Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:PHR:2026:311

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 mei 2026
Publicatiedatum
25 maart 2026
Zaaknummer
24/01063
Instantie
Parket bij de Hoge Raad
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 301 SrArt. 6:106 BWArt. 6 lid 1 EVRMArt. 9 SrArt. 36f Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vermindering taakstraf wegens overschrijding redelijke termijn bij mishandeling met voorbedachten rade

De verdachte werd door het hof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor mishandeling met voorbedachten rade en kreeg een taakstraf van 100 uur, subsidiair 50 dagen hechtenis, en een immateriële schadevergoeding van €1.000 aan de benadeelde partij toegekend. De mishandeling vond plaats nadat de aangever tijdens een zwembadfeest was weggelokt, in de auto van de verdachte was meegenomen en daar fors mishandeld, waarna hij in zijn zwembroek en zonder schoenen werd achtergelaten.

In cassatie werd betoogd dat het hof ten onrechte bij de strafoplegging rekening hield met het uit de auto zetten van de aangever, een niet-tenlastegelegd feit, en dat de strafvermindering wegens overschrijding van de redelijke termijn onjuist was toegepast. Ook werd geklaagd over de motivering van de toewijzing van de immateriële schadevergoeding.

De Hoge Raad oordeelt dat het hof terecht het uit de auto zetten als omstandigheid van het bewezenverklaarde feit heeft betrokken en dat het hof de strafvermindering op een begrijpelijke wijze heeft toegepast door de voorwaardelijke gevangenisstraf te laten vervallen en de taakstraf te handhaven. De toewijzing van de immateriële schadevergoeding wordt eveneens bevestigd, waarbij de grondslag lichamelijk letsel en aantasting in de persoon op andere wijze is gehanteerd. Wel merkt de Hoge Raad op dat de motivering omtrent de psychische gevolgen beperkt is, maar dat dit niet tot vernietiging leidt. Ambtshalve wordt de taakstraf en vervangende hechtenis verminderd vanwege de overschrijding van de redelijke termijn.

Uitkomst: De Hoge Raad vernietigt het arrest voor de duur van de taakstraf en vervangende hechtenis wegens overschrijding van de redelijke termijn en verwerpt het cassatieberoep voor het overige.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer24/01063
Zitting12 mei 2026
CONCLUSIE
P.H.P.H.M.C. van Kempen
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 2001,
hierna: de verdachte

1.Inleiding

1.1
De verdachte is door het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, zittingsplaats Arnhem, bij arrest van 19 maart 2024 (parketnr. 21-005065-21) veroordeeld wegens “mishandeling, gepleegd met voorbedachten rade”. Het hof heeft daarvoor een taakstraf opgelegd voor de duur van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis. Verder heeft het hof de vordering tot immateriële schadevergoeding van de benadeelde partij [slachtoffer] toegewezen tot een bedrag van € 1.000,- vermeerderd met de wettelijke rente en een schadevergoedingsmaatregel opgelegd.
1.2
Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. R.J. Baumgardt en M.J. van Berlo, beiden advocaat in Rotterdam, hebben twee middelen van cassatie voorgesteld.

2.Waar het in cassatie om gaat

2.1
De aangever is op 11 augustus 2020 tijdens een zwembadfeest dat hij had georganiseerd weggelokt door [medeverdachte] en ingestapt in de auto van de verdachte. De verdachte en [medeverdachte] zijn met de aangever weggereden en hebben hem na een korte rit fors mishandeld in de auto. Na afloop van de mishandeling hebben zij de aangever daar in de nacht achtergelaten, terwijl de aangever slechts een zwembroek droeg en geen schoenen aan had. In cassatie staat ten eerste de motivering van de strafoplegging centraal. Daarnaast wordt geklaagd over de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding.
2.2
Deze conclusie houdt in dat het eerste middel faalt en het tweede middel tevergeefs is voorgesteld.

3.Het eerste middel

3.1
Het middel verzet zich tegen de motivering van de strafoplegging en valt in twee deelklachten uiteen. De eerste daarvan houdt in dat het hof bij de strafoplegging ten onrechte met een niet-tenlastegelegd feit rekening heeft gehouden. De tweede deelklacht luidt dat het hof naar aanleiding van de overschrijding van de redelijke termijn niet de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf had moeten verminderen, maar de onvoorwaardelijk opgelegde taakstraf.
3.2
Aan de verdachte is tenlastegelegd dat:
“hij op of omstreeks 12 augustus 2020 te [plaats] , met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft mishandeld door hem een of meer stompen tegen zijn hoofd en/of lichaam te geven.”
3.3
Daarvan is bewezenverklaard dat:
“hij op 12 augustus 2020 te [plaats] , met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft mishandeld door hem stompen tegen zijn hoofd en lichaam te geven.”
3.4
Deze bewezenverklaring steunt op de volgende (promis)bewijsoverweging van het hof (met weglating van voetnoten):

Overweging met betrekking tot het bewijs
Het hof overweegt in het bijzonder het volgende.
Uit de bewijsmiddelen is komen vast te staan dat aangever op 11 augustus 2020 thuis, in [geboorteplaats] , een zwembadparty had georganiseerd en daar met een aantal vrienden en vriendinnen was. Een van hen was [medeverdachte] (het hof begrijpt: [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] )). Omstreeks 01.30 uur (inmiddels 12 augustus 2020) vroeg [medeverdachte] aan aangever of hij mee wilde komen omdat iemand hem wilde spreken. Aangever is toen meegelopen naar een auto die tegenover de woning van aangever geparkeerd stond, aangever dacht een VW Polo of Golf. [verdachte] (verdachte) zat volgens aangever achter het stuur. Nadat aangever en [medeverdachte] waren ingestapt, is verdachte weggereden. Vervolgens is verdachte gestopt op de [a-straat] te [plaats] ter hoogte van perceel [nummer] . Het eerste wat verdachte zei, was “denk je echt dat we een rondje zouden gaan rijden”, waarna aangever in de auto door verdachte fors werd mishandeld door stompen tegen zijn hoofd en lichaam te geven. [medeverdachte] , die aangever had opgehaald van het feestje en mee ging in de auto, zat achterin. Verdachte heeft ter zitting verklaard dat [medeverdachte] een vriend van hem is.
[getuige] , die ook bij het feestje van aangever aanwezig was, heeft gezien dat aangever met [medeverdachte] wegliep. Hij is er achteraan gelopen en zag toen dat aangever in een zwarte Volkswagen Polo of Golf stapte. Toen hij terug liep naar het feestje hoorde hij een auto met piepende banden wegrijden. Uit de geneeskundige verklaring volgt dat aangever het volgende letsel had: een blauw oog, een zwelling aan zijn kaak, een dikke lip, een bloeduitstorting op zijn bovenarm en linkerflank/ribben.
Uit het dossier blijkt verder dat de vader van verdachte, die op hetzelfde adres als verdachte staat ingeschreven, in de ten laste gelegde periode een VW Golf op zijn naam had staan. Op 30 augustus 2020 is deze auto gecontroleerd en werd verdachte als bestuurder aangetroffen en werd zijn rijbewijs ingevorderd. Het hof leidt hieruit af dat verdachte kennelijk in die periode over de auto van zijn vader kon beschikken, hetgeen verdachte op zitting heeft bevestigd.
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen af dat buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat verdachte degene is geweest die in de nacht van 11 op 12 augustus 2020 aangever in zijn auto heeft laten instappen, dat verdachte met hem en [medeverdachte] is weggereden en dat verdachte aangever na een korte rit, in de auto fors heeft mishandeld. Het hof ziet, anders dan de raadsman, geen enkele reden om aan de betrouwbaarheid van de verklaring van aangever, die zijn verklaring bij de raadsheer-commissaris heeft herhaald, te twijfelen. Nergens blijkt uit dat aangever dermate onder invloed was dat zijn verklaring daardoor onbetrouwbaar is, zoals namens de verdediging is aangevoerd. Dat er naast de verklaring van aangever geen bewijsmiddel is dat rechtstreeks op betrokkenheid van verdachte wijst, noopt niet tot vrijspraak, nu de verklaring van aangever in voldoende mate door ander bewijs wordt gesteund.
Voorbedachte raad
Voor een bewezenverklaring van het bestanddeel ‘voorbedachte raad’ moet komen vast te staan dat de verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het te nemen of het genomen besluit en dat hij niet heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling, zodat hij de gelegenheid heeft gehad na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven.
Uit de wijze waarop aangever is benaderd door [medeverdachte] en gelet op de opmerking van verdachte “denk je echt dat we een rondje zouden gaan rijden”, leidt het hof af dat verdachte een vooropgezet plan had om aangever bij hem in de auto te laten stappen en te mishandelen. Verdachte is met aangever naar [plaats] gereden - volgens bovengenoemd proces-verbaal van bevindingen met fotobijlagen - een afstand van 5,5 km met een reistijd per auto van 12 minuten. Hij had al die tijd gelegenheid om zich te beraden op zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap te geven. Verdachte heeft evenwel direct nadat hij is gestopt en aan aangever duidelijk had gemaakt dat ze niet een eindje gingen rijden, aangever mishandeld. Van enige ogenblikkelijke gemoedsopwelling waarin verdachte zou hebben gehandeld is dus niet gebleken. Evenmin is gebleken van andere contra-indicaties die het aannemen van voorbedachte raad in de weg staan.
Om die reden acht het hof bewezen dat verdachte met voorbedachte raad heeft gehandeld.”
3.5
Het hof heeft de verdachte veroordeeld tot een taakstraf van 100 uren subsidiair 50 dagen hechtenis. De motivering van deze strafoplegging houdt in (met overneming van een voetnoot):

Oplegging van straf en/of maatregel
De hierna te melden strafoplegging is in overeenstemming met de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, mede gelet op de persoon van verdachte, zoals van een en ander bij het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.
Het hof ziet, mede tegen de achtergrond van het reclasseringsadvies van 1 november 2021, in de persoonlijkheid van de verdachte of de omstandigheden waaronder hij het feit heeft begaan geen aanleiding om het jeugdstrafrecht als bedoeld in artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht toe te passen.
In het bijzonder in aanmerking genomen hetgeen omtrent de persoon van verdachte is gebleken, is het hof van oordeel dat oplegging van een taakstraf van de hierna aan te geven duur, passend en geboden is.
Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een naar feit, waarbij aangever nietsvermoedend ‘s nachts van zijn eigen feestje is weg gelokt en verdachte hem in zijn auto heeft meegenomen. Vervolgens heeft verdachte aangever op een afgelegen plek mishandeld. Hierdoor heeft aangever pijn en letsel opgelopen en ongetwijfeld was dat voor hem een zeer angstige ervaring. Daarna heeft verdachte aangever uit de auto gezet en hem, slechts gekleed in zijn zwembroek en zonder schoenen,[ [1] ] aan zijn lot overgelaten. Het betreft een ernstig en naar feit waarvoor verdachte geen verantwoordelijkheid heeft genomen.
Het feit werd gepleegd op 12 augustus 2020 en verdachte werd daarvoor op 15 november 2021 door de politierechter veroordeeld. Het hof doet uitspraak op 19 maart 2024, zodat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van vier maanden. Om die reden zal het hof de voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf, zoals die is gevorderd door de advocaat-generaal en door de politierechter werd opgelegd - achterwege laten.”
3.6
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 maart 2024 heeft de raadsman van de verdachte daar het woord tot verdediging gevoerd aan de hand van de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:

Strafmaat
36. Indien u tot een bewezenverklaring komt dan verzoek ik u de oriëntatiepunten van het LOVS als uitgangspunt te nemen. Op een eenvoudige mishandeling voor een first offender staat een geldboete. Als u voorbedachten rade aanneemt dan is het strafmaximum in de wet 30 procent hoger. Gelet hierop meen ik dan ook dat de door de politierechter opgelegde straf totaal niet passend en geboden was.
37. Ik verzoek u om bij een strafoplegging verder in het voordeel van cliënt er rekening mee te houden dat de redelijke termijn in hoger beroep is overschreden. Het hoger beroep is ingesteld op 19 november 2021 en uw hof doet naar verwachting 19 maart 2024 uitspraak. Deze overschrijding kan ook niet aan cliënt worden toegerekend, nu reeds in appelschriftuur beperkte onderzoekswensen zijn ingediend en cliënt mocht verwachten dat dit binnen een periode van twee jaren had kunnen worden behandeld en zijn zaak zou worden afgedaan.
38. Dit betekent dat er sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van vier maanden en verzoek ik u cliënt hiervoor strafkorting te geven.
39. Daarnaast verzoek ik u rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van cliënt en het feit dat zijn huidige toezicht bij de reclassering in een andere zaak erg goed gaat.
40. Tevens verzoek ik u er rekening mee te houden dat cliënt dus nog nooit eerder voor soortgelijke feiten was veroordeeld en artikel 63 Sr Pro van toepassing is.
41. Cliënt is na de pleegdatum van dit feit driemaal onherroepelijk veroordeeld en heeft een strafbeschikking opgelegd gekregen.
42. U ziet zich dan ook voor de vraag gesteld zouden deze straffen hoger zijn uitgevallen als deze verdenking gelijktijdig was behandeld en zo ja, hoeveel hoger?
43. Gelet hierop, zijn persoonlijke omstandigheden en het feit dat sprake is van overschrijding van de redelijke termijn meen ik dat een voorwaardelijke geldboete en/of een voorwaardelijke taakstraf de enige passende en geboden straf kan zijn.”
Eerste deelklacht
3.7
In de toelichting op het middel wordt bij de eerste deelklacht naar voren gebracht dat het hof niet bij de strafoplegging had mogen meewegen dat de verdachte de aangever na afloop van het feit uit de auto heeft gezet en hem, slechts gekleed in zijn zwembroek en zonder schoenen, aan zijn lot heeft overgelaten. Volgens de stellers van het middel kan dit niet anders worden gezien dan als een apart strafbaar feit en is dit geen omstandigheid
waaronderhet feit is begaan, maar een omstandigheid
nahet begaan van het feit.
3.8
De rechter mag bij de strafoplegging ten nadele van de verdachte rekening houden met een niet-tenlastegelegd feit wanneer dit feit kan worden beschouwd als een omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde is begaan. [2]
3.9
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte de aangever met voorbedachte raad heeft mishandeld door hem stompen tegen zijn hoofd en lichaam te geven. In de bewijsoverweging heeft het hof vastgesteld dat de verdachte de aangever tijdens een zwembadfeest in verdachtes auto heeft laten instappen, is weggereden en de aangever na een rit van 12 minuten in de auto fors heeft mishandeld. Het hof heeft bij de strafoplegging onder andere betrokken dat de verdachte de aangever heeft weggelokt, in zijn auto heeft meegenomen, op een afgelegen plek heeft mishandeld en de aangever daarna uit de auto heeft gezet en hem, slechts gekleed in zijn zwembroek en zonder schoenen, aan zijn lot heeft overgelaten. Dat de verdachte de aangever uit de auto heeft gezet en hem, slechts gekleed in zijn zwembroek en zonder schoenen aan zijn lot heeft overgelaten, kan mijns inziens worden aangemerkt als een nadere uitwerking van de door het hof in aanmerking genomen en uit het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep gebleken [3] omstandigheid waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan. Hoewel het uit de auto zetten een omstandigheid betreft die zich strikt op zichzelf bezien pas na afloop van de bewezenverklaarde mishandeling heeft voorgedaan, bestaat er wel degelijk een nauw verband tussen het bewezenverklaarde feit en deze omstandigheid. [4] Het uit de auto zetten maakt immers onderdeel uit van de gehele gebeurtenis waarin de aangever onder meer in de auto is gelokt, men met de auto met aangever erin is weggereden – hetgeen meebrengt dat aangever ook weer terug moest – en aangever in de auto is mishandeld. Bovendien was de aangever – zoals ook volgt uit het arrest van het hof – al die tijd, dus ook tijdens de mishandeling, slechts gekleed in zijn zwembroek en had hij geen schoenen aan. Het hof heeft dit dan ook kunnen beschouwen als (niet meer dan) een “inkleuring van de ernst van het wel bewezen verklaarde feit”. [5] Verder is het niet van belang dat dit ook een zelfstandig strafbaar feit zou kunnen opleveren. [6] Het hof mocht deze omstandigheid bij de strafoplegging betrekken.
3.1
De eerste deelklacht faalt.
Tweede deelklacht
3.11
Ter onderbouwing van de tweede deelklacht wordt in de toelichting op het middel aangevoerd dat het hof gelet op HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
NJ2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.6.1-3.6.2 de volgorde van art. 9 Sr Pro had moeten aanhouden en daarom vanwege de overschrijding van de redelijke termijn niet de voorwaardelijke gevangenisstraf had moeten verminderen maar de onvoorwaardelijke taakstraf.
3.12
Het rechtsgevolg dat de feitenrechter heeft verbonden aan de door hem vastgestelde overschrijding van de redelijke termijn kan in cassatie slechts op begrijpelijkheid worden getoetst. [7] Algemene regels over de wijze waarop de straf moet worden verminderd zijn niet te geven. [8] De feitenrechter moet wel duidelijk maken in welke vorm of mate de straf is verlaagd. Aangeduid moet dus zijn welke straf zou zijn opgelegd als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden. [9] De rechtsoverweging uit het overzichtsarrest waarop de stellers van het middel zich beroept (zie onder 3.10) heeft betrekking op de rechtsgevolgen van de overschrijding van de redelijke termijn in de cassatiefase. De feitenrechter is hieraan niet gebonden. [10] De Hoge Raad heeft voor de feitenrechter overwogen dat algemene regels omtrent de wijze waarop de straf dient te worden verminderd niet zijn te geven. [11] Dat neemt niet weg dat op verschillende wijzen in strafvermindering kan worden voorzien: als zodanig geldt naast de oplegging van een straf die minder hoog is dan de straf die zou zijn opgelegd indien de redelijke termijn niet zou zijn overschreden, ook de oplegging van een straf die op grond van art. 9 Sr Pro als minder zwaar moet worden aangemerkt of die in (gedeeltelijk) voorwaardelijke vorm wordt opgelegd. Ondertussen staat het de rechter vrij om op grond van een afweging van alle daartoe in aanmerking te nemen belangen en omstandigheden, waaronder de mate van overschrijding van de redelijke termijn, te volstaan met de enkele vaststelling dat inbreuk is gemaakt op art. 6 lid 1 EVRM Pro. De feitenrechter komt dus een grote vrijheid toe om te bepalen of de straf moet worden verminderd en zo ja hoe.
3.13
Het hof heeft vastgesteld dat sprake is van een overschrijding van de redelijke termijn van vier maanden. Het hof heeft overwogen dat het “om die reden” de – door de advocaat-generaal gevorderde en de door de politierechter opgelegde – voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf achterwege zal laten. Het hof heeft aan de verdachte wel een taakstraf opgelegd van honderd uren subsidiair vijftig dagen hechtenis. [12]
3.14
Uit het vonnis blijkt dat de politierechter aan de verdachte zowel een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren als een taakstraf van honderd uren subsidiair vijftig dagen hechtenis heeft opgelegd. Volgens de vordering ter terechtzitting heeft de advocaat-generaal deze straf ook gevorderd. In het licht hiervan kan de onder 3.12 samengevatte overweging van het hof zo worden begrepen dat als de redelijke termijn niet zou zijn overschreden het hof een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van één maand met een proeftijd van twee jaren en een taakstraf van honderd uren subsidiair vijftig dagen hechtenis zou hebben opgelegd. Het hof heeft de overschrijding van de redelijke termijn van vier maanden dus gecompenseerd door te volstaan met een taakstraf en geen voorwaardelijke gevangenisstraf van één maand op te leggen. Als geheel genomen is het hof vanwege de overschrijding van de redelijke termijn dus tot strafvermindering gekomen.
3.15
Gelet op wat ik onder 3.12 heb vooropgesteld mocht het hof de overschrijding van de redelijke termijn op deze manier compenseren. Het rechtsgevolg dat het hof aan de overschrijding van de redelijke termijn heeft verbonden is ook niet onbegrijpelijk.
3.16
Ook de tweede deelklacht strandt.
3.17
Daarmee faalt het middel.

4.Het tweede middel

4.1
Het middel bevat de klacht dat de toewijzing van de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding en de oplegging van de schadevergoedingsmaatregel onvoldoende is gemotiveerd.
4.2
De toelichting op het middel richt zich ten eerste tegen het oordeel van het hof over de in art. 6:106 BW Pro genoemde rechtsgronden voor de vergoeding van de immateriële schade. Betoogd wordt dat niet begrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze nu het hof niets nader heeft vastgesteld over “de ernstige gevolgen”. Ten tweede wordt geklaagd over (de motivering van) de begroting door het hof van de immateriële schade. Volgens de stellers van het middel is het niet duidelijk in hoeverre het hof bij de hoogte van het toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding heeft betrokken dat de aangever op blote voeten en gekleed in een zwembroek uit de auto is gezet, aangezien het hof deze omstandigheid heeft betrokken bij de strafoplegging, en of het hof dat bedrag mede heeft gebaseerd op een beweerdelijke wederrechtelijke vrijheidsberoving, nu de vordering van de benadeelde partij wel is gebaseerd op een combinatie van de mishandeling en de wederrechtelijke vrijheidsberoving, terwijl die vrijheidsberoving niet is ten laste gelegd en bewezen verklaard.
4.3
Bij de aan de Hoge Raad op de voet van art. 434 Sv Pro toegekomen stukken bevindt zich een brief van de advocaat van de benadeelde partij van 11 november 2021. Deze brief houdt onder meer in:
“Betreft: voeging benadeelde partij zitting 15-11-2021 om 11.25 uur
[…]
IMMATERIELE SCHADE
Er is sprake van een forse schending van de lichamelijke en geestelijke integriteit. Cliënt is door verdachte tot tweemaal toe (de eerste keer met meer dan 15 vuistslagen) in een afgesloten auto met fors geweld door vuistslagen in zijn gezicht, zijn hoofd en zijn lichaam geslagen.
Zie de medische verklaring (pag. 17) en de foto’s in het p.v. (pag. 12 t/m 14). De medische verklaring wordt hier nogmaals bijgevoegd.
Cliënt kampt nog steeds met gevoelens van onveiligheid en heeft zijn vertrouwen in de mens verloren. Hij dacht immers met vrienden in een auto te stappen maar kwam bedrogen uit. Client heeft zich recent toch nog voor hulp tot de POH (Praktijk Ondersteuner Huisarts) gewend.
Gevorderd wordt naar billijkheid een bedrag van € 1.000,= aan smartengeld. Verwezen wordt naar de uitspraken uit de Smartengeldbundel van de ANWB met de nummers 860, 867 en 738 (
./.).Relaterend aan deze uitspraken zou een bedrag van € 600,= billijk zijn voor alleen de mishandeling. Echter is het in de zaak van cliënt ook nog zo dat hij aangifte heeft gedaan niet alleen van het feit dat hij mishandeld werd maar daarbij ook van zijn vrijheid beroofd is geweest en bedreigd (t.a.v. hemzelf maar ook t.a.v. zijn moeder en een vriend) werd door verdachte. Dit alles terwijl hij alleen in een zwembroek gekleed waardoor hij zich extra kwetsbaar voelde. Ik verwijs voor deze laatste punten naar de aangifte van cliënt. Deze factoren dienen naar mening van cliënt meegenomen te worden; reden waarom een bedrag van € 1.000,= aan smartengeld gevorderd wordt.
[…]
HET VERZOEK
a. toekenning van een bedrag van € 1.000,= voor de geleden immateriële schade althans zodanig bedrag maar dan als het nu toe te kennen deel van de geleden immateriële schade als de rechtbank billijk acht en meent te moeten vaststellen, tevens te bepalen dat de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk is en deze formulering ook in het vonnis op te nemen;
b. veroordeling tot betaling van de wettelijke rente over de op te leggen schadevergoeding vanaf de datum van het bewezen strafbare feit tot aan de datum van voldoening;
c. oplegging van de schadevergoedingsmaatregel m.b.t. het toe te kennen bedrag aan schadevergoeding;
d. veroordeling in de proceskosten en de kosten van de tenuitvoerlegging.
[…]
BIJLAGEN
1. voegingsformulier;
2. geneeskundige verklaring 12-08-2020;
3. mail d.d. 29-10-2021 bevestiging afspraak POH;
4. ANWB smartengeldbundel nummers 860, 867 en 738”
4.4
Het voegingsformulier van 10 november 2021 dat als bijlage 1 is gevoegd bij de onder 4.3 genoemde brief houdt onder meer in:
“Voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces
[…]
4b. Gegevens over de schade
De totale schade bestaat uit de volgende posten:
Omschrijving Bijlagen Bedrag
1 immateriele schade nr € 1.000,00
[…]
Totaal€ 1.000,00”
4.5
De geneeskundige verklaring van 12 augustus 2020 die als bijlage 2 is gevoegd bij de onder 4.3 genoemde brief houdt onder meer in:
“GENEESKUNDIGE VERKLARING
[…]
A. Uitwendig waargenomen letsel:
blauw oog links
pijn strottehoofd/hals
zwelling linkerkaak
dikke lip
bloeduitstorting linkerbovenarm en linkerflank / ribben
[…]
D. Datum waarop voornoemde persoon werd onderzocht: 12 / 8 / 2020
[…]
F. Geschatte duur genezing: 2-3 weken”
4.6
De politierechter heeft het door de benadeelde partij gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding volledig toegewezen.
4.7
Volgens het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 maart 2024 heeft de raadsvrouw van de benadeelde partij daar naar voren gebracht:
“Ik heb de zaak overgenomen van mr. [betrokkene 1] , zij is gestopt. Ik kijk naar het hele feitencomplex. Cliënt is meegenomen in de auto en mishandeld. De wederrechtelijke vrijheidsberoving is niet tenlastegelegd maar maakt wel deel uit van het feitencomplex. Uitgaande van een mishandeling dan is 600 euro voor immateriële schade het standaardbedrag maar met vrijheidsberoving is 1.000 euro op zijn plaats. Cliënt heeft er ook later psychische klachten van gehad en hij is lange tijd angstig geweest. Hij hoopt dat deze zaak bij het hof niet leidt tot represailles. Ik persisteer bij de vordering en vraag het hof te beslissen zoals de politierechter heeft gedaan.
[…]
De vordering is wel voldoende onderbouwd. Ik verwijs naar het dossier, de bijlagen en de medische verklaring.”
4.8
Uit het proces-verbaal van de terechtzitting in hoger beroep van 5 maart 2024 blijkt dat de raadsman van de verdachte daar het woord tot verdediging heeft gevoerd aan de hand van de pleitnota die aan het proces-verbaal is gehecht. Deze pleitnota houdt onder meer in:

Vordering benadeelde partij
44. Gelet op de bepleite vrijspraak verzoek ik u de vordering benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren.
45. Subsidiair verzoek ik u de verzochte immateriële schade te matigen en aansluiting te zoeken bij soortgelijke zaken met betrekking tot het letsel nu het gestelde geestelijk letsel geenszins is onderbouwd. Ik meen dat een bedrag van hooguit 600 euro billijk is en verzoek het overige gevorderde bedrag niet-ontvankelijk te verklaren.”
4.9
Het hof heeft de vordering van de benadeelde partij tot vergoeding van immateriële schade eveneens integraal toegewezen en daartoe overwogen:

Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
De benadeelde partij heeft zich in eerste aanleg in het strafproces gevoegd met een vordering tot schadevergoeding. Deze bedraagt € 1.000,00, bestaande uit immateriële schade. De vordering is bij het vonnis waarvan beroep toegewezen.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is voldoende gebleken dat de benadeelde partij als gevolg van het bewezenverklaarde handelen van verdachte rechtstreeks schade heeft geleden, te weten lichamelijk letsel en aantasting in de persoon op andere wijze. Verdachte is tot vergoeding van die schade gehouden. Het hof is van oordeel dat, hoewel het bestaan van geestelijk letsel bij de benadeelde partij op grond van de beschikbare informatie niet naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, de aard en ernst van de normschending en de ernstige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze. Op grond van het voorgaande en rekening houdend met de aard en de ernst van het delict, de gevolgen ervan voor de benadeelde partij en met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen, acht het hof toewijzing van het gevorderde bedrag aan immateriële schadevergoeding billijk.
Om te bevorderen dat de schade door verdachte wordt vergoed, zal het hof de maatregel van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht opleggen op de hierna te noemen wijze.”
4.1
Het hof heeft in het bestreden arrest geoordeeld dat het aannemelijk is geworden dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden als gevolg van het bewezen verklaarde handelen van de verdachte. Het arrest expliciteert op welke in art. 6:106 BW Pro vermelde grond het de toewijzing van de vordering tot immateriële schade heeft gebaseerd, namelijk lichamelijk letsel en aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van art. 6:106 lid 1 onder Pro b BW. Over deze laatste grondslag heeft het hof overwogen dat geestelijk letsel bij de benadeelde partij niet kan worden vastgesteld, maar dat de aard en ernst van de normschending en de ernstige gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze.
Schadevergoedingsgrond: aantasting in de persoon op andere wijze
4.11
Zoals vermeld onder 4.2 richt het middel zich tegen (de motivering van) het oordeel van het hof dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze.
4.12
Voor de beoordeling van deze klacht is van belang dat de Hoge Raad in zijn arrest van 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:48, r.o. 2.5 en 2.6 het volgende heeft vooropgesteld:
“2.5 Artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek luidt:
‘Voor nadeel dat niet in vermogensschade bestaat, heeft de benadeelde recht op een naar billijkheid vast te stellen schadevergoeding:
(...)
b. indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast; (...).’
2.6
In zijn arrest van 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793 heeft de Hoge Raad onder meer overwogen:
‘2.4.4 Art. 6:106 BW Pro geeft een limitatieve opsomming van gevallen waarin deze bepaling recht geeft op vergoeding van immateriële schade als gevolg van onrechtmatig handelen, te weten in geval van:
(...)
b. aantasting in de persoon: 1) door het oplopen van lichamelijk letsel, 2) door schade in zijn eer of goede naam of 3) op andere wijze;
(...).
2.4.5
Van de onder b.3) bedoelde aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ is in ieder geval sprake indien de benadeelde partij geestelijk letsel heeft opgelopen. Degene die zich hierop beroept, zal voldoende concrete gegevens moeten aanvoeren waaruit kan volgen dat in verband met de omstandigheden van het geval psychische schade is ontstaan. Daartoe is vereist dat naar objectieve maatstaven het bestaan van geestelijk letsel kan worden vastgesteld. Ook als het bestaan van geestelijk letsel in voornoemde zin niet kan worden aangenomen, is niet uitgesloten dat de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde, meebrengen dat van de in art. 6:106, aanhef en onder b, BW bedoelde aantasting in zijn persoon ‘op andere wijze’ sprake is. In zo een geval zal degene die zich hierop beroept de aantasting in zijn persoon met concrete gegevens moeten onderbouwen. Dat is slechts anders indien de aard en de ernst van de normschending meebrengen dat de in dit verband relevante nadelige gevolgen daarvan voor de benadeelde zo voor de hand liggen, dat een aantasting in de persoon kan worden aangenomen. Van een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW is niet reeds sprake bij de enkele schending van een fundamenteel recht.’”
4.13
Bij gevallen waarin de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde meebrengen dat van een aantasting in de persoon op andere wijze sprake is, zijn door onrechtmatig handelen zwaarwegende persoonsbelangen getroffen zonder dat fysiek of psychisch letsel is opgelopen. [13] In de literatuur is deze categorie van gevallen aangeduid als de schending van persoonlijkheidsrechten of schending van fundamentele rechten. [14] Dat het bij een aantasting in de persoon op andere wijze onder meer kan gaan om een schending van een fundamenteel recht blijkt ook uit de onder 4.12 genoemde rechtspraak. Dat sprake is van een schending van een of meer persoonsrechten betekent nog niet dat een aantasting in de persoon “op andere wijze” als bedoeld in art. 6:106 aanhef Pro en onder b BW kan worden aangenomen. Ook de schending van een fundamenteel recht hoeft daarvoor niet te volstaan. De afdronk van de lezing van HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:48, r.o. 2.6 is dan ook dat de schending – of de combinatie van schendingen – substantieel inbreuk op de persoon zal moeten maken. De inbreuk zal echt ingrijpend moeten zijn. [15] Normschendingen die niet op de persoon zijn gericht of deze minder direct raken, zullen doorgaans geen aanspraak op smartengeld rechtvaardigen. [16] Een schending van een norm die een persoonsbelang beschermt is namelijk over het algemeen meer verwijtbaar dan een aantasting van een andere norm. [17] Een vordering tot immateriële schade op de grond van aantasting in de persoon op andere wijze moet met concrete gegevens zijn onderbouwd waaruit de gevolgen van het bewezenverklaarde feit voor de benadeelde partij blijken, tenzij het gezien de aard en de ernst van de normschending duidelijk voor de hand ligt dat de benadeelde in de persoon is aangetast. [18] Dit laatste betreft in feite een hardheidsclausule op de regel dat moet worden onderbouwd, welke regel zelf al een uitzondering veronderstelt op de hoofdregel dat sprake moet zijn van geestelijk letsel. [19]
4.14
Wat betreft de aard en de ernst van de normschending is in de onderhavige zaak namens de benadeelde partij behalve de mishandeling zelf ook aangevoerd dat hij van zijn vrijheid beroofd is geweest c.q. in de auto is meegenomen, dat hij ten aanzien van zijn eigen persoon, zijn moeder en een vriend is bedreigd en dat hij bij dit alles alleen een zwembroek droeg waardoor hij zich extra kwetsbaar voelde. Verder is namens de benadeelde partij aan de vordering tot immateriële schadevergoeding in essentie ten grondslag gelegd dat hij letsel heeft opgelopen en daarnaast nog steeds kampt met gevoelens van onveiligheid en zijn vertrouwen in de mens is verloren. Daarbij wordt namens de benadeelde partij opgemerkt dat hij zich voor hulp tot de praktijkondersteuner van de huisarts heeft gewend, ten bewijze waarvan een afspraakbevestiging bij de vordering is gevoegd. Op de terechtzitting in hoger beroep is namens de benadeelde partij nog aangevoerd dat hij “er ook later psychische klachten van gehad” heeft en “lange tijd angstig geweest” is.
4.15
Namens de verdachte is over de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding niet meer aangevoerd dan dat het gestelde geestelijk letsel geenszins is onderbouwd en dat daarom wordt verzocht aansluiting te zoeken bij zaken met betrekking tot het letsel en hooguit 600 euro toe te kennen.
4.16
Het hof heeft bewezenverklaard dat de verdachte de benadeelde partij heeft mishandeld met voorbedachte raad door hem stompen tegen zijn hoofd en lichaam te geven. In de bewijsoverwegingen heeft het hof onder meer vastgesteld dat de verdachte de benadeelde partij in zijn auto heeft laten instappen, dat de verdachte met hem en [medeverdachte] is weggereden en dat de verdachte de benadeelde partij na een korte rit in de auto fors heeft mishandeld. Het hof heeft in de strafmotivering [20] overwogen dat de verdachte de benadeelde partij heeft weggelokt, in zijn auto heeft meegenomen, hem op een afgelegen plek heeft mishandeld, hetgeen voor de benadeelde partij ongetwijfeld “een zeer angstige ervaring” was en de benadeelde partij daarna uit de auto heeft gezet en hem, slechts gekleed in een zwembroek en zonder schoenen, aan zijn lot heeft overgelaten.
4.17
Voor zover het hof in de onder 4.9 weergegeven overweging heeft bedoeld tot uitdrukking te brengen dat de benadeelde partij de aantasting in de persoon met concrete gegevens heeft onderbouwd, is het volgende van belang. Uit de brief van de advocaat van de benadeelde partij van 11 november 2021 volgt dat de bevestiging van de afspraak met de praktijkondersteuner van de huisarts volgens de benadeelde partij als onderbouwing van gestelde onveiligheidsgevoelens en vertrouwensproblemen kan worden beschouwd. Dat de afspraak met het oog op de gestelde – kort gezegd – psychische problemen is gemaakt, blijkt echter niet uitdrukkelijk uit de e-mailwisseling waarvan die afspraakbevestiging deel uitmaakt. [21] Niettemin meen ik dat moet worden aangenomen dat de afspraak met de praktijkondersteuner inderdaad in dat kader en dus niet vanwege het fysieke letsel tot stand is gekomen. Daartoe is van belang dat het feit heeft plaatsgevonden op 12 augustus 2020 en dat diezelfde dag in een geneeskundige verklaring is vastgesteld dat het uitwendig waargenomen letsel bestaat uit “blauw oog links”, “pijn strottehoofd/hals”, “zwelling linkerkaak”, “dikke lip” en “bloeduitstorting linkerbovenarm en linkerflank / ribben”. De afspraakbevestiging van de praktijkondersteuner betreft echter een afspraak van meer dan 14 maanden later, namelijk voor 29 oktober 2021. Gezien de aard van het fysieke letsel is mijns inziens aannemelijk dat de afspraak niet daarover ging maar inderdaad, zoals door de benadeelde partij gesteld, betrekking had op psychische gevolgen. Daarmee is sprake van enige onderbouwing van de gevolgen van de normschending met concrete gegevens door de benadeelde partij. Deze geeft bovendien een zekere ondersteuning aan het oordeel van het hof dat “hoewel het bestaan van geestelijk letsel bij de benadeelde partij op grond van de beschikbare informatie niet naar objectieve maatstaven kan worden vastgesteld, de aard en ernst van de normschending en de ernstige gevolgen daarvan voor de benadeelde partij meebrengen dat sprake is van aantasting in de persoon op andere wijze.” Nu echter uit de e-mailwisseling waarvan die afspraakbevestiging deel uitmaakt niet blijkt wat de aard en ernst van de – kort gezegd – psychische gevolgen is, kan mijns inziens louter op grond daarvan niet worden aangenomen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze die toekenning van immateriële schadevergoeding rechtvaardigt.
4.18
Zoals uit het onder 4.12 genoemde arrest HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:48, r.o. 2.6 blijkt kan een aantasting in de persoon echter ook worden aangenomen “indien
de aard en de ernst van de normschendingmeebrengen dat de in dit verband relevante
nadelige gevolgen daarvanvoor de benadeelde” voldoende voor de hand liggen (cursivering,
PHvK). De vraag is of daarvan in de onderhavige zaak in dusdanige mate sprake is dat dit – eventueel in combinatie met de onder 4.17 genoemde beperkte onderbouwing – het oordeel van het hof kan dragen. Daarvoor moeten de volgende vragen worden beantwoord:
(i) Blijkt voldoende van de namens de benadeelde partij aangevoerde omstandigheden?
(ii) Voor zover ja: betreffen de aangevoerde omstandigheden een schending of schendingen van een of meer persoonsbelangen zoals in elk geval persoonlijkheidsrechten of fundamentele rechten?
(iii) Voor zover ja:
(a) is de schending of de combinatie van schendingen voldoende zwaarwegend om aan te nemen dat sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van art. 6:106 aanhef Pro en onder b BW die toekenning van immateriële schadevergoeding kan rechtvaardigen?
(b) en aangezien de “in dit verband relevante nadelige gevolgen” van die schending de toekenning van immateriële schadevergoeding vanwege een aantasting in de persoon “op andere wijze” als bedoeld in art. 6:106 aanhef Pro en onder b BW moeten kunnen rechtvaardigen: blijkt uit de overwegingen van de feitenrechter toereikend wat dan die voor de hand liggende gevolgen zijn?
4.19
Allereerst merk ik op dat het (het tweede klachtonderdeel van het) middel faalt voor zover dit ertoe strekt dat het hof bij het bepalen van de hoogte van het toegewezen bedrag aan immateriële schadevergoeding er geen rekening mee heeft mogen houden dat de aangever op blote voeten en gekleed in een zwembroek uit de auto is gezet en in die auto is meegenomen. Het gaat hierbij om omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde feit is begaan (vgl. hiervoor onder 3.9) en er is geen rechtsregel die zich ertegen verzet om dergelijke omstandigheden bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij tot immateriële schadevergoeding te betrekken. Integendeel, uit de onder 4.12 geciteerde r.o. 2.6 uit HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:48 volgt dat “de omstandigheden van het geval” van belang zijn voor de vraag of sprake is van een aantasting in de persoon op andere wijze.
Vraag (i)
4.2
Zoals opgemerkt onder 4.14 is wat betreft de aard en de ernst van de normschending namens de benadeelde partij onder meer aangevoerd dat de aangever van zijn vrijheid beroofd is geweest c.q. in de auto is meegenomen, dat hij een bedreiging heeft ondergaan en dat hij bij dit alles alleen een zwembroek droeg waardoor hij zich extra kwetsbaar voelde. Deze omstandigheden heeft de benadeelde partij niet nader onderbouwd, maar voor zover het om het meenemen in de auto en het alleen dragen van een zwembroek gaat, blijkt daarvan uit de bewijsvoering en overige vaststellingen door het hof (zie onder 3.4, 3.5 en 4.16). Dat de benadeelde partij zich extra kwetsbaar voelde doordat hij tijdens de gebeurtenissen alleen een zwembroek droeg lijkt mij tamelijk evident. Over de door de benadeelde partij aangevoerde bedreiging heeft het hof niets in zijn arrest overwogen, ook niet in het kader van de bewijsvoering of de strafoplegging, zodat moet worden aangenomen dat het hof deze niet aan zijn oordeel ten grondslag heeft gelegd. Omdat de benadeelde partij de bedreiging zoals opgemerkt ook niet met concrete gegevens heeft onderbouwd, moet deze hier ook daarom verder buiten beschouwing blijven.
Vraag (ii)
4.21
Betreffen de vrijheidsontneming en de gedragingen jegens de verdachte terwijl hij alleen een zwembroek droeg waardoor hij zich extra kwetsbaar voelde, schendingen van persoonsbelangen zoals in elk geval persoonlijkheidsrechten of fundamentele rechten? Voor de vrijheidsontneming (het in de auto meenemen) geldt dat dit het meest duidelijk aan een fundamenteel recht kan worden gerelateerd, namelijk het recht om niet onrechtmatig de vrijheid te worden ontnomen. Vrijheidsontneming kan de aard en ernst van de normschending op het niveau brengen van aantasting in de persoon op andere wijze. [22] Mijns inziens kan in de onderhavige zaak inderdaad van onrechtmatige vrijheidsontneming worden gesproken nu de verdachte onder valse voorwendselen en met voorbedachte raad op mishandeling in de auto werd gelokt en daaruit niet weg kon tijdens de mishandeling. Persoonsbelangen zijn mijns inziens eveneens in het geding door de gedragingen jegens de verdachte terwijl hij alleen een zwembroek droeg waardoor hij zich extra kwetsbaar voelde. Deze betreffen immers onrechtmatig handelen dat op de persoon is gericht en deze direct treffen (vgl. onder 4.13). Het veroorzaken van gevoelens als kwetsbaarheid, hulpeloosheid, angst en vernedering raken alle de psychische integriteit. Het oordeel van het hof op grond van voornoemde omstandigheden dat het slachtoffer “aan zijn lot overgelaten” is, dat het “ongetwijfeld […] voor hem een zeer angstige ervaring” was en dat het “een ernstig en naar feit” betreft is in zoverre niet onbegrijpelijk.
Vraag (iii)
4.22
Dat sprake is van schending van een of meer persoonsrechten betekent nog niet dat een aantasting in de persoon “op andere wijze” als bedoeld in art. 6:106, aanhef en onder b, BW kan worden aangenomen. [23] De schending – of combinatie van schendingen – zal substantieel inbreuk op de persoon moeten maken (zie onder 4.13). Nu de aard en ernst van de gestelde psychische gevolgen (kwetsbaarheidsgevoelens, onveiligheidsgevoelens, angstigheid, psychische klachten) namens de benadeelde partij niet met concrete gegevens zijn onderbouwd, is beslissend of die substantiële inbreuk gezien de ernst van de normschending voldoende voor de hand ligt.
4.23
In HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:48 had de verdachte in de woning van zijn voormalige partner een ander meermalen tegen het gezicht gestompt. Uit het arrest kan worden afgeleid dat het meermalen tegen het gezicht stompen terwijl uit het dossier niet volgt dat de benadeelde partij daardoor “(objectief waarneembaar) letsel heeft bekomen” onvoldoende is om te concluderen dat de aard en ernst van de normschending “zo ingrijpend zijn” dat een onderbouwing met concrete gegevens van die aantasting in de persoon achterwege kan blijven. Daaraan deed niet af dat de benadeelde partij had aangevoerd dat hij zich na de gebeurtenis mentaal en fysiek niet in staat achtte om te werken en hij bang was en nog steeds is voor de verdachte. Hoewel het in de onderhavige zaak ook ging om stompen, [24] verschillen de zaken in enkele opzichten. Zo is in de onderhavige zaak letsel vastgesteld. Bovendien betrof het een mishandeling met voorbedachte raad. Tot slot vond de mishandeling plaats in een situatie waarin de benadeelde partij kort van zijn vrijheid was ontnomen, terwijl de benadeelde partij slechts was gekleed in een zwembroek, en hij bovendien na de mishandeling in deze toestand werd achtergelaten.
4.24
A-G Van Wees geeft in zijn conclusie voor het daarnet genoemde arrest HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:48 een overzicht van rechtspraak waarin aan de orde komt of de aard en ernst van de normoverschrijding in de desbetreffende zaken meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zozeer voor de hand liggen dat (zonder vaststelling van geestelijk letsel of nadere onderbouwing) van een aantasting in de persoon “op andere wijze” sprake is. [25] Dit was wel het geval in:
(i) HR 2 november 2021, ECLI:NL:HR:2021:1496: verkrachting door partner en tijdens die verkrachting mishandeling door hem.
(ii) HR 15 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:2012,
NJ2021/68 m.nt. Lindenbergh: benadeelde en zijn vriendin zijn door verdachte en zijn mededaders in hun woning overvallen, waarbij zij zijn vastgebonden, hun monden zijn vastgeplakt en beiden met een vuurwapen zijn bedreigd, terwijl de benadeelde een klap in zijn nek heeft gekregen en is bedreigd met het afsnijden van zijn penis.
(iii) HR 19 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1696 (HR: art. 81 lid 1 RO Pro): gedurende een periode van bijna drie jaren meerdere keren plegen van ontuchtige handelingen met zijn toen 14- en 15-jarige dove pleegkind, waarbij sprake was van seksueel binnendringen.
(iv) HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7721,
NJ2005/391 m.nt. Vranken (civiele zaak): benadeelden werden tijdens oudejaarsrellen door een groep jongeren in hun woning belaagd, waarbij vernielingen werden aangericht en waardoor zij gedurende een aantal uren in hun woning in een zeer bedreigende situatie hebben verkeerd waarbij zij tevergeefs moesten wachten op bijstand en hulp van de politie.
(v) HR 18 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR5213,
NJ2006/606 m.nt. Vranken (civiele zaak): de benadeelde was door verwijtbaar handelen van de verloskundige de mogelijkheid ontnomen te kiezen voor het voorkomen van de geboorte van een ernstig gehandicapt kind.
(vi) HR 2 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:951 (HR: art. 81 lid 1 RO Pro): de verdachte was veroordeeld voor een poging tot moord door te schieten op het slachtoffer dat zich achter een raam in een kebabzaak bevond en daarna weer te schieten toen hij achter het vluchtende slachtoffer aan rende.
(vii) HR 4 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1624 (HR: art. 81 lid 1 RO Pro): in deze zaak was de benadeelde partij als jong meisje van twee jaar in opdracht van haar vader onttrokken aan het gezag van haar moeder door haar met geweld weg te rukken uit de armen van haar grootmoeder en mee te nemen naar India, waarna vrijwel alle contact met de moeder werd verbroken.
Aan deze rechtspraak voeg ik nog toe:
(viii) HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1956,
NJ2021/66 m.nt. Lindenbergh: langdurige en intensieve belaging door ex-vriendin – waarbij onder meer sprake was van ongegronde ernstige beschuldigingen en plaatsing van (seks- en homo)advertenties op internet – die heeft geleid tot een ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke vrijheid van de benadeelde partij waardoor deze imagoschade heeft ervaren, sociale contacten heeft moeten beëindigen en zijn vertrouwen in anderen is verloren.
4.25
Als geval waarin de Hoge Raad daarentegen niet akkoord ging met het oordeel van het hof dat de aard en ernst van de normoverschrijding meebrengen dat de nadelige gevolgen voor de benadeelde partij zo voor de hand liggen dat een aantasting in de persoon “op andere wijze” als bedoeld in art. 6:106 aanhef Pro en onder b BW kan worden aangenomen, noemt AG Van Wees:
(i) HR 10 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1148,
NJ2024/279: de verdachte had personen, waaronder het slachtoffer en bewoners van de daklozenopvang, bedreigd door met een auto op een pui, muur en ruit in te rijden, terwijl er zich achter deze pui, muur en ruit personen bevonden. De benadeelde partij bevond zich echter niet in de leefruimte achter de pui toen de verdachte daarop inreed. Als onderbouwing van een aantasting in de persoon “op andere wijze” volstond niet dat de benadeelde partij te kennen heeft gegeven dat hij erg geschrokken en angstig is sinds het incident en veel spanning voelt.
Ook in de volgende zaken schoot het oordeel van het hof tekort, zo voeg ik nog toe:
(ii) HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:48: zie onder 4.23.
(iii) HR 8 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1955,
NJ2021/65 m.nt. Lindenbergh: in deze zaak ging het om opzettelijke brandstichting van een personenauto die op de oprit van de woning van benadeelde stond, terwijl benadeelde en zijn gezin in de woning lagen te slapen, waardoor – blijkens de bewezenverklaring – gemeen gevaar voor goederen (maar niet ook: levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel) te duchten was. In het arrest van het hof en het daarin door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank was niets in het oordeel over de vordering van de benadeelde partij vastgesteld omtrent de gevolgen van de gebeurtenis voor de benadeelde partij. Wel was in het bevestigde vonnis voor de strafoplegging door de rechtbank overwogen dat de autobrand “naast materiële schade en hinder, gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt [heeft] bij [benadeelde partij] en zijn gezin zoals blijkt uit de onderbouwing van zijn vordering als benadeelde partij. Feiten als het onderhavige zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid, in het bijzonder bij omwonenden.” Het lijkt erop dat de Hoge Raad deze overweging – die in zijn arrest niet voorkomt en overigens evenmin in de conclusie van de A-G – niet bij de beoordeling heeft betrokken. De Hoge Raad oordeelde namelijk dat het oordeel van het hof dat sprake is van “een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ […] zonder nadere motivering niet begrijpelijk [is], nu het hof
nietsheeft vastgesteld over de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde” (cursivering
PHvK). Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking “dat de enkele omstandigheid dat het in het daartoe bestemde formulier toegelichte verzoek tot schadevergoeding in hoger beroep niet is weersproken, niet volstaat ter motivering van het oordeel dat zich een van de gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade. Ook de motivering dat ‘vergoeding van de immateriële schade (...) billijk voor(komt)’ volstaat daartoe niet.” Uit dit arrest blijkt nog eens dat de feitenrechter vaststellingen zal moeten doen omtrent de gevolgen van de normoverschrijding. Voor zover uit het arrest ook moet worden afgeleid dat vaststellingen die de feitenrechter in het kader van de bewijsvoering of strafoplegging doet, niet kunnen worden betrokken bij de beoordeling in cassatie van het oordeel van die rechter over de vordering van de benadeelde partij, is mij overigens niet duidelijk waarom dit het geval zou zijn erop gelet dat een arrest ook een samenhangend geheel is en eventuele toekenning van de vordering van de benadeelde partij mede afhankelijk is van de bewezenverklaring en hetgeen waarop die is gebaseerd. De Hoge Raad legt deze beperking in andere rechtspraak echter niet (langer) aan. [26]
(iv) HR 15 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1465,
NJ2019/468 m.nt. Vellinga: daarin overweegt de Hoge Raad dat niet is uitgesloten dat een inbraak in een woning, en daarmee een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer, voor de bewoner van die woning dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen niet als geestelijk letsel zijn aan te merken. Daarvoor is dan wel vereist dat vaststellingen omtrent die gevolgen (kunnen) worden gedaan. Daarnaast ligt niet voor de hand om een dergelijke “aantasting in de persoon” aan te nemen als de nadelige gevolgen enkel bestaan in het verlies van een voorwerp. De motivering van het hof schoot in deze zaak tekort.
(v) HR 20 juni 2023, ECLI:NL:HR:2023:941: in deze zaak was de verdachte veroordeeld wegens bedreiging van de benadeelde partij met een enig misdrijf tegen het leven gericht door een e-mail te sturen waarin hij dreigde een mes te nemen, langs te komen en de benadeelde dood te steken. Het hof had aan de toekenning van de vordering van de benadeelde partij ten grondslag gelegd dat zij met een misdrijf tegen het leven gericht is bedreigd in een e-mail aan haar werkgever, dat de benadeelde partij als gevolg daarvan maatregelen heeft moeten nemen om zichzelf te beschermen en zich veilig te voelen, en dat deze bedreiging “grote impact” had op de benadeelde partij, mede gelet op haar verantwoordelijkheid voor de veiligheid van haar personeel. De Hoge Raad oordeelt dat die vaststellingen niet het oordeel kunnen dragen dat sprake is van een aantasting in de persoon “op andere wijze”, mede omdat dat het hof niet heeft vastgesteld waaruit die grote impact concreet bestond, terwijl uit het schadeformulier ook blijkt dat de benadeelde partij zich “thans weer redelijk veilig voelt”.
4.26
Wat betekent het voorgaande voor de onderhavige zaak, waarin geen geestelijk letsel is vastgesteld en waarin de gestelde psychische gevolgen wat betreft aard en ernst door de benadeelde partij niet met concrete gegevens zijn onderbouwd?
4.27
Wat betreft de aard en de ernst van de normschending (vraag iii-a 4.18) lijkt mij de onderhavige zaak wat betreft aard en ernst niet het niveau te halen van de onder 4.24 genoemde gevallen. In de onderhavige zaak is geen sprake van systematische of langdurige inbreuken op persoonsrechten, dreiging met of aanwending van een dodelijk wapen, zeer indringende vrijheidsbeneming door bijvoorbeeld vastbinden of afplakken op het hoofd, binnendringen in het lichaam, gewelddadige belaging in de eigen woning of aanhoudende feitelijke ontwrichting van het leven. De vrijheidsbeneming is in de onderhavige zaak van vrij korte duur en dat de benadeelde partij tijdens de gebeurtenissen alleen een zwembroek droeg waardoor hij zich extra kwetsbaar voelde, is ook van een andere intensiteit dan de normoverschrijdingen in de onder 4.24 genoemde gevallen. Daar staat echter tegenover dat de inbreuk op persoonsrechten jegens de benadeelde partij in het algemeen zwaarder lijkt dan de meeste inbreuken in de onder 4.25 genoemde rechtspraak. Met de vrijheidsontneming en de kwetsbaarheid in de zwembroek gaat het in de onderhavige zaak immers om onrechtmatig handelen dat op de persoon is gericht en deze direct treft, terwijl deze omstandigheden zich voordeden terwijl de verdachte fors werd mishandeld door stompen tegen zijn hoofd en lichaam en dit ook daadwerkelijk tot letsel bij hem heeft geleid. Naar ik meen sluit de rechtspraak niet uit dat omstandigheden als in de onderhavige zaak grond kunnen bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon op andere wijze die tot schadevergoeding kan leiden. Dat die ruimte er is lijkt mij ook niet bezwaarlijk. Daarbij is dan echter wel vereist dat vaststellingen worden gedaan omtrent de gevolgen van de normoverschrijdingen. Daarmee komt ik op het volgende.
4.28
Wat betreft die gevolgen (vraag iii-b onder 4.18) heeft het hof bij de beoordeling van de vordering van de benadeelde partij niet meer vastgesteld dan dat sprake is van “ernstige gevolgen” voor de benadeelde partij zonder inzicht in te geven waarin die gevolgen concreet zouden bestaan. In het kader van de strafmotivering – die zoals opgemerkt mijns inziens bij de beoordeling van het oordeel van het hof over de vordering van de benadeelde partij mag worden betrokken (vgl. onder 4.25-iii) – heeft het overwogen dat de gebeurtenis “ongetwijfeld […] voor hem een zeer angstige ervaring was” en dat het “een ernstig en naar feit” betreft. Hieruit blijkt echter niet dat ook na het hebben plaatsgevonden van het strafbaar feit nog sprake was van ernstige gevolgen laat staan wat die concreet inhouden (vgl. onder 4.25-v). Dit betekent dat het niet zonder meer begrijpelijk is dat het hof heeft geoordeeld dat de aantasting in de persoon op andere wijze in dit geval een wettelijke grondslag voor toewijzing van immateriële schadevergoeding kon bieden. Ik wijs er overigens op dat door de verdediging in hoger beroep over de vordering van de benadeelde partij is aangevoerd dat “het gestelde geestelijk letsel geenszins is onderbouwd”.
4.29
In zoverre is het middel terecht voorgesteld. Vanwege het navolgende is daarmee nog niet gezegd dat dit ook tot cassatie moet leiden.
Schadevergoedingsgrond: lichamelijk letsel
4.3
Het hof heeft ook de grondslag “lichamelijk letsel” als bedoeld in art. 6:106 aanhef Pro en onder b BW toepasselijk geacht. Het is de vraag of deze rechtsgrond de toewijzing van immateriële schadevergoeding zelfstandig kan dragen.
4.31
In dit verband valt aan de ene kant op dat de in art. 6:106 BW Pro genoemde wettelijke grondslagen worden beschouwd als “toegangspoorten” tot vergoeding van immateriële schade. [27] Een vordering tot vergoeding van immateriële schade die geen rechtsgrond vindt in de wet kan niet worden toegewezen. [28] Mogelijk kan hieruit analoog worden afgeleid dat een vordering tot vergoeding van immateriële schade die wel een rechtsgrond vindt in de wet dus wel kan worden toegewezen.
4.32
De vraag is of HR 9 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1220, r.o. 4.4 aan de andere kant gewicht in de schaal legt. In deze zaak besliste de Hoge Raad dat het oordeel van het hof dat sprake was van een aantasting in de persoon op andere wijze niet toereikend was gemotiveerd en ging de Hoge Raad over tot cassatie, terwijl de toekenning door het hof van het bedrag aan immateriële schadevergoeding volgens de Hoge Raad kennelijk niet alleen verband hield met de aantasting in de persoon op andere wijze maar ook met het opgelopen lichamelijk letsel. Ik heb mij afgevraagd of uit deze uitspraak kan worden afgeleid dat wanneer een van de door de feitenrechter gebruikte rechtsgronden niet toereikend is, maar er daarnaast ook een andere rechtsgrond is, de toewijzing van immateriële schade desondanks ontoereikend is gemotiveerd. Ik meen echter dat deze conclusie niet uit het arrest kan worden getrokken, aangezien in die zaak de vordering berustte op twee verschillende bewezenverklaarde feiten, en er bij een daarvan geen sprake was van lichamelijk letsel.
4.33
De in onderhavige zaak door het hof ook genoemde wettelijke grondslag van lichamelijk letsel kan het oordeel tot toekenning van immateriële schade zelfstandig dragen, zodat de verdachte in zoverre geen belang bij cassatie heeft. [29]
4.34
Daarmee gaat het er nog om of het hof de begroting van de schade toereikend heeft gemotiveerd. Het draait daarbij in dit geval in wezen om het antwoord op de vraag of bij het begroten van immateriële schadevergoeding met als wettelijke grondslag lichamelijk letsel, naast de aard en ernst van het letsel ook rekening mag worden gehouden met de omstandigheden van het geval waaronder dat letsel is toegebracht, meer specifiek met de aard van de aansprakelijkheid en de mate van verwijtbaarheid. Het hof heeft namelijk de toewijzing van het gevorderde bedrag aan immateriële schade ter hoogte van € 1.000,- billijk geacht “[o]p grond van het voorgaande en rekening houdend met de aard en de ernst van het delict, de gevolgen ervan voor de benadeelde partij en met de bedragen die Nederlandse rechters in vergelijkbare gevallen plegen toe te kennen”, waarbij “het voorgaande” verwijst naar onder meer de aantasting in de persoon op andere wijze. Hieruit blijkt dat het hof bij de begroting van de immateriële schadevergoeding niet alleen de aard van het letsel heeft betrokken, maar ook de omstandigheden waaronder dat letsel is toegebracht.
4.35
Uit de parlementaire toelichting [30] bij art. 6:106 BW Pro en uit vaste rechtspraak van de Hoge Raad [31] kan worden afgeleid dat de daarnet opgeworpen vraag positief moet worden beantwoord: de aard van de aansprakelijkheid en de ernst van het verwijt zijn naast de aard en de ernst van het letsel van betekenis bij de vaststelling van de omvang van immateriële schadevergoeding. Volgens
Lindenberghis de ratio daarvan dat de verwijtbaarheid uitmaakt voor de omvang van het leed dat is veroorzaakt, zodat er reden is om “aan de ernst van het verwijt een corrigerende betekenis toe te kennen bij de vaststelling van de omvang van het smartengeld” en “die correctie te laten variëren met de mate van verwijtbaarheid (van risicoaansprakelijkheid tot oogmerk)”. [32]
4.36
Gelet hierop mocht het hof bij de begroting van de immateriële schadevergoeding in aanmerking nemen dat het lichamelijk letsel is ontstaan door een mishandeling met voorbedachte raad, in een situatie van vrijheidsontneming en terwijl de verdachte zich in een kwetsbare positie bevond. Het hof heeft het feit vanwege die omstandigheden als “ernstig en naar” aangemerkt en met die omstandigheden kennelijk rekening gehouden in het kader van “de aard en ernst van het delict”. Dit betekent dat de toewijzing van het gehele gevorderde bedrag van € 1.000,- kan worden gebaseerd op de grond “lichamelijk letsel” in de zin van art. 6:106 BW Pro en dat de toewijzing niet ontoereikend is gemotiveerd.
4.37
Het middel is tevergeefs voorgesteld.

5.Afronding

5.1
Het eerste middel faalt en het tweede middel is tevergeefs voorgesteld.
5.2
Ambtshalve merk ik op dat namens de verdachte op 20 maart 2024 cassatieberoep is ingesteld. Dit betekent dat de Hoge Raad niet binnen twee jaren nadat het cassatieberoep is ingesteld arrest zal wijzen en dat in de cassatiefase sprake is van een schending van de redelijke termijn als bedoeld in art. 6 lid 1 EVRM Pro. Dit dient te leiden tot vermindering van opgelegde taakstraf en de vervangende hechtenis naar de gebruikelijke maatstaf.
5.3
Voor het overige heb ik ambtshalve geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
5.4
Deze conclusie strekt tot vernietiging van de bestreden uitspraak, maar uitsluitend wat betreft de duur van de opgelegde taakstraf en de vervangende hechtenis, tot vermindering daarvan en tot verwerping van het beroep voor het overige.
De Procureur-Generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Deze voetnoot houdt in: “Proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , blz. 5.”
2.HR 7 oktober 2025, ECLI:NL:HR:2025:1452, r.o. 2.3, HR 19 mei 2020, ECLI:NL:HR:2020:896,
3.Het hof heeft immers in een voetnoot te kennen gegeven dat het deze omstandigheid afleidt uit het – op de terechtzitting in hoger beroep voorgehouden – proces-verbaal van aangifte [slachtoffer] , blz. 5.
4.Vgl. G.J.M. Corstens, M.J. Borgers en T. Kooijmans,
5.Vgl. G.J.M. Corstens, M.J. Borgers en T. Kooijmans,
6.Vgl. HR 12 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK4421, r.o. 3.4.
7.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
8.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
9.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
10.Vgl. HR 27 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BT6254, r.o. 4.4 ten aanzien van r.o. 3.6.3 en 3.6.4 van HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
11.HR 17 juni 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD2578,
12.Deze taakstraf was eveneens gevorderd door de advocaat-generaal en opgelegd door de politierechter.
13.S.D. Lindenbergh,
14.S.D. Lindenbergh,
15.In r.o. 2.7 van het arrest overwoog de Hoge Raad dat het oordeel van het hof “dat de aard en ernst van de normschending in dit geval
16.S.D. Lindenbergh,
17.S.D. Lindenbergh,
18.HR 28 mei 2019, ECLI:NL:HR:2019:793,
19.Vgl. A-G van Wees, conclusie voor HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:48, randnr. 2.8, A-G Hofstee, conclusie voor HR 24 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:714, randnr. 20-21.
20.Vgl. HR 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:147, r.o. 2.3.8 en 2.6.1-2.6.2.
21.Zie bijlage 3 bij het ingediende voegingsformulier benadeelde partij in het strafproces.
22.Vgl. S.D. Lindenbergh,
23.Zo volgt uit het onder 4.12 geciteerde HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:48, r.o. 2.6.
24.Niet alleen tegen het hoofd maar ook tegen het lichaam.
25.Zie die conclusie onder 2.9 t/m 2.16. Vgl. bijv. ook het overzicht dat wordt gegeven door A-G Keulen, conclusie voor HR 27 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:263,
26.Vgl. HR 3 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:147, r.o. 2.3.8 en 2.6.1-2.6.2 en HR 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1447, waarin de eerste deelklacht van het vijfde middel is afgedaan met art. 81 lid 1 RO Pro, in relatie tot mijn conclusie over die deelklacht, randnr. 7.17.
27.S.D. Lindenbergh,
28.HR 21 januari 2025, ECLI:NL:HR:2025:30, r.o. 2.5, HR 27 februari 2024, ECLI:NL:HR:2024:263,
29.Vgl. ook mijn conclusie voor HR 25 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1447, randnr. 7.17.
31.O.a. HR 8 juli 1992, ECLI:NL:HR:1992:ZC0665 (civiele kamer),
32.S.D. Lindenbergh,