ECLI:NL:RVS:2026:4294

Raad van State

Datum uitspraak
22 juli 2026
Publicatiedatum
22 juli 2026
Zaaknummer
202406064/5/A2, 202501491/1/A2, 202501494/1/A2, 202503357/1/A2 en 202504330/1/A2.
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:13 BWArt. 3:15 BWArt. 8:55 AwbArt. 8:119 AwbArt. 34 Wet op de rechtsbijstand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring van hoger beroepen en verzoeken wegens misbruik van recht door appellant

Deze uitspraak betreft vijf samenhangende zaken waarin appellant hoger beroepen, verzoeken om herziening en een verzet heeft ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank Den Haag en de Afdeling bestuursrechtspraak. De procedures betreffen onder meer geschillen over rechtsbijstand, een vermeend verzoek op grond van de Wet open overheid en een afgewezen schadevergoedingsverzoek.

Appellant heeft in talrijke eerdere procedures herhaaldelijk misbruik gemaakt van het wrakingsmiddel en rechtsmiddelen ingesteld waarvan hij geacht moet worden te weten dat deze evident geen kans van slagen hebben. Hij brengt grote hoeveelheden niet ter zake doende stukken in en stelt steeds opnieuw afgedane zaken aan de orde, wat leidt tot excessief procedeergedrag dat het rechtssysteem onnodig belast.

De Afdeling overweegt dat op grond van artikel 3:13 BW Pro het misbruik van bevoegdheden, waaronder het instellen van bestuursrechtelijke rechtsmiddelen, niet wordt geduld. In alle vijf zaken is vastgesteld dat appellant misbruik van recht maakt door rechtsmiddelen zonder redelijk doel in te zetten.

Daarom verklaart de Afdeling de hoger beroepen, verzoeken om herziening en het verzet niet-ontvankelijk. Tevens waarschuwt de Afdeling appellant dat toekomstige procedures vermoedelijk ook als misbruik van recht zullen worden aangemerkt, waardoor vrijstelling van griffierecht in beginsel niet zal worden verleend.

Deze beslissing bevestigt de noodzaak om het rechtssysteem te beschermen tegen misbruik en excessief procederen, en benadrukt de grenzen aan het gebruik van rechtsmiddelen in bestuursrechtelijke procedures.

Uitkomst: De hoger beroepen, verzoeken om herziening en het verzet zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht.

Uitspraak

202406064/5/A2, 202501491/1/A2, 202501494/1/A2, 202503357/1/A2 en 202504330/1/A2.
Datum uitspraak: 22 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op de hoger beroepen van:
[appellant], wonend in [woonplaats],
appellant,
tegen de uitspraken van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025 in zaken nrs. 23/8373 en 24/1948
in de gedingen tussen:
[appellant]
en
het bestuur van de raad voor rechtsbijstand (de raad),
uitspraak op de verzoeken van:
[verzoeker], wonend in Rotterdam,
verzoeker,
om herziening (artikel 8:119 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (de Awb)) van de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2023, in zaak nr. 202201616/1/A2, en de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 28 mei 2025, in zaken nrs. 202500215/1/A3 en 202500215/2/A3, en uitspraak op het verzet (artikel 8:55 van Pro de Awb)) van:
[opposant], wonend in Rotterdam,
opposant,
tegen de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2025 in zaak nr. 202406064/4/A2.
Procesverloop
Deze uitspraak heeft betrekking op twee hoger beroepen, twee verzoeken om herziening en één verzet waarin [appellant] onderscheidenlijk appellant, verzoeker en opposant is. De hoger beroepen, de verzoeken om herziening en het verzet zijn op verschillende momenten ingediend. De hoger beroepen zijn gericht tegen afzonderlijke uitspraken van de rechtbank Den Haag van 27 februari 2025 in gedingen over rechtsbijstand, waarbij de raad verweerder is. In het verzoek om herziening van de uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling van 28 mei 2025 gaat het onderliggende geschil over een vermeend verzoek aan het Openbaar Ministerie van het parket Oost-Nederland op grond van de Wet open overheid (Woo). In het verzoek om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2023 gaat het onderliggende geschil over de afwijzing door de raad van een verzoek om schadevergoeding. Aan de basis van de verzetzaak ligt een bij de rechtbank ingesteld beroep wegens niet tijdig beslissen door de raad. Voor het verdere procesverloop in al deze zaken wordt verwezen naar de aangevallen uitspraken, de uitspraken van de Afdeling waarvan herziening wordt verzocht en de uitspraak van de Afdeling waarvan verzet.
De Afdeling heeft besloten deze vijf zaken gelijktijdig op 21 mei 2026 om 10.00 uur op een zitting te behandelen. [appellant] heeft bij e-mail van 20 mei 2026 verzocht om uitstel van de zitting. Nadat dit verzoek is afgewezen, heeft hij de zetel gewraakt (eerste verzoek). Nadat hem was medegedeeld dat de behandeling van het verzoek om wraking op een zitting van 21 mei 2026 om 10.00 uur zou plaatsvinden, heeft hij de wrakingskamer gewraakt (tweede verzoek). Bij mondelinge beslissing van 21 mei 2026 is het eerste verzoek afgewezen, omdat niet is gebleken dat de staatsraden vooringenomen of partijdig zijn en ook niet dat de schijn daarvan is gewekt. Bij die beslissing is het tweede verzoek niet in behandeling genomen, omdat [appellant] daarmee misbruik heeft gemaakt van het wrakingsmiddel. Ook is bij die beslissing, gelet op de proceshouding van [appellant], bepaald dat een volgend verzoek om wraking van [appellant] in deze vijf zaken niet in behandeling wordt genomen.
De Afdeling heeft vervolgens op 21 mei 2025 de vijf op het voorblad genoemde zaken op een zitting behandeld, waar [appellant], en de raad, vertegenwoordigd door mr. C.W. Wijnstra, zijn verschenen.
Na de sluiting van het onderzoek ter zitting heeft [appellant] in alle vijf zaken verzoeken om herziening ingediend. Deze verzoeken laat de Afdeling buiten beschouwing, omdat alleen van onherroepelijk geworden uitspraken herziening kan worden gevraagd. Overwegingen
Misbruik van recht
1.       Op grond van artikel 3:13, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan degene aan wie een bevoegdheid toekomt, deze niet inroepen voor zover hij deze misbruikt. Op grond van het tweede lid kan een bevoegdheid onder meer worden misbruikt door haar uit te oefenen met geen ander doel dan een ander te schaden of met een ander doel dan waarvoor zij is verleend of ingeval men, in aanmerking nemende de onevenredigheid tussen het belang bij de uitoefening en het belang dat daardoor wordt geschaad, naar redelijkheid niet tot die uitoefening had kunnen komen. Op grond van artikel 3:15 van Pro het BW vindt artikel 3:13 toepassing Pro buiten het vermogensrecht voor zover de aard van de rechtsbetrekking zich daar niet tegen verzet. Zoals volgt uit de uitspraak van de Afdeling van 19 november 2014, ECLI:NL:RVS:2014:4129, brengen deze artikelen met zich dat de bevoegdheid om een bestuursrechtelijk rechtsmiddel in te stellen niet kan worden ingeroepen voor zover deze bevoegdheid wordt misbruikt. Deze artikelen verzetten zich daarom tegen inhoudelijke behandeling van een bestuursrechtelijk rechtsmiddel dat misbruik van recht omvat en bieden dan ook een wettelijke grondslag voor niet-ontvankelijkverklaring van een zodanig rechtsmiddel.
2.       Bij uitspraak van 31 januari 2017, ECLI:NL:RVS:2017:3628, heeft de Afdeling geoordeeld dat in procedures waarbij de belanghebbende rechtsmiddelen heeft ingesteld waarvan hij geacht moet worden te weten dat die evident geen kans van slagen hebben, sprake kan zijn van misbruik van recht en het (hoger) beroep niet-ontvankelijk kan worden verklaard.
Voorgeschiedenis
3.       [appellant] heeft inmiddels 28 zaken bij de Afdeling aanhangig gemaakt en ook bij de rechtbank Rotterdam, de rechtbank Den Haag, het gerechtshof Den Haag, de Centrale Raad van Beroep en de Hoge Raad heeft hij inmiddels vele tientallen procedures gevoerd. [appellant] heeft in deze procedures herhaaldelijk en zonder succes wrakingsverzoeken ingediend. Zo heeft hij wrakingsverzoeken ingediend om een andersluidende beslissing af te dwingen op zijn verzoeken om uitstel van de zitting, om vrijstelling van de verplichting tot betaling van het griffierecht en om een getuige op te roepen. Verschillende gerechten hebben al meermaals geoordeeld dat [appellant] misbruik van het wrakingsmiddel heeft gemaakt. Zie bijvoorbeeld de beslissing van de wrakingskamer van de Afdeling op het tweede verzoek in onderhavige zaak, de beslissing van de wrakingskamer van de rechtbank Den Haag van 2 oktober 2017, ECLI:NL:RBDHA:2017:16344, de beslissingen van de wrakingskamer van de rechtbank Rotterdam van 10 februari 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:2670, en 7 oktober 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:9081, en de beslissing van de wrakingskamer van de Centrale Raad van Beroep van 29 maart 2023, ECLI:NL:CRVB:2023:577.
3.1.    In veel van de zaken die [appellant] aanspant, zijn (hoger) beroepen en verzoeken niet-ontvankelijk verklaard omdat [appellant] het griffierecht niet heeft voldaan (zie de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:3876, onder 15). Ook is meermaals door de rechtbank Rotterdam geoordeeld dat [appellant] misbruik van recht heeft gemaakt bij verzoeken om vrijstelling van de betaling van het griffierecht, door een toewijzing van een dergelijk verzoek te gebruiken om veelvuldig te procederen (zie de uitspraak van 4 februari 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:620, en de uitspraken van 21 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:9003 en ECLI:NL:RBROT:2021:9004).
3.2.    [appellant] heeft daarnaast tegen rechters en een griffier van de rechtbank Rotterdam aangifte gedaan wegens valsheid in geschrifte of daarmee gedreigd (zie de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 15 juni 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:5190, en 30 augustus 2022, ECLI:NL:RBROT:2022:7618).
3.3.    Verder zijn de (hoger) beroepschriften, verzoekschriften en verzetschriften van [appellant] in veel zaken, net als in de onderhavige, onduidelijk geformuleerd en brengt [appellant] vaak zonder enige toelichting grote hoeveelheden niet ter zake doende stukken in, die geregeld incompleet en/of al eerder ingediend zijn.
3.4.    Gelet op dit procedeergedrag heeft de rechtbank Rotterdam [appellant] eerst meermaals gewaarschuwd dat als hij hiermee doorgaat, toekomstige verzoeken of beroepen mogelijk niet-ontvankelijk zullen worden verklaard, omdat hij zich schuldig maakt aan misbruik van recht (zie de eerdergenoemde uitspraken van 1 mei 2020 en 15 juni 2020). De rechtbank Rotterdam heeft vervolgens in verscheidene uitspraken het beroep van [appellant] daadwerkelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat sprake is van misbruik van recht (zie onder meer de eerdergenoemde uitspraken van 21 september 2021, de uitspraak van 18 augustus 2023, ECLI:NL:RBROT:2023:7311, en de uitspraak van 29 november 2024, ECLI:NL:RBROT:2024:11876).
Beoordeling in voorliggende zaken
4.       In het licht van het voorgaande komt de Afdeling in de voorliggende vijf zaken tot de volgende beoordeling.
202406064/5/A2
4.1.    In de verzetzaak met het zaaknummer 202406064/5/A2 heeft de rechtbank Noord-Nederland bij uitspraak van 9 april 2024 het beroep van [appellant] dat zag op het niet tijdig beslissen door de raad op een verzoek op grond van de Woo niet-ontvankelijk verklaard, omdat [appellant] had verzuimd de raad in gebreke te stellen. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] verzet gedaan. Dit verzet heeft de rechtbank bij uitspraak van 21 juni 2024 ongegrond verklaard. Van deze uitspraak heeft [appellant] herziening gevraagd. Dit herzieningsverzoek heeft de rechtbank bij uitspraak van 25 september 2024 afgewezen. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] hoger beroep ingesteld. De Afdeling heeft zich bij uitspraak van 30 juli 2025 in zaak nr. 202406064/4/A2 onbevoegd verklaard om van dit hoger beroep kennis te nemen. Tegen deze uitspraak heeft [appellant] verzet gedaan.
4.2.    De Afdeling heeft zich in de uitspraak van 30 juli 2025 onbevoegd verklaard om van het hoger beroep van [appellant] tegen de uitspraak van de rechtbank van 25 september 2024 kennis te nemen, omdat tegen een uitspraak van de rechtbank waarbij het verzet ongegrond is verklaard geen hoger beroep kan worden ingesteld en wat [appellant] heeft aangevoerd geen grond biedt voor het doorbreken van het appelverbod. [appellant] zou op basis van de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 18 september 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:2280, op een door hem ingesteld hoger beroep tegen een verzetuitspraak van een rechtbank, moeten weten dat hiertegen geen hoger beroep openstaat. In de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 21 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:9004, is [appellant], onder verwijzing naar die uitspraak, hier nogmaals op gewezen. [appellant] heeft in zijn verzet tegen de uitspraak van de Afdeling van 30 juli 2025 ook geen gronden aangevoerd die zijn gericht op het doorbreken van het appelverbod. [appellant] moet dus geacht worden te weten dat het verzet evident geen kans van slagen heeft.
In deze zaak heeft [appellant] gebruik gemaakt van een opeenvolging van het rechtsmiddel van verzet en het bijzondere rechtsmiddel van herziening om zijn zaak steeds opnieuw aan de orde te stellen, zonder dat hij gronden aanvoert die gaan over de rechtsvragen die in dat stadium van de procedure voorliggen. In plaats daarvan blijft [appellant] zich keren tegen door hem ervaren onrecht in het verleden. Dit gedrag laat hij ook bij andere gerechten zien. Het keer op keer instellen van deze rechtsmiddelen, die daar niet voor bedoeld zijn, getuigt van excessief procedeergedrag dat het rechtssysteem op oneigenlijke wijze belast.
202501491/1/A2 en 202501494/1/A2
4.3.    De zaken met zaaknummers 202501491/1/A2 en 202501494/1/A2 gaan allebei over een nabetaling van € 175,00 die [appellant] aan de raad moet doen, omdat zijn verzamelinkomen zoals dat na een hercontrole is gebleken tot een hogere eigen bijdrage moet leiden. De grond die [appellant] hierover in hoger beroep aanvoert, dat hij sinds april 2021 is vrijgesteld van inkomstenbelasting uit werk en woning, kan duidelijk nergens toe leiden. Zoals de Afdeling al in de uitspraak van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4119, op een hoger beroep van [appellant] heeft overwogen, volgt uit de artikelen 34 en verder van de Wet op de rechtsbijstand dat bij de bepaling van de hoogte van de eigen bijdrage slechts de hoogte van het inkomen van belang is en niet of daarover al dan niet belasting hoeft te worden betaald. [appellant] moet geacht worden te weten dat het hoger beroep evident geen kans van slagen heeft.
202503357/1/A2
4.4.    Bij het herzieningsverzoek met het zaaknummer 202503357/1/A2 heeft [appellant] verzocht om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 28 mei 2025 in zaken nrs. 202500215/1/A3 en 202500215/2/A3. Net als bij eerdere verzoeken die [appellant] heeft gedaan, is dit verzoek onbegrijpelijk geformuleerd en is het betoog hoe dan ook niet gericht op artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Dat een uitspraak alleen kan worden herzien als sprake is van feiten en omstandigheden, zoals bedoeld in artikel 8:119, eerste lid, van de Awb, is al meermaals aan [appellant] duidelijk gemaakt (onder meer in de uitspraken van de Afdeling van 21 augustus 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3396, ECLI:NL:RVS:2024:3397, ECLI:NL:RVS:2024:3399 en ECLI:NL:RVS:2024:3400). [appellant] moet dus geacht worden te weten dat het verzoek om herziening evident geen kans van slagen heeft.
202504330/1/A2
4.5.    Het herzieningsverzoek in de zaak met zaaknummer 202504330/1/A2 betreft een herhaald verzoek om herziening. Dat een herhaald verzoek om herziening van dezelfde uitspraak niet mogelijk is, is al meermaals aan [appellant] duidelijk gemaakt (zie bijvoorbeeld de uitspraken van de rechtbank Rotterdam van 1 mei 2020, ECLI:NL:RBROT:2020:3876, onder 6.5 en van 21 september 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:9003, onder 11 en de mondelinge uitspraken van de Afdeling van 16 mei 2025, ECLI:NL:RVS:2025:2276 en ECLI:NL:RVS:2025:2277). Voor zover het verzoek moet worden opgevat als een verzoek om herziening van de uitspraak van de Afdeling van 8 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4114, is dit onbegrijpelijk geformuleerd en is het betoog niet gericht op artikel 8:119, eerste lid, van de Awb. Hiervoor geldt hetzelfde als onder 4.4. [appellant] moet dus geacht worden te weten dat het (herhaalde) verzoek om herziening evident geen kans van slagen heeft.
Conclusie in alle vijf zaken
4.6.    Het procedeergedrag van [appellant], zoals dat is geïllustreerd met de onder 3.1 - 3.4 gegeven voorbeelden, doet zich in alle onderhavige vijf zaken voor. Ook volgt uit hetgeen hiervoor onder 4.1 - 4.5 is overwogen, dat [appellant] in alle vijf zaken rechtsmiddelen heeft ingesteld waarvan hij geacht moet worden te weten dat die evident geen kans van slagen hebben. Hij gebruikt deze procedures om een veelheid van niet ter zake doende stukken zonder toelichting in het geding te brengen en om telkens opnieuw afgedane zaken uit het verleden en door hem ervaren misstanden in handelen van de raad en anderen aan de orde te stellen, waarvan hij moet weten dat deze procedures daarover niet gaan. Gelet op het voorgaande heeft [appellant] in de onderhavige hoger beroepen en herzieningsverzoeken en in het onderhavige verzet misbruik van recht gemaakt, door de bevoegdheid om deze (bijzondere) rechtsmiddelen in te stellen aan te wenden zonder redelijk doel.
Slotsom
5.       De hoger beroepen, de herzieningsverzoeken en het verzet zijn niet-ontvankelijk wegens misbruik van recht.
Waarschuwing voor toekomstige zaken
6.       De Afdeling zal in het vervolg bij procedures die [appellant] bij haar aanhangig maakt steeds eerst onderzoeken of [appellant] ook met die nieuwe procedure misbruik van recht maakt. De Afdeling zal er, gelet op het hiervoor geschetste procedeergedrag, voorshands van uitgaan dat daarvan sprake is. Het is aan [appellant] om het vermoeden dat daar in toekomstige zaken sprake van zal zijn per zaak te weerleggen. Omdat de Afdeling voor toekomstige zaken uitgaat van het vermoeden dat [appellant] misbruik van recht maakt, moet hij er rekening mee houden dat hem in beginsel geen vrijstelling van betaling van het griffierecht zal worden verleend tenzij blijkt dat van misbruik geen sprake is.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
I.        verklaart de hoger beroepen niet-ontvankelijk;
II.       verklaart de verzoeken niet-ontvankelijk;
III.      verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Aldus vastgesteld door mr. J.M. Willems, voorzitter, en mr. G.O. van Veldhuizen en mr. A.B. Blomberg, leden, in tegenwoordigheid van mr. H.A. Komduur, griffier.
w.g. Willems
voorzitter
w.g. Komduur
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 22 juli 2026
809