Conclusie
Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden
2010 OECD Report on the attribution of profits to permanent establishments(5.5-5.13)
1.Overzicht
market maker. Op 3 november 2006 kondigde het Duitse beursgenoteerde chemieconcern [E] een ‘superdividend’ aan ad € 34,80 per aandeel. De belanghebbende heeft daarop in 2007 een groot aantal aandelen [E]
cumdividend bezitloos (
short) verkocht en – na verwerving van de aandelen en dividendbetaling -
exdividend geleverd. Volgens de Duitse beursregels moest zij daarbij een dividendvervangende betaling aan de koper doen. Doordat zij noch haar
custodian bankinhoudingsplichtig waren voor de Duitse dividendbelasting, maar de kopers van de aandelen desondanks die niet-ingehouden Duitse dividendbelasting konden verrekenen of terugvragen, kon zij de dividend-vervangende betaling netto doen (alsof 21,1% dividendbelasting zou zijn ingehouden; dat is € 7,34 per aandeel) zonder dividendbelasting af te dragen aan de Duitse fiscus. Aldus kon zij een voordeel behalen dat het bedrag van die niet-ingehouden of afgedragen dividendbelasting benaderde. Daarnaast heeft zij tijdens de slot-
auctionop de laatste
cum-beursdag beter opgelet dan anderen, waardoor zij vanaf de eerste ex-dag veel heeft kunnen verdienen aan verkoop van [E] -aandelen aan partijen die in een
short squeezezaten. De belanghebbende heeft met de cum/ex transactie in [E] in totaal € 214.657.742 winst behaald.
[B] Branch Curaçao( [B] BC), dat bij de [E] -transactie is betrokken. Zij heeft haar [E] -positie op 11 april 2007 overgedragen aan [B] BC tegen de beurswaarde van die positie. [B] BC kreeg een eigen
accountbij [F] NV om te kunnen handelen. De [E] -positie op belanghebbendes
accountbij [F] NV is overgeboekt naar die [B] BC
accounten [B] BC kreeg drie handelaren op Curaçao. Vanaf 11 april 2007 geschiedde de handel in [E] vanuit [B] BC, waarbij belanghebbendes lokale senior-handelaar [M] een belangrijke rol speelde.
in geschil: (i)of de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op de winst op de [E] -transactie, met name
(i)(a)of belanghebbendes
callopties of haar verplichting tot levering van aandelen [E] uit hoofde van haar
shortverkoop [1] een deelneming (afgesplitst belang) was in de zin van uw
Falcons-rechtspraak,
(i)(b)of de 10,7 mln. aandelen [E] die de belanghebbende op 4 mei 2007 heeft gekocht of de aandelen die zij na 4 mei 2007 door uitoefening van callopties heeft verkregen een deelneming opleverden en zo ja,
(i)(c)of het genoten voordeel dan ‘uit hoofde van’ die deelneming(en) is genoten, en zo neen,
(ii)in hoeverre de op de [E] -transactie behaalde winst toerekenbaar is aan belanghebbendes vaste inrichting (v.i.) [B] BC op Curaçao.
callopties: uit art. 13 Wet Pro Vpb en het
Falcons-arrest (HR
BNB2003/34) volgt haars inziens dat de aandelen bij de optieschrijver tot een deelneming moeten behoren om bij de optiehouder tot een deelneming te kunnen behoren. Ad (i)(b) zag de Rechtbank in de 10,7 mln. aandelen die de belanghebbende op 4 mei 2007 heeft gekocht wél een deelneming. Gezien HR
BNB2007/61 achtte zij niet relevant dat de belanghebbende die aandelen vóór verkrijging al bezitloos had doorverkocht en hen dus slechts zeer kort heeft gehouden en nauwelijks risico heeft gelopen. Ad (i)(c) heeft de Rechtbank geoordeeld dat het dividendbelastingarbitrage-voordeel ad € 7,34 per tot een deelneming behorend aandeel [E] ‘uit hoofde van’ die deelneming is genoten. Uit HR
BNB1976/184 en HR
BNB1996/7 heeft de Rechtbank afgeleid dat een verkoopresultaat op aandelen niet kan worden gesplitst in een belast en een onbelast deel. Voor het deel van het cum/ex-transactievoordeel dat niet onder de deelnemingsvrijstelling viel omdat ongedekte opties geen deelneming vormen, heeft de Rechtbank ad (ii) geoordeeld dat de belanghebbende op 11 april 2007 weliswaar de [E] -positie heeft overgedragen aan [B] BC, maar niet de [E] -strategie. Het hoofdhuis heeft zich volgens de Rechtbank het leeuwendeel van de winst voorbehouden, zodat een cum/ex-resultaat voor het hoofdhuis en een handelsresultaat voor de v.i. moet worden onderscheiden: het cum/ex-resultaat vloeide volgens de Rechtbank rechtstreeks voort uit de [E] -strategie, zodat het aan het hoofdhuis toekwam onder aftrek van een
arm’s lengthvergoeding voor de door [B] BC verrichte uitvoeringswerkzaamheden. De Rechtbank heeft het handelsresultaat gelijkelijk toegerekend [B] BC en het hoofdhuis. Zij heeft op die basis een derde van de [E] -transactiewinst [2] aan [B] BC toegerekend en twee derde aan het hoofdhuis.
callopties geen deelneming en evenmin in belanghebbendes verplichting tot levering van aandelen [E] uit hoofde van de
shortverkoop. Ook ad (i)(b) (de 10,7 mln. aandelen [E] die de belanghebbende op 4 mei 2007 kocht) heeft het Hof zich aangesloten bij het oordeel van de Rechtbank: die vormden wel een deelneming. Uitoefening van de
callopties heeft volgens het Hof niet tot een deelneming geleid. Anders dan de Rechtbank, achtte het Hof ad (i)(c) het dividendbelastingarbitragevoordeel ad € 7,34 per aandeel echter niet genoten ‘uit hoofde van’ een deelneming omdat het zijn oorzaak niet vindt in [E] ’s bedrijfsuitoefening, maar in belanghebbendes exploitatie van haar status als niet-inhoudingsplichtig voor de Duitse dividendbelasting. Er is dan ook geen sprake van economische dubbele belasting van dezelfde bedrijfswinst die voorkomen zou moeten worden. Ad (ii) oordeelde het Hof met de Rechtbank dat de belanghebbende alleen haar [E] -positie en niet haar [E] -strategie had doen overgaan naar [B] BC op Curaçao, maar anders dan de Rechtbank, achtte het Hof het onderscheid tussen een cum/ex-resultaat en een handelsresultaat niet relevant. Op de
hedged[E] -positie werd volgens het Hof nauwelijks risico gelopen en [M] ’ bezigheden konden niet als
key entrepreneurial risk-taking(KERT)
functionworden beschouwd. Het Hof achtte niet aannemelijk dat [B] BC’s werkzaamheden voor de [E] -transactie meer dan uitvoerend waren, noch dat op
arm’s lengthbasis meer dan het door de Inspecteur vastgestelde bedrag ad € 10 miljoen aan [B] BC kon worden toegerekend.
callopties op aandelen [E] geen deelneming zou zijn;
callopties geen deelneming zou zijn;
callopties niet ‘uit hoofde van’ een deelneming zou zijn genoten;
op zichzelfeen deelneming kunnen zijn. De vraag of de aandelen die door optie-uitoefening worden verkregen een deelneming waren, komt bij cassatiemiddel (ii) pas aan de orde. Volgens art. 13 Wet Pro Vpb kunnen alleen ‘aandeelhouders’ een deelneming houden, maar dat tekstuele argument lijkt door uw
Falcons-arrest achterhaald, waarin u immers een ruimere uitleg aan de term ‘deelneming’ gaf (ook daarvan afgesplitste ‘belangen’). De literatuur is verdeeld over de vraag of onder dat ruimere deelnemingsbegrip ook ongedekte opties kunnen vallen. Uit uw rechtspraak, met name het
Falcons-arrest, HR
BNB2017/11 (Kazachstaans voorkeursrecht) en HR
BNB2006/7 (Netwerkorganisatie) volgt dat het bij opties moet gaan om “opties op tot een deelneming behorend aandeel” c.q. om een tussen twee partijen beoogde afsplitsing van een rechtstreeks belang bij (de waardeontwikkeling van) een deelneming van de ene partij die aan de andere een deel van zijn rechtstreekse belang bij (de waardeontwikkeling van) die deelneming afstaat. Dat impliceert dat als het om
callopties gaat, zij gedekt moeten zijn door aandelen die al – bij de schrijver – tot een deelneming behoren.
callde aandelen ook geleverd worden. Daarbij ware de bewijsregel te stellen dat de bewijslast van de vereiste dekking rust op degene die zich op de deelnemingsvrijstelling beroept. Daardoor zullen beursopties, anders dan OTC [3] -opties, nauwelijks kunnen meedoen. Het bovenstaande strookt met de rechtspraak dat pas een voldoende belang bij een deelneming bestaat zodra de belastingplichtige recht heeft op levering van een (voldoende) pakket aandelen en de plicht heeft haar daarop gerichte tegenprestatie te leveren. Bij beursopties, althans bij opties waarvan onduidelijk is of zij gedekt zijn, is onduidelijk of het recht op levering feitelijke inhoud heeft. Het is dan aan de belanghebbende om de vereiste werkelijke dekking aannemelijk te maken.
callopties verkreeg een deelneming waren. Het Hof heeft geoordeeld dat de 10,7 mln. op 4 mei 2007 gekochte aandelen [E] een deelneming waren, maar ook dat de belanghebbende niet heeft bewezen dat de aandelen die door uitoefening van callopties vanaf die datum additioneel zijn verkregen op enig moment de 5%-bezitsgrens hebben overschreden. Als die 10,7 mln. rechtstreeks gekochte aandelen al een deelneming waren, lijkt zonder meer aannemelijk dat elk daarna extra verkregen aandeel ook tot die deelneming behoort, maar ’s Hofs oordeel houdt ook in dat de belanghebbende niet heeft geconcretiseerd hoeveel aandelen zij op welk moment méér had, zodat er voor de feitenrechter geen houvast was, anders dan het getal van 10,7 mln. Dat feitelijke oordeel lijkt mij voldoende gemotiveerd. Voor de periode ná 8 mei 2007 is mijns inziens te meer voldoende gemotiveerd ’s Hofs oordeel dat niet voldaan is aan de last aannemelijk te maken dat de uitoefening van de
call-opties op enig moment heeft geleid tot een deelneming van meer dan 5% in [E] . Ook als middel (ii) wél (deels) zou slagen, baat dat de belanghebbende mijns inziens overigens niet, omdat middel (iii) faalt.
ne bis in idem) wijst er dus niet op dat het vereiste causale verband bestaat. Evenmin is [E] ’s bedrijfsuitoefening een verlengstuk van belanghebbendes bedrijfsuitoefening. De evenwichtsgedachte (gelijke behandeling bij beide partijen) biedt mijns inziens geen gezichtspunten omdat, als beide partijen in Nederland of beiden in Duitsland zouden zitten, de casus zich niet zou kunnen voordoen en het voordeel dus niet zou kunnen ontstaan. Ook daaruit volgt mijns inziens overigens dat het voordeel een gevolg is van een internationale
mismatchin het Duitse systeem. Het voordeel wordt niet zozeer veroorzaakt door [E] ’s bedrijfswinst, dividend, winstpotentie of waarde-ontwikkeling, maar volstrekt overwegend door het lek in het Duitse wetgeving in geval van een niet-ingezeten grootschalig
shorten
cum sellingverkoper met een eveneens niet-ingezeten custodian bank
KERT functionsen werkzaamheden aan [B] BC zijn overgedragen, rustte op de belanghebbende. Zij bepleit een andere bewijslastverdeling en een andere feiten- en vooral risicowaardering dan die van het Hof, met name ter zake van de functies en werkzaamheden van
trader[M] , maar ’s Hofs waardering is feitelijk en ruim voldoende gemotiveerd en daarmee in cassatie onaantastbaar, zodat ook middel (v) faalt.
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten; algemeen
custodian bank, terwijl desondanks de kopers van de door de belanghebbende bezitloos verkochte (
naked short selling, naked shorting of short gaan) aandelen konden rekenen op verrekening of teruggaaf van Duitse dividendbelasting op dividendvervangende betalingen. Het Hof heeft belanghebbendes bezigheden in het kader van de cum/ex-transactie aangeduid als dividendbelastingarbitrage. De belanghebbende heeft met de transactie € 214.657.742 winst behaald, die volgens haar voor € 75,8 mln. dividendbelastingresultaat is en voor € 138,8 mln. handelsresultaat, waarbij zij het dividendbelastingresultaat (het cum/ex-resultaat) opvat als het resultaat dat rechtstreeks voortvloeit uit het bezitloos verkopen van aandelen [E] op 2 en 3 mei 2007 en het handelsresultaat als het resultaat dat voortvloeit uit het afwikkelen van de vanaf 4 mei 2007 resterende
long calloptiepositie.
position trading. [B] BC kreeg een (min of meer [7] ) eigen
accountc.q. subtitel bij [F] NV om te kunnen handelen. [B] ’s positie in [E] op de
accountbij [F] NV is overgeboekt naar de
account/subtitel van [B] BC.
echtedividend) was uitsluitend degene gerechtigd die op de datum waarop dat dividend werd vastgesteld, meer in bijzonder bij sluiting van die handelsdag, juridisch (en economisch) eigenaar was van het desbetreffende aandeel; en dat was niet de verkoper ter zake van door hem bezitloos verkochte aandelen, omdat die verkoper op 3 mei 2007, noch juridisch, noch economisch eigenaar was van die aandelen.
i)(a) of de
callopties en/of de verplichting tot levering van aandelen [E] uit hoofde van de
shortverkoop [8] een deelneming (afgesplitst belang) zijn in de zin van uw
Falcons-rechtspraak, (
i)(b) of de 10,7 mln. aandelen [E] die de belanghebbende op 4 mei 2007 heeft gekocht of de aandelen die zij na 4 mei 2007 door uitoefening van callopties heeft verkregen een deelneming zijn (in cassatie is niet meer in geschil dat dat het geval is) en zo ja, (
i)(c) of het genoten voordeel dan ‘uit hoofde van’ die deelneming(en) is genoten, en zo neen:
callopties:
BNB2017/11], is de rechtbank van oordeel dat de reikwijdte van de deelnemingsvrijstelling is beperkt tot het opsplitsen van het (economische) belang bij aandelen die bij de wederpartij van het optiecontract ten tijde van het schrijven van de optie tot een deelneming behoren. In de onderdelen 3.3.1, 3.3.2, 3.3.5 en 3.3.7 van het Falconsarrest is uitdrukkelijk geoordeeld dat het moet gaan om opties op “tot een deelneming behorend aandeel”. Hetgeen in onderdeel 3.3.6 van genoemd arrest is overwogen ten aanzien van de houder van een calloptie of de schrijver van een putoptie, gaat eveneens uit van de veronderstelling dat het aandeel waarop de optie betrekking heeft in bezit is van de wederpartij en tot een deelneming behoort. Ook [HR
BNB2017/11] gaat uit van opsplitsing van het belang bij een tot een deelneming behorend aandeel. Het door eiseres voorgestane toepassingsbereik van genoemde arresten, waarbij ervan wordt uitgegaan dat ten tijde van het schrijven van de optie bij geen van de betrokken partijen sprake behoeft te zijn van een als deelneming aan te merken aandelenbelang, zou in vergaande mate op gespannen voet staan met de tekst van het hierboven weergegeven artikel 13 van Pro de Wet Vpb. (…).
auctionen daarna en van de aan hem toegekende bonus; PJW]. De rechtbank is gelet op dit een en ander van oordeel dat het handelsresultaat in het kader van de toerekening gelijkelijk dient te worden verdeeld tussen [B] BC en het hoofdkantoor.
NLF2017/1279:
Het Falcons-arrest
opgesplitst. De Hoge Raad spreekt niet voor niets van ‘
beidebelanghebbenden bij
dataandeel’. In de voorliggende casus is er van zo’n opgesplitst belang geen sprake. De deelnemingsvrijstelling toepassen op basis van dit arrest is dus niet mogelijk. In die zin is het oordeel van de Rechtbank te begrijpen. Maar zijn er geen andere arresten? Moeten wij niet verder kijken dan het Falcons-arrest? Ik doe de suggestie om het Convertible-arrest [11] erbij te halen.
bij de houder van de converteerbare obligatie(cursivering WBS) onder de deelnemingsvrijstelling (zouden) vallen.’
NLF2017/1279 over de toerekening aan de v.i.:
Het juridisch kader
callopties, noch de verplichting tot levering van aandelen [E] ex de
short-verkoop als deelneming aangemerkt, zich daarbij aansluitende bij r.o. 16 - 33 van de Rechtbank, onder toevoeging van het volgende (r.o. 4.5.4.4 - 4.5.4.7 gaan over de
callopties en r.o. 4.5.4.8 over de leveringsverplichting):
opsplitsenvan een aandeel in een optie en het (resterende) aandeel, als bedoeld in de arresten BNB 2003/34 en BNB 2017/11 (r.o. 2.4.2), laat staan dat een dergelijk opsplitsen voorwerp van een overeenkomst tussen belanghebbende en de schrijver van de optie is geweest.
callopties (vanaf r.o. 4.9.3):
Kapitalertragsteuerter zake van dividendvervangende betalingen. Dubbele belasting van dezelfde bedrijfswinst (van [E] ) doet zich dus niet voor, aldus het Hof, zodat er op die grond niets valt vrij te stellen: de (gereserveerde) winst van [E] , uitgekeerd in dier dividend van 3 mei 2007, staat volgens het Hof geheel los van belanghebbendes arbitragevoordeel:
bedrijfsresultaatkan hier niet iets anders zijn bedoeld dan het resultaat van de vennootschap waarin de belastingplichtige een deelneming heeft. In dezelfde zin de door de rechtbank aangehaalde formulering uit het arrest BNB 2003/34: “De deelnemingsvrijstelling strekt ertoe te voorkomen dat in een deelnemingsverhouding dezelfde winst tweemaal in een belasting naar de winst wordt betrokken.” Met de term
dezelfde winstkan hier niet iets anders zijn bedoeld dan winst van de vennootschap waarin de belastingplichtige een deelneming heeft. Hieruit volgt onder meer dat er een verband moet zijn tussen het resultaat van de (onderneming) van de deelneming – door die deelneming gerealiseerd of nog ongerealiseerd – en het voordeel dat de houder van de deelneming als deelnemingsvoordeel wenst aan te merken. Dit vereiste verband komt in de tekst van artikel 13, eerste lid, van de Wet (tekst 2007; de deelnemingsvrijstelling) tot uiting in de woorden: ‘uit hoofde van’.
echtedividend. Deze dividendvervangende betaling is gelijk aan het netto-dividend, in de veronderstelling dat (de bank van de) verkoper dividendbelasting (of eigenlijk: een dividendbelastingvervangend bedrag) inhoudt en afdraagt. Gegeven deze veronderstelling ontvangt de koper via zijn bank de ‘Bescheinigung’.
echtedividend dat door [E] is uitgekeerd en dat uitsluitend toekomt aan personen die op 3 mei 2007, bij de sluiting van die beursdag, eigenaar waren van één of meer aandelen [E] . Dit
echtedividend en de invloed ervan op de waarde van het aandeel [E] vóór 4 mei 2007 behoort in beginsel tot de in artikel 13, eerste lid, van de Wet bedoelde voordelen, maar – zoals ook hiervoor al is overwogen – tot deze voordelen is noch belanghebbende, noch de koper van de bezitloos verkochte aandelen gerechtigd geweest. Dat de dividendvervangende betaling moet worden onderscheiden van het
echtedividend (en dus geen verband houdt met het aandeel dat object is van de bezitloze verkoop), volgt ook uit par 20 Absatz 1 Nummer 1 Satz 4 EStG (…), op grond waarvan een dividendvervangende betaling uitsluitend op grond van een wetsfictie met dividend is gelijkgesteld.
callopties en de leverings-verplichtingen wél een deelneming zouden zijn, het dividendbelastingarbitragevoordeel dan uit hoofde van die deelneming zou zijn genoten:
geschilpunt (ii)) in hoeverre belanghebbendes [E] -resultaat toegerekend kan worden aan haar vaste inrichting [B] BC op Curaçao. Daartoe is het Hof eerst ingegaan op de waarde van hetgeen [B] hoofdhuis aan [B] BC heeft overgedragen op 11 april 2007 (r.o. 4.17.5.3 e.v.). Na uitvoerige bespreking en beoordeling van de verantwoordelijkheden en werkzaamheden van de betrokkenen, heeft het Hof vervolgens (vanaf r.o. 4.17.7.1) niet aannemelijk geacht dat de werkzaamheden op Curaçao voor de [E] -transactie meer dan uitvoering waren, althans niet aannemelijk dat daaraan meer winst kan worden toegerekend dan de door de Inspecteur reeds vastgestelde zeer aanzienlijke bedrag ad € 10 mln, gegeven dat de belanghebbende het uit de [E] -transactie voor de v.i. voortvloeiende resultaat niet heeft gekwantificeerd:
NLF2018/2560 over de toerekening aan de v.i. opgemerkt:
3.Het cassatieberoep van de belanghebbende
callopties op aandelen [E] geen deelneming zou zijn (r.o. 4.5.4.3);
callopties [22] geen deelneming zou zijn (r.o. 4.9.4.;
callopties niet
uit hoofde vaneen deelneming zou zijn genoten (r.o. 4.13.12);
Falcons-arrest en acht op grond daarvan enkel relevant of de houder of schrijver van de optie bij uitoefening een deelneming zou hebben verkregen. ’s Hofs benadering is volgens de belanghebbende in de praktijk bovendien onhanteerbaar, nu partijen bij beurstransacties elkaar niet kennen. De belanghebbende is verder niet overtuigd door het oordeel dat de deelnemingsvrijstelling nooit geldt bij ongedekt geschreven opties (r.o. 29 Rechtbank). De complicaties bij ongedekt geschreven opties waarop het Hof wijst ((i) mogelijk ontstaat geen deelneming; (ii) de opties worden mogelijk ongelijktijdig uitgeoefend; en (iii) er kunnen meer opties dan aandelen zijn) kunnen zich ook bij gedekt geschreven opties voordoen. Volgens de belanghebbende vallen haar
callopties onder de deelnemingsvrijstelling omdat de transactie in aandelen is afgewikkeld; zij verwijst naar De Vries en Niekel,
WFR2013/806 (zie 4.26 hieronder). Voor het geval u anders oordeelt, beroept de belanghebbende zich op een besluit van de Staatssecretaris uit 2010 [23] waaruit volgt dat enkel van belang is of uitoefening van de opties leidt tot verkrijging van een deelneming. Tot slot bestrijdt het middel de bewijslastverdeling en het oordeel dat de opties ongedekt geschreven zouden zijn (r.o. 30 e.v. Rechtbank): de eis dat belanghebbendes stellingen
zonder meertot de conclusie voeren dat de
calloptieschrijvers over de aandelen beschikten, is te streng en daarmee onjuist en het Hof had mee moeten wegen dat de uitoefening feitelijk in aandelen is afgewikkeld.
callopties vanaf 4 mei 2007 op enig tijdstip in een bepaalde omvang tot een als deelneming te kwalificeren belang heeft geleid. Dit oordeel bouwt voort op ’s Hofs door middel (i) bestreden oordeel. Als dat oordeel inderdaad onjuist is, geldt volgens de belanghebbende hetzelfde voor de rechtsopvatting onder r.o. 4.9.4: als callopties onder de deelnemingsvrijstelling vallen omdat zij bij uitoefening recht geven op meer dan 5% van de aandelen, is voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling niet relevant of zij al dan niet gelijktijdig worden uitgeoefend.
[t]he value of the interest acquired (…) would be determined by reference to comparable transactions between independent enterprises”. Omdat de [E] -positie bestond uit beursgenoteerde effecten, hoefde niet naar
comparable transactionste worden gezocht, maar kon de waarde in het economisch verkeer ervan op 11 april 2007 exact worden bepaald. Volgens de belanghebbende is algemeen aanvaard dat in de beurskoers alle beschikbare en relevante informatie is verdisconteerd (zie HR
BNB2004/207 [24] en HR
BNB1990/83 [25] ). Omdat alle goede en slechte kansen van de [E] -positie op 11 april 2007, dus ook de winstpotentie van het [E] -project, waren verdisconteerd in de beurskoers, is er geen grond voor het aannemen van het bestaan van een immateriële bezitting, door het Hof aangeduid als “know how, strategie en winstpotentie”.
key entrepreneurial risk-taking(KERT)
functiononder omstandigheden tot een andere toerekening nopen, maar de bewijslast daarvoor ligt bij de partij die die andere toerekening voorstaat. De belanghebbende vindt verder niet-begrijpelijk althans onvoldoende gemotiveerd ’s Hofs oordeel dat met de opbouw van de [E] -positie weinig tot geen risico zou zijn gelopen, dat op gespannen voet staat met ’s Hofs eerdere overwegingen over de koersval van het aandeel [E] tijdens de
auctionop 3 mei 2007. Getuige [G] (‘board operations/risk management’, Amsterdam; PJW) heeft verklaard dat aan de [E] -transactie risico’s waren verbonden en deze verklaring heeft het Hof ten grondslag gelegd aan zijn oordeel over de winsttoerekening. Daarmee spreekt het Hof zichzelf tegen, want het kan niet eerst oordelen dat aan (het opbouwen van) de [E] -transactie weinig tot geen risico’s zijn verbonden en vervolgens oordelen dat de aan die transactie verbonden risico’s bijdragen aan een bepaalde winsttoerekening. Voor de
callopties zijn ook zeer aanzienlijke premies betaald, zodat de [E] -positie nauwlettend moest worden beheerd.
auctionalleen in Curaçao door [M] worden gehandeld in [E] . In feitelijke instantie is gesteld noch gebleken dat na de overdracht van de [E] -positie aan [B] BC nog in Nederland in [E] is gehandeld. Het was aan [M] om in te spelen op de zich tijdens de slot-
auctionvoordoende gebeurtenissen en (zelfstandig) handelsbeslissingen te nemen. Hoewel een
skype-verbinding met Nederland bestond, had [M] het laatste woord. Hij had de meeste expertise en het was volgens de belanghebbende niet logisch als formele en hiërarchische betrekkingen tussen [M] en [B] de boventoon hadden gevoerd. Het valt haar op dat de verklaring van [F] op een aantal punten tot bewijs in haar nadeel is gebruikt en tegelijk ongeloofwaardig is bevonden voor zover zij in haar voordeel luidde. Over [G] merkt de belanghebbende op dat hij geen handelaar was en zich in de
back officelouter bezig hield met het risicomanagement van belanghebbendes onderneming. De waarde van [M] blijkt ook wel uit het feit dat zijn bonus enkele malen hoger was dan die van [G] . De belanghebbende wijst er op dat in het PE-rapport onder
risk management functionwordt verstaan
hedgingvan posities en dat enkel [M] zich daarmee bezig hield. De belanghebbende concludeert dat vaststaat dat [M] (i) de [E] -positie heeft opgebouwd, (ii) die positie heeft
gehedged, (iii) de opties heeft uitgeoefend waaruit die positie bestond, (iv) betrokken is geweest bij de verkoop van € 15 miljoen aandelen [E] in de slot-
auctionen (v) betrokken is geweest bij de verkoop van € 10,7 mln. aandelen in [E] op 4 mei 2007. Door Amsterdam is niet gehandeld [E] . Op basis hiervan acht de belanghebbende het onbegrijpelijk dat het Hof (r.o. 4.17.7.28) van de totale winst ad ruim € 214 miljoen slechts € 10 miljoen heeft toegerekend aan [B] BC.
bis in idem(twee maal belasten van dezelfde bedrijfswinst) geen sprake is. De Rechtbank heeft volgens hem terecht geoordeeld (r.o. 34) dat de leveringsverplichting ter zake van bezitloze verkochte aandelen geen deelneming is en het Hof heeft dat oordeel bevestigd (r.o. 4.5.4.8) en eraan toegevoegd dat er evenmin een afgesplitst belang bij een deelneming is. De Staatssecretaris onderschrijft ‘s Hofs oordeel dat er geen economische eigendom was omdat er geen afgesplitst belang bestond bij de leveringsverplichting van bezitloos verkochte aandelen. De belanghebbende was immers (nog) geen aandeelhouder en had ook geen afgesplitst belang in de zin van HR
BNB2017/11 (Kazachstaans voorkeursrecht). Uit r.o. 2.4.2. van dat arrest blijkt dat gesplitste belangen bij een deelneming alleen kunnen bestaan als de partijen zo’n splitsing hebben beoogd. Met die partijen zijn volgens de Staatssecretaris bedoeld de aandeelhouder zelf en degene die de aandelen wil verwerven. De belanghebbende was bij haar bezitloze verkoop geen van beiden. Er is verder niets bekend over de tegenpartij(en) van wie zij aandelen heeft gekocht om aan haar leveringsverplichting te voldoen. Uit niets blijkt dat ofwel de partij(en)
aanwie de belanghebbende de aandelen bezitloos verkocht, ofwel de partij(en)
vanwie zij aandelen kocht om te kunnen leveren, op enig moment een deelneming hadden. De partij(en)
vanwie de belanghebbende aandelen kocht, beoogden hoe dan ook niet om het met het dividend samenhangende voordeel af te splitsen ten gunste van de belanghebbende, nu die verkopende aandeelhouders juist zelf het dividend [E] hadden ontvangen en dus alleen bij hen de vraag naar
ne bis in idemrelevant zou kunnen zijn (als zij een deelneming zouden hebben gehad).
De Vriesen
Niekel(
WFR2013/806) waarnaar de belanghebbende verwijst, vóór HR BNB 2017/11 (Kazachstaans voorkeursrecht) is geschreven, en dat de belanghebbende niet wijst op publicaties van
Hiemstra(
WFR2010/804) en
Brandsma e.a.(
WFR2017/248). De laatsten merken onder verwijzing naar HR
BNB2017/11 expliciet op dat de deelnemingsvrijstelling niet geldt voor ongedekte opties. De Staatssecretaris merkt verder op dat de in casu relevante rechtsregel uit uw
Falcons-arrest niet alleen, zoals de belanghebbende stelt, in de laatste volzin van r.o. 3.3.5 staat, maar ook in r.o. 3.3.1, en dat uit HR
BNB2017/11 volgt dat een opgesplitst belang pas kan bestaan als een kwalificerende aandeelhouder door het schrijven van een optie een deel van het belang bij zijn aandelen beoogt af te splitsen naar de koper van een
call. U eiste in dat arrest immers uitdrukkelijk dat de partijen zo’n opsplitsing beoogden en bij overeenkomst (afgesplitste) rechten op de aandelen hebben gecreëerd. Belanghebbendes benadering, waarin de band met het als deelneming kwalificerende aandelenbelang wordt losgelaten, leidt er volgens de Staatssecretaris toe dat meer kan worden vrijgesteld dan de (al dan niet) gerealiseerde winst van de vennootschap. Praktische problemen zoals door de belanghebbende gesteld, zijn de Staatssecretaris niet bekend. In de praktijk wordt bij ongedekte opties de deelnemingsvrijstelling niet ingeroepen. Beursopties zijn volgens de Staatssecretaris ongedekte opties. Omdat bij beurstransacties de optiekoper niet weet wat zijn tegenpartij beoogt, noch of die een deelneming heeft, is geen sprake van een afgesplitst belang. Partijen zouden dit overigens op kunnen lossen door een separate bilaterale optieovereenkomst aan te gaan. In het
Falcons-arrest ging het weliswaar om beursgenoteerde, maar gedekte opties, anders dan bij gewone beurstransacties in opties. Wie een deelneming wil kopen, doet dat in beginsel niet door op de beurs (ongedekte) opties te kopen, maar door aandelen te kopen. Verwerving van een deelneming via ongedekte opties is mogelijk, maar leidt tot compartimentering. Vrijstelling laten afhangen van de vraag of bij uitoefening al dan niet wordt afgewikkeld in aandelen, zoals door de belanghebbende gesuggereerd, acht de Staatssecretaris principieel onjuist omdat dan een keuzemoment achteraf ontstaat: bij afwikkeling in contanten geen vrijstelling, bij afwikkeling in aandelen wél. De belanghebbende verzuimt overigens te vermelden dat niet al haar opties in aandelen zijn afgewikkeld. Over belanghebbendes beroep op het Besluit van 12 juli 2010 (zie 3.3) merkt de Staatssecretaris op dat dat dateert van 12 juli 2010, terwijl de procedure gaat over 2007 en dat de voorbeelden in het Besluit gaan over gedekte opties.
BNB1988/297 c.q. het resultaat op de opties blijft op grond van compartimentering buiten de vrijstelling. Aangezien ongedekte callopties niet onder de deelnemingsvrijstelling vallen, ontstaat pas bij uitoefenen/verwerven een belang dat onder de deelnemingsvrijstelling kan vallen (HR
BNB2007/61).
short sellingvanzelfsprekend geen
ne bis in idemaan de orde is, nu bij zo’n transactie winst wordt gemaakt als de onderliggende deelneming verlies maakt en verlies als de onderliggende deelneming winst maakt. In zijn algemeenheid kan de deelnemingsvrijstelling, gelet op haar ratio, niet van toepassing zijn op bezitloze verkoop, die nooit een opsplitsing van een belang kan zijn omdat er (nog) geen belang is. Zo er een belang zou zijn, wordt het niet opgesplitst, maar volledig verkocht. Bedacht moet ook worden dat een belastingplichtige het achteraf zelf in de hand zou hebben of al dan niet de deelnemingsvrijstelling van toepassing is. De Staatssecretaris geeft het voorbeeld van een partij die 5%
shortverkoopt waarna de koers van het aandeel stijgt. Die partij zal dan, om te voorkomen dat het door hem te lijden verlies onder de vrijstelling valt, vandaag 2% aankopen en leveren en morgen 3%. Over het ‘dividendbelastingarbitrage-voordeel’ merkt de Staatssecretaris op dat de tegenhanger daarvan is het nadeel van de Duitse fiscus als gevolg van een lacune in de Duitse wetgeving. Alleen aan de ontvanger van het (echte) dividend komt op basis van
ne bis in idemde deelnemingsvrijstelling toe. Juist belanghebbendes benadering levert een
mismatchbinnen een evenwichtig systeem op: haar voordeel zou onder de deelnemingsvrijstelling moeten vallen terwijl vaststaat dat geen corresponderend nadeel bij de koper van de aandelen bestaat.
in casusprake van een zeer bijzondere situatie (superdividend) alleen al omdat uitsluitend bij een superdividend een ratioregeling met aanpassing van optiecontracten (de R-factor) wordt toegepast en betekent de mogelijkheid van cum/ex-transacties geenszins dat de daarmee samenhangende winstpotentie in de beurskeurs zou zijn opgenomen. Zou dat wel zo zijn, dan zou de belanghebbende het behaalde voordeel van € 210 miljoen nooit hebben kunnen behalen.
tangible assettoegerekend (de aandelen c.a.) en niet een
intangible asset(de dividendbelastingarbitragestrategie en
know how), waarvoor ook andere toerekeningscriteria gelden volgens het
PE-report. Het Hof heeft zijns inziens de bewijslast correct verdeeld en feitelijk kunnen oordelen dat (i) de risico’s van (de opbouw van) de [E] -positie beperkt waren, nu die immers deltaneutraal was, zodat niet kan worden ingezien hoe een substantieel verlies zou kunnen ontstaan, (ii) [M] onder regie van het hoofdhuis de delta-neutrale positie in stand heeft gehouden, (iii) de risico’s in verband met de levering geen ernstig probleem voor de belanghebbende waren, (iv) een koersval tijdens de slot-
auctionwas voorzien, (v) de bonus voor [M] onvoldoende onderscheidend was ten opzichte van andere bonussen (Heijmans € 1,4 miljoen; personal holding van [B] € 21,9) en (vi) de risico’s van de [E] -transactie zijn aangegaan door een projectteam onder leiding van [B] .
BNB2017/11 is gewezen tegen de achtergrond van een volstrekt ander feitencomplex dan in haar zaak. Zij merkt op dat ook bij gedekte opties niet op voorhand vaststaat dat uitoefening in aandelen zal worden afgewikkeld.
BNB2005/260 kunnen volgens de belanghebbende van de deelnemingsvrijstelling uitgesloten worden opties waarvan op voorhand vaststaat dat uitoefening niet in aandelen zal worden afgewikkeld, maar in haar geval was van meet af aan alles erop gericht dat zij de aandelen in [E] zou verkrijgen. Anders dan de Staatssecretaris meent zij dat beursopties niet als ongedekt geschreven hebben te gelden. Gevallen waarin via beursopties een deelneming wordt verkregen, doen zich wel degelijk voor in de praktijk. Zij acht onjuist het standpunt van de Staatssecretaris dat als (mede) via beursopties een deelneming wordt verworven het optieresultaat zou moeten worden gecompartimenteerd. De belanghebbende acht haar uitleg van uw
Falcons-arrest (ook de optiewinst van de bezitter van een ongedekt geschreven calloptie moet worden vrijgesteld) wel degelijk evenwichtig. Over haar beroep op het Besluit van 12 juli 2010 merkt de belanghebbende op dat dat Besluit geen onderscheid maakt tussen gedekt en ongedekt geschreven opties.
BNB1988/297). De stelling dat de deelnemingsvrijstelling geen toepassing vindt omdat de nog te verwerven aandelen al bezitloos zijn verkocht, snijdt volgens de belanghebbende geen hout, gelet op HR
BNB2007/61.
BNB2005/260 biedt volgens de belanghebbende de mogelijkheid tot rechterlijk maatwerk door in twijfelgevallen op basis van de omstandigheden te oordelen of het om een afgesplitst belang als bedoeld in het Falcons-arrest gaat of om een loutere rekengrootheid. Voor de vraag of een voordeel op de leveringsverplichting onder de deelnemingsvrijstelling valt, is volgens de belanghebbende slechts van belang of die verplichting ziet op ten minste vijf procent van het nominaal gestorte kapitaal. De positie van de koper(s) is dus niet van belang. De relevante journaalposten van de cum/ex transactie luiden volgens de belanghebbende als volgt:
KERT functionna die overdracht tot een andere toerekening kan nopen, maar zij acht het aan de Inspecteur om de feiten te stellen, en bij betwisting aannemelijk te maken, op grond waarvan de voordelen uit hoofde van die overgedragen positie noch (deels) aan het hoofdhuis moeten worden toegerekend. Nu het Hof de bewijslast anders heeft verdeeld, berust zijn oordeel op een onjuiste rechtsopvatting. De belanghebbende herhaalt dat met (het opbouwen van) de [E] -positie wel degelijk risico werd gelopen. Zo is een ‘deltaneutrale positie’ niet statisch, waren de uitgevoerde transacties complex en varieerden de prijzen van de diverse handelsposities continu. Het Hof en in diens voetspoor de Staatssecretaris zien daaraan ten onrechte voorbij en gaan uit van een versimpelde en op wijsheid achteraf gebaseerde voorstelling van zaken.
BNB2017/11 acht hij ingegeven door het feit dat dat arrest haar niet uitkomt. Haar voorstel om voor zowel gedekte als ongedekte opties de maatstaf van HR
BNB2005/260 te gebruiken, gaat er volgens de Staatssecretaris aan voorbij dat die zaak (afwikkeling conversierecht in contanten) ging over afbakening van de kapitaalsfeer van de winstsfeer, nl. de betrekking tussen de vennootschap en haar toekomstige aandeelhouder, niet over de vraag of het belang bij tot een deelneming behorende aandelen is opgesplitst. Voor dat laatste geldt HR
BNB2003/34, zoals nader afgebakend in HR
BNB2017/11, waarbij de wijze van afwikkeling niet relevant is. Bij beurshandel ziet de Staatssecretaris geen problemen als van algemene bekendheid is dat beursopties in beginsel nooit onder de deelnemingsvrijstelling vallen. Dat is niet alleen ongunstig, maar evenzeer gunstig voor belanghebbenden, nu optiehandel evenzeer tot verlies als tot winst kan leiden. Hij acht van algemene bekendheid dat bij sfeerovergang zonder realisatie het resultaat gecompartimenteerd moet worden. Zo’n sfeerovergang c.q. een realisatiemoment doet zich voor als uitoefening van een ongedekte optie leidt tot een deelneming. Zou als blijkt dat in aandelen wordt afgewikkeld de deelnemingsvrijstelling gelden en bij
cash settlementniet, dan zou achteraf een keuzemoment en daarmee een manipuleerbare uitkomst ontstaan.
BNB1988/297, gaat het bij de belanghebbende om (ongedekte) opties op beursgenoteerde aandelen, zodat de optiewinst niet slechts schattenderwijs, maar exact bepaald kan worden, zodat er op basis van goed koopmansgebruik geen noodzaak is om winstneming uit te stellen. De Staatssecretaris wijst voor wat betreft compartimentering op bijvoorbeeld HR
BNB1986/305. De belanghebbende gaat er zijn inziens ten onrecht aan voorbij dat de belanghebbende in HR
BNB2007/61 op het moment van verkoop van de deelneming al over een gedekte calloptie beschikte.
BNB2007/61 en dus niet kwalificeert voor de deelnemingsvrijstelling. Bij bezitloze verkoop is geen sprake van partijen die opsplitsing van het belang bij een deelneming hebben beoogd (zie r.o. 2.4.2 in HR
BNB2017/11). De belanghebbende heeft bij bezitloze verkoop geen overeenkomst met de houder van de deelneming. De maatstaf is niet of al dan niet in aandelen wordt afgewikkeld, maar of er een afgesplitst belang is (zie HR
BNB2004/34 en HR
BNB2017/11). De Staatssecretaris gaat in op de journaalposten die de belanghebbende bij repliek heeft gegeven en herschrijft die zoals zij volgens hem moeten luiden. Hij vervangt met name de journaalpost ‘vordering 100; aan leveringsverplichting 100’ door: ‘kas 100; aan leveringsverplichting 67 en aan te betalen dividendcompensatie 33’. De € 7,34 aan dividendbelastingvoordeel is zijns inziens geen voordeel uit hoofde van een leveringsverplichting, maar winst op dividendcompensatie als gevolg van Duitse regelgeving en gebruik van een Nederlandse depotbank, die overigens het bedrag ad € 7,34 per aandeel heeft geadministreerd als ‘dividend tax withheld’.
4.De deelnemingsvrijstelling
De wet
b. De deelnemingsvrijstelling
1.5.1.2. Houder van calloptie; begrip deelneming
BNB2019/94) vermoedt dat de staatssecretaris van Financiën de passage heeft gewijzigd om te voorkomen dat belastingplichtigen zich beroepen op gewekt vertrouwen dat de deelnemingsvrijstelling ook ‘niet-gedekte’ opties bestrijkt.
V-N2019/15.7 is kritisch en vraagt zich af waarop de staatssecretaris van Financiën zich baseert:
Falcons-arrest (HR 22 november 2002, nr. 36272,
BNB 2003/34) geoordeeld dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op het optievoordeel. De Hoge Raad heeft zich in dat arrest echter niet uitgelaten over de vraag of het optierecht al dan niet een deelneming vormt. In die zaak hoefde dat ook niet om het geschil te beslechten. De belanghebbende had namelijk al een deelneming in de vorm van aandelen. Wat de Staatssecretaris van Financiën dus weergeeft, is een eigen standpunt dat niet direct kan worden gebaseerd op dit arrest van de Hoge Raad. Wij merkten daarbij ook op dat wij het onlogisch vinden dat, als sprake is van een gesplitst belang bij een aandeel, waarop beide partijen de deelnemingsvrijstelling kunnen toepassen, dit slechts voor een van beide partijen een deelneming zou vormen. Wij merkten ook op dat de consequentie is dat, indien de belanghebbende een optie heeft op 8% van de aandelen, hij de deelnemingsvrijstelling deelachtig kan worden, maar dat hij deze zou kunnen verliezen als hij zijn optie voor de helft uitoefent, waarmee hij zelfs een verderstrekkend belang dan louter die opties, namelijk (deels) door middel van aandelen, verkrijgt. Al deze opmerkingen blijven staan.
Falcons-arrest voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op optierechten en dat is dat de aandelen na de uitoefening van dit optierecht als een deelneming zouden kwalificeren. Opmerkelijk is wel dat de staatssecretaris nog een extra voorwaarde toevoegt, namelijk dat de onderliggende aandelen bij de partij die deze houdt, tot een deelneming behoren. De staatssecretaris noemt overigens ook als voorwaarde dat de schrijver van een calloptie respectievelijk de houder van een putoptie de aandelen moet bezitten wil de deelnemingsvrijstelling van toepassing kunnen zijn bij de houder respectievelijk schrijver van de optie. Het moet volgens de staatssecretaris dus gaan om een gedekte optie. De eis dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing is op de onderliggende aandelen impliceert echter al dat er aandelen moeten zijn en dat het om een gedekte optie moet gaan. Wezenlijk zijn de twee voorwaarden dus één meeromvattende extra aanvullende voorwaarde.
BNB 2017/11,
V-N2016/47.10. In dat arrest verwijst de Hoge Raad zelf naar zijn
Falcons-arrest. Wij kunnen in dit arrest geen nieuwe aanwijzingen vinden. Het blijft dus enigszins gissen wat nu de achtergrond is van de nieuwe voorwaarde. Punt is wel dat de Hoge Raad in het
Falcons-arrest in r.o. 3.3.1 spreekt over een belang bij een “tot een deelneming behorend aandeel” dat wordt opgesplitst. Dat zijn exact de woorden die hij ook gebruikt in
BNB 2017/11. De Hoge Raad lijkt daar dus als voorwaarde te stellen dat er een deelneming is. Als men, zoals de staatssecretaris, van mening is dat een aandelenoptie op zichzelf geen deelneming vormt (zie hiervóór), zou men wellicht kunnen concluderen dat er dus bij de houder van de aandelen sprake moet zijn van een deelneming. De vraag is echter of de woorden van Hoge Raad niet veel meer als een extra aanwijzing moeten worden gelezen dat een aandelenoptie op zichzelf een deelneming vormt, mits bij uitoefening de aandelen een deelneming zouden vormen. Wij zien daarvoor een aantal argumenten.
Falcons-arrest zelf. De Falcons waren beursgenoteerd. Er is dus geen enkel zicht of er bij de houder van de onderliggende aandelen sprake was van een deelneming. De houder kon ook een particulier, een niet aan de VPB onderworpen entiteit of een buitenlandse vennootschap zijn, dan wel een aan de Nederlandse VPB onderworpen vennootschap met een belang van minder dan 5%. Aangezien het om beursgenoteerde instrumenten ging, kon het zelfs zo zijn dat er sprake was van verkoop van Falcons zonder dat men deze bezat (het zogenoemd short gaan). De meest logische verklaring lijkt toch dat het niet relevant is of er bij de houder van de aandelen sprake is van een deelneming, maar dat de optie op zichzelf een deelneming kan vormen. [PJW: ik merk op dat de
Falconsgedekt waren doordat de aandelen waren overgedragen aan een trustkantoor.]
Falcons-arrest. Met name de arresten HR 22 april 2005, nr. 40562,
BNB 2005/254en HR 20 mei 2005, nr. 40038,
BNB 2005/260. In het eerste arrest was sprake van een optie op nieuw uit te geven aandelen. Het tweede geval betrof een converteerbare lening. Zowel voor wat betreft de optie op nieuw uit te geven aandelen als voor wat betreft het conversierecht besliste de Hoge Raad dat de deelnemingsvrijstelling van toepassing was. Bij de converteerbare lening werd daaraan expliciet de voorwaarde verbonden dat bij uitoefening van het desbetreffende recht de deelnemingsvrijstelling van toepassing zou zijn. Bij de optie op nieuw uit te geven aandelen werd die voorwaarde impliciet gesteld. Ten slotte is er nog het arrest HR 21 februari 2001, nr. 35639,
BNB 2001/161. Hierin besliste de Hoge Raad dat de houder van een optie op aandelen in de vennootschap die het optierecht heeft verleend, in een zodanige verhouding staat tot die vennootschap dat alle transacties tussen hem en die vennootschap of dat verbonden lichaam op gelijke voet als geldt voor de aandeelhouder buiten de winstsfeer worden afgewikkeld. Bij een optie verleend door de vennootschap stelt de Hoge Raad de optiehouder dus tot op zekere hoogte gelijk met een aandeelhouder. Dat zal echter altijd betrekking hebben op nieuw uit te geven aandelen.
BNB 2017/11. Ons is daarmee ook onduidelijk waarom de extra voorwaarde nu pas wordt gesteld. Wij hebben geprobeerd hiervoor een logische reden te vinden, maar zijn daar niet in geslaagd. Wellicht is de redenering van de staatssecretaris een andere. Hoe dan ook, wij zien niet hoe bovenstaande jurisprudentie te rijmen valt met de extra voorwaarde van de staatssecretaris dat de houder van een calloptie de deelnemingsvrijstelling alleen kan toepassen als het gaat om een optie op aandelen die bij de schrijver van de optie tot een deelneming behoren. Hetzelfde geldt voor de situatie van de schrijver van een putoptie in relatie met de houder van de putoptie.”
BNB1986/118 [34] hield in dat niet alleen de juridische eigenaar maar ook de economische eigenaar de deelnemingsvrijstelling kan toepassen. HR
BNB2001/160 [35] en HR
BNB2001/161 [36] hielden in dat een optiehouder op gelijke voet staat met de aandeelhouder van een deelneming, maar pas in HR
BNB2003/34 [37] (
Falcons) oordeelde u voor het eerst expliciet dat de deelnemingsvrijstelling kan worden toegepast door de houder van een
calloptie. De zaak betrof een belanghebbende die bij oprichting van een management buy-out-vehikel daarin deelnam voor 100.000 gewone aandelen. Haar belang beliep mede door preferente aandelen 15,11% en was daarmee een deelneming. Om een uit te geven obligatielening aantrekkelijker te maken, zouden de aandeelhouders aandelen ter beschikking stellen en daartoe een deel van hun aandelen overdragen aan een administratiekantoor (“blokkeren”). In 1987 werd de obligatielening via de beurs geplaatst. Aan 1 obligatie à f 1.000 waren 7
falconsverbonden die elk recht gaven op koop van 1 aandeel à f 140. Er waren 175.000
falconsuitgegeven à f 40. De opbrengst ging naar de aandeelhouders die lieten blokkeren en daardoor afzagen van koersresultaat boven f 140 per aandeel. De belanghebbende had 25.000 aandelen laten blokkeren. Bij uitoefening van de
falconsging de opbrengst (f 140) naar de geblokkeerde aandeelhouder. De
falconswaren separaat beursverhandelbaar, evenals de geblokkeerde aandelen. De geblokkeerde aandeelhouder behield zijn dividendrecht. Werden de
falconsniet uitgeoefend, dan herkreeg de geblokkeerde aandeelhouder aan het einde van de uitoefenperiode het volledige aandeel. In juni 1988 had de belanghebbende 12.114 geblokkeerde aandelen bijgekocht à f 100; in september 1988 20.650
falconsà 39,60; in november 1988 29.439 geblokkeerde aandelen à 112,22; en in december 1988 5.000
falconsà f 75. In 1990 heeft zij haar gehele belang (gewone aandelen, geblokkeerde gewone aandelen, preferente aandelen en
falcons) verkocht aan een derde voor f 367 per gewoon aandeel, f 140 per geblokkeerd aandeel, en f 227 per
falcon. In geschil was of het resultaat op de
falconsonder de deelnemingsvrijstelling viel. U meende van wel:
BNB2003/34) achtte niet relevant is of de schrijver van de optie al dan niet een deelneming heeft:
FED2003/104) daarentegen leidde uit uw
Falcons-arrest af dat u de positie van de
calloptieschrijver wél van belang achtte, maar was het daar niet mee eens (ik laat voetnoten deels weg):
Falcons-arrest iets van hun gading: de Staatssecretaris leidt uit r.o 3.3.1 af dat de aandelen bij de optieschrijver tot een deelneming moeten behoren, waardoor ongedekte opties hoe dan ook niet kunnen meedoen; de belanghebbende maakt uit r.o. 3.3.5 op dat de deelnemingsvrijstelling geldt ongeacht de dekking van overigens kwalificerende opties en leest in r.o. 3.3.7 dat u specifiek aan beurshandel heeft gedacht. Ik lees in het
Falcons-arrest niet dat u aan ongedekte opties heeft gedacht. Het tegendeel ligt meer voor de hand, nu de
falconsgedekt waren door speciaal daarvoor in een trust afgezonderd aandelenbezit.
BNB2005/254 [39] houdt in dat de waardedaling van opties op nieuw te emitteren aandelen die een deelneming zullen vormen onder de deelnemingsvrijstelling valt. Uit dit arrest wordt door sommigen afgeleid dat ook ongedekte callopties onder de deelnemingsvrijstelling kunnen vallen omdat nog te emitteren aandelen net zo min bestaan als bezitloos verkochte aandelen. U overwoog:
BNB2005/260 [40] dat de houder van een converteerbare obligatie voor de deelnemingsvrijstelling als gelijk aan een aandeelhouder moet worden beschouwd:
De Vries(noot in BNB 2005/260) zou de deelnemingsvrijstelling niet moeten gelden als op voorhand vaststaat dat het conversierecht niet zal leiden tot aandeelhouderschap:
BNB2007/61 [42] volgt dat de deelnemingsvrijstelling ook geldt als de belastingplichtige vóórdat hij een deelneming – door optie-uitoefening - verwerft, deze al heeft verkocht, dus zonder (koers)risico te lopen. Op 13 oktober 1998 kwamen twee Belgische rechtspersonen met de belanghebbende (ver)koop overeen van de aandelen G. Op dat moment had de belanghebbende al wilsovereenstemming bereikt met N NV ter zake van de verkoop aan laatstgenoemde van die aandelen G voor f 8 mio méér dan waarvoor de belastingplichtige de aandelen G had verworven. Het Hof had geoordeeld dat de met de (door)verkoop van aandelen in G behaalde winst bij de belanghebbende niet onder de deelnemingsvrijstelling viel. U corrigeerde:
BNB2008/6 [43] onder de deelnemingsvrijstelling vallen. De belastingplichtige in die zaak had in 1996 een converteerbare-obligatielening verstrekt aan haar 33%-deelneming A BV. In 1998 werd de lening in aandelen geconverteerd. In geschil was of de contante waarde van het conversierecht per leninguitgiftedatum tot de belastbare winst 1988 van de belastingplichtige moest worden gerekend. Dat was het geval, maar u overwoog ten overvloede het volgende over de waarde-ontwikkeling van het conversierecht ná toekenning:
BNB2017/11 [44] (Kazachstaans voorkeursrecht) betrof de vraag of de deelnemingsvrijstelling geldt voor een schadevergoeding betaald door een mede-aandeelhouder aan de belanghebbende wegens schending van haar voorkeursrecht op de aandelen gehouden door haar mede-aandeelhouder. U oordeelde van niet omdat (nog) geen recht op levering en tegenprestatie waren overeengekomen:
BNB2003/34, hierna: het arrest
BNB2003/34).
BNB2003/34 is sprake wanneer partijen een dergelijke opsplitsing hebben beoogd en in een overeenkomst (afgesplitste) rechten op het desbetreffende aandeel hebben gecreëerd. Een dergelijke situatie doet zich niet voor in een geval waarin onderhandelingen, gericht op de verkoop van een pakket aandelen, in een zodanig stadium zijn geraakt dat partijen zich niet zonder meer daaruit kunnen terugtrekken.
BNB2017/11 heb ik uw rechtspraak over de toepassing van de deelnemingsvrijstelling op niet-aandelen als volgt samengevat: [45]
belangbij (de waardeontwikkeling van of de dividenden op) dat pakket en (ii) dat van toekomstig, potentieel of voormalig
aandeelhouderschap. De term ‘belang’ wordt mijns inziens door u gebruikt om een rechtsbetrekking aan te geven die een
potentiëleof
voormaligedeelneming vertegenwoordigt; die dus toekomstig, mogelijk of voormalig
aandeelhouderschapvertegenwoordigt: een geheel of gedeeltelijk recht op een kwalificerend aandelenbelang.
warrantsen conversierechten passen naadloos in die benadering. Ook het op het eerste gezicht moeilijker plaatsbare Netwerkorganisatie-arrest HR BNB 2006/7 (zie 5.12) past hierin: u zag in die zaak immers een bij de (vrijgestelde) verkoop van de deelneming voorbehouden recht op (en daarmee een opsplitsing over koper en verkoper van het economische belang bij) de waardeontwikkeling van de verkochte deelneming. Dat de voormalige aandeelhouder, nu belanghouder, geen invloed had op de
realiseerbaarheidvan dat ‘belang’, achtte u niet relevant. Haar behouden belang bij de waardeontwikkeling van haar verkochte deelneming was een kwalificerend residu van haar volle aandeelhouderschap.”
BNB2017/11:
BNB2017/11 (…), aldus dat een deelneming bestaat zodra (i) de belastingplichtige een recht verkrijgt op levering van een (voldoende) pakket aandelen en de plicht heeft haar daarop gerichte tegenprestatie te leveren en (ii) die rechtsverkrijging op haar doen overgaan het risico op waardeverandering en tenietgaan, (iii) zodanig dat zij fiscaalrechtelijk een te activeren bedrijfsmiddel heeft verkregen.
BNB2017/11 in 4.11 hierboven) niet optioneel is).”
Falcons-arrest geen aanwijzingen dat de deelnemingsvrijstelling ook geldt voor de houder van een ongedekte calloptie, maar vermoedt dat dit wel het geval is:
4.2. Ongedekte opties
cash settlementsniet onder de deelnemingsvrijstelling vallen (ik laat voetnoten weg):
4.1. Economische eigendom
3.2. De rol van de juridische eigenaar
Niekel(2013) [58] achtten na onder meer een analyse van uw
Falcons-arrest de deelnemingsvrijstelling wél van toepassing op ongedekte opties:
3.1 Analyse
2.2 Ongedekte posities
Brandsma,
Ruigeen
Bagci(2017) [61] menen dat de houder van een ongedekte optie geen aanspraak heeft op de deelnemingsvrijstelling:
5.2 Afbakening van het begrip “belang”
Martens [68] heeft u niet alle aandelenopties onder de deelnemingsvrijstelling gebracht. Hij acht voorbarig de conclusie dat ook in andere dan door u beoordeelde gevallen aandelenopties zouden zijn vrijgesteld (ik laat voetnoten weg):
8.3 Onduidelijkheden
Falcons-arrest; PJW] ook opgaat in het geval van ongedekte opties (…),”
BNB1976/184 (zie 4.32 hieronder) en HR
BNB1996/7 (zie 4.33 hieronder) over de vraag of een deelneming beneden kostprijs mag worden geactiveerd.
BNB1976/184 [70] volgt dat de kostprijs van een deelneming in beginsel alles omvat wat voor de verkrijging wordt uitgegeven en dat de bedrijfswaarde ten minste gelijk is aan de verkrijgingsprijs. U overwoog:
BNB1996/7 [71] had de belastingplichtige alle aandelen Y BV gekocht en vervolgens inbracht in haar 100%-deelneming F BV tegen een koopsom ver beneden de door haar betaalde prijs. Het verschil wilde zij als kosten tot bescherming van haar marktpositie van haar winst aftrekken, hetgeen de inspecteur weigerde. U overwoog onder meer:
Bescheinigungdie recht geeft op verrekening van dividendbelasting.
BNB1993/180, [72] over een
earn out-regeling volgt dat voor toepassing van de deelnemingsvrijstelling op een vervreemdingsvoordeel meer vereist is dan enig verband met een vroegere deelneming:
BNB2000/318 [73] betrof huurders van onroerende zaken van BV A die via een door hen opgerichte BV C alle aandelen in BV A kochten. Hun belang in BV C was evenredig aan de huur dat zij aan BV A betaalden. Vervolgens wijzigden zij de huurovereenkomsten (huur niet opzegbaar, overdracht huurrecht en onderhuur toegestaan, eenmalig 15% huurverhoging, daarna nog slechts zeer beperkte huurverhoging). Decennia later verkocht de belanghebbende, een BV die één van de huurders was, haar samenstel van rechten (aandelen BV C, schuldbrieven ten laste van BV A en het huurrecht jegens BV A) en rees de vraag of het (enorme) vervreemdingsvoordeel onder de deelnemingsvrijstelling viel. U liet ’s Hofs oordeel in stand dat de boekwinst deels was toe te rekenen aan de huurrechten omdat de belastingplichtige als aandeelhouder (zeer) goedkoop kon huren:
BNB2006/7 [74] (Netwerkorganisatie) volgt dat een voormalig aandeelhouder nog steeds de deelnemingsvrijstelling geniet als hij heeft bedongen dat hij bij een opvolgende verkoop een deel van het verkoopresultaat van zijn doorverkopende koper ontvangt:
Ruigeen
Bagci [76] schrijven het volgende over causaliteit bij de toepassing van de deelnemingsvrijstelling:
6.2 Een causaal verband met het bezit van een deelneming
BNB2017/11 gewezen jurisprudentie kan worden afgeleid dat ons hoogste rechtscollege een onvoldoende causaal verband ziet met een vervreemding bij resultaten die opkomen in de zogenoemde precontractuele fase (vergelijk onder meer
BNB1997/286). Ondanks het feit dat de Hoge Raad in
BNB2017/11 met geen woord rept over een vereiste causaliteit, doch zijn oordeel in belangrijke mate laat leiden door de wens om koper en verkoper fiscaal op dezelfde wijze te behandelen [78] , kan in zoverre worden gesteld dat
BNB2017/11 op dit punt een bevestiging behelst van de bestaande jurisprudentie. Door te overwegen dat voordelen die opkomen in de precontractuele fase niet onder de deelnemingsvrijstelling kunnen worden geschaard, overweegt de Hoge Raad met zoveel woorden dat dergelijke voordelen voor de houder van de deelneming geen causaal verband houden met de vervreemding van zijn deelneming (en hieraan spiegelbeeldig voor de wederpartij geen causaal verband houden met de verwerving van een deelneming). [79] Interessanter is de problematiek inzake betalingen (zoals een schadevergoeding) die opkomen ná de precontractuele fase. Dergelijke betalingen — zo bevestigt de Hoge Raad in
BNB2017/11 — vallen bij beide partijen onder de deelnemingsvrijstelling. Dit oordeel bevat onzes inziens twee elementen. De Hoge Raad overweegt enerzijds dat met het afronden van de precontractuele fase een voor de toepassing van de deelnemingsvrijstelling kwalificerend belang kan ontstaan [80] , terwijl het oordeel anderzijds ook inhoudt dat een causaal verband bestaat tussen de betaalde schadevergoeding en het ontstane belang. Indien wij dit oordeel toepassen op het feitencomplex in HR 6 maart 1985, nr. 22 572,
BNB1985/200, dan ontkomen wij niet aan de conclusie dat de in dat arrest aan de orde zijnde schadevergoeding thans onder de deelnemingsvrijstelling zou worden afgewikkeld. Het voorgaande onderscheid is onzes inziens van belang, omdat ter zake van het eerste oordeel (het verkrijgen dan wel vervreemden van een kwalificerende deelneming: de verwervingsfase) geen nadere vereisten gelden om een voordeel onder de deelnemingsvrijstelling te brengen, terwijl ter zake van het tweede oordeel (de causaliteit) de evenwichtsgedachte voor de Hoge Raad leidend lijkt te zijn.”
ne bis in idem), (2) de evenwichtsgedachte (gelijke fiscale behandeling van vervreemder en verwerver) en (3) het veroorzakingsbeginsel (“(…) de fiscale gevolgen van een feit (moeten) zoveel mogelijk (…) worden gebaseerd op wat het feit heeft veroorzaakt.”).
5.Winsttoerekening aan een vaste inrichting
Report on the Attribution of Profits to Permanent Establishmentsgepubliceerd, dat in 2010 is aangepast (2010 PE-rapport). Het beschrijft of en hoe volgens de OESO resultaten van een onderneming in de ene Verdragstaat moeten worden toegerekend aan een vaste inrichting in de andere Verdragstaat, waarbij de belangrijkste, in 2010 in de tekst van art. 7(2) OESO-Model opgenomen verdeelcriteria zijn:
functions performed, assets useden
risks assumed.
soft lawis, putten zowel de partijen als de feitenrechters uit het PE-rapport 2010 alsof het om rechtspraak zou gaan of om beleidsregels die de fiscus binden op grond van het vertrouwensbeginsel. Dat wordt verklaard door het Besluit van 15 januari 2011 (zie 5.14 hieronder), waarin de Staatssecretaris verklaart dat niet gecorrigeerd wordt als een toepasselijk belastingverdrag weliswaar nog volgens de oude tekst van art. 7 OESO Pro-modelverdrag luidt, maar de winsttoerekening aan de vaste inrichting strookt met het PE-rapport, en dat hij het PE-rapport, hoewel slechts van directe betekenis voor de uitleg van belastingverdragen, ook van groot belang acht bij de uitleg van nationale belastingwetten en van het Besluit voorkoming dubbele belastingen (BvdB). Hij noemt de BRK niet met zoveel woorden, maar ik neem aan dat hij de BRK - een Rijkswet - begrijpt onder nationale belastingwetten.
Authorised OECD Approach(AOA). Dit lijkt mij overigens een overdreven benaming, nu bij mijn weten aan de OESO geen bevoegdheid toekomt om nationale wetgeving, beleid of rechterlijke uitleg van bilaterale belastingverdragen al dan niet te autoriseren. Deze AOA houdt het volgende in (Part I, p. 13):
Reportals volgt (Part I, p. 19-20):
curs. belanghebbende):
The value of the interest acquired(joint ownership, outright ownership or a beneficial interest)
would be determined by reference to comparable transactions between independent enterprises. The PE might be treated as having acquired the intangible or an interest in the intangible at fair market value and so is entitled to depreciate/amortise the interest in the acquired asset using that value, subject to host country depreciation/amortisation rules.”
tradingen
day-to-day risk management functionen dat lijkt mij, gezien de desbetreffende passages in het PE Report (part I, p. 118-119), geenszins onbegrijpelijk, alleen al niet omdat belanghebbendes eenmalige superdividendbelastingarbitrageverdienmodel mijns inziens geen
financial productis zoals bedoeld in dat deel van het PE Report en hoe dan ook evident geen
day-to-daytransactie genoemd kan worden.
NLF2017/1279) meent dat het
PE reportlimietstelling door
senior managementniet ziet als
significant people function. Dit zou blijken uit Part III, p. 123:
trading and risk managementbij een onderneming als die van de belanghebbende als een van de belangrijkste
people functionskan worden aangemerkt, zoals volgt uit Part III, p. 134:
KERT functionin de zin van het PE-rapport kunnen worden beschouwd. De desbetreffende passage (Part III, p. 154) luidt als volgt:
significant people functionsen
KERT function:
2. Winstallocatie vaste inrichtingen
at arm’s lengthhet leeuwendeel van de winstpotentie heeft voorbehouden bij overdracht van de [E] positie. De Rechtbank wees daarbij op HR
BNB1998/385, [86] over overdracht van projecten in de aanloopfase dochtervennootschappen (‘een C B.V.’):
BNB1990/83 en HR
BNB2004/207. In HR
BNB1990/83 [87] overwoog u:
nietovergedragen is, dat niet in de beurskoers is verwerkt, nl. (de kwade en vooral ook de verwachte zeer goede kansen van) het
niet-openbare verdienmodel dat de belanghebbende voordien al had bedacht om eenmalig grootschalig – want op basis van een superdividend met bijbehorende bijzondere en eenmalige R-factor - te kunnen profiteren van de
mismatchtussen de Duitse regels over dividendvervangende betalingen bij
ex-levering van bezitloos
cumverkochte aandelen en het ontbreken van Duitse inhoudingsplicht bij zowel de belanghebbende als haar
custodian bank.
6.Beoordeling van de cassatiemiddelen
Samenvatting
calloptie onvoldoende belang bij een - niet-imaginaire - deelneming doet ontstaan en ervan uitgegaan moet worden dat beurs-
callopties niet gedekt zijn tenzij de koper aannemelijk maakt – of bij overeenkomst regelt - dat zij wél gedekt zijn door werkelijke aandelen, althans dat die daadwerkelijk aan haar geleverd zouden/zullen worden als zij haar
calluitoefent/zou uitoefenen. Mijns inziens is niet vereist dat de schrijver(s) van de
callopties een deelneming houden, als maar aannemelijk wordt gemaakt dat zij de aandelen leveren. Ook als middel (i) zou slagen, zou dat overigens tot niets leiden, omdat middel (iii) faalt.
call-opties op enig moment heeft geleid tot een deelneming van meer dan 5% in [E] . Ook als middel (ii) wél (deels) zou slagen, baat dat de belanghebbende mijns inziens overigens niet, omdat middel (iii) faalt.
ne bis in idem-ratio van de deelnemingsvrijstelling om haar toe te passen op het voordeel), maar met de exploitatie van de
mismatchtussen de Duitse regels over dividendvervangende betalingen bij
ex-levering van bezitloos
cumverkochte aandelen en het ontbreken van Duitse inhoudingsplicht bij zowel de belanghebbende als haar
custodian bank.
KERT functions. Het opmerkelijke gebrek aan documentatie daarvan door de belanghebbende, hoewel het PE-rapport daar juist expliciet om vraagt, heeft het Hof terecht voor haar risico gelaten. Uit hetgeen wél is komen vast te staan, kon het Hof heel wel afleiden dat noch (de waarde van) het – niet-openbare – plan tot dividendbelastingarbitrage, noch de
KERT functionnaar Curacao zijn gegaan.
KERT functionsdan ’s Hofs ruim voldoende gemotiveerde bewijsoordeel inhoudt en kan dus niet tot cassatie leiden.
Falcons-arrest en HR
BNB2017/11 (opgesplitst moet zijn een “belang bij een tot een deelneming behorend aandeel”) en (iii) doel en strekking van de deelnemingsvrijstelling (voorkoming van economische dubbele belasting op dezelfde bedrijfswinst is bij ongedekte opties niet aan de orde). Het Hof heeft daaraan toegevoegd dat (iv) niet aannemelijk is geworden dat de optieschrijvers over de aandelen beschikten, noch dat opsplitsing van het belang bij aandelen [E] voorwerp was van een overeenkomst tussen de optieschrijvers en de belanghebbende. Dat laatste acht het Hof beslissend, gelet op de grondgedachte van de deelnemingsvrijstelling, daarbij verwijzende naar het
Falcons-arrest en HR
BNB2017/11.
Falcons-arrest houdt geen verder gaande eis in dan dat de belastingplichtige bij uitoefening van de opties een deelneming zou hebben verkregen, (ii)
nooittoepassen van de deelnemingsvrijstelling bij ongedekte opties is hoe dan ook onjuist, (iii) uit het Besluit van de staatssecretaris van 12 juli 2010 (zie 4.4 hierboven) blijkt dat de deelnemingsvrijstelling ook geldt bij ongedekte opties en (iv) de eis dat de stellingen van de belanghebbende
zonder meertot de conclusie moeten leiden dat de schrijvers van de callopties over de onderliggende aandelen beschikten, is te streng en daarmee onjuist.
BNB2007/61 in 4.16) en daarom geen deelneming kunnen vormen. Ik ga daarop daarom niet in.
quod non [89] ), valt er mijns inziens geenszins het rechtens relevante vertrouwen aan te ontlenen dat het de toezegging inhoudt dat de deelnemingsvrijstelling geldt voor ongedekte opties. Qua bewijslast hebben Rechtbank (r.o. 30) en Hof (r.o. 4.5.4.4) de last aannemelijk te maken dat de
callopties gedekt waren, op de belanghebbende gelegd. Gegeven dat de belanghebbende zich op een uitzondering op de totaalwinst, nl. op een objectieve vrijstelling beroept, bovendien in een geval waarin niet evident is dat aan de ratio van die vrijstelling wordt voldaan, is die bewijslastverdeling correct als u oordeelt dat ongedekte
callopties niet meedoen.
op zichzelfop gelijke voet moeten worden behandeld als de aandelen op levering waarvan zij bij uitoefening recht geven, zoals bedoeld in het
Falcons-arrest. Het gaat hier
nietom de vraag of de aandelen die de belanghebbende door uitoefening van callopties heeft verkregen een deelneming vormen; die vraag is aan de orde bij middel (ii).
Falcons-arrest.
Falcons-arrest, HR
BNB2017/11 en het Netwerkorganisatie-arrest volgt dat het bij opties moet gaan om “opties op tot een deelneming behorend aandeel” en anders om een tussen twee partijen
beoogdeafsplitsing van een rechtstreeks belang bij (de waardeontwikkeling van) een deelneming van de ene partij die aan de andere een deel van zijn rechtstreekse belang bij (de waardeontwikkeling van) die deelneming afstaat. Dat impliceert dat als het om
callopties gaat, zij gedekt moeten zijn door aandelen die al – bij de schrijver – tot een deelneming behoren. Zo streng hoeft u mijns inziens echter niet te zijn. Met de belanghebbende meen ik dat de aandelen niet tot een reeds bestaande deelneming hoeven te behoren, als zij daartoe maar wel (zouden) gaan behoren als de opties uitgeoefend (zouden) worden. Vereist is dus wel dat de opties gedekt zijn, al is het niet binnen een al bestaande deelneming. Daarmee wordt zeker gesteld dat het – alle belangen bij elkaar opgeteld – om niet meer kan gaan dan precies éénmaal het werkelijke belang bij de werkelijk uitstaande aandelen in de vennootschap om wier bedrijfsresultaat het uiteindelijk gaat. Het voorkomt dat niet-overzienbare spook-, dubbelganger- en synthetische deelnemingen of nog naardere dingen ontstaan. Ik meen daarom met Van der Stok (zie 4.22 hierboven) dat uit de overeenkomt tussen schrijver en koper moet volgen dat bij een daadwerkelijk
callde aandelen ook daadwerkelijk geleverd kunnen en zullen worden. Uitgesloten zijn dan opties op aandelen die slechts als rekengrootheid dienen, opties waarvan
cash settlementop voorhand vaststaat en opties waar niets over te zeggen valt. Daarbij ware de bewijsregel te stellen dat de bewijslast van de vereiste dekking rust op degene die zich op de deelnemingsvrijstelling beroept. Ik ga ervan uit dat dit in de praktijk betekent dat beursopties, anders dan OTC-opties, nauwelijks zullen kunnen meedoen, maar als iedereen dat weet, weet iedereen waaraan hij toe is.
exzou leveren. De aandelen zijn uiteindelijk ook daadwerkelijk aan haar geleverd, zij het volgens de Staatssecretaris niet alle: er waren volgens hem ook
cash settlements. Onduidelijk is echter wat de schrijvers van belanghebbendes
callopties beoogden en of zij op het moment van schrijven enig aandeel [E] bezaten. Hoewel men zou kunnen menen dat dit niet meer ter zake doet als inmiddels vaststaat dat geleverd is kunnen worden, meen ik met de Staatssecretaris dat vermeden moet worden dat men in de achteruitkijkspiegel een vooruitziende blik kan blijken gehad te hebben, [90] omdat zulks tot manipuleerbaarheid van de belastbaarheid van het resultaat kan leiden.
callopties vanaf 4 mei 2007.
free float, dat al die aandelen ook leverbaar zouden zijn geweest. De belanghebbende bestrijdt dit oordeel met in wezen dezelfde argumenten als aangevoerd in middel (i). Bij repliek voegt zij daaraan toe dat slechts kan worden gespeculeerd over het antwoord op de vraag of bij gelijktijdige uitoefening van alle opties alle desbetreffende aandelen [E] leverbaar zouden zijn geweest.
call-opties op enig moment heeft geleid tot een deelneming van meer dan 5% - en hoeveel precies meer - in [E] .
calloptiesen de leveringsverplichting, ziet het middel klaarblijkelijk ook op het voordeel uit hoofde van de verkoop van de – in het middel immers expliciet genoemde - 10,7 mln. rechtstreeks gekochte aandelen [E] . Het middel stelt de vraag of bij de verkoop van de op diverse wijzen verworven aandelen [E] het dividendbelastingarbitragevoordeel ad € 7,34 per aandeel ‘uit hoofde van’ de deelneming [E] is verkregen.
custodian bank, (iv) zodat geen sprake is van economische dubbele belasting van dezelfde bedrijfswinst en (v) een ander voordeel dan het dividendbelastingvoordeel niet aannemelijk is gemaakt. Dat er cijfermatige gelijkenis is tussen de dividendvervangende betaling en het ‘echte’ dividend doet maakt dat volgens het Hof niet anders.
ne bis in idembeginsel komt zijns inziens uitsluitend de eerste ontvanger van het dividend de deelnemingsvrijstelling toe.
cumdividend koopt. De koper heeft op grond van de Duitse wetgeving bij levering
exdividend, zoals in casu recht op een
nettodividendvervangende betaling plus een
Bescheinigungdie recht geeft op verrekening of teruggaaf van € 7,34 jegens de Duitse fiscus. Volgens het Duitse stelsel zou het rond moeten lopen doordat de belanghebbende de niet aan de koper betaalde € 7,34 afdraagt aan de Duitse fiscus als dividendbelastingvervangende betaling ter zake van haar dividendvervangende betaling, maar daar kon de belanghebbende tussendoor fietsen omdat noch zij, noch haar
custodian bankaan de Duitse (inhoudings)belastingjurisdictie was onderworpen. Door dit gapende lek in het Duitse stelsel kon de belanghebbende de € 7,34 dus in eigen zak steken, zij het dat de kopers op de hoogte waren van belanghebbendes voordeel en daar een deel van opeisten in de prijsvorming.
mismatchin het Duitse systeem, waarmee gegeven is dat ook een beoordeling op basis van het veroorzakingsbeginsel tot de conclusie leidt dat het voordeel niet zozeer veroorzaakt wordt door [E] ’s bedrijfswinst, dividend, winstpotentie of waarde-ontwikkeling, maar volstrekt overwegend door het gapende lek in de Duitse wetgeving in geval van een niet-ingezeten grootschalig
shorten
cum sellingverkoper met een eveneens niet-ingezeten
custodian bank.
BNB1993/180 (zie 4.35 hierboven) blijkt dat niet voldoende is dat er een verband is met een (vroegere) deelneming. U achtte beslissend dat geen rechtstreeks verband bestond met de waarde van de vervreemde aandelen. Het recht op toekomstige uitkeringen kon naar zijn aard zelfstandig tot winsten en verliezen leiden. In belanghebbendes geval houdt het voordeel van € 7,34 per aandeel geen rechtstreeks verband met de waarde van de aandelen [E] , maar met de waarde van de
Bescheinigungjegens de Duitse fiscus en het ontbreken van de daar normaal wel bijhorende afdrachtplicht jegens die fiscus, welke
Bescheinigungeen vermogensbestanddeel is dat naar zijn aard zelfstandig tot resultaten leidt.
BNB2000/318 (zie 4.36 hierboven) bleek niet het aandeelhouderschap, maar het goedkope-huurderschap de toegang tot het voordeel te geven. Evenzo geeft in ons geval niet zozeer het aandeelhouderschap de toegang tot het voordeel, maar volstrekt overwegend een andere hoedanigheid, nl. die van niet-inhoudingsplichtige voor de Duitse dividendbelasting, die rekenkundig precies tot juist dit voordeel leidt.
watis er op 11 april 2007 overgedragen door hoofdhuis [B] aan filiaal [B] BC en (ii)
welke waardehad dat? De belanghebbende stelt ad (i) niet te begrijpen wat er nog meer over zou moeten zijn gegaan dan de [E] -positie, die volgens haar het hele plan vertegenwoordigde, zodat (ad (ii)) slechts de waarde van de beurskoers van die positie ad 4,7 mln is overgegaan. Zij verwijst naar HR
BNB1990/83 (zie 5.17 hierboven) en HR
BNB2004/207 (zie 5.18 hierboven) en op § 208 van Part I van het PE-rapport (zie 5.9 hierboven). Zoals in 5.19 opgemerkt, acht ik geen van beide arresten relevant voor belanghebbendes geval. Ook de passage uit het PE-rapport lijkt mij niet relevant, die inhoudt dat in beginsel bij ‘comparable transactions’ moet worden aangesloten.
nietovergegaan naar Curacao, nl. een immateriële actief: het dividendbelastingarbitrage-verdienplan. Volgens de belanghebbende daarentegen was er geen dergelijk immaterieel actief, had het althans geen eigen waarde los van de beurswaarde van de overgegane [E] -positie. Middel (iii) bestrijdt dus het feitelijke oordeel dat er niet alleen een [E] -positie, maar ook een [E] -strategie was met een eigen waarde die niet in de beurskoers tot uitdrukking kwam.
KERT function. Het kennelijke en opmerkelijke algehele gebrek aan documentatie daaromtrent in belanghebbendes administratie, hoewel het PE-rapport daar juist expliciet om vraagt, heeft het Hof terecht voor belanghebbendes risico gelaten. Uit hetgeen wél is komen vast te staan uit ’s Hofs voorbeeldige feitenonderzoek, kon het Hof heel wel afleiden dat alleen de [E] -positie was overgedragen en niet de (waarde van de) intellectuele eigendom van het – geheime – plan tot exploitatie van de
mismatchtussen de Duitse regels over dividendvervangende betalingen bij
ex-levering van bezitloos
cumverkochte aandelen en het ontbreken van Duitse inhoudingsplicht bij zowel de belanghebbende als haar
custodian bank. Op basis van dat geenszins onbegrijpelijke of onvoldoende gemotiveerde feitelijke oordeel heeft het Hof terecht het gevolg getrokken dat als de winstcapaciteit van het eenmalige verdienmodel wél aan [B] BC was overgedragen, daarvoor
at arm’s lengtheen veel hogere prijs van – volgens belanghebbendes eigen inschatting - minstens € 50 mio extra gevraagd zou zijn. Uit het oordeel dat alleen de positie en niet de verdiencapaciteit is overgedragen, volgt logisch dat ook de onverwachte meevaller bij de uitvoering van het in Amsterdam gebleven plan, al dan niet omdat andere partijen zaten te slapen tijdens de slot-
auction, in Amsterdam gelokaliseerd moet worden.
KERT functionkan weliswaar onder omstandigheden tot een andere toerekening nopen, maar dan moet de partij die dat wenst, de daartoe nopende feiten moeten stellen en bewijzen.
KERT functionop Curacao zat. De klacht over de bewijslastverdeling faalt daarom naar mijn mening.
hedged[E] -positie werd weinig risico gelopen en [M] ’ werkzaamheden konden niet als KERT worden aangemerkt. De belanghebbende bepleit een andere weging van de risico’s genomen door en de werkzaamheden van – met name – [M] en daarmee een ander feitelijk oordeel, waarover de Hoge Raad echter niet gaat. Ik herhaal dat ’s Hofs feitenonderzoek, inclusief getuigenverklaringen, en zijn motivering mij voorbeeldig lijkt. Ook de (motiverings)klacht over de bewijswaardering faalt daarom naar mijn mening.