ECLI:NL:RVS:2026:4294
Raad van State
- Hoger beroep
- J.M. Willems
- G.O. van Veldhuizen
- A.B. Blomberg
- Rechtspraak.nl
Niet-ontvankelijkverklaring van hoger beroepen en verzoeken wegens misbruik van recht door appellant
Deze uitspraak betreft vijf samenhangende zaken waarin appellant hoger beroepen, verzoeken om herziening en een verzet heeft ingesteld tegen uitspraken van de rechtbank Den Haag en de Afdeling bestuursrechtspraak. De procedures betreffen onder meer geschillen over rechtsbijstand, een vermeend verzoek op grond van de Wet open overheid en een afgewezen schadevergoedingsverzoek.
Appellant heeft in talrijke eerdere procedures herhaaldelijk misbruik gemaakt van het wrakingsmiddel en rechtsmiddelen ingesteld waarvan hij geacht moet worden te weten dat deze evident geen kans van slagen hebben. Hij brengt grote hoeveelheden niet ter zake doende stukken in en stelt steeds opnieuw afgedane zaken aan de orde, wat leidt tot excessief procedeergedrag dat het rechtssysteem onnodig belast.
De Afdeling overweegt dat op grond van artikel 3:13 BW Pro het misbruik van bevoegdheden, waaronder het instellen van bestuursrechtelijke rechtsmiddelen, niet wordt geduld. In alle vijf zaken is vastgesteld dat appellant misbruik van recht maakt door rechtsmiddelen zonder redelijk doel in te zetten.
Daarom verklaart de Afdeling de hoger beroepen, verzoeken om herziening en het verzet niet-ontvankelijk. Tevens waarschuwt de Afdeling appellant dat toekomstige procedures vermoedelijk ook als misbruik van recht zullen worden aangemerkt, waardoor vrijstelling van griffierecht in beginsel niet zal worden verleend.
Deze beslissing bevestigt de noodzaak om het rechtssysteem te beschermen tegen misbruik en excessief procederen, en benadrukt de grenzen aan het gebruik van rechtsmiddelen in bestuursrechtelijke procedures.
Uitkomst: De hoger beroepen, verzoeken om herziening en het verzet zijn niet-ontvankelijk verklaard wegens misbruik van recht.