Conclusie
1.Overzicht van deze zaak en van de conclusie
naheffingsaanslag parkeerbelastingis opgelegd wegens het parkeren op een locatie in de gemeente Delft zonder de verschuldigde parkeerbelasting te betalen. Deze naheffingsaanslagen zijn opgelegd naar een tarief van € 30 (met daarbij kosten van € 61). Dit tarief betreft een
‘dagtarief’, namelijk een tarief dat geldt per periode van 24 uur of een gedeelte daarvan.
Reden om deze zaaktoch
te selecterenvoor het nemen van een conclusie is enerzijds dat er meer gemeenten zijn die een ‘dagtarief’ voor bepaalde locaties hanteren (3.11-3.12) en anderzijds dat er ook feitenrechters zijn die strenger oordelen over een ‘dagtarief’ (6.16-6.20). Gegeven dat een ‘dagtarief’ kennelijk een instrument is dat sommige gemeenten hanteren in het kader van parkeerregulering, lijkt het gewenst dat de Hoge Raad duidelijkheid schept over het rechtskader. Dat is van belang voor bijvoorbeeld gemeenten die dat instrument gebruiken of overwegen in te zetten, belastingplichtigen die te maken krijgen met een (na)heffing van parkeerbelasting met toepassing van een ‘dagtarief’, en de feitenrechters opdat zij uitgaan van het juiste toetsingskader. De kwestie heeft bovendien een zekere actualiteitswaarde: in de week voorafgaand aan deze conclusie berichtten media dat de gemeente Den Haag een proef start met een ‘dagtarief’ van € 50 (3.13).
onderdeel 4bespreek ik de toelichting op het cassatiemiddel, omdat de strekking van diverse onderdelen daarvan mij niet geheel duidelijk is. Ik geef in dit onderdeel reeds mijn oordeel over enige mogelijke klachten, waardoor ik mij in de rest van de conclusie kan richten op de
kern van het geschil, namelijk het oordeel van het Hof dat het ‘dagtarief’ niet disproportioneel is.
onderdeel 6ga ik in op exceptieve toetsing van algemeen verbindende voorschriften niet zijnde wetten in formele zin. In het tweede deel geef ik een overzicht van jurisprudentie van feitenrechters over een ‘dagtarief’.
Onderdeel 7bestaat eveneens uit twee delen. Het eerste deel betreft mijn algemene beschouwing over (de wijze van) toetsing van een ‘dagtarief’. In het tweede deel ga ik in op de klachten van belanghebbende.
onderdeel 8bespreek ik het cassatiemiddel aan de hand van mijn bevindingen. Die bespreking mondt erin uit dat ik de Hoge Raad in overweging geef het
cassatieberoep ongegrondte verklaren.
2.De feiten, het geding in feitelijke instanties, en het geding in cassatie
De feiten
3.Regelgeving
Gemeentewet
BESLUIT:
geenverhoogd tarief voor het geval van naheffing. Het ‘dagtarief’ is ook van toepassing bij reguliere heffing door voldoening van de parkeerbelasting bij bijvoorbeeld een parkeerautomaat. En, zoals zojuist gezien, het ‘dagtarief’ is ook dan van toepassing in het geval bijvoorbeeld een uur (of zelfs minder lang) wordt geparkeerd.
4.Waar gaat het in de kern over in cassatie?
Alsbij reguliere voldoening voor de parkeerduur van één uur parkeerbelasting wordt geheven op basis van een parkeerduuronafhankelijk tarief, dan is het niet in strijd met, maar volgt juist uit, art. 234(3) Gemeentewet dat de naheffingsaanslag wordt berekend naar dat parkeerduuronafhankelijke tarief. Wel kan de vraag rijzen
ofzo’n parkeerduuronafhankelijk tarief geoorloofd is op grond van de Gemeentewet. Dat staat echter los van naheffing en moet dus niet worden beoordeeld aan de hand van art. 234(3) Gemeentewet, maar aan de hand van de bepalingen in de Gemeentewet die over tariefstelling gaan. Ik kom op dat laatste terug in 7.2.
5.Wetsgeschiedenis
6.(Exceptieve) toetsing van het tarief
Exceptieve toetsing
7.Beschouwing
kanhet tarief afhankelijk worden gesteld van de parkeerduur, maar het is dus – anders dan waarvan enige feitenrechters mogelijk uitgaan (6.20; en vgl. 6.16 en 6.19) – niet vereist dat het tarief parkeerduurafhankelijk is. Wel zal voldoende duidelijk moeten zijn wat de hoogte van de parkeerbelasting is bij parkeren met de duur van één uur, maar dat staat los van art. 225(8) Gemeentewet en heeft te maken met de toepassing van de regeling voor de naheffing, namelijk art. 234(3) Gemeentewet (vgl. 4.4). In de parlementaire geschiedenis met betrekking tot de voorloper van art. 225(8) Gemeentewet is verder tot uitdrukking gebracht dat de wijze van tariefstelling mag worden afgestemd op de wens een bepaalde duur van parkeren te stimuleren. Genoemd is een progressief tarief als kort parkeren gewenst is, en een degressief tarief als lang parkeren gewenst is (5.9). Beide voorbeelden laten zien dat stimulering van het één gepaard kan gaan met ontmoediging van het ander. Zo kan bij een degressief tarief stimulering van lang parkeren door een afnemend tarief gepaard gaan met een negatieve prikkel voor kort parkeren door een relatief hoog tarief bij een korte parkeerduur. Ook in het licht van deze parlementaire geschiedenis kan niet worden gezegd dat een ‘dagtarief’ in strijd komt met de wet of de bedoeling van de wetgever. Naar aangenomen kan worden (zie 7.4 hierna) is een hoog ‘dagtarief’ (mede) ingegeven door de wens kort parkeren te ontmoedigen. Een hoog vast tarief kan in zeker opzicht worden gezien als een ver doorgetrokken vorm van een degressief tarief: een hoog starttarief en daarna een marginaal tarief van nihil.