Conclusie
4.Het eerste middel
(…)”
(…)
(…)
(…)
5.Het tweede middel
“het hof dus uit [gaat] van een andere selectie en waardering van de voorhanden zijnde bewijsmiddelen dan de verdediging”. In het onderhavige geval gaat het echter om de vraag of iemand moet worden opgeroepen om deze te (doen) horen, teneinde dusdoende het ‘beschikbare materiaal’ uit te breiden c.q. de inhoud en betrouwbaarheid van dat materiaal te wijzigen. De overwegingen van het hof veronderstellen dat het hof niet de voorwaarde ‘geen vrijspraak’, maar de voorwaarde ‘wel bewezenverklaring’ heeft gelezen als de bij het verzoek behorende voorwaarde. Het hof zou zo bezien bij de beoordeling van het verzoek betrokken hebben dat het feit bewezen is, met welke redenering nooit sprake zou kunnen zijn van de noodzaak van nader onderzoek.
verdachtes betrokkenheid aldus al op basis van ander bewijsmateriaal genoegzaam is komen vast te staan”en de overweging dat (daarin) geen verschil kan komen door een verklaring van [getuige 6] . Volgens de stellers van het middel moet er eerst beslist worden op een verzoek voordat een eindoordeel geveld kan worden, hetgeen slechts anders is indien het (getuigen)verzoek in kwestie ziet op de strafmaat. Dat de verdachte uiteindelijk - middels hetzelfde arrest - schuldig bevonden is zou aan het voorgaande niets af kunnen doen.
6.Het derde middel
Yakhymovych tegen Oekraïneoverwogen (met weglating van verwijzingen):
Yakhymovych tegen Oekraïneoverwogen (met weglating van verwijzingen):
Bannikova v. Russia(…). These criteria are summarised below (…).
agent provocateurcomplaint (…).
Ramanauskas(…):
agent provocateurclaim, as well as the procedural guarantees relating to the disclosure of evidence and questioning of the undercover agents and other witnesses who could testify on the issue of incitement (…).
substantive test of incitementin het voordeel van de verdachte moet uitvallen door, kort gezegd, aan te voeren dat de verdachte “door de pseudokoper ergens toe is gebracht, waar zijn opzet niet op was gericht: niet aannemelijk is immers, dat cliënt ook naar vuurwapens op zoek zou zijn gegaan als A-3930 niet in zijn leven verschenen was met de wensen [
AEH: die] hij had”. Dit zou moeten leiden tot niet-ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie in de vervolging. De raadsvrouw heeft in dit verband, ter onderbouwing van het door haar ingenomen standpunt, het volgende aangevoerd (met weglating van voetnoten; met verwijzing naar het paginanummer van de pleitnota):
grof geld’ voor te willen betalen” (p. 15);
weer opnieuw wil beginnen’” (p. 16);
in ieder geval geholpen hebben’ (p. 19).
De lange Antiliaan, die woont in het pand [b-straat 1] in [plaats] (opmerking Hof: betreft het adres waarop [medeverdachte 2] op dat moment stond ingeschreven), is in het bezit van een echt handvuurwapen. Dit handvuurwapen betreft een pistool. Hij heeft dat vuurwapen altijd in zijn nabijheid/bij zich, tenzij hij boodschappen gaat doen”.
Pajo, de Antiliaan van de [c-straat] in [plaats] (opmerking Hof: [medeverdachte 1] stond op dit moment ingeschreven op het adres [c-straat 1] te [plaats] ) is in het bezit van een pistool en een shotgun. Het is niet bekend waar hij deze wapens bewaart. Als Pajo 's avonds of ‘s nachts met [medeverdachte 2] de straat op gaat hebben zij deze wapens vaak bij zich. Zij verplaatsen zich in een kleine blauwe auto. Deze auto is beschadigd”.
[verdachte] houdt zich onder andere bezig met inbraken, ramkraken, rippartijen en autodiefstallen. Hij pleegt deze feiten samen met andere Antillianen. Een van hen woont aan de [b-straat] in [plaats] , nabij de verkeerslichten met de [d-straat] . Deze Antilliaan is ongeveer 25 jaar oud. De auto's die zij stelen zijn van de merken BMW en Volkswagen, meestal type Golf. Op de momenten dat zij op pad gaan dan dragen zij nep brillen”.
Op 25 september 2015 heeft een Antilliaan met de bijnaam " [verdachte] ", [slachtoffer 1] doodgeschoten. Deze Antilliaan komt uit de [wijk] in [plaats] . Twee weken voordat [slachtoffer 1] werd geliquideerd heeft een gewelddadige confrontatie plaatsgevonden tussen [slachtoffer 1] en die " [verdachte] ". Tijdens die confrontatie is door [slachtoffer 1] geschoten".
De lange [medeverdachte 2] is in het bezit van een echt pistool”.
[medeverdachte 1] heeft de beschikking over enkele vuurwapens, waaronder een shotgun. Het is niet bekend waar hij, deze, vuurwapens, bewaart".
antwoorde dat (...) als ik wapens wilde hebben hij hier zelf wel voor kon zorgen. Ik vroeg aan [betrokkene 1] wat hij kon leveren omdat ik een specifieke smaak heb en toen vertelde hij dat hij bijna alles kon leveren (...). [betrokkene 1] vertelde dat hij wel een Glock 19 met 1 normale houder en een houder met 30 patronen kon leveren voor 2500 euro. Verder kon hij een CZ leveren voor 1600 euro. Beide waren nieuw en schoon: [betrokkene 1] gaf ook aan dat de Glock met een burst functie was. Ik vroeg aan [betrokkene 1] of hij deze voor mij zou kunnen regelen waarop [betrokkene 1] zijn telefoon pakte en een bericht ging versturen.".
Vervolgens zei [betrokkene 1] tegen mij dat hij de Glock en CZ, waar we het gisten over hadden gehad kon leveren, en dat hij ook AK’s kon regelen. Ik vroeg hoe die AK’s geleverd werden en uit welk land ze afkomstig waren. [betrokkene 1] gaf aan dat het Russische waren met verschillende houders. De normale met 30 patronen of de "banaan" met 60 patronen of de trommel met 120 patronen. De trommel hadden ze nu niet beschikbaar maar hadden ze wel gehad en zouden ook weer komen. [betrokkene 1] vertelde dat de AK met trommel als patroonhouder was gebruikt om iemand "onder de douche" te zetten en dus was weggemaakt om de sporen uit te wissen en daardoor kon hij er niet meer over beschikken”.
“Op een gegeven moment zegt [betrokkene 1] tegen mij dat de speeltjes die hij voor me zou regelen gingen lukken maar dat er wel een paar veranderingen zouden zijn. [betrokkene 1] geeft in dit gesprek aan dat de CZ die hij kon regelen er niet was maar dat het om een Glock 19 ging. Verder gaf [betrokkene 1] aan dat de loods geregeld gaat worden (…). Verder geeft [betrokkene 1] aan dat hij ook AK’s kan regelen maar dat dat nu wat lastig is, maar dat ze binnenkort gewoon weer binnen komen. lk geef aan dat gebruikte AK’s geen probleem zijn, zolang ze maar geregeld worden met trommels. [betrokkene 1] geeft aan dat hij naar Limburg zal gaan om alles te regelen.”
“we gaan eerst kijken of Chanel thuis is voor je speeltjes. (…)
“Op woensdag 18 mei 2016 ontmoette ik Chanel omstreeks 14:20 uur bij zijn woning aan de [f-straat] te [plaats] . We hebben een gesprek in het schuurtje van Chanel. Chanel begint zonder aanleiding direct dat hij de 2 AK’s kan leveren maar dat de overige 4 niet geleverd kunnen worden omdat zijn contact deze zelf wil houden (…). lk geef bij Chanel
“voor zover dat bij de uitvoering van het opsporingstraject mogelijk is”. Het enkele feit dat van veel de verdachte(n) belastende gesprekken tussen hen en de WOD-er geen audio(visuele) opnamen zijn gemaakt, betekent dan ook niet zonder meer dat de van die gesprekken opgemaakte processen-verbaal c.q. de bij die gelegenheden afgelegde verklaringen van de verdachten per definitie onbetrouwbaar en/of onbruikbaar zouden zijn voor het bewijs. Bovendien kon het onderzoeksteam ten tijde van de inzet van de WOD-er nog niet op de huidige rechtspraak van de Hoge Raad zijn bedacht. Dat betekent dat het onderzoeksteam ook niet verwijtbaar niet heeft onderzocht of en zo ja op welke momenten tijdens de inzet van de WOD-er een opname van te voeren gesprekken tussen de WOD-er en de verdachte(n) wél mogelijk en verantwoord zou zijn.
general rule’ voorschrijft dat “
undercover agents and other witnesses who can testify on the issue of incitement should be heard in court and cross-examined by the defence, or at least that detailed reasons should be given for a failure to do so”, terwijl het hof het voorwaardelijke verzoek heeft afgewezen op de grond dat het “zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht” acht en dat “de noodzaak van het gevraagde onderzoek niet gebleken” is.
een culminatie van knelpunten’ bestond. Korvinus beschrijft een werksfeer die door betrokkenen zelf als ‘
giftig en manipulatief’ wordt getypeerd en hij beschrijft dat angst om toeslagen en voorzieningen kwijt te raken ertoe leidt dat binnen het team WOD ‘
perverse prikkels ontstaan om zich te profileren’ en elkaar onderling niet aan te spreken of te corrigeren.
perverse prikkels om zich te profileren’. Uw Hof kan er bij deze stand van zaken alleen maar naar raden. Genoemde rapporten lagen er immers nog niet toen A-3930 en zijn begeleiders zijn gehoord in 2018 en 2019.
witnesses who could testify on the issue of incitement”, dat in eerste aanleg alleen A-3930 als getuige is gehoord, dat in hoger beroep alleen A-3930 en “één van zijn begeleiders, verbalisant B-2522” zijn gehoord en dat het hof geen “
detailed reasons” heeft gegeven waarom het horen niet heeft plaatsgevonden.
Lagutin e.a. tegen Rusland. In deze zaak overwoog het EHRM onder meer als volgt (met weglating van alle verwijzingen behalve op een na): [22]
Bannikova v. Russia(no. 18757/06, §§ 33-65, 4 November 2010) (…). Those directly applicable in the instant cases are reiterated below.
permissible conduct’ te onderscheiden van ‘
entrapment’ heeft het EHRM in 2010 in
Bannikova tegen Ruslandeen aantal rechtsregels geformuleerd, waar het EHRM in
Lagutin e.a. tegen Ruslandnaar verwijst (§ 89). [23] Nadien zijn deze rechtsregels samengevat in
Matanović tegen Kroatië, [24] welke samenvatting ook te vinden is in de uitspraak
Yakhymovych tegen Oekraïne, waarvan de voor de bespreking van dit middel relevante overwegingen reeds zijn weergegeven onder 7.3. [25] Uit deze uitspraken volgt dat het horen van “
undercover agents and other witnesses who could testify on the issue of incitement” valt onder de “
procedural test of entrapment”. [26] In
Yakhymovych t. Oekraïneoverwoog het EHRM dat “
if the Court’s findings under the substantive test are inconclusive” of als het EHRM op basis van de “
substantive test” vaststelt “
that an applicant was subjected to incitement”het noodzakelijk is “
to proceed, as a second step, with the procedural test of incitement”
.Het EHRM past die test toe
“to determine whether the necessary steps to uncover the circumstances of an arguable plea of incitement were taken by the domestic courts and whether in the case of a finding that there has been incitement or in a case in which the prosecution failed to prove that there was no incitement, the relevant inferences were drawn in accordance with the Convention”. [27] Uit het voorgaande volgt dat aan de
“procedural test” alleen wordt toegekomen indien de bevindingen van de “
substantive test” “
inconclusive” zijn.
substantive test”. Aan de “
procedural test” is het hof niet toegekomen en hoefde het hof ook niet toe te komen. De opvatting – voor zover de stellers van het middel die voorstaan – dat, indien op grond de
substantive testkan worden geconcludeerd dat “
the domestic authorities investigated the applicant’s activities in an essentially passive manner and did not incite him or her to commit an offence”, het EHRM voorschrijft dat “
undercover agents and other witnesses who could testify on the issue of incitement should be heard in court and be cross-examined by the defence, or at least that detailed reasons should be given for a failure to do so”, vindt geen steun in het recht. Gelet op het bovenstaande getuigt ‘s hofs oordeel niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
9.Het zesde middel
Bovendien kon het onderzoeksteam ten tijde van de inzet van de WOD-er nog niet op de huidige rechtspraak van de Hoge Raad zijn bedacht. Dat betekent dat het onderzoeksteam ook niet verwijtbaar niet heeft onderzocht of en zo ja op welke momenten tijdens de inzet van de WOD-er een opname van te voeren gesprekken tussen de WOD-er en de verdachte(n) wél mogelijk en verantwoord zou zijn.
10.Het zevende middel
11.Het achtste middel
Het hof onderkent het gegeven dat zeer behoedzaam moet worden omgegaan met de verdachte belastende verklaringen van een medeverdachte. Medeverdachten kunnen immers bijvoorbeeld ongestraft liegen als verdachte in hun eigen strafzaak of wegens eigen belangen bij de uitkomst van de strafzaak geneigd zijn om hun eigen aandeel te bagatelliseren ten koste van de verdachte. Er kunnen ook nog andere redenen bestaan voor het onwaar verklaren door een medeverdachte ten koste van de verdachte. Het hof is, die behoedzaamheid in acht nemend, er evenwel niet van overtuigd geraakt dat de medeverdachte wegens bovenstaande of andere hem moverende redenen de verdachte ten onrechte belast. De [medeverdachte 1] dicht zichzelf een veel grotere rol toe dan de verdachte. Hij wijst zichzelf en een ander immers als de schutters aan en dicht de verdachte de rol toe van chauffeur. Van het bagatelliseren van zijn eigen aandeel ten koste van de verdachte is zo bezien geen sprake. Het hof heeft ook anderszins geen redenen gevonden welk belang de [medeverdachte 1] in zijn eigen strafzaak zou kunnen hebben om de verdachte ten onrechte betrokkenheid bij het schietincident in de schoenen te schuiven. De verdediging heeft gewezen op het belang bij de medeverdachte om onder zijn in eerste aanleg opgelegde levenslange gevangenisstraf uit te komen, maar dat vermag het hof niet goed in te zien. Immers, ook met een bekennende verklaring loopt [medeverdachte 1] in hoger beroep een aanzienlijke risico op wederom de oplegging van een levenslange gevangenisstraf. Welke rol het aanwijzen van de verdachte daarin ten gunste van [medeverdachte 1] zou moeten of kunnen spelen, ziet het hof niet.
Betoogd wordt dat ’s hofs oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] niet ‘sole or decisive’ zijn onbegrijpelijk is. Volgens de stellers van het middel is het oordeel dat de verklaringen van [medeverdachte 1] misbaar zijn en de bewezenverklaring eigenlijk voor het overgrote deel op verdachtes eigen verklaringen tegenover de WOD-er berust een onbegrijpelijke - en ongeloofwaardige - slag in de lucht, die niet anders begrepen kan worden dan als ‘cassatie-proofing’ van het gebruik van [medeverdachte 1] verklaringen. Het hof zou immers mede aan de (bekennende) verklaringen van [medeverdachte 1] (bewijsmiddel 8) hebben ontleend dat de verdachte daadwerkelijk bij het schietincident aanwezig was en gebruikt dit ter nadere ondersteuning van de uitlatingen van de verdachte tegenover de WOD-er. Reeds daarom zou het oordeel dat [medeverdachte 1] verklaring een misbare rol in de bewijsvoering speelt onbegrijpelijk zijn. Ook zou het oordeel over het gewicht van [medeverdachte 1] verklaringen onhoudbaar zijn in het licht van hetgeen het hof ten grondslag heeft gelegd aan zijn verwerping van het verweer dat sprake is geweest van een één-tweetje tussen medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] om de verdachte ten onrechte te belasten. Volgens de stellers van het middel dragen de verklaringen van [medeverdachte 1] ‘significant weight’ in de bewijsconstructie. Daaraan kan niet afdoen dat het hof op enkele plaatsen in het arrest heeft gesteld dat de betrokkenheid van de verdachte ‘vooral’ of ‘mede’ aangenomen wordt op basis van zijn eigen uitlatingen. Verder zou ook hetgeen het hof over het bestaan van compenserende factoren overweegt onbegrijpelijk zijn, omdat het innerlijk tegenstrijdig is dat het hof enerzijds overweegt dat compensatie bestaat in het horen van een de auditu getuige en in een ander kader - in verband met de verklaring van [getuige 6] - overweegt dat een de auditu getuige ‘geen redelijke twijfel kan zaaien’. Dat compensatie geacht wordt te bestaan in de omstandigheid dat met betrekking tot niet gewraakte uitlatingen van [medeverdachte 1] waarvan wél auditieve opname bestaan, het proces-verbaal van A-3930 steeds ‘nagenoeg goed overeenkomen met hetgeen als het gesprokene op de audio-opnamen van die gesprekken valt waar te nemen’ zou eveneens onbegrijpelijk zijn, omdat dat ook slechts ziet op de de-auditu-verslaglegging en niet op de vraag of datgene wat de auditu is verslagen, daadwerkelijk overeenstemt met de werkelijkheid en er slechts (begrijpelijk) van compensatie kan worden gesproken wanneer het de gesprekken in kwestie betreffen die opgenomen zijn. Dat er sprake is van ondersteunend bewijs dat compensatie vormt zou eveneens onbegrijpelijk zijn, nu geen sprake is van ‘uncontested evidence’ noch van ‘real’ of ‘tangible evidence’. Resumerend wordt gesteld dat door de opgeworpen onbegrijpelijkheden ook het overkoepelende oordeel dat [medeverdachte 1] verklaringen zonder schending van artikel 6 EVRM Pro tot het bewijs kunnen worden gebezigd onbegrijpelijk is.
(…)
3. Zijne opgaven kunnen alleen te zijnen aanzien gelden.”