Conclusie
medeplegen van moord”
medeplegen van voorbereiding van moord”
medeplegen van voorbereiding van moord, meermalen gepleegd”
medeplegen van moord”
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”
openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen”
medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie”
medeplegen van moord”
medeplegen van moord”
medeplegen van moord”
als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven”
twintigjaren, terwijl in de met de kroongetuige gesloten overeenkomst als uitgangspunt een gevangenisstraf van
vierentwintig jaren stond vermeld, en (ii) dat het OM (als verkapte tegenprestatie) heeft afgezien van het instellen van een ontnemingsvordering.
de rechter het achteraf niet eens is met het rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris of (…) hij de verklaring anderszins niet deugdelijk vindt.” Bij aanvang van de behandeling van de strafzaak Eris liet het OM al weten tot verlaging van de strafeis voor de kroongetuige over te gaan, terwijl er nog verscheidene verhoren van die getuige ten overstaan van de rechter op de rol stonden, zulks ter toetsing van de door de kroongetuige eerder in het vooronderzoek afgelegde verklaringen.
Passage), overwoog de Hoge Raad over de kroongetuigeregeling onder meer het volgende:
3.3. De wettelijke regeling houdt in dat aan een verdachte door de officier van justitie een toezegging kan worden gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte. De officier van justitie geeft kennis aan de rechter-commissaris van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in de strafzaak van deze verdachte strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd. Art. 226g, eerste lid, Sv houdt in dat deze afspraak uitsluitend betrekking heeft op het afleggen van een verklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar een ernstig, in deze wettelijke bepaling nader omschreven misdrijf. Het tweede lid van art. 226g Sv bevat (vorm)voorschriften met betrekking tot de inhoud van de op schrift gestelde voorgenomen afspraak. Op grond van art. 226g, derde lid, Sv toetst de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van deze afspraak. Het vierde lid van art. 226g Sv bepaalt dat van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, proces-verbaal wordt opgemaakt. Dat proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd.
“reeds omdat van een afspraak als bedoeld in die bepaling eerst sprake kan zijn indien het gaat om een toezegging die wordt gedaan in ruil voor de bereidheid van de getuige om een verklaring af te leggen.”Het oordeel van het hof dat van een dergelijke toezegging geen sprake was, was ook niet onbegrijpelijk gelet op wat het hof had vastgesteld met betrekking tot de beweegredenen van het OM voor het nemen van de beslissing om (onder voorbehoud) af te zien van het instellen van een ontnemingsvordering. [3]
“Overeenkomst als bedoeld in de aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken”van 13 november 2018 (hierna: de kroongetuigeovereenkomst). Deze houdt onder meer in:
2.2 De officier van justitie verklaart, na kennis genomen te hebben van alle relevante feiten zoals die blijken uit de eerdergenoemde processen-verbaal en overige dossierstukken, en na collegiaal overleg, dat onder gelijke omstandigheden, doch zonder onderhavige afspraak, de zaaksofficier van justitie voor alle in de considerans genoemde aan getuige ten laste gelegde of te leggen strafbare feiten van getuige een totale gevangenisstraf zou hebben geëist, dan wel zal eisen, voor de duur van 24 jaren. Bij onverkorte nakoming door getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, zal de zaaksofficier van justitie zijn strafeis voor deze feiten matigen met 50%, te weten tot een gevangenisstraf van 12 jaren.
5.1.3. De rechtmatigheid van de overeenkomst
geen strafverzwaring” teweeg heeft gebracht. Daarmee wordt het oordeel van de Hoge Raad m.i. niet in een juist perspectief geplaatst. De Hoge Raad heeft immers (‘slechts’) geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling niet kan worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging, zulks op de grond dat “
zowel voor als na de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen de mogelijkheid bestond en bestaat dat de veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf voor de volledige duur daarvan moet ondergaan.” [7]
inzake Charon pleitnota, p. 47 e.v., randnummers 32-50), Barbera (pleitnota, p. 69 e.v., randnummers 14-16), Charlie pleitnota, p. 86 e.v., rand nummers 42-49), Gezicht (pleitnota, p. 98 e.v., randnummer 16), Breuk (pleitnota, p. 109 e.v., randnummers 3-25), Langenhorst (pleitnota, p. 135 e.v., randnummers 4-48) en Lis (pleitnota, p. 149, randnummer 1-7)”.
5.1.4. De betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige
De informatie van de kroongetuige is geheel nieuw en wordt pas later in het onderzoek bevestigd door gegevens waarvan de kroongetuige niet op de hoogte kon zijn;
De informatie kan worden bevestigd met zich al in het dossier bevindende onderzoeksresultaten of andere gegevens waarvan de kroongetuige op de hoogte kon zijn;
De informatie wordt verkregen naar aanleiding van aan de kroongetuige voorgehouden onderzoeksresultaten.
De verklaring van de kroongetuige dat een zekere “ [betrokkene 3] ” of “ [betrokkene 3] ” opdrachtgever voor een aantal liquidaties was, komt overeen met een PGP-gesprek tussen [verdachte] en ‘ [betrokkene 4] ’ waarin “ [betrokkene 3] ” als opdrachtgever wordt genoemd;
De kroongetuige heeft verklaard dat [verdachte] hem een A4’tje met een foto van [slachtoffer 8] op een bruiloft heeft laten zien. Op die foto was het hoofd van [slachtoffer 8] omcirkeld. Op gegevensdragers van [verdachte] is een foto gevonden van een A4’tje met een foto van [slachtoffer 8] met zijn hoofd omcirkeld die ook verder aan de beschrijving van de kroongetuige voldoet;
[verdachte] zou opdracht hebben gegeven voor de beschieting van een woning aan de [a-straat] in [plaats] . Op gegevensdragers van [verdachte] is een beeldopname van een PGP-gesprek aangetroffen waarin wordt gesproken over een donkere straat met bomen bij de afslag [plaats] ( [plaats] ) van de [snelweg] . Ook is op die gegevensdrager een afbeelding van een printje van een routebeschrijving van Google Maps van ‘Mijn locatie’ naar de [a-straat] in [plaats] gevonden;
[verdachte] zou zijn benaderd door [betrokkene 6] omdat zijn zoon in de problemen was gekomen door een vergismoord. Onder [verdachte] zijn beeldopnames van whatsappgesprekken en PGPgesprekken tussen beiden van ongeveer twee weken na de betreffende vergismoord over de zoon van [betrokkene 6] aangetroffen;
Het geld voor de moord op [slachtoffer 1] zou op de dag na de moord door een motorrijder zijn opgehaald. Op gegevensdragers van [verdachte] is de volgende chat van 8 juli 2017 aangetroffen: “Ok ik stuur hem, hij komt op de motor”.
dat de kroongetuige weinig tot geen tekst of uitleg kan geven op bepaalde punten, zelf gist omdat informatie hem niet met zoveel woorden is verteld, zijn verklaring over zijn aanwezigheid niet strookt met ander bewijs, zijn contacten met anderen, eerdere betrokkenheid bij strafbare feiten, toevalligheden en het feit dat hij meer wist dan dat verdachte.” Het hof heeft deze punten niet weerlegd, terwijl het hier niet gaat om details waarop het hof niet hoefde in te gaan.
Prokuratuur [13] en
Landeck [14] .
5.2 Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens
Prokuratuur. [17] Daarnaast deed het Hof van Justitie in de zaak
Landeckuitspraak [18] over Richtlijn 2016/680. [19]
Landeckgaf de Hoge Raad (bij arrest van 18 maart 2025) aanleiding zijn rechtspraak over opsporingsonderzoek aan gegevensdragers als volgt bij te stellen. [23] Als politie en justitie aan gegevensdragers onderzoek willen verrichten dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal teweegbrengen, is daarvoor – behalve in spoedeisende gevallen – voortaan een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. De rechter-commissaris toetst of de inbreuk die door het onderzoek aan de gegevensdrager op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker wordt gemaakt, gerechtvaardigd is, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek voor de waarheidsvinding. [24] In dit verband wijs ik erop dat het Hof van Justitie overweegt “
dat de ernst van het strafbare feit waarnaar het onderzoek loopt, een van de belangrijkste parameters is bij de toetsing van de evenredigheid van de ernstige inmenging die het gevolg is van de toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens aan de hand waarvan nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene.” [25]
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie duidelijk heeft gemaakt dat er geen afwijkende regels gelden voor de sanctionering van vormverzuimen waarmee de verkrijging van verkeers- en locatiegegevens gepaard is gegaan. Hier is artikel 359a Sv onverminderd van toepassing. [26] Ik zie geen reden waarom dat anders zou zijn bij vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan gegevensdragers. [27]
Landeck. [34] De uitspraak van het Hof van Justitie dateert van 8 oktober 2024 (en is overigens op het punt van de voorafgaande rechterlijke toetsing in lijn met de conclusie). [35] Bovendien dateert het
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 en formuleerde de Hoge Raad het daarop bijgestelde kader voor de vordering van verkeers- en locatiegegevens bij arrest van 5 april 2022. Deze conclusie en uitspraken zijn dus van (ruim) vóór de sluiting van het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte (op 12 februari 2025). Bij die stand van zaken gaat de in cassatie ingenomen stelling mij te ver. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij onder deze omstandigheden in staat is te beoordelen of een verweer over eventuele onrechtmatigheden bij het onderzoek aan gegevensdragers en de vordering van verkeers- en locatiegegevens kans van slagen heeft (en past in de verdedigingsstrategie). [36]
7. CHARLIE17
9.BREUK
nietpersonen van wie de persoonsgegevens niet (of niet volledig) zijn vermeld in het proces-verbaal waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken. [40] Waar het om gaat is dat de identiteit van de persoon die heeft verklaard, kan worden geïndividualiseerd. [41]
–waar de verdachte als getuige werd gehoord
–is namens de raadsman van de [medeverdachte 2] , mr. [betrokkene 9] , het verzoek gedaan om (onder meer) [getuige 2] als getuige te horen. [43] Dit verzoek hield volgens het proces-verbaal van die zitting in:
verklaart vandaag over een cruciaal punt in de zaak van mijn cliënt[DA: [medeverdachte 2] ]
, namelijk over de vraag wie er schuilgaat achter het account ‘ [accountnaam] ’. Er zijn aanknopingspunten om de identiteit van [betrokkene 10] te achterhalen. Volgens de getuige heeft ene ‘ [bijnaam getuige 2] ’ – mogelijk is dat ene [getuige 2] – hem met [betrokkene 10] in contact gebracht. Het lijkt mij noodzakelijk om in elk geval die [bijnaam getuige 2] / [getuige 2] daarover te bevragen. Hem kunnen dan ook vragen worden gesteld over de identiteit van [betrokkene 10] .”
[getuige 2](‘ [bijnaam getuige 2] ’):
Op 22 november 2023 is verzocht om het horen als getuige van [getuige 2] . De belangrijkste reden om deze persoon te horen is gelegen in de verklaring van [verdachte] dat hij via [getuige 2] in contact is gekomen met een zekere [betrokkene 10] . [getuige 2] zou het contact van [verdachte] met [betrokkene 10] kunnen bevestigen en daarmee ook het bestaan van [betrokkene 10] .Het hof heeft het verzoek toegewezen op 8 december 2023 en daarbij bepaald dat de getuige in alle zaken diende te worden gehoord.
In hoger beroep heeft [verdachte] verklaard dat de gesprekken die zijn aangetroffen op zijn gegevensdragers afkomstig zijn van een ‘fixer’ waarvan hij de naam wel kent, maar niet wil noemen.Voorafgaand aan een tweede verhoor heeft [verdachte] een schriftelijke verklaring overgelegd waarin hij zegt dat de fixer [betrokkene 10] heet. Een achternaam wist hij niet en contactgegevens van [betrokkene 10] zouden zich niet op zijn telefoon bevinden.
“het onaannemelijk is dat de getuige ( [getuige 2] ) binnen een aanvaardbare termijn (ter terechtzitting) zal verschijnen”, en dat – ondanks dat deze getuige niet ter zitting is gehoord – het strafproces ‘eerlijk’, als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, is geweest.
defence witness) uit eigen wetenschap iets zou kunnen verklaren over de aan de verdachte ten laste gelegde feiten. Het gaat immers om een getuige die (volgens de verdediging) het door de verdachte naar voren gebrachte (alternatieve) scenario over het bestaan van ‘ [betrokkene 10] ’ van een nadere onderbouwing zou kunnen voorzien. Het hof heeft dit scenario echter – m.i. op geenszins onbegrijpelijke gronden – als
“ongeloofwaardig”terzijde geschoven (zie onder randnummer 71) en naar mijn inzicht ook terzijde
kunnenschuiven, ongeacht wat [getuige 2] over deze ‘ [betrokkene 10] ’ zou hebben verklaard.
6.3.1 Conclusies veredelingen en identificaties
‘ [PGP-naam 2] ’ (tussen 18 en 20 februari 2017);
‘ [PGP-naam 1] / [PGP-naam 1] ’;
‘ [PGP-naam 3] ’;
‘ [PGP-naam 4] ’;
NN2 ( deelonderzoek Goudvink ).
ok mooi”).
3. Meest subsidiair:
een gestolen auto en
een PGP-telefoon
vuurwapens en
gestolen auto’s
5. BARBERA
6.ARFORD
6.3.3. BARBERA
”. Om 20.41 uur stuurt [betrokkene 20] aan [verdachte] dat “hij er is
”. Om 20.43 uur laat PGP-account ‘ [PGP-naam 6] ’ via PGPaccount ‘ [PGP-naam 7] ’ via ‘ [PGP-naam 8] ’ en vervolgens [betrokkene 20] aan [verdachte] weten dat hij om negen uur exact naar binnen loopt. ‘ [PGP-naam 8] ’ zegt daarover: “Dus hy staat daar gewoon [PGP-naam 9] 9uur gaat ie na binnen dus als ze zyn auto zien hem erin doen direct
” en “Dus laat heads goed kyken hy moet daar zyn nu in auto [PGP-naam 9] 9uur gaat ie na binnen
”. [betrokkene 20] zegt tegen [verdachte] dat ze ready moeten staan. Het hof leidt uit de inhoud van deze berichten en het gebruik van het woord ‘heads’ af dat PGP-account ‘ [PGP-naam 6] ’ het doelwit is dat om 21.00 uur ergens zou komen en dat deze persoon vervolgens moest worden geliquideerd.
”. [betrokkene 20] stuurt ook nog het volgende bericht van ‘ [PGP-naam 8] ’ door: “Hé deze kanker heads zitten te kanker deze man gaat zo weg en weer niks hy is daar al 25min
”. Om 21.09 uur stuurt [betrokkene 20] naar [verdachte] : “S die café gesloten
”.
”. Om 21.21 uur stuurt ‘ [PGP-naam 6] ’ via ‘ [PGP-naam 7] ’, ‘ [PGP-naam 8] ’ en [betrokkene 20] naar [verdachte] : “Ik ben weg hier
”. Uit dit laatste bericht en het vervolg van het chatgesprek leidt het hof af dat het kennelijk niet gelukt is om de persoon te liquideren. Ook daarna heeft [verdachte] nog contact met [betrokkene 20] om te bespreken waarom het niet is gelukt. Op de onder [verdachte] aangetroffen opnamen van PGP-gesprekken is te zien dat vanaf 21.42 uur ook [betrokkene 21] met [verdachte] chat.
”. [verdachte] antwoordt met “Ze zitten ervoor in bus
”. Op 17 maart 2017, acht dagen na het moment van deze mislukte liquidatie, worden [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] aangehouden. [betrokkene 13] heeft dan een sleutel van een Volkswagen Caddy, een bestelbus, bij zich. Deze auto is in de nacht van 7 op 8 maart 2017, twee dagen vóór de mislukte liquidatie van [slachtoffer 3] , in [plaats] gestolen. In het geïntegreerde navigatiesysteem van deze Volkswagen Caddy stond het adres [f-straat] in [plaats] als de laatst ingevoerde bestemming. De eigenaar heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij dit adres heeft ingevoerd. De andere in het navigatiesysteem aangetroffen bestemmingen heeft hij (wel) ingevoerd.
” en dat hij dan naar [betrokkene 12] toe moet komen. Om 18.35 uur straalt een toestel van [betrokkene 13] aan op de mast [n-straat 1] in [plaats] . Zoals al gezegd, straalt een telefoon van [betrokkene 12] kort na het moment van de beoogde liquidatie ook op deze mast aan. Op 10 maart 2017 om 01.27 uur straalde een telefoon van [betrokkene 13] aan op de mast [o-straat 1] in [plaats] . Deze mast bevindt zich in de nabije omgeving van de woning van [verdachte] aan de [p-straat 1] in [plaats] . Nu niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene 12] en [betrokkene 13] een ander adres hebben bezocht, gaat het hof ervan uit dat zij toen in [plaats] een ontmoeting met [verdachte] hebben gehad.
” en geeft als adres [g-straat 1] . Op een harde schijf die onder [verdachte] in beslag is genomen staan twee foto’s die op 16 maart 2017 om 19.07 uur en 19.08 uur van een mobiele telefoon zijn gemaakt. Via het genoemde adres komt de politie uit bij [slachtoffer 4] , mede omdat zijn vriendin en hun kind op dat adres woonden.
”, “niet in die straat staan want hij ziet alles als hij thuis is
”, “rijdt meestal vanaf de [j-straat] de [q-straat] in na [gg-straat] , dan verder na [g-straat] , komt vanaf de [d-straat] meestal!
”, “hij woont op 3 hoog witte luxa flex daar kan hij heel stiekem door kijken zonder dat je het door hebt bro
”, “hij gaat meestal via die deur rechts als je in de straat komt rijden soort brandtrapje niet bij de hoofdingang
”, “hij traint ook bij die [A] bij [j-straat] is 3 min lopen van z’n huis!
”,“z’n vrouw werkt tot 3 uur
” en “weet ook waar ze eten in [stadswijk] , tussen 5 en 7 uur
”. [slachtoffer 4] herkent zichzelf in deze informatie als de persoon om wie het gaat.
” is. [verdachte] mag deze personen ook een “drive by geven
”. Volgens [betrokkene 21] stapt “hij uit voor zijn deur
”, dan moet [verdachte] “hem pakken
”. Als ze “met z’n 3tjes zijn ook
”, dan “Pak je ze alle 3
”. [verdachte] mag hem ook pakken “als hij naar huis loopt van gym
”. [betrokkene 21] tipt nog dat ze “in die [i-straat] tegen over [A] moeten staan, zie je iedereen erin of eruit rijden
”.
” en dat “deze binnen nu en paar dagen max klaar moet zijn
”. [verdachte] antwoordt dat hij het “morgen 200% doet
”, “als sportschool klopt of niet klopt hebben we savonds nog
”. Hij “laat ze morgen hele dag daar zijn
”. Ook noemt [verdachte] dat ze in een bus kunnen om te ‘timeren’ (observeren) en heeft hij het over een Clio.
nietzijn voldaan aan het bestemmingsvereiste. Aan die eis wordt, zoals gezegd, alleen voldaan als uit de bewijsvoering blijkt dat het voorwerp is bestemd om – op zijn minst:
mede– te fungeren in de uitvoering van het misdrijf. [63]
“in die [i-straat] tegen over [A] moeten staan”;
morgen 200% doet”en dat hij de uitvoerders morgen de hele dag daar aanwezig laat zijn. Hij noemt ook een bus en een Clio;
2. op 28 juni 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie II en munitie van categorie II, te weten een raketwerper en een projectiel voorhanden heeft gehad;
een vuurwapen en
een hoeveelheid scherpe patronen
6.3.6. GEZICHT
Feit 2: medeplegen van voorhanden hebben van een raketwerper en projectiel op 28 juni 2017
Feit 4: het medeplegen van voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie op 29 juni 2017
in vergelijkbare zin[gelden]
indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van ‘in vereniging’ - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving”. [66] Volgens de Hoge Raad (in hetzelfde arrest) brengt dit mee dat de rechter bij het bewijzen van artikel 141 Sr Pro: “
zal (…) moeten beoordelen of sprake is van nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk plegen van geweld tegen personen of goederen.” Dat wijst erop dat de Hoge Raad voor het bewijs van het bestanddeel ‘in vereniging’ in artikel 141 Sr Pro niet de fysieke aanwezigheid van elke dader verlangd. Dat is bij medeplegen in de zin van artikel 47 Sr Pro namelijk ook niet het geval. [67]
Niet alleen het plegen van uitvoeringshandelingen, maar ook andere bijdragen aan het tot stand komen van een delict rechtvaardigen strafrechtelijke aansprakelijkheid.” [71] De memorie van toelichting houdt verder in dat “
de voorgestelde aanpassing van artikel 141 WvSr Pro beoogt te bewerkstelligen, dat de verruiming van het medeplegen ook bij dit artikel doorwerkt”. [72] Daarbij wordt opgemerkt dat bij een niet-spontane uitbarsting van geweld de dader ook een rol in de organisatie kan hebben gespeeld door deelnemers aan de openlijke geweldpleging te werven. [73] En in de memorie van antwoord stelt de minister: “
Een tweede soort gedraging die een voldoende wezenlijke bijdrage aan openlijke geweldpleging kan opleveren, betreft het organiseren of, op de achtergrond, sturen daarvan.” [74]
de opdracht aan te nemen, zelf informatie over het doelwit te verzamelen, een voorverkenning uit te voeren, [kroongetuige] aan te sturen (wat ook blijkt uit de omstandigheid dat [kroongetuige] aan hem verslag deed na de beschieting), te zorgen dat [kroongetuige] en de andere uitvoerders over een wapen beschikten en voor de betaling aan de uitvoerders te zorgen.”
De moord op [slachtoffer 7] op 31 januari 2017 ( deelonderzoek Charon )
De moord op [slachtoffer 2] op 17 april 2017 ( deelonderzoek Charlie17 )
De moord op [slachtoffer 1] op 7 juli 2017 ( deelonderzoek Breuk )
De moord op [slachtoffer 8] op 26 juli 2017 ( deelonderzoek Langenhorst )
maar € 60.000,-” zou krijgen en hij zelf auto’s en wapens moest regelen. [80]
6.3.9.1. De liquidatie van [slachtoffer 6]
[verdachte] de opdracht heeft gegeven [slachtoffer 6] te liquideren;
aangenomen mag worden dat personen uit de omgeving van [verdachte] de liquidatie van [slachtoffer 6] hebben uitgevoerd;
[betrokkene 30] en [betrokkene 33] actief waren in het chapter [plaats] van [motorclub] onder leiding van [betrokkene 29] ;
[betrokkene 29] had gewild dat [betrokkene 33] op 29 juni 2017 met [betrokkene 30] was meegegaan om een woning in [plaats] te beschieten;
DNA van [betrokkene 30] en [betrokkene 33] op door de daders gedragen kleding is gevonden;
de sporen geen match met andere personen inclusief veertien personen uit het onderzoek Eris heeft opgeleverd; en omdat
er geen aanwijzingen zijn dat andere personen uit de omgeving van [verdachte] de moord op [slachtoffer 6] hebben gepleegd;
enkelop schakelbewijs berust, mist dus feitelijke grondslag. Het op voorgaande omstandigheden gebaseerde oordeel over de betrokkenheid van de verdachte is bovendien niet onbegrijpelijk.
[verdachte] is vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten in de deelonderzoeken Eend , Kraai , Spreeuw , Mus en Duif , maar de bewijsmiddelen in die zaken dragen wel bij aan het oordeel van het hof dat sprake was van een criminele organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Ook dragen die bewijsmiddelen bij aan het oordeel dat [verdachte] aan die organisatie leiding gaf.”
tenuitvoerleggingvan de levenslange gevangenisstraf in het individuele geval in overeenstemming is met de eisen die artikel 3 EVRM Pro stelt en (ii) de kwestie of de
opleggingvan die straf in overeenstemming is met de bedoelde eisen. Kwestie (ii) komt neer op de vraag of het stelsel als geheel de waarborgen biedt om te kunnen aannemen dat, na die oplegging, de tenuitvoerlegging niet in strijd zal komen met de eisen die artikel 3 EVRM Pro daaraan stelt. De Hoge Raad heeft die vraag bevestigend beantwoord en heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.
kankomen dat de levenslange gevangenisstraf niet langer kan worden opgelegd, omdat de straf ‘de facto irreducible’ is geworden. Dat oordeel dient te berusten op toereikende feitelijke vaststellingen die zijn gebaseerd op wat daarover tijdens het onderzoek ter terechtzitting ter sprake is gekomen. Daarbij zal in elk geval betekenis toekomen aan “
eventuele structurele tekortkomingen in de tenuitvoerleggingspraktijk waaruit moet worden afgeleid dat de rechtsgang bij de penitentiaire rechter en de burgerlijke rechter onvoldoende effectief is, of die erop neerkomen dat in onvoldoende mate opvolging wordt gegeven aan die rechterlijke beslissingen”. Er bestaat op dit moment echter onvoldoende grond om te oordelen dat onder de werking van de huidige herbeoordelingsprocedure de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf hoe dan ook in strijd met de eisen van artikel 3 EVRM Pro zal verlopen. De Hoge Raad wijst er in dat verband op dat de genoemde waarborgen ertoe hebben geleid dat de minister meermaals is opgedragen nieuwe beslissingen te nemen met inachtneming van het oordeel van de burgerlijke rechter en dat daaraan opvolging is gegeven. In voorkomende gevallen heeft dit ook geresulteerd in gratieverlening.
Het hof heeft zich, ambtshalve en mede gelet op in zaken van medeverdachten gevoerde verweren, de vraag gesteld of het opleggen van een levenslange gevangenisstraf een onmenselijke bestraffing vormt en in strijd zou (kunnen) zijn met artikel 3 EVRM Pro. Het hof concludeert op basis van het volgende dat dat niet het geval is.