Conclusie
1.Inleiding en overzicht
De zaak
eerstereden is dat het erom gaat of het originele exemplaar van de uitspraak voldoet aan het ondertekeningsvoorschrift. Er zal daarom bij het Hof moeten worden nagevraagd of de originele uitspraak is ondertekend door de griffier (3.43). De
tweedereden is dat ik een pragmatische benadering bepleit met betrekking tot het omgaan met gevallen waarin niet is gehandeld conform het ondertekeningsvoorschrift, namelijk een benadering waarbij de sanctie van vernietiging het ultimum remedium is en waarbij (daarom) eerst wordt onderzocht of het verzuim kan worden hersteld. Meer concreet houdt deze benadering in dat bij het Hof inlichtingen worden ingewonnen met het verzoek om, indien het ontbreken van de handtekening van de griffier dan wel van de vermelding van de verhindering berust op een enkele omissie, dat verzuim alsnog te herstellen (3.45-3.47).
2.Uitgangspunten in cassatie, oordeel Hof en geding in cassatie
eerstegeschilpunt is of belanghebbende recht heeft op aftrek van het hiervoor in 2.3 en 2.11 vermelde rentebedrag van € 10.523 (dat betrekking heeft op de ex-echtgenote en ziet op de periode vanaf 27 juli 2017 tot 12 december 2017). Het Hof beantwoordt die vraag ontkennend (rov. 5.1-5.11). Kern van het oordeel is dat (i) het ontbreken van partnerschap vanaf 27 juli 2017 voor de toepassing van de Wet IB 2001 meebrengt dat de aftrekbaarheid van kosten op individuele basis moet worden bezien, (ii) dat daaruit volgt dat aan belanghebbende uitsluitend aftrek toekomt voor zijn deel (van 50%) van de rente en dat aan de ex-echtgenote geen aftrek toekomt omdat er geen kosten op haar drukken, en (iii) dat noch art. 3.111(4) noch art. 2.17(7) Wet IB 2001 hierin verandering brengt.
tweede– voor het eerst in hoger beroep opgeworpen – geschilpunt is of belanghebbende als uitgaven voor onderhoudsverplichting in aftrek kan brengen primair (voor zover in cassatie nog van belang) het in 2.6 vermelde bedrag van € 433.782 [19] en subsidiair een bedrag van € 343.497. Dit laatste bedrag is het bedrag dat volgens belanghebbende is betaald in 2017, te weten (i) € 317.997 door verrekening met het in het in 2.5 vermelde bedrag aan overbedeling van de ex-echtgenote, en (ii) € 25.500 aan negen maandelijkse termijnen van € 2.833,33 in verband met de vergoeding voor de door de ex-echtgenote voortgezette hoofdelijke aansprakelijkheid. [20] Het Hof heeft belanghebbende in het ongelijk gesteld (rov. 5.12-5.18.3). Kern is dat het Hof van oordeel is dat belanghebbende niet aan de op hem rustende bewijslast heeft voldaan dat de door hem gedane betalingen aangemerkt kunnen worden als uitgaven voor onderhoudsverplichtingen.
derdegeschilpunt is of belanghebbende aanvullend een bedrag van € 343.497 – zie zojuist 2.15 voor dat bedrag – als financieringskosten in aftrek kan brengen, welk bedrag betrekking heeft op de in 2.6 genoemde vergoeding voor de door de ex-echtgenote voortgezette hoofdelijke aansprakelijkheid. Het Hof beantwoordt die vraag ontkennend (rov. 5.19-5.20). Kern is dat belanghebbende niet aannemelijk heeft gemaakt dat de afspraken met betrekking tot deze vergoeding verband houden met de financiering van de woning.
3.Middel 4
eerstezou die conclusie te snel zijn. De conclusie dat het ondertekeningsvoorschrift van art. 8:77(3) Awb is geschonden kan niet worden gebaseerd op enkel de uitspraak die de belanghebbende heeft overgelegd. Dat betreft immers een afschrift (van de uitspraak) als bedoeld in art. 8:79 Awb Pro. Het gaat er om of het originele exemplaar van de uitspraak voldoet aan het ondertekeningsvoorschrift (zie 3.21). Ik heb in het door het Hof toegestuurde dossier geen kopie aangetroffen van een exemplaar van de uitspraak dat ook door de griffier is ondertekend. Er zal daarom bij het Hof moeten worden nagevraagd of de originele uitspraak is ondertekend door de griffier, net zoals in HR BNB 2023/139 is gedaan bij de CRvB.
tweedereden is dat ik een wat andere benadering wil bepleiten met betrekking tot het omgaan met gevallen waarin niet is gehandeld conform het ondertekeningsvoorschrift van art. 8:77(3) Awb, namelijk een benadering waarbij de sanctie van vernietiging het ultimum remedium is en waarbij (daarom) eerst wordt onderzocht of het vormverzuim kan worden hersteld. Ik benadruk dat deze pragmatische benadering niet beoogt af te doen aan het gewicht dat toekomt aan het ondertekeningsvoorschrift, zoals bijvoorbeeld tot uitdrukking is gebracht in HR B. 3122 (zie 3.23-3.24). De benadering komt erop neer dat eerst wordt onderzocht of het vormverzuim kan wordt hersteld op een zodanige wijze dat aan het doel van het ondertekeningsvoorschrift wordt beantwoord, te weten voldoende waarborgen dat de uitspraak inderdaad is zoals die is vastgesteld. In het geval de mogelijkheid bestaat om de schending van het ondertekeningsvoorschrift op die wijze te (laten) herstellen, zie ik niet in welk overwegend belang ermee is gediend om de uitspraak te vernietigen in plaats van het verzuim te herstellen. Een belang bij vernietiging kan in zo’n geval weliswaar gelegen zijn in het inscherpen bij de feitenrechters dat (direct) conform het ondertekeningvoorschrift moet worden gehandeld, maar dat belang weegt naar mijn mening niet op tegen de belangen die worden aangetast door de tijd en kosten die gemoeid zijn met een nieuwe procedure, waaronder het algemeen belang in verband met het extra beslag op rechterlijke capaciteit. Ik neem daarbij in aanmerking dat – voor zover mijn waarneming strekt – het ondertekeningsvoorschrift gewoonlijk wordt nageleefd door de feitenrechters; een vernietiging omwille van de prikkel lijkt mij daarom bepaald niet efficiënt.
nietberust op een omissie, maar op opzet, omdat de griffier niet ervoor wilde instaan dat de uitspraak overeenkomt met de uitspraak zoals vastgesteld door de meervoudige kamer, dan zal het Hof dat moeten melden. Vernietiging van de uitspraak is dan aangewezen.