Conclusie
1.Inleiding
2.Waar het in cassatie om gaat
3.Het eerste middel
Overweging met betrekking tot het bewijs
Oplegging van straf en/of maatregel
Strafmaat
waaronderhet feit is begaan, maar een omstandigheid
nahet begaan van het feit.
NJ2008/358 m.nt. Mevis, r.o. 3.6.1-3.6.2 de volgorde van art. 9 Sr Pro had moeten aanhouden en daarom vanwege de overschrijding van de redelijke termijn niet de voorwaardelijke gevangenisstraf had moeten verminderen maar de onvoorwaardelijke taakstraf.
4.Het tweede middel
./.).Relaterend aan deze uitspraken zou een bedrag van € 600,= billijk zijn voor alleen de mishandeling. Echter is het in de zaak van cliënt ook nog zo dat hij aangifte heeft gedaan niet alleen van het feit dat hij mishandeld werd maar daarbij ook van zijn vrijheid beroofd is geweest en bedreigd (t.a.v. hemzelf maar ook t.a.v. zijn moeder en een vriend) werd door verdachte. Dit alles terwijl hij alleen in een zwembroek gekleed waardoor hij zich extra kwetsbaar voelde. Ik verwijs voor deze laatste punten naar de aangifte van cliënt. Deze factoren dienen naar mening van cliënt meegenomen te worden; reden waarom een bedrag van € 1.000,= aan smartengeld gevorderd wordt.
Vordering benadeelde partij
Vordering van de benadeelde partij [slachtoffer]
de aard en de ernst van de normschendingmeebrengen dat de in dit verband relevante
nadelige gevolgen daarvanvoor de benadeelde” voldoende voor de hand liggen (cursivering,
PHvK). De vraag is of daarvan in de onderhavige zaak in dusdanige mate sprake is dat dit – eventueel in combinatie met de onder 4.17 genoemde beperkte onderbouwing – het oordeel van het hof kan dragen. Daarvoor moeten de volgende vragen worden beantwoord:
NJ2021/68 m.nt. Lindenbergh: benadeelde en zijn vriendin zijn door verdachte en zijn mededaders in hun woning overvallen, waarbij zij zijn vastgebonden, hun monden zijn vastgeplakt en beiden met een vuurwapen zijn bedreigd, terwijl de benadeelde een klap in zijn nek heeft gekregen en is bedreigd met het afsnijden van zijn penis.
NJ2005/391 m.nt. Vranken (civiele zaak): benadeelden werden tijdens oudejaarsrellen door een groep jongeren in hun woning belaagd, waarbij vernielingen werden aangericht en waardoor zij gedurende een aantal uren in hun woning in een zeer bedreigende situatie hebben verkeerd waarbij zij tevergeefs moesten wachten op bijstand en hulp van de politie.
NJ2006/606 m.nt. Vranken (civiele zaak): de benadeelde was door verwijtbaar handelen van de verloskundige de mogelijkheid ontnomen te kiezen voor het voorkomen van de geboorte van een ernstig gehandicapt kind.
NJ2021/66 m.nt. Lindenbergh: langdurige en intensieve belaging door ex-vriendin – waarbij onder meer sprake was van ongegronde ernstige beschuldigingen en plaatsing van (seks- en homo)advertenties op internet – die heeft geleid tot een ernstige aantasting van de persoonlijke levenssfeer en de persoonlijke vrijheid van de benadeelde partij waardoor deze imagoschade heeft ervaren, sociale contacten heeft moeten beëindigen en zijn vertrouwen in anderen is verloren.
NJ2024/279: de verdachte had personen, waaronder het slachtoffer en bewoners van de daklozenopvang, bedreigd door met een auto op een pui, muur en ruit in te rijden, terwijl er zich achter deze pui, muur en ruit personen bevonden. De benadeelde partij bevond zich echter niet in de leefruimte achter de pui toen de verdachte daarop inreed. Als onderbouwing van een aantasting in de persoon “op andere wijze” volstond niet dat de benadeelde partij te kennen heeft gegeven dat hij erg geschrokken en angstig is sinds het incident en veel spanning voelt.
NJ2021/65 m.nt. Lindenbergh: in deze zaak ging het om opzettelijke brandstichting van een personenauto die op de oprit van de woning van benadeelde stond, terwijl benadeelde en zijn gezin in de woning lagen te slapen, waardoor – blijkens de bewezenverklaring – gemeen gevaar voor goederen (maar niet ook: levensgevaar of gevaar voor zwaar lichamelijk letsel) te duchten was. In het arrest van het hof en het daarin door het hof bevestigde vonnis van de rechtbank was niets in het oordeel over de vordering van de benadeelde partij vastgesteld omtrent de gevolgen van de gebeurtenis voor de benadeelde partij. Wel was in het bevestigde vonnis voor de strafoplegging door de rechtbank overwogen dat de autobrand “naast materiële schade en hinder, gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt [heeft] bij [benadeelde partij] en zijn gezin zoals blijkt uit de onderbouwing van zijn vordering als benadeelde partij. Feiten als het onderhavige zorgen voor gevoelens van angst en onveiligheid, in het bijzonder bij omwonenden.” Het lijkt erop dat de Hoge Raad deze overweging – die in zijn arrest niet voorkomt en overigens evenmin in de conclusie van de A-G – niet bij de beoordeling heeft betrokken. De Hoge Raad oordeelde namelijk dat het oordeel van het hof dat sprake is van “een aantasting in de persoon ‘op andere wijze’ […] zonder nadere motivering niet begrijpelijk [is], nu het hof
nietsheeft vastgesteld over de aard en de ernst van de normschending en van de gevolgen daarvan voor de benadeelde” (cursivering
PHvK). Daarbij nam de Hoge Raad in aanmerking “dat de enkele omstandigheid dat het in het daartoe bestemde formulier toegelichte verzoek tot schadevergoeding in hoger beroep niet is weersproken, niet volstaat ter motivering van het oordeel dat zich een van de gevallen voordoet waarin grond bestaat voor vergoeding van immateriële schade. Ook de motivering dat ‘vergoeding van de immateriële schade (...) billijk voor(komt)’ volstaat daartoe niet.” Uit dit arrest blijkt nog eens dat de feitenrechter vaststellingen zal moeten doen omtrent de gevolgen van de normoverschrijding. Voor zover uit het arrest ook moet worden afgeleid dat vaststellingen die de feitenrechter in het kader van de bewijsvoering of strafoplegging doet, niet kunnen worden betrokken bij de beoordeling in cassatie van het oordeel van die rechter over de vordering van de benadeelde partij, is mij overigens niet duidelijk waarom dit het geval zou zijn erop gelet dat een arrest ook een samenhangend geheel is en eventuele toekenning van de vordering van de benadeelde partij mede afhankelijk is van de bewezenverklaring en hetgeen waarop die is gebaseerd. De Hoge Raad legt deze beperking in andere rechtspraak echter niet (langer) aan. [26]
NJ2019/468 m.nt. Vellinga: daarin overweegt de Hoge Raad dat niet is uitgesloten dat een inbraak in een woning, en daarmee een inbreuk op het recht op eerbiediging van de privésfeer, voor de bewoner van die woning dermate ingrijpende gevolgen heeft dat zij grond kan bieden voor het aannemen van een aantasting in de persoon, ook als die gevolgen niet als geestelijk letsel zijn aan te merken. Daarvoor is dan wel vereist dat vaststellingen omtrent die gevolgen (kunnen) worden gedaan. Daarnaast ligt niet voor de hand om een dergelijke “aantasting in de persoon” aan te nemen als de nadelige gevolgen enkel bestaan in het verlies van een voorwerp. De motivering van het hof schoot in deze zaak tekort.
Lindenberghis de ratio daarvan dat de verwijtbaarheid uitmaakt voor de omvang van het leed dat is veroorzaakt, zodat er reden is om “aan de ernst van het verwijt een corrigerende betekenis toe te kennen bij de vaststelling van de omvang van het smartengeld” en “die correctie te laten variëren met de mate van verwijtbaarheid (van risicoaansprakelijkheid tot oogmerk)”. [32]