Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
eerste geschilpunt, heeft het Hof eerst de gebeurtenissen vanaf het aanspreken tot het aanhouden van belanghebbende samengevat. Belanghebbende heeft toestemming gegeven om in het bestuurdersdeel te kijken en heeft vervolgens uit eigen beweging de laadruimte geopend waarna duidelijk werd dat die laadruimte, in tegenstelling tot zijn daarvoor gegeven verklaring dat deze leeg was, vol stond met kartonnen dozen. Belanghebbende heeft vervolgens aangegeven niet akkoord te gaan met het openen van de kartonnen dozen door de politieambtenaren. Pas nadat één van de politieambtenaren bij belanghebbende aangaf bevoegd te zijn de lading te onderzoeken op grond van art. 5:19 Awb Pro heeft belanghebbende aangegeven er geen problemen mee te hebben dat de lading geopend en doorzocht zou worden, onder de voorwaarde dat de politieambtenaren inderdaad bevoegd waren.
tweede geschilpunt, of het strafrechtelijk onrechtmatig verkregen bewijs kan worden gebruikt voor de belastingheffing, heeft het Hof vooropgesteld dat naar vaste jurisprudentie het heffen van belasting niet betreft de 'determination of civil rights and obligations' in de zin van art. 6 EVRM Pro. [14] Gelet hierop en omdat in onderhavige zaak (ook) geen bestuurlijke boete (criminal charge) aan de orde is, is dit artikel dus niet van toepassing. Het beroep van belanghebbende op dit artikel faalt.
3.Het geding in cassatie
De toezichthouder zal zijn bevoegdheden niet meer mogen gebruiken voor zover zij uitsluitend gericht zijn op de strafvorderlijke afdoening.
doorzoeken. «Doorzoeken» is een in het kader van strafvordering gebezigde term ter aanduiding van een activiteit die wordt verricht om zaken op te sporen (en daarna in beslag te nemen) waarvan op het moment van doorzoeken nog niet vaststaat waar deze zich precies bevinden (vgl. wetsvoorstel 23 251, waarin «doorzoeking» het oude begrip «huiszoeking» vervangt). Bij «onderzoeken» in het kader van het toezicht op de naleving gaat het om controle van zaken waarvan wel bekend is waar ze zich bevinden.”
Artikel 5:18
strafrechtelijkonrechtmatig is verkregen. Het bewijsmateriaal is immers verkregen doordat een bestuursrechtelijke toezichtsbevoegdheid onbevoegdelijk is gebruikt. Moet dan niet eerder worden gezegd dat het bewijs bestuursrechtelijk onrechtmatig is verkregen? En hoe moet daarmee om worden gegaan?