking aan het verkeer op grond van art. 36d Sr.
5.8
In dat kader verdient de reikwijdte van art. 33a lid 1 onder e Sr nadere aandacht. Deze grond ziet op voorwerpen “die tot het begaan van het misdrijf zijn vervaardigd of bestemd”. Het gaat hier niet om voorwerpen die
daadwerkelijkzijn gebruikt bij het begaan van het bewezenverklaarde feit of de voorbereiding daarvan; daarop ziet immers de grond van art. 33a lid 1 onder c Sr. [47] Tegelijk moet ook voor deze (e-)grond wel een directe relatie worden vastgesteld tussen het voorwerp en het bewezenverklaarde feit. Volgens Remmelink wordt die relatie in het geval van sub e gevonden in de subjectieve bestemming die de verdachte aan het voorwerp heeft toegekend. [48] Anderen spreken in dit verband wel van ‘potentiële instrumenten’. [49] Wat dat exact inhoudt, blijft daarbij enigszins onduidelijk.
5.9
Meer handvaten om de reikwijdte van art. 33a lid 1 onder e Sr te doorgronden, biedt Beije in zijn proefschrift over de onttrekking aan het verkeer, waar hij schrijft over de betekenis in van de gelijkluidende onttrekkingsgrond van art. 36c sub 5 Sr. Beije schrijft over die grond:
“De hier bedoelde voorwerpen worden, in tegenstelling tot de voorwerpen uit de voorbereidingsfase, niet daadwerkelijk gebruikt bij het begaan van het telastegelegde strafbare feit en worden daarom ook wel aangeduid als potentiële instrumenten. Aldus beschouwd ligt het gevaar besloten in het dreigende gebruik van de voorwerpen. Deze omschrijving is echter minder nauwkeurig omdat de hier bedoelde voorwerpen niet aan het verkeer worden onttrokken omdat ze zouden kunnen worden gebruikt maar juist omdat ze hadden kunnen worden gebruikt. Art. 36c sub 5° Sr eist dan ook dat er een relatie met een reeds begaan delict wordt vastgesteld.
[…]
Het feit dat de voorwerpen niet daadwerkelijk worden gebruikt, kan er toe leiden dat niet zonder meer duidelijk is hoe vastgesteld dient te worden of een voorwerp vervaardigd of bestemd is tot het begaan van het feit. Er is sprake van bestemmen indien het voorwerp door de toekomstige gebruiker (stilzwijgend) wordt aangewezen om een bepaalde functie te vervullen. Dit betekent dat door een wilsbesluit de relatie tot een delict kan worden gevestigd. Remmelink stelt: “Bestemd is ruimer, omdat de mogelijkheid bestaat, dat de H.R. reeds de subjectieve bestemming voldoende zal achten (...) Men denke b.v. aan een mes, dat alleen door de intentie des daders de bestemming van een moordwerktuig kan krijgen.” Naar ik aanneem zal deze intentie zich moeten vertalen in uiterlijk waarneembare omstandigheden op grond waarvan het verband tussen het voorwerp en het begane strafbare feit kan worden gelegd.
[…]
Zo zal uit omstandigheden als de aard van het voorwerp, het soort delict, de plaats waar het voorwerp wordt aangetroffen enz. met een redelijke mate van zekerheid kunnen worden afgeleid waartoe het voorwerp had moeten dienen.” [50]
5.1
Zijn betoog volgend voor de gelijkluidende grond om dergelijke voorwerpen verbeurd te verklaren, gaat het bij art. 33a lid 1 onder e Sr dus om voorwerpen die weliswaar niet bij het plegen of de voorbereiding van het bewezenverklaarde feit zijn gebruikt, maar die – gelet op de intentie van de verdachte met die voorwerpen – daartoe wel (vervaardigd of) bestemd waren: het gaat om voorwerpen die de dader bestemde om te worden gebruikt bij het gepleegde delict, maar die deze bestemming (toch) niet kregen. De koevoet die bij een inbraak in de auto achterblijft omdat de verdachte uiteindelijk toch besluit een raampje in te tikken, lijkt me een schoolvoorbeeld van een voorwerp dat op grond van art. 33a lid 1 onder e Sr kan worden verbeurdverklaard. Soms is de subjectieve bestemming van een voorwerp echter moeilijk(er) vast te stellen. Met Beije meen ik dat die vaak kan – en voor de toepassing van de e-grond ook moet – worden afgeleid uit omstandigheden als de aard van het voorwerp, het soort delict en de plaats waar het voorwerp is aangetroffen.
Bespreking van het derde middel
5.11
In de onderhavige zaak heeft het hof overwogen dat een directe link tussen de telefoons en de gepleegde strafbare feiten niet als zodanig kan worden vastgesteld, maar dat de telefoons toch vatbaar zijn voor verbeurdverklaring op grond van art. 33a lid 1 onder e Sr. Het hof heeft in dat verband overwogen dat de verdachte “criminele bedoelingen had” met de telefoons, waarbij het hof heeft gewezen op de algemene ervaringsregel dat versleutelde telefoons doorgaans enkel voor drugscriminaliteit worden gebruikt en dat de verdachte ook in dit geval is veroordeeld voor drugsgerelateerde misdrijven waarbij van PGP-telefoons gebruik werd gemaakt. Ondanks dat de directe link met de bewezenverklaarde feiten volgens het hof ontbreekt, meent het hof daarom dat de PGP-telefoons bestemd waren tot het plegen van de bewezenverklaarde feiten.
5.12
De overweging dat een directe link tussen de telefoons en de gepleegde strafbare feiten niet als zodanig kan worden vastgesteld, maar dat de telefoons toch vatbaar zijn voor verbeurdverklaring, lijkt te duiden op een onjuiste rechtsopvatting van het hof. De vaststelling van het hof dat de verdachte “criminele bedoelingen had” met de telefoons en dat hij in de onderhavige zaak is veroordeeld voor drugsgerelateerde misdrijven waarbij ook gebruikt werd gemaakt van PGP-telefoons doet vermoeden dat het hof aan de verbeurdverklaring ten grondslag heeft gelegd dat de telefoons bedoeld waren om andere (drugsgerelateerde) misdrijven mee te plegen. Dat is echter geen grond voor verbeurdverklaring van een voorwerp. Voorwerpen die kunnen worden gebruikt om andere, soortgelijke feiten mee te plegen, kunnen – zoals hiervoor aan de hand van de wetsgeschiedenis toegelicht – immers slechts op grond van art. 36d Sr worden onttrokken aan het verkeer (indien het ongecontroleerde bezit van deze voorwerpen in strijd is met de wet of met het algemeen belang). Aldus lijkt het hof te hebben miskend dat voor verbeurdverklaring altijd een directe relatie met het bewezenverklaarde feit moet worden vastgesteld.
5.13
Voor zover er op grond van het oordeel van het hof dat de PGP-telefoons “(mede) bestemd waren tot het plegen van de bij dagvaarding II onder 1, 2 en 4 bewezenverklaarde feiten” toch van moet worden uitgegaan dat het hof een directe relatie met de bewezenverklaarde feiten heeft aangenomen, is dat oordeel mijns inziens niet toereikend gemotiveerd. De enkele overweging dat de verdachte criminele bedoelingen had met de telefoons en dat de verdachte in de onderhavige zaak is veroordeeld voor drugsgerelateerde misdrijven waarbij ook gebruikt werd gemaakt van PGP-telefoons, brengt immers niet zonder meer mee dat de bij de verdachte thuis aangetroffen PGP-telefoons waren bestemd tot het begaan van de
bewezenverklaardefeiten. Uit de door het hof genoemde omstandigheden kan immers niet worden afgeleid dat het de bedoeling van de verdachte was om deze telefoons bij de bewezenverklaarde feiten te gebruiken.
5.14
Het middel is terecht voorgesteld.

6.Slotsom

6.1
Het eerste en het tweede middel falen. Het tweede middel kan worden afgedaan met de aan art. 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering. Het derde middel slaagt.
6.2
Ambtshalve wijs ik op de redelijke termijn in cassatie. Het cassatieberoep is op 10 februari 2025 ingesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro, die in dit geval zestien maanden bedraagt, reeds is overschreden. Dat moet leiden tot strafvermindering. Overige gronden die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven heb ik ambtshalve niet aangetroffen.
6.3
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de uitspraak van het hof, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde gevangenisstraf en de verbeurdverklaring van de op de beslaglijst 2 onder 2 t/m 6 genoemde PGP-telefoons, tot vermindering van de opgelegde gevangenisstraf naar de gebruikelijke maatstaf en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Het arrest van het hof is op rechtspraak.nl gepubliceerd onder ECLI:NL:GHDHA:2025:167.
8.Zie meer uitgebreid Van der Schors 2026, par. 3.4.
9.Art. 46 Sr Pro noemt meer voorbereidingsmiddelen dan voorwerpen en ook andere handelingen dan het voorhanden hebben. Voor de overzichtelijkheid hou ik het in het vervolg steeds bij het meest voorkomende voorhanden hebben van een voorwerp.
10.De memorie van toelichting bij de invoering van art. 46 Sr Pro bevat onderdelen die deze interpretatie lijken te ondersteunen. In
11.Zie
12.Zie HR 18 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0535, rov 3.7 en HR 18 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0517, rov. 3.6. Zie uitgebreid Van der Schors 2026, par. 5.2.2.
13.HR 18 november 2003, ECLI:NL:HR:2003:AJ0535, rov 3.7
14.HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1380, rov. 3.4.
15.HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213, rov. 3.7. Zie ook HR 27 mei 2014, ECLI:NL:HR:2014:1233,
16.J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen,
17.HR 28 januari 2014, ECLI:NL:HR:2014:179, rov. 2.3. Vgl. voor een voorbeeld waarin het misdadig doel van de verdachte wel met voldoende bepaaldheid uit de bewijsvoering bleek HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2025.
18.HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9358,
19.HR 17 februari 2004, ECLI:NL:HR:2004:AN9358,
20.HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1956, rov. 2.4. Zie meer recent HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1199,
21.HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1956, rov. 2.4.
22.HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198,
23.Zie de noot van Kooijmans onder 3, bij HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198,
24.HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1503,
25.HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1380, rov. 3.4.
26.ECLI:NL:PHR:2020:576, randnr. 25.
27.Van der Schors 2026, par. 6.2. Zie eerder A. Van der Schors, ‘De strafbaarheid van de spotter’,
28.Van der Schors 2026, p. 183.
29.Van der Schors 2026, p. 183.
30.Van der Schors 2026, p. 183. Zie ook A. Van der Schors, ‘De strafbaarheid van de spotter’,
31.Van der Schors 2026, p. 184.
32.Van der Schors 2026, p. 184.
33.Vgl. HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1118,
34.Het toepassen van eendaadse samenloop in het geval dat zowel de voorbereiding van een specifiek delict als het voltooide delict tenlastegelegd en bewezenverklaard is, is conform de opvatting van de wetgever. Zie
35.Vgl. HR 27 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:115, rov. 2.3; HR 13 januari 2026, ECLI:NL:HR:2026:43, rov. 2.3; HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316 rov. 3.1-3.2; HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474, rov. 3.2.1-3.3.2.
42.Zie voor de toelichting daarop
43.Zie voor de toelichting daarop
44.Zie HR 7 januari 2020, ECLI:NL:HR:2020:9, rov. 2.5, zoals herhaald in bijvoorbeeld HR 31 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:798, rov. 3.3.2; HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:124, rov. 2.3.2; HR 25 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:453, rov. 2.4.2.
45.Vgl. bijvoorbeeld HR 10 december 2024, ECLI:NL:HR:2024:1831, rov. 3.4.
46.HR 25 januari 2022, ECLI:NL:HR:2022:37, 3.4.1. Zie voorts Hoge Raad 21 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:389, 2.4.1 en Hoge Raad 21 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:624, rov. 2.5.1. De reden dat in het kader van de onttrekking aan het verkeer niet wordt gesproken van een ‘bewezenverklaard’ feit maar van een ‘begaan’ strafbaar feit, is dat de onttrekking aan het verkeer ook mogelijk is bij afzonderlijke rechterlijke beschikking of bij een vrijspraak.
47.Zie Fokkens in:
48.J. Remmelink, ‘Iets over verbeurdverklaring en onttrekking aan het verkeer’,
49.Zie bijvoorbeeld Meijer, in: T&C Strafrecht, art. 33a Sr, aant. 3 (online, bijgewerkt 15 oktober 2025) en Vegter, in:
50.M.M. Beije,