Conclusie
1.Inleiding
verhouding tussen de mededelingsplichten de zorgplicht van de bank, waaruit een
waarschuwingsplichtkan voortvloeien. Het Hof Amsterdam oordeelt dat de zorg- en waarschuwingsplicht mede van belang is voor de mededelingsplicht. In de effectenleasearresten van de Hoge Raad uit 2009 is echter een onderscheid gemaakt tussen de mededelingsplicht en de waarschuwingsplicht. Geldt dat ook bij renteswapzaken?
inhoud van de mededelingsplichtbij renteswapovereenkomsten. Kort gezegd, gaat het erom of kan worden volstaan met erop te wijzen
dateen bepaald risico bestaat (zoals dat van een mogelijke negatieve waarde van de swap bij tussentijdse beëindiging), of dat vereist is dat
meer informatieover dat risico wordt gegeven (zoals de mogelijke orde van grootte van die negatieve waarde).
dateen bepaald risico bestaat.
afwezigheid van nadeel voor het dwalingsberoep.De tweede prejudiciële vraag stelt aan de orde of een beroep op dwaling kan slagen indien de risico’s waarover is gedwaald zich niet hebben voorgedaan en niet zullen voordoen. De derde prejudiciële vraag wil weten of in een dergelijk geval het beroep op dwaling afstuit op gebrek aan belang, misbruik van recht oplevert dan wel naar maatstaven van redelijkheid en billijkheid onaanvaardbaar is. Ik bespreek deze kwesties in de conclusies in de prejudiciële zaken.
welke vorderingen uit onverschuldigde betalingontstaan na vernietiging van de renteswapovereenkomst
.In de zaak ABN AMRO/ [verweerster 1] is geoordeeld dat partijen de over en weer betaalde bedragen dienen te restitueren (art. 6:203 lid 2 BW Pro). In de zaak ING/Cliënt is de vordering beoordeeld op de voet van art. 6:210 lid 2 BW Pro, op een wijze die doet denken aan schadevergoeding. [8] De kwestie wordt aan de orde gesteld in de cassatiemiddelen in de zaak ING/Cliënt en wordt daarom besproken in de conclusie in die zaak.
OTC-derivaten(nieuw)
Kosten van voortijdige beëindiging
3.Procesverloop
4.Overzicht van het eindarrest van het hof en van de cassatiemiddelen
principale cassatiemiddelvan ABN AMRO bevat negen onderdelen, met verschillende subonderdelen. De
onderdelen 1 t/m 6klagen over het oordeel in rov. 2.10-2.17 dat ABN AMRO haar mededelingsplicht heeft geschonden.
Onderdeel 7klaagt over het oordeel in rov. 2.18 dat [verweerster 1] heeft gedwaald.
Onderdeel 8klaagt over het oordeel in rov. 2.18-2.22 dat er causaal verband is en betoogt subsidiair dat [verweerster 1] geen belang heeft bij vernietiging indien het alternatief voor een variabele rente met renteswap voor haar duurder zou zijn.
Onderdeel 9klaagt over de toewijzing van de wettelijke handelsrente in rov. 2.26.
voorwaardelijk incidenteel cassatiemiddelvan [verweerster 1] klaagt over het oordeel in rov. 2.3, 2.14 en 2.15 van (kennelijk) het eindarrest, dat ABN AMRO [verweerster 1] voorafgaand aan het sluiten van de swapovereenkomst schriftelijke informatie, waaronder de brochure OTC-derivatentransacties, zou hebben verstrekt.
de mededelingsplicht bij dwalingaan de orde stellen, hebben een principieel karakter. Deze problematiek is ook aan de orde in de prejudiciële vragen die de rechtbank Amsterdam heeft gesteld (zaaknrs. 18/03941 en 18/03942) en in de zaak ING/Cliënt (zaaknr. 18/01155), waarin ik heden eveneens concludeer. Ik verwijs naar de beschouwing hierover onder 6-8 van deze conclusie en de behandeling van deze klachten onder 9 van deze conclusie.
belang bij het beroep op dwaling ontbreekt, varieert deze zaak op het thema van de derde prejudiciële vraag die de rechtbank Amsterdam heeft gesteld. Ik kom daarop terug bij de bespreking van dit onderdeel.
5.Rentederivaten
renteswapde bekendste is. Op grond van een renteswapovereenkomst worden rentevoorwaarden uitgewisseld. De ene partij betaalt een vaste rente aan de andere partij, die een variabele rente betaalt aan eerstgenoemde partij. Anders dan bij renteswaps, wordt bij
caps,
floorsen
collarsde variabele rente niet geruild tegen een vaste rente. De klant en de bank spreken af dat de door de klant te betalen rente nooit boven (een
cap) of onder (een
floor) een vooraf vastgesteld niveau komt te liggen. Een
collaris een combinatie van een
capen een
floor, waarbij in feite een bandbreedte wordt afgesproken waartussen de door de klant te betalen variabele rente zich zal bewegen, met een maximum en een minimum. Een
swaptionis een optie op een renteswap, waarbij een klant het recht heeft om op een bepaald moment tegen vooraf overeengekomen voorwaarden vrijblijvend, doch tegen betaling van een premie, een renteswap aan te gaan. [26]
payer swap, betaalt de klant een vaste rente aan de bank en betaalt de bank een variabele rente aan de klant. Ook onder de variabelrentende lening betaalt de klant een variabele rente, met een opslag (marge), aan de bank. De variabele rente onder de lening en onder de swap zijn op elkaar afgestemd, door bijvoorbeeld in de lening en de swap steeds het tarief driemaands Euribor te hanteren. Onder de lening en onder de swap gezamenlijk betaalt de klant dan uiteindelijk de vaste rente en de opslag.
notional amount) en de looptijd van de swap(s) worden afgestemd op de hoogte en de looptijd van de lening(en). Dit hoeft echter niet. Naarmate de swap op deze punten meer afwijkt van de lening(en), krijgt de swap meer een speculatief karakter. Indien de hoofdsom van de swap te veel afwijkt van die van de lening of indien de looptijd van de swap te veel afwijkt van die van de lening, wordt gesproken van (het risico van)
overhedge. [28] Overhedgeen andere gevallen waarin de modaliteiten van de swap afwijken van die van de onderliggende lening, [29] worden in het UHK
mismatchgenoemd.
margin call). Gelet op het risico van een margin call, loopt de cliënt een liquiditeitsrisico. [30]
negatieve waardedoor de klant aan de bank, een positieve waarde door de bank aan de klant).
overhedgeontstaan indien de swap niet goed is afgestemd op de aflossingen. Ook wijziging door de bank van de opslag die deel uitmaakt van het vasterentetarief dat de klant onder swap betaalt, heeft in de praktijk tot geschillen geleid.
6.Dwaling wegens schending van een mededelingsplicht
De T./Dexiaen
Levob/B.is, in de woorden van de Hoge Raad, door het hof geoordeeld dat (i) door Dexia op essentiële punten voldoende duidelijke inlichtingen waren verschaft om een eventuele onjuiste voorstelling omtrent de aan de overeenkomst verbonden risico's, waaronder het restschuldrisico, redelijkerwijze te voorkomen, respectievelijk dat (ii) voor de belegger de essentialia van de overeenkomst - en dus de in algemene zin aan deze overeenkomst verbonden risico's - voldoende duidelijk waren of behoorden te zijn omdat Dexia hem tijdig de vereiste informatie omtrent de wezenlijke kenmerken van de overeenkomst heeft verschaft. Dit oordeel gaf volgens de Hoge Raad geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. [75]
de aard van de rechtsverhouding, waaronder de hoedanigheid of maatschappelijke positie van partijen, hun onderlinge verhouding, de duurzaamheid of vertrouwelijkheid daarvan, het type contract en de deskundigheid over en weer, (2) de
aard van de mee te delen informatie, waaronder de bijzonderheid, complexiteit, importantie, vertrouwelijkheid en traceerbaarheid daarvan, en (3) de
aard van de betrokken belangen, waaronder de aard en omvang van het voor de dwalende dreigende nadeel. [92]
voldoende duidelijkte zijn.
Gomes/Rental. [95] Daarin ging het om de vraag of een professionele autoverkoper had voldaan aan zijn mededelingsplicht met betrekking tot de bij hem bestaande twijfel over de juistheid van de kilometerstand van de auto. In de overwegingen van de Hoge Raad valt te lezen dat op de professionele autoverkoper geen onderzoeksplicht rust ter zake van de kilometerstand, maar dat hij de bestaande twijfel omtrent de juistheid van de kilometerstand
met voldoende duidelijkheidaan de koper meedeelt. In deze zaak is geoordeeld dat een in de overeenkomst opgenomen voorgedrukte vermelding (“Km std: Onlogisch”) en in de algemene voorwaarden opgenomen vermeldingen (kort samengevat: dat de autoverkoper niet in stond voor de juistheid van de kilometerstand, dat de kilometerstand naar beste weten van de verkoper de juiste is en dat de koper de feitelijke kilometerstand accepteert als de juiste) onvoldoende waren om een koper met de vereiste duidelijkheid mede te delen dat twijfel bestaat omtrent de juistheid van de kilometerstand.
De T. /Dexiaen
Levob/B.ten aanzien van dwaling bij het aangaan van effectenleaseovereenkomsten. [96] Volgens deze arresten gaf geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting en was voldoende gemotiveerd het oordeel van het hof, dat door Dexia met het door haar verstrekte schriftelijke materiaal (de Bijzondere Voorwaarden, een brochure en een brief van de belastingadviseurs) op essentiële punten voldoende duidelijke inlichtingen waren verschaft om een eventuele onjuiste voorstelling omtrent bepaalde aan de overeenkomst verbonden risico's redelijkerwijze te voorkomen. [97]
De T. /Dexiaen
Levob/B.ging het dan ook om mededelingen over bepaalde essentiële kenmerken van de effectenleaseovereenkomst die de afnemer kon kennen uit de contractsdocumentatie: de inhoud van de overeenkomst en van de eventuele daarop toepasselijke voorwaarden en de aan hem verstrekte brochures.
7.De verhouding tussen de mededelingsplicht en de waarschuwingsplicht
De T./Dexiaen
Levob/B., gaf het oordeel van het hof in die zaken dat was voldaan aan de mededelingsplicht, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Maar:
de tweede plaatswordt de afbakening tussen mededelingsplicht en de waarschuwingsplicht door veel auteurs problematisch geacht, mede in het licht van de eisen die kunnen worden gesteld aan de duidelijkheid van de mededeling. [133]
de derde plaats, door enkele critici verondersteld dat aan het in 2009 gemaakte onderscheid ten grondslag ligt dat een bank bij de mededelingsplicht minder snel dan bij de waarschuwingsplicht een plicht heeft om te onderzoeken welke informatie de klant nodig heeft. [135] Hoewel de zaken De T./Dexia en Levob/B. feitelijk in dat beeld passen, meen ik dat een dergelijke conclusie niet aan die zaken kan worden verbonden. Dat in deze zaken in het kader van de mededelingsplicht geen onderzoek van de aanbieder van het effectenleaseproduct nodig was naar de informatiebehoefte van de klant, betekent niet dat daarvan nimmer sprake zou kunnen zijn.
de vierde plaatswordt in de literatuur veelal verondersteld dat het onderscheid tussen mededelingsplicht en waarschuwingsplicht mede is ingegeven door de wens om bij de afwikkeling van effectenleasedossiers het rechtsgevolg vernietiging te vermijden zodat de afwikkeling zich zou richten op de bepaling van de schadevergoeding wegens schending van de zorgplicht, mede in het licht van de eigen verantwoordelijkheid van de afnemer van het effectenleaseproduct (art. 6:101 BW Pro). Hoewel dit wel op (voorzichtige) instemming kan rekenen, [136] wordt ook gewezen op mogelijke alternatieven om de gevolgen van (vernietiging wegens) dwaling te nuanceren. [137]
de vijfde plaatskan de vraag gesteld worden, of over de verhouding tussen de mededelingsplicht en de waarschuwingsplicht anders moet worden gedacht indien tussen partijen een adviesrelatie bestaat. In de adviesrelatie mag de klant zich immers in beginsel verlaten op de juistheid van hetgeen hem door de adviseur wordt verteld. [140]
de zesde (en laatste) plaatsdient daarom te worden bezien of er reden is om het in de De T./Dexia en Levob/B. gemaakte onderscheid tussen de mededelingsplicht en de waarschuwingsplicht te herzien dan wel te nuanceren. Ik bespreek dit in de volgende nummers.
8.Samenvatting van 6 en 7. De mededelingsplicht bij renteswapovereenkomsten
9.Bespreking van het principale cassatiemiddel
onderdelen 1 t/m 6klagen vanuit verschillende invalshoeken over het oordeel in rov. 2.10-2.17 EA dat ABN AMRO haar mededelingsplicht heeft geschonden. Ik bespreek de onderdelen en de daarin opgenomen klachten in beginsel afzonderlijk.
subonderdelen 1.2, 1.3 en 1.3.1, voor zover zij hierop voortbouwen.
Subonderdeel 1.3betoogt dat in rov. 2.13 EA bedoelde onderzoeksplicht ertoe strekt om te kunnen beoordelen of de renteswap voor [verweerster 1] geschikt was en daarom niet relevant is voor de vraag of de bank een mededelingsplicht had terzake van het risico van een betalingsverplichting bij een negatieve waarde van de renteswap bij tussentijdse beëindiging.
subonderdeel 1.3.1, dat echter bestrijdt dat dergelijke kennis ertoe kan leiden dat de bank bepaalde mededelingen op meer indringende wijze zou moeten doen. Naar mijn mening is dat wel degelijk denkbaar voor zover daarmee wordt gedoeld op de mogelijkheid dat de mededeling qua inhoud of presentatie wordt toegesneden op de individuele klant. [155] In zoverre falen de rechtsklachten van de
subonderdelen 1.1, 1.3 en 1.3.1.
subonderdeel 1.3.2naar mijn mening terecht dat het hof geen oordeel had kunnen geven over de relevantie van de onderzoeksplicht zonder te hebben vastgesteld wat de uitkomst van het onderzoek zou kunnen zijn geweest. In het verlengde hiervan slaagt ook de op dit deel van subonderdeel 1.3.2 voortbouwende klacht van
subonderdeel 1.3.3.
subonderdeel 1.3.2aanvoert, is het niet zo dat de conclusie uit een (daadwerkelijk of hypothetisch) onderzoek dat een renteswap geschikt/passend is voor de klant, betekent dat er ter zake geen mededelingsplicht zou kunnen bestaan. Een dergelijk onderzoeksresultaat betekent immers niet (zonder meer) dat de klant een juiste voorstelling van zaken heeft ten aanzien van de relevante kenmerken en risico’s van de swap.
subonderdeel 1.3.4over schending van de tweeconclusieregel faalt mijns inziens omdat het hof in zijn tussenarrest partijen in de gelegenheid heeft gesteld om nadere standpunten in te nemen over de betekenis van het door het hof in dat tussenarrest voorshands aangenomen bestaan van een adviesrelatie tussen partijen. [157]
subonderdeel 1.2wordt wel nog geklaagd dat het hof zich geen kenbare rekenschap heeft gegeven van de aard en reikwijdte van de adviesrelatie in het onderhavige geval, te weten, kort gezegd, dat het maar ging om één renteswap ter afdekking van een renterisico en dat [verweerster 1] in besprekingen in 2006 en 2007 was voorgelicht over renteswaps.
eerste klachtvan
subonderdeel 1.2.1berust op een onjuiste lezing van het arrest en faalt daarom. Anders dan deze klacht veronderstelt, heeft het hof in rov. 2.5 en 2.12 EA niet geoordeeld dat de Wft of MiFID ten tijde van het aangaan van de swap verplichtten tot het “indringend en in niet mis te verstane bewoordingen waarschuwen” in een adviesrelatie als de onderhavige.
tweede klachtvan
subonderdeel 1.2.1berust op een onjuiste lezing van het arrest en faalt daarom. Anders dan deze klacht veronderstelt, heeft het hof in rov. 2.14 EA geen oordeel gegeven over de vraag of de Wft en MiFID/MiFID II gestandaardiseerde informatieverstrekking toelaat.
onderdelen 2 t/m 6klagen over verschillende aspecten van de beoordeling door het hof van de mededelingsplicht van ABN AMRO. De
onderdelen 7 en 8bestrijden daarop voortbouwende oordelen van het hof. Nu onderdeel 1 m.i. slaagt en dient te leiden tot vernietiging van het eindarrest van het hof en tot verwijzing van de zaak naar een ander gerechtshof ter verdere behandeling en beslissing, kunnen de door de onderdelen 2 t/m 8 aan de orde gestelde punten door het verwijzingshof, waar nodig, (opnieuw) worden beoordeeld. Deze onderdelen zouden daarom in beginsel buiten behandeling kunnen worden gelaten. Ik geef deze onderdelen hieronder volledigheidshalve weer en bespreek daarvan kort de klachten die mogelijk een meer algemene strekking hebben of zien op de duiding van het arrest van het hof.
de eerste klacht van subonderdeel 2.1had het hof niet mogen uitgaan van de gemiddeld geïnformeerde, omzichtig en oplettend handelende afnemer, maar had het moeten onderzoeken wat in de concrete omstandigheden van het geval van [verweerster 1] aan onderzoek mocht worden verwacht.
de tweede klacht van subonderdeel 2.1heeft het hof relevante omstandigheden miskend, althans zijn oordeel onvoldoende begrijpelijk gemotiveerd in het licht van de door ABN AMRO aangevoerde, in de klacht onder a t/m e bedoelde stellingen, dat (a) [verweerster 1] handelde als ondernemer, (b) het ging om een plain vanilla swap, (c) [verweerster 1] werd bijgestaan door haar accountant (waarover nader
onderdeel 3), (d) ABN AMRO mocht verwachten dat [verweerster 1] de verstrekte schriftelijke informatie aandachtig zou lezen en bestuderen (waarover nader
subonderdeel 4.1) en (e) ABN AMRO de werking van de swap drie keer met [verweerster 1] heeft besproken (waarover nader
onderdeel 5).
subonderdelen 2.2 t/m 2.4verbinden aan, kort gezegd, (i) het gezichtspunt bij de beoordeling van de mededelingsplicht dat een partij die een voor bepaalde tijd gesloten overeenkomst beëindigt, gehouden is tot vergoeding van de schade die de wederpartij daardoor leidt (
subonderdeel 2.2), (ii) het gegeven dat voor een ondernemer (die wordt bijgestaan door een accountant) bekend is dat bij vervroegde aflossing van een vastrentende lening een vergoeding aan de bank verschuldigd is (
subonderdeel 2.3) en (iii) de in subonderdeel 2.1 genoemde omstandigheden van het geval (
subonderdeel 2.4), onder meer de conclusie dat het naar verkeersopvattingen volstaat om voldoende duidelijke informatie te verschaffen over de mogelijkheid van een (aanzienlijke) negatieve waarde, welke informatie ook in gestandaardiseerde vorm kan worden verstrekt.
steedskan worden volstaan met het bieden van gestandaardiseerde informatie of van informatie die ‘enkel mededeelt’ en niet ‘wijst op’ of ‘voorlicht over’ – dus op de een of andere manier extra aandacht vraagt voor of nader ingaat op – een bepaald risico zoals dat van een negatieve marktwaarde. In zoverre slagen de subonderdelen daarom niet naar mijn mening.
subonderdelen 2.2 t/m 2.4voortbouwen op de slagende klachten van subonderdeel 1, slagen zij echter wel.
subonderdeel 3.1miskent het hof dat de deskundige bijstand van de accountant niet alleen relevant is voor de vraag of de dwaling voor rekening van [verweerster 1] behoort te blijven (art. 6:228 lid 2 BW Pro), maar ook (i) voor de vraag of op ABN AMRO een mededelingsplicht rustte ter zake van een (betalingsverplichting bij) negatieve waarde bij tussentijdse beëindiging, en zo ja hoe ver deze gaat, en (ii) bij de beoordeling of de bank met de door haar gegeven schriftelijke en mondelinge informatie aan deze mededelingsplicht heeft voldaan.
subonderdelen 3.1.1 en 3.1.2klagen over de begrijpelijkheid van het in 9.17.2 onder (a) bedoelde oordeel, omdat ABN AMRO wel een beroep heeft gedaan op de bijstand van de accountant in het kader van haar betwisting van de gestelde schending van de mededelingsplicht.
in niet mis te verstane bewoordingente informeren en benadrukt dat schriftelijk verstrekte (standaard)informatie voldoende kan zijn.
onderdeel 4.1miskent het hof dat de reikwijdte van de mededelingsplicht mede wordt bepaald door wat naar verkeersopvattingen bij een ondernemer aan begrip en inspanning om van schriftelijke informatie kennis te nemen, mag worden verwacht. Daarbij dient tot uitgangspunt dat van een ondernemer mag worden verwacht dat hij zal waken voor zijn eigen belangen.
subonderdeel 4.1.2betoogt, kon het hof het gebrek aan deskundigheid en ervaring van [verweerster 1] , mede gezien de adviesrelatie met ABN AMRO, laten meewegen in zijn oordeel naar wat van [verweerster 1] mocht worden verwacht om te voorkomen dat zij zou contracteren onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken.
subonderdeel 4.2tot uitgangspunt neemt, heeft het hof in rov. 2.14 EA niet geoordeeld dat de schriftelijke informatie niet voldeed omdat deze gestandaardiseerd was. Het hof oordeelde dat de schriftelijke informatie niet voldeed, omdat ABN AMRO [verweerster 1] , kort gezegd, duidelijker had moeten informeren dan volgde uit de schriftelijke informatie.
subonderdelen 4.3 t/m 4.5richten zich op het oordeel in rov. 2.14 EA dat niet is voldaan aan de mededelingsplicht. In rov. 2.14 EA heeft het hof overwogen:
subonderdeel 4.3hanteert het hof een te strikte maatstaf, althans heeft het zijn oordeel onbegrijpelijk en/of ontoereikend geformuleerd, omdat uit de in
subonderdeel 4.3.1geciteerde documentatie onmiskenbaar blijkt: wat de onderliggende waarde van de renteswap is, dat de waardeontwikkeling ervan afhankelijk is van de daadwerkelijke renteontwikkeling, dat de swap bij beëindiging wordt gewaardeerd op de op dat moment geldende marktwaarde en dat bij een negatieve marktwaarde bij tussentijdse beëindiging een betalingsverplichting jegens de bank bestaat.
subonderdeel 4.3.2aanvoert, het hof in rov. 2.14 EA blijkens het gebruik van de term “unwinding” is uitgegaan van een onjuiste, want niet aan [verweerster 1] verstrekte versie van de brochure OTC-Derivatentransacties.
Subonderdeel 4.2.2geeft de stellingen van ABN AMRO over de marktwaarde van de swap bij tussentijdse beëindiging weer.
subonderdeel 4.5.1miskent het hof dat de
omvangvan een eventuele betalingsverplichting ter zake van de negatieve waarde een uitsluitend toekomstige omstandigheid in de zin van art. 6:228 lid 2 BW Pro is.
subonderdelen 4.5.2 t/m 4.5.5behoeven geen afzonderlijke bespreking.
subonderdelen 5.1 t/m 5.3. Daarin wordt naar mijn mening terecht geklaagd dat het hof ook aandacht had dienen te besteden aan de stellingen van ABN AMRO over de betekenis van de gesprekken van 20 september 2006, april 2007 en 19 juni 2007, alvorens te oordelen dat ABN AMRO haar mededelingsplicht had geschonden. De tegen de uitleg van de stellingen van ABN AMRO en de verwerping van het bewijsaanbod gerichte klachten in de
subonderdelen 5.4 en 5.5behoeven mijns inziens geen behandeling. Na cassatie en verwijzing zal opnieuw kunnen worden beoordeeld of, er aanleiding is om op deze bewijsaanbiedingen in te gaan en, zo ja, hoe.
subonderdelen 6.1 t/m 6.3geen behandeling. Na cassatie en verwijzing zal opnieuw kunnen worden beoordeeld of en, zo ja, in hoeverre het op de weg van [verweerster 1] lag om op bepaalde punten vragen te stellen.
subonderdelen 7.1 en 7.2geen behandeling. Na cassatie en verwijzing zal opnieuw kunnen worden beoordeeld of is voldaan aan de in art. 6:228 BW Pro aan dwaling gestelde voorwaarden.
subonderdeel 7.3onvoldoende gemotiveerd het oordeel in rov. 2.13 EA dat niet is gesteld of gebleken dat [verweerster 1] kennis had van een product als het onderhavige. De klacht verwijst naar de in onderdeel 5 bedoelde besprekingen tussen [verweerster 1] en ABN AMRO.
subonderdelen 8.1 t/m 8.3berusten op een onjuiste lezing van het arrest van het hof. Het hof heeft het nalaten om te onderzoeken en adequaat te informeren door ABN AMRO niet betrokken op de aanwezigheid van het causale verband, zoals de subonderdelen veronderstellen. Het hof voert dit aan als argument voor het in 9.38.1 onder (i) bedoelde oordeel, dat ABN AMRO haar betwisting van het causale verband onvoldoende heeft gemotiveerd. Uit het in 9.38.1 onder (ii) bedoelde oordeel blijkt dat het hof een juiste maatstaf heeft aangelegd voor de beoordeling van het causale verband.
subonderdelen 8.4.1 t/m 8.4.3 en 8.5behoeven geen bespreking.
Subonderdeel 8.4verwijst naar subonderdeel 1.2.2, dat mijns inziens faalt.
subonderdeel 8.6aan. Bij vervroegde aflossing van de hypothetische vastrentende lening, zou [verweerster 1] volgens ABN AMRO een aanmerkelijk hogere tussentijdse beëindigingsvergoeding verschuldigd zijn geweest dan de in werkelijkheid door [verweerster 1] betaalde negatieve marktwaarde van de swap. Daarom heeft [verweerster 1] , volgens de klacht, geen rechtens te respecteren belang bij haar vordering tot vernietiging van de renteswapovereenkomst wegens dwaling over de verschuldigdheid van een mogelijke negatieve waarde bij tussentijdse beëindiging. Het hof had, zo nodig ambtshalve, toepassing moeten geven aan art. 3:303 (ontbreken voldoende belang), art. 6:2 lid 2 en Pro/of 6:248 lid 2 (beperkende werking van de redelijkheid en billijkheid) dan wel 3:13 (misbruik van bevoegdheid) BW, aldus de klacht.