5.2Deze bewezenverklaring steunt op de volgende (promis)bewijsvoering van het hof (voor zover van belang voor de beoordeling van de middelen en met weglating van voetnoten):
“Bewijsverweren van de verdediging
Ter zake van alle aan de verdachte ten laste gelegde feiten is door de verdediging aangevoerd dat partiële vrijspraak dient te volgen, namelijk voor zover het betreft de periode vóór het voorjaar van het jaar 2013. Voor eerdere betrokkenheid van de verdachte ontbreekt het bewijs, aldus de verdediging, op nader in de pleitnota aangevoerde gronden.
Het gerechtshof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende. Hetgeen door de verdediging is aangevoerd wordt weerlegd door de door het gerechtshof gebezigde bewijsmiddelen, zoals die hieronder nader zullen worden weergegeven.
Uit die bewijsmiddelen blijkt van berichtenverkeer binnen de dadergroep in het jaar 2012. Uit dat berichtenverkeer blijkt onder meer van een mededeling over het (financiële) aandeel van (onder meer) [medeverdachte 1] . Het gerechtshof heeft hierbij acht geslagen op het bericht van 16 augustus 2012 van [medeverdachte 1] aan de medeverdachte [medeverdachte 3] , zoals hieronder nader weergegeven in de bewijsconstructie. Daarnaast heeft het gerechtshof acht geslagen op een aantal contante geldstortingen, op 13, 17 en 18 juli 2012 op het bankrekeningnummer ten name van de verdachte en haar man, zoals hieronder nader weergegeven in de bewijsconstructie.
De verklaring van de verdachte en de stelling van de verdediging dat het daarbij zou gaan om (de verdeling van) andere of andersoortige opbrengsten dan hier aan de orde, bijvoorbeeld uit de teelt van hennep en/of fraude met telefoonabonnementen, acht het gerechtshof - bij gebreke van enige concrete, feitelijke onderbouwing van dit verweer - niet aannemelijk gemaakt. Naar het oordeel van het gerechtshof staat daarom met voldoende mate van zekerheid vast dat de financiële verdeling waarover dat berichtenverkeer handelt en de contante geldstortingen betrekking hebben op de hier aan de orde zijnde fraude door middel van het gebruik maken van identiteitsgegevens van personen zoals ten laste gelegd.
In het verlengde hiervan acht het gerechtshof evenmin aannemelijk geworden de verklaring van de verdachte en de stelling van de verdediging dat de verdachte pas in een later stadium betrokken is geraakt naar aanleiding van een bepaalde gebeurtenis, namelijk de beweerdelijke ernstige bedreiging/mishandeling van de zoon ( [medeverdachte 1] ) van de verdachte, waardoor de verdachte zich naar haar zeggen genoodzaakt zag om - teneinde verder onheil voor haar zoon [medeverdachte 1] te voorkomen - mee te werken aan de fraudeconstructie. Ook dat verhaal ontbeert enige concrete, feitelijke onderbouwing. Het gerechtshof kan dat verhaal van de verdachte niet anders zien dan als een poging om onder een deel van de verdenking uit te komen en haar rol in het geheel sterk te bagatelliseren.
De suggestie van de verdediging dat niet zo zeer de verdachte, maar haar jongste zoon [medeverdachte 2] en de vrouw van [medeverdachte 2] met name verantwoordelijk zijn voor de DigiD-fraude die is gepleegd, acht het gerechtshof - bij wederom onvoldoende concrete, feitelijke onderbouwing van dit verweer - niet aannemelijk gemaakt.
Ter zake van het onder 1 primair ten laste gelegde feit is door de verdediging aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen. Hiertoe is gesteld dat geen sprake is van medeplegen. Meer in het bijzonder is aangevoerd dat de verdachte geen poststukken heeft weggenomen en dat zij daarbij niet aanwezig is geweest. De rol van de verdachte heeft zich beperkt tot het geven van inlichtingen/aanwijzingen, derhalve tot medeplichtigheid, aldus de verdediging.
Het gerechtshof overweegt met betrekking tot dit verweer het volgende.
Hetgeen door de verdediging is aangevoerd wordt weerlegd door de door het gerechtshof gebezigde bewijsmiddelen, zoals die hieronder nader zullen worden weergegeven.
Uit die bewijsmiddelen blijkt dat de onder 1 primair, 2, 3 en 4 ten laste gelegde feiten onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de algehele fraudeconstructie waarvan de verdachte wetenschap heeft gehad, waarin zij een prominent actief, onmisbaar en uniek aandeel heeft gehad en waarvan zij mede heeft geprofiteerd. Hoewel de verdachte niet bij de feitelijke uitvoering van het onder 1 primair ten laste gelegde feit betrokken is geweest, is haar bijdrage in de algehele fraudeconstructie, waartoe ook het onder 1 primair ten laste gelegde feit ontegenzeggelijk behoort, blijkens de door het gerechtshof gebruikte bewijsmiddelen dusdanig significant dat zij als medepleger van dat feit is aan te merken. Zonder deze schakel in de keten van de fraudeconstructie zou er immers ofwel geen (financieel) resultaat kunnen zijn, ofwel dat (financieel) resultaat zou op eenvoudige wijze te herleiden zijn naar de verdachte, volgens het principe follow the money (het volgen van geldstromen). Het kan daarom niet anders zijn dan dat de opzet van de verdachte ook op het plegen van het onder 1 primair ten laste gelegde feit gericht is geweest.
Op grond van het bovenstaande verwerpt het gerechtshof ook dit bewijsverweer van de verdediging.
Ter zake van het onder 4 ten laste gelegde feit is eveneens door de verdediging aangevoerd dat vrijspraak dient te volgen. Hiertoe is gesteld dat geen verhullende handelingen zijn gepleegd door de verdachte. Dit verweer wordt eveneens verworpen, op gronden zoals hierna vermeld (onder het kopje ‘Gewoontewitwassen’).
De bewijsmiddelen en overige bewijsredenering
Overwegingen met betrekking tot de betrokkenheid van de verdachte bij de fraudeconstructie
Uit het hiervoor geschetste onderzoek volgt dat het voor het plegen van de DigiD-fraude zoals die in het onderhavige geval heeft plaatsgevonden, nodig was om verschillende stappen te doorlopen. In de eerste plaats moesten de persoonsgegevens (NAW, BSN, geboortedatum) van de gedupeerden worden achterhaald. Daarna kon aan de hand van deze gegevens digitaal een (nieuwe) activeringscode voor het betreffende DigiD-account worden aangevraagd bij [A] . Deze activeringscodes werden door [A] per post toegezonden aan het GBA-adres van de aanvragers en werden daar doorgaans twee tot drie dagen later bezorgd. De brieven van [A] moesten op dat moment worden onderschept, zodat de verdachten over de codes konden beschikken en de gedupeerden niet zouden ontdekken dat op hun naam een (nieuwe) activeringscode voor een DigiD-account was aangevraagd. Uit het onderzoek, waarover hieronder nader meer, is komen vast te staan dat dit gebeurde door de post uit de brievenbussen te stelen. Vóórdat de aanvragen waren gedaan was onderzocht of bepaalde flats vrijelijk toegankelijk waren of niet. In een aantal gevallen kon de post zonder nadere handelingen worden weggenomen, in andere gevallen is gebruik gemaakt van een loper of andere vorm van valse sleutel.
Nadat de activeringscodes in handen waren gekomen van de verdachten, werden aan de hand hiervan gegevens (bankrekeningnummer, inkomen, huurprijs) gewijzigd en bij de Belastingdienst toeslagen aangevraagd. Daarvoor was nodig dat de verdachten over bankrekeningen beschikten en uit onderzoek, waarover opnieuw hieronder méér, is gebleken dat verschillende (kwetsbare) personen hiervoor als katvanger zijn benaderd. Als laatste stap werd bewerkstelligd dat de gelden, die op de gewijzigde bankrekeningen van de katvangers waren uitbetaald, in handen van de verdachten kwamen, doorgaans door contante opnames bij pinautomaten.
Bij elk van deze stappen zijn strafbare feiten gepleegd. Al deze afzonderlijke stappen waren samen nodig om uiteindelijk tot een succesvolle voltooiing van de fraude te kunnen komen.
Uit de aangiftes van [A] en de Belastingdienst/Toeslagen blijkt, zoals hierboven eerder overwogen, dat (DigiD-)fraude is gepleegd op naam van bewoners/gedupeerden, woonachtig aan de [f-straat] (vanaf maart 2012), de [b-straat] (vanaf 8 april 2013), de [c-staat] (vanaf 14 juni 2013), de [d-straat] (vanaf 18 juli 2013), de [e-straat] (19 oktober 2013) en de [a-straat 1] (19 oktober 2013) te [plaats] .
De betrokkenheid van de verdachte [medeverdachte 3]
heeft - kort en zakelijk weergegeven - als verdachte en als getuige ter terechtzitting verklaard dat hij, via zijn huisgenoot [betrokkene 3] , is benaderd door [medeverdachte 1] (hierna, om verwarring met zijn vader [medeverdachte 1] te voorkomen, aangeduid als “ [medeverdachte 1] ”) om in het kader van de te plegen DigiD-fraude post weg te halen bij de [f-straat] in [plaats] . [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij niet precies meer weet wanneer het is begonnen maar dat dit mogelijk al in maart van 2012 was. Aan de aanvangsperiode van de fraude zal het gerechtshof hieronder nog nadere overwegingen wijden. […]
Op 6 november 2013 werd vervolgens een doorzoeking verricht in het perceel [d-straat 1] in [plaats] , zijnde de verblijfplaats van de verdachten [medeverdachte 3] en [betrokkene 4] . In de woning werd, zoals eerder overwogen, een groot aantal goederen aangetroffen en in beslag genomen, waaronder […]
een veertiental brieven van DigiD inhoudende activeringscodes, onder andere ten name van [betrokkene 5] . [betrokkene 6] . [betrokkene 7] , [betrokkene 9] , [betrokkene 10] , [betrokkene 11] , [betrokkene 12] , [betrokkene 13] , [betrokkene 14] , [betrokkene 15] , [betrokkene 16] en [betrokkene 17] , allen wonende aan de [f-straat] in [plaats] , en gedateerd 24 maart 2012, een bankafschrift ten name van [betrokkene 18] d.d. 14 augustus 2012 waarop onder meer is te zien dat op de rekening van [betrokkene 18] op 12 en 20 juli 2012 huurtoeslag is bijgeboekt op naam van [betrokkene 5] , en op 13 en 20 juli 2012 zorgtoeslag is bijgeboekt op naam van [betrokkene 12] […].
De betrokkenheid van de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 1]
, [verdachte] en [medeverdachte 1] hebben tegenover de politie verklaard - kort en zakelijk weergegeven - dat zij op enig moment begin 2013 bij de onderzochte DigiD-fraude betrokken zijn geraakt.
[…] [medeverdachte 1] heeft verder verklaard dat hij via zijn zoon [medeverdachte 1] in contact is gekomen met [medeverdachte 3] . Hij heeft samen met zijn vrouw [verdachte] (nieuwe) DigiD-accounts aangevraagd en hierna geactiveerd en vervolgens zorg- en huurtoeslagen aangevraagd op naam van vele slachtoffers, wonende in studentenflats aan de [b-straat] , [d-straat] en [a-straat 1] in [plaats] . Het begunstigde rekeningnummer werd daarbij gewijzigd in een rekeningnummer van een katvanger. [medeverdachte 1] en [verdachte] hebben verklaard dat zij hiervoor ongeveer tienduizend euro hebben gekregen en dat [medeverdachte 1] hier ook zijn deel van heeft gekregen. Het aanvragen gebeurde bij het [B] in [plaats] en bij de pompstations [C] en [D] . […]
[verdachte] heeft, voor zover hier van belang, in aanvulling op het voorgaande verklaard dat zij de inkomensgegevens van de gedupeerden altijd zo wijzigde dat zij de maximale zorg- en huurtoeslag kon aanvragen, dat zij en haar echtgenoot van hun zoon [medeverdachte 1] een lijst kregen met bankrekeningnummers (inclusief zogenaamde IBAN-codes) en dat [medeverdachte 1] deze op zijn beurt van [medeverdachte 3] kreeg. […]
Bij de doorzoeking op 18 februari 2014 in de woning van [medeverdachte 1] en [verdachte] aan de [g-straat 1] in [plaats] zijn voorts goederen in beslag genomen die in verband kunnen worden gebracht met DigiD-fraude, waaronder (in de handtas van [verdachte] ) een brief van [E] aan [betrokkene 19] , wonende aan de [f-straat] , een lijst met namen, persoonsgegevens en rekeningnummers (naar eigen zeggen opgemaakt door [verdachte] ), waaronder die van [betrokkene 20] , wonende aan de [b-straat 1] , de agenda van [verdachte] waaruit blijkt van verblijf van [medeverdachte 1] en [verdachte] in het hotel in [plaats] in de periode van 18 tot 20 juli en 24 tot 26 juli 2013, een lijst met straatnamen ( [c-staat] , [b-straat] en [d-straat] ) en een notitieblaadje met de naam [betrokkene 21] en de aantekening “ [rekeningnummer 2] ”.
Het gerechtshof stelt voorts vast dat uit het onderzoek van de politie is gebleken dat er tussen 12 en 20 juli 2012 door fraude verkregen zorg- en huurtoeslagen op naam van bewoners van de [f-straat] zijn gestort op rekeningen van katvangers. In deze zelfde periode - namelijk op 13, 17 en 18 juli 2012 - hebben vervolgens contante geldstortingen van respectievelijk twaalfhonderd euro, drieduizend-en-driehonderdtwintig euro en vijftienhonderd-en-vijftig euro plaatsgevonden op [rekeningnummer 3] ten name van [verdachte] en [medeverdachte 1] . Mede gelet op het hieronder nader beschreven berichtenverkeer tussen de verdachten en de hiervoor vermelde (in de woning aan de [d-straat 1] aangetroffen) poststukken van de [f-straat] gedateerd op 24 maart 2012, kan met een voldoende mate van zekerheid worden vastgesteld dat beide verdachten al in de eerste helft van het jaar 2012 profiteerden van - en dus betrokken zijn geweest bij - deze vorm van DigiD-fraude die in deze periode gepleegd werd bij (in ieder geval, voor zover uit het dossier kan worden opgemaakt) de [f-straat] in [plaats] .
Met betrekking tot dat berichtenverkeer heeft het gerechtshof het volgende vastgesteld. Tussen 7 augustus 2012 en 15 augustus 2012 heeft [medeverdachte 1] diverse berichten naar [medeverdachte 3] verstuurd met betrekking tot een sleutel die [medeverdachte 3] moest regelen. Op 15 augustus 2012 stuurde [medeverdachte 1] een bericht aan [medeverdachte 3] inhoudende “Jij hebt toch beide pasjes voor de 20e om te pinnen?”. Deze berichten kunnen gerelateerd worden aan de huur- en zorgtoeslagen die op 20 augustus 2012 op de bankrekeningen van de katvangers [betrokkene 21] en [betrokkene 18] gestort zijn en aan het pinnen van deze rekeningen op 20 augustus 2012. Op 16 augustus 2012 stuurde [medeverdachte 1] verder een aantal sms berichten naar [medeverdachte 3] inhoudende “Check ook effe of er al geld staat” en “Er moet al geld staan volgens [medeverdachte 2] ”, “Morgen kan nog meer komen”, “Ik kom er zo aan, jij 100 ik 100 en [medeverdachte 2] 100 dat is pa zijn deel”.
Bovendien heeft er op 7 maart 2013 sms verkeer plaatsgehad tussen [verdachte] en [medeverdachte 2] ( [medeverdachte 2] of “ [medeverdachte 2] ”, de jongste zoon van de verdachte [medeverdachte 1] ). [verdachte] stuurde daarbij onder meer de berichten: “geen post aan de […] !!” en “morgen rond de middag gaan pap en ik kijken”. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat met “ […] ” de [f-straat] wordt bedoeld.
Op grond van al het voorgaande, en daarbij betrokken de verklaring van [medeverdachte 3] , stelt het gerechtshof vast dat de verdachten [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 1] betrokken zijn geweest bij de beschreven fraudeconstructie, in die zin dat [medeverdachte 1] post van de [f-straat] , de [b-straat] , de [d-straat] en de [a-straat 1] heeft weggenomen, dan wel heeft laten wegnemen, dat [medeverdachte 1] ontbrekende persoonsgegevens heeft opgezocht in het systeem van de Belastingdienst en dat [medeverdachte 1] en [verdachte] met die verkregen persoonsgegevens DigiD-accounts hebben aangevraagd bij [A] en huur- en zorgtoeslagen hebben aangevraagd bij de Belastingdienst op naam van bewoners aan de [f-straat] , de [b-straat] , de [d-straat] , de [a-straat 1] , de [c-staat] en de [e-straat] .
Zoals al eerder opgemerkt stelt het gerechtshof vast dat [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 1] niet pas in maart 2013 betrokken zijn geraakt maar in ieder geval in de eerste helft van 2012, gelet op de verklaring van [medeverdachte 3] en gelet op voornoemde geldtransacties, sms-berichten en aangetroffen poststukken. Het gerechtshof zal in de bewezenverklaring daarom aansluiten bij de aanvangsperiode van de tenlastelegging, te weten 1 maart 2012. De verklaringen van [medeverdachte 1] , [verdachte] en [medeverdachte 1] dat zij niet bij de [f-straat] betrokken zijn geweest acht het gerechtshof gelet op het voorgaande volstrekt niet aannemelijk geworden.
Overwegingen ten aanzien van de ten laste gelegde feiten
Diefstal, oplichting en valsheid in geschrift
Het gerechtshof komt, zoals reeds hiervoor (en hierna) overwogen bij de bespreking van de bewijsverweren, tot het oordeel dat de ten laste gelegde diefstal, oplichting en valsheid in geschrift bewijsbaar zijn in de zin van medeplegen omdat alle ten laste gelegde feiten onlosmakelijk onderdeel uitmaken van de gehele fraudeconstructie, waarvan [verdachte] wetenschap had, waaraan zij een onmisbare en wezenlijke bijdrage van intellectuele dan wel feitelijke aard heeft geleverd en waarvan zij mede heeft geprofiteerd. Anders gezegd, hoewel [verdachte] niet bij de feitelijke uitvoering van al deze feiten betrokken is geweest, kan zij daar dus toch strafrechtelijk aansprakelijk voor worden gehouden.
Zoals uit het voorgaande blijkt, acht het gerechtshof bewezen dat de verdachten zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan oplichting en de Belastingdienst hebben bewogen tot het storten van zorgtoeslagen en huurtoeslagen op rekeningen van katvangers die geen recht hadden op deze geldbedragen. Deze katvangers hadden eerder hun bankpasjes afgestaan aan een van de verdachten en hadden zelf geen beschikkingsmacht meer over de betreffende rekeningen en de daarop door de Belastingdienst gestorte bedragen. Kort nadat de geldbedragen zijn gestort op de rekeningen van de katvangers hebben de verdachten dat geld telkens contant opgenomen of laten opnemen. Een gedeelte van de geldbedragen is op de rekeningen blijven staan en hierop is door het openbaar ministerie beslag gelegd.
Gelet op deze gang van zaken stelt het gerechtshof vast dat de verdachten de herkomst hebben verborgen en verhuld van deze van misdrijf afkomstige geldbedragen (artikel 420bis lid 1 onder a van het Wetboek van Strafrecht) en dat zij deze geldbedragen hebben verworven, voorhanden hebben gehad, hebben overgedragen en hebben omgezet (artikel 420bis lid 1 onder b van het Wetboek van Strafrecht). Wat betreft de vraag of het verwerven en voorhanden hebben van de geldbedragen kwalificeert als witwassen zoals ten laste gelegd, overweegt het gerechtshof, mede in reactie op het bewijsverweer inhoudende dat de verdachte geen verhullende handelingen zou hebben gepleegd, als volgt.
Naar hun uiterlijke verschijningsvorm zijn de gedragingen van de verdachten van meet af aan gericht geweest op het reeds op voorhand daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van de geldbedragen; dat was nu juist de crux van de fraudeconstructie. Immers, verdachten hebben de onmiddellijk uit eigen misdrijven - d.i. oplichting van [A] en van de Belastingdienst en door valsheid in geschrift - afkomstige gelden aanvankelijk doen overmaken op de rekeningen van tal van speciaal daartoe uit Oost-Europa geronselde katvangers. Dit betrof zoals gezegd rekeningen waar verdachten, en niet de katvangers, feitelijk de beschikking over hadden. Vervolgens hebben zij de toeslagen steeds doen pinnen van de betreffende rekening door (al of niet weer anderen dan) vorenbedoelde katvangers. Hiermee is op doelgerichte wijze - de inzet van katvangers dient immers per definitie geen redelijke economische grond - naar het oordeel van het gerechtshof reeds bij de ontvangst van de toeslagen een mistgordijn opgeworpen teneinde de criminele herkomst van de gelden zoals die ten slotte zijn aangetroffen of gestort op de rekeningen van, of in contanten bij, de familie [medeverdachte 1] te verhullen. Dit betekent dat de door de Hoge Raad ontwikkelde kwalificatieuitsluitingsgrond met betrekking tot het verwerven en voorhanden hebben als bedoeld in artikel 420bis lid 1 onder b van het Wetboek van Stafrecht zich hier niet voordoet. Voor zover het geld is uitgegeven (‘met de stroom meegegaan’, zoals de verdachte [verdachte] heeft verklaard ter terechtzitting in hoger beroep) is de kwalificatie-uitsluitingsgrond sowieso niet aan de orde, omdat dat immers betekent dat het geld is overgedragen en/of omgezet.
Door het op voormelde wijze verwerven, voorhanden hebben, omzetten en overdragen van de uit misdrijf verkregen gelden, is de herkomst van deze gelden aan het zicht onttrokken, waardoor deze gelden zijn witgewassen. Nu deze witwashandelingen bovendien over een lange periode hebben plaatsgevonden is het gerechtshof van oordeel dat de verdachte en haar medeverdachten van het witwassen een gewoonte hebben gemaakt, terwijl zij wisten dat de gelden afkomstig waren van misdrijven.”