Uitspraak
Rechtbank Noord-Holland
uitspraak van de meervoudige kamer van 27 augustus 2019 in de zaken tussen
[X] B.V., gevestigd te [Z] , eiseres
de inspecteur van de Belastingdienst, verweerder.
Procesverloop
Artikel 110 van Pro het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU)Voor zover de rechtbank de gemachtigde begrijpt stelt deze laatste dat het in het nationale recht bestaande onderscheid tussen voldoeningsbelastingen en aanslagbelastingen in strijd is met artikel 110 VWEU Pro, althans voor zover dit onderscheid ertoe leidt dat de bewijslast bij de belastingplichtige wordt gelegd. Zijn stelling houdt in dat het in alle gevallen aan verweerder is om te bewijzen dat een ingevoerde auto niet is onderworpen aan een hogere belasting dan de belasting die is begrepen in de waarde van gelijksoortige, reeds op het nationale grondgebied geregistreerde gebruikte auto’s. De rechtbank verwerpt deze stelling van de gemachtigde.
Per 1 januari 2015 heeft Nederland, naar volgt uit artikel 28c, tweede lid, Invorderingswet 1990, een stelsel ingevoerd, waarbij met betrekking tot in strijd met het Unierecht geheven belastingen aan de belastingplichtige rente wordt vergoed door zowel de inspecteur als de ontvanger. De inspecteur vergoedt belastingrente aan de belastingplichtige overeenkomstig de bepalingen van hoofdstuk VA van de AWR. Voor het meerdere wordt krachtens artikel 28c Invorderingswet 1990 aan de belastingplichtige – op diens verzoek – invorderingsrente vergoed. Dit systeem leidt ertoe dat een belastingplichtige uiteindelijk een enkelvoudig berekende rente (belastingrente en invorderingsrente) krijgt vergoed over de periode die aanvangt op de dag na die waarop de belasting is betaald en eindigt op de dag voorafgaand aan die van de terugbetaling, waarbij een rentevoet wordt gehanteerd van, kort gezegd, de wettelijke rente met een minimum van 4% (artikel 29 Invorderingswet Pro 1990 en artikel 30hb, eerste lid, AWR). Bezien vanuit het Unierecht moet, naar redelijkerwijs niet voor twijfel vatbaar is, worden geconcludeerd dat Nederland hiermee heeft voldaan aan de Unierechtelijke eis om een passende rentevergoeding toe te kennen in de situatie waarin in strijd met het Unierecht belasting is geheven.