Conclusie
als de op 21 oktober 2011 afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] :
[slachtoffer 1]:
als de op 20 november 2011 afgelegde verklaring van [slachtoffer 1] :
als de op 26 september 2011 afgelegde verklaring van [slachtoffer 2] :
[getuige 1]:
als de op 11 november 2011 afgelegde verklaring van [getuige 2] :
[getuige 3]:
[getuige 4]:
[getuige 5]:
[getuige 6]:
[getuige 7]:
[getuige 8]:
eerste middel, dat in drie klachten uiteen valt, heeft betrekking op het onder 4 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit. De eerste deelklacht houdt in dat het Hof heeft verzuimd in het bijzonder de redenen op te geven waarom het is afgeweken van het uitdrukkelijk onderbouwde standpunt van de verdediging in hoger beroep strekkende tot vrijspraak, nu de verklaring van de getuige [slachtoffer 2] niet betrouwbaar is en ook overigens wettig en overtuigend bewijs ten aanzien van dit feit ontbreekt.
tweede middel, dat in twee klachten uiteen valt, heeft betrekking op het onder 5 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit. De eerste deelklacht houdt in dat het Hof, mede gelet op hetgeen door en namens verdachte in hoger beroep is aangevoerd, ten onrechte, althans onvoldoende gemotiveerd, heeft geoordeeld dat de bewezenverklaarde gedraging(en) “ontuchtige handelingen” opleveren, zoals bedoeld in art. 247 Sr Pro. Daartoe is, met een verwijzing naar HR 31 mei 2011, ECLI:NL:HR:2011:BQ2491, NJ 2011/264, aangevoerd dat de bewezenverklaarde gedraging “het telkens op de mond zoenen” niet zonder meer is aan te merken als ontuchtige handeling(en). Dit geldt te meer nu verdachte ter terechtzitting van het Hof van 15 juli 2014 heeft aangevoerd dat van seksueel getinte zoenen geen sprake is geweest [12] en de raadsman van verdachte in hoger beroep heeft aangevoerd dat verdachte “wellicht niet altijd even verstandig [heeft] gehandeld door in zijn enthousiasme over een mooie rijprestatie meiden te omhelzen of op de wang te zoenen, maar daarmee is hij nog niet in strafrechtelijke zin over de scheef gegaan”. [13]
derde middel, dat in twee klachten uiteen valt, heeft betrekking op het onder 3 tenlastegelegde en bewezenverklaarde feit. De eerste deelklacht houdt in dat de bewezenverklaring niet naar de eis der wet met redenen is omkleed, nu deze in strijd met het bepaalde in art. 342, tweede lid, Sv enkel berust op de verklaring van de getuige [slachtoffer 1] . Daartoe is aangevoerd dat de “verklaringen van andere getuigen”, waarnaar het Hof in zijn nadere bewijsoverweging, zoals hiervoor weergegeven onder 5, verwijst [21] , geen dan wel onvoldoende wettig steunbewijs behelzen voor de bewezenverklaarde verkrachting. De tot het bewijs gebezigde verklaringen van die getuigen staan in een te ver verwijderd verband van de bewezenverklaarde gedragingen. Voor zover de verklaringen wel van enige relevantie zijn voor het bewezenverklaarde, is het doordat zij weergeven wat de getuigen van [slachtoffer 1] hebben vernomen (dat zij is misbruikt), maar daarvoor geldt dat [slachtoffer 1] wederom de bron van informatie is.
vierde middel, dat in drie deelklachten uiteen valt, heeft betrekking op de (motivering van de) strafoplegging.