Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in deze zaak over gaat
3.Het eerste middel
uitvoeringvan het misdrijf, en dus niet slechts bij de voorbereiding van dat misdrijf. Ik ga hierna op beide onderdelen verder in.
Ford Transit-arresten van 18 november 2003 bleek dat de criminele bestemming van een voorwerp niet – of in elk geval niet alleen – moet blijken uit de eigenschappen van het voorwerp zelf, maar dat daarbij ook betekenis moet worden toegekend aan de subjectieve bestemming van de voorwerpen. [12] Uit deze arresten volgt dat het – naast de uiterlijke verschijningsvorm en het gebruik van het voorwerp – ook gaat om het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van het voorwerp voor ogen had.
Ford Transit-arresten dat ook een auto een criminele bestemming kan hebben. [13] Datzelfde geldt voor een telefoon. [14] Bepalend (en toereikend) voor de strafbaarheid is dan het misdadige doel dat de verdachte met die op zichzelf niet gevaarlijke voorwerpen voor ogen had. Daarnaast betekent de nadruk op de subjectieve bestemming dat er weinig ruimte is voor het aannemen van een ondeugdelijke voorbereiding. In HR 20 februari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ0213 twijfelde het hof bijvoorbeeld niet aan het terroristisch motief van de verdachte, maar oordeelde het hof dat het handelen van de verdachte zo onbeholpen en primitief was, dat daarvan geen reële dreiging uitging. Daarom kon volgens het hof nog niet gesproken worden van het voorhanden hebben van voorwerpen die kennelijk bestemd waren tot het plegen van een aanslag, omdat die voorwerpen die bestemming redelijkerwijs niet konden hebben. De Hoge Raad stelde voorop dat bij de vraag of een voorwerp naar zijn uiterlijke verschijningsvorm bestemd is tot het begaan van het misdrijf “niet [kan] worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen had”. Volgens de Hoge Raad had het hof kennelijk als maatstaf aangelegd of de voorwerpen naar hun aard of hun concreet dan wel acuut gevaarzettend karakter daadwerkelijk zouden kunnen bijdragen aan het begaan van dat misdrijf. Dat gaf blijk van een te beperkte opvatting van art. 46 Sr Pro. [15]
daadwerkelijkeen rol zouden spelen bij (tijdens) de uitvoering van het delict en dat daar in het onderhavige geval de kneep zat:
zonder meerworden afgeleid dat de geschriften en foto’s waren bestemd tot het begaan van de gijzeling (en dergelijke).”
kanzijn aan een misdrijf, niet reeds op zichzelf meebrengt dat dat voorwerp ook bestemd
istot dat misdrijf. Over deze dienstigheid-eis leidt Kooijmans uit het door hem geannoteerde arrest af dat ook is vereist dat het voorwerp bij de uitvoering daadwerkelijk een rol zal spelen. Daarin zag hij aanleiding om de Hoge Raad ertoe uit te nodigen bij een volgende gelegenheid “
helderheid te verschaffen over de dienstigheid-eis in relatie tot de bestemming van het betreffende voorwerp, bijvoorbeeld door tot uitdrukking te brengen dat de dienstigheid een noodzakelijke maar niet voldoende voorwaarde is voor strafbare voorbereiding, en dat uit de bewijsvoering moet kunnen worden afgeleid dat het voorwerp bij de uitvoering van het uiteindelijke misdrijf ook daadwerkelijk een rol zou gaan spelen.” [23] Daarvoor was te meer aanleiding omdat de Hoge Raad in het door hem geannoteerde arrest – volgens Kooijmans – een strengere toets in cassatie leek te hanteren dan in eerdere zaken.
tijdensde overval op Holland Casino daadwerkelijk te worden gebruikt. [24]
tijdensde daadwerkelijke uitvoering van het delict niet zonder meer noodzakelijk lijkt te zijn om van voorbereidingshandelingen in de zin van art. 46 Sr Pro te spreken. In die zaak had het hof vastgesteld dat de (prepaid) telefoons speciaal waren aangeschaft voor de overval, dat die telefoons van groot belang waren voor de timing van de overval en dat de verdachte op de dag van de voorgenomen overval per sms aan haar medeverdachte meerdere malen heeft laten weten dat het (te ontvreemden) geld bij haar was afgeleverd. In die zaak achtte de Hoge Raad het oordeel van het hof dat de telefoons bestemd waren tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid, niet onjuist en toereikend gemotiveerd. [25]
tijdensde overval als zodanig: ze zijn van belang voor de
timingvan de overval, maar uit de bewijsvoering blijkt niet dat ze bij (tijdens) de daadwerkelijke uitvoering van de overval zelf zouden worden gebruikt. Dat heeft aanleiding gegeven voor discussie in de literatuur omtrent de vraag hoe het bestemmingsvereiste door de Hoge Raad precies wordt uitgelegd: is daarvoor nodig (en voldoende) dat de voorbereider beoogt dat het voorhanden voorwerp daadwerkelijk wordt gebruikt
tijdenshet begaan van het delict, of is daarvoor nodig dat (uit de bewijsvoering blijkt dat) het voorhanden voorwerp van (voldoende)
betekenisis voor de uitvoering van het voorbereide misdrijf?
Strafbare voorbereidingbetoogt Van der Schors dat uit de door de Hoge Raad gewezen arresten in relatie tot art. 46 Sr Pro kan worden afgeleid dat het bij het bestemmingsvereiste niet zozeer gaat om
het momentwaarop het middel zal worden ingezet (de temporele interpretatie), maar om de
functievan het voorhanden middel bij de uitvoering van het voorbereide misdrijf (de functionele interpretatie): het gaat dan om de
betekenisvan het voorwerp voor de uitvoering van het beoogde delict als zodanig
. [27] “Een middel is in deze interpretatie bestemd tot het begaan van het misdrijf wanneer het van voldoende belang is voor de uitvoering daarvan, terwijl niet vereist is dat de voorbereider het middel beoogt in te zetten tijdens deze uitvoering.” [28] De strafbaarheid van het voorhanden hebben (en bestuderen) van de plattegrond van Holland Casino kan op basis van die functionele interpretatie worden verklaard, zoals ook de speciaal aangeschafte (prepaid) telefoons uit het arrest uit 2020: beide voorwerpen zijn van (groot) belang voor de uitvoering van het delict, ook als zij
tijdensdie uitvoering als zodanig niet rechtstreeks een rol (zouden) spelen. Eenzelfde functie komt echter niet zonder meer toe aan de informatie die de verdachte en haar medeverdachte moeder uit het arrest uit juli 2020 voorhanden hadden (en verstrekten) met het oog op de gijzeling van een aantal personen: die informatie is weliswaar van belang voor de vraag
jegens wiehet delict zal worden gepleegd, maar niet (zonder meer) voor de vraag
hoedat delict zal worden gepleegd.
Geld zou bijvoorbeeld alleen van betekenis kunnen zijn voor de uitvoering van financiële misdrijven, en ook de meeste informatiedragers hebben geen beoogde rol ten tijde van de uitvoering van het delict, terwijl zij daarvoor van cruciaal belang kunnen zijn.” [29] Tegelijkertijd lijkt het bereik van die interpretatie op andere onderdelen juist te ruim: ook voorwerpen die feitelijk van geen betekenis zijn voor de uitvoering van het delict, maar daarbij wel zouden worden gebruikt, vallen in die interpretatie onder het bereik van art. 46 Sr Pro. [30] Bij een functionele interpretatie van het bestemmingsvereiste is niet het moment waarop het middel wordt ingezet doorslaggevend, maar de functie van het middel voor het begaan van het delict en de betekenis daarvan voor het handelingsplan van de uitvoerders. Die interpretatie van het bestemmingsvereiste biedt meer ruimte voor maatwerk, maar is tegelijkertijd een wat lastiger af te bakenen criterium. [31] Van der Schors schrijft hierover: “
Het beoogde gebruik van het middel vlak voor of ten tijde van de uitvoering kan een belangrijke indicatie vormen dat het middel bestemd is tot het begaan van het delict, maar is niet voldoende om tot die conclusie te komen. De (beoogde) specifieke inzet van het middel en de mate waarin het middel bijdraagt aan het slagen van de uitvoering van het delict zijn eveneens van belang, en kunnen maken dat een middel dat enkel een rol heeft in de voorbereidingsfase toch bestemd is tot het begaan van het beoogde misdrijf.” [32]
tijdensde uitvoering van het delict, of ligt de nadruk op de betekenis van het voorwerp voor het handelingsplan van de uitvoerders en is daarvoor niet steeds noodzakelijk dat het voorwerp tijdens de uitvoering van het delict zelf daadwerkelijk zal worden gebruikt? Daarmee verschaft de Hoge Raad dan ook meteen de door Kooijmans gevraagde helderheid over de dienstigheid-eis (zie hiervoor, onder 3.21).
voorbereidingvan een dergelijk misdrijf, maar of de respectieve tenlastegelegde voorwerpen bestemd waren om te fungeren in de
uitvoeringvan het misdrijf.
In het gesprek van 13 mei 2020 met [chatnaam 1] schrijft de verdachte dat de ‘kinderen of wijf’ ontvoerd moeten worden. [chatnaam 1] antwoordt daarop dat de familie wordt meegenomen als ze gevonden worden. Ook in het gesprek met [chatnaam 5 / e-mailadres] op diezelfde dag schrijft de verdachte dat gezocht wordt naar de vrouw en andere familieleden en dat hij ‘200k’ (het hof begrijpt: 200.000 euro) heeft uitgeloofd.”
kunnenzijn van de PGP-telefoons aan het misdadige doel van de verdachte. Daaruit blijkt nog niet dat de PGP-telefoons ook
daadwerkelijkbedoeld waren om te worden gebruikt voor de beoogde gijzeling en wederrechtelijke vrijheidsberoving of daarbij een wezenlijke functie hadden.
4.Het tweede middel
metzijn mededaders opzettelijk
heeftgelegd en onderhouden en
heeftover en afspraken
heeftgemaakt over het transport en de verdeling van de (ongeveer) 65 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne en/of
heeftovergedragen aan de transporteur
35. Een proces-verbaal van bevindingenvan de politie eenheid Team Opsporing (DH) d.d. 29 oktober 2020 onder nummer 442. Dit proces-verbaal houdt onder meer in - zakelijk weergegeven - (p. 491 e.v. van het algemeen dossier):
De omvang van het transport en de rol van [verdachte]
Diezelfde avond vraagt [verdachte] aan [medeverdachte 1] wat hij moet zeggen. “Dit kost me kop”.” De bewijsmiddelen zouden geen chatbericht bevatten waaruit dit blijkt. Dat is een terechte klacht. Deze klacht leidt evenwel niet tot cassatie, nu de desbetreffende passage uit de bewijsoverwegingen van het hof kan worden weggedacht zonder dat dit daaraan afbreuk doet: ook uit andere bewijsmiddelen (in het bijzonder bewijsmiddel 36) volgt immers dat de verdachte door anderen (mede) verantwoordelijk werd gehouden voor de mislukte uitvoer van de cocaïne naar Engeland.
5.Het derde middel
;
die er bepaalde rechtsgevolgen mede gemeen heeft, doch niet het karakter van een straf draagt”. [38] Deze maatregel – door de wetgever aangeduid als “onttrekking aan het verkeer” – was vooral bedoeld voor de situatie waarin er geen aanleiding bestond om een voorwerp bij wijze van straf verbeurd te verklaren, maar waarin het desondanks ongewenst is om een voorwerp na afloop van de procedure terug te geven. Om te voorkomen dat de nieuwe maatregel zou uitgroeien tot een verkapte straf, werd zij (bovendien) uitdrukkelijk beperkt tot voorwerpen “
die niet slechts in handen van de betrokken delinquent, doch in handen van het publiek in het algemeen gevaarlijk zijn.” [39]
die weliswaar niet bij het begaan van het misdrijf zijn gebruikt, die ook niet daartoe waren vervaardigd of bestemd, maar die kennelijk zijn bestemd of vervaardigd tot het begaan van een misdrijf als datgene, waarvoor degeen, bij wie zij werden aangetroffen, wordt veroordeeld.” [40] Als voorbeeld noemde de Commissie voorwerpen die worden gevonden bij een wegens diefstal veroordeelde persoon, die hem na teruggave in staat zouden stellen om nieuwe diefstallen te plegen. [41] Anders dan de leden van de Commissie, die voorstelden om de regeling van de verbeurdverklaring in dit verband uit te breiden, lag het volgens de minister meer voor de hand om deze leemte op te vullen in de regeling van de onttrekking aan het verkeer, en niet via de verbeurdverklaring. Hij schreef hierover: “
Niet alleen vindt men dan een geschikt criterium in de gevaarlijkheid van het ongecontroleerd bezit der voorwerpen, doch tevens wordt vermeden dat de ontneming een strafkarakter draagt, hetgeen in het algemeen minder gewenst is indien het voorwerpen betreft, die niet in betrekking stonden tot het berechte strafbare feit.” [42] Bij Nota van Wijziging werd daarom een nieuwe bepaling toegevoegd aan de regeling van onttrekking aan het verkeer, op grond waarvan ook voorwerpen kunnen worden onttrokken aan het verkeer, indien die voorwerpen bij gelegenheid van het onderzoek naar het begane feit worden aangetroffen en “kunnen dienen tot het begaan of de voorbereiding van soortgelijke misdrijven”. [43] Die bepaling kennen we nu – ten aanzien van soortgelijke feiten – als art. 36d Sr. Zo bleef in het uiteindelijke aangenomen wetsvoorstel de verbeurdverklaring beperkt tot voorwerpen die een directe relatie hebben met het concrete strafbare feit. Dat is nadien altijd zo gebleven.
bewezenverklaarde feitmoet worden verstaan. [44] Voor verbeurdverklaring is aldus vereist dat zich een van de in art. 33a lid 1 Sr genoemde gronden voordoet ten aanzien van dat bewezenverklaarde feit of die bewezenverklaarde feiten. [45] Ook voor de onttrekking aan het verkeer geldt dat met het “feit” in artikel 36c en 36d Sr wordt bedoeld een begaan strafbaar feit. [46] De enige grond om voorwerpen van de verdachte die geen directe relatie hebben met het bewezenverklaarde dan wel begane strafbare feit toch aan de staat te laten vervallen, is de onttrekking aan het verkeer op grond van art. 36d Sr.
daadwerkelijkzijn gebruikt bij het begaan van het bewezenverklaarde feit of de voorbereiding daarvan; daarop ziet immers de grond van art. 33a lid 1 onder c Sr. [47] Tegelijk moet ook voor deze (e-)grond wel een directe relatie worden vastgesteld tussen het voorwerp en het bewezenverklaarde feit. Volgens Remmelink wordt die relatie in het geval van sub e gevonden in de subjectieve bestemming die de verdachte aan het voorwerp heeft toegekend. [48] Anderen spreken in dit verband wel van ‘potentiële instrumenten’. [49] Wat dat exact inhoudt, blijft daarbij enigszins onduidelijk.
bewezenverklaardefeiten. Uit de door het hof genoemde omstandigheden kan immers niet worden afgeleid dat het de bedoeling van de verdachte was om deze telefoons bij de bewezenverklaarde feiten te gebruiken.