Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
kinderrechterniet een inmiddels geëindigde ondertoezichtstelling mag verlengen. Daarvoor is het immers te laat en dan rest slechts het indienen van een nieuw verzoek. Dat betekent mijns inziens echter niet dat de
appelrechterna een tijdige, afwijzende beslissing van de kinderrechter op een verzoek tot (verlenging van een) ondertoezichtstelling dat verzoek niet alsnog zou mogen toewijzen, indien aan de gronden daarvoor is voldaan. De zes prejudiciële vragen heb ik langs deze lijn beantwoord.
2.Feiten en procesverloop
Ontvankelijkheid
Verlenging van de ondertoezichtstelling
6.De beslissing
4.Wettelijk kader
Ondertoezichtstelling
gebrek aan belang. Naar aanleiding van een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 7 juni 2011 [27] heeft de Hoge Raad echter geoordeeld dat een verzoeker die in hoger beroep (of cassatie) komt van een beschikking houdende een vrijheidsbeneming (bijvoorbeeld een uithuisplaatsing) waarvan de geldigheidsduur inmiddels is verstreken wel ontvankelijk dient te worden verklaard. [28] De Hoge Raad oordeelde op gelijke wijze in een zaak waar ouders in hoger beroep gingen tegen een ondertoezichtstelling en uithuisplaatsing [29] en herhaalde dit in een uitspraak van 20 april 2012. [30]
afwijzingvan een verzoek tot (verlenging van) een ondertoezichtstelling een inbreuk oplevert op rechten die door artikel 8 lid 1 EVRM Pro worden beschermd. Volgens A-G Huydecoper geldt de hiervoor genoemde redenering eveneens bij een ondertoezichtstelling zonder uithuisplaatsing. [31] Betoogd wordt echter ook dat de toewijzing en de afwijzing van een (verlengings)verzoek tot ondertoezichtstelling niet op één lijn kunnen worden gesteld, omdat in het eerste geval wel, maar in het tweede geval geen sprake is van een inbreuk op genoemde rechten, waarbij alleen in geval van een inbreuk toetsing van de rechtmatigheid van een verlopen jeugdbeschermingsmaatregel in hoger beroep gerechtvaardigd zou kunnen zijn. [32] Daartegenover kan worden gesteld dat bij ondertoezichtstellingen die onder andere tot doel hebben om omgang tussen (een van) de ouders en een kind te bewerkstellingen, de afwijzing van een (verlengings)verzoek tot ondertoezichtstelling mogelijk een inbreuk op het recht op omgang van (een van) de ouders kan opleveren (art. 1:337a) en daarmee op het recht op
family life(art. 8 EVRM Pro). [33] Bovendien zou de appelrechter tot een andersluidend oordeel over het verzoek kunnen komen dan de kinderrechter en het afgewezen verzoek alsnog toewijzen, waarmee op zich al een belang om in hoger beroep te gaan is gegeven, zoals hierna zal blijken.
5.Hoge Raad 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1113
Wanneer de duur van de ondertoezichtstelling niet wordt verlengd, eindigt de maatregel van rechtswege na verloop van de door de kinderrechter bepaalde duur. Nadat de maatregel van rechtswege is geëindigd, kan deze niet meer worden verlengd.Wel kan de minderjarige in een dergelijk geval, indien aan de voorwaarden daarvoor is voldaan, opnieuw op grond van art. 1:255 BW Pro onder toezicht worden gesteld.”
6.Rechtspraak van de hoven na HR 9 juli 2021
Ontvankelijkheid
19 januari 2024 van rechtswege geëindigd.
artikel 8 EVRM Pro beschermde rechten van family life, komt het hof niet toe aan een rechtmatigheidstoets. In deze zaak is het verzoek tot verlenging van de jeugdbeschermingsmaatregel (de ondertoezichtstelling) namelijk afgewezen, zodat van een inbreuk op een door artikel 8 EVRM Pro beschermd recht geen sprake is.
hof Den Haag van 21 augustus 2024 [45] is door de kinderrechter in eerste aanleg een verzoek van de raad tot verlening van een ondertoezichtstelling voor de duur van een jaar (in aansluiting op een voorlopige ondertoezichtstelling) gedeeltelijk toegewezen, namelijk voor de duur van zes maanden en is het resterende verzoek afgewezen. Na verloop van de door de kinderrechter toegewezen zes maanden is het verzoek van de moeder in hoger beroep tegen onder meer de afwijzing van de resterende zes maanden behandeld en is het oorspronkelijke verzoek alsnog geheel toegewezen, aldus gedeeltelijk met terugwerkende kracht. Het hof heeft daarbij overwogen dat ook in een dergelijk geval hoger beroep tegen de afwijzing van de verzochte langere duur openstaat:
In een dergelijke situatie staat hoger beroep tegen de afwijzing van de verzochte langere duur open. Daaraan doet niet af dat de ondertoezichtstelling inmiddels is geëindigd. Immers ook van de afwijzing van een verzoek tot ondertoezichtstelling staat hoger beroep open.”
hof Arnhem-Leeuwarden van 17 september 2024 [46] is door het hof een afgewezen verlengingsverzoek alsnog toegewezen, ná het verstrijken van de termijn van de lopende ondertoezichtstelling, aldus ook gedeeltelijk met terugwerkende kracht. In deze zaak had de GI de kinderrechter verzocht de ondertoezichtstelling te verlengen voor de duur van een jaar, welk verzoek de kinderrechter heeft afgewezen. De ondertoezichtstelling is 6 dagen na deze beslissing van de kinderrechter van rechtswege geëindigd. De GI is van de beslissing van de kinderrechter in hoger beroep gekomen. De vader heeft in hoger beroep als verweer onder meer aangevoerd dat de GI niet-ontvankelijk is in haar hoger beroep, omdat de ondertoezichtstelling inmiddels van rechtswege was geëindigd en niet meer kan worden verlengd. Met betrekking tot de ontvankelijkheid van het verzoek van de GI in hoger beroep heeft het hof als volgt overwogen:
hof Arnhem-Leeuwarden van 3 juli 2025 [47] zijn zowel de vader als de GI (tijdig) in hoger beroep gekomen tegen de beslissing van de kinderrechter waarin het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling was afgewezen. De ondertoezichtstelling is na de beslissing van de kinderrechter van rechtswege geëindigd. De moeder heeft zich in hoger beroep op het standpunt gesteld dat de vader en de GI niet-ontvankelijk dienden te worden verklaard in hun verzoeken in hoger beroep. Het hof heeft op dit punt het volgende overwogen:
De eindbeschikking van de kinderrechter is van 24 januari 2025 en de vader en de GI zijn tijdig in hoger beroep gekomen. Daarmee zijn de vader en de GI dus ontvankelijk in het hoger beroep. De omstandigheid dat de ondertoezichtstelling niet meer verlengd kan worden staat daar niet aan in de weg. Het hof merkt op dat de moeder er terecht van uit gaat dat het hof de ondertoezichtstelling in deze zaak niet (meer) kan verlengen. Zoals ook ter zitting is besproken is het hof echter van oordeel dat het niet zo kan zijn dat van een uitgesproken verlenging wel beroep open staat hetwelk tot een andere beslissing kan leiden en van een afwijzing niet. Ook een afwijzing moet door een hogere rechter kunnen worden getoetst en tot een andere beslissing kunnen leiden. Het hof is van oordeel dat het systeem van de wet meebrengt dat in geval het hof van oordeel is dat de rechtbank het verlengingsverzoek ten onrechte heeft afgewezen, het hof (opnieuw) een ondertoezichtstelling kan uitspreken, welke in tijd overigens wel beperkt is tot de einddatum van het oorspronkelijke door de GI gedane verleningsverzoek, in casu 5 februari 2026.
Omdat er in de periode van 5 februari 2025 tot vandaag geen ondertoezichtstelling was, is het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling niet toewijsbaar. Het hof zal zoals aangegeven de kinderen (opnieuw) onder toezicht stellen van de GI met ingang van heden tot 5 februari 2026.”
hof Arnhem Leeuwardenook weer recent, in zijn beschikking van
10 maart 2026de GI ontvankelijk verklaard in haar verzoek in hoger beroep tegen een afwijzende beslissing van de kinderrechter op het verzoek van de GI tot verlenging van de ondertoezichtstelling. Het hof overweegt daartoe als volgt:
7.Literatuur
toewijzenwanneer de ondertoezichtstelling al van rechtswege is geëindigd. Dan is het te laat voor een verlenging. Indien de kinderrechter echter tijdig, dus voordat de lopende maatregel is geëindigd, een verzoek tot verlenging
afwijst, mag van die afwijzende beslissing nog wel hoger beroep worden ingesteld. Meer zegt Van der Zon hier helaas niet over. [53]
kinderrechtereen reeds geëindigde ondertoezichtstelling mag verlengen. Het antwoord op deze vraag luidt volgens de auteurs, onder verwijzing naar HR 9 juli 2021: nee. De tweede vraag is of de
appelrechtereen door de kinderrechter voor het verstrijken van de duur van de ondertoezichtstelling afgewezen verlengingsverzoek na het verstrijken van die duur alsnog kan toewijzen. Het lijkt volgens de auteurs voor de hand te liggen deze vraag met ja te beantwoorden. Ze wijzen in dat kader op de verschillen in de feitenrechtspraak ten aanzien van deze tweede vraag en dat die verschillen aanleiding hebben gegeven tot de hier voorliggende prejudiciële vragen. Als ik Kolkman en Salomons wel versta, staat HR 9 juli 2021 niet in de weg aan een inhoudelijke beoordeling en alsnog een toewijzing door de appelrechter van een door de kinderrechter tijdig afgewezen verlengingsverzoek, hoewel de te verlengen ondertoezichtstelling inmiddels is geëindigd. Daarmee zou HR 9 juli 2021 zich dus niet uitstrekken over de appelprocedure over een afgewezen verlengingsverzoek, maar uitsluitend zien op de procedure in eerste aanleg over een verlengingsverzoek.
8.Analyse van rechtspraak van de hoven en literatuur
Context
toegewezen.
afwijzingdoor de kinderrechter van een verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling of van een verzoek voor de resterende duur van een (verlengde) ondertoezichtstelling, dat verzoek alsnog in appel mag toewijzen, hoewel de ondertoezichtstelling inmiddels van rechtswege is geëindigd.
toegewezen. In de aan het hof Den Haag voorliggende zaak heeft de kinderrechter echter de ondertoezichtstelling voor een deel van de verzochte duur
afgewezenen van die afwijzing staat hoger beroep open, aldus het hof. Deze redenering strookt mijns inziens met die van Kolkman en Salomons die immers lijken te betogen dat HR 9 juli 2021 niet in de weg staat dat de appelrechter een afgewezen verlengingsverzoek na het eindigen van de duur van de lopende ondertoezichtstelling alsnog kan toewijzen.
afwijzendebeslissing op een verzoek tot (verlenging van de) ondertoezichtstelling door de kinderrechter. In de beide andere uitspraken van hof Arnhem-Leeuwarden uit 2025 en 2026 lijkt het hof er weer wel van uit te gaan dat HR 9 juli 2021 impliceert dat niet alleen de kinderrechter, maar ook de appelrechter niet een van rechtswege geëindigde ondertoezichtstelling mag verlengen.
9.Conclusie
kinderrechterniet een inmiddels geëindigde ondertoezichtstelling mag verlengen. [69] Die kinderrechter moet op tijd, dus voor het einde van de duur van de lopende ondertoezichtstelling, beslissen op het verlengingsverzoek. Als dat niet lukt, eindigt de ondertoezichtstelling van rechtswege en rest slechts een nieuw verzoek tot ondertoezichtstelling, aldus HR 9 juli 2021. Dit geldt mijns inziens ook voor een te late afwijzende beslissing van de kinderrechter. In dat geval kan de appelrechter dus niet het te laat afgewezen verzoek alsnog toewijzen in appel en zal de appelrechter appellant niet-ontvankelijk moeten verklaren in zijn hoger beroep tegen de te laat genomen beslissing van de kinderrechter. Te laat is te laat en dat werkt mijns inziens ook in appel door.
appelrechterna een tijdige, afwijzende beslissing van de kinderrechter op een verzoek tot (verlenging van een) ondertoezichtstelling dat verzoek niet alsnog zou mogen toewijzen, indien aan de gronden daarvoor is voldaan. Op deze wijze kan een van rechtswege geëindigde ondertoezichtstelling door de appelrechter dus wel verlengd worden. De noodgreep van hof Arnhem-Leeuwarden in zijn uitspraak uit 2025 door de kinderen voor de resterende periode opnieuw onder toezicht te stellen is mijns inziens dus niet nodig. [70]
10.Beantwoording van de vragen
eerste vraagstelt aan de orde of een belanghebbende kan worden ontvangen in een (al dan niet voorwaardelijk) verzoek tot ondertoezichtstelling van een minderjarige (op grond van artikel 1:255 BW Pro) die reeds onder toezicht is gesteld, indien dit verzoek gelijktijdig wordt gedaan met het verzoek tot verlenging van de reeds lopende ondertoezichtstelling (op grond van artikel 1:260 BW Pro), en of het voor de beantwoording van die vraag van belang is of aan beide verzoeken dezelfde motivering ten grondslag wordt gelegd.
voorwaardelijknieuw verzoek tot ondertoezichtstelling gedaan worden. De voorwaarde voor het in behandeling nemen van het voorwaardelijke verzoek door de kinderrechter is dat op het verlengingsverzoek niet voor het einde van de duur van de bestaande ondertoezichtstelling is beslist. Dan eindigt de bestaande ondertoezichtstelling immers van rechtswege. In dat geval kan wel een nieuw verzoek ingediend worden, aldus HR 9 juli 2021. De kinderrechter kan verzoeker dus in beide verzoeken ontvangen. Daarbij is niet van belang of aan beide verzoeken dezelfde motivering ten grondslag ligt. Van een vergelijkbare onderbouwing van beide verzoeken zal, neem ik aan, doorgaans wel sprake zijn, omdat beide verzoeken immers gericht zijn op het voortduren van de ondertoezichtstelling.
tweede vraagstelt aan de orde of de gevolgtrekking die de meeste hoven aan HR 9 juli 2021 [74] geven, te weten dat ook in hoger beroep een ondertoezichtstelling die van rechtswege is geëindigd niet meer kan worden verlengd, de juiste is, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat de situatie die heeft geleid tot genoemde uitspraak van de Hoge Raad niet een situatie in hoger beroep, maar een situatie in eerste aanleg betrof.
de kinderrechter, in eerste aanleg dus, een inmiddels geëindigde ondertoezichtstelling niet mag verlengen. Bij deze beperkte uitleg van HR 9 juli 2021 staat deze uitspraak het in hoger beroep toetsen van een door de kinderrechter tijdig [75] genomen afwijzende beslissing op een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling niet in de weg. Daarbij kan de appelrechter tot een andersluidend oordeel komen en het verlengingsverzoek alsnog toewijzen voor de op dat moment resterende verzochte duur, ook al is de lopende ondertoezichtstelling inmiddels geëindigd.
derde vraagstelt aan de orde of een belanghebbende kan worden ontvangen in zijn verzoek in hoger beroep tegen een beslissing van de kinderrechter waarbij het verzoek tot verlenging van de ondertoezichtstelling is afgewezen, nadat de ondertoezichtstelling van rechtswege is geëindigd na de beslissing van de kinderrechter, maar voor de beslissing van het hof. In verband daarmee stelt de
vierde vraagaan de orde of het daarbij van belang is of een belanghebbende hoger beroep instelt terwijl op dat moment de ondertoezichtstelling nog niet, maar gedurende de procedure in hoger beroep (vóór de beschikking van het hof) van rechtswege is geëindigd.
vijfde vraagstelt aan de orde of er een verschil in rechtsbescherming bestaat voor een belanghebbende in het geval een verzoek tot verlenging van een ondertoezichtstelling (gedeeltelijk) is afgewezen of in het geval een verzoek tot een eerste ondertoezichtstelling gedeeltelijk is afgewezen.
verlengingsverzoek door de appelrechter niet in de weg als de ondertoezichtstelling inmiddels is geëindigd.
zesde vraagluidt of een ondertoezichtstelling die van rechtswege is geëindigd met terugwerkende kracht alsnog kan ‘herleven’ bij een gegrond hoger beroep tegen de afwijzing van een deel daarvan in eerste aanleg en of het daarbij uitmaakt of het in eerste aanleg hierbij ging om een eerste ondertoezichtstelling of om een verlenging van een ondertoezichtstelling.