Deze civiele zaak betreft vier effectenleaseovereenkomsten tussen Dexia en een afnemer, waarbij centraal staat of de tussenpersoon die de overeenkomsten tot stand bracht, vergunningplichtig advies heeft gegeven zonder over de vereiste vergunning te beschikken, en of Dexia hiervan op de hoogte was of had moeten zijn.
De kantonrechter oordeelde eerder dat Dexia onrechtmatig had gehandeld en de schade van de afnemer volledig moest vergoeden. Dexia stelde hoger beroep in en voerde aan dat er geen vergunningplichtige advisering had plaatsgevonden en dat zij niet op de hoogte was van dergelijke advisering. Het hof verwijst naar het bestreden vonnis voor de onbetwiste feiten en behandelt de grieven van partijen.
Het hof stelt vast dat de tussenpersoon als effectenbemiddelaar zonder vergunning optrad en dat de advisering door de tussenpersoon vergunningplichtig was. Dexia was bekend met de gebruikelijke werkwijze van tussenpersonen die vergunningplichtig adviseerden en had navraag moeten doen naar de aard van de advisering. Dexia heeft onvoldoende tegenbewijs geleverd om dit te betwisten.
Het hof vernietigt het bestreden vonnis voor zover het ziet op overeenkomsten III en IV en bepaalt dat Dexia een bedrag van € 5.143,80 plus wettelijke rente aan de afnemer moet betalen. Het hoger beroep van Dexia wordt afgewezen en zij wordt veroordeeld tot betaling van de proceskosten. De veroordeling is uitvoerbaar bij voorraad.