ECLI:NL:PHR:2026:580

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
25/02180
Type
Conclusie
Uitkomst
Aangehouden
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:61 AwbArt. 8:77 AwbArt. 83 Wet ROArt. 8:67 AwbArt. 8:44 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Gevolgen van het ontbreken van griffierondertekening op proces-verbaal en uitspraak in belastingzaak

De zaak betreft een belastinggeschil over de aanslag inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) 2017 van belanghebbende, die in dat jaar is gescheiden. De geschilpunten betreffen de aftrekbaarheid van eigenwoningrente, financieringskosten en onderhoudsverplichtingen. Het Hof heeft belanghebbende in het ongelijk gesteld op alle punten.

Belanghebbende stelde in cassatie vier middelen voor, waarvan het vierde middel klaagt over het ontbreken van de griffierondertekening op het proces-verbaal en de uitspraak van het Hof, zonder vermelding van verhindering. Dit zou in strijd zijn met art. 8:61(6) en 8:77(3) Awb en tot vernietiging moeten leiden.

De conclusie onderzoekt uitgebreid de wettelijke bepalingen, de wetshistorie, en relevante jurisprudentie over het ondertekeningsvereiste. Het ondertekeningsvoorschrift is terug te voeren op de Beroepswet 1902 en is bedoeld om authenticiteit en bewijskracht te waarborgen. Rechtspraak bevestigt dat het ontbreken van de griffierondertekening op het originele exemplaar van de uitspraak tot vernietiging kan leiden.

De conclusie onderscheidt tussen het proces-verbaal en de uitspraak. Schending van het ondertekeningsvoorschrift voor het proces-verbaal leidt niet op zichzelf tot vernietiging. Voor de uitspraak is het oordeel afhankelijk van of het originele exemplaar door de griffier is ondertekend. Bij ontbreken daarvan kan vernietiging volgen, tenzij het verzuim kan worden hersteld.

De conclusie pleit voor een pragmatische benadering waarbij eerst bij het Hof inlichtingen worden ingewonnen om te bepalen of het ontbreken van de griffierondertekening een omissie is die kan worden hersteld. Indien herstel mogelijk is, verdient dat de voorkeur boven vernietiging. De Hoge Raad wordt geadviseerd deze inlichtingen in te winnen en daarna te beslissen over verdere behandeling van de overige middelen.

Uitkomst: De Hoge Raad overweegt inlichtingen in te winnen bij het Hof over de griffierondertekening en stelt beoordeling van het middel uit.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/02180
Datum12 juni 2026
BelastingkamerDerde kamer B
Onderwerp/tijdvakInkomstenbelasting/premie volksverz. 2017
Nr. Gerechtshof 24/160
Nr. Rechtbank HAA 22/192
CONCLUSIE
M.R.T. Pauwels
In de zaak van
[X] (belanghebbende)
tegen
Staatssecretaris van Financiën (de Staatssecretaris)

1.Inleiding en overzicht

De zaak

1.1
Deze zaak gaat over de aan belanghebbende opgelegde aanslag IB/PVV voor het jaar 2017. Belanghebbende is in dat jaar van zijn toenmalige echtgenote gescheiden. De geschilpunten over de aanslag houden direct of indirect verband met de echtscheiding. Voor zover in cassatie nog van belang was voor het Hof in geschil (i) of belanghebbende een hoger bedrag aan eigenwoningrente in aftrek kan brengen dan de Inspecteur heeft toegestaan, (ii) of een bedrag van € 343.497 kan worden aangemerkt als (aftrekbare) financieringskosten van de eigen woning, en (iii) of belanghebbende uitgaven voor onderhoudsverplichtingen in aftrek kan brengen. Het Hof heeft belanghebbende op al deze geschilpunten in het ongelijk gesteld.
1.2
Belanghebbende heeft cassatie ingesteld en daarbij vier middelen voorgesteld. Drie ervan zien op de genoemde geschilpunten.
1.3
Het vierde middel stelt dat de uitspraak van het Hof moet worden vernietigd omdat in strijd met art. 8:61(6) en 8:77(3) Awb is gehandeld doordat de griffier het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van het Hof (het proces-verbaal) en de uitspraak van het Hof niet heeft ondertekend, en van de verhindering om te ondertekenen geen melding is gemaakt in het proces-verbaal respectievelijk de uitspraak.
Reden voor selectie
1.4
Ik heb deze zaak geselecteerd voor conclusie in verband met zowel de materieelrechtelijke geschilpunten als de door het vierde middel opgeworpen kwestie wat de gevolgen zijn indien niet is gehandeld in overeenstemming met de ondertekeningsvoorschriften voor het proces-verbaal en de uitspraak.
Een onverwachte wending: bespreking van alleen het vierde middel
1.5
Ik was voornemens in deze conclusie alle middelen te bespreken. Onderdeel ‎2 van deze conclusie is daarop ook gericht. Het onderzoek voor het vierde middel – dat een voorvraag aansnijdt en daarom als eerste behandeld moet worden – leidde me echter tot de bevinding dat de zaak mogelijk moet worden teruggewezen dan wel verwezen in verband met een schending van het ondertekeningsvoorschrift van art. 8:77(3) Awb. Zoals nader uiteengezet in onderdeel ‎4 heb ik er daarom van afgezien om in deze conclusie de overige middelen te behandelen – afhankelijk van het verdere verloop van de procedure neem ik mogelijk een aanvullende conclusie om die middelen te bespreken.
Bespreking vierde middel
1.6
Ik bespreek het vierde middel in onderdeel ‎3. Eerst komen aan de orde: (i) de bepalingen in de Awb waarin het ondertekeningsvereiste is opgenomen (‎3.2-‎3.5), (ii) de wetshistorie van het ondertekeningsvoorschrift in de Awb, waarbij ik beland bij de Beroepswet uit 1902 (‎3.6-‎3.9), (iii) het ondertekeningsvoorschrift in de WARB en in de Wet op de raden van beroep (‎3.10-‎3.11), (iv) een kort rechtsvergelijkend uitstapje naar het civiele procesrecht en het strafprocesrecht (‎3.12-‎3.15), (v) de ratio van het Awb-vereiste van ondertekening door de griffier (‎3.16-‎3.19), en (vi) rechtspraak over het voorschrift tot ondertekening van de uitspraak (‎3.20-‎3.27).
1.7
Daarna kom ik toe aan bespreking van het middel. Ik bespreek daarbij eerst of het niet-voldoen aan het ondertekeningsvoorschrift voor het proces-verbaal op zichzelf tot vernietiging van de uitspraak kan leiden. Ik meen dat het antwoord ontkennend luidt en dat het middel daarom in zoverre niet tot cassatie kan leiden (‎3.28-‎3.35).
1.8
Het zwaartepunt is de kwestie of de omstandigheid dat niet wordt voldaan aan het ondertekeningsvoorschrift voor de uitspraak voor zover het gaat om ondertekening door de griffier, tot vernietiging van de uitspraak kan leiden. Van belang daarbij is dat de Hoge Raad van oudsher in belastingzaken groot belang hecht aan inachtneming van het ondertekeningsvoorschrift, blijkens rechtspraak gewezen voor de Wet op de raden van beroep (‎3.37 en ‎3.23-‎3.25). Hoewel betoogd kan worden dat die rechtspraak niet zonder meer leidend is onder de Awb (‎3.38-‎3.39), duiden literatuur en rechtspraak van de (andere) hoogste bestuursrechters erop dat ook onder de Awb het ondertekeningsvoorschrift als een substantieel vormvoorschrift wordt gezien waarvan schending tot vernietiging van de uitspraak leidt (‎3.40). Uit een uitspraak van de ABRvS van 21 augustus 2019 kan worden afgeleid dat dit ook zo is indien het ondertekeningsvoorschrift wordt geschonden voor zover het gaat om ondertekening door de griffier (‎3.41).
1.9
Met partijen ga ik ervan uit dat de handtekening van de griffier ontbreekt op het afschrift van de uitspaak dat aan partijen is gestuurd, terwijl de uitspraak niet vermeld dat de griffier verhinderd is te ondertekenen (‎3.36). Om twee redenen concludeer ik niettemin (nog) niet tot vernietiging van de uitspraak. De
eerstereden is dat het erom gaat of het originele exemplaar van de uitspraak voldoet aan het ondertekeningsvoorschrift. Er zal daarom bij het Hof moeten worden nagevraagd of de originele uitspraak is ondertekend door de griffier (‎3.43). De
tweedereden is dat ik een pragmatische benadering bepleit met betrekking tot het omgaan met gevallen waarin niet is gehandeld conform het ondertekeningsvoorschrift, namelijk een benadering waarbij de sanctie van vernietiging het ultimum remedium is en waarbij (daarom) eerst wordt onderzocht of het verzuim kan worden hersteld. Meer concreet houdt deze benadering in dat bij het Hof inlichtingen worden ingewonnen met het verzoek om, indien het ontbreken van de handtekening van de griffier dan wel van de vermelding van de verhindering berust op een enkele omissie, dat verzuim alsnog te herstellen (‎3.45-‎3.47).
1.1
Ik zou als A-G ook zelf die inlichtingen kunnen inwinnen, maar ik heb ervoor gekozen om dat niet te doen. Omdat de voorgestelde pragmatische benadering enigszins onconventioneel is en afwijkt van bijvoorbeeld CRvB AB 2005/301 en de ABRvS-uitspraak van 21 augustus 2019, meen ik dat het zuiverder is dat de Hoge Raad erover beslist of tevens inlichtingen worden ingewonnen met het zojuist vermelde verzoek (‎3.49).
Conclusie
1.11
Ik geef de Hoge Raad in overweging om bij het Hof inlichtingen in te winnen met het verzoek:
1) Indien de uitspraak is ondertekend door de griffier, een kopie van de ondertekende uitspraak toe te sturen aan de Hoge Raad;
2) Indien de uitspraak niet is ondertekend door de griffier en het ontbreken van de handtekening van de griffier dan wel van de vermelding van de verhindering berust op een enkele omissie, dat verzuim te herstellen.

2.Uitgangspunten in cassatie, oordeel Hof en geding in cassatie

Uitgangspunten in cassatie [1]
2.1
In 2017 zijn belanghebbende en zijn toenmalige echtgenote (de ex-echtgenote) gescheiden. Zij waren in algemene gemeenschap van goederen gehuwd. De ex-echtgenote is op 24 juni 2017 in de basisregistratie uitgeschreven op het adres van de gezamenlijke woning in [Z] . Het echtscheidingsconvenant is gesloten op 18 juli 2017 (het convenant). Het gezamenlijk echtscheidingsverzoek is ingediend op 27 juli 2017. De echtscheiding is uitgesproken bij rechterlijke beschikking van 20 september 2017, waarbij het convenant is bekrachtigd. [2] De akte van verdeling is verleden op 12 december 2017. [3]
2.2
Tot de huwelijksgemeenschap van belanghebbende en de ex-echtgenote behoorde onder meer het appartementsrecht op de gezamenlijke woning (de woning). De aankoop en de verbouwing van de woning zijn gefinancierd met verschillende hypothecaire leningen (de leningen), die zijn verstrekt door een bank (de bank) en een BV waarvan belanghebbende (middellijk) enig aandeelhouder is (de BV). In het jaar 2017 is in totaal € 55.650 aan rente betaald. [4]
2.3
Onderdeel van die betaalde rente is een bedrag van € 10.523 ter zake van op de ex-echtgenote betrekking hebbende rente op de leningen over de periode vanaf 27 juli 2017 (datum echtscheidingsverzoek) tot 12 december 2017 (datum passeren akte van verdeling). Deze rentelasten zijn uitsluitend gedragen door belanghebbende. [5]
2.4
In het kader van de verdeling van de huwelijksgemeenschap is de woning toebedeeld aan belanghebbende en zijn de leningen door hem voortgezet. [6] De geldverstrekkers hebben aan de voortzetting de voorwaarde gesteld dat de ex-echtgenote zich hoofdelijk aansprakelijk zou houden en stellen. [7]
2.5
De ex-echtgenote is ingevolge het convenant overbedeeld voor een bedrag van in totaal € 317.997, bestaande uit (i) een bedrag van € 250.000 in verband met de verdeling wat betreft de woning en de hypothecaire leningen, en (ii) een bedrag van € 67.997 in verband met de verdeling van de overige vermogensbestanddelen. [8]
2.6
In het convenant is overeengekomen dat belanghebbende een vergoeding van maximaal € 533.782 verschuldigd is aan de ex-echtgenote in verband met de door de ex-echtgenote voortgezette hoofdelijke aansprakelijkheid. Dit bedrag bestaat uit (i) een bedrag van € 433.782 zijnde de contante waarde van 8% van het bedrag van de hypothecaire leningen, en (ii) een bedrag van € 100.000 uit hoofde van een inspanningsverplichting van belanghebbende jegens de ex-echtgenote. [9]
2.7
Op grond van het convenant vindt een verrekening plaats tussen het in ‎2.5 vermelde bedrag van de overbedeling en het in ‎2.6 vermelde bedrag aan vergoeding. [10]
2.8
In de aangiften inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen (IB/PVV) voor het jaar 2017 hebben belanghebbende en de ex-echtgenote geopteerd voor partnerschap voor het gehele jaar als bedoeld in art. 2.17(7) Wet IB 2001. [11]
2.9
Belanghebbende heeft in zijn aangifte IB/PVV voor het jaar 2017 een belastbaar inkomen uit eigen woning van € 158.130 negatief in aanmerking genomen. Dit bedrag betreft het aan belanghebbende toegerekende bedrag van het totaal aangegeven belastbaar inkomen uit eigen woning van belanghebbende en de ex-echtgenote gezamenlijk van € 158.707 negatief. Onderdeel van dat laatste bedrag is een bedrag van € 55.305 aan aftrekbare rente en € 110.224 aan financieringskosten. [12]
2.1
De Inspecteur heeft aan belanghebbende de aanslag IB/PVV voor het jaar 2017 opgelegd naar een belastbaar inkomen uit werk en woning van € 134.099. [13] Daarbij is een belastbaar inkomen uit eigen woning van € 42.966 negatief in aanmerking genomen, uitgaande van een totaal belastbaar inkomen uit eigen woning van belanghebbende en de ex-echtgenote gezamenlijk van € 43.543 negatief. [14]
2.11
De Inspecteur heeft bij uitspraak op bezwaar de aanslag gehandhaafd. In de motivering van die uitspraak heeft de Inspecteur zich op het standpunt gesteld dat het totaal belastbaar inkomen uit eigen woning van belanghebbende en de ex-echtgenote gezamenlijk € 39.635 negatief bedraagt. Onderdeel van dat bedrag is een bedrag van € 44.760 aan aftrekbare rente en € 424 aan financieringskosten. [15] Tot het bedrag van € 44.760 aan aftrekbaar geachte rente behoort niet het in ‎2.3 vermelde bedrag van € 10.523 aan rente. [16]
2.12
De rechtbank Noord-Holland (de Rechtbank) heeft het beroep tegen de uitspraak op bezwaar ongegrond verklaard. [17]
Gerechtshof Amsterdam [18]
2.13
Het Hof heeft de uitspraak van de Rechtbank bevestigd. In hoger beroep zijn drie punten in geschil, die hierna aan de orde komen in de volgorde van de behandeling door het Hof.
2.14
Het
eerstegeschilpunt is of belanghebbende recht heeft op aftrek van het hiervoor in ‎2.3 en ‎2.11 vermelde rentebedrag van € 10.523 (dat betrekking heeft op de ex-echtgenote en ziet op de periode vanaf 27 juli 2017 tot 12 december 2017). Het Hof beantwoordt die vraag ontkennend (rov. 5.1-5.11). Kern van het oordeel is dat (i) het ontbreken van partnerschap vanaf 27 juli 2017 voor de toepassing van de Wet IB 2001 meebrengt dat de aftrekbaarheid van kosten op individuele basis moet worden bezien, (ii) dat daaruit volgt dat aan belanghebbende uitsluitend aftrek toekomt voor zijn deel (van 50%) van de rente en dat aan de ex-echtgenote geen aftrek toekomt omdat er geen kosten op haar drukken, en (iii) dat noch art. 3.111(4) noch art. 2.17(7) Wet IB 2001 hierin verandering brengt.
2.15
Het
tweede– voor het eerst in hoger beroep opgeworpen – geschilpunt is of belanghebbende als uitgaven voor onderhoudsverplichting in aftrek kan brengen primair (voor zover in cassatie nog van belang) het in ‎2.6 vermelde bedrag van € 433.782 [19] en subsidiair een bedrag van € 343.497. Dit laatste bedrag is het bedrag dat volgens belanghebbende is betaald in 2017, te weten (i) € 317.997 door verrekening met het in het in ‎2.5 vermelde bedrag aan overbedeling van de ex-echtgenote, en (ii) € 25.500 aan negen maandelijkse termijnen van € 2.833,33 in verband met de vergoeding voor de door de ex-echtgenote voortgezette hoofdelijke aansprakelijkheid. [20] Het Hof heeft belanghebbende in het ongelijk gesteld (rov. 5.12-5.18.3). Kern is dat het Hof van oordeel is dat belanghebbende niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan dat de door hem gedane betalingen aangemerkt kunnen worden als uitgaven voor onderhoudsverplichtingen.
2.16
Het
derdegeschilpunt is of belanghebbende aanvullend een bedrag van € 343.497 – zie zojuist ‎2.15 voor dat bedrag – als financieringskosten in aftrek kan brengen, welk bedrag betrekking heeft op de in ‎2.6 genoemde vergoeding voor de door de ex-echtgenote voortgezette hoofdelijke aansprakelijkheid. Het Hof beantwoordt die vraag ontkennend (rov. 5.19-5.20). Kern is dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de afspraken met betrekking tot deze vergoeding verband houden met de financiering van de woning.
Het geding in cassatie
2.17
Belanghebbende heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. De Staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2.18
Middel 1komt op tegen het hier in ‎2.16 vermelde oordeel van het Hof dat het bedrag van € 343.497 niet als financieringskosten in aftrek kan worden gebracht.
2.19
Middel 2richt zich tegen het in ‎2.15 vermelde oordeel van het Hof dat belanghebbende geen uitgaven voor onderhoudsverplichtingen in aftrek kan brengen.
2.2
Middel 3bestrijdt het in ‎2.14 vermelde oordeel van het Hof dat belanghebbende niet een aanvullend rentebedrag van € 10.523 in aftrek kan brengen.
2.21
Middel 4klaagt erover dat zowel de uitspraak van het Hof als het proces-verbaal van het verhandelde ter zitting van het Hof (het proces-verbaal) niet is ondertekend door de griffier. Omdat in beide documenten niet is vermeld dat de griffier verhinderd is, is niet voldaan aan de in de art. 8:61(6) en 8:77(3) Awb vermelde eisen. Een dergelijke schending van de ondertekeningseis dient te leiden tot vernietiging van de uitspraak.

3.Middel 4

3.1
Ik begin met het vierde middel, nu dat in wezen een voorvraag betreft. Het strekt immers tot vernietiging van de Hofuitspraak op grond van een vormverzuim, ongeacht de inhoud daarvan. De aangevoerde grond is dat de uitspraak en het proces-verbaal niet zijn ondertekend door de griffier terwijl evenmin is vermeld dat de griffier verhinderd is om te ondertekenen. Het middel stelt daarmee de vraag aan de orde of sprake is van onregelmatigheden die dienen te leiden tot vernietiging van de uitspraak.
Ondertekeningsvereiste in de Awb
3.2
Op grond van art. 8:61(6) Awb dient het door de griffier opgestelde proces-verbaal van het verhandelde ter zitting te worden ondertekend door de voorzitter en de griffier. Bij verhindering van de voorzitter of griffier wordt dat in het proces-verbaal vermeld: [21]
“2 De griffier houdt aantekening van het verhandelde ter zitting.
3 De griffier maakt van de zitting een proces-verbaal op:
a. indien de bestuursrechter dit ambtshalve of op verzoek van een partij die daarbij belang heeft, bepaalt, of
b. op verzoek van de hoger beroepsrechter of de Hoge Raad.
(…)
5 Het houdt een vermelding in van hetgeen op de zitting met betrekking tot de zaak is voorgevallen.
6 Het wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in het proces-verbaal vermeld.”
3.3
De eisen waaraan een schriftelijke uitspraak dient te voldoen, zijn te vinden in art. 8:77 Awb Pro. Een van de eisen is dat de uitspraak wordt ondertekend door de voorzitter en de griffier. De bepaling waarin deze eis is neergelegd, schrijft voor dat bij verhindering van de voorzitter of griffier dit in de uitspraak wordt vermeld. [22]
“1. De schriftelijke uitspraak vermeldt:
(…)
3. De uitspraak wordt ondertekend door de voorzitter en de griffier. Bij verhindering van de voorzitter of de griffier wordt dit in de uitspraak vermeld.”
3.4
De rechter kan ook mondeling uitspraak doen (art. 8:67(1) Awb). Van de mondelinge uitspraak wordt door de griffier een proces-verbaal opgemaakt (art. 8:67(3) Awb). Ook ter zake van dat proces-verbaal geldt een ondertekeningseis. Die is neergelegd in art. 8:67(4) Awb, dat een gelijke formulering kent als art. 8:61(6) Awb. Overigens kennen ook art. 8:44(3) Awb (inzake een proces-verbaal over het geven van inlichtingen) en art. 8:50(5) Awb (inzake een onderzoek ter plaatse door de bestuursrechter) een ondertekeningseis met diezelfde formulering.
3.5
Art. 8:61, 8:67 en 8:77 Awb zijn op grond van art. 8:108 Awb Pro ook van toepassing op het hoger beroep. Verder verdient opmerking dat in het geval de zaak niet in een meervoudige kamer wordt behandeld maar door één rechter (in een enkelvoudige kamer), die rechter de verplichtingen heeft die op grond van de genoemde artikelen rusten op de ‘voorzitter’ (zie art. 8:11(2) Awb).
Wetshistorie
3.6
De art. 8:61, art. 8:67 en Pro 8:77 Awb waren – evenals (onder meer) de rest van hoofdstuk 8 – geen onderdeel van de oorspronkelijke Algemene wet bestuursrecht, [23] maar maken wel deel uit van de Awb vanaf het moment van de inwerkingtreding daarvan, namelijk vanaf 1 januari 1994, door de wet tot voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie. [24] De tekst van art. 8:61(6), 8:67(4) en 8:77(3) Awb is nadien niet gewijzigd, afgezien van een wijziging per 1 januari 2013 waardoor in de oorspronkelijke passage ‘voorzitter van de meervoudige kamer’ de woorden ‘van de meervoudige kamer’ zijn vervallen. [25]
3.7
Ik heb in de memorie van toelichting geen specifieke toelichting kunnen vinden met betrekking tot het ondertekeningsvoorschrift. [26] Gelet daarop en de algemene inleidende toelichting dat bij het opstellen van het procesrecht is geput uit de (destijds) bestaande proceswetten, met name de Wet op de Raad van State (Wet RvS), de Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen (Wet Arob), de Ambtenarenwet 1929, de Beroepswet (uit 1955), en de Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie (Wet Arbo), [27] kan naar mijn mening worden aangenomen dat het ondertekeningsvoorschrift is ontleend aan die wetten.
3.8
Dit heb ik nader onderzocht voor het ondertekeningsvoorschrift voor de schriftelijke uitspraak. Dat onderzoek geeft steun aan mijn aanname. Verder volgt uit het onderzoek dat ook het ondertekeningsvoorschrift in die wetten niet of nauwelijks is toegelicht en dat voor de herkomst direct of indirect wordt uitgekomen bij de Beroepswet uit 1902. Ik licht dit een en ander als volgt toe:
- De Wet RvS kende in art. 98(3) [28] een bepaling die inhoudelijk vergelijkbaar is met art. 8:77(3) Awb, met dien verstande dat in geval van verhindering voorgeschreven was dat de reden daarvan wordt vermeld. Eerder was die bepaling opgenomen in art. 72(3) Wet RvS. [29] Die laatste bepaling is bij invoering in de Wet RvS niet afzonderlijk toegelicht in het desbetreffende wetsvoorstel, [30] maar gelet op andere verwijzingen in dat wetsvoorstel [31] is zij vermoedelijk ontleend aan de Wet Arbo en/of de Ambtenarenwet 1929.
- De Wet Arob (uit 1975) bepaalde in art. 10 dat Pro op de behandeling van het beroepschrift de art. 68 tot Pro en met 84 Wet RvS (waaronder dus voornoemd art. 72(3)) van toepassing is. [32]
- De Beroepswet (uit 1955) kende in art. 74(1) een bepaling die nagenoeg hetzelfde luidde als art. 8:77(3) Awb, zij het dat de bepaling voorschreef dat in geval van verhindering de reden daarvan wordt vermeld. [33] De memorie van toelichting merkt op dat de bepaling “gelijkluidend [is] aan het bestaande artikel 114”, [34] waarmee – naar ik begrijp – wordt gedoeld op art. 114 van Pro de Beroepswet 1902.
- In de Wet Arbo (uit 1954) was het ondertekeningsvoorschrift opgenomen in art. 63(2). [35] Die bepaling wijkt in zoverre af van die van art. 8:77(3) Awb dat zij voorschrijft dat een andere rechter ondertekent indien de voorzitter is verhinderd; de bepaling is wat betreft de griffier wel inhoudelijk hetzelfde. [36] De bepaling is niet toegelicht in de memorie van toelichting. [37] Zij is denkelijk ontleend aan de Beroepswet 1902 en de Ambtenarenwet 1929. [38]
- De zogenoemde Ambtenarenwet 1929 kende in art. 51 een Pro bepaling die nagenoeg hetzelfde luidde als voormeld art. 74(1) Beroepswet. [39] In de memorie van toelichting is dit art. 51 niet Pro afzonderlijk toegelicht, [40] maar aangenomen kan worden dat de bepaling is ontleend aan de Beroepswet 1902. [41]
3.9
Het ondertekeningsvoorschrift is dus terug te leiden tot in elk geval [42] de Beroepswet uit 1902. [43] Art. 114 van Pro die wet schreef voor: “De uitspraak wordt door den voorzitter en den griffier onderteekend. Bij verhindering van een van hen wordt de reden daarvan in de uitspraak vermeld”. [44] In het oorspronkelijke wetsvoorstel was (in destijds art. 85) nog niet erin voorzien dat (ook) de griffier de uitspraak ondertekent; voorgeschreven was dat de uitspraak wordt ondertekend door al degenen die de uitspraak gewezen hebben. [45] De destijds voorgestelde bepaling is niet toegelicht in de memorie van toelichting. [46] Na het verslag en de memorie van antwoord is een nader gewijzigd wetsontwerp ingediend waarin de tekst van het ondertekeningsvoorschrift is aangepast tot de uiteindelijke tekst. [47] Blijkens het verslag was aanleiding voor de wijziging de vraag “wat zal moeten geschieden, indien een der leden weigert de uitspraak te teekenen”; bij memorie van antwoord is daarop als volgt gereageerd: “Bij nadere overweging schijnt het ook ondergeteekenden toe, dat het voldoende is te bepalen, dat de uitspraken door den voorzitter en den griffier zullen worden onderteekend.” [48]
Ondertekeningsvoorschrift uitspraak in de WARB en in de Wet op de raden van beroep
3.1
Hoofdstuk 8 Awb is op belastingzaken van toepassing sinds 1 september 1999. [49] Tot die datum gold de Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (WARB). In de WARB waren de regels voor ondertekening van de uitspraak opgenomen in art. 17(1) en (2). [50] Evenals in de Wet Arbo (zie ‎3.8), maar inhoudelijk net wat anders en uitgebreider geregeld, is voorgeschreven dat – kort gezegd – bij verhindering van de rechter een andere rechter ondertekent. Daarentegen is voor het geval de griffier verhinderd is de uitspraak te ondertekenen, slechts voorgeschreven dat van die verhindering op de uitspraak melding wordt gemaakt. [51]
3.11
Uit de memorie van toelichting bij het wetsontwerp voor de WARB volgt dat art. 17 is Pro overgenomen uit de Wet op de raden van beroep. [52] Het gaat daarbij om art. 16 Wet Pro op de raden van beroep na de wijziging in 1929. Bij invoering van de Wet op de raden van beroep was in art. 16 wat Pro betreft de ondertekening slechts (in het tweede lid) voorgeschreven dat de uitspraak wordt ondertekend “door den voorzitter en den secretaris”. [53] Dat voorschrift is niet afzonderlijk toegelicht in de memorie van toelichting. [54] In 1929 is een lid toegevoegd waarin is voorgeschreven hoe te handelen bij verhindering om te ondertekenen. [55] Dat lid voorzag erin, kort gezegd, dat (a) bij verhindering van het lid van de raad van beroep die de uitspraak zou moeten ondertekenen, een ander lid of plaatsvervanger ondertekent, en dat (b) bij verhindering van de secretaris daarvan melding wordt gemaakt op de uitspraak.
Ondertekening in het civiele procesrecht en strafprocesrecht
3.12
In het kader van de dagvaardingsprocedure in eerste aanleg schrijft art. 230(3) Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) voor “Het vonnis wordt door de rechter, of, bij een meervoudige kamer, door de voorzitter en de griffier ondertekend. Het vonnis kan ook worden ondertekend door de rechter die het uitspreekt.” Deze bepaling is van overeenkomstige toepassing in de verzoekschriftprocedure (art. 289(1) Rv). Art. 90(1) Rv schrijft voor dat de rechter het proces-verbaal van de mondelinge behandeling opmaakt. Het vijfde lid van dat artikel schrijft voor dat het proces-verbaal wordt ondertekend en dat bij verhindering van de rechter dit in het proces-verbaal wordt vermeld. Het is dus, anders dan eerder het geval was, niet voorgeschreven dat de griffier – op wie wel de taak rust om het proces-verbaal te verzenden (art. 90(6) Rv) – het proces-verbaal (mede) ondertekent. [56] Een gelijksoortige bepaling geldt in de verzoekschriftprocedure (art. 279(4) Rv).
3.13
Voor strafzaken schrijft art. 365 van Pro het thans nog geldende Wetboek van Strafvordering (Sv) voor dat het vonnis wordt ondertekend door de rechters die over de zaak hebben geoordeeld en de griffier die bij de beraadslaging tegenwoordig is geweest. Art. 326 Sv Pro schrijft voor dat de griffier het proces-verbaal van de zitting houdt. Art. 327 Sv Pro schrijft voor dat het proces-verbaal wordt vastgesteld en ondertekend door de voorzittende rechter of een van de rechters die over de zaak heeft geoordeeld, en de griffier. De tweede volzin van het artikel bevat het voorschrift dat als de griffier hiertoe buiten staat is, melding van zijn verhindering wordt gemaakt in het proces-verbaal. [57] Let wel: dat voorschrift ziet niet op de rechter. Dit is van belang voor de uitleg van art. 327 Sv Pro (zie daarover nader ‎3.32).
3.14
Op deze plaats is vermeldingswaardig dat het nieuwe Wetboek van Strafvordering [58] een algemene bepaling kent over het dagtekenen en ondertekenen van rechterlijke beslissingen en processen-verbaal, die is opgenomen in art. 1.2.8. Naast de kapstokbepaling in het eerste lid, bevat deze algemene bepaling in de overige leden een algemene regeling voor de situaties waarin een rechter of griffier niet in staat is tot ondertekening. [59] Deze regeling is betrekkelijk uitgebreid en gedetailleerd over hoe gehandeld moet worden in het geval van een dergelijke verhindering:
“1. De rechter en de griffier dagtekenen en ondertekenen processen-verbaal en rechterlijke beslissingen in de gevallen bij de wet bepaald.
2. Indien een rechter niet tot ondertekening in staat is van een beslissing die door een meervoudige kamer is genomen, kan die ondertekening achterwege blijven indien ten minste een van de rechters uit deze kamer ondertekent.
3. Indien geen van de rechters uit de meervoudige kamer in staat is tot ondertekening van een proces-verbaal of een beslissing, kan een andere rechter dit doen, indien:
a. die rechter door de voorzitter van het gerecht daarvoor is aangewezen;
b. die rechter zich ervan heeft vergewist dat het proces-verbaal weergeeft wat op de terechtzitting is voorgevallen of de beslissing weergeeft wat de meervoudige kamer heeft besloten; en
c. de griffier die bij de beraadslaging aanwezig is geweest het proces-verbaal of de beslissing mede ondertekent.
4. Het derde lid is van overeenkomstige toepassing indien de rechter- of raadsheer-commissaris of de rechter die zitting heeft gehad in een enkelvoudige kamer niet in staat is tot ondertekening van een proces-verbaal of beslissing.
5. Indien de griffier niet tot ondertekening van een proces-verbaal of beslissing in staat is, kan die ondertekening achterwege blijven als ten minste een rechter heeft ondertekend. Indien de griffier niet tot het opmaken van een proces-verbaal of beslissing in staat is, kan dit door een daartoe door de voorzitter van de kamer aangewezen griffier gebeuren. Indien de voorzitter daartoe niet in staat is, kan een andere rechter uit de kamer dan wel de voorzitter van het gerecht een griffier aanwijzen.
6. Van een verhindering tot het opmaken of ondertekenen van een proces-verbaal of beslissing dan wel van het opmaken of ondertekenen door een andere rechter of griffier wordt aan het einde van het proces-verbaal of de beslissing melding gemaakt.”
3.15
Vermeldingswaardig is dat de memorie van toelichting ingaat op de ratio van ondertekening: [60]
“De ratio van de ondertekening (…) is het zich rekenschap geven van de inhoud en het daarvoor verantwoordelijkheid nemen. Het gaat om de verantwoordelijkheid die de individuele rechter neemt voor de stukken die hij ondertekent. De griffier ondertekent stukken als waarborg dat deze overeenstemmen met de door de rechter genomen beslissingen (bijvoorbeeld een vonnis) dan wel het gebeurde tijdens een zitting (een proces-verbaal). (…) De ondertekening door de rechter en de griffier heeft een belangrijke functie vanwege de rechtsgevolgen die aan de door hen ondertekende stukken kunnen zijn verbonden (…). Door ondertekening ontstaat bewijskracht; aan niet ondertekende documenten komt die bewijskracht niet toe. (…)
In deze algemene bepaling en in de daarmee verband houdende bepalingen in de verschillende boeken is geschrapt dat het proces-verbaal wordt vastgesteld. Bij nadere beschouwing komt aan het begrip «vaststellen» in deze context geen zelfstandige betekenis toe. Wezenskenmerk van ondertekening is immers dat de ondertekenaar voor de inhoud van het document instaat en dit bekrachtigt.”
Ratio van vereiste ondertekening door de griffier
3.16
De vraag rijst wat het doel c.q. de achtergrond is van het vereiste in de Awb dat de griffier het proces-verbaal en de uitspraak (mede) ondertekent.
3.17
De eis dat het proces-verbaal en de uitspraak worden ondertekend, dient naar mij voorkomt in elk geval ertoe om de authenticiteit te borgen, mede in verband met de bewijskracht (vgl. ‎3.15). Daarmee is nog niet verklaard waarom voorgeschreven is dat naast de rechter ook de griffier deze documenten ondertekent. De memorie van toelichting biedt daarover geen duidelijkheid (zie ‎3.7).
3.18
Het voorschrift in de Awb dat de griffier het proces-verbaal (mede) ondertekent, hangt denkelijk samen met het voorschrift (zie ‎3.2) dat de griffier aantekening houdt van het verhandelde ter zitting en (in de wet omschreven gevallen) een proces-verbaal van de zitting opmaakt. Dat laatste is anders in het burgerlijk procesrecht, waar op de rechter de taak rust het proces-verbaal op te maken en (dan ook) alleen voorgeschreven is dat de rechter het proces-verbaal ondertekent (‎3.12). Met de ondertekening van het proces-verbaal bevestigt de griffier – op zijn/haar ambtseed of belofte – dat de weergave in het proces-verbaal strookt met hetgeen op de zitting is voorgevallen; dat geldt overigens ook voor de ondertekenende rechter. [61] De griffier en de ondertekenende rechter zijn in dat opzicht gezamenlijk verantwoordelijk voor de juistheid en de volledigheid van het proces-verbaal. Gelet daarop wordt in de strafrechtliteratuur gesteld dat als de griffier en de rechter niet tot een eensluidende opvatting kunnen komen, er niets anders op zit dan dat beider opvatting in het proces-verbaal wordt vermeld. [62] Daarbij sluit aan het voorschrift dat als de griffier verhinderd is te ondertekenen, dit moet worden vermeld. Gedachte daarachter is, zo stelt Vegter, “dat duidelijk wordt dat de handtekening van de griffier niet ontbreekt omdat de griffier de inhoud van het proces-verbaal niet voor zijn verantwoording wil nemen”. [63]
3.19
Een duidelijke verklaring voor het voorschrift in de Awb dat de griffier de uitspraak mede ondertekent, heb ik niet gevonden door onderzoek van de historie van het ondertekeningsvereiste in de Awb, dat mij leidde tot de Beroepswet uit 1902 (‎3.8-‎3.9). Aangezien de griffier in de Awb geen formele taak heeft bij de totstandkoming van de schriftelijke uitspraak, [64] kan in een dergelijke taak niet de verklaring worden gevonden voor het voorschrift dat de griffier de uitspraak (mede) ondertekent. Het komt mij voor dat de griffier met de ondertekening van de uitspraak bevestigt dat hetgeen in die uitspraak is opgenomen overeenkomt met de uitkomst van de beraadslaging c.q. de uitspraak zoals die is vastgesteld door de rechter(scombinatie) (vgl. ‎3.15). [65] Vergelijk meer in het algemeen het arrest HR B. 3122 (zie ‎3.23-‎3.24 hierna). Dit veronderstelt overigens wel dat de Awb toch uitgaat van een zekere feitelijke betrokkenheid van de griffier bij de totstandkoming van de uitspraak. Aangezien art. 8:77(3) Awb ook voorschrijft dat de voorzitter de uitspraak ondertekent, zou dat betekenen dat het ondertekenen door de griffier een extra (procedurele) waarborg vormt en dat ook op dit punt sprake is van een gezamenlijke verantwoordelijkheid van de griffier en de voorzitter. Een (lichte) aanwijzing daarvoor zie ik in de totstandkomingsgeschiedenis van het ondertekeningsvereiste in die Beroepswet. Daaruit valt immers af te leiden dat aanvankelijk niet was voorzien in ondertekening door de griffier en dat daarin alsnog is voorzien in plaats van ondertekening door de andere rechters (dan de voorzitter) (zie ‎3.9). Kennelijk werd ondertekening door alleen de voorzitter als uitgangspunt niet voldoende geacht – wellicht was dat ingegeven door een soort vierogenprincipe [66] .
Rechtspraak over het voorschrift tot ondertekening van de uitspraak
3.2
Een handzaam overzicht van rechtspraak van de (overige) hoogste bestuursrechters over het ondertekeningsvoorschrift van art. 8:77(3) Awb is te vinden in T&C Awb. Ik citeer de passages die de meeste raakvlakken met het geval in de onderhavige zaak (te weten ontbreken van handtekening van de griffier op het aan belanghebbende toegezonden afschrift van de uitspraak van het Hof zonder vermelding van verhindering): [67]
“4. Ondertekening (lid 3)
(…) Het voorschrift van lid 3 geldt alleen voor het originele exemplaar van de uitspraak zoals dat zich in het dossier bevindt; voor het afschrift dat met toepassing van art. 8:79 lid 1 aan Pro partijen wordt toegezonden (zogeheten grosse) is niet vereist dat deze de handtekeningen van de rechter en de griffier bevat (CRvB 21 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3846, AB 2020/154).
a. Ondertekening door voorzitter en griffier (eerste volzin)
(…)
Gevolgen ontbreken ondertekening
In een zaak waarin op een door de rechtbank verzonden afschrift van de uitspraak de ondertekening door de unusrechter en de griffier ontbrak (evenals de verzenddatum) en de uitspraak ook geen melding maakte van beider verhindering, leidde dit toch niet tot gegrondverklaring van het hoger beroep, aangezien het aan de appellant toegezonden afschrift inhoudelijk gelijk was aan de wel ondertekende minuut van de uitspraak die zich in het rechtbankdossier bevond en waarop een verzenddatum was vermeld (ABRvS 27 maart 2002, AB 2002/196 en JB 2002/125). De CRvB vernietigde een rechtbankuitspraak die bij de naam van de betrokken rechter uitsluitend vermeldde ‘w.g.’, terwijl bij de rechtbank geen door de betrokken rechter ondertekend exemplaar voorhanden was (CRvB 26 april 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT5793, AB 2005/301 en JB 2005/199). De ABRvS vernietigde een rechtbankuitspraak waarvan het aan partijen toegezonden afschrift niet door de griffier was ondertekend en de griffie van de rechtbank desgevraagd telefonisch aan de Afdeling had bevestigd dat geen door de griffier ondertekend exemplaar van de uitspraak voorhanden was (ABRvS 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2810).
(…)
b. Vermelding verhindering
Als het een uitspraak van de enkelvoudige kamer betreft en in de uitspraak is vermeld dat de betreffende unusrechter buiten staat was om de uitspraak te ondertekenen, volgt uit art. 8:11 lid 2 dat Pro daarmee aan art. 8:77 is Pro voldaan en dat het ontbreken van de handtekening van de rechter de rechtsgeldigheid van de uitspraak dus niet aantast (CBb 28 oktober 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BG3941; CRvB 30 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4936). Ook volgt uit lid 3 dat als in de uitspraak is vermeld dat de griffier verhinderd is te ondertekenen, het ontbreken van diens handtekening de rechtsgeldigheid van de uitspraak daarom niet aantast (CRvB 23 maart 2016, ECLI:NL:CRVB:2016:1137; CRvB 29 december 2020, ECLI:NL:CRVB:2020:3426). (…) Voorbeelden van uitspraken waarin is vermeld dat zowel de rechter als de griffier verhinderd was de uitspraak te ondertekenen: CBb 20 oktober 2008, ECLI:NL:CBB:2008:BG1705; ABRvS 17 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:772, AB 2020/153; ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:830, AB 2020/163.”
3.21
Uit de genoemde uitspraken CRvB AB 2020/154 [68] en ABRvS AB 2002/196 [69] volgt dus dat het ondertekeningsvoorschrift niet ziet op het (in art. 8:79(1) Awb bedoelde) afschrift van de uitspraak dat aan partijen wordt verzonden, maar op het originele exemplaar waarover het gerecht beschikt dat de uitspraak heeft gedaan (de zogenoemde minuut). [70] Dat dit ook de opvatting is van de Hoge Raad, ligt naar mij voorkomt besloten in bijvoorbeeld HR BNB 2023/139: [71]
“2.3 Eén van de in cassatie aangevoerde klachten over de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep houdt in dat die uitspraak niet is ondertekend door de voorzitter en de griffier van de Centrale Raad van Beroep. Belanghebbende wijst er op dat op het aan hem toegezonden afschrift van de uitspraak staat vermeld “(getekend) A. van Gijzen en daaronder (getekend) R. van Doorn”, maar dat die handtekeningen op dit afschrift ontbreken.
2.4
De klacht faalt. Desgevraagd heeft de griffier van de Centrale Raad van Beroep van de ondertekende uitspraak een afschrift aan de Hoge Raad verstrekt, welk afschrift aan dit arrest is gehecht.”
3.22
Uit dit arrest volgt ook dat in het geval in cassatie erover wordt geklaagd dat de bestreden uitspraak niet is ondertekend, de Hoge Raad zo nodig (feitelijk) onderzoek doet bij het desbetreffende gerecht. Ik schrijf ‘zo nodig’, want het is mogelijk dat tot de stukken die de griffier van het gerecht aan de griffier de Hoge Raad zendt op grond van art. 28a AWR behoort een kopie van het origineel van de uitspraak dat wel is ondertekend. [72] Ook andere hoogste bestuursrechters doen trouwens dergelijk onderzoek. [73]
3.23
De Hoge Raad hecht van oudsher in belastingzaken groot belang aan het ondertekeningsvoorschrift. Dit gaat in elk geval terug tot het ondertekeningsvoorschrift zoals opgenomen in art. 16 Wet Pro op de raden van beroep (hier genoemd in ‎3.11). Dit volgt uit bijvoorbeeld het arrest HR B. 3122 van 21 maart 1923. [74] In dat arrest is aan de orde dat de uitspraak is ondertekend door iemand als voorzitter, die niet aan de uitspraak heeft medegewerkt. De Hoge Raad casseerde om die reden ambtshalve de uitspraak, daartoe overwegend als volgt:
“dat uit de bestreden uitspraak blijkt, dat deze is ,,gedaan" in de vergadering van den raad van beroep van 4 October 1922, alwaar tegenwoordig waren de heeren J. H. TELDERS, plaatsvervangend voorzitter, Mr. J. COENEGRACHT, J, MERKEL-BACH, en Mr. A. MOSTART, leden, en dat de uitspraak is onderteekend door P. TRUIJEN als voorzitter en A. MOSTART als secretaris;
dat hieruit blijkt, dat onderteekend is door iemand als voorzitter, die tot de uitspraak niet heeft medegewerkt, waardoor in strijd is. gehandeld met het bepaalde bij art. 16, 2e lid, der wet van 19 December 1914 (Stbl. no. 564);
dat toch dit artikel, voorschrijvende de onderteekening van de uitspraak door den voorzitter en secretaris, dit doet, opdat dezen door hunne onderteekening verklaren, dat de uitspraak inderdaad is, zooals die door den raad van beroep is vastgesteld;
dat nu uit den aard der zaak iemand die niet tot de uitspraak heeft medegewerkt, die verklaring niet kan verstrekken;
dat het nu wel mogelijk is, dat er redenen bestonden, welke den plaatsvervangenden voorzitter TELDERS verhinderden de uitspraak alsnog te onderteekenen, doch dat in dit geval een der andere leden die tot de uitspraak medewerkten, voor dit geval als waarnemend voorzitter optredende, had moeten onderteekenen;
dat waar het hier betreft een voorschrift waarvan de inachtneming van groot vgewicht is, immers daardoor alleen vaststaat de zekerheid, dat de uitspraak inderdaad is, gelijk zij in de vergadering van den raad is vastgesteld, het niet in acht nemen daarvan tot vernietiging van de uitspraak moet leiden;”
3.24
Belichting verdient hier (i) dat de Hoge Raad vermeldt wat de ratio van het ondertekeningsvereiste is (“verklaren, dat de uitspraak inderdaad is, zooals die door den raad van beroep is vastgesteld”), (ii) dat de Hoge Raad overweegt dat bij verhindering van de (plaatsvervangend) voorzitter een andere lid van de raad van beroep de uitspraak had moeten ondertekenen, hoewel – zo merk ik op – art. 16 Wet Pro op de raden van beroep daarin destijds nog niet voorzag (vgl. ‎3.11), (iii) dat de Hoge Raad de inachtneming van het ondertekeningsvoorschrift van zodanig gewicht acht dat de niet-inachtneming daarvan tot vernietiging van de uitspraak moet leiden, en (iv) dat de Hoge Raad blijkbaar [75] in de omstandigheid dat de uitspraak wel was ondertekend door A. Mostart als secretaris (hoewel die lid was?) geen aanleiding zag om de vernietiging achterwege te laten.
3.25
Belanghebbende doet in deze zaak een beroep op het arrest HR BNB 1956/103. [76] Dit arrest betreft een vergelijkbaar geval als het geval in B. 3122. Ook in dit arrest casseert de Hoge Raad ambtshalve de uitspraak in verband met de omstandigheid dat de uitspraak is ondertekend door iemand als voorzitter, die tot de uitspraak niet heeft medegewerkt. Ook in dit arrest geeft de omstandigheid dat de secretaris wel de uitspraak heeft ondertekend, blijkbaar geen aanleiding om de vernietiging achterwege te laten:
“dat uit de bestreden uitspraak blijkt, dat zij is gewezen op 7 September 1955 door Mrs. Borgerhoff Mulder, plaatsvervangend voorzitter, Wery en Rugers (kennelijk is bedoeld Rutgers), plaatsvervangende leden, in tegenwoordigheid van Mr. Biemond, secretaris, terwijl de uitspraak is ondertekend door A.W.J. van Vrijberghe de Coningh als voorzitter en J. Biemond als secretaris;
dat bijgevolg de uitspraak is ondertekend door iemand als voorzitter, die tot de uitspraak niet heeft medegewerkt, waardoor is gehandeld in strijd met het eerste lid en met den eersten zin van het tweede lid van art. 16 van Pro de wet van 19 December 1914, Staatsblad no. 564, naar welke voorschriften ondertekening moet geschieden door degeen, die als voorzitter over de zaak gezeten heeft, of wel, zo deze in de onmogelijkheid verkeert om de uitspraak te ondertekenen, door een dergenen, die als leden over de zaak gezeten hebben;
dat het niet inachtnemen van de evenbedoelde voorschriften tot vernietiging van de uitspraak moet leiden en derhalve een onderzoek naar de door belanghebbende tegen die uitspraak aangevoerde grieven achterwege kan blijven;”
3.26
Wat betreft het ondertekeningsvereiste van vonnissen in het civiele recht merk ik op dat niet-naleving van het voorschrift van art. 230(3) Rv niet met nietigheid is bedreigd. [77] Zie ik het goed dan houdt dit verband met het beginsel van burgerlijk procesrecht dat het vonnis als zodanig op het moment van de mondelinge uitspraak ter terechtzitting tot stand komt. [78] Een gebrek dat kleeft aan de schriftelijke vastlegging, zoals de niet-naleving van het ondertekeningsvoorschrift, kan de geldigheid van het vonnis daarom niet aantasten. Bij de herziening van het burgerlijk procesrecht per 1 januari 2002 [79] – waarbij het huidige art. 230 Rv Pro tot stand is gekomen – was aanvankelijk het voorstel dat het vonnis niet door de uitspraak maar door het geschrift tot stand komt, maar daarop is teruggekomen. [80]
3.27
Ook in het strafrecht leidt verzuim van ondertekening als bedoeld in art. 365 Sv Pro niet tot nietigheid van het vonnis. [81]
Beoordeling: het proces-verbaal en het ondertekeningsvoorschrift
3.28
Het middel met de klacht over de ondertekening heeft betrekking op zowel het proces-verbaal als de uitspraak. Ik start met de klacht betreffende het proces-verbaal.
3.29
Het door belanghebbende overgelegde (kopie van het) proces-verbaal vermeldt dat het proces-verbaal is ondertekend door de voorzitter en de griffier, maar op het proces-verbaal staat alleen boven “(voorzitter)” een handtekening – boven “(griffier)” ontbreekt een handtekening. Met partijen ga ik daarom ervan uit dat de griffier het proces-verbaal niet heeft ondertekend. Op het proces-verbaal is niet vermeld dat de griffier is verhinderd te ondertekenen. Volgens belanghebbende is niet aan art. 8:61(6) Awb voldaan en dient deze schending tot vernietiging van de uitspraak te leiden. De Staatssecretaris merkt in zijn verweerschrift op dat het proces-verbaal niet lijkt te voldoen aan de wettelijke eis van ondertekening en dat het ter beoordeling van de Hoge Raad staat of de zaak terugverwezen dient te worden naar het Hof.
3.3
Belanghebbende beroept zich naar mijn mening tevergeefs op HR BNB 1956/103. [82] Dat arrest heeft namelijk niet betrekking op het ondertekeningsvereiste voor het proces-verbaal maar op dat voor de uitspraak (zie ‎3.25).
3.31
Naar mijn mening kan een schending van art. 8:61(6) Awb op zichzelf genomen niet leiden tot vernietiging van de uitspraak. Ik zie daarvoor geen grond. Dat komt overeen met de opvatting van de ABRvS, die in een geval waarin het proces-verbaal niet was ondertekend door de rechter, overwoog dat dit “geen gebrek van de aangevallen uitspraak [is] en (…) daarom niet tot vernietiging daarvan [kan] leiden”. [83]
3.32
Ik merk daarbij wel voor de zuiverheid op dat in het strafprocesrecht het verzuim dat de rechter die over de zaak heeft geoordeeld, het proces-verbaal van de terechtzitting niet heeft vastgesteld en ondertekend zoals art. 327 Sv Pro voorschrijft (zie ‎3.13), als uitgangspunt nietigheid van het onderzoek ter terechtzitting en de naar aanleiding daarvan gegeven einduitspraak tot gevolg heeft. [84] Dat geldt als uitgangspunt, en dus – anders dan eerder – niet zonder meer. [85] Ik meen echter dat in dit uitgangspunt in het strafprocesrecht geen contra-indicatie is gelegen voor het bestuursprocesrecht. Nog ervan afgezien dat een verklaring voor de strenge koers in het strafprocesrechter denkelijk gelegen is in het grote belang dat in de strafrechtspleging toekomt aan het onderzoek ter terechtzitting, is van belang dat de Hoge Raad in HR NJ 2020/441 voor zijn strenge koers in aanmerking neemt dat op grond van de tweede volzin van art. 327 Sv Pro de ondertekening door de rechter niet kan worden gemist. [86] Dat laatste is anders voor het proces-verbaal in het bestuursprocesrecht; in de tweede volzin van art. 8:61(6) Awb ligt immers besloten dat de ondertekening van het proces-verbaal door de rechter wel kan worden gemist. Ik merk bovendien op dat de rechtspraak in strafzaken soepeler is indien het verzuim te handelen conform art. 327 Sv Pro betrekking heeft op de ondertekening door de griffier. Zo is in HR NJ 2010/45 weliswaar geoordeeld dat niet is voldaan aan art. 327 Sv Pro omdat een ander dan de zittingsgriffier het proces-verbaal had ondertekend, maar leidde dat niet tot cassatie. In het licht dat op basis van ingewonnen inlichtingen moest worden aangenomen dat de griffier buiten staat was het proces-verbaal vast te stellen en te ondertekenen, en in aanmerking genomen dat het proces-verbaal wel door de voorzittende rechter is ondertekend, ontneemt het enkele feit dat in het proces-verbaal van de verhindering van de griffier geen melding is gedaan, niet de bewijskracht aan dat proces-verbaal, aldus de Hoge Raad. [87]
3.33
Het schenden van het voorschrift van art. 8:61(6) Awb is, als gezegd, naar mijn mening niet op zichzelf een grond voor vernietiging van de uitspraak. Het valt daarentegen niet uit te sluiten dat die schending wel kan worden betrokken bij de inhoudelijke beoordeling van de uitspraak, bijvoorbeeld in het geval de uitspraak steunt op verklaringen of stellingen die volgens een partij niet maar volgens het proces-verbaal wel ter zitting zijn gedaan/ingenomen of – omgekeerd – in het geval in de uitspraak geen acht is geslagen op verklaringen of stellingen die volgens een partij wel zijn gegeven/ingenomen ter zitting maar waarvan het proces-verbaal geen melding maakt. In het onderhavige geval strekt de klacht over schending van het voorschrift van art. 8:61(6) Awb echter alleen ertoe dat die schending tot vernietiging van de uitspraak moet leiden. Wel merkt belanghebbende op dat hij in zijn belangen is geschaad doordat het proces-verbaal “op meerdere punten onvolledig of onjuist” is. Ik meen dat zijn klacht in zoverre onvoldoende onderbouwd is omdat (i) niet wordt gespecificeerd om welke punten het gaat, en (ii) niet wordt gespecifieerd en gemotiveerd op welke inhoudelijke oordelen van het Hof de gebreken in het proces-verbaal een voor belanghebbende negatieve gevolg hebben gehad.
3.34
Kortom, ik meen dat het middel niet tot cassatie kan leiden voor zover het klaagt over schending van art. 8:61(6) Awb.
3.35
Zo de Hoge Raad van opvatting is dat het middel in zoverre wel tot cassatie zou kunnen leiden, dan geef ik de Hoge Raad in overweging om, overeenkomstig de handelwijze van de strafkamer in HR NJ 1991/76, [88] op de voet van (thans) art. 83 Wet Pro RO inlichtingen in te winnen bij het Hof met het verzoek om – indien het ontbreken van de handtekening van de griffier op het proces-verbaal berust op een enkele omissie – dat verzuim alsnog te herstellen.
Beoordeling: de uitspraak en het ondertekeningsvoorschrift
3.36
Het door belanghebbende overgelegde afschrift van de uitspraak bevat slechts één handtekening. Gelet op de gelijkenis met de handtekening op het proces-verbaal, en ervan uitgaande dat die laatstbedoelde handtekening van de voorzitter is (zie ‎3.29), kan worden aangenomen dat de handtekening op de uitspraak afkomstig is van de voorzitter. Daarvan gaan ook partijen uit. Dit betekent dat de handtekening van de griffier ontbreekt op het afschrift van de uitspaak. Dat afschrift bevat niet de vermelding dat de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Volgens belanghebbende is daarmee niet aan art. 8:77(3) Awb voldaan en dient dat tot vernietiging van de uitspraak te leiden. De Staassecretaris merkt in zijn verweerschrift op dat de uitspraak niet lijkt te voldoen aan de wettelijke eis van ondertekening en dat het ter beoordeling van de Hoge Raad staat of de zaak terugverwezen dient te worden naar het Hof.
3.37
Belanghebbende beroept zich op het arrest HR BNB 1956/103, hier geciteerd in ‎3.25. Dit arrest ziet wellicht op het eerste gezicht op een wezenlijk ander geval (kort gezegd: uitspraak ondertekend door een rechter die niet (mede) de uitspraak heeft gedaan) dan in deze zaak (een griffier die niet mede ondertekent zonder dat melding wordt gemaakt van de verhindering). Het arrest geeft echter steun aan het standpunt van belanghebbende in die zin dat uit het arrest volgt dat de niet-inachtneming van het desbetreffende ondertekeningsvoorschrift tot vernietiging van de uitspraak leidt. Daarbij komt dat het arrest is terug te leiden tot (in elk geval) HR B. 3122, waarin in principiële bewoordingen het belang van de inachtneming van het ondertekeningsvoorschrift is uiteengezet (zie ‎3.23-‎3.24).
3.38
Nu zou kunnen worden tegengeworpen dat niet alleen HR B. 3122 maar ook HR BNB 1956/103 betrekking hebben op ‘oud recht’, te weten het ondertekeningsvoorschrift in de Wet op de raden van beroep, dus zelf nog de voorganger van de voormalige WARB, en dat deze rechtspraak daarom niet zonder meer leidend is onder de Awb. Daarbij zou er bovendien op kunnen worden gewezen dat er geen directe aanwijzingen zijn dat het ondertekeningsvoorschrift van art. 8:77(3) Awb is terug te voeren op het ondertekeningsvoorschrift in de Wet op de raden van beroep (vgl. ‎3.6-‎3.9).
3.39
Verder zou tegengeworpen kunnen worden – deels samenhangend – dat het grote gewicht dat aan ondertekening door de rechter (lid van de raad van beroep) wordt toegekend, niet los kan worden gezien van de inhoud van het ondertekeningsvoorschrift in art. 16 Wet Pro op de raden van beroep. Vóór de wijziging van dat artikel 16 in Pro 1929 voorzag het artikel immers niet in het geval van verhindering (zie ‎3.11). In HR B. 3122 heeft de Hoge Raad zelf voorgeschreven hoe gehandeld moet worden bij verhindering door de voorzitter (zie ‎3.23-‎3.24). Na de wijziging in 1929 voorzag het artikel weliswaar wel in het geval van verhindering, maar waar bij verhindering van de secretaris kon worden volstaan met melding daarvan op de uitspraak, was – kort gezegd – voor het geval van verhindering van de rechter voorgeschreven dat een (plaatsvervangend) rechter de uitspraak ondertekent (zie ‎3.11). Betoogd zou daarom kunnen worden (vgl. de redenering in HR NJ 2020/441; zie ‎3.32) dat op grond van art. 16 Wet Pro op de raden van beroep, zowel in de versie voor als in de versie na de wijziging in 1929, ondertekening door een rechter niet kan worden gemist, en dat tegen die achtergrond HR B. 3122 en HR BNB 1956/103 moeten worden begrepen. Aangezien uit art. 8:77(3) Awb wél volgt dat de ondertekening door een rechter kan worden gemist (bij verhindering), kan worden betoogd dat HR B. 3122 en HR BNB 1956/103 niet zonder meer leidend zijn onder de Awb.
3.4
Zowel literatuur als jurisprudentie wijst echter in een andere richting dan deze tegenwerpingen, en geeft in meer of mindere mate steun aan het standpunt van belanghebbende. In fiscale literatuur wordt ervan uitgegaan dat arresten zoals HR B. 3122 en HR BNB 1956/103 ook thans nog leidend zijn. [89] Wat betreft jurisprudentie kan ten eerste worden gewezen op de in T&C Awb (zie ‎3.20) genoemde uitspraak CRvB AB 2005/301, waarin een uitspraak van de rechtbank werd vernietigd omdat de rechtbank in strijd met art. 8:77(3) Awb had gehandeld, gelet op de omstandigheden dat (i) onder het afschrift van de uitspraak bij de naam van de rechter uitsluitend was vermeld “w.g.” (was getekend), maar (ii) er bij de rechtbank niet een door die rechter ondertekend exemplaar van de uitspraak voorhanden is. [90] Terzijde: soms worden ook ABRvS AB 2001/348 [91] en CRvB RSV 2005/272 [92] genoemd als voorbeelden van zaken waarin een vernietiging heeft plaatsgevonden in verband met schending van het voorschrift dat de rechter de uitspraak ondertekent, maar naar mij voorkomt is in die zaken de reden voor vernietiging niet (zozeer) gelegen in schending van het ondertekeningsvoorschrift maar (vooral) in de omstandigheid dat een andere rechter dan de rechter die de zaak heeft behandeld, de uitspraak heeft gedaan (en ondertekend). [93] Ten tweede wijs ik op fiscale rechtspraak van gerechtshoven waarin een uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd omdat niet is gehandeld conform art. 8:77(3) Awb wat betreft de ondertekening door de rechter, [94] of omdat niet kan worden vastgesteld of in overeenstemming met het ondertekeningsvoorschrift is gehandeld. [95]
3.41
Het voorgaande heeft betrekking op gevallen waarin art. 8:77(3) Awb is geschonden wat betreft het ondertekeningsvoorschrift voor de rechter. Feteris stelt in zijn monografie uit 2014 dat vernietiging van een uitspraak ook mogelijk is in het geval dat de uitspraak niet mede door de griffier is ondertekend. In zo’n geval begaat volgens hem ook de rechter een fout met het doen van uitspraak. [96] De opvatting van Feteris vindt bevestiging in de nadien gedane (ook in T&C Awb, zie ‎3.20, genoemde) uitspraak van de ABRvS van 21 augustus 2019, waarin is geoordeeld dat het betoog van de belanghebbende slaagt dat de uitspraak van de rechtbank geen rechtskracht heeft omdat zij niet is ondertekend door de griffier. [97]
3.42
Gelet op het voorgaande lijkt de onderhavige uitspraak dan gereed te liggen voor vernietiging. Toch concludeer ik daartoe (nog) niet om twee redenen.
3.43
Ten
eerstezou die conclusie te snel zijn. De conclusie dat het ondertekeningsvoorschrift van art. 8:77(3) Awb is geschonden kan niet worden gebaseerd op enkel de uitspraak die de belanghebbende heeft overgelegd. Dat betreft immers een afschrift (van de uitspraak) als bedoeld in art. 8:79 Awb Pro. Het gaat er om of het originele exemplaar van de uitspraak voldoet aan het ondertekeningsvoorschrift (zie ‎3.21). Ik heb in het door het Hof toegestuurde dossier geen kopie aangetroffen van een exemplaar van de uitspraak dat ook door de griffier is ondertekend. Er zal daarom bij het Hof moeten worden nagevraagd of de originele uitspraak is ondertekend door de griffier, net zoals in HR BNB 2023/139 is gedaan bij de CRvB.
3.44
Mocht blijken dat de originele uitspraak evenmin is ondertekend door de griffier, dan staat vast dat niet is voldaan aan het voorschrift van art. 8:77(3) Awb. De gevolgtrekking lijkt dan te moeten zijn dat de uitspraak vernietigd moet worden. Dat zou anders zijn indien de opvatting wordt aanvaard dat de sanctie van vernietiging achterwege kan blijven in een geval als dit waarin de rechter de uitspraak wel heeft ondertekend, mits uit navraag bij het Hof blijkt dat de griffier was verhinderd te ondertekenen. Vanuit de – mij aansprekende – optiek dat toch voldoende zou moeten zijn als een rechter door het ondertekenen van de uitspraak verklaart c.q. ervoor instaat dat die uitspraak is zoals die is vastgesteld, valt mijns inziens het nodige voor die opvatting te zeggen. Het niet vermelden van de verhindering om te ondertekenen zou dan als een niet-substantieel vormverzuim kunnen worden opgevat dat kan worden gepasseerd. Voor die opvatting is in zeker opzicht ook steun te vinden in HR NJ 2010/45 over een proces-verbaal dat alleen door de rechter was ondertekend (zie ‎3.32). Ik moet echter erkennen dat de opvatting op gespannen voet staat met (i) de omstandigheid dat de wetgever nu eenmaal ervoor heeft gekozen om het ondertekeningsvoorschrift, naast de rechter, ook te richten tot de griffier, en (ii) de in ‎3.41 vermelde ABRvS-uitspraak van 21 augustus 2019. Ervan uitgaande dat de Hoge Raad het daarom een brug te ver vindt om de opvatting te aanvaarden, kom ik bij een tweede reden waarom ik (nog) niet concludeer tot vernietiging van de uitspraak.
3.45
De
tweedereden is dat ik een wat andere benadering wil bepleiten met betrekking tot het omgaan met gevallen waarin niet is gehandeld conform het ondertekeningsvoorschrift van art. 8:77(3) Awb, namelijk een benadering waarbij de sanctie van vernietiging het ultimum remedium is en waarbij (daarom) eerst wordt onderzocht of het vormverzuim kan worden hersteld. Ik benadruk dat deze pragmatische benadering niet beoogt af te doen aan het gewicht dat toekomt aan het ondertekeningsvoorschrift, zoals bijvoorbeeld tot uitdrukking is gebracht in HR B. 3122 (zie ‎3.23-‎3.24). De benadering komt erop neer dat eerst wordt onderzocht of het vormverzuim kan wordt hersteld op een zodanige wijze dat aan het doel van het ondertekeningsvoorschrift wordt beantwoord, te weten voldoende waarborgen dat de uitspraak inderdaad is zoals die is vastgesteld. In het geval de mogelijkheid bestaat om de schending van het ondertekeningsvoorschrift op die wijze te (laten) herstellen, zie ik niet in welk overwegend belang ermee is gediend om de uitspraak te vernietigen in plaats van het verzuim te herstellen. Een belang bij vernietiging kan in zo’n geval weliswaar gelegen zijn in het inscherpen bij de feitenrechters dat (direct) conform het ondertekeningvoorschrift moet worden gehandeld, maar dat belang weegt naar mijn mening niet op tegen de belangen die worden aangetast door de tijd en kosten die gemoeid zijn met een nieuwe procedure, waaronder het algemeen belang in verband met het extra beslag op rechterlijke capaciteit. Ik neem daarbij in aanmerking dat – voor zover mijn waarneming strekt – het ondertekeningsvoorschrift gewoonlijk wordt nageleefd door de feitenrechters; een vernietiging omwille van de prikkel lijkt mij daarom bepaald niet efficiënt.
3.46
Wat houdt die pragmatische benadering meer in concreto in? Ik werk dat uit voor een geval als dit waarin (i) de griffier in wiens tegenwoordigheid de meervoudige kamer de uitspraak heeft gedaan (blijkens de uitspraak), de uitspraak niet heeft ondertekend, en (ii) in de uitspraak niet is vermeld dat de griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen. Bedacht dient te worden dat in zo’n geval sprake is van slechts een omissie (a) in het geval de griffier wel had kunnen en willen ondertekenen, maar dit abusievelijk niet heeft gedaan, en (b) in het geval de griffier was verhinderd te ondertekenen, maar dit abusievelijk niet is vermeld in de uitspraak. Problematisch zou daarentegen zijn (c) het geval waarin de handtekening van de griffier ontbreekt omdat de griffier niet voor zijn verantwoording wil nemen dat de uitspraak overeenkomt met de door de rechters vastgestelde uitspraak. De bedoelde pragmatische benadering is om bij het Hof inlichtingen in te winnen met het verzoek om, indien het ontbreken van de handtekening van de griffier dan wel van de vermelding van de verhindering berust op een enkele omissie, dat verzuim alsnog te herstellen. Deze benadering komt overeen met de handelwijze van de strafkamer in HR NJ 1991/76 in een geval waarin een handtekening ontbrak onder het proces-verbaal van de zitting. [98] Gegeven dat voor die handelwijze is gekozen niettegenstaande het (grote) belang dat in strafzaken toekomt aan naleving van het ondertekeningsvoorschrift voor een dergelijk proces-verbaal (zie ‎3.32), meen ik dat het (grote) gewicht van inachtneming van het ondertekeningsvoorschrift voor de uitspraak in het bestuursprocesrecht zich evenmin tegen een dergelijke handelwijze verzet.
3.47
Ik realiseer me dat de vraag kan opkomen hoe deze pragmatische benadering uitwerkt in verschillende gevalstypen. Ik behandel er enige:
- In het geval het ontbreken van de handtekening van de griffier en van de vermelding van verhindering
nietberust op een omissie, maar op opzet, omdat de griffier niet ervoor wilde instaan dat de uitspraak overeenkomt met de uitspraak zoals vastgesteld door de meervoudige kamer, dan zal het Hof dat moeten melden. Vernietiging van de uitspraak is dan aangewezen.
- In het geval het ontbreken van de handtekening van de griffier dan wel van de vermelding van verhindering wel berust op een omissie, dan kan de griffier het verzuim herstellen door de uitspraak alsnog te ondertekenen.
- In het geval de griffier niet meer in functie is, kan dat herstel niet meer plaatsvinden door hem/haar.
- Ik pleit ervoor dat in een dergelijk geval herstel kan plaatsvinden door ondertekening door een van de andere rechters die – naast de voorzitter, die reeds heeft ondertekend – deel uitmaken van de meervoudige kamer die de uitspraak heeft gedaan. Daarmee wordt naar mijn mening aan het doel van het ondertekeningsvoorschrift beantwoord, te weten voldoende waarborgen dat de uitspraak inderdaad is zoals die is vastgesteld. De wetgever heeft voor een dergelijke waarborg als uitgangspunt nodig geacht dat twee personen – de voorzitter en de griffier – de uitspraak ondertekenen. Indien een andere rechter in plaats van de griffier tekent, is dat naar mijn mening een voldoende alternatieve waarborg.
- Ik merk op dat het alternatief dat een andere griffier (dan de griffier van wie de handtekening ontbreekt) de uitspraak ondertekent, mij niet aanspreekt in het geval deze griffier niet bij de totstandkoming van de uitspraak betrokken was. [99]
- Een alternatief zou wel kunnen zijn dat herstel van het verzuim plaatsvindt door op de uitspraak (alsnog) aan te tekenen dat de griffier destijds verhinderd was, met daarbij een handtekening van de voorzitter als verklaring dat hij instaat voor de juistheid van de aantekening. Dat alternatief is echter alleen mogelijk als de eerdere omissie inderdaad erin was gelegen dat de griffier verhinderd was de uitspraak te ondertekenen.
- Overigens wijs ik erop dat in HR NJ 2010/45 op basis van enkel inlichtingen van het desbetreffende Hof is aangenomen dat de griffier verhinderd was om te ondertekenen (zie ‎3.32). Dat is een nog pragmatischere benadering, die mij aanspreekt.
3.48
De grondslag voor de Hoge Raad om inlichtingen in te winnen met het in ‎3.46 vermelde verzoek is art. 83 Wet Pro RO. [100]
3.49
Ik zou als A-G ook zelf die inlichtingen kunnen inwinnen op grond van art. 120 in Pro verbinding met art. 83 Wet Pro RO. Ik heb echter ervoor gekozen om dat niet te doen. Dat lijkt me in dit geval namelijk niet zuiver, omdat de pragmatische benadering die ik voorstel enigszins onconventioneel en nieuw is, althans in het kader van het bestuursprocesrecht. Zij wijkt af van bijvoorbeeld CRvB AB 2005/301 en de in meergenoemde ABRvS-uitspraak van 21 augustus 2019 in die zin dat in die zaken geen verzoek tot herstel is gedaan. Het is mijns inziens daarom zuiverder als de Hoge Raad erover beslist om als de in ‎3.43 bedoelde navraag bij het Hof wordt gedaan of de originele uitspraak is ondertekend door de griffier, al dan niet tevens inlichtingen worden ingewonnen met het in ‎3.46 vermelde verzoek. Mocht de Hoge Raad ertoe beslissen om ook inlichtingen in te winnen met dat verzoek, dan zou overwogen kunnen worden – hoewel ook dat wat onconventioneel is – de procesbeslissing te nemen in een tussenarrest. [101] Dat heeft als voordeel dat de Hoge Raad het rechtskader kan schetsen, waaronder op welke wijze herstel van het verzuim mogelijk is, nu daarbij vragen kunnen opkomen (vgl. ‎3.47).
Conclusie
3.5
Het middel kan niet tot cassatie leiden voor zover het erover klaagt dat niet aan het ondertekeningsvoorschrift van art. 8:61(6) Awb is voldaan (‎3.28-‎3.34).
3.51
Het middel kan nog niet worden beoordeeld voor zover het erover klaagt dat niet aan het ondertekeningsvoorschrift van art. 8:77(3) Awb is voldaan. Daarvoor moeten eerst inlichtingen worden ingewonnen bij het Hof (‎3.43).
3.52
Ik geef de Hoge Raad in overweging om bij het Hof inlichtingen in te winnen op de voet van art. 83 Wet Pro RO met het verzoek:
1) Indien de uitspraak is ondertekend door de griffier, een kopie van de ondertekende uitspraak toe te sturen aan de Hoge Raad;
2) Indien de uitspraak niet is ondertekend door de griffier en het ontbreken van de handtekening van de griffier dan wel van de vermelding van de verhindering berust op een enkele omissie, dat verzuim te herstellen.

4.Overige middelen

4.1
Ik zie er op dit moment van af om in te gaan op de overige middelen, omdat het thans ongewis is of aan de beoordeling van die middelen wordt toegekomen, aangezien de zaak mogelijk moet worden teruggewezen dan wel verwezen in verband met een schending van het ondertekeningsvoorschrift van art. 8:77(3) Awb.
4.2
Ervan uitgaande dat de Hoge Raad ertoe besluit inlichtingen in te winnen bij het Hof of de uitspraak is ondertekend door de griffier (vgl. ‎3.43), al dan niet met daarbij tevens een verzoek zoals vermeld in punt 2 van ‎3.52, verzoek ik de Hoge Raad om nadat het Hof de gevraagde inlichtingen heeft verstrekt (en zo nodig partijen in de gelegenheid zijn gesteld daarop te reageren [102] ), mij in de gelegenheid te stellen me te beraden of het opportuun is (gelet op de verstrekte inlichtingen, mede in het licht van het inlichtingenverzoek door de Hoge Raad) om de overige middelen te bespreken in een aanvullende conclusie.
4.3
Ik realiseer me dat deze handelwijze – een conclusie over één middel met aankondiging dat mogelijk een aanvullende conclusie wordt genomen over de andere middelen – wat ongebruikelijk is. [103] Het gaat hier echter om een atypisch geval. Voor de goede orde merk ik op dat ik geenszins voornemens ben om geregeld op deze wijze te handelen.

5.Conclusie

Ik geef de Hoge Raad in overweging om bij het Hof inlichtingen in te winnen met het verzoek zoals vermeld in ‎3.52.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal

Voetnoten

1.De feitenvaststelling door het Hof is uitgebreid. Ik heb me zoveel mogelijk proberen beperken tot wat in cassatie nog relevant is. In voetnoten neem ik de vindplaatsen op. Waar ik verwijs naar de feitenvaststelling van de Rechtbank, is deze feitenvaststelling ook geciteerd in rov. 2.1 van het Hof.
2.Zie voor dit een en ander Rechtbank, rov. 1 en – wat betreft de bekrachtiging van de echtscheidingsconvenant – rov. 4.
3.Rechtbank, rov. 5.
4.Zie voor dit een en ander Rechtbank, rov. 2.
5.Zie voor dit een en ander Hof, rov. 5.1.
6.Rechtbank, rov. 5. Zie ook art. 3.3 van het echtscheidingsconvent, geciteerd in Rechtbank, rov. 4.
7.Rechtbank, rov. 5.
8.Hof, rov. 5.18.2. In deze rov. 5.18.2 alsook in rov. 5.12 wordt overigens € 67.977 genoemd in plaats van het hier in de hoofdtekst genoemde bedrag van € 67.997. Het gaat denkelijk om een tikfout. Het convenant vermeldt namelijk onder punt 3.7 en 4.20 een bedrag van € 67.997 (zie citaat in Hof, rov. 2.3); ook belanghebbende noemt dat bedrag, zowel voor het Hof (zie Hof, rov. 2.4) als in het beroepschrift in cassatie (p. 7, voetnoot 20).
9.Hof, rov. 5.18.2.
10.Hof, rov. 5.18.2.
11.Rechtbank, rov. 1.
12.Zie voor dit een en ander Rechtbank, rov. 6. Opmerking verdient dat in het staatje in rov. 6 een bedrag van € 101.244 (in plaats van € 110.224) is genoemd, maar dat dit een kennelijke verschrijving betreft gelet op zowel de optelsom in dat staatje als de in rov. 7 vermelde gegevens.
13.Hof, rov. 1.1.
14.Rechtbank, rov. 8.
15.Rechtbank, rov. 9. De uitspraken van de Rechtbank en het Hof geven niet een precies inzicht in het onderliggende verschil tussen enerzijds de hier in de hoofdtekst genoemde bedragen waarvan bij de uitspraak op bezwaar is uitgegaan en anderzijds de bedragen in de aangifte. Meer inzicht biedt wel de uitspraak op bezwaar; deze is als bijlage 27 gevoegd bij het verweerschrift in beroep.
16.Dat is niet met zoveel woorden vastgesteld door het Hof, maar het ligt besloten in het geschil voor het Hof (zie rov. 5.1) of belanghebbende naast de reeds verleende renteaftrek ook recht heeft op additionele aftrek van € 10.523 aan rente.
17.Rechtbank Noord-Holland, 30 november 2023, HAA 22/192 (ongepubliceerd). Een groot deel van de overwegingen van de Rechtbank is te vinden in onderdeel 2.1 en onderdeel 4 van de uitspraak van het Hof.
18.Gerechtshof Amsterdam 29 april 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:1852, NTFR 2025/1919 met noot J.A.W. Vrolijks.
19.Hof, rov. 5.12 vermeldt een bedrag van € 533.782, dus inclusief het in ‎2.6 vermelde bedrag van € 100.000. Belanghebbende betoogt echter in cassatie dat dat belanghebbende niet heeft gesteld dat dit bedrag van € 100.000 in 2017 in aftrek moet worden gebracht (zie beroepschrift in cassatie, p. 7).
20.Zie Hof, rov. 5.12 in samenhang gelezen met rov. 2.4. Dat de termijnen van € 2.833,33 betrekking hebben op de vergoeding voor de door de ex-echtgenote voortgezette hoofdelijke aansprakelijkheid, baseer ik op punt 3.7 van het convenant (aangehaald in Hof, rov. 2.3).
21.Tekst 2025, afkomstig van wetten.overheid.nl.
22.Tekst 2025, afkomstig van wetten.overheid.nl.
23.Wet van 4 juni 1992, Stb. 1992, 315.
24.De Wet van 16 december 1993, Stb. 1993, 650, onderdeel 2, art. I(N) voorziet in invoeging van hoofdstuk 8 – waaronder art. 8:61 (p. 21), art. 8:67 (p. 22) en art. 8:77 (p. 24) – in de Awb. In het wetsvoorstel (Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 2). waren art. 8:61, 8:67 en 8:77 Awb nog genummerd art. 8.2.5.6, 8.2.6.2 respectievelijk 8.2.6.12. De inwerkingtreding per 1 januari 1994 is geregeld bij besluit van 23 december 1993, Stb. 1993, 693, dat ook voorziet in de inwerkingtreding van diverse andere wetten per die datum waaronder de Awb zelf. Vervolgens is op grond van een beschikking van de Minister van Justitie van 29 december 1993 de uiteindelijke tekst van de Awb geplaatst in Stb. 1994, 1.
25.Wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682, deel A, art. I(PPP), (VVV) en (GGGG); inwerkingtreding geregeld bij besluit van 20 december 2012, Stb. 2012, 684.
26.Vgl. Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 155-156 (met betrekking tot art. 8:77), alsmede p. 138 (met betrekking tot art. 8:61) en p. 141 (met betrekking tot art. 8:67).
27.Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 30.
28.Art. 98(3) Wet RvS luidde: “Zij [de uitspraak; MP] wordt door de voorzitter, alsmede door de in artikel 91, vierde lid, bedoelde ambtenaar van Staat, ondertekend; bij verhindering van een van hen wordt de reden daarvan in de beslissing vermeld.” Zie voor deze tekst de Wet van 18 december 1986, Stb. 1986, 668, art. I(K) (p. 12). Het hoofdstuk waarvan art. 98(3) onderdeel is, is in het desbetreffende wetsvoorstel gekomen bij nota van wijziging (Kamerstukken 1985/86, 18 803, nr. 7).
29.In de Wet RvS gekomen bij Wet van 1 mei 1975, Stb. 1975, 283, art. I(DD) (p. 6).
30.Kamerstukken II 1970/71, 11 280, nr. 3, p. 14.
31.Zie Kamerstukken II 1970/71, 11 280, nr. 3, p. 14-15 over (destijds nog) onderdeel CC.
32.Wet van 1 mei 1975 (Wet administratieve rechtspraak overheidsbeschikkingen), Stb. 1975, 284.
33.Wet van 2 februari 1955 (Beroepswet), Stb. 1955, 47.
34.Kamerstukken II 1953/54, 3349, nr. 3, p. 19.
35.Wet van 16 september 1954, Stb. 1954, 416. De tekst luidde: “De schriftelijke uitspraak wordt door de voorzitter en de griffier ondertekend. Bij verhindering van een van hen wordt de reden daarvan in de uitspraak vermeld.”
36.De tekst luidde: “De uitspraak wordt door de voorzitter van de Kamer, die de uitspraak heeft gedaan, en de griffier ondertekend. Indien de voorzitter zich in de onmogelijkheid bevindt de uitspraak te ondertekenen, geschiedt zulks door het oudst benoemde gewone of plaatsvervangend lid, dat de uitspraak mede gewezen heeft. Indien de griffier zich in de onmogelijkheid bevindt, wordt daarvan instede van de ondertekening melding gemaakt.”
37.Art. 63 Wet Pro Arbo was in het wetsvoorstel nog opgenomen in art. 61 (zie Kamerstukken II 1951/52, 2493, nr. 2, p. 5); de memorie van toelichting geeft geen toelichting (vgl. Kamerstukken II 1951/52, 2493, nr. 3, p. 11-12).
38.Vgl. Kamerstukken II 1951/52, 2493, nr. 3, p. 11 (in het kader van art. 28-53): “De procesvoorschriften voor het geding bij het College van Beroep zijn voor een belangrijk deel ontleend aan overeenkomstige voorschriften uit de Beroepswet en de Ambtenarenwet 1929.”
39.Wet van 12 december 1929, Stb. 1929, 530, (met de tekst van art. 51 op Pro p. 17).
40.Vgl. Kamerstukken II 1927/28, 392, nr. 3, p. 22.
41.Vgl. Kamerstukken II 1927/28, 392, nr. 3, p. 19: “De regeling van het proces berust op overeenkomstige gedachten, als in de proefhoudend gebleken Beroepswet zijn neergelegd”.
42.Verder terug in de tijd ben ik niet gegaan. Directe aanknopingspunten daarvoor zag ik trouwens ook niet.
43.Wet van 8 december 1902 tot uitvoering van artikel 75 der Pro Ongevallenwet 1901, Stb. 1902, 208; de citeertitel ‘Beroepswet’ volgt uit art. 142.
44.De tekst is te vinden op p. 34 van Stb. 1902, 208.
45.Zie het ontwerp van wet, opgenomen in Kamerstukken II 1900/01, 236, nr. 2, p. 10: “De uitspraak wordt in raadkamer vastgesteld, en door degenen die haar hebben gewezen onderteekend. Is een van hen verhinderd zijne onderteekening te stellen, dan wordt de reden daarvan in de uitspraak vermeld.”
46.Vgl. Kamerstukken II 1900/01, 236, nr. 3, p. 24-25.
47.Kamerstukken II 1901/02, 78, nr. 6, p. 69 (met de nieuwe tekst van art. 85).
48.Kamerstukken II 1901/02, 78, nr. 5, p. 58.
49.Wet van 29 oktober 1998, Stb. 1998, 621. Zie besluit van 17 juni 1999, Stb. 1999, 265 voor de inwerkingtreding.
50.Wet van 17 mei 1956, Stb. 1956, 323. Zie voor een geconsolideerde tekst – na diverse wetswijzigingen – bijv. Stb. 1983, 61.
51.De tekst luidt van art. 17 WARB Pro luidde: “1. (…) Zij [de uitspraak; MP] vermeldt wanneer en door wie zij is vastgesteld en wordt door het lid van de enkelvoudige kamer of door de voorzitter, alsmede door de griffier, ondertekend. 2. Indien de voorzitter zich in de onmogelijkheid bevindt om de uitspraak te ondertekenen, wordt zulks verricht door een van de leden of plaatsvervangende leden, die over de zaak gezeten hebben. Indien het lid van de enkelvoudige kamer of het plaatsvervangende lid, dat over de zaak geoordeeld heeft, buiten staat is om de uitspraak te ondertekenen, geschiedt zulks, in het eerste geval door een plaatsvervanger en, in het tweede geval, door het lid der enkelvoudige kamer of een andere plaatsvervanger. Indien de griffier verhinderd is de uitspraak te ondertekenen wordt daarvan op de uitspraak melding gemaakt.”
52.Zie Kamerstukken II 1954/55, 3704, nr. 3, p. 10 betreffende de art. 9-16 van het wetsvoorstel, waarbij ik opmerk dat de bepalingen over ondertekening in het oorspronkelijke wetsontwerp nog waren opgenomen in art. 16 (zie Kamerstukken II 1954/55, 3704, nr. 2, p. 3).
53.Wet van 19 december 1914, Stb. 1914, 564; art. 16. Dit voorschrift was reeds opgenomen in het oorspronkelijke wetsontwerp, te kennen uit Kamerstukken II 1911/12, 144, nr. 4, p. 45, en is op een klein onderdeel (vervanging ‘griffier’ door ‘secretaris’) gewijzigd bij de nota van wijzigingen die is opgenomen in Kamerstukken II 1913/14, 18, nr. 34, onderdeel II (p. 114). Het is trouwens niet gemakkelijk de parlementaire geschiedenis van de Wet op de raden van beroep te vinden, omdat zij is verspreid over verschillende dossiernummers (per parlementair vergaderjaar). Ik ben dank verschuldigd aan een medewerker van de onvolprezen bibliotheek van de Hoge Raad. Verder bracht mij op het goede spoor hoofdstuk II van het boek B. Schendstok, Raden van beroep voor de directe belastingen, (nr. 13 in de serie Het Nederlandsch Belastingrecht), Zwolle: N.V. Uitgevers-Maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1932, over welk boek ik beschik dankzij J.W. van den Berge.
54.De memorie van toelichting (Kamerstukken II 1911/12, 144, nr. 5, p. 48) vermeldt over de art. 10-16 – voor zover hier van belang – “Deze artikelen behelzen weinig nieuws dat de vermelding waard is.”
55.Wet van 7 februari 1929, Stb. 1929, 38. De toelichting in Kamerstukken II 1927/28, 225, nr. 3, p. 4 is beperkt: “Het tweede lid van het nieuwe art. 16 bepaalt Pro, hoe moet worden gehandeld, indien de voorzitter, het lid van de enkelvoudige kamer of zijn plaatsvervanger of de secretaris verhinderd is om de uitspraak te onderteekenen.” Aan B. Schendstok, Raden van beroep voor de directe belastingen, (nr. 13 in de serie Het Nederlandsch Belastingrecht), Zwolle: N.V. Uitgevers-Maatschappij W.E.J. Tjeenk Willink 1932, p. 197-198 ontleen ik dat deze “nadere regeling (…) noodig [werd], toen de enkelvoudige kamer in de wet werd opgenomen”.
56.Onder het oude recht (tot 1 oktober 2019) gold op grond van art. 88 Rv Pro nog een verplichting voor partijen en de griffier om de uitspraak te ondertekenen. Zie daarover nader: L.A. Bosch, in: GS Burgerlijke Rechtsvordering, art. 90 Rv Pro, aant. 14 (actueel t/m 08-10-2025), die over het vervallen van de verplichting dat de griffier ondertekent, opmerkt dat daarop geen toelichting is gegeven in de wetsgeschiedenis.
57.Art. 327 Sv Pro luidt: “Het proces-verbaal wordt door den voorzitter of door een der rechters, die over de zaak heeft geoordeeld, en den griffier vastgesteld en zoo spoedig mogelijk na de sluiting van het onderzoek ter terechtzitting en in elk geval binnen den in het eerste lid van artikel 365 vermelden Pro termijn onderteekend. Voor zoover de griffier tot een en ander buiten staat is, geschiedt dit zonder zijne medewerking en wordt van zijne verhindering aan het slot van het proces-verbaal melding gemaakt.”
58.Wet van 25 februari 2026, Stb. 2026, 56.
59.Aanleiding voor opneming van een algemene regeling is dat in het thans geldende Sv “deze materie in een groot aantal bepalingen in verschillende onderdelen van het wetboek [wordt] geregeld, veelal niet op gelijkluidende wijze” (Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 113).
60.Kamerstukken II 2022/23, 36 327, nr. 3, p. 114.
61.Zie bijv. R.C. Stam, in: Module Algemeen Bestuursrecht, art. 8:61 Awb Pro, aant. 2.2.6 (“actueel t/m 06-04-2025”). Vgl. voor het strafrecht Corstens, Borgers & Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht 2021/XV.3.
62.Corstens, Borgers & Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht 2021/XV.3.
63.Conclusie A-G Vegter 5 januari 2010, ECLI:NL:PHR:2010:BK2651, punt 14, onder verwijzing naar onder meer HR 7 juni 1988, ECLI:NL:HR:1988:AD6607, NJ 1989, 166.
64.Voor de mondelinge uitspraak ligt dat in zoverre anders dat art. 8:67(3) Awb bepaalt dat de griffier een proces-verbaal opmaakt van de mondelinge uitspraak.
65.Vgl. WvSv, A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., artikel 365 Sv Pro, aant. 3.2: “De ondertekening door de griffier is veeleer bedoeld als waarborg dat het uitgesproken vonnis overeenstemt met de genomen beslissing.”
66.Vgl. over het ondertekeningsvereiste in de WARB J. van Soest e.a., Fiscaal Procesrecht, Deventer: Kluwer 1997, p. 207: “De strekking van de wet is kennelijk dat de authenticiteit van de uitspraak zo veel mogelijk door twee handtekeningen wordt gewaarborgd.”
67.T.C. Borman, in T&C Awb, commentaar op art. 8:77 Awb Pro (“actueel t/m 01-01-2026”).
68.CRvB 21 november 2019, ECLI:NL:CRVB:2019:3846, AB 2020/154, met lezenswaardige noot Stijnen.
69.ABRvS 27 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE2293, AB 2002/196, rov. 2.3.
70.In die zin ook J. van Soest e.a., Fiscaal Procesrecht, Deventer: Kluwer 1997, p. 207 met betrekking tot het ondertekeningsvoorschrift in de WARB.
71.HR 15 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1221, BNB 2023/139. Zie eerder met (vrijwel) gelijkluidende overwegingen HR 9 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1110, BNB 2021/118.
72.Vgl. het geval in ABRvS 27 maart 2002, ECLI:NL:RVS:2002:AE2293, AB 2002/196, rov. 2.3.
73.Bijv. ABRvS 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2810, rov. 3.1 (“Desgevraagd heeft de griffie van de rechtbank telefonisch aan de Afdeling bevestigd dat geen door de griffier ondertekend exemplaar van de uitspraak voorhanden is”) en CRvB 26 april 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT5793, AB 2005/301 (“Van de zijde van de rechtbank Rotterdam is aan de Raad bericht dat (…)”).
74.HR 21 maart 1923, B. 3122. Zie ook bijv. HR 2 maart 1949, B. 8577.
75.In de betekenis van ‘naar kan worden aangenomen’.
76.HR 15 februari 1956, ECLI:NL:HR:1956:AY2003, BNB 1956/103.
77.Zie conclusie A-G Valk 4 september 2020, ECLI:NL:PHR:2020:862, punt 3.8, met verwijzingen naar rechtspraak, waaronder HR 11 november 1977, ECLI:NL:HR:1977:AC2186, NJ 1978/503.
78.Vgl. M.J.A.M. Ahsmann, De weg naar het civiele vonnis, Den Haag: Boom juridisch 2020, p. 44 en HR 2 november 1990, ECLI:NL:HR:1990:AB8153, NJ 1991/800, rov. 3.
79.Stb. 2001, 623.
80.Zie A.I.M. van Mierlo, Parlementaire geschiedenis Herziening van het burgerlijk procesrecht, Deventer: Kluwer 2002, p. 403.
81.Zie G.K. Schoep in T&C Strafvordering, commentaar op art. 365 Sv Pro (‘actueel t/m 04-03-2026’), aantekening 2, onder a, met verwijzing naar HR 4 maart 1935, ECLI:NL:HR:1935:323, NJ 1935/685, HR 6 april 1948, ECLI:NL:HR:1948:63, NJ 1948/346, en HR 12 april 1949, ECLI:NL:HR:1949:205, NJ 1949/429. Zie ook A.J.A. van Dorst & M.J. Borgers, Cassatie in strafzaken, Deventer: Wolters Kluwer 2022, p. 240. Zie uitgebreider WvSv, A.L. Melai/M.S. Groenhuijsen e.a., artikel 365 Sv Pro, aant. 3.3.
82.HR 15 februari 1956, ECLI:NL:HR:1956:AY2003, BNB 1956/103.
83.ABRvS 11 december 2013, ECLI:NL:RVS:2013:2375, rov. 3. Vgl. ABRvS 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2810, rov. 8.
84.HR 13 oktober 2020, ECLI:NL:HR:2020:1605, NJ 2020/440, rov. 2.4, en HR 17 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1803, NJ 2020/441, rov. 2.4.1 en 2.4.2. A-G Hartevelt betoogde trouwens dat de klachten over zo’n schending niet tot cassatie kunnen leiden indien in cassatie geen klachten zijn aangevoerd tegen de inhoud van het proces-verbaal (conclusie A-G Harteveld 30 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:558, punt 3.4; zie daarover ook W.H. Vellinga in NJ 2020/441, punt 10).
85.Zie over de ontwikkeling in de rechtspraak de conclusie A-G Harteveld 30 juni 2020, ECLI:NL:PHR:2020:558, punt 3.2 en 3.3. Zie voor rechtspraak ook Corstens, Borgers & Kooijmans, Het Nederlands strafprocesrecht 2021/XV.3.
86.HR 17 november 2020, ECLI:NL:HR:2020:1803, NJ 2020/441, rov. 2.4.1.
87.HR 5 januari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK2651, NJ 2010/45.
88.HR 29 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1142, NJ 1991/76, rov. 4.
89.Bijv. E.B. Pechler, Belastingprocesrecht, FM 107, Deventer: Kluwer 2009, p. 219 en M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, p. 120.
90.CRvB 26 april 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT5793, AB 2005/301.
91.ABRvS 26 april 2001, ECLI:NL:RVS:2001:AB1709, AB 2001/348.
92.CRvB 23 juni 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT8593, RSV 2005/272.
93.Zie ook – wat betreft ABRvS AB 2001/348 – De Waarde in de noot in AB 2005/301. In andere zin – wat betreft ABRvS AB 2001/348 – De Graaf in AB 2001/348 en Weijers in NTFR 2017/2059, alsook – wat betreft CRvB RSV 2005/272 – Stijnen in AB 2020/154.
94.Gerechtshof ’s-Hertogenbosch 26 april 2017, ECLI:NL:GHSHE:2017:1911, rov. 1-2.
95.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 1 oktober 2024, ECLI:NL:GHARL:2024:6146, rov. 4.6-4.8.
96.M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, par. 2.4.3.2. (p. 118).
97.ABRvS 21 augustus 2019, ECLI:NL:RVS:2019:2810, rov. 3.1.
98.HR 29 mei 1990, ECLI:NL:HR:1990:AD1142, NJ 1991/76, rov. 4. Zie ook de voorafgaande conclusie van A-G Leijten die gewezen had op “deze efficiënte maar weinig juridisch-dogmatische weg”.
99.Vgl. zij het in verband met een gewone verhindering van de griffier J. van Soest e.a., Fiscaal Procesrecht, Deventer: Kluwer 1997, p. 207: “De handtekening toch van een griffier die bij de beslissing niet aanwezig was, zou weinig waarde hebben.”
100.Een voorbeeld van een zaak waarin de belastingkamer van de Hoge Raad inlichtingen heeft ingewonnen bij het gerechtshof is HR 7 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9539 , BNB 2008/71, onderdeel 2.
101.Vgl. HR 16 januari 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ3286, NJ 2007/246 waarin de strafkamer in een tussenarrest een oordeel geeft over een bepaalde procedurele kwestie in die zaak, en waarin zij de A-G vervolgens in de gelegenheid stelt om zich uit te laten over het voorgestelde middel, waaraan de A-G niet was toegekomen (omdat de A-G in andere zin over die procedurele kwestie had geconcludeerd).
102.Vgl. HR 7 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB9539 , BNB 2008/71, onderdeel 2.
103.Ik ben niet bekend met een duidelijk precedent in belastingzaken. Wel zijn er voorbeelden van tot op zekere hoogte vergelijkbare gevallen. Zo heeft A-G Wattel in zijn conclusie van 3 februari 2022, ECLI:NL:PHR:2022:100, punt 5.4, de suggestie aan de Staatssecretaris gedaan om bij Borgersbrief opheldering te geven over een bepaalde kwestie, waarna de A-G een aanvullende conclusie (van 25 april 2022, ECLI:NL:PHR:2022:397) heeft genomen naar aanleiding van de Borgersbrief. Een ander voorbeeld betreft de gang van zaken bij de conclusies van A-G Van Kalmthout voorafgaand aan HR 28 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AB2996, BNB 2002/303. De A-G had in zijn eerste conclusie (van 28 september 2000, ECLI:NL:PHR:2002:AB2996) geconcludeerd dat de voorliggende uitspraak vernietigd moet worden op de ambtshalve voorgestelde grond dat een getuige niet was beëdigd, en dat de voorgestelde middelen daarom geen behandeling behoeven (punt 3.8). Nadat de Staatssecretaris had gemeld dat volgens informatie van de inspecteur de eed wel degelijk was afgenomen en navraag door de A-G bij de griffie van het hof bevestigende informatie daarvan opleverde, heeft de A-G in een aanvullende conclusie (van 13 juni 2001, eveneens te vinden onder ECLI:NL:PHR:2002:AB2996) alsnog de voorgestelde middelen besproken. Verder komt het zo nu en dan voor dat een A-G in een conclusie een of meer middelen/klachten niet behandelt omdat aan de beoordeling daarvan naar zijn mening niet wordt toegekomen, maar waarbij de A-G ook te kennen geeft bereid te zijn om zo nodig, op verzoek van de Hoge Raad, die middelen/klachten te bespreken in een aanvullende conclusie (bijv. conclusie A-G Ilsink van 24 december 1999, ECLI:NL:PHR:2000:AA5538, punt 3.3 en conclusie A-G Van den Berge van 13 september 1999, ECLI:NL:PHR:2000:AA4919, punt 3.11).