ECLI:NL:PHR:2026:299

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
24 maart 2026
Publicatiedatum
23 maart 2026
Zaaknummer
25/00689
Type
Conclusie
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3 EVRMArt. 44a SrArt. 47 SrArt. 81 lid 1 ROArt. 126n Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid kroongetuigeovereenkomst en levenslange gevangenisstraf in megazaak Eris

De Hoge Raad heeft op 12 februari 2025 het arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in de megazaak Eris bevestigd, waarin de verdachte is veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf wegens medeplegen van meerdere liquidaties en deelname aan een criminele organisatie.

De zaak omvatte achttien deelonderzoeken met zware strafbare feiten, waaronder vijf liquidaties. Centraal stonden de rechtmatigheid en betrouwbaarheid van de kroongetuigeovereenkomst, de beoordeling van vormverzuimen bij onderzoek aan digitale gegevensdragers en verkeers- en locatiegegevens, en de bewijsvoering op basis van verklaringen van de kroongetuige en andere getuigen.

De Hoge Raad oordeelde dat de kroongetuigeovereenkomst rechtmatig was, ook ondanks een latere verlaging van de strafeis, en dat er geen sprake was van verboden toezeggingen of disproportionele strafvermindering. Vormverzuimen bij het onderzoek aan gegevensdragers en verkeersgegevens werden ambtshalve vastgesteld, maar zonder bewijsuitsluiting of strafvermindering, omdat de belangen van de verdachte niet concreet waren geschaad en het onderzoek noodzakelijk was gezien de ernst van de feiten.

De verklaringen van de kroongetuige werden als overwegend betrouwbaar beoordeeld, mede door bevestiging in objectief bewijsmateriaal zoals PGP- en WhatsApp-gesprekken. Het hof motiveerde uitgebreid de bewezenverklaringen van medeplegen bij liquidaties, medeplegen van voorbereidingshandelingen, openlijk in vereniging plegen van geweld en deelname aan een criminele organisatie. De Hoge Raad verwierp alle middelen en bevestigde de oplegging van een levenslange gevangenisstraf als verenigbaar met artikel 3 EVRM Pro, mede gelet op de herbeoordelingsprocedure en rechtsbescherming in Nederland.

Uitkomst: Hoge Raad bevestigt levenslange gevangenisstraf en rechtmatigheid kroongetuigeovereenkomst in megazaak Eris.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/00689
Zitting24 maart 2026
CONCLUSIE
D.J.C. Aben
In de zaak
[verdachte] ,
geboren in [geboorteplaats] op [geboortedatum] 1970,
hierna: de verdachte
Inleiding
1. Het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft de verdachte bij arrest van 12 februari 2025 (parketnr. 21-003088-22) wegens:
- Ten aanzien van het deelonderzoek Charon (16-659023-20)

medeplegen van moord
- Ten aanzien van de deelonderzoeken Barbera en Arford (16-659126-19)

medeplegen van voorbereiding van moord

medeplegen van voorbereiding van moord, meermalen gepleegd
- Ten aanzien van het deelonderzoek Charlie17 (16-659077-19)

medeplegen van moord
- Ten aanzien van het deelonderzoek Gezicht (16-659072-19)

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie

openlijk in vereniging geweld plegen tegen goederen

medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een wapen van categorie II en medeplegen van handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie
- Ten aanzien van het deelonderzoek Breuk (16-659034-19)

medeplegen van moord
- Ten aanzien van het deelonderzoek Langenhorst (16-659036-19)

medeplegen van moord
- Ten aanzien van het deelonderzoek Lis (16-659022-20)

medeplegen van moord
- Ten aanzien van het deelonderzoek Criminele organisatie (16-659043-20)

als leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven
veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf. Daarnaast heeft het hof, niet voor dit cassatieberoep relevante, beslissingen genomen over het beslag en de vorderingen van de benadeelde partijen, een en ander zoals in het arrest vermeld.
2. Er bestaat samenhang met de zaken 25/00523, 25/00542, 25/00537, 25/00524, 25/00579, 25/00690, 25/00688, 25/00667, 25/00659 en 25/00658. In deze zaken zal ik vandaag ook concluderen.
3. Het cassatieberoep is ingesteld namens de verdachte. J.S. Nan, advocaat in 's‑Gravenhage, heeft dertien middelen van cassatie voorgesteld.
De zaak
4. Deze zaak is één van de eenentwintig zaken die werden gestart op basis van het opsporingsonderzoek Eris. Het onderzoek Eris bestaat uit achttien deelonderzoeken, die onder andere gaan over vijf liquidaties die zijn uitgevoerd in 2017 en plannen om een aantal andere personen te vermoorden. Nadat een verdachte van één van de liquidaties een overeenkomst met het Openbaar Ministerie had gesloten om als kroongetuige op te treden, kwam het onderzoek in een stroomversnelling. In november 2018 vonden aanhoudingen en huiszoekingen plaats. Bij de (hoofd)verdachte (oprichter en leider van de [motorclub] ) werden diverse computers en andere gegevensdragers aangetroffen. Op die gegevensdragers vond de politie onder meer opnamen van gesprekken die de hoofdverdachte met anderen had gevoerd over liquidaties en opdrachten tot liquidaties. In totaal zijn in het onderzoek Eris eenentwintig personen vervolgd, van wie negentien hoger beroep hebben ingesteld. [1] In elf zaken is beroep in cassatie ingesteld. Dat zijn de elf samenhangende zaken waarin ik vandaag zal concluderen.
5. De middelen betreffen de volgende onderwerpen, behandeld in deze volgorde:
(1). het oordeel over de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst;
(2). het oordeel over de betrouwbaarheid van de kroongetuige;
(3). (geen) sanctionering van vormverzuimen op basis van ‘Landeck’ en ‘Prokuratuur’;
(4). het gebruik voor het bewijs van verklaringen van anonieme getuigen;
(5). de beslissing af te zien van het oproepen van een niet-verschenen getuige;
(6). de identificatie van de persoon die schuilging achter verschillende PGP-accounts (‘veredeling’);
(7). de bewezenverklaring in deelonderzoeken Arford en Barbera ;
(8)(10). de bewezenverklaring in deelonderzoek Gezicht ;
(9). de bewezenverklaring van medeplegen bij vijf liquidaties;
(11). de toepassing van schakelbewijs in de bewijsmotivering in deelonderzoek Lis ;
(12). de bewezenverklaring van het (als leider) deelnemen aan een criminele organisatie;
(13). de oplegging van een levenslange gevangenisstraf.
Het eerste middel
Inleiding
6. Het middel komt op tegen het oordeel over de rechtmatigheid van de met de kroongetuige gesloten overeenkomst en tegen de verwerping van een daarmee verband houdend niet-ontvankelijkheidsverweer. Geklaagd wordt (i) dat het OM bij het bepalen van de strafeis is uitgegaan van een gevangenisstraf van
twintigjaren, terwijl in de met de kroongetuige gesloten overeenkomst als uitgangspunt een gevangenisstraf van
vierentwintig jaren stond vermeld, en (ii) dat het OM (als verkapte tegenprestatie) heeft afgezien van het instellen van een ontnemingsvordering.
Klachten met betrekking tot de verlaagde basisstrafeis
7. De door de rechter-commissaris rechtmatig bevonden overeenkomst hield in dat het OM zonder de afspraken met de kroongetuige een gevangenisstraf zou hebben geëist van vierentwintig jaren en dat die strafeis zou worden verminderd met 50% wanneer de kroongetuige zijn afspraken onverkort zou nakomen. De verlaging van de basisstrafeis van vierentwintig naar twintig jaren brengt, aldus de steller van het middel, met zich dat deze afspraak is komen te vervallen. De gewijzigde afspraak is niet onderworpen geweest aan toetsing door de rechter-commissaris. Dit betekent dat de gewijzigde afspraak niet kan gelden als een rechtmatige afspraak tussen het OM en een kroongetuige als bedoeld in artikel 226g Sv jo artikel 44a Sr.
8. De wijziging van de vi-regeling die ingevolge de Wet straffen en beschermen is ingetreden, kan niet worden aangemerkt als een omstandigheid die een afwijking van de door de rechter-commissaris getoetste afspraak rechtvaardigt omdat die wijziging (naar het oordeel van de Hoge Raad) geen verzwaring oplevert van de straf die ten tijde van het begaan van het strafbare feit van toepassing was (als bedoeld in artikel 7 EVRM Pro en artikel 15 IVBPR Pro), maar slechts een wijziging van de executie ervan. De vermindering van de geëiste straf met méér dan de helft van de basisstrafeis van vierentwintig jaar, was dan ook ontoelaatbaar. ‘s Hofs andersluidende oordeel getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
9. Bovendien heeft het hof bij de beoordeling van de rechtmatigheid van de gewijzigde overeenkomst niet betrokken of de extra korting van vier jaar gevangenisstraf (nog) proportioneel is. De extra korting past niet binnen de ruime beoordelingsvrijheid die het OM toekomt en het (impliciete) oordeel van het hof dat die strafeis niet zodanig onbegrijpelijk laag is dat zij moet worden gezien als een ontoelaatbare, verkapte tegenprestatie voor het afleggen van zijn verklaringen, is zonder nadere motivering onbegrijpelijk.
10. Ook het oordeel dat er geen reden is om aan te nemen dat de verklaringen van de kroongetuige door het verlagen van de basisstrafeis zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad, acht de steller van het middel zonder nadere motivering onbegrijpelijk. De wetsgeschiedenis wijst uit dat een verklaring die is opgenomen na de totstandkoming van een als rechtmatig bestempelde afspraak door de zittingsrechter als bewijsmiddel terzijde moet worden geschoven wanneer “
de rechter het achteraf niet eens is met het rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris of (…) hij de verklaring anderszins niet deugdelijk vindt.” Bij aanvang van de behandeling van de strafzaak Eris liet het OM al weten tot verlaging van de strafeis voor de kroongetuige over te gaan, terwijl er nog verscheidene verhoren van die getuige ten overstaan van de rechter op de rol stonden, zulks ter toetsing van de door de kroongetuige eerder in het vooronderzoek afgelegde verklaringen.
Klachten met betrekking tot het niet instellen van een ontnemingsvordering
11. Een van de uitgangspunten van de kroongetuigeregeling is dat kroongetuigen geen financiële beloning mogen ontvangen voor het afleggen van een verklaring. Het OM heeft niettemin besloten om af te zien van voordeelsontneming. Daarmee rijst de vraag of dit geen verkapte financiële beloning behelst. Slechts in uitzonderingssituaties kan de draagkracht van de betrokkene reden zijn om af te zien van ontneming of tot matiging van het ontnemingsbedrag.
12. Het staat geenszins vast dat de kroongetuige in de toekomst geen draagkracht zal hebben. Immers, het bedrag dat de kroongetuige voor zijn rol in de moord op [slachtoffer 1] betaald heeft gekregen (€ 10.000,-) en dat dus als wederrechtelijk verkregen voordeel kan worden aangemerkt, is niet dusdanig hoog dat het zeer onwaarschijnlijk is dat de kroongetuige in de toekomst voldoende draagkracht heeft. ‘s Hofs andersluidende oordeel is onbegrijpelijk.
13. Ook de omstandigheid dat bij geen van de andere verdachten in Eris een ontnemingsvordering is ingediend, maakt het oordeel dat geen sprake is van een verkapte financiële beloning nog niet begrijpelijk. Bovendien heeft het hof verzuimd om mee te laten wegen dat het OM niet het voorbehoud heeft gemaakt dat op een later moment kan worden overgegaan tot het vorderen van een ontnemingsmaatregel indien alsdan verhaalsmogelijkheden zouden blijken te bestaan.
Het juridisch kader: de kroongetuigeregeling
14. In HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:604 (
Passage), overwoog de Hoge Raad over de kroongetuigeregeling onder meer het volgende:

3.3. De wettelijke regeling houdt in dat aan een verdachte door de officier van justitie een toezegging kan worden gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte. De officier van justitie geeft kennis aan de rechter-commissaris van de afspraak die hij voornemens is te maken met een verdachte in ruil voor de toezegging dat bij de vervolging in de strafzaak van deze verdachte strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd. Art. 226g, eerste lid, Sv houdt in dat deze afspraak uitsluitend betrekking heeft op het afleggen van een verklaring in het kader van een opsporingsonderzoek naar een ernstig, in deze wettelijke bepaling nader omschreven misdrijf. Het tweede lid van art. 226g Sv bevat (vorm)voorschriften met betrekking tot de inhoud van de op schrift gestelde voorgenomen afspraak. Op grond van art. 226g, derde lid, Sv toetst de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van deze afspraak. Het vierde lid van art. 226g Sv bepaalt dat van afspraken die niet worden aangemerkt als een afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv en die voor het onderzoek in de zaak van betekenis kunnen zijn, proces-verbaal wordt opgemaakt. Dat proces-verbaal wordt door de officier van justitie ten spoedigste bij de processtukken gevoegd.
De verdachte aan wie een toezegging wordt gedaan in ruil voor de bereidheid van die verdachte om als getuige een verklaring af te leggen in de strafzaak tegen een andere verdachte, wordt in het vervolg van deze voorafgaande beschouwing aangeduid als 'de getuige'.
3.4. Art. 44a Sr, waarnaar wordt verwezen in art. 226g, eerste lid, Sv, houdt in dat de rechter in de strafzaak tegen de getuige op vordering van de officier van justitie na een op grond van art. 226h, derde lid, Sv gemaakte afspraak de straf die hij overwoog op te leggen, kan verminderen. Het tweede lid van art. 44a Sr omschrijft waarin deze strafvermindering kan bestaan. Het gaat bij een onvoorwaardelijke tijdelijke vrijheidsstraf om een vermindering met maximaal de helft. De rechter houdt bij de strafvermindering ermee rekening dat door het afleggen van een getuigenverklaring een belangrijke bijdrage is of kan worden geleverd aan de opsporing of vervolging van misdrijven.
Het Wetboek van Strafvordering bevat voorts voorschriften met betrekking tot onder meer de rechtsbijstand aan de getuige (art. 226h, eerste lid, Sv), de toetsing door en de beschikking van de rechter-commissaris (art. 226h, tweede en derde lid, Sv en art. 226i Sv), het horen van de getuige in de strafzaak tegen de andere verdachte (art. 226j Sv) en de maatregelen tot bescherming van de getuige (art. 226l Sv). Deze voorschriften komen, voor zover voor de beoordeling van de middelen van belang, hieronder nader aan de orde.
Toezeggingen met betrekking tot de ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel
3.7. In art. 226g Sv treden twee typen (voorgenomen) afspraken naar voren. In het eerste lid van art. 226g Sv gaat het om de toezegging dat bij de vervolging van de getuige in zijn eigen strafzaak strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd. Het vierde lid van art. 226g Sv ziet daarnaast op afspraken die niet worden aangemerkt als afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv en die voor het onderzoek van betekenis kunnen zijn.
3.8. Kenmerkend voor de afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv is dat deze afspraak in rechtstreeks verband staat met een door de rechter te nemen beslissing in de strafzaak tegen de getuige, namelijk de beslissing omtrent de strafoplegging. Hieruit vloeit voort dat voor zover de officier van justitie voornemens is een afspraak te maken die rechtstreeks verband houdt met door de rechter in de strafzaak te nemen beslissingen als bedoeld in de art. 348 en Pro 350 Sv, die afspraak wordt beheerst door art. 226g, eerste lid, Sv (vgl. HR 13 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BU8741). Daarbij bepaalt de laatste volzin van art. 226g, eerste lid, Sv dat zo een afspraak geen andere inhoud mag hebben dan de toezegging dat met inachtneming van art. 44a, tweede lid, Sr strafvermindering zal worden gevorderd in de strafzaak tegen de getuige. De afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv die met de getuige wordt gemaakt, dient te voldoen aan de in art. 226g, tweede lid, Sv genoemde (vorm)vereisten en is voorwerp van toetsing door de rechter-commissaris op de voet van art. 226g, derde lid, Sv. De toetsing door de rechter-commissaris omvat de beoordeling of de inhoud van de afspraak in overeenstemming is met het bepaalde in de laatste volzin van art. 226g, eerste lid, Sv.
3.9. Art. 226g, vierde lid, Sv betreft de afspraken die geen rechtstreeks verband houden met beslissingen als bedoeld in de art. 348 en Pro 350 Sv, maar die wel op enigerlei wijze een gunstige invloed kunnen hebben op de bereidheid van de getuige tot het afleggen van een verklaring. Deze afspraken worden ook wel aangeduid als 'gunstbetoon'. Omdat het afspraken betreft die verband houden met de toepassing van bevoegdheden die de officier van justitie zonder tussenkomst van een rechter kan uitoefenen, zijn deze afspraken niet afzonderlijk voorwerp van toetsing door de rechter-commissaris op de voet van art. 226g, derde lid, Sv. Ten aanzien van deze afspraken geldt dat daarvan proces-verbaal wordt opgemaakt, waarna dit proces-verbaal bij de processtukken wordt gevoegd.
3.10. Indien de officier van justitie het voornemen heeft een afspraak te maken die, eventueel naast de toezegging dat in de strafzaak tegen de getuige strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd, (ook) een toezegging inhoudt met betrekking tot de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in art. 511b, eerste lid, Sv, houdt die afspraak rechtstreeks verband met de door de rechter op grond van art. 511e, eerste lid, Sv in verbinding met de art. 348 en Pro 350 Sv te nemen beslissing omtrent de oplegging van een ontnemingsmaatregel. Het door art. 226g, eerste lid laatste volzin, Sv in samenhang met art. 44a Sr bepaalde kader voorziet er niet in dat zo een toezegging voorwerp is van een afspraak in de zin van art. 226g, eerste lid, Sv.
Art. 226g, eerste lid, Sv doet echter niet af aan de algemene bevoegdheid die op grond van art. 511c Sv toekomt aan de officier van justitie om, zonder enige vorm van rechterlijke tussenkomst, met een verdachte een schriftelijke schikking aan te gaan ter (gehele of gedeeltelijke) ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel. Dat de officier van justitie voornemens is met de getuige een afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv te maken, staat derhalve niet in de weg aan het aangaan van een dergelijke schikking.
Een en ander leidt tot de volgende redelijke wetstoepassing. Indien de officier van justitie die voornemens is een afspraak te maken die een toezegging inhoudt dat in de strafzaak tegen de getuige strafvermindering met toepassing van art. 44a Sr zal worden gevorderd, met de getuige tevens een schikking als bedoeld in art. 511c Sv aangaat of is aangegaan die (mede) betrekking heeft op het feit of de feiten waarop de afspraak ziet, dient hij de rechter-commissaris over de totstandkoming en de inhoud van die schikking te informeren. Aldus is – mede in het belang van de verdachte over wie de in art. 226g Sv bedoelde getuige een verklaring aflegt – gewaarborgd dat kenbaar is dat een schikking als bedoeld in art. 511c Sv tot stand is gekomen.
(…)
3.12. De rechterlijke toetsing van afspraken die met de getuige worden gemaakt omvat enerzijds de toetsing door de rechter-commissaris en anderzijds de toetsing door de zittingsrechter.
3.13. Art. 226g, derde lid, Sv houdt in dat de rechter-commissaris op vordering van de officier van justitie de rechtmatigheid van de in het tweede lid bedoelde afspraak toetst. Het gaat daarbij om de in art. 226g, eerste lid, Sv bedoelde door de officier van justitie voorgenomen afspraak die overeenkomstig de (vorm)voorschriften van art. 226g, tweede lid, Sv op schrift is gesteld. De rechtmatigheidstoets die de rechter-commissaris uitvoert, omvat allereerst een beoordeling of de afspraak in overeenstemming is met de in het eerste lid van art. 226g Sv genoemde voorwaarden. Bij de beoordeling of het maken van de afspraak voorts voldoet aan de eisen van proportionaliteit en subsidiariteit, houdt de rechter-commissaris rekening met de dringende noodzaak en het belang van het verkrijgen van de door de getuige af te leggen verklaring (art. 226h, derde lid eerste volzin, Sv). De rechter-commissaris geeft een oordeel over de betrouwbaarheid van de getuige nadat hij deze heeft gehoord (art. 226h, derde lid tweede volzin, Sv).
De officier van justitie is gehouden de rechter-commissaris de gegevens te verschaffen die laatstgenoemde voor zijn beoordeling nodig heeft (art. 226g, derde lid, Sv). Tot die gegevens behoort ook, voor zover daarvan in het concrete geval sprake is, het proces-verbaal dat de officier van justitie heeft opgemaakt op grond van art. 226g, vierde lid, Sv. Tevens dient, zoals onder 3.10 is vermeld, de rechter-commissaris in het door art. 226g, eerste lid, Sv bestreken geval te zijn geïnformeerd over de eventuele totstandkoming en de inhoud van een schikking als bedoeld in art. 511c Sv met de getuige.
De rechter-commissaris legt zijn oordeel neer in een beschikking. Indien hij de afspraak rechtmatig oordeelt, komt deze tot stand.
3.14. Ook in zaken waarin een verklaring van een getuige als bedoeld in art. 226g Sv bij de processtukken is gevoegd, geldt dat het is voorbehouden aan de (zittings)rechter die over de feiten oordeelt om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot het bewijs te bezigen wat hem uit een oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en datgene terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Ten aanzien van deze beslissing gelden, indien die verklaring voor de bewijsvoering wordt gebruikt, geen andere wettelijke bewijs(motiverings)voorschriften dan de hierna onder 3.15 en 3.16 genoemde.
Evenmin gelden in cassatie met betrekking tot de toetsing van de beslissing inzake de selectie en waardering van het beschikbare bewijsmateriaal bijzondere regels. Dat betekent dat in cassatie kan worden onderzocht of door de feitenrechter de hierna onder 3.15 en 3.16 genoemde voorschriften zijn nageleefd, maar niet of de door de feitenrechter in zijn bewijsmotivering vastgestelde feiten en omstandigheden, ook voor zover deze zijn ontleend aan de verklaring van een getuige als bedoeld in art. 226g Sv, juist zijn. Dat laatste geldt tevens voor conclusies van feitelijke aard die de feitenrechter heeft getrokken uit de feiten en omstandigheden die op grond van de bewijsmiddelen zijn vastgesteld. Dergelijke vaststellingen en gevolgtrekkingen kunnen in cassatie slechts op hun begrijpelijkheid worden onderzocht (vgl. HR 18 september 2001, ECLI:NL:HR:2001: AD3530).
3.15. Op grond van art. 360, tweede en vierde lid, Sv behoort de rechter, indien hij de verklaring van de getuige met wie op grond van art. 226h, derde lid, Sv een afspraak is gemaakt voor het bewijs gebruikt, dat gebruik nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter ervan blijk dient te geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de verklaring te hebben onderzocht.
De in art. 360, tweede lid, Sv bedoelde motiveringsverplichting strekt zich niet uit tot de rechtmatigheid van de afspraak als bedoeld in art. 226g, eerste lid, Sv. In het gebruik voor het bewijs van de verklaring van de getuige met wie de afspraak is gemaakt, ligt al besloten dat de rechter niet tot een andersluidend oordeel ter zake van de rechtmatigheid is gekomen dan in de beschikking van de rechter-commissaris als bedoeld in art. 226h, derde lid, Sv is vervat. (Vgl. HR 23 januari 2018, ECLI:NL:HR:2018:64.)
De rechter is bovendien gehouden, indien hij afwijkt van een door de verdachte uitdrukkelijk onderbouwd standpunt dat ertoe strekt dat vanwege onregelmatigheden bij de totstandkoming van de afspraak de verklaring van de getuige niet betrouwbaar kan worden geacht, in het bijzonder de redenen op te geven die daartoe hebben geleid op grond van art. 359, tweede lid tweede volzin, Sv. Indien het verweer van de verdachte ertoe strekt dat sprake is van een vormverzuim – waaronder ook kan worden begrepen een schending van art. 6 EVRM Pro – waaraan één van de in art. 359a, eerste lid, Sv genoemde rechtsgevolgen moet worden verbonden, is de rechter eveneens gehouden een met redenen omklede beslissing te geven, mits door of namens de verdachte duidelijk en gemotiveerd aan de hand van de in art. 359a, tweede lid, Sv genoemde factoren wordt aangegeven tot welk in art. 359a Sv omschreven rechtsgevolg dit dient te leiden .”
15. In de zaak die leidde tot het hiervoor weergegeven arrest werd in cassatie geklaagd over het oordeel van het hof dat de beslissing van het OM om af te zien van het instellen van een ontnemingsvordering tegen twee kroongetuigen, géén toezegging als bedoeld in artikel 226g lid 1 Sv betrof. In cassatie stond niet ter discussie dat in de kroongetuigeovereenkomsten was opgenomen dat niet zou worden overgegaan tot het ontnemen van wederrechtelijk verkregen voordeel, tenzij er nog verhaalsmogelijkheden zouden blijken. [2] De Hoge Raad overwoog dat het oordeel van het hof in de kern inhield dat de mededeling van het OM over het afzien van het instellen van een ontnemingsvordering tegen de kroongetuigen telkens een eenzijdige beslissing van het OM betrof die niet de strekking had van een financiële beloning voor het afleggen van een verklaring. De Hoge Raad wees er daarbij op dat in de overeenkomst met getuige 1 een voorbehoud was gemaakt voor het geval alsnog substantiële verhaalsmogelijkheden zouden blijken te bestaan en dat het hof ten aanzien van getuige 2 in aanmerking had genomen dat de officier van justitie in diens strafzaak in eerste aanleg niet kenbaar had gemaakt dat hij voornemens was een ontnemingsvordering aanhangig te maken. De Hoge Raad overwoog voorts dat het kennelijke oordeel van het hof – dat de beslissing van het OM om af te zien van het instellen van een ontnemingsvordering niet in strijd is met artikel 226g lid 1 Sv – geen blijk gaf van een onjuiste uitleg van artikel 226g lid 1 Sv,
“reeds omdat van een afspraak als bedoeld in die bepaling eerst sprake kan zijn indien het gaat om een toezegging die wordt gedaan in ruil voor de bereidheid van de getuige om een verklaring af te leggen.”Het oordeel van het hof dat van een dergelijke toezegging geen sprake was, was ook niet onbegrijpelijk gelet op wat het hof had vastgesteld met betrekking tot de beweegredenen van het OM voor het nemen van de beslissing om (onder voorbehoud) af te zien van het instellen van een ontnemingsvordering. [3]
16. Uit het hiervoor weergegeven arrest kan worden opgemaakt dat een toezegging van het OM aan een kroongetuige om af te zien van een ontnemingsvordering geen deel uitmaakt van een afspraak als bedoeld in artikel 226g lid 1 Sv. Wel moet de rechter-commissaris die de rechtmatigheid van de afspraak als bedoeld in dat artikel beoordeelt hierover worden geïnformeerd.
Kroongetuigeovereenkomst en overwegingen hof
17. Bij de aan de Hoge Raad gezonden stukken bevindt zich een
“Overeenkomst als bedoeld in de aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken”van 13 november 2018 (hierna: de kroongetuigeovereenkomst). Deze houdt onder meer in:

2.2 De officier van justitie verklaart, na kennis genomen te hebben van alle relevante feiten zoals die blijken uit de eerdergenoemde processen-verbaal en overige dossierstukken, en na collegiaal overleg, dat onder gelijke omstandigheden, doch zonder onderhavige afspraak, de zaaksofficier van justitie voor alle in de considerans genoemde aan getuige ten laste gelegde of te leggen strafbare feiten van getuige een totale gevangenisstraf zou hebben geëist, dan wel zal eisen, voor de duur van 24 jaren. Bij onverkorte nakoming door getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, zal de zaaksofficier van justitie zijn strafeis voor deze feiten matigen met 50%, te weten tot een gevangenisstraf van 12 jaren.
2.3 Indien de resultaten van nader onderzoek aanleiding geven tot het vaststellen van een lagere basisstrafeis dan 24 jaren, bijvoorbeeld omdat een feit naar het oordeel van de zaaksofficier van justitie niet wettig en overtuigend kan worden bewezen, dan zal de officier van justitie bij onverkorte nakoming door de getuige van de in onderhavige overeenkomst onder 1 overeengekomen verplichtingen, de strafeis navenant verminderen door de bijgestelde basisstrafeis te matigen met 50%.”
18. Het hof heeft, voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, het volgende overwogen: [4]

5.1.3. De rechtmatigheid van de overeenkomst
Er zijn meerdere verweren gevoerd die strekken tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie of tot bewijsuitsluiting van de verklaringen van [kroongetuige] , omdat de overeenkomst met [kroongetuige] niet rechtmatig zou zijn.
Er is onder meer aangevoerd dat het onmogelijk is om te toetsen of de inhoud van de verklaringen van [kroongetuige] is beïnvloed door eventuele verboden toezeggingen in het kader van de met [kroongetuige] gesloten beschermingsovereenkomst, omdat deze laatste niet toetsbaar of controleerbaar is. Verder zou de uiteindelijke nettostrafeis van acht jaren in de overeenkomst disproportioneel laag zijn en zou het openbaar ministerie op ongerechtvaardigde en onbegrijpelijke gronden hebben afgezien van vervolging van [kroongetuige] in het deelonderzoek Langenhorst . Ook is aangevoerd dat in de overeenkomst verboden beloningen zijn ingebouwd, met name omdat het openbaar ministerie geen ontnemingsvordering indient voor onder meer het door [kroongetuige] wederrechtelijk verkregen voordeel van € 10.000,- voor de moord op [slachtoffer 1] , omdat [kroongetuige] een miljoenenschuld die hij aan derden heeft niet meer zal hoeven te betalen omdat hij straks in de anonimiteit verdwijnt en omdat de vader van [kroongetuige] niet wordt vervolgd. Deze beloningen zouden niet openlijk zijn gedeeld met de rechter en de verdediging.
Het hof beantwoordt aan de hand van de feiten en omstandigheden die ten tijde van het tot stand komen van de overeenkomst met [kroongetuige] aan de orde waren, de vraag of deze overeenkomst binnen de grenzen van het recht is gebleven. Het hof bespreekt dit aan de hand van de hieronder genoemde onderwerpen.
Overeenkomst met kroongetuige in dit geval mogelijk?
Het hof beoordeelt allereerst of de overeenkomst met [kroongetuige] dringend noodzakelijk was om de opsporing, voorkoming of beëindiging van feiten mogelijk te maken die anders niet of niet tijdig zou plaatsvinden, of er een redelijke verhouding was tussen het belang van de te verkrijgen informatie en de te leveren tegenprestatie en of de overeenkomst ook overigens binnen de grenzen van het recht is gebleven.
Het hof stelt vast dat de verklaringen van [kroongetuige] betrekking hebben op misdrijven als bedoeld in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering. Het hof is van oordeel dat het openbaar ministerie het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot een overeenkomst met [kroongetuige] te komen. [kroongetuige] kon verklaren over een aantal voltooide levensdelicten waarvan de opsporing op een dood spoor was beland en zonder zijn verklaringen niet binnen afzienbare tijd tot resultaat had geleid. Zijn verklaringen betroffen niet alleen vermeende uitvoerders, maar ook vermeende opdrachtgevers. Door de verklaringen van [kroongetuige] is zicht gekregen op een criminele organisatie die als oogmerk had het plegen van liquidaties in opdracht van anderen voor geld en die tot dan toe onder de radar was gebleven. Zijn verklaringen boden veel aanknopingspunten voor nader onderzoek in lopende onderzoeken en voor onderzoek naar zaken die op dat moment nog niet bekend waren bij de politie.
Beïnvloeding door beschermingsovereenkomst?
Het openbaar ministerie heeft aangevoerd dat vóór het sluiten van de overeenkomst niet over de details van een getuigenbeschermingsovereenkomst met de kroongetuige wordt gesproken. Er wordt alleen toegezegd dat kroongetuigen hulp en steun krijgen om na afloop van de detentie elders een veilig bestaan op te bouwen. De details en de financiële aspecten komen pas aan de orde als de (fictieve) datum van invrijheidstelling van de kroongetuige in zicht komt. Omdat de verklaringen al lang daarvoor zijn afgelegd, kunnen die niet beïnvloed zijn door de beschermingsovereenkomst, aldus het openbaar ministerie.
Het hof bespreekt het verweer over de beschermingsovereenkomst in het licht van de zorgplicht die wordt ontleend aan de positieve verplichtingen van het EVRM, aan het burgerlijk recht en aan de in artikel 226l van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bepaling. Aan deze zorgplicht wordt in voorkomende gevallen uitvoering gegeven door het maken van afspraken over getuigenbescherming met kroongetuigen. De Staat neemt ook een gedeelte van de verantwoordelijkheid voor de veiligheid van deze persoon op zich door zijn medewerking aan de opsporing te vragen.
Uit het samenstel van de wettelijke regeling en de toepasselijke beleidsregels volgt dat ten aanzien van de rechtmatigheid en de doelmatigheid van maatregelen van getuigenbescherming in de strafvorderlijke context aan de strafrechter geen toetsende rol is toebedeeld. De totstandkoming van de afspraak in de zin van artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering en de specifieke maatregelen voor de bescherming van de getuige zijn juridisch twee verschillende trajecten. Hoewel in de afgelopen jaren soms duidelijk is geworden dat er in de praktijk wel degelijk verstrengeling kan bestaan tussen de kroongetuigenovereenkomst en de beschermingsovereenkomst, in die zin dat hoe de kroongetuige de specifieke maatregelen voor zijn feitelijke bescherming ervaart en de bereidheid om te verklaren elkaar kunnen beïnvloeden, en in de literatuur regelmatig wordt gepleit voor een vorm van externe, rechterlijke, toetsing van de beschermingsovereenkomst, biedt de wet hiervoor ook nu nog geen grond. Het openbaar ministerie is niet gehouden de processenverbaal en/of andere voorwerpen betreffende toezeggingen die zijn gedaan in verband met de feitelijke bescherming van de getuige op enig moment bij de processtukken te voegen. Zo een verplichting zou – temeer omdat de huidige wet geen specifieke regeling kent met betrekking tot de afscherming van processtukken in het belang van de veiligheid van de kroongetuige – onverenigbaar zijn met het doel van de bescherming van de getuige en de aard van de daartoe strekkende maatregelen. Het hof wijst er overigens in dit verband op dat [kroongetuige] de kluisverklaringen al heeft afgelegd voordat met hem de in artikel 226g, eerste lid, van het Wetboek van Strafvordering bedoelde afspraak is gemaakt, dus zonder dat hij wist of de afspraak zou worden gemaakt en, zo ja, onder welke voorwaarden, terwijl de details van de toegezegde feitelijke maatregelen voor de bescherming van [kroongetuige] nóg later, pas kort voor het aflopen van de gevangenisstraf worden bepaald. Er is dus geen aanwijzing dat er sprake is van verboden toezeggingen in het kader van de beschermingsovereenkomst, laat staan dat onder invloed van verboden toezeggingen in strijd met de waarheid zou zijn verklaard.
Ook overigens is niet gebleken van verboden toezeggingen.
Overeenkomst proportioneel?
Het hof zal achtereenvolgens ingaan op de omvang van de vervolging van [kroongetuige] en het afzien van vervolging van de vader van [kroongetuige] , de basisstrafeis, de eis en het achterwege laten van een ontnemingsvordering en het feit dat [kroongetuige] een schuld aan derden niet meer zou hoeven te betalen.
Bij requisitoir heeft het openbaar ministerie uitgebreid toegelicht dat de beslissing om [kroongetuige] niet te vervolgen in het deelonderzoek Langenhorst ruim na het sluiten van de overeenkomst door de zaaksofficieren naar aanleiding van de resultaten van het opsporingsonderzoek is genomen en dat daarbij niet het opportuniteitsbeginsel is toegepast, maar dat is beslist dat een vervolging in de ogen van het openbaar ministerie geen kans van slagen had. Deze beslissing was volgens het openbaar ministerie gelegen in het gegeven dat [kroongetuige] – in tegenstelling tot de andere verdachten – heeft duidelijk gemaakt dat hij de moord helemaal niet wilde plegen en ook tijdig is gestopt. Zijn verklaringen hierover acht het openbaar ministerie betrouwbaar en in lijn met andere onderzoeksbevindingen.
In de Aanwijzing toezeggingen aan getuigen in strafzaken (hierna: de Aanwijzing) zijn beleidsregels geformuleerd over de toepassing van de artikelen 226g tot en met 226l van het Wetboek van Strafvordering. In de Aanwijzing is geregeld welke toezeggingen aan getuigen toelaatbaar zijn en welke toezeggingen niet. Punt 5.1 van de Aanwijzing bevat een verbod om toezeggingen te doen met betrekking tot de inhoud van de tenlastelegging (bijvoorbeeld het aantal feiten op de tenlastelegging en de zwaarte daarvan). Punt 5.2 bevat een verbod om in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid af te zien van actieve opsporing of vervolging van strafbare feiten.
Bij de beoordeling door het openbaar ministerie of vervolging van een verdachte voor een bepaald strafbaar feit opportuun is, spelen in ieder geval de aard van het feit, de bewijsbaarheid van het feit en het algemeen belang een rol. Ook in geval van een potentiële kroongetuige is de afweging daarvan bij uitstek een taak van het openbaar ministerie. De rechter die de overeenkomst met een kroongetuige toetst, dient deze afweging in beginsel te eerbiedigen. Het is niet de taak van die rechter om zelf te bepalen voor welke feiten de kroongetuige zou moeten worden vervolgd en welke strafeis bij die vervolging zou passen. Wel dient de rechter, gelet op de geldende wet- en regelgeving, te toetsen of er geen sprake is geweest van onderhandelingen met de getuige over het aantal ten laste te leggen feiten en de kwalificatie daarvan en of niet in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd af te zien van vervolging voor bepaalde feiten. In dat geval zou er sprake kunnen zijn van een niet toelaatbare toezegging in de zin van de Aanwijzing.
Het hof stelt vast dat is gesteld noch gebleken dat [kroongetuige] en het openbaar ministerie hebben onderhandeld over de ten laste te leggen feiten. Het openbaar ministerie heeft aangegeven dat de vervolgingsbeslissing in het deelonderzoek Langenhorst het resultaat was van intern overleg tussen de zaaksofficieren ruim ná het sluiten van de overeenkomst en dat het resultaat daarvan aan [kroongetuige] is meegedeeld.
Ook is niet gebleken dat het achterwege laten van vervolging van [kroongetuige] voor zijn handelingen in het deelonderzoek Langenhorst is te duiden als een niet toelaatbare toezegging. Artikel 226g, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering schrijft voor dat in de op schrift gestelde afspraak met de kroongetuige wordt vastgelegd voor welke strafbare feiten de getuige zelf zal worden vervolgd. Dat betekent dat het openbaar ministerie de strafbaarheid van het feit, de kans op een veroordeling en aspecten van algemeen belang naar de stand van zaken van dat moment moet inschatten. Vanuit een oogpunt van algemeen belang is het niet onbegrijpelijk dat het openbaar ministerie de vervolging van de potentiële kroongetuige beperkt tot feiten waarvoor op dat moment al voldoende bewijs voorhanden lijkt te zijn of waarvoor in ieder geval geldt dat de mogelijkheid van voldoende bewijs na verder onderzoek reëel is. Als het openbaar ministerie een kroongetuige ook zou moeten vervolgen voor feiten waarin de bewijspositie dubieus is of vervolging zeer weinig kans van slagen heeft, zouden de te verwachten veroordeling en de straf(eis) uiterst onzeker worden. Het nuttig effect van de kroongetuigenregeling zou volgens die interpretatie ernstig worden aangetast.
Het openbaar ministerie heeft na de totstandkoming van de overeenkomst geoordeeld dat de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak Langenhorst te klein was, omdat – kort gezegd – bewijs voor het vereiste opzet op de moord bij [kroongetuige] ontbrak. Het hof constateert dat ook [medeverdachte 1] niet is vervolgd in de zaak Langenhorst en dat er aanwijzingen zijn dat [medeverdachte 1] en [kroongetuige] zich in aanloop naar de liquidatie hebben teruggetrokken. Men kan er over twisten of daardoor het opzet niet is te bewijzen of dat er sprake is van vrijwillige terugtred, maar het hof acht de beoordeling van de slagingskans van een vervolging van [kroongetuige] in de zaak Langenhorst niet onbegrijpelijk. Er is geen sprake van een situatie waarin het niet anders kan dan dat in afwijking van het geldende opsporings- en vervolgingsbeleid aan de getuige is toegezegd van vervolging voor bepaalde feiten af te zien en het achterwege laten van vervolging, achteraf moet worden opgevat als een verkapte verboden toezegging voor het afleggen van verklaringen.
Tijdens de behandeling in hoger beroep heeft het openbaar ministerie besloten dat de vader van de kroongetuige, [vader kroongetuige] , niet zal worden vervolgd voor mogelijke betrokkenheid bij strafbare feiten in het dossier Eris. Maar voor een toezegging aan [kroongetuige] dat zijn vader niet zal worden vervolgd voor strafbare feiten in Eris, is geen aanwijzing gevonden.
Netto strafeis disproportioneel?
Het openbaar ministerie heeft gesteld dat de strafeis niet disproportioneel laag is. Het openbaar ministerie heeft in de overeenkomst de basisstrafeis bepaald op 24 jaren en, bij nakoming van de verplichtingen door [kroongetuige] , toegezegd om 50% hiervan, dus twaalf jaren gevangenisstraf, als straf te eisen.
Ook voor de tegen een kroongetuige te formuleren basisstrafeis geldt dat het openbaar ministerie een ruime beoordelingsvrijheid heeft die de rechter heeft te eerbiedigen. Op voorhand kan echter niet worden uitgesloten dat een toegezegde basisstrafeis zo onbegrijpelijk laag is dat het verschil met een reguliere strafeis niet anders kan worden opgevat dan als tegenprestatie voor de door de kroongetuige af te leggen verklaringen. De rechter dient in verband daarmee te toetsen of het openbaar ministerie, gelet op alle omstandigheden van het geval en met inachtneming van zijn ruime beoordelingsvrijheid, in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis heeft kunnen komen.
Het hof kan de rechtmatigheid van de basisstrafeis slechts afmeten aan de feiten die aan [kroongetuige] zijn ten laste gelegd. Zoals gezegd, gaat het om het medeplegen van moord, het voorhanden hebben van wapens, de heling van auto’s en het voorhanden hebben van een valse kentekenplaat. Daarbij zijn ook de feiten in het deelonderzoek Gezicht en deelname aan een criminele organisatie betrokken. Gelet op de ten laste gelegde feiten en de andere omstandigheden van het geval en in aanmerking genomen zijn ruime beoordelingsvrijheid, heeft het openbaar ministerie in redelijkheid tot de toegezegde basisstrafeis kunnen komen. Die basisstrafeis, van 24 jaren gevangenisstraf, is niet zo laag dat deze niet anders kan worden verklaard dan als een verkapte tegenprestatie voor het afleggen van verklaringen. Daarom acht het hof de overeenkomst met [kroongetuige] ook op dit punt niet onrechtmatig.
Bij aanvang van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft het openbaar ministerie aangekondigd bij requisitoir een lagere straf te eisen dan in de overeenkomst is toegezegd. Dat is ook gebeurd. De reden was dat sinds de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen op 1 juli 2021 de periode waarover voorwaardelijke invrijheidstelling wordt verleend niet langer kan zijn dan twee jaren. Ten tijde van het sluiten van de overeenkomst zou een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel nog een nettostraf van acht jaren betekenen. Daar mocht [kroongetuige] bij het sluiten van de overeenkomst van uitgaan, aldus het openbaar ministerie. Uitgaande van de nieuwe wet betekent een gevangenisstraf van twaalf jaren in beginsel een nettostraf van tien jaren. De inhoud van de overeenkomst bood volgens het openbaar ministerie ruimte om een zodanige gevangenisstraf te eisen dat de kroongetuige netto acht jaren moet zitten. In eerste aanleg is daarom niet 24 jaren gevangenisstraf als uitgangspunt genomen, maar twintig jaren gevangenisstraf, die met 50% is verminderd tot de uiteindelijke eis van tien jaren (in plaats van twaalf jaren) gevangenisstraf.
Het hof stelt vast dat het openbaar ministerie in afwijking van de tekst van de overeenkomst met de kroongetuige een gevangenisstraf van tien jaren in plaats van twaalf jaren heeft gevorderd. Er zijn geen aanwijzingen dat die lagere strafeis eerder aan de kroongetuige was toegezegd. Het openbaar ministerie heeft de afwijking van de in de overeenkomst genoemde bruto -eis gemotiveerd en de rechtbank heeft die motivering beoordeeld en de strafeis overgenomen. Het hof vindt in deze gang van zaken geen aanleiding de overeenkomst met de kroongetuige of de uitvoering daarvan onrechtmatig te achten. Er is geen reden om aan te nemen dat door deze gang van zaken de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad.
Ontoelaatbare toezegging inzake ontneming?
Als het openbaar ministerie los van een eventuele overeenkomst niet tot vordering van het wederrechtelijk verkregen voordeel zou zijn overgegaan, hoeft het dat bij een getuige met wie een overeenkomst is gesloten ook niet te doen. Het openbaar ministerie kan dan eenzijdig beslissen van ontneming af te zien, zonder dat van een toezegging in de zin van de Aanwijzing sprake is. Ook op dit punt komt aan het openbaar ministerie een zekere beoordelingsvrijheid toe. Wel zal uit de motivering van het besluit om volledig van een ontnemingsvordering af te zien, moeten blijken dat geen sprake is van een verkapte financiële beloning voor het afleggen van verklaringen.
Volgens het openbaar ministerie is geen sprake geweest van een toezegging aan [kroongetuige] dat tegen hem geen ontnemingsvordering zal worden ingediend. Uit de processtukken blijkt niet dat hierover is gesproken tussen de officier van justitie van het team Bijzondere Getuigen en [kroongetuige] en zijn raadsman. Hoewel dit had gekund, is daarover geen afspraak gemaakt. Het openbaar ministerie heeft verder aangevoerd dat [kroongetuige] na afloop van zijn detentie elders, vermoedelijk in een ander land, een veilig nieuw bestaan zal moeten opbouwen. Financieel gezien begint hij bij nul. Hij zal in het begin een redelijke tegemoetkoming van het Team Getuigenbescherming ontvangen. Uitgangspunt voor de hoogte van die tegemoetkoming is dat iemand gezien de nieuwe leefomstandigheden een redelijk bestaan moet kunnen opbouwen. Een eventuele ontneming zou dus in feite ook door het Team Getuigenbescherming moeten worden betaald. Dat is volgens het openbaar ministerie geen werkelijke ontneming en uit het oogpunt van de Staat een vestzak-broekzakaangelegenheid. Om die reden dient het openbaar ministerie geen vordering ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel in tegen [kroongetuige] .
Nog los van het feit dat niet gebleken is van een toezegging aan de kroongetuige over ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel is het hof van oordeel dat het openbaar ministerie voldoende reden heeft kunnen zien om het aanhangig maken van een ontnemingsvordering niet opportuun te achten. Het hof betrekt hierbij ook dat bij geen van de andere verdachten in het Eris-dossier een ontnemingsvordering is ingediend (of is aangekondigd) en de hoogte van het bedrag dat [kroongetuige] voor zijn rol in de moord op [slachtoffer 1] betaald heeft gekregen (€ 10.000,-). Van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kan zijn van een verkapte financiële beloning is geen sprake.
De verdediging heeft nog aangevoerd dat [kroongetuige] in het criminele circuit een miljoenenschuld heeft aan derden en dat deze schuld hem feitelijk is kwijtgescholden omdat hij door het aangaan van de overeenkomst onvindbaar is geworden voor zijn schuldeisers. Voor zover de verdediging daarmee heeft bedoeld te betogen dat op dit punt sprake is van een (verkapte) financiële beloning en daarmee van een niet toelaatbare toezegging, kan dit betoog niet slagen. Niet is gebleken dat de kroongetuige een juridisch afdwingbare (miljoenen)schuld heeft bij derden. Bovendien is niet gebleken van enige toezegging door het openbaar ministerie dat deze eventuele schulden niet meer zouden hoeven te worden betaald.
Samenvatting en conclusie
De overeenkomst met [kroongetuige] heeft betrekking op feiten als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering. Het openbaar ministerie heeft het sluiten van de overeenkomst op goede gronden dringend noodzakelijk geacht. Uit de omvang van de vervolging, de strafeis en evenmin uit het achterwege laten van een ontnemingsvordering kan worden afgeleid dat aan [kroongetuige] verboden toezeggingen zijn gedaan in ruil voor het afleggen van verklaringen. Ook in onderling verband en samenhang bezien is bij de met [kroongetuige] gemaakte afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering geen sprake van een overschrijding van de grenzen van proportionaliteit en subsidiariteit. De verweren strekkende tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie in de vervolging van de verdachte of het uitsluiten van de verklaringen van [kroongetuige] van het gebruik voor het bewijs, slagen dus niet.”
De bespreking van het eerste middel
Inleiding
19. Het hof heeft de rechtmatigheid van de kroongetuigeovereenkomst beoordeeld en daarbij onder meer vastgesteld dat de verklaringen van kroongetuige [kroongetuige] betrekking hadden op misdrijven als bedoeld in artikel 226g lid 1 Sv. Tevens heeft het hof geoordeeld dat het OM het op goede gronden dringend noodzakelijk heeft geacht om tot de overeenkomst te komen. Een en ander wordt in cassatie niet bestreden.
Klachten met betrekking tot de verlaagde basisstrafeis
20. Het hof heeft op het punt van de wijziging van de basisstrafeis vastgesteld dat het OM bij aanvang van de inhoudelijke behandeling in eerste aanleg heeft aangekondigd een lagere straf te zullen eisen dan in de overeenkomst is toegezegd, en dat het OM daadwerkelijk in afwijking van de overeenkomst een gevangenisstraf van tien jaren in plaats van twaalf jaren heeft gevorderd. Het hof heeft vastgesteld dat het OM als reden daarvoor heeft opgegeven dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen het vorderen van een gevangenisstraf van twaalf jaren (50% van de in de overeenkomst opgenomen basisstrafeis) voor [kroongetuige] zou leiden tot een netto gevangenisstraf van tien jaren, terwijl de netto gevangenisstraf ten tijde van het sluiten van de overeenkomst acht jaren zou bedragen. Het OM legde de overeenkomst volgens het hof zo uit dat de inhoud van de overeenkomst ruimte bood om een zodanige gevangenisstraf te eisen dat de kroongetuige netto acht jaren gevangenisstraf moest ondergaan. Het hof heeft vervolgens vastgesteld dat er geen aanwijzingen zijn dat die lagere strafeis eerder aan de kroongetuige was toegezegd, dat het OM de afwijking van de in de overeenkomst genoemde bruto -eis heeft gemotiveerd en dat de rechtbank die motivering heeft beoordeeld en de strafeis heeft overgenomen. Gelet op deze gang van zaken heeft het hof geoordeeld dat er geen aanleiding is (a) om de kroongetuigeovereenkomst onrechtmatig te achten, en (b) om aan te nemen dat de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad.
21. In de overwegingen van het hof ligt besloten dat het hof, anders dan de steller van het middel, er niet van uitgaat dat de kroongetuigeovereenkomst van 13 november 2018 is komen te vervallen, maar dat de door de rechter-commissaris als rechtmatig beoordeelde overeenkomst nog steeds geldt. Deze vaststelling acht ik niet onbegrijpelijk. Het hof heeft het betoog van het OM kennelijk aldus opgevat dat het van oordeel was dat gewijzigde omstandigheden – i.c. de wijziging van de vi-regeling die door de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen is ingegaan – reden gaven om uit te gaan van een andere basisstrafeis. De aangepaste basisstrafeis strekt ertoe dat de getuige onder de vigerende vi-regeling eenzelfde gevangenisstraf ondergaat als waartoe de oorspronkelijke basisstrafeis van vierentwintig jaren (onder de vi-regeling die gold ten tijde van de totstandkoming van de overeenkomst) strekte, te weten effectief acht jaren gevangenisstraf. [5] Het OM heeft zich dus geconformeerd aan ‘de geest’ van de overeenkomst. Het hof acht dit toelaatbaar. Het OM mocht van het hof aan de overeenkomst een uitleg gegeven die strookt met de bedoelingen van de partijen zoals die naar buiten toe zijn gebleken. [6] Ik meen dat zulks niet getuigt van een onjuiste rechtsopvatting.
22. Aan het voorgaande doet niet af dat de Hoge Raad – volgens de steller van het middel – zou hebben geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling “
geen strafverzwaring” teweeg heeft gebracht. Daarmee wordt het oordeel van de Hoge Raad m.i. niet in een juist perspectief geplaatst. De Hoge Raad heeft immers (‘slechts’) geoordeeld dat de wijziging van de vi-regeling niet kan worden aangemerkt als een wijziging van wetgeving ten aanzien van de strafbaarstelling of de strafbedreiging, zulks op de grond dat “
zowel voor als na de gedeeltelijke inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen de mogelijkheid bestond en bestaat dat de veroordeelde de door de rechter opgelegde gevangenisstraf voor de volledige duur daarvan moet ondergaan.” [7]
23. Voor zover het middel berust op de opvatting dat geen sprake meer is van een afspraak tussen het OM en een kroongetuige, als bedoeld in artikel 226g Sv jo artikel 44a Sr, die aan een rechtmatigheidsoordeel van de rechter-commissaris is onderworpen geweest, faalt het derhalve.
24. Ook faalt het middel voor zover wordt aangevoerd dat de vermindering van de gevorderde straf met méér dan de helft niet toelaatbaar zou zijn. Immers, er is geen sprake van een vermindering van de basisstrafeis met meer dan 50%: het OM is uitgegaan van een lagere basisstrafeis die het vervolgens met 50% heeft verminderd om tot de strafeis in de zaak van de kroongetuige te komen. Ik wijs erop dat het de rechter – en dus ook het OM – vrijstaat om bij de strafoplegging c.q. de eis rekening te houden met de manier waarop de straf ten uitvoer zal worden gelegd. [8]
25. In de overwegingen van het hof ligt verder besloten dat het heeft geoordeeld dat de gewijzigde basisstrafeis niet zo laag is dat deze niet anders kan worden beschouwd dan als een ‘verkapte tegenprestatie’ voor het afleggen van verklaringen. In aanmerking genomen dat het oordeel van het hof dat de oorspronkelijke basisstrafeis van vierentwintig jaren niet disproportioneel was, in cassatie niet is bestreden en gelet op de omstandigheid dat de gewijzigde basisstrafeis als gevolg van de (gedeeltelijke) inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen leidt tot eenzelfde netto-detentietijd die de kroongetuige moest ondergaan, is dat oordeel, ook zonder nadere motivering, niet onbegrijpelijk. Ik merk daarbij bovendien op dat de gewijzigde basisstrafeis zonder 50% korting als gevolg van de gewijzigde vi-regeling zelfs tot een langere netto-detentietijd zou leiden dan de oorspronkelijke basisstrafeis (achttien jaren ten opzichte van zestien jaren).
26. Gelet op het voorgaande was ten slotte geen nadere motivering vereist van ’s hofs oordeel dat er geen reden was om aan te nemen dat door deze gang van zaken de verklaringen van de kroongetuige zijn beïnvloed of dat op een andere manier rechtens te respecteren belangen van verdachten zijn geschaad. Alle klachten met betrekking tot de verlaagde basisstrafeis falen.
Klachten met betrekking tot het niet instellen van een ontnemingsvordering
27. Het hof heeft vastgesteld dat niet gebleken is dat aan [kroongetuige] de toezegging is gedaan dat tegen hem geen ontnemingsvordering zou worden ingediend. Deze vaststelling wordt in cassatie niet bestreden. Het hof overweegt verder dat het OM heeft aangevoerd dat [kroongetuige] na zijn detentie elders een veilig nieuw bestaan zal moeten opbouwen en dat hij financieel bij nul begint, waarbij hij in het begin een redelijke tegemoetkoming van het team getuigenbescherming zal ontvangen zodat een eventuele ontneming in feite door het team getuigenbescherming (lees: de staat) zou moeten worden betaald. Gelet hierop heeft het hof geoordeeld dat het OM voldoende reden heeft kunnen zien om het aanhangig maken van een ontnemingsvordering niet opportuun te achten en dat er dus geen sprake was van een zo onbegrijpelijke beslissing dat er in feite slechts sprake kon zijn van een verkapte financiële beloning. Het hof heeft daarbij ook betrokken dat bij geen van de andere verdachten in de Eris-zaken een ontnemingsvordering is ingediend of is aangekondigd.
28. Het oordeel van het hof houdt in de kern in dat de beslissing van het OM om af te zien van het instellen van een ontnemingsvordering slechts verband houdt met het ontbreken van mogelijkheden tot verhaal. Dat oordeel is, gezien de door het hof aangehaalde omstandigheden, niet onbegrijpelijk en tevens toereikend gemotiveerd. Voor zover het middel berust op de opvatting dat indien sprake is van wederrechtelijk verkregen voordeel het OM gehouden is een vordering tot ontneming daarvan in te dienen, vindt het geen steun in het recht. [9] Uit de rechtspraak van de Hoge Raad volgt bovendien niet dat het OM was gehouden een voorbehoud te maken voor het geval op een later moment toch kan worden overgegaan tot het vorderen van een ontnemingsmaatregel indien alsnog verhaalsmogelijkheden zouden blijken.
29. Kortom, ook de klachten met betrekking tot het niet instellen van de ontnemingsvordering falen, zodat het middel in al zijn onderdelen faalt.
Het tweede middel
30. Het tweede middel bevat de klacht dat het hof onvoldoende heeft gemotiveerd waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de (on)betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige.
De voor de bespreking van het tweede middel relevante delen van de processtukken
31. In de cassatieschriftuur wijst de steller van het middel allereerst op randnummers 1 tot en met 36 van de pleitnota, waarin de verdediging met een aantal meer algemene opmerkingen beargumenteert dat de verklaringen van de kroongetuigen niet zonder meer als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Verder verwijst de steller naar onderdelen van de pleitnota die zien op de verklaringen van de kroongetuigen in de te onderscheiden deelonderzoeken, namelijk “
inzake Charon pleitnota, p. 47 e.v., randnummers 32-50), Barbera (pleitnota, p. 69 e.v., randnummers 14-16), Charlie pleitnota, p. 86 e.v., rand nummers 42-49), Gezicht (pleitnota, p. 98 e.v., randnummer 16), Breuk (pleitnota, p. 109 e.v., randnummers 3-25), Langenhorst (pleitnota, p. 135 e.v., randnummers 4-48) en Lis (pleitnota, p. 149, randnummer 1-7)”.
32. Het hof overweegt over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige als volgt:

5.1.4. De betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige
Meerdere raadslieden hebben gewezen op de onbetrouwbaarheid van de kroongetuige. Aangevoerd is dat [kroongetuige] al sinds jonge leeftijd op meerdere terreinen strafbare feiten pleegt, zoals handel in drugs en oplichting. Omdat hij al zijn hele leven liegt en bedriegt, is het zeer riskant om zijn verklaringen te gebruiken voor het bewijs, zeker nu [kroongetuige] een duidelijk eigen belang heeft bij het afleggen van zijn verklaringen, aldus de raadslieden.
Bijna alle raadslieden hebben daarnaast op inhoudelijke gronden de bruikbaarheid en de betrouwbaarheid van (een deel van) de verklaringen van [kroongetuige] betwist. In de zaak van […] is dit punt – in eerste aanleg en herhaald in hoger beroep – als volgt verwoord:
De kroongetuige heeft veel vermoedens, invullingen, veronderstellingen en gevoelens en verkeerde ten tijde van de feiten waarover hij verklaart niet zelden onder invloed van verdovende middelen. Hij is na talloze verhoren door de politie, bij de rechter-commissaris en op de zitting nauwelijks meer in staat om onderscheid te maken tussen wat hij daadwerkelijk heeft meegemaakt, wat hij van derden heeft gehoord en wat hij later heeft opgepikt uit de media. De primaire bron is uiteindelijk vaak [verdachte] , die ooit iets tegen hem gezegd zou hebben, al weet hij niet meer waar, wanneer, in welke bewoordingen en in welke context.
Andere raadslieden hebben daaraan nog toegevoegd dat de verklaringen bewust of onbewust onbetrouwbaar zijn te achten: door het toepassen van Neuro Linguïstisch Programmeren (NLP) tijdens het verhoren van [kroongetuige] , het bestaan van valse herinneringen en het voeden met informatie door politie en justitie. De verklaringen kunnen daarom niet worden gebruikt voor het bewijs. In ieder geval is het volgens de raadslieden noodzakelijk om deze verklaringen met grote voorzichtigheid te benaderen.
(…)
Het hof stelt in dit verband voorop dat het niet de betrouwbaarheid van de persoon van [kroongetuige] maar die van zijn verklaringen dient te toetsen. Het feit dat een kroongetuige in het verleden ook bij andere misdrijven betrokken is geweest en/of dat hij in het verleden mogelijk onbetrouwbaar is gebleken wat betreft zijn verklaringen over niet in de afspraak als bedoeld in artikel 226g van het Wetboek van Strafvordering opgenomen misdrijven, is op zich geen reden om geen waarde te hechten aan zijn als kroongetuige afgelegde verklaringen. Uiteindelijk gaat het erom of de verklaringen van de kroongetuige over de aan de verdachten ten laste gelegde feiten betrouwbaar zijn.
Een kritische benadering van de verklaringen van [kroongetuige] ligt voor de hand, nu hij deze heeft afgelegd als kroongetuige en aan hem strafvermindering en bescherming in het vooruitzicht zijn gesteld in ruil voor informatie over misdrijven. Het gaat dan meestal om informatie die zonder de verklaring van de kroongetuige niet, of zeer moeilijk, door de opsporingsinstanties is te verkrijgen. De van de kroongetuige te verkrijgen informatie moet voor de opsporingsautoriteiten een meerwaarde hebben. Daarin kan een motief zijn gelegen om informatie te verschaffen die niet op waarheid berust. Om die reden is het van belang dat de door de kroongetuige gegeven informatie zoveel mogelijk wordt getoetst in het opsporingsonderzoek en bij de berechting. Om diezelfde reden dienen zijn verklaringen met extra behoedzaamheid te worden beoordeeld, zoals ook tot uitdrukking komt in de motiveringseis van artikel 360, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering en de bewijsminimumregel dat het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend op de verklaring van één getuige mag worden aangenomen.
De eis van behoedzaamheid geldt in het bijzonder waar het gaat om de verklaringen die zien op informatie die [kroongetuige] stelt van [verdachte] te hebben verkregen. Zowel [kroongetuige] als [betrokkene 2] heeft verklaard dat [verdachte] informatie wel eens aandikte of dat hij met desinformatie strooide.
Uitgangspunt is dat een verklaring van een getuige over wat hij van een andere persoon heeft gehoord in beginsel bruikbaar is voor het bewijs, maar dat de verdediging wel de gelegenheid moet hebben gehad om de getuige, het liefst ter terechtzitting, te horen. Vastgesteld kan worden dat de verdediging [kroongetuige] zowel bij de rechter-commissaris als ter terechtzitting in eerste aanleg en hoger beroep aan vele indringende verhoren heeft onderworpen, waarbij het aspect dat hij iets van [verdachte] heeft gehoord uitvoerig aan de orde is geweest. Het zou dan ook te ver gaan om aan de verklaringen van [kroongetuige] om die reden op voorhand slechts de waarde van steunbewijs toe te kennen, zeker omdat de beweerde bron van dergelijke verklaringen, [verdachte] , zich hoofdzakelijk heeft beperkt tot het ontkennen van de beweringen van [kroongetuige] en het presenteren van een ongeloofwaardig alternatief scenario.
De van de kroongetuige verkregen informatie is divers van aard. Zo heeft hij niet alleen verklaard over gebeurtenissen die hij zelf heeft meegemaakt, maar ook over wat hij van anderen, met name [verdachte] , heeft gehoord. Ten slotte heeft hij ook verklaard over de algemene gang van zaken bij [motorclub] , waarvan hij deel heeft uitgemaakt.
Als informatie die de kroongetuige zegt te hebben verkregen van derden niet past bij de overige onderzoeksresultaten, kan maar hoeft dat niet te duiden op onbetrouwbaarheid van de kroongetuige. In dat geval is het ook mogelijk dat de kroongetuige naar waarheid heeft verklaard over wat hij heeft gehoord maar van die derde niet de juiste informatie heeft gekregen. Als voorbeeld noemt het hof een voorval in het deelonderzoek Breuk . De kroongetuige heeft verklaard dat zijn opdrachtgever hem op 5 juli 2017 heeft bericht dat het beoogde slachtoffer vanwege een file later zou komen. Dat het beoogde slachtoffer die dag na zijn vertrek uit [plaats] om ongeveer 19.00 uur door een file is opgehouden, acht het hof niet waarschijnlijk. Voor deze ogenschijnlijke onjuistheid zijn meerdere verklaringen mogelijk: de kroongetuige kan de file hebben verzonnen, maar hij kan ook naar waarheid hebben verklaard over onjuiste informatie die hij van de opdrachtgever had gekregen, waarbij de opdrachtgever op zijn beurt deze onjuiste informatie van derden kan hebben ontvangen.
Van belang is of onderdelen van de verklaring van de kroongetuige steun vinden in ander bewijsmateriaal en passen bij de overige bevindingen van het onderzoek. De verdediging heeft gewezen op de mogelijkheid van beïnvloeding van de kroongetuige door de politie. In dat verband is van belang of en, zo ja, hoe en wanneer de informatie van de kroongetuige in het onderzoek is bevestigd. Hierbij is een aantal situaties te onderscheiden:

De informatie van de kroongetuige is geheel nieuw en wordt pas later in het onderzoek bevestigd door gegevens waarvan de kroongetuige niet op de hoogte kon zijn;

De informatie kan worden bevestigd met zich al in het dossier bevindende onderzoeksresultaten of andere gegevens waarvan de kroongetuige op de hoogte kon zijn;

De informatie wordt verkregen naar aanleiding van aan de kroongetuige voorgehouden onderzoeksresultaten.
Het is duidelijk dat de mogelijkheid van beïnvloeding in de als eerste vermelde situatie het kleinst en in de laatste situatie het grootst is.
Ook op het hof komt [kroongetuige] in zijn manier van verklaren bij de politie en de rechter-commissaris, maar ook ter terechtzitting over als een getuige die duidelijk en in grote lijnen consistent en zonder te aarzelen verklaart. Van belang is ook dat [kroongetuige] ook heeft verklaard over zijn rol in zaken waarin hij tot op dat moment bij het openbaar ministerie niet in beeld was gekomen en dat zijn op punten gedetailleerde verklaringen voor een belangrijk deel bevestiging vinden in objectieve onderzoeksbevindingen zoals die in het verificatie/falsificatiedossier. Veel verklaringen van [kroongetuige] vinden bevestiging in opnames van PGP- en whatsappgesprekken die pas later onder [verdachte] zijn aangetroffen. Van de aanwezigheid van die opnames waren [kroongetuige] en de politie niet op de hoogte op het moment dat de kluisverklaringen werden afgelegd. Het hof geeft daarvan enkele voorbeelden:

De verklaring van de kroongetuige dat een zekere “ [betrokkene 3] ” of “ [betrokkene 3] ” opdrachtgever voor een aantal liquidaties was, komt overeen met een PGP-gesprek tussen [verdachte] en ‘ [betrokkene 4] ’ waarin “ [betrokkene 3] ” als opdrachtgever wordt genoemd;

De kroongetuige heeft verklaard dat [verdachte] hem een A4’tje met een foto van [slachtoffer 8] op een bruiloft heeft laten zien. Op die foto was het hoofd van [slachtoffer 8] omcirkeld. Op gegevensdragers van [verdachte] is een foto gevonden van een A4’tje met een foto van [slachtoffer 8] met zijn hoofd omcirkeld die ook verder aan de beschrijving van de kroongetuige voldoet;

[verdachte] zou opdracht hebben gegeven voor de beschieting van een woning aan de [a-straat] in [plaats] . Op gegevensdragers van [verdachte] is een beeldopname van een PGP-gesprek aangetroffen waarin wordt gesproken over een donkere straat met bomen bij de afslag [plaats] ( [plaats] ) van de [snelweg] . Ook is op die gegevensdrager een afbeelding van een printje van een routebeschrijving van Google Maps van ‘Mijn locatie’ naar de [a-straat] in [plaats] gevonden;

[verdachte] zou zijn benaderd door [betrokkene 6] omdat zijn zoon in de problemen was gekomen door een vergismoord. Onder [verdachte] zijn beeldopnames van whatsappgesprekken en PGPgesprekken tussen beiden van ongeveer twee weken na de betreffende vergismoord over de zoon van [betrokkene 6] aangetroffen;

Het geld voor de moord op [slachtoffer 1] zou op de dag na de moord door een motorrijder zijn opgehaald. Op gegevensdragers van [verdachte] is de volgende chat van 8 juli 2017 aangetroffen: “Ok ik stuur hem, hij komt op de motor”.
Ook op veel andere onderdelen worden de verklaringen van de kroongetuige bevestigd door die bij [verdachte] aangetroffen opnames. Het hof komt daar bij de bespreking van de zaakdossiers op terug.
De conclusie is dat de verklaringen van de kroongetuige in de kern en op hoofdlijnen als betrouwbaar kunnen worden aangemerkt. Wel is duidelijk gebleken dat [kroongetuige] moeite heeft met het plaatsen van gebeurtenissen in de tijd en dat hij bepaalde feitelijkheden (nader) heeft ingevuld en met elkaar heeft verward, zoals in de deelonderzoeken Lis en Barbera , waar hij het heeft over het Belgische slachtoffer. Ook heeft [kroongetuige] zijn verklaringen gedurende het proces op punten moeten nuanceren, daar waar hij eerder al dan niet ingegeven door zijn eigen overtuiging in al te concluderende zin had verklaard. Sommige ongerijmdheden in de verklaringen van [kroongetuige] zijn niet geheel opgehelderd of op andere wijze verklaarbaar gebleken. Hiervan is bijvoorbeeld sprake in de deelonderzoeken Charlie17 en Langenhorst , daar waar het de gang van zaken in aanloop naar de moord en de rol van [kroongetuige] zelf betreft.
Een aantal raadslieden heeft ook terecht erop gewezen dat het geheugen alleen al door het tijdsverloop beïnvloedbaar is en dat informatie die naderhand is verkregen, vermengd kan worden met wat een getuige zelf heeft waargenomen. Het hof komt niet tot de conclusie dat [kroongetuige] bewust niet volledig naar waarheid heeft verklaard. Dat neemt niet weg dat de verklaringen van [kroongetuige] slechts bruikbaar zijn voor het bewijs als het hof oordeelt dat zij betrouwbaar zijn en conform de waarheid zijn afgelegd.
Ondanks de kanttekeningen die op onderdelen bij de verklaringen van [kroongetuige] kunnen worden geplaatst, blijft tegen de achtergrond van het totaal van zijn vele verklaringen en in het licht van de overige onderzoeksbevindingen het beeld van [kroongetuige] als een overwegend betrouwbaar verklarende getuige in stand. Uit de woordelijk uitgewerkte verhoren van [kroongetuige] is van het toepassen van NLP, van het opwekken van valse herinneringen of het voeden van informatie in de verhoren door de politie niet gebleken. Ook verder zijn hiervoor geen aanwijzingen te vinden.”
33. In sub-paragrafen van onderdeel 6.3 wijdt het hof vervolgens nog overwegingen aan de betrouwbaarheid van specifieke verklaringen van de kroongetuige in de verschillende deelonderzoeken. Zie 6.3.2.2–6.3.2.3 ( Charon ), 6.3.3 en 6.3.3.4.2 ( Barbera ), 6.3.5.2–6.3.5.3 ( Charlie17 ), 6.3.6.1–6.3.6.2 en 6.3.6.4–6.3.6.5 ( Gezicht ), 6.3.7.2–6.3.7.3 ( Breuk ) en 6.3.8.2–6.3.8.3 ( Langenhorst ).
De toelichting op het tweede middel
34. De steller van het middel voert aan dat in de hiervoor (onder 31) genoemde onderdelen van de pleitnota is betoogd “
dat de kroongetuige weinig tot geen tekst of uitleg kan geven op bepaalde punten, zelf gist omdat informatie hem niet met zoveel woorden is verteld, zijn verklaring over zijn aanwezigheid niet strookt met ander bewijs, zijn contacten met anderen, eerdere betrokkenheid bij strafbare feiten, toevalligheden en het feit dat hij meer wist dan dat verdachte.” Het hof heeft deze punten niet weerlegd, terwijl het hier niet gaat om details waarop het hof niet hoefde in te gaan.
De bespreking van het tweede middel
35. De genoemde onderdelen van het arrest wijzen uit dat het hof heeft aangenomen dat de verdediging een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over de betrouwbaarheid van de verklaringen van de kroongetuige heeft ingenomen. [10] Dat oordeel staat thans niet ter discussie. De vervolgvraag is of het hof daarop voldoende heeft gerespondeerd.
36. In het algemene deel over de verklaringen van [kroongetuige] bespreekt het hof diens speciale hoedanigheid (van kroongetuige) en koppelt daaraan de noodzaak van een kritische benadering en extra behoedzaamheid. Het hof beschrijft uitgebreid zijn beoordeling van de verklaringen van [kroongetuige] en zet uiteen welke factoren daarbij in aanmerking zijn genomen. [11] Uiteindelijk wordt geconcludeerd dat tegen de achtergrond van het totaal van zijn vele verklaringen en in het licht van de overige onderzoeksbevindingen het beeld van [kroongetuige] als een overwegend betrouwbaar verklarende getuige (ondanks een aantal kanttekeningen) in stand blijft. Dit algemene oordeel werkt klaarblijkelijk door in de beoordeling van de betrouwbaarheid van zijn verklaringen in de verschillende deelonderzoeken. Daarop voortbordurend oordeelt het hof vervolgens per deelonderzoek dat de in dat verband afgelegde verklaringen van [kroongetuige] (op onderdelen) in voldoende mate steun vinden in ander bewijsmateriaal om (op die onderdelen) als betrouwbaar te kunnen worden aangemerkt. Dat laat het hof in zijn bewijsoverwegingen ook telkens zien (en dit wordt in cassatie op zichzelf ook niet bestreden).
37. Gelet op het voorgaande is het oordeel van het hof over de betrouwbaarheid van de verklaringen van [kroongetuige] niet onbegrijpelijk en bovendien toereikend gemotiveerd.
38. Het tweede middel faalt.
Het derde middel
39. Het middel is gericht tegen de beslissing om te volstaan met de constatering van vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan ‘elektronische gegevensdragers en/of geautomatiseerde werken’ (hierna kortweg: gegevensdragers) [12] en het vorderen van verkeers- en locatiegegevens bij aanbieders van elektronische-communicatiediensten (telecomproviders). De constatering van vormverzuimen heeft te maken met een aantal relatief recente uitspraken van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: Hof van Justitie), onder meer in de zaken
Prokuratuur [13] en
Landeck [14] .
De voor de bespreking van het derde middel relevante overwegingen van het hof
40. Het arrest bevat de volgende overwegingen:

5.2 Het onderzoek aan gegevensdragers en locatiegegevens
In het onderzoek Eris zijn diverse mobiele telefoons, computers en andere elektronische gegevensdragers inbeslaggenomen. De politie heeft zich toegang verschaft tot die gegevensdragers en onderzoek gedaan naar de gegevens die daarin zijn opgeslagen of anderszins zijn te vinden. Daarnaast heeft de officier van justitie in het onderzoek Eris verkeers- en locatiegegevens gevorderd, hebben telecomaanbieders toegang verleend tot dergelijke gegevens en heeft de politie ook daarnaar onderzoek gedaan.
Naar aanleiding van de rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie (HvJ EU) en de Hoge Raad ziet het hof aanleiding ambtshalve het volgende te overwegen over het onderzoek aan de gegevens in mobiele telefoons, computers en andere gegevensdragers en over het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens.
Het HvJ EU heeft geoordeeld dat een onderzoek naar de gegevens die beschikbaar zijn in een elektronische gegevensdrager, zoals een smartphone, valt onder de reikwijdte van de Richtlijn gegevensbescherming opsporing en vervolging (EU) 2016/680. Deze richtlijn diende uiterlijk op 6 mei 2018 in nationale wetgeving te zijn omgezet. Met de wetgeving waarmee Nederland uitvoering heeft gegeven aan Richtlijn (EU) 2016/680 zijn geen wijzigingen doorgevoerd van het Wetboek van Strafvordering ten aanzien van de regeling van de inbeslagneming van een gegevensdrager en het onderzoek van de gegevens die op of in een (mobiele) gegevensdrager zijn te vinden. In HvJ EU 4 oktober 2024, zaak C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (Landeck) heeft het hof geoordeeld dat voor het verkrijgen van toegang tot dergelijke gegevens voorafgaande toestemming nodig is van een rechterlijke instantie of een onafhankelijk, niet bij de opsporing betrokken, bestuursorgaan indien er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken.
Richtlijn 2002/85/EG geeft regels over privacy en elektronische communicatie en bepaalt (in artikel 5) dat de lidstaten het vertrouwelijke karakter van elektronische communicatie en daarmee verband houdende persoonsgegevens in de vorm van (historische) verkeers- en locatiegegevens garanderen. Richtlijn 2002/85/EG biedt de lidstaten de mogelijkheid die vertrouwelijkheid te doorbreken voor de bestrijding, opsporing en vervolging van strafbare feiten (zie artikel 15). Daarvoor gelden voorwaarden. De richtlijn betreffende privacy en elektronische communicatie is in Nederland geïmplementeerd in de Telecommunicatiewet. Telecomaanbieders mogen op grond van de Telecommunicatiewet de vertrouwelijkheid van de door hen verzamelde gegevens doorbreken als dit noodzakelijk is in het belang van de voorkoming, opsporing en vervolging van strafbare feiten. In een arrest van 2 maart 2021 heeft het HvJ EU de voorwaarden voor toegang tot bewaarde verkeers- en locatiegegevens verduidelijkt en aangescherpt. De toegang tot historische verkeersgegevens, waaruit (nauwkeurige) conclusies kunnen worden getrokken over de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker, moet zijn onderworpen aan een voorafgaande toetsing door een rechterlijke instantie of een onafhankelijk bestuursorgaan.
Naar aanleiding van HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) is de Hoge Raad tot het oordeel gekomen dat de onder andere in artikel 126n van het Wetboek van Strafvordering neergelegde bevoegdheden tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens niet in overeenstemming is met de eisen die Richtlijn 2002/58/EG stelt, als de toepassing van de betreffende bevoegdheid meebrengt dat sprake is van een ernstige inmenging in het recht op bescherming van het privéleven en de beslissing tot de toepassing van die bevoegdheid wordt genomen door de officier van justitie. Vereist is in een dergelijk geval – behalve in spoedeisende situaties – dat voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of door een onafhankelijke bestuurlijke entiteit plaatsvindt. Dit voorafgaande toezicht is niet vereist wanneer het uitsluitend gaat om het verlenen van toegang tot gegevens aan de hand waarvan de betrokken gebruiker kan worden geïdentificeerd, zonder dat de gegevens in verband kunnen worden gebracht met informatie over de tot stand gebrachte communicatie. De Hoge Raad heeft in het arrest HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (Prokuratuur) aanleiding gezien te bepalen dat als de officier van justitie verkeers- en locatiegegevens wil verkrijgen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, hij gehouden is een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris te vorderen voor het vorderen van die gegevens.
Het hof constateert dat uit de procestukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk wordt of de rechter-commissaris, de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar deze in beslag heeft genomen. Waar een mobiele telefoon of een andere elektronische gegevensdrager in beslag is genomen door de rechter-commissaris kan er – behoudens aanwijzingen voor het tegendeel – van worden uitgegaan dat met de inbeslagneming is beoogd onderzoek naar de inhoud van deze gegevensdrager te laten doen door de politie en andere door politie en justitie ingeschakelde personen zoals deskundigen van het NFI. De bevoegdheid van de rechter-commissaris tot inbeslagneming biedt in een dergelijk geval de grondslag voor het verrichten van onderzoek aan het inbeslaggenomen voorwerp, ook als dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer meebrengt. Omdat de processtukken niet ten aanzien van elke gegevensdrager duidelijk maken door wie deze in beslag is genomen, moet ermee rekening worden gehouden dat niet alleen de rechtercommissaris maar ook de officier van justitie en andere opsporingsambtenaren elektronische gegevensdragers in beslag hebben genomen. Het hof kan bovendien aan de hand van de processtukken niet vaststellen of de rechter-commissaris – een rechterlijke instantie volgens de rechtspraak van het HvJ EU – per afzonderlijke gegevensdrager toestemming heeft gegeven voor onderzoek aan de daarin beschikbare gegevens, ook als er een kans is dat die toegang het mogelijk maakt nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken.
Daarnaast moet het hof op grond van de processtukken ervan uitgaan dat de politie zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie of een onafhankelijke bestuurlijke entiteit onderzoek heeft gedaan aan gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens).
In het geval dat voorafgaande toestemming (in de vorm van een schriftelijke machtiging) van de rechter-commissaris ontbreekt, is er in de zojuist bedoelde gevallen waarin een elektronische gegevensdrager bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar in beslag is genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin beschikbare gegevens, waarbij er een kans bestaat dat nauwkeurige conclusies over iemands privéleven worden getrokken, en in de gevallen waarin onderzoek is gedaan aan door de officier van justitie gevorderde verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens), sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte.
De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting (zie HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.12.4).
Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager beschikbare gegevens als er een kans is om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken. Van belang hierbij is dat het uitsluiten van de resultaten van dergelijk onderzoek van het gebruik voor het bewijs niet noodzakelijk is om een schending van het recht op een eerlijk proces zoals gewaarborgd door artikel 6 EVRM Pro – en het daarmee overeenkomende artikel 47, tweede lid, van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie – te voorkomen, tenzij door een of meer van de vormverzuimen in het verloop van de strafprocedure complicaties zijn opgetreden die het voeren van de verdediging ernstig hebben bemoeilijkt en die vormverzuimen vervolgens niet in voldoende mate zijn hersteld om het proces als geheel eerlijk te laten verlopen.
Dergelijke complicaties zijn door de verdediging niet gesteld en ook overigens niet gebleken.
Voor de toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door het vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden en dat strafvermindering ook in het licht van het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim is gerechtvaardigd. Strafvermindering laat zich als rechtsgevolg dat geschikt is voor compensatie van door de verdachte ondervonden nadeel, verbinden aan onder meer vormverzuimen waardoor inbreuk is gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De vraag of, en de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte is geschonden, is daarbij mede bepalend voor de ernst van het verzuim en het door het verzuim daadwerkelijk geleden nadeel. Voor de toepassing van strafvermindering moet het gaan om een voldoende ernstig vormverzuim dat concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast. Als door het vormverzuim in niet meer dan geringe mate inbreuk is gemaakt op het recht op bescherming van de persoonlijke levenssfeer, kan de rechter volstaan met de enkele constatering van dat vormverzuim. (HR 1 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1889, rov. 2.3.2 en 2.3.4.)
In het onderzoek Eris gaat het om de verdenking van zeer ernstige strafbare feiten. Het onderzoek is gericht tegen een criminele organisatie die zich zou hebben beziggehouden met het plegen van liquidaties en daarbij gebruikmaakte van PGP-telefoons. Het onderzoeken van de inhoud van inbeslaggenomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden, waren niet voorhanden. De inbreuk op het privéleven van de verdachte verschilt per gegevensdrager. In het geval van gegevens in PGP-telefoons gaat het – als deze bewaard zijn gebleven – voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en de uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-telefoons alleen diende om criminele activiteiten te verhullen. De kans om dan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken is gering. Bij het onderzoek aan gegevens in andere gegevensdragers dan PGP-telefoons is in het onderzoek Eris, naast talloze gegevens over criminele gedragingen, ook toegang verkregen tot gegevens die niet met criminele activiteiten te maken hebben. Daarbij is de privacy van de verdachte en personen uit zijn directe omgeving zoals gezinsleden (wel) in het geding.
Niet is gebleken dat de politie toegang heeft verkregen tot gegevens van grote aantallen willekeurige derden, zoals het geval kan zijn bij het zich toegang verschaffen tot de op een server beschikbare gegevens, in welk geval het nemen van maatregelen ter bescherming van de privacy van derden kan zijn geboden. De gegevens waartoe in het onderzoek Eris toegang is verkregen, betreffen voornamelijk de verdachten zelf en personen uit hun omgeving.
Dat door het onderzoek aan de gegevens die in de (onder de verdachte) inbeslaggenomen gegevensdragers beschikbaar zijn en door het onderzoek aan de verkeers- en locatiegegevens inzicht is verkregen in aspecten van het privéleven van de verdachte en eventueel degenen waarmee de verdachte contact had, is onontkoombaar. Het hof is van oordeel dat de ernst van de feiten die in het onderzoek Eris centraal staan het rechtvaardigt dat dit onderzoek is verricht en dat het belang daarvan opweegt tegen de daarmee gepaard gaande schending van de privacy van de verdachte en een beperkt aantal derden. Het hof gaat er dan ook van uit dat, gelet vooral op de aard en ernst van de verdenkingen, de rechter-commissaris voor dit onderzoek voorafgaande toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd.
De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de hier door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op het recht op eerbiediging van de persoonlijke levenssfeer van de verdachte. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast.
Het hof volstaat mede daarom met de enkele constatering dat in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een of meerdere van de door het hof aan de orde gestelde vormverzuimen zijn begaan.”
Een nadere omschrijving van het derde middel
41. Het middel komt met (voornamelijk) motiveringsklachten op tegen drie onderdelen van de beslissing van het hof om als reactie op de vastgestelde vormverzuimen te volstaan met de (ambtshalve) constatering ervan. Dat betreft de volgende oordelen:
(a). de vormverzuimen leveren in beginsel geen grond voor bewijsuitsluiting op;
(b). in geval van toegang tot PGP-toestellen is de kans om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken gering, omdat het voornamelijk gaat om communicatie over de voorbereiding en uitvoering van ernstige misdrijven;
(c). aangenomen wordt dat de rechter-commissaris voor het onderzoek aan gegevensdragers en naar verkeers- en locatiegegevens toestemming zou hebben verleend als de officier van justitie deze had gevorderd.
42. De steller van het middel tekent tot slot aan dat het feit dat ter zitting op dit punt geen verweer is gevoerd, niet aan de verdediging kan worden tegengeworpen, omdat het ‘post-Landeck’-arrest van de Hoge Raad pas ná het bestreden arrest is gewezen.
Het juridisch kader: Prokuratuur en Landeck
43. De afgelopen jaren hebben zich op het gebied van de bescherming van persoonsgegevens in het Unierecht ontwikkelingen voorgedaan die van invloed zijn op de normering van bepaalde opsporingsbevoegdheden in het Nederlandse strafprocesrecht. [15] Het Hof van Justitie heeft een aantal uitspraken gedaan over Richtlijn 2002/58/EG, [16] onder andere in de zaak
Prokuratuur. [17] Daarnaast deed het Hof van Justitie in de zaak
Landeckuitspraak [18] over Richtlijn 2016/680. [19]
44. In een arrest van 5 april 2022 ging de Hoge Raad in op de gevolgen van de rechtspraak van het Hof van Justitie over Richtlijn 2002/58/EG. [20] Het arrest van de Hoge Raad ziet op de uitleg van de bepalingen die gaan over de bevoegdheid van de officier van justitie tot het vorderen van verkeers- en locatiegegevens (met inbegrip van identificerende gegevens) [21] bij de aanbieder van een communicatiedienst (een telecomprovider, bedoeld in artikel 138g Sv). De Hoge Raad oordeelde dat de rechtspraak van het Hof van Justitie meebrengt dat de officier van justitie die van een telecomprovider verkeers- en locatiegegevens wil vorderen die meer omvatten dan uitsluitend identificerende gegevens, gehouden is éérst een schriftelijke (bij spoed: mondelinge) machtiging van de rechter-commissaris te verkrijgen. Bij zijn beslissing over de daartoe strekkende vordering beoordeelt de rechter-commissaris of daarmee wordt voldaan aan de wettelijke eisen en aan maatstaven van proportionaliteit en subsidiariteit. [22]
45. De uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak
Landeckgaf de Hoge Raad (bij arrest van 18 maart 2025) aanleiding zijn rechtspraak over opsporingsonderzoek aan gegevensdragers als volgt bij te stellen. [23] Als politie en justitie aan gegevensdragers onderzoek willen verrichten dat een meer dan beperkte inbreuk op de persoonlijke levenssfeer zal teweegbrengen, is daarvoor – behalve in spoedeisende gevallen – voortaan een voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris vereist. De rechter-commissaris toetst of de inbreuk die door het onderzoek aan de gegevensdrager op de persoonlijke levenssfeer van de gebruiker wordt gemaakt, gerechtvaardigd is, mede gelet op de ernst van het strafbare feit waarop de verdenking betrekking heeft en het belang van het onderzoek voor de waarheidsvinding. [24] In dit verband wijs ik erop dat het Hof van Justitie overweegt “
dat de ernst van het strafbare feit waarnaar het onderzoek loopt, een van de belangrijkste parameters is bij de toetsing van de evenredigheid van de ernstige inmenging die het gevolg is van de toegang tot de op een mobiele telefoon opgeslagen persoonsgegevens aan de hand waarvan nauwkeurige conclusies kunnen worden getrokken over het privéleven van de betrokkene.” [25]
46. Verder is van belang dat Hoge Raad naar aanleiding van het
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie duidelijk heeft gemaakt dat er geen afwijkende regels gelden voor de sanctionering van vormverzuimen waarmee de verkrijging van verkeers- en locatiegegevens gepaard is gegaan. Hier is artikel 359a Sv onverminderd van toepassing. [26] Ik zie geen reden waarom dat anders zou zijn bij vormverzuimen die zijn begaan bij het onderzoek aan gegevensdragers. [27]
47. Uitgangspunt bij toepassing van de verschillende in artikel 359a Sv genoemde rechtsgevolgen is dat het rechtsgevolg in verhouding moet staan tot (1) de aard, (2) de ernst en (3) de gevolgen van het vormverzuim (d.w.z. het daardoor teweeggebrachte nadeel). [28] Dit betekent dat bewijsuitsluiting slechts plaatsvindt om een schending van het recht op een eerlijk proces te voorkomen of onder bijzondere omstandigheden als rechtstatelijke waarborg bij ernstige schendingen van een strafvorderlijk voorschrift of rechtsbeginsel. [29] Voor toepassing van strafvermindering is vereist dat de verdachte door een voldoende ernstig vormverzuim daadwerkelijk nadeel heeft ondervonden, dat het vormverzuim concreet de belangen van de verdachte in de strafzaak heeft aangetast en dat strafvermindering vanwege het belang van het geschonden voorschrift en de ernst van het verzuim gerechtvaardigd is. [30] De rechter die ambtshalve een vormverzuim constateert en beslist om met die constatering te volstaan, moet dit motiveren. [31]
48. Als het vormverzuim bestaat uit het uitoefenen van een opsporingsbevoegdheid zonder machtiging van de rechter-commissaris, kan de rechter bij zijn beslissing over toepassing van artikel 359a Sv meewegen dat de rechter-commissaris hoogstwaarschijnlijk wel een machtiging zou hebben afgegeven als hem dat tijdig zou zijn gevraagd. Dat zegt immers iets over de aard, ernst en gevolgen van het verzuim. [32] Verder komt bij die beoordeling betekenis toe aan wat de verdachte en zijn advocaat naar voren hebben gebracht, bijvoorbeeld over het wel of niet concreet geleden nadeel. [33]
49. Dat brengt mij tot slot op de stelling dat niet in het nadeel van de verdachte mag of had mogen werken dat over de (ambtshalve geconstateerde) vormverzuimen geen verweer als bedoeld in artikel 359a Sv is gevoerd. De steller van het middel voert daartoe aan dat het ‘post-Landeck’-arrest van de Hoge Raad d.d. 18 maart 2025 dateert van ná de bestreden uitspraak d.d. 12 februari 2025.
50. In dit verband merk ik op dat de advocaat-generaal bij het Hof van Justitie al op 20 april 2023 concludeerde in de zaak
Landeck. [34] De uitspraak van het Hof van Justitie dateert van 8 oktober 2024 (en is overigens op het punt van de voorafgaande rechterlijke toetsing in lijn met de conclusie). [35] Bovendien dateert het
Prokuratuur-arrest van het Hof van Justitie van 2 maart 2021 en formuleerde de Hoge Raad het daarop bijgestelde kader voor de vordering van verkeers- en locatiegegevens bij arrest van 5 april 2022. Deze conclusie en uitspraken zijn dus van (ruim) vóór de sluiting van het onderzoek in de strafzaak tegen de verdachte (op 12 februari 2025). Bij die stand van zaken gaat de in cassatie ingenomen stelling mij te ver. Van een advocaat mag worden verwacht dat hij onder deze omstandigheden in staat is te beoordelen of een verweer over eventuele onrechtmatigheden bij het onderzoek aan gegevensdragers en de vordering van verkeers- en locatiegegevens kans van slagen heeft (en past in de verdedigingsstrategie). [36]
De bespreking van het derde middel
51. In deze zaak is het hof ambtshalve ingegaan op de (on)rechtmatigheid van het door de politie verrichte onderzoek aan gegevensdragers en van verkeers- en locatiegegevens. Het hof overweegt dat ermee rekening moet worden gehouden dat in het opsporingsonderzoek Eris [37] door de officier van justitie of een andere opsporingsambtenaar gegevensdragers in beslag zijn genomen en onderzoek is gedaan naar de daarin opgeslagen gegevens, zonder dat de rechter-commissaris daarvoor een schriftelijke machtiging had afgegeven, terwijl een kans bestond dat daarbij nauwkeurige conclusies over iemands privéleven zouden (kunnen) worden getrokken. Ook gaat het hof ervan uit dat onderzoek is gedaan van verkeers- en locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) die de officier van justitie heeft gevorderd zonder voorafgaand toezicht door een rechterlijke instantie. Waar deze situaties zich hebben voorgedaan in het voorbereidend onderzoek van de strafzaak tegen de verdachte is volgens het hof sprake van onherstelbare vormverzuimen wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging van de rechter-commissaris. Dit oordeel wordt in cassatie niet bestreden, zodat daarvan in het vervolg moet worden uitgegaan.
52. Het hof komt vervolgens tot de beslissing om aan die vormverzuimen géén rechtsgevolg(en) te verbinden. Voor die beslissing geeft het hof de volgende redenen:
(i). De omstandigheid dat de officier van justitie bij het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte een vordering heeft gedaan tot het verstrekken van verkeers- of locatiegegevens (anders dan uitsluitend identificerende gegevens) zonder dat van tevoren een machtiging van de rechter-commissaris is verkregen, terwijl die machtiging wel was vereist, levert als zodanig geen grond op voor bewijsuitsluiting. Naar het oordeel van het hof heeft hetzelfde te gelden ten aanzien van het vormverzuim dat zonder voorafgaande toestemming van de rechter-commissaris onderzoek is gedaan aan in een gegevensdrager opgeslagen gegevens als dit een kans geeft om nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken.
(ii). Waar onderzoek is gedaan aan gegevens in PGP-toestellen gaat het voornamelijk om communicatie over de voorbereiding en uitvoering van ernstige misdrijven en was ook van tevoren duidelijk dat het gebruik van PGP-toestellen alleen diende om criminele activiteiten te verhullen. De kans om op basis daarvan nauwkeurige conclusies over iemands privéleven te trekken, is gering.
(iii). In het onderzoek Eris stonden verdenkingen van zeer ernstige strafbare feiten centraal. Het onderzoeken van de inhoud van de in beslag genomen gegevensdragers was noodzakelijk. Minder ingrijpende, maar even effectieve mogelijkheden waren niet voorhanden. Gelet op de aard en de ernst van die verdenkingen waren de privacy-schendingen gerechtvaardigd en moet worden aangenomen dat de rechter-commissaris voor het onderzoek aan gegevensdragers en van verkeers- en locatiegegevens voorafgaande toestemming zou hebben verleend, als de officier van justitie deze had gevorderd.
(iv). De verdachte heeft geen verweer gevoerd over de door het hof ambtshalve aan de orde gestelde vormverzuimen in het voorbereidend onderzoek tegen de verdachte, die (mogelijk) een inbreuk hebben gemaakt op zijn persoonlijke levenssfeer. De verdediging heeft niet gesteld dat de belangen van de verdachte in de strafzaak door een of meer van de bedoelde vormverzuimen concreet zijn aangetast.
53. Het onder (i) genoemde oordeel dat de vormverzuimen die aan de orde zijn in beginsel geen grond voor bewijsuitsluiting opleveren, getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting en is niet onbegrijpelijk (zie mijn opmerkingen onder randnummers 46 en 47). In de afwezigheid van een verweer waarmee het tegendeel is bepleit, vind ik de onder (ii) weergegeven overwegingen van het hof evenmin onbegrijpelijk. Deze getuigen bovendien niet van een onjuiste rechtsopvatting. [38] Datzelfde geldt voor de onder (iii) en (iv) beschreven overwegingen van het hof (zie in het bijzonder nog randnummers 48, 49 en 50).
54. Het hof heeft daarmee toereikend gemotiveerd dat kan worden volstaan met de (ambtshalve) constatering van de genoemde vormverzuimen. Ook dat oordeel is niet onbegrijpelijk en getuigt niet van een onjuiste rechtsopvatting.
55. Het derde middel faalt.
Het vierde middel
56. Dit middel ziet op het gebruik voor het bewijs van verklaringen van anonieme getuigen. Het middel bevat klachten over het gebruik van verklaringen van [getuige 1] voor het bewijs van de moord op [slachtoffer 2] ( deelonderzoek Charlie17 ) en de verklaring van NN03 voor het bewijs van de moord op [slachtoffer 1] ( deelonderzoek Breuk ). In beide gevallen heeft hof nagelaten daarvoor in het bijzonder de redenen op te geven, aldus de steller van het middel.
De bewijsvoering, voor zover relevant voor de bespreking van het vierde middel
57. De bewijsmiddelenbijlage van het arrest houdt onder meer in:

7. CHARLIE17
7.1. De liquidatie van [slachtoffer 2]
(…)
Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] van 18 april 2017, map 81, p. 51
De getuige verklaarde:
Op maandag 17 april 2017, omstreeks 23.00 uur, bevond ik mij samen met mijn vriend [betrokkene 7] en [betrokkene 8] op een parkeerterrein achter de [A] op [locatie] te [plaats] .
Wij waren aan het chillen en ik bemerkte dat er een auto naast mijn auto kwam staan. (...) Ik kon duidelijk door de ramen van mijn auto zien dat er een grijze Peugeot naast mijn auto parkeerde. Ik zag dat de Peugeot een station model was en donker getinte achterruiten had. De ruiten aan de voorzijde van de auto waren ook getint alleen minder donker. Ik kon wel naar binnen kijken. Ik weet nog wel dat er op het parkeerterrein genoeg lantaarnpalen stonden dus ik kon alles goed zien. Doordat ik het vreemd vond dat ze daar parkeerde, bleef ik wat langer kijken. Ik zag op een bepaald moment twee mannen in de auto zitten. Ik zag dat het donker getinte mannen betroffen. Ik denk dat ze negroïde waren, want ze hadden een hele donkere huid.
Ik zag op een bepaald moment dat de Peugeot achteruit reed en met zijn kont naar de [b-straat] reed. Ik lette er verder niet meer op. Ik hoorde ineens kort daarna twee harde knallen. Ik schrok hiervan. Ik dacht in eerste instantie dat het vuurwerk was, maar ik kreeg er een ander gevoel bij. Het klonk toch anders. Op datzelfde moment keek ik waar de knallen vandaan kwamen. Ik zag dat de Peugeot die zojuist naast ons weg was gereden dwars achter een ander voertuig stond. Ik zag dat dit voertuig een zwarte Citroën betrof. Ik denk een klein model, mogelijk een C1 of vergelijkbaar. Ik zag dat de Citroën met zijn neus richting de [A] stond. Ik zag dat de bijrijder van het voertuig nog snel in de Peugeot sprong. Ik zag dat de Peugeot hierna met hoge snelheid richting de openbare weg reed. Ik zag dat dit [c-straat] betrof. Ik zag dat de Peugeot hierna richting de snelweg reed.
Ik vertrouwde het toch niet dus keek ik nog een keer goed naar de Citroën alwaar de hard weggereden Peugeot dwars achter stond. Ik zag ineens dat de achterruit van de Citroën stuk was. Ik kon dit goed zien, omdat er geen andere geparkeerde auto’s mijn zicht blokkeerden. Ik zag ook nog iemand in de Citroën zitten op de bestuurdersstoel.
Proces-verbaal van verhoor [getuige 1] van 10 mei 2017, map 81, p. 95
V: Wat gebeurde er toen?
A: Ik zag de achterruiten van die auto, een Peugeot, grijs van kleur en station model, geblindeerd waren. Ik weet dat NN05 door de ruiten naar die auto keek en een persoon zag zitten. Ik heb wel iets zien bewegen, maar weet niet wie of wat dit was.
V: Hoeveel mensen zaten er in die auto?
A: Ik denk twee, althans die heb ik gezien. Direct daarna hoorde ik twee knallen. Ik ging er vanuit dat het vuurwerk was. Ik keek om en zag de Peugeot staan. Ik zag de Peugeot achter de groene Polo en de auto van het slachtoffer staan. De Peugeot stond dusdanig achter de auto van het slachtoffer dat hij nooit achteruit weg had kunnen rijden. De Peugeot stond recht achter de auto van het slachtoffer. Ik zag alleen de bijrijder staan. Deze stond naast de auto. Daarna sprong de bijrijder in de auto en ik zag en hoorde dat de auto letterlijk weg racete. Ze reden rechtsaf richting de snelweg.
(…)

9.BREUK

9.1
De liquidatie van [slachtoffer 1]
(…)
Proces-verbaal van verhoor getuige NN03 […] van 24 juli 2017, map 87, p. 68
O: Wij willen met u praten over wat u gezien hebt op vrijdag 7 juli 2017 op de parkeerplaats nabij het NS-station [plaats] .
V: Is u (...) iets opgevallen?
A: Op een gegeven moment gebeurde er iets op die parkeerplaats ongeveer 100 m bij mij vandaan. Wat mijn aandacht nu precies trok weet ik niet maar ik zag een man wegrennen bij een grijze auto. Ik heb geen idee wat voor auto dit was maar als ik zou moeten gokken zou ik zeggen een grijze Volkswagen Golf. De man liep op een drafje weg vanaf die grijze auto naar een donkere auto die verder op de parkeerplaats richting ingang stond. Ik zag dat de man in deze auto stapte.
V: Heeft u gezien op welke plek de man instapte?
A: Nee maar in ieder geval niet aan de bestuurderszijde (...).
V: Kun je uitleggen wat je met een drafje bedoelt?
A: Het was een beetje een houterig loopje niet echt sportief. De man was enigszins gezet en oogde niet sportief.
V: Als je zegt een donkere auto wat bedoel je dan?
A: Ik bedoel dan een zwarte auto.
Het juridisch kader: een persoon wiens identiteit niet blijkt
58. Op de voet van – het ook in hoger beroep toepasselijke – artikel 360 lid 1 en Pro lid 4 Sv behoort de rechter het gebruik voor het bewijs van een schriftelijk bescheid houdende de verklaring van ‘een persoon wiens identiteit niet blijkt’, als bedoeld in artikel 344a lid 3 Sv, op straffe van nietigheid nader te motiveren. Dit betekent dat de rechter zal moeten vermelden dat aan de eisen van artikel 344a lid 3 Sv is voldaan en ervan blijk moet geven zelfstandig de betrouwbaarheid van de anonieme verklaringen te hebben onderzocht. [39]
59. De term ‘een persoon wiens identiteit niet blijkt’ omvat echter
nietpersonen van wie de persoonsgegevens niet (of niet volledig) zijn vermeld in het proces-verbaal waarin hun verklaringen zijn opgenomen, maar van wie vaststaat dat zij wel zodanig kunnen worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuige door de rechter-commissaris of ter terechtzitting kan verzoeken. [40] Waar het om gaat is dat de identiteit van de persoon die heeft verklaard, kan worden geïndividualiseerd. [41]
De bespreking van het vierde middel
60. De [getuige 1] heeft op twee afzonderlijke momenten (op 18 april en 10 mei 2017) tijdens een door verbalisanten afgenomen getuigenverhoor een verklaring afgelegd. De getuige NN03 heeft op 24 juli 2017 een verklaring tegenover verbalisanten afgelegd. Het hof is kennelijk – en niet onbegrijpelijk – ervan uitgegaan dat de identiteit van [getuige 1] en van NN03 bij de politie kan worden achterhaald. [42] Gelet daarop heeft het hof kunnen oordelen dat [getuige 1] en NN03 zodanig konden worden geïndividualiseerd dat de verdediging desgewenst hun verhoor als getuigen kon verzoeken. Zodoende hoefde het hof de in de bewijsmiddelen weergegeven getuigenverklaringen van [getuige 1] en NN03 niet op te vatten als de verklaringen van ‘een persoon wiens identiteit niet blijkt’.
61. Het middel, dat uitgaat van het onjuiste uitgangspunt dat het hof verklaringen van anonieme getuigen in de zin van artikel 344a lid 3 Sv tot het bewijs heeft gebezigd, faalt reeds op die grond.
Het vijfde middel
62. Met het vijfde middel wordt opgekomen tegen de beslissing om af te zien van het oproepen van de niet-verschenen [getuige 2] , en tegen het oordeel dat (desondanks) sprake is van een eerlijk proces.
Het procesverloop, het getuigenverzoek en de beslissing van het hof voor zover relevant voor de bespreking van het vijfde middel
63. Op de zitting van het hof van 22 november 2023
waar de verdachte als getuige werd gehoord
is namens de raadsman van de [medeverdachte 2] , mr. [betrokkene 9] , het verzoek gedaan om (onder meer) [getuige 2] als getuige te horen. [43] Dit verzoek hield volgens het proces-verbaal van die zitting in:
“De getuige[DA: en dus ook de verdachte i.c.]
verklaart vandaag over een cruciaal punt in de zaak van mijn cliënt[DA: [medeverdachte 2] ]
, namelijk over de vraag wie er schuilgaat achter het account ‘ [accountnaam] ’. Er zijn aanknopingspunten om de identiteit van [betrokkene 10] te achterhalen. Volgens de getuige heeft ene ‘ [bijnaam getuige 2] ’ – mogelijk is dat ene [getuige 2] – hem met [betrokkene 10] in contact gebracht. Het lijkt mij noodzakelijk om in elk geval die [bijnaam getuige 2] / [getuige 2] daarover te bevragen. Hem kunnen dan ook vragen worden gesteld over de identiteit van [betrokkene 10] .”
64. Op de zitting van 8 december 2023 heeft het hof naar aanleiding van het voornoemde getuigenverzoek als volgt beslist (onderstreping mijnerzijds):
“De voorzitter deelt mede:
Het hof wijst het verzoek tot het horen van (…) en [getuige 2] (“ [bijnaam getuige 2] ”), geboren op [geboortedatum] 1968,toe in de zaken van alle verdachten in het dossier Eris.De verhoren zullen worden opgedragen aan een gedelegeerd raadsheer-commissaris, zodat we flexibel kunnen inspringen op de aanwezigheid van de getuigen.”
65. Op 2 februari 2024 heeft de raadsheer-commissaris het hof, over de stand van zaken met betrekking tot het verhoor van (onder meer) [getuige 2] , als volgt bericht:

[getuige 2](‘ [bijnaam getuige 2] ’):
Ter terechtzitting op 8 december 2023 is door de meervoudige strafkamer van het hof bepaald dat [getuige 2] , geboren op [geboortedatum] 1968, op wordt geroepen als getuige in de zaak tegen voornoemde verdachten.
Uit de Basisregistratie Personen (BRP) is gebleken dat [getuige 2] per 21 juni 2022 staat geregistreerd als ONBEKEND RNI.
De griffier heeft vervolgens aan het Openbaar Ministerie gevraagd het adres van getuige te achterhalen. Het Openbaar Ministerie heeft op 2 januari 2024 aan het kabinet raadsheer‐commissaris laten weten dat zij de politie gevraagd hebben onderzoek te doen naar de verblijfplaats van [getuige 2] . Zowel het Openbaar Ministerie als de politie beschikt helaas niet over informatie over de verblijfplaats van voornoemde getuige.
De informatie van de politie die het kabinet op 2 januari 2024 van het OM ontving luidde voor zover relevant als volgt.
1. De moeder van [getuige 2] heeft aangegeven dat [getuige 2] af en toe bij haar langs komt, af en toe bij zijn vriendin in België verblijft, maar dat zij niet bekend is met een verblijfadres of telefoonnummer.
2. De politie is langs geweest bij twee broers van [getuige 2] . De politie heeft geen van de broers gesproken en van een van de twee is onduidelijk of hij verblijft op het adres dat bekend is bij de politie.
3. De beide zussen van [getuige 2] hebben aangegeven geen adres of telefoonnummer van [getuige 2] te hebben. [44]
66. Vervolgens is het getuigenverzoek (opnieuw) aan de orde geweest tijdens de inhoudelijke behandeling in hoger beroep d.d. 25 maart 2024. Dit proces-verbaal houdt, voor zover thans relevant, in:
“Nadat mr. [betrokkene 11] pagina 134 van de pleitnota heeft voorgedragen, vraagt de voorzitter aan de raadslieden:
Het hof heeft het horen van getuigen (…) [getuige 2] (‘ [bijnaam getuige 2] ’) ambtshalve toegewezen in de zaak van [verdachte] en heeft zijn zaak daarvoor verwezen naar de raadsheer-commissaris. Dienen die verhoren wat u betreft nog plaats te vinden?
Mr. [betrokkene 11] antwoordt:
(…) Wij willen [getuige 2] nog wel horen. Hij zou de verklaring van cliënt — inhoudende dat [bijnaam getuige 2] cliënt met [betrokkene 10] in contact heeft gebracht — kunnen ondersteunen. Dat is dus nog wel relevant.”
67. Op 13 mei 2024 heeft de advocaat-generaal over de verrichtingen om [getuige 2] op te roepen bij de raadsheer-commissaris het volgende te kennen gegeven:
“Geachte raadsheer-commissaris,
Wij hebben informatie ingewonnen bij de politie over de getuigen (…) [getuige 2] . Wij hebben de politie gevraagd te checken of de getuige(n) inmiddels ergens staan ingeschreven of dat zij een adres of telefoonnummer hebben opgegeven bij de (toevallige) controle of dat er andere informatie over een van deze getuigen bekend is geworden. (…) [getuige 2] staat niet meer ingeschreven in Nederland sinds 2022. Van [getuige 2] is geen verblijfadres bekend en er zijn geen nieuwe registraties/mutaties opgemaakt waarin [getuige 2] voorkomt. (…)”
68. Een maand later heeft de raadsheer-commissaris de voorzitter van het hof het volgende bericht:
“Ten aanzien van de getuigen (…) [getuige 2] bericht ik u als volgt.
Op maandag 13 mei jl. kwam naar aanleiding van een verzoek van mijn zijde om nader geïnformeerd te worden een bericht binnen bij het kabinet met betrekking tot de getuigen (…) [getuige 2] . Uit het bericht volgt dat bij de politie in de systemen geen nieuwe informatie bekend is geworden met betrekking tot een verblijfplaats van de getuigen. Het bericht treft u voor de goede orde als bijlage aan. Uit het bericht is door één van de medewerkers van het kabinet de naam van een advocaat-generaal verwijderd.
Op woensdag 12 juni jl. heeft een medewerker van het kabinet ten aanzien van alle drie getuigen nogmaals het BRP en SKDB bevraagd. Dit leverde geen nieuwe informatie op.
Overigens is er met betrekking tot de betreffende getuigen geen informatie binnengekomen bij het kabinet.
De raadsheer-commissaris beschikt gezien het bovenstaande nog immer niet over voldoende aanknopingspunten om te kunnen overgaan tot oproeping van één of meer van de genoemde drie getuigen. (…)”
69. Het proces-verbaal van het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep d.d. 17 juni 2024 houdt, voor zover thans relevant, in:
“Het hof heeft op 13 juni 2024 twee e-mails ontvangen van de raadsheer-commissaris. Uit de eerste e-mail volgt dat er geen nieuwe informatie bekend is geworden over de verblijfplaatsen van getuigen (…) [getuige 2] . De raadsheer-commissaris beschikt daarom nog steeds niet over voldoende aanknopingspunten om te kunnen overgaan tot oproeping van één of meer van deze getuigen.”
70. Op 12 februari 2025 heeft het hof arrest gewezen. Het bestreden arrest houdt, met betrekking tot het verzoek tot het horen van [getuige 2] , het volgende in (onderstrepingen van mijn hand):

Op 22 november 2023 is verzocht om het horen als getuige van [getuige 2] . De belangrijkste reden om deze persoon te horen is gelegen in de verklaring van [verdachte] dat hij via [getuige 2] in contact is gekomen met een zekere [betrokkene 10] . [getuige 2] zou het contact van [verdachte] met [betrokkene 10] kunnen bevestigen en daarmee ook het bestaan van [betrokkene 10] .Het hof heeft het verzoek toegewezen op 8 december 2023 en daarbij bepaald dat de getuige in alle zaken diende te worden gehoord.
Van de getuige is geen verblijfplaats bekend geworden. Hij is uitgeschreven uit de Basisregistratie Personen onder vermelding van ‘vertrek naar het buitenland’, zonder dat bekend is naar welk land hij is vertrokken.Het raadplegen van de politiesystemen heeft niet geleid tot aanknopingspunten voor een verblijfplaats van de getuige. De verdediging heeft geen informatie verschaft en ook anderszins is geen informatie naar voren gekomen waaruit zou kunnen blijken dat de niet te traceren getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord. Het hof heeft daarom van de oproeping van de niet verschenen getuige afgezien op de grond dat het onaannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn (ter terechtzitting) zal verschijnen als bedoeld in artikel 288, eerste lid, aanhef en onder a, van het Wetboek van Strafvordering.
Voordat het hof uitspraak doet heeft het zich ervan vergewist dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces ondanks dat [getuige 2] niet als getuige is gehoord.De getuige is een zogenoemde ‘defence witness’ en geen getuige die al een voor [verdachte] belastende verklaring heeft afgelegd die het hof eventueel voor het bewijs zou kunnen gebruiken. Er is bovendien een goede reden dat de verdediging de getuige niet heeft kunnen bevragen: hij bleek ondanks de nodige inspanningen vanaf 8 december 2023 van de autoriteiten niet te traceren. Daarbij komt dat er geen aanwijzingen zijn dat de getuige uit eigen wetenschap iets zou kunnen verklaren over de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten. [45]
71. Daarnaast houdt het bestreden arrest onder meer in:

In hoger beroep heeft [verdachte] verklaard dat de gesprekken die zijn aangetroffen op zijn gegevensdragers afkomstig zijn van een ‘fixer’ waarvan hij de naam wel kent, maar niet wil noemen.Voorafgaand aan een tweede verhoor heeft [verdachte] een schriftelijke verklaring overgelegd waarin hij zegt dat de fixer [betrokkene 10] heet. Een achternaam wist hij niet en contactgegevens van [betrokkene 10] zouden zich niet op zijn telefoon bevinden.
Op de filmpjes van PGP-gesprekken is te zien dat ook na de zichtbare destructietijd van de berichten nog opnames van die berichten zijn gemaakt. Daaruit zou volgens [verdachte] zijn af te [plaats] dat manipulatie van de berichten mogelijk is.
Het hof verwerpt deze verweren.
Het bewijs waaruit volgt dat de onder [verdachte] inbeslaggenomen telefoons en gegevensdragers, met daarop de belastende (foto’s en films van) chatgesprekken en overige gegevens, daadwerkelijk aan [verdachte] toebehoren, is overtuigend en het verweer van [verdachte] biedt geen aanknopingspunten om hieraan te twijfelen. Uit de bewijsmiddelen volgt onmiskenbaar dat [verdachte] schuilgaat achter de PGP-namen ‘ [PGP-naam 1] / [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 2] ’, ‘ [PGP-naam 3] ’ en ‘ [PGP-naam 4] ’. [verdachte] heeft geen enkele concrete omstandigheid naar voren gebracht die tot een andere conclusie kan [plaats] .
De betekenis van de op de opnames vermelde destructietijd is niet duidelijk geworden. Wel blijkt uit de filmpjes dat er in één chat ook wel verschillende destructietijden worden gezien. De filmpjes waarop de gesprekken te zien zijn, hebben veelal bestandsnamen waarin de datum van de opname lijkt te zijn verwerkt. De opnames lijken telkens kort na de gevoerde gesprekken te zijn gemaakt en de inhoud past in veel gevallen bij andere gebeurtenissen rond het tijdstip van de gesprekken en de opnamen. Het hof vindt geen aanwijzingen dat de gesprekken geheel of gedeeltelijk zijn gemanipuleerd voordat zij zijn gefilmd.
Het verhaal over [betrokkene 10] is ongeloofwaardig.Het is slecht voorstelbaar dat [verdachte] niet zou beschikken over contactgegevens van [betrokkene 10] , met wie hij – als zijn verklaring juist is – toch intensief zou moeten hebben samengewerkt. Naar aanleiding van de summiere gegevens die [verdachte] heeft gegeven is onderzoek gedaan om [betrokkene 10] te identificeren en als getuige te horen. Niemand kent een [betrokkene 10] die voldoet aan de beschrijving die [verdachte] heeft gegeven. [verdachte] heeft bij de behandeling van zijn zaak op de zitting aangegeven dat hij, ook al heeft hij geen contactgegevens, [betrokkene 10] wel kan vinden als hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld. Bij pleidooi is vervolgens gemeld dat [betrokkene 10] in 2018 is overleden en dat de foto’s van zijn begrafenis zich in het dossier bevinden. In het dossier bevinden zich inderdaad foto’s van een begrafenis van een lid van [motorclub] en whatsappgesprekken die op de begrafenis van dat lid betrekking hebben. Die whatsappgesprekken zijn gevoerd tussen [verdachte] en een derde. Het is volstrekt onduidelijk waarom [verdachte] eerst aandringt op een zoektocht naar ‘ [betrokkene 10] ’, terwijl hij later aangeeft dat hij ervan op de hoogte was dat die persoon al in 2018 is overleden.Wat [verdachte] heeft gezegd over [betrokkene 10] is niet alleen ongeloofwaardig, maar ook tegenstrijdig.
Naar aanleiding van het verweer van [verdachte] heeft de politie nogmaals de opnames van de PGP-gesprekken afgespeeld om te zoeken naar aanwijzingen dat anderen dan [verdachte] betrokken zouden zijn bij het opnemen van de gesprekken. Die aanwijzingen zijn niet verkregen.Er is geen enkele aanwijzing dat de door [verdachte] bedoelde [betrokkene 10] bestaan heeft of dat een ander dan [verdachte] de gesprekken zou hebben opgenomen én zou hebben gevoerd. [46]
Een nadere omschrijving van het vijfde middel
72. Het middel komt met motiveringsklachten op tegen het oordeel dat het
“het onaannemelijk is dat de getuige ( [getuige 2] ) binnen een aanvaardbare termijn (ter terechtzitting) zal verschijnen”, en dat – ondanks dat deze getuige niet ter zitting is gehoord – het strafproces ‘eerlijk’, als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro, is geweest.
73. Volgens de toelichting op het middel had van het hof en het OM mogen worden verwacht dat zij meer hadden gedaan om de [getuige 2] te traceren. Zo zijn niet álle mogelijke stappen (met name de inzet van politie en aanvullende controles) onderzocht of besproken. [47] Dit geldt temeer nu [getuige 2] van wezenlijk belang was om het door de verdachte naar voren gebrachte (alternatieve) scenario over het bestaan van ‘ [betrokkene 10] ’ van een nadere onderbouwing te kunnen voorzien, aldus de steller van het middel. [48]
De bespreking van het vijfde middel
74. Nadat het hof op de zitting van 8 december 2023 ambtshalve had bepaald dat [getuige 2] óók in de zaak van de verdachte als getuige moest worden gehoord, heeft het hof (op de zitting van 12 februari 2025) afgezien van het oproepen van de niet-verschenen getuige op de grond dat het niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn – in het bijzijn van de verdediging en met gelegenheid tot het stellen van vragen – kan worden gehoord. Het hof heeft in zijn oordeel betrokken (i) dat van de getuige geen verblijfplaats bekend is geworden, nu hij is uitgeschreven uit de BRP onder vermelding van ‘vertrek naar het buitenland’, zonder dat bekend is geworden waarheen, (ii) dat het raadplegen van de politiesystemen niet heeft geleid tot aanknopingspunten voor een verblijfplaats van de getuige, (iii) dat de verdediging geen informatie heeft verschaft en ook anderszins geen informatie naar voren is gekomen waaraan kan worden ontleend dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord.
75. Ik acht het oordeel dat het niet aannemelijk is dat de getuige binnen een aanvaardbare termijn kan worden gehoord, niet onbegrijpelijk. [49] Daarbij heb ik in aanmerking genomen dat (onder leiding van de raadsheer-commissaris) uiteenlopende inspanningen zijn verricht om een ondervragingsmogelijkheid van de [getuige 2] te realiseren. Daartoe is de politie ook gevraagd na te gaan of zij beschikte over andere (niet in de BRP en SKDB opgenomen) informatie die van belang kon zijn voor het achterhalen van de woon- of verblijfplaats van de getuige (zie onder randnummers 65, 67 en 68). De [getuige 2] is echter – ondanks herhaalde pogingen daartoe – niet traceerbaar gebleken. De verdediging heeft verder geen informatie verschaft over de vindplaats van deze getuige, terwijl ook het dossier geen (andere) aanknopingspunten biedt voor de woon- of verblijfplaats van de getuige. [50]
76. Verder acht ik ook het oordeel dat het proces – ondanks dat de [getuige 2] niet in aanwezigheid van de verdediging kon worden gehoord – als geheel ‘eerlijk’ is geweest, niet onbegrijpelijk. Het hof mocht hierbij de relevantie en het belang van de verklaring van [getuige 2] betrekken. Het hof heeft in dit verband mogen aannemen dat er geen aanwijzingen zijn dat de getuige (een zogeheten
defence witness) uit eigen wetenschap iets zou kunnen verklaren over de aan de verdachte ten laste gelegde feiten. Het gaat immers om een getuige die (volgens de verdediging) het door de verdachte naar voren gebrachte (alternatieve) scenario over het bestaan van ‘ [betrokkene 10] ’ van een nadere onderbouwing zou kunnen voorzien. Het hof heeft dit scenario echter – m.i. op geenszins onbegrijpelijke gronden – als
“ongeloofwaardig”terzijde geschoven (zie onder randnummer 71) en naar mijn inzicht ook terzijde
kunnenschuiven, ongeacht wat [getuige 2] over deze ‘ [betrokkene 10] ’ zou hebben verklaard.
77. Het vijfde middel faalt.
Het zesde middel
78. Het zesde middel gaat over de identificatie van de verdachte als gebruiker van verschillende cryptocommunicatie-accounts. Het middel houdt in dat het hof niet in het bijzonder de redenen heeft opgegeven waarom het is afgeweken van een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt over ‘de veredeling’ van de toestellen die aan de verdachte te koppelen zouden zijn.
De voor het zesde middel relevante delen van de processtukken
79. De steller van het middel citeert in de toelichting op het middel onderdeel III van de pleitnota die de verdediging ter terechtzitting in hoger beroep heeft voorgedragen (zie p. 20 tot en met 29 van de pleitnota). De strekking van het geciteerde verweer is dat niet buiten redelijke twijfel valt vast te stellen dat de verdachte gedurende de relevante periodes schuilging achter de PGP-namen ‘ [PGP-naam 2] ’, ‘ [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 3] ’ en ‘ [PGP-naam 4] ’. [51]
80. Het oordeel van het hof dat de verdachte wel de gebruiker was van de genoemde accounts steunt op de in bijlage 3 opgenomen bewijsmiddelen. Het arrest bevat daarnaast de volgende bewijsoverwegingen:

6.3.1 Conclusies veredelingen en identificaties
Het hof heeft op basis van de bewijsmiddelen en conclusies die zijn opgenomen in bijlage 3 onder meer de volgende veredelingen van PGP-namen en bijnamen vastgesteld.
[verdachte]
[verdachte] is de persoon die schuilging achter de PGP-namen:
-
‘ [PGP-naam 2] ’ (tussen 18 en 20 februari 2017);
-
‘ [PGP-naam 1] / [PGP-naam 1] ’;
-
‘ [PGP-naam 3] ’;
-
‘ [PGP-naam 4] ’;
-
NN2 ( deelonderzoek Goudvink ).
De verdediging van [verdachte] heeft aangevoerd dat de nodige behoedzaamheid moet worden betracht bij het trekken van conclusies over de gebruikers van de PGP-berichten. De werking van de chatapplicatie, het feit dat de toestellen en namen aantoonbaar wisselden en het feit dat het dossier niet de volledige chatgeschiedenis bevat, maken dat uiteindelijk slechts een beperkt beeld is verkregen. De aanwijzingen die uit dit beperkte beeld zijn verkregen, zijn onvoldoende om buiten redelijke twijfel vast te stellen dat [verdachte] gedurende de genoemde periodes schuilging achter de PGP-namen ‘ [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 2] ’, ‘ [PGP-naam 3] ’ en ‘ [PGP-naam 4] ’. In ieder geval kan niet zonder meer worden vastgesteld dat het de volledige periodes betrof. Meer in het bijzonder heeft de verdediging van [verdachte] aangevoerd dat het onder [verdachte] aangetroffen materiaal het resultaat is van research voor zijn werk als documentairemaker en dat hij dus niet degene hoeft te zijn die schuilging achter de genoemde PGP-namen.
In hoger beroep heeft [verdachte] verklaard dat de gesprekken die zijn aangetroffen op zijn gegevensdragers afkomstig zijn van een ‘fixer’ waarvan hij de naam wel kent, maar niet wil noemen. Voorafgaand aan een tweede verhoor heeft [verdachte] een schriftelijke verklaring overgelegd waarin hij zegt dat de fixer [betrokkene 10] heet. Een achternaam wist hij niet en contactgegevens van [betrokkene 10] zouden zich niet op zijn telefoon bevinden.
Op de filmpjes van PGP-gesprekken is te zien dat ook na de zichtbare destructietijd van de berichten nog opnames van die berichten zijn gemaakt. Daaruit zou volgens [verdachte] zijn af te leiden dat manipulatie van de berichten mogelijk is.
Het hof verwerpt deze verweren.
Het bewijs waaruit volgt dat de onder [verdachte] inbeslaggenomen telefoons en gegevensdragers, met daarop de belastende (foto’s en films van) chatgesprekken en overige gegevens, daadwerkelijk aan [verdachte] toebehoren, is overtuigend en het verweer van [verdachte] biedt geen aanknopingspunten om hieraan te twijfelen. Uit de bewijsmiddelen volgt onmiskenbaar dat [verdachte] schuilgaat achter de PGP-namen ‘ [PGP-naam 1] / [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 2] ’, ‘ [PGP-naam 3] ’ en ‘ [PGP-naam 4] ’. [verdachte] heeft geen enkele concrete omstandigheid naar voren gebracht die tot een andere conclusie kan leiden .
De betekenis van de op de opnames vermelde destructietijd is niet duidelijk geworden. Wel blijkt uit de filmpjes dat er in één chat ook wel verschillende destructietijden worden gezien. De filmpjes waarop de gesprekken te zien zijn, hebben veelal bestandsnamen waarin de datum van de opname lijkt te zijn verwerkt. De opnames lijken telkens kort na de gevoerde gesprekken te zijn gemaakt en de inhoud past in veel gevallen bij andere gebeurtenissen rond het tijdstip van de gesprekken en de opnamen. Het hof vindt geen aanwijzingen dat de gesprekken geheel of gedeeltelijk zijn gemanipuleerd voordat zij zijn gefilmd.
Het verhaal over [betrokkene 10] is ongeloofwaardig. Het is slecht voorstelbaar dat [verdachte] niet zou beschikken over contactgegevens van [betrokkene 10] , met wie hij – als zijn verklaring juist is – toch intensief zou moeten hebben samengewerkt. Naar aanleiding van de summiere gegevens die [verdachte] heeft gegeven is onderzoek gedaan om [betrokkene 10] te identificeren en als getuige te horen. Niemand kent een [betrokkene 10] die voldoet aan de beschrijving die [verdachte] heeft gegeven. [verdachte] heeft bij de behandeling van zijn zaak op de zitting aangegeven dat hij, ook al heeft hij geen contactgegevens, [betrokkene 10] wel kan vinden als hij daartoe in de gelegenheid wordt gesteld. Bij pleidooi is vervolgens gemeld dat [betrokkene 10] in 2018 is overleden en dat de foto’s van zijn begrafenis zich in het dossier bevinden. In het dossier bevinden zich inderdaad foto’s van een begrafenis van een lid van [motorclub] en whatsappgesprekken die op de begrafenis van dat lid betrekking hebben. Die whatsappgesprekken zijn gevoerd tussen [verdachte] en een derde. Het is volstrekt onduidelijk waarom [verdachte] eerst aandringt op een zoektocht naar ‘ [betrokkene 10] ’, terwijl hij later aangeeft dat hij ervan op de hoogte was dat die persoon al in 2018 is overleden. Wat [verdachte] heeft gezegd over [betrokkene 10] is niet alleen ongeloofwaardig, maar ook tegenstrijdig.
Naar aanleiding van het verweer van [verdachte] heeft de politie nogmaals de opnames van de PGP-gesprekken afgespeeld om te zoeken naar aanwijzingen dat anderen dan [verdachte] betrokken zouden zijn bij het opnemen van de gesprekken. Die aanwijzingen zijn niet verkregen. Er is geen enkele aanwijzing dat de door [verdachte] bedoelde [betrokkene 10] bestaan heeft of dat een ander dan [verdachte] de gesprekken zou hebben opgenomen én zou hebben gevoerd.
Dat het ook [verdachte] is die daadwerkelijk deelnemer is aan de op de gegevensdragers gevoerde chats met de namen ‘ [PGP-naam 1] / [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 2] ’, ‘ [PGP-naam 3] ’ en ‘ [PGP-naam 4] ’ volgt eveneens overtuigend uit de bewijsmiddelen, zodat het verweer van [verdachte] al door de gebruikte bewijsmiddelen wordt weersproken.
Het hof betrekt daarbij in het bijzonder ook de omstandigheid dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de gebruiker van de PGP-naam ‘ [PGP-naam 1] ’ zichzelf ‘ [bijnaam 1] ’ noemt, ‘baas van de [groep] en een grote motorclub’ en van zichzelf ook meldt dat hij uit ‘ [plaats] ’ komt en dat onder meer ‘ [verdachte] ’ zijn naam is. [verdachte] heeft ter terechtzitting nog de suggestie gewekt dat iemand anders zich mogelijk op deze wijze heeft voorgedaan als [verdachte] , maar hiervoor is geen enkele aanwijzing in het dossier te vinden en bovendien wijzen ook de andere gebruikte bewijsmiddelen ieder voor zich en in onderling verband naar [verdachte] als de gebruiker van de accountnaam ‘ [PGP-naam 1] ’. [verdachte] heeft erkend dat hij degene is die de opnames van de PGP-gesprekken heeft gemaakt. Ten slotte betrekt het hof hierbij de conclusies van het onderzoek naar de schrijfstijl van de berichten van de genoemde PGPnamen. Het hof neemt die conclusies over. De conclusie uit het rapport luidt dat de (overeenkomende) kenmerken in schrijfstijl veel waarschijnlijker zijn als [verdachte] de auteur is van de gefilmde en gefotografeerde berichten van ‘ [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 2] ’ en ‘ [PGP-naam 3] ’ dan als iemand anders de auteur is en dat zij waarschijnlijker zijn als [verdachte] de auteur is van de berichten van ‘ [PGP-naam 4] ’ dan als iemand anders de auteur is.
In het licht van de gebruikte bewijsmiddelen lijdt het geen twijfel dat [verdachte] telkens degene is die schuilging achter de accountnamen ‘ [PGP-naam 1] / [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 2] ’ (in de periode 1820 februari 2017), ‘ [PGP-naam 3] ’ en ‘ [PGP-naam 4] ’ op het moment dat door [verdachte] de opnames werden gemaakt van de chats die onder deze accountnamen met anderen werden gevoerd.
De toelichting op het zesde middel
81. De verdediging heeft ter zitting in hoger beroep diverse argumenten naar voren gebracht waarop het hof niet is ingegaan. Die argumenten worden ook niet door de bewijsmiddelen weerlegd. Bovendien gaat het niet om details waarop het hof niet hoefde in te gaan. Het is de steller van het middel te doen om de volgende punten uit het betoog van de verdediging:
- Uit een chatgesprek tussen ‘ [PGP-naam 3] ’ en een ander blijkt dat ‘ [PGP-naam 3] ’ in Suriname is of zal zijn, terwijl de verdachte sinds 1973 niet meer in Suriname is geweest.
- Anders dan door de politie werd aangenomen, konden de berichten waarvan opnames zijn gemaakt wel degelijk meer dan twee uur worden bewaard.
- Over de aanmaakdata van de account ‘ [PGP-naam 1] ’ kan getwijfeld worden.
- De verdachte filmde de berichten omdat hij documentairemaker is.
- In het onderzoek Eris is voorgekomen dat een PGP-toestel (op verschillende momenten) door de politie aan diverse verdachten werd toegeschreven.
- De gefilmde berichten waren slechts momentopnamen. Wat er daarvoor en later is verstuurd is onduidelijk.
- Voor de analyse van het NFI zijn te weinig berichten als referentiemateriaal gebruikt.
- Als wordt uitgegaan van de toeschrijving van de cryptocommunicatie-namen door het OM, dan zouden twee verschillende personen dezelfde informatie – dus onnodig – hebben toegestuurd aan de verdachte. Dat past niet bij de reactie op dat tweede (herhaalde) bericht (“
ok mooi”).
- De aanwijzingen dat de verdachte schuilging achter de genoemde accounts zijn in ieder geval onvoldoende om bij de verschillende accounts voor de gehele relevante periode zekerheid te geven.
De bespreking van het zesde middel
82. Het hof heeft het verweer van de verdediging begrepen als een uitdrukkelijk onderbouwd standpunt in de zin van artikel 359 lid Pro 2, tweede volzin, Sv. Het hof heeft het verweer namelijk expliciet weerlegd met een aanvullende overweging waarin is uiteengezet dat en waarom het – gelet op de gebezigde bewijsmiddelen en conclusies, zoals opgenomen in bijlage 3 van het arrest – van oordeel is dat de verdachte degene is geweest die schuilging achter de genoemde cryptocommunicatie-namen.
83. Het hof is van oordeel dat de verdachte de persoon was die de berichten heeft verstuurd met de cryptocommunicatie-namen ‘ [PGP-naam 2] ’, ‘ [PGP-naam 1] / [PGP-naam 1] ’ [52] , ‘ [PGP-naam 3] ’ en ‘ [PGP-naam 4] ’, te zien in de in het dossier beschikbare opnames van cryptocommunicatie-gesprekken. Het hof heeft dat (samengevat) als volgt gemotiveerd:
- Onder de verdachte zijn verschillende gegevensdragers in beslag genomen, waarvan de verdachte de gebruiker was. [53] Op die gegevensdragers trof de politie filmpjes en foto’s aan van toestellen waarop cryptocommunicatie-gesprekken zijn te zien. De houder van de gefilmde toestellen verstuurde in die gesprekken chatberichten onder de genoemde cryptocommunicatie-accountnamen. [54] De verdachte heeft erkend dat hij die opnames heeft gemaakt.
- De filmpjes waarop de gesprekken te zien zijn, hebben veelal bestandsnamen waarin de datum van de opname lijkt te zijn verwerkt. De opnames lijken telkens kort na de gevoerde gesprekken te zijn gemaakt en de inhoud past in veel gevallen bij andere gebeurtenissen rond het tijdstip van de gesprekken en de opnamen.
- Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de gebruiker van de cryptocommunicatie-naam ‘ [PGP-naam 1] ’ zichzelf ‘ [bijnaam 1] ’ noemt en ‘de baas van de [groep] en een grote motorclub’. Ook meldt hij van zichzelf dat hij uit ‘ [plaats] ’ komt. Verder noemt de gebruiker van deze account zichzelf ‘ [verdachte] ’. Dat past bij wat het hof op basis van de rest van het bewijs vaststelt over de verdachte. [55] De kroongetuige heeft verklaard dat de verdachte gebruikmaakte van de cryptocommunicatie-account ‘ [PGP-naam 1] ’. [56]
- Onderzoek naar de schrijfstijl van de berichten afkomstig van de genoemde cryptocommunicatie-accountnamen wijst uit dat de (waargenomen) kenmerken in die berichten ‘veel waarschijnlijker’ zijn als de verdachte de auteur is van de gefilmde en gefotografeerde berichten van ‘ [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 1] ’, ‘ [PGP-naam 2] ’ en ‘ [PGP-naam 3] ’ dan als iemand anders de auteur is en dat zij ‘waarschijnlijker’ zijn als de verdachte de auteur is van de berichten van ‘ [PGP-naam 4] ’ dan als iemand anders de auteur is. [57]
84. In hoger beroep is door en namens de verdachte een alternatief scenario ingebracht, namelijk dat hij een documentaire wilde maken en dat hij voor dat doel (gefingeerde) gesprekken ontving van ene [betrokkene 10] (een ‘fixer’). Daarmee hebben de verdachte en zijn advocaten willen verklaren hoe het kan dat de verdachte opnames van de gesprekken had, zonder zelf de gebruiker van de accounts te zijn geweest. De verklaringen van de verdachte daarover heeft het hof echter als ongeloofwaardig aangemerkt. Dat oordeel wordt in cassatie niet bestreden, zodat daarvan moet worden uitgegaan.
85. Met het bovenstaande heeft het hof toereikend gemotiveerd dat de verdachte de gebruiker was van de cryptocommunicatie-accounts op het moment dat de in de opnames zichtbare gesprekken werden gevoerd. Het hof heeft ook voldoende uitgelegd waarom is afgeweken van het tegengestelde standpunt van de verdediging. Dat het hof niet op elk argument is ingegaan, maakt dat niet anders. Daarvoor wegen de opgesomde feiten te zwaar en zijn de argumenten van de verdediging niet sterk genoeg. [58]
86. Het zesde middel faalt.
Het zevende middel
87. Het zevende middel komt op tegen (de motivering van) de bewezenverklaring van het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [slachtoffer 3] (deelonderzoek Barbera ) en het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] (deelonderzoek Arford ). In het bijzonder wordt het volgende aangevochten:
(i) het oordeel in het deelonderzoek Barbera dat het in de bewezenverklaring genoemde PGP-toestel bestemd was tot het begaan van het misdrijf;
(ii) het oordeel in het deelonderzoek Barbera dat de verdachte samen met anderen de gestolen Volkswagen Caddy voorhanden heeft gehad;
(iii) het oordeel in het deelonderzoek Arford dat de verdachte samen met anderen de gestolen auto’s en vuurwapens voorhanden heeft gehad.
De bewezenverklaring en bewijsvoering voor zover relevant voor de bespreking van het zevende middel
88. Ten laste van de verdachte is bewezen verklaard dat hij:

3. Meest subsidiair:
op 9 maart 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op die man uit [plaats] ( [slachtoffer 3] ) (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 Wetboek Pro van Strafrecht oplevert), opzettelijk een informatiedrager en een vervoermiddel, te weten
-
een gestolen auto en
-
een PGP-telefoon
bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad;
4. Meest subsidiair:
in de periode van 16 maart 2017 tot en met 17 maart 2017 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) ter voorbereiding van het misdrijf waarop naar de wettelijke omschrijving een gevangenisstraf van acht jaren of meer is gesteld, te weten moord op [slachtoffer 4] en/of [slachtoffer 5] (hetgeen een misdrijf genoemd in artikel 289 van Pro het Wetboek van Strafrecht oplevert), opzettelijk voorwerpen en vervoermiddelen, te weten:
-
vuurwapens en
-
gestolen auto’s
bestemd tot het begaan van dat misdrijf, voorhanden heeft gehad”.
89. Het hof heeft zijn oordeel dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [slachtoffer 3] en het medeplegen van voorbereidingshandelingen die strekten tot de moord op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] , doen steunen op de bewijsmiddelen zoals vermeld in bijlage 4 van het arrest, [59] waarvan in het bijzonder de volgende:

5. BARBERA
5.1.
De chatberichten en telecomgegevens van 4 maart 2017 tot en met 12 april 2017
(…)
Proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2021, (…)
[naam 1] – unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [verdachte] )
Veronderstelde datum : 5 en 6 maart 2017
Tijdstip
[PGP-naam 1]
[PGP-naam 5] .
21.31
Goedemiddag [PGP-naam 9] zouden jullie die man in [plaats] willen doen??
22.24
Ja tuurlijk mijn broer
Proces-verbaal van bevindingen van 7 juni 2020, (…)
Naar aanleiding van de aangetroffen PGP-chatberichten van 9 maart 2017 zijn de historische verkeersgegevens telefonie van de volgende verdachten geanalyseerd en is er een schema van contacten tussen 4 en 10 maart 2017 opgenomen. De PGP-berichten en de andere telefonische contacten worden hieronder chronologisch weergegeven.
(…)
9 maart 2017
Tijdstip
Afzender
Manier
Ontvanger
Bericht
0.22
[betrokkene 12] (0852)
voicebericht
[betrokkene 13] (3742)
Hé ben je er al? Gozer zeg me als ie er bent.
0.4
[betrokkene 12] (0852)
voicebericht
[betrokkene 13] (3742)
Hé broer heb ik je die sleutel ook gegeven? Die sleutel?
1.26
[betrokkene 13] (3742)
Appt
[betrokkene 12] (0852)
G i have the key
1.26
[betrokkene 13] (3742)
voicebericht
[betrokkene 12] (0852)
Hé broer ik kijk nu pas op mijn telefoon.
Ik was al langer dan een uur geleden in [plaats] . ja toch. Die sleutels heb ik... alles... ja toch.
Ik ben thuis.
Ik spreek je, ja toch.
Hood night.
(…)
8.5
[betrokkene 12] (0852)
Appt
[betrokkene 13] (3742)
Als er gevraagd word I got the key
(…)
10.38
[betrokkene 12] (0852)
Voicebericht
[betrokkene 13] (3742)
Hé G, je kan gewoon voor parkeren, weetje.
Mij appen als je er bent, gewoon daar bij die eh. ..
Nee... gewoon parkeren en naar me toekomen. Even naar me toekomen
(…)
20.28
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
(…) [PGP-naam 9] , het kan zijn dat hij daar eerder is om te kijken weet maar nooit. Het blijft een rat
20.41
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Hij s er
(…)
20.42
[verdachte] (1974)
belt
[betrokkene 12] (0852)
WhatsApp call 32 sec
20.42
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
(…) Hy is er [PGP-naam 9] hy is er!!!!!!!!!
(…) Nee 9 u exact loop ik binnen
20.43
[verdachte] (1974)
belt
[betrokkene 12] (0852)
WhatsApp call 45 sec
(…)
20.47
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
(…) Dus hy staat daar gewoon [PGP-naam 9] 9uur gaat ie na binnen dus als ze zyn auto zien hem erin doen drect
(…) Nee [PGP-naam 9] heb u allang gezegt het is een rat gaat eerder komen boel checken!!!
20.47
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
(…) Dus laat heads goed kyken hy moet daar zyn nu in auto [PGP-naam 9] 9uur gaat ie na binnen
20.47
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Zien nog niets
20.48
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
(…) Nee 9uur exact loop ik binnen
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
(…) Nee 9uur exact loop ik binnen!!!!!!!! Dat zegt hy [PGP-naam 9] en stoer gewapend hahaha
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Is hij binnen
20.49
[verdachte] (1974)
belt
[betrokkene 12] (0852)
WhatsApp call 0 sec
20.52
[verdachte] (1974)
belt
[betrokkene 12] (0852)
WhatsApp call 2.11 min
20.54
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Nee 21u exact loopt ie binnen zegt ie focus hij is daar in de buurt
20.54
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Laat ze ready staan
(…)
20.54
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Veel popo
20.55
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Broer ze rijden heen en weer
(…)
20.55
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Reden langzaam bij bus net
(…)
20.55
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
(…) Oké [PGP-naam 9] good luck want hy is daar kan gewoon niet missen nu
20.55
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Zien nog niets
20.56
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Hmm ok ook
20.57
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Ja hij s al daar bro
20.57
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Nee
20.57
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Niet binnen geweest
20.57
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Wat zegt [betrokkene 23]
20.57
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Dat ze binnen zijn
20.58
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
(…) Spijker broek zwarte sweather en pet
20.59
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Nee zijn niet binnen brer lees goed 21u exact looppt ie na binenn stuur ik je net door bro
20.59
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
En kleding
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Ja maar is (niet leesbaar)
21
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Ze kunnen niet te lang meer staan broer. […] is a twee x Iangsgereden pfffff
21
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Sta ready
21
[verdachte] (1974)
belt
[betrokkene 12] (0852)
WhatsApp call 0 sec
21
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Jaa doen ze
21.01
[verdachte] (1974)
belt
[betrokkene 12] (0852)
WhatsApp call 0 sec
21.02
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Ja dan focus die man komt daar 21u was afspraak dus kan niet weggaan bro
21.02
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Nee
21.03
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Nee doen ze niet maar ik zeg je is hot hot
21.03
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Dan weet je
21.04
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Ok
21.04
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Maar rijden ze 3de x gaan ze moeten verplaatsen mijn broer
21.05
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Ok bro
(…)
21.06
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Deze mannn
21.06
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Hij is koppig
21.06
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Hij speelt echt
21.06
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Is al 21.06
21.06
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Maar ik zeg ze moeten timeren
21.07
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Ja dan kan 1 uitstappen en hem wachten
(…)
21.08
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Ja in bos
21.08
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
(…)
Stuur is foto van ingang van café
21.08
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
(…) Hé deze kanker heads zitten te kanker deze man gaat zo we gen weer niks hy is daar al 25 min
Kijk waar die wagi staat dan
21.09
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Dicht???
21.09
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Ze zitten ervoor in bus bradda
(…)
21.1
[verdachte] (1974)
belt
[betrokkene 12] (0852)
WhatsApp call 0 sec
21.1
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Slaat hij nu ervoor bradda
21.11
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Die man flipt de pan uit laat ze rijden en mazda zieken want man gaat max 10 min weg
21.11
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Jaaa
21.11
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Waar staat hij broer vragen ze
21.12
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Ze rijden nu door de wijk
(…)
21.13
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Is die café gesloten of niet broe
21.13
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Dat weet ik niet moeten hun kijken
21.13
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Ze gaan nu
21.13
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Bradda geef me even
21.14
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Kijk na mazda tent is gwn fucking gelsoten gaan problemen krijgen bro hoe kunnen jullie dit niet goed uitzoeken man ff serieus
(…)
21.14
[betrokkene 12] (8552) [het hof begrijpt: 0852]
belt
[verdachte] (1974)
WhatsApp call 0 sec
21.15
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Hij is al die tijd open
21.15
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Ze zoeken hem nu broer
21.15
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Wacht ik stuur iemand anders voor foto
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Is die café (onleesbaar)
21.16
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Ok je hoort me niet meer
21.16
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Bradda even
(…)
21.17
[verdachte] (1974)
belt
[betrokkene 12] (0852)
WhatsApp call 2.02 min
21.18
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Ok
21.18
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Broertr
21.18
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Die man liegt
21.18
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Is open open
21.18
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
[betrokkene 23] speelt
21.18
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Broer
21.18
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Dit is fout
(…)
21.19
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Cagfe is open
(…)
21.2
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Nu kammen ze de hele buurt uit
(…)
21.21
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
En 1 man is nu nu voor
21.21
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Moment
21.21
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Nu
21.21
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Ik zeg je [betrokkene 23] klopt niet
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
(…) […] bro ik ben weg hier laat hem maar straks [plaats] of [plaats] na 12 uur komen
21.21
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Bradda […] mi klopt niet
21.23
[PGP-naam 5]
PGP
[PGP-naam 1]
Ja moment. Wacht op reactie
21.23
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Ik stuur heads naar binnen
(…)
21.26
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Deze […] man
21.26
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
En auto was ook nergens
21.26
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Hele buurt geraced
21.26
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Wacht ik stuur heads op foto te maken
21.27
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Deze man weet iets denk ik
21.27
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Want hij speelt
21.27
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
[betrokkene 23] moest mee
21.27
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Ik haal mannen nu daar weg
(…)
21.31
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
[PGP-naam 5] ze kunnen niet blijven ik stuur ze weg
(…)
21.32
[verdachte] (1974)
Belt
[betrokkene 12] (0852)
[PGP-naam 1]
PGP
[PGP-naam 5]
Ze komen (onleesbaar)
(…)
5.4.
De bestelbus in bezit van [betrokkene 12] en [betrokkene 13] op 17 maart 2017
Proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 8 maart 2017, (…)
Plaats delict : [plaats]
Pleegdatum/tijd : Tussen dinsdag 7 maart 2017 te 23.00 uur en woensdag 8 maart 2017 te 06.45 uur
Op 8 maart 2017 (...) deed bij mij, verbalisant, telefonisch aangifte, een persoon die mij opgaf te zijn:
Achternaam : [aangever]
Voornamen : [aangever]
Hij deed aangifte en verklaarde het volgende (...):
Ik ben eigenaar van een bedrijfsauto van het merk Volkswagen, type Caddy, (...) zilver van kleur, voorzien van [kenteken 1] .
Op dinsdag 7 maart 2017 omstreeks 23:00 uur heb ik de bedrijfsauto geparkeerd (...) te [plaats] op een openbare weg.
Toen ik op woensdag 8 maart 2017 omstreeks 06:45 uur de bedrijfsauto weer in gebruik wilde nemen zag ik dat deze door onbekende(n) was weggnomen.
Bijlage goederen
Voertuig : Bestelauto
Merk/type : Volkswagen Caddy
Kleur : Zilverkleurig
Chassisnummer : […]
Proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 3017, (…)
Op 17 maart 2017 (...) bevonden wij, verbalisanten, ons (...) te [plaats] .
Omstreeks 15.45 uur hoorden wij, verbalisanten, dat er drie personen op [e-straat] in een zwarte Renault Clio zijn gestapt en wegreden in de richting van de [d-straat] .
Wij hebben het voertuig (...) een stopteken gegeven.
Ik (...) maakte contact met de bestuurder [betrokkene 2] .
Ik (...) trok middels mijn diensttelefoon de persoonsgegeven van [betrokkene 2] (...) na (…).
De bijrijder bleek als volgt te zijn genaamd:
[betrokkene 13] .
De persoon welke achter de bijrijder zat bleek als volgt te zijn genaamd:
[betrokkene 12] .
(…)
Tijdens de insluitingsfouillering van [betrokkene 13] trof ik (...) een autosleutel van het merk Volkswagen aan.
Proces-verbaal van bevindingen van 17 maart 2017, (…)
Ik, verbalisant, had op 17 maart 2017 (...) een onderzoek ingesteld op een parkeerplaats aan [e-straat] te [plaats] .
Wel zag ik een grijze Volkswagen Caddy met [kenteken 2] achteruit ingeparkeerd staan (...). Dit voertuig stond geparkeerd naast het voertuig met [kenteken 3] , waar de drie verdachten eerder in weggereden waren.
Op 17 maart 2017 (...) hoorde ik (...) dat er tijdens de veiligheidsfouillering van verdachte [betrokkene 13] een Volkswagen sleutel aangetroffen was.
Ik (...) legde meteen de link aan de Volkswagen Caddy met [kenteken 2] , welke geparkeerd stond op het parkeerterrein [e-straat] . Ik ben onmiddellijk (...) naar het parkeerterrein [e-straat] gereden.
Ik zag dat het voertuig reageerde op het indrukken van de sleutelknop.
Ter plaatse heeft collega (...) het chassisnummer […] van de genoemde Volkswagen Caddy, welke zichtbaar was vanuit de voorruit, gecontroleerd (…).
Proces-verbaal van bevindingen van 30 maart 2017, (…)
Op 22 maart 2017 heb ik, verbalisant, (...) een onderzoek verricht aan het hierna genoemde inbeslaggenomen voertuig.
Merk/type: Volkswagen Caddy
Chassisnummer: […]
Ik (...) zag dat het voertuig was voorzien van een geïntegreerd multimedia- en navigatiesysteem (...). Ik zag dat in het navigatiesysteem ingevoerde bestemmingen waren opgeslagen en dat het mogelijk was om door deze lijst te scrollen/bladeren.
De lijst met ingevoerde bestemmingen is bijgevoegd aan dit proces-verbaal als ‘bijlage 1’. De laatst ingevoerde bestemming staat in deze lijst bovenaan.
Bijlage 1
Ingevoerde bestemmingen uit het navigatiesysteem (...)
NEDERLAND
[plaats]
[f-straat]
Proces-verbaal van aangifte van [aangever] van 29 maart 2017, (…)
Op 29 maart 2017 (...) verscheen voor mij, verbalisant, (...) een persoon die mij opgaf te zijn:
Achternaam : [aangever]
Voornamen : [aangever]
Hij deed aangifte en verklaarde het volgende (...):
Mijn bedrijfsauto voorzien van [kenteken 1] was op 8 maart 2017 gestolen en is door u teruggevonden.
U laat mij twee lijsten zien met hierop ingevoerde bestemming van het navigatiesysteem van mijn auto. Eigenlijk kan ik mij op de eerste lijst alleen de eerste bestemming [f-straat] in [plaats] niet herinneren. De andere heb ik ingevoerd.
Proces-verbaal van bevindingen van 9 oktober 2018, (…)
Café [B] is gevestigd aan de [f-straat 1] te [plaats] .
Proces-verbaal van verhoor getuige [kroongetuige] van 15 januari 2018, (…)
A: Van [medeverdachte 1] [het hof begrijpt: [medeverdachte 1] ] heb ik gehoord dat hij foto’s moest maken van café [C] of [B] aan de [f-straat] te [plaats] .
A: Ik heb er toen lange tijd niets over gehoord. Daarna heb ik [verdachte] een keer gevraagd waarom [medeverdachte 1] foto’s moest maken. [verdachte] zei dat ze iemand gelokt hadden daarheen voor een liquidatie. Dat was mis gegaan. De mensen van [verdachte] waren te laat gekomen. Daarna had [medeverdachte 1] foto’s gemaakt en die hadden ze gebruikt om aan te tonen dat het slachtoffer niet was komen opdagen.
Later ben ik vast komen te zitten in [plaats] en toen kwam ik [betrokkene 13] tegen. Hij beaamde mij toen dat ze een liquidatie moesten doen (...) en dat ze te laat waren gekomen door zijn schuld. [betrokkene 13] was toen met [betrokkene 15] en [betrokkene 16] .
Proces-verbaal van verhoor getuige [kroongetuige] van 7 mei 2019, (…)
V: Wat legde [verdachte] jou dan uit?
A: Ja, toentertijd hadden wij een gesprek, ik weet niet meer precies, toen vertelde hij mij, dat er een liquidatie moest plaatsvinden.
V: Moest die nog plaatsvinden?
A: Ja, daar zou op dat moment een liquidatie moeten plaatsvinden, alleen die jongens waren laat. Maar eigenlijk is de liquidatie niet doorgegaan, wat ik dan begrepen heb, vanuit meerdere mensen uiteindelijk, is dat ze gewoon te laat waren.
V: Want jij zegt, daar heb ik naar gevraagd bij hem?
A: Ja, daar heb ik het met hem over gehad. En ik heb het ook van ehh... ja... hoe heet hij nou... van [betrokkene 13] . .. [betrokkene 13] heb ik ook nog een keer gesproken in detentietijd en die vertelde mij, dat ze te laat waren door hém. En dat daardoor die liquidatie niet plaatsgevonden had.
V: Hoe reageerde [verdachte] daarop?
A: (...) en toen heeft hij mij verteld, van exact... er was een liquidatie bezig, alleen die jongens waren te laat en er waren al wat foutjes gemaakt, zei-die, met vorige acties, waar ze mee bezig waren, dus hij zegt, het kwam niet sterk over, dus we moesten laten zien, dat we er waren en dus heb ik het verhaal gedraaid, dat die persoon zeg maar, niet op is komen dagen, maar eigenlijk waren ze gewoon te laat.
V: Wie waren te laat?
A: Nou ja, hij heeft mij nooit verteld wie... alleen ik heb zelf van [betrokkene 13] begrepen, dat hij te laat was, dat het door hém kwam. En wat ik van hem begrepen heb, was dat met [betrokkene 16] en [betrokkene 15] .
V: En dat heb je weer van [betrokkene 13] ?
A: Dat heb ik van [betrokkene 13] ja.
Proces-verbaal ter terechtzitting van de rechtbank Midden-Nederland van 1 oktober 2021, waarin is opgenomen als verklaring van verdachte [betrokkene 13] :
De oudste rechterbevraagt verdachte [betrokkene 13] (…).
Heeft u ooit met de kroongetuige gesproken over dat u te laat was in [plaats] ?
Ja, dat was bij het eerste gesprek met meneer [kroongetuige] in de PI.
Hoe ging dat gesprek?
Hij begon ermee van heb je het gehoord of gezien. Ik weet niet precies hoe hij dat heeft benoemd, maar over die moord op [bijnaam 2] in het café. Ik zei daar weer terug op, waar heb je het over, welke Belg, wie, wat. Hij zei tegen mij, doe nou niet alsof je het niet weet, ik heb het al gehoord jongen, jij was toch degene die daar te laat was. En ik zei toen tegen hem, ja, [getuige 4] ik was degene die te laat was.

6.ARFORD

6.1.
De aangetroffen chats
(…)
Proces-verbaal van bevindingen van 26 februari 2021, (…)
[naam 1] - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [verdachte] )
Veronderstelde datum : 16 maart 2017
Tijdstip
[PGP-naam 1]
[betrokkene 4]
(…)
Die 2
16.41
Adres [g-straat 1]
16.42
Vrouw rijdt zwarte golf 6 met zwarte velgen blondje en heeft dochtertje van 2 a 3 jaar
16.43
Als hij wordt opgehaald door seat zwarte moeten ze allebei of thuis gebracht dan pak je wie je kan of allebei
16.45
Of een taxi 5 serie nieuwe is een vriend van ze haalt ze ook op soms donker grijze
(…)
140 allebei op snelheid 160
(…)
Hun kan je ook drive by geven bro
(…)
Ja klopt moment je moet in die [i-straat] staan tegen over [A] zie je iedereen erin of eruit rijden of er achter ga ff kijken voor je moment
(…)
[naam 1] - unieke SIN : […] (inbeslaggenomen bij [verdachte] )
Veronderstelde datum : 16 maart 2017
Tijdstip
[PGP-naam 1]
[betrokkene 4]
(…)
20.06
En ze komen ook met z'n 2tjes trainen soms maar dan rijden ze van zijn huis na daar of ze spreken daar af
(…)
20.08
Ik doe et morgen 200%
Als sportschool klopt of niet klopt hebben we savonds nog
(…)
Zijn echt boezemmatties dus?
(…)
20.12
Ze zijn ingepakt en al kan ze nu nog stoppen
20.17
Geef me alles niffo
20.17
Ik laat ze morgen hele dag daar zijn
(…)
Sportschool klopt ook maar is niet dat ze elke dag gaan en weet schema ook niet precies snap je
(…)
Proces-verbaal van bevindingen van 7 augustus 2019, (…)
In het kader van opsporingsonderzoek Eris werd [verdachte] op 21 november 2018 aangehouden in de woning aan de [h-straat 1] in [plaats] . In de omgeving van deze woning stond de BMW met [kenteken 4] geparkeerd. Uit waarnemingen van observatieteams is gebleken dat deze BMW destijds in gebruik was bij [verdachte] (onder andere OT.004; OT.026; OT.052; OT.056). In de BMW is een harde schijf van het merk LaCie aangetroffen en inbeslaggenomen. Deze harde schijf is voorzien van het unieke beslagnummer […] en het unieke SIN […] . De harde schijf is vervolgens met de daartoe bestemde forensische onderzoeksapparatuur uitgelezen, waarvan een afzonderlijk proces-verbaal is opgemaakt.
Op de harde schijf staan meerdere foto's en video’s van een mobiele telefoon waarop chatgesprekken worden gevoerd via Sky. Met Sky kunnen berichten worden verstuurd, voorzien van encryptie. Een aantal van de foto’s en een video zijn vermoedelijk gemaakt op 16 maart 2017 tussen 19:04 uur en 20:23 uur (…). Dit betreffen foto’s en een video van een chatgesprek tussen een persoon met de (bij)naam ‘ [betrokkene 4] ' en een persoon met de (bij)naam ‘ [PGP-naam 1] ’. In deze chat stuurt ‘ [betrokkene 4] ’ een bericht door van een persoon met de (bij)naam ‘ [PGP-naam 5] .’. Bij dit bericht van ‘ [PGP-naam 5] .’ staat de datum 16 maart 2017.
Op (...) 16 maart 2017 om 19:07:13 uur en 19:08:37 uur zijn vervolgens onderstaande foto’s van een mobiele telefoon gemaakt.
Foto 1
Foto 2
De man afgebeeld op foto 1 vertoont wat uiterlijk betreft opvallende overeenkomsten met [slachtoffer 4] (vorm van het linkeroor, vorm van de neus en ontbreken van haartjes in de linker wenkbrauw).
De man afgebeeld op foto 2 vertoont wat uiterlijk betreft sterke overeenkomsten met [slachtoffer 5] (vorm en stand van de oren, vorm van de bovenlip en vorm van de neus).
6.2.
De aanhouding van verdachten en het aantreffen van goederen
Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 4] van 17 september 2020, (…)
O: In 2017 is er geprobeerd om jou en [betrokkene 17] te liquideren. Er zijn toen drie mensen aangehouden in de buurt van de woning van [betrokkene 18] met automatische wapens en handvuurwapens.
(…)
V: Naar welke sportschool gingen jullie?
A: [A] vlak bij [betrokkene 18] haar huis op loopafstand.
(…)
Proces-verbaal van bevindingen van 2 oktober 2019, (…)
Betreft: Gesprek met [slachtoffer 5]
Op de vraag of [slachtoffer 5] in 2017 wel eens aan [g-straat] kwam verklaarde hij dat hij [betrokkene 19] in 2017 altijd bij deze woning aan [g-straat] kwam ophalen met een auto.
(…)
Proces-verbaal van verhoor getuige [slachtoffer 5] van 17 september 2020, (…)
V: Naar welke sportschool gingen jullie?
A: [A] vlak bij [betrokkene 18] haar huis. Ietsje verderop.
(…)
Proces-verbaal van bevindingen van 14 augustus 2019, (…)
Eerder op die vrijdag 17 maart 2017 omstreeks 14.45 uur waren de eerdergenoemde aangehouden verdachten [betrokkene 13] en [betrokkene 12] door collega's van de eenheid politie [plaats] waargenomen op de [d-straat] te [plaats] ter hoogte van een viskraam. Enige tijd later zagen de collega ’s dat de aangehouden verdachte [betrokkene 2] zich bij [betrokkene 13] en [betrokkene 12] voegde. Opvallend tijdens hun verblijf aldaar was dat de verdachte [betrokkene 13] op een gegeven moment ongeveer 15 meter van [betrokkene 2] en [betrokkene 12] ging staan waarna [betrokkene 2] en [betrokkene 12] volop met elkaar in gesprek gingen. Gelijktijdig zag één van de collega's dat de verdachten [betrokkene 2] en [betrokkene 12] tijdens hun gesprek regelmatig naar een bloemenkiosk keken. Deze bloemenkiosk is aan de overzijde van de viskraam gelegen op de kruising [d-straat] met de [j-straat] te [plaats] . Eveneens opvallend is dat in het verlengde van de bloemenkiosk de sportschool [A] aan de [j-straat] te [plaats] is gelegen. Deze sportschool wordt genoemd in één van de eerdergenoemde chatgesprekken als zijnde de sportschool waar de beoogde slachtoffer(s) zou(den) trainen. Vanaf de [d-straat] waar [betrokkene 2] en [betrokkene 12] ongeveer gestaan hebben is via de achterzijde van de bloemenkiosk de voorzijde van het gebouw, waarin de sportschool is gelegen, te zien.
(…)
Proces-verbaal van bevindingen van 29 mei 2017, (…)
Op 17 maart 2017 (…) nam ik, verbalisant (…), in beslag een mobiele telefoon, van het merk BlackBerry, kleur wit.
De telefoon is inbeslaggenomen onder goednummer […] .
Ik, verbalisant, zag dat deze mobiele telefoon in de lade van verdachte [betrokkene 12] zat. In deze lade worden alle goederen opgeslagen die bij de insluitingsfouillering van de verdachte zijn afgenomen.
(…)
Proces-verbaal van bevindingen van 1 november 2019, (…)
Op verzoek van de Digitale Opsporing eenheid [plaats] heeft het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) de BlackBerry Q10 met goedcode […] en (...) SIN […] voor een beperkt deel uitgelezen.
Tabel ‘msg’
Ik zag dat er 145 regels in de tabel ‘msg ’ (bericht) zaten.
Ik zag dat er 84 regels waren waarbij de ‘spin’ (sending PIN) een waarde had en 61 regels waarbij de ‘spin’ geen waarde had. Ik vermoed dat het 84 inkomende berichten betrof en 61 verzonden berichten.
Ik zag dat de PIN bij alle verzonden en ontvangen berichten ‘ [PGP-naam 1] ’ betrof. De contactpersoon met PIN [PGP-naam 1] had de naam ‘ [PGP-naam 1] ’.
Ik zag dat alle berichten waren verzonden op 17 maart 2017 tussen 13.12 en 16.03 uur (GMT+1).
Ik zag dat alle berichten waren gelezen op 17 maart 2017 tussen 13.12 en 15.36 uur (GMT+1).
Ik zag dat om 15.34 uur voor het laatst een bericht verzonden werd. Ik zag dat er hierna drie ontvangen berichten waren van 15.36, 15.36 en 16.03 uur, die niet gelezen waren. [betrokkene 12] en de twee medeverdachten werden om omstreeks 15.45 uur gecontroleerd (...).
90. Het hof heeft ten aanzien van het bewezen verklaarde verder onder meer het volgende overwogen:

6.3.3. BARBERA
Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af.
(…)
6.3.3.1.
Het uitlokken van een liquidatie
Op 5 maart 2017 vindt er een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ [PGP-naam 1] ’, veredeld als [verdachte] , en het account ‘ [PGP-naam 5] ’, veredeld als [betrokkene 20] . [betrokkene 20] vraagt aan [verdachte] of “ze die man in [plaats] willen doen”. [verdachte] antwoordt hierop bevestigend. [betrokkene 20] geeft [verdachte] te kennen dat hij het gaat opzetten. [verdachte] laat aan [betrokkene 20] weten dat ze klaarstaan. Het hof stelt op basis van dit chatgesprek vast dat ‘ [PGP-naam 1] ’ en ‘ [PGP-naam 5] ’ bezig zijn geweest met een voorgenomen liquidatie, waarvan het beoogde slachtoffer “die man in [plaats] ” was. Het hof gaat er, zoals hierna nog wordt overwogen, van uit dat het hierbij gaat om [slachtoffer 3] . De liquidatie heeft niet plaatsgevonden.
Op 9 maart 2017 vanaf 21.42 uur neemt ‘ [betrokkene 4] ’, veredeld als [betrokkene 21] , [betrokkene 20] aan het PGPchatgesprek, op het moment dat duidelijk is dat de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer 3] is mislukt. Het hof leidt uit de inhoud van deze en daarna gevoerde chats af dat [betrokkene 21] samen met [betrokkene 20] de opdracht heeft gegeven tot de liquidatie van [slachtoffer 3] .
Allereerst blijkt uit het chatgesprek dat op 9 maart 2017 vanaf 21.42 uur wordt gevoerd dat [betrokkene 21] op de hoogte is van de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer 3] . [betrokkene 21] zegt tegen [verdachte] dat het niet mis mag gaan. [verdachte] antwoordt hierop dat [betrokkene 21] “ [PGP-naam 5] ” het moet laten uitleggen. [verdachte] stuurt vervolgens naar [betrokkene 20] dat hij het “ [betrokkene 22] ” moet uitleggen. [verdachte] laat nog wel aan [betrokkene 21] weten dat hij vindt dat de “ [betrokkene 23] ” het niet goed heeft gedaan en hij vraagt zich af hoe dat kan terwijl “jullie” hem betalen. [verdachte] geeft vervolgens aan naar de “heads” te gaan om ze te bedaren.
Een paar uur na de mislukte liquidatie vraagt [verdachte] aan [betrokkene 20] wat hij de “heads” kan zeggen. [betrokkene 20] antwoordt hierop dat er morgen wat “pap” [het hof begrijpt: geld] wordt gestuurd voor de moeite en dat [verdachte] dat dan kan delen. [verdachte] vindt dit goed. In de nacht van 10 op 11 maart 2017 vraagt [verdachte] aan [betrokkene 21] wat het adres is. [betrokkene 21] antwoordt hierop: “ [k-straat] kruising [l-straat] op de brug”. [verdachte] zegt tegen [betrokkene 21] dat hij iemand stuurt en geeft dat adres vervolgens via WhatsApp aan [betrokkene 24] door. [betrokkene 21] vraagt aan [verdachte] of het klopt dat “ [PGP-naam 5] ” “35” heeft afgesproken. [verdachte] antwoordt hierop: “Ja ik zei voor jullie 2 1500. Geef ik heads de rest”. [verdachte] laat aan [betrokkene 21] weten dat de persoon die hij heeft gestuurd er staat. [betrokkene 21] antwoordt om 00.25 uur dat hij het al heeft gegeven. [betrokkene 24] is die nacht om 00.05 uur door de politie op de [k-straat] in [plaats] gecontroleerd.
In hetzelfde gesprek vraagt [verdachte] aan [betrokkene 21] of [betrokkene 21] het redelijk vindt. [betrokkene 21] antwoordt dat dit de eerste keer is en “die man heeft nog niet van je gehoord maar zodra er progres volgt zal je zien heb het je al eens verteld geef me 2 snel en je zal geen geld problemen hebben broer!”. Vervolgens antwoordt [verdachte] : “Dank voor het gebaar mijn broer. We staan aan je zij. Sorry dat we je niet konden geven wat je hoorde te krijgen, maar ik hoop dat er nog een kans volgt om deze voor u naar Satan te sturen.. gr mijn broer”.
Uit een chatbericht tussen [verdachte] en [betrokkene 21] van 18 februari 2017 blijkt dat er voor een geslaagde liquidatie € 70.000,- aan [verdachte] wordt betaald door de organisatie waar [betrokkene 21] [betrokkene 20] van uitmaakte. Uit het feit dat [verdachte] in het deelonderzoek Barbera geld krijgt voor de moeite, leidt het hof af dat [verdachte] ook voor de moord op het beoogde slachtoffer een geldbedrag in het vooruitzicht is gesteld.
Het hof leidt uit bovengenoemde feiten en omstandigheden af dat [betrokkene 20] en [betrokkene 21] gezamenlijk [verdachte] hebben geprobeerd te bewegen tot het liquideren van het beoogde slachtoffer door [verdachte] een geldbedrag in het vooruitzicht te stellen. Uit wat het hof hierna overweegt over de uitvoering van de liquidatie, blijkt dat in het kader van de uitlokking ook aan [verdachte] is verteld waar het slachtoffer op het moment van de voorgenomen liquidatie zou zijn, dat het over een Marokkaanse man uit [plaats] gaat die [naam 2] heet, dat hij lang en kaal is en dat hij in een Mazda rijdt.
6.3.3.2. Het beoogde slachtoffer
In de politiesystemen gaven de zoektermen ‘ [naam 2] ’, ‘ [plaats] ’ en ‘Mazda’ een hit op [slachtoffer 3] . [slachtoffer 3] heeft van 24 januari 2017 tot en met 26 november 2018 een Mazda op naam gehad. In 2017 was hij kaal en hij is 1.80 m lang. [slachtoffer 3] heeft zowel de Nederlandse als de Marokkaanse nationaliteit en wordt in verband gebracht met de handel in harddrugs. Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat [slachtoffer 3] het doelwit van de beoogde liquidatie op 9 maart 2017 was. Dat [slachtoffer 3] niet heeft verklaard of hij op 9 maart 2017 in [plaats] is geweest, doet daaraan niet af.
6.3.3.3. De plaats van de voorgenomen moord
Op 4 maart 2017 heeft [verdachte] aan [betrokkene 35] gevraagd wat het adres is van café [B] en of dit café nog open is voor publiek. Café [B] was gelegen aan de [f-straat 1] in [plaats] . In dit café werden tot januari 2017 de clubbijeenkomsten van de afdeling [plaats] van [motorclub] gehouden.
In de avond van 9 maart 2017 heeft [verdachte] contact met [medeverdachte 1] . Om 19.33 uur laat [medeverdachte 1] aan [verdachte] weten dat hij thuis is op de [m-straat 1] in [plaats] en dat dat vlakbij het café is. [medeverdachte 1] vraagt aan [verdachte] wat ze rijden en of hij thuis of bij het café moet wachten. [verdachte] antwoordt hierop dat [medeverdachte 1] ze vanzelf ziet en dat hij thuis op ze moet wachten. Om 20.42 uur vraagt [medeverdachte 1] aan [verdachte] of hij al wat weet. [verdachte] antwoordt hierop om 20.45 uur dat [medeverdachte 1] moet wachten. Daarna zijn er tussen [verdachte] en [medeverdachte 1] nog (al dan niet gemiste) telefoonoproepen waarvan de inhoud niet bekend is geworden.
Uit de hierna te bespreken chatberichten tussen [verdachte] en [betrokkene 20] blijkt dat het beoogde doelwit bij een café zou komen. Het hof leidt uit deze feiten en omstandigheden af dat het de bedoeling was dat [slachtoffer 3] op de avond van 9 maart 2017 in of in de buurt van café [B] in [plaats] zou worden geliquideerd.
6.3.3.4. De voorbereidingshandelingen voor de (mislukte) liquidatie
6.3.3.4.1. Gebruik PGP-telefoon door [verdachte]
Op 9 maart 2017 vanaf 20.28 uur hebben [verdachte] en [betrokkene 20] contact via de PGP. Uit de chatberichten valt op te maken dat er iets staat te gebeuren. [betrokkene 20] stuurt een bericht door van ‘ [PGP-naam 8] ’: “[PGP-naam 9] , het kan zijn dat hij daar eerder is om te kijken weet maar nooit
”. Om 20.41 uur stuurt [betrokkene 20] aan [verdachte] dat “hij er is
”. Om 20.43 uur laat PGP-account ‘ [PGP-naam 6] ’ via PGPaccount ‘ [PGP-naam 7] ’ via ‘ [PGP-naam 8] ’ en vervolgens [betrokkene 20] aan [verdachte] weten dat hij om negen uur exact naar binnen loopt. ‘ [PGP-naam 8] ’ zegt daarover: “Dus hy staat daar gewoon [PGP-naam 9] 9uur gaat ie na binnen dus als ze zyn auto zien hem erin doen direct
” en “Dus laat heads goed kyken hy moet daar zyn nu in auto [PGP-naam 9] 9uur gaat ie na binnen
”. [betrokkene 20] zegt tegen [verdachte] dat ze ready moeten staan. Het hof leidt uit de inhoud van deze berichten en het gebruik van het woord ‘heads’ af dat PGP-account ‘ [PGP-naam 6] ’ het doelwit is dat om 21.00 uur ergens zou komen en dat deze persoon vervolgens moest worden geliquideerd.
Uit het vervolg van het chatgesprek blijkt dat [verdachte] in de minuten daarna meer dan één keer aangeeft dat ze nog niets zien en dat hij ook bij herhaling vraagt of ‘ze’ binnen zijn. [betrokkene 20] benadrukt daarop dat ‘ [PGP-naam 6] ’ heeft aangegeven dat hij om exact 21.00 uur naar binnen loopt, dat hij dus nog niet binnen is en dat hij in de omgeving moet staan. [verdachte] noemt dat er ‘popo’ [het hof begrijpt: politie] in de buurt is en dat ‘ze’ er niet meer lang kunnen staan. [betrokkene 20] antwoordt daarop dat ze zich dan moeten focussen en dat ze niet weg kunnen gaan. Om 21.06 uur stuurt ‘ [PGP-naam 6] ’ via ‘ [PGP-naam 7] ’ via ‘ [PGP-naam 8] ’ en vervolgens [betrokkene 20] dat de “tent gesloten is
”. [betrokkene 20] stuurt ook nog het volgende bericht van ‘ [PGP-naam 8] ’ door: “Hé deze kanker heads zitten te kanker deze man gaat zo weg en weer niks hy is daar al 25min
”. Om 21.09 uur stuurt [betrokkene 20] naar [verdachte] : “S die café gesloten
”.
Om 21.08 uur krijgt [verdachte] van [betrokkene 20] de opdracht om te kijken waar die ‘wagi’ [het hof begrijpt: auto] staat. Dit moet een Mazda zijn. Volgens [betrokkene 20] moeten ‘ze’ rijden om de Mazda te zoeken, “want man gaat max 10 min weg
”. Om 21.21 uur stuurt ‘ [PGP-naam 6] ’ via ‘ [PGP-naam 7] ’, ‘ [PGP-naam 8] ’ en [betrokkene 20] naar [verdachte] : “Ik ben weg hier
”. Uit dit laatste bericht en het vervolg van het chatgesprek leidt het hof af dat het kennelijk niet gelukt is om de persoon te liquideren. Ook daarna heeft [verdachte] nog contact met [betrokkene 20] om te bespreken waarom het niet is gelukt. Op de onder [verdachte] aangetroffen opnamen van PGP-gesprekken is te zien dat vanaf 21.42 uur ook [betrokkene 21] met [verdachte] chat.
Het hof leidt uit het bovenstaande af dat [verdachte] een PGP-telefoon in zijn bezit heeft gehad, die bedoeld was om te worden gebruikt bij de uitvoering van de moord op [slachtoffer 3] , te weten voor het doorgeven van het moment waarop het beoogde slachtoffer ter plaatse zou zijn en het onderhouden van contact over de uitvoering.
6.3.3.4.2. Beoogde uitvoerders van de moord en gebruik bestelbus
Uit de telecomgegevens van 9 maart 2017 blijkt dat [verdachte] ten tijde van het ter plaatse komen van het doelwit en het hierover chatten met [betrokkene 20] voornamelijk telefonisch contact had of probeerde te hebben met [betrokkene 12] . Dit is het geval om 20.42 uur, 20.43 uur, 20.49 uur, 20.52 uur, 21.01 uur, 21.10 uur, 21.14 uur en 21.17 uur. Om 21.18 uur straalde een toestel van [betrokkene 12] aan op de mast [n-straat 1] in [plaats] .
In het chatgesprek van 9 maart 2017 stuurt [betrokkene 20] om 21.08 uur: “Stuur is foto van ingang van cafe
”. [verdachte] antwoordt met “Ze zitten ervoor in bus
”. Op 17 maart 2017, acht dagen na het moment van deze mislukte liquidatie, worden [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] aangehouden. [betrokkene 13] heeft dan een sleutel van een Volkswagen Caddy, een bestelbus, bij zich. Deze auto is in de nacht van 7 op 8 maart 2017, twee dagen vóór de mislukte liquidatie van [slachtoffer 3] , in [plaats] gestolen. In het geïntegreerde navigatiesysteem van deze Volkswagen Caddy stond het adres [f-straat] in [plaats] als de laatst ingevoerde bestemming. De eigenaar heeft verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij dit adres heeft ingevoerd. De andere in het navigatiesysteem aangetroffen bestemmingen heeft hij (wel) ingevoerd.
In de nacht van 8 op 9 maart 2017 hebben [betrokkene 12] en [betrokkene 13] whatsappcontact met elkaar. Het gaat erover of [betrokkene 12] een sleutel aan [betrokkene 13] heeft gegeven. [betrokkene 13] geeft aan de sleutel te hebben. [betrokkene 12] noemt nog dat als [betrokkene 13] ernaar wordt gevraagd, hij moet zeggen dat [betrokkene 12] de sleutel heeft. Over de inhoud van deze berichten hebben [betrokkene 12] en [betrokkene 13] geen aannemelijke verklaring afgelegd. Gelet op alle overige feiten en omstandigheden in dit dossier, in onderlinge samenhang bezien, gaat het hof er daarom van uit dat het hier gaat om de sleutel van de Volkswagen Caddy.
Uit de telecomgegevens van 9 maart 2017 blijkt dat [betrokkene 12] en [betrokkene 13] in de ochtend met elkaar hebben afgesproken. [betrokkene 13] appt om 10.09 uur naar [betrokkene 12] dat hij nu de deur uit is. Om 10.38 uur laat [betrokkene 12] aan [betrokkene 13] weten dat [betrokkene 13] “gewoon voor kan parkeren
” en dat hij dan naar [betrokkene 12] toe moet komen. Om 18.35 uur straalt een toestel van [betrokkene 13] aan op de mast [n-straat 1] in [plaats] . Zoals al gezegd, straalt een telefoon van [betrokkene 12] kort na het moment van de beoogde liquidatie ook op deze mast aan. Op 10 maart 2017 om 01.27 uur straalde een telefoon van [betrokkene 13] aan op de mast [o-straat 1] in [plaats] . Deze mast bevindt zich in de nabije omgeving van de woning van [verdachte] aan de [p-straat 1] in [plaats] . Nu niet aannemelijk is geworden dat [betrokkene 12] en [betrokkene 13] een ander adres hebben bezocht, gaat het hof ervan uit dat zij toen in [plaats] een ontmoeting met [verdachte] hebben gehad.
Uit de telecomgegevens die zich in het dossier bevinden blijkt niet dat [betrokkene 12] en [betrokkene 13] zich op de avond van 9 maart 2017 op enig moment in de nabijheid van café [B] hebben bevonden. De raadslieden van [betrokkene 12] en [betrokkene 13] hebben gesteld dat dit tot vrijspraak zou moeten leiden . In dat verband hebben zij aangevoerd dat [betrokkene 13] en [betrokkene 12] ook op andere avonden in maart 2017 in [plaats] waren waarbij hun telefoons de zendmast aan de [n-straat 1] aanstraalden. Uit het enkele feit dat zij ook op de avond van 9 maart 2017 in [plaats] waren, kan dus geen betrokkenheid bij het tenlastegelegde worden afgeleid, aldus de verdediging.
Het hof acht op basis van de telecomgegevens van (het tijdstip van) de contacten tussen [betrokkene 12] en [verdachte] , de feiten en omstandigheden met betrekking tot de Volkswagen Caddy en het gegeven dat [betrokkene 12] en [betrokkene 13] op 9 maart 2017 na de mislukte liquidatie samen naar [verdachte] zijn gereden, in samenhang met het feit dat zij die avond in [plaats] waren, wettig en overtuigend bewezen dat zij betrokken waren bij de uitvoering van het plan om [slachtoffer 3] van het leven te beroven. Dat zij op andere avonden in die periode ook in [plaats] waren en dat niet blijkt dat hun telefoons zich in de directe nabijheid van café [B] hebben bevonden, staat een bewezenverklaring niet in de weg. Die gegevens sluiten niet uit dat de liquidatie niet is doorgegaan omdat de beoogde schutters niet op tijd ter plaatse – bij café [B] – waren.
Het hof gaat ervan uit dat [betrokkene 12] en [betrokkene 13] de beoogde schutters voor de liquidatie van [slachtoffer 3] waren en dat zij de genoemde bestelbus voorhanden hebben gehad om te gebruiken bij de voorgenomen liquidatie van [slachtoffer 3] . Het hof heeft daarbij gelet op het gegeven dat [verdachte] op het moment van de beoogde liquidatie veelvuldig chatcontact had met [betrokkene 20] en later ook met [betrokkene 21] over de uitvoering van de liquidatie en dat [verdachte] op datzelfde moment met zijn normale telefoontoestel continu contact zocht of heeft gehad met [betrokkene 12] .
Het hof gebruikt in dit verband ook de verklaring van [kroongetuige] voor het bewijs. [kroongetuige] heeft op verschillende momenten zowel bij de politie als op de zitting verklaard dat hij van [verdachte] heeft gehoord over een liquidatie die is voorbereid. [kroongetuige] heeft verklaard dat [betrokkene 13] (veredeld als [betrokkene 13] ), [betrokkene 15] (veredeld als [betrokkene 12] ) en [betrokkene 16] (veredeld als [betrokkene 2] ) de beoogde uitvoerders waren. De liquidatie is niet doorgegaan omdat de uitvoerders te laat waren door de schuld van [betrokkene 13] ( [betrokkene 13] ). Ook [betrokkene 13] zou tegen hem hebben gezegd dat er een liquidatie mislukt was omdat ze te laat waren. Dat gesprek zou hebben plaatsgevonden in de PI. Dat een dergelijk gesprek daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, vindt steun in de verklaring van [betrokkene 13] . [betrokkene 13] heeft bevestigd dat [kroongetuige] en hij elkaar in de PI ( [plaats] ) hebben gesproken en dat het erover ging dat [betrokkene 13] te laat was. [betrokkene 13] heeft dat tegenover [kroongetuige] bevestigd. Dat hij dat alleen sarcastisch zou hebben bedoeld omdat hij het gesprek wilde afkappen om ervan af te zijn, acht het hof in het licht van de overige bewijsmiddelen niet aannemelijk geworden. Dat, aldus zowel [kroongetuige] als [betrokkene 13] , [kroongetuige] het tijdens dit gesprek over ‘een Belg’ had, maakt ook niet dat de verklaring van [kroongetuige] op dit punt niet betrouwbaar is. Vast staat dat [kroongetuige] in zijn verklaringen de zaken Barbera ( [f-straat] ) en Lis (liquidatie van [bijnaam 2] [slachtoffer 6] ) door elkaar haalt, terwijl het te laat zijn van [betrokkene 13] uitsluitend betrekking kan hebben op de nietgelukte liquidatie in de zaak Barbera en niet op de zaak Lis .
(…)
6.3.3.6. De rollen van [betrokkene 21] , [betrokkene 20] , [verdachte] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13]
6.3.3.6.1. [verdachte] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13]
Het hof acht wel wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor moord, wat aan [verdachte] meer subsidiair is ten laste gelegd en aan [betrokkene 12] en [betrokkene 13] subsidiair is ten laste gelegd.
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de (bestel)bus waarvan [betrokkene 12] en [betrokkene 13] die avond gebruikmaakten, bestemd was tot de uitvoering van de voorgenomen liquidatie. Daarmee is ten aanzien van die auto voldaan aan het vereiste dat het object waarop een voorbereidingshandeling betrekking heeft, moet zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid (zie HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198 en HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:1380). Gelet op de nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] , waarbij de bijdrage van ieder van hen van voldoende gewicht is geweest voor de kwalificatie medeplegen, kan het voorhanden hebben van deze bus ook aan [verdachte] worden toegerekend.
Uit het dossier blijkt ook dat [verdachte] die avond een PGP-telefoon voorhanden heeft gehad, waarmee hij rond het tijdstip van de geplande liquidatie met [betrokkene 20] en [betrokkene 21] communiceerde over de uitvoering daarvan. Hiermee is ook voor deze PGP-telefoon voldaan aan het hiervoor genoemde bestemmingsvereiste. Niet is gebleken dat [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] die avond een PGP-telefoon voorhanden hebben gehad, zodat zij van het voorhanden hebben daarvan worden vrijgesproken.
Dat de andere mobiele telefoons die [verdachte] , [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] die avond voorhanden hebben gehad waren bestemd tot de uitvoering van de voorgenomen liquidatie, als bedoeld in de hiervoor aangehaalde rechtspraak, is niet gebleken. Het voorhanden hebben van deze telefoons kan daarom zonder meer niet als een voorbereidingshandeling worden gekwalificeerd, zodat ook van dit onderdeel van de tenlastelegging wordt vrijgesproken.
(…)
6.3.4.
ARFORD
Het hof leidt uit de inhoud van de bewijsmiddelen de volgende gang van zaken af.
6.3.4.1.
De aangetroffen chats
Op 16 maart 2017 vindt er vanaf ongeveer 16.41 uur een PGP-chatgesprek plaats tussen ‘ [PGP-naam 1] ’, veredeld als [verdachte] , en ‘ [betrokkene 4] ’, veredeld als [betrokkene 21] . [betrokkene 21] stuurt een foto en zegt “die 2
” en geeft als adres [g-straat 1] . Op een harde schijf die onder [verdachte] in beslag is genomen staan twee foto’s die op 16 maart 2017 om 19.07 uur en 19.08 uur van een mobiele telefoon zijn gemaakt. Via het genoemde adres komt de politie uit bij [slachtoffer 4] , mede omdat zijn vriendin en hun kind op dat adres woonden.
[slachtoffer 4] herkent zichzelf op een van de door [betrokkene 21] gestuurde foto’s. Zijn vriend [slachtoffer 5] herkent zichzelf van de andere foto. [betrokkene 21] geeft [verdachte] nog de volgende informatie: “vrouw rijdt zwarte golf 6 met zwarte velgen blondje en heeft dochtertje 2 a 3 jaar
”, “niet in die straat staan want hij ziet alles als hij thuis is
”, “rijdt meestal vanaf de [j-straat] de [q-straat] in na [gg-straat] , dan verder na [g-straat] , komt vanaf de [d-straat] meestal!
”, “hij woont op 3 hoog witte luxa flex daar kan hij heel stiekem door kijken zonder dat je het door hebt bro
”, “hij gaat meestal via die deur rechts als je in de straat komt rijden soort brandtrapje niet bij de hoofdingang
”, “hij traint ook bij die [A] bij [j-straat] is 3 min lopen van z’n huis!
”,“z’n vrouw werkt tot 3 uur
” en “weet ook waar ze eten in [stadswijk] , tussen 5 en 7 uur
”. [slachtoffer 4] herkent zichzelf in deze informatie als de persoon om wie het gaat.
Zowel [slachtoffer 4] als [slachtoffer 5] geeft aan dat er maar één persoon is die over al deze informatie beschikt. Het gaat om een persoon met wie zij tot voorheen dagelijks samen waren en die zij ‘ [betrokkene 27] ’ noemen. [slachtoffer 4] wijst [betrokkene 21] op een foto aan als de persoon die hij kent als die ‘ [betrokkene 27] ’.
[betrokkene 21] laat aan [verdachte] weten dat de prijs voor de twee mannen “140 allebei op snelheid 160
” is. [verdachte] mag deze personen ook een “drive by geven
”. Volgens [betrokkene 21] stapt “hij uit voor zijn deur
”, dan moet [verdachte] “hem pakken
”. Als ze “met z’n 3tjes zijn ook
”, dan “Pak je ze alle 3
”. [verdachte] mag hem ook pakken “als hij naar huis loopt van gym
”. [betrokkene 21] tipt nog dat ze “in die [i-straat] tegen over [A] moeten staan, zie je iedereen erin of eruit rijden
”.
Het hof stelt op basis hiervan vast dat [betrokkene 21] via de chat een opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] uitzet, daarover inlichtingen aan [verdachte] verschaft en er een prijs van € 140.000,- of € 160.000,- tegenover zet.
Later in het chatgesprek laat [betrokkene 21] aan [verdachte] weten dat het als het “vandaag niks is dan morgen op scherp
” en dat “deze binnen nu en paar dagen max klaar moet zijn
”. [verdachte] antwoordt dat hij het “morgen 200% doet
”, “als sportschool klopt of niet klopt hebben we savonds nog
”. Hij “laat ze morgen hele dag daar zijn
”. Ook noemt [verdachte] dat ze in een bus kunnen om te ‘timeren’ (observeren) en heeft hij het over een Clio.
6.3.4.2. De aanhouding van verdachten en het aantreffen van goederen
Op 17 maart 2017 omstreeks 15.45 uur werden [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] bij de ingang van [locatie] aan de [d-straat] tegenover de [A] aan de [j-straat] aangetroffen. Eerst enige tijd [betrokkene 12] en [betrokkene 13] en daarna ook [betrokkene 2] hielden zich daar op en waren met elkaar aan het praten. Daarbij keken [betrokkene 12] en [betrokkene 2] geregeld in de richting van de bloemenkiosk, met in het verlengde daarvan zichtbaar de [A] aan de [j-straat] . Op een gegeven moment liepen zij naar een parkeerplaats en reden zij weg in een gestolen Renault Clio met valse kentekenplaten. De politie heeft hen vervolgens gecontroleerd en daarna aangehouden.
Tijdens de fouillering van [betrokkene 13] werd een sleutel aangetroffen van een gestolen Volkswagen Caddy met valse kentekenplaten, die naast de Renault Clio op de parkeerplaats stond. Een Volkswagen Caddy is een bestelauto. In deze bestelauto bevonden zich meerdere wapens: twee automatische aanvalsgeweren (waarvan één met ontbrekende onderdelen) en twee pistolen, een geluidsdemper die op een van de pistolen paste en munitie voor de aanvalsgeweren en de pistolen. Daarnaast bevonden zich in de bestelauto een bivakmuts, een jerrycan en twee flessen motorbenzine. Die omstandigheden hebben alle kenmerken van een voorgenomen liquidatie waarbij de vluchtauto in brand wordt gestoken om eventuele sporen te vernietigen en de opsporing van de daders te bemoeilijken. Op een [betrokkene 20] van de goederen is het DNA van [betrokkene 13] en [betrokkene 12] aangetroffen. Ook werd er een tv in de bestelbus aangetroffen. Daarop zat een handafdruk van [betrokkene 2] . De kroongetuige heeft verklaard dat leden van [motorclub] wapens in tv’s verstopten. Ook [betrokkene 2] heeft dat verklaard. Hij heeft in dat verband ook verklaard dat hij zelf wapens inbouwde.
Tijdens de fouillering van [betrokkene 12] is een PGP-toestel aangetroffen. Uit de uitgelezen data van dit toestel blijkt dat er op 17 maart 2017 164 berichten zijn gewisseld met een PGPaccount van [verdachte] . Er zijn ook vlak voor de aanhouding nog berichten gewisseld met dat account.
Het hof leidt hieruit af dat [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] op 17 maart 2017 bezig waren met de voorbereiding van de liquidatie van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] en dat zij daarbij in nauw contact stonden met [verdachte] , die de opdracht tot het liquideren van deze personen eerder van [betrokkene 21] had aangenomen. In dit verband is ook van belang dat de plek waar [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] zijn aangetroffen precies de locatie is die [betrokkene 21] in de chat met [verdachte] noemt als de plek waar hij moet staan. Dat maakt ook andere aangevoerde scenario’s, waaronder de overdracht van wapens na een filmopname, onaannemelijk.
(…)
6.3.4.4. De rol van [verdachte]
(…)
Uit de bewijsmiddelen blijkt dat [verdachte] de opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft aangenomen via [betrokkene 21] . Hij heeft met [betrokkene 21] besproken hoe en waar deze liquidatie het beste kon plaatsvinden. Hij heeft de opdracht vervolgens uitgezet bij [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] . Daarbij heeft [verdachte] via een PGPtelefoon contact onderhouden met in ieder geval [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] op het moment dat zij in de buurt waren van de plek waar een van de beoogde slachtoffers kon komen en de liquidatie eventueel zou kunnen worden uitgevoerd. Zij hadden daarbij de beschikking over vuurwapens met bijbehorende munitie en gestolen auto’s met valse kentekenplaten.
De liquidaties hebben niet daadwerkelijk plaatsgevonden. Het hof is van oordeel dat wel sprake is van het plegen van voorbereidingen daartoe. Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereiding van de moord op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] . Er is sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] , waarbij de bijdrage van [verdachte] van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.
Het hof acht het meest subsidiair ten laste gelegde feit dan ook wettig en overtuigend bewezen, met dien verstande dat [verdachte] wordt vrijgesproken van het voorhanden hebben van PGP-telefoons. Omdat niet is komen vast te staan dat deze PGP-telefoons bestemd waren tot het begaan van het misdrijf – het uitvoeren van de voorgenomen liquidatie(s) – is niet voldaan aan het vereiste dat het object waarop een in artikel 46 van Pro het Wetboek van Strafrecht genoemde gedraging betrekking heeft, is bestemd tot het begaan van het misdrijf dat is voorbereid (zie HR 7 juli 2020, ECLI:NL:HR:2020:1198).
[verdachte] heeft verklaard dat de aangetroffen wapens waren gebruikt voor de documentaire die hij aan het maken was en niet waren bestemd voor het plegen van een liquidatie. Hij had geregeld dat de wapens zouden worden teruggebracht. Het hof acht deze verklaring in het licht van het beschikbare bewijsmateriaal niet aannemelijk geworden. Daarbij komt dat de filmmaker […] heeft verklaard dat hij de op 17 maart 2017 inbeslaggenomen wapens niet herkent als voorwerpen die zijn gebruikt bij filmopnames en deze niet eerder heeft gezien.”
De bespreking van het zevende middel
Deelklacht (i): de bestemming van het PGP-toestel
91. De klacht houdt in dat het bedoelde PGP-toestel niet was bestemd tot het begaan van het misdrijf, maar slechts is gebruikt voor de terugkoppeling naar de opdrachtgevers van de moord op [slachtoffer 3] .
Het juridisch kader: de bestemming tot het begaan van het misdrijf
92. Rechtspraak van de Hoge Raad wijst uit dat voor de vraag of voorwerpen ‘zijn bestemd tot het begaan van het misdrijf’ de uiterlijke verschijningsvorm van de voorwerpen, afzonderlijk of gezamenlijk beschouwd, beslissend is. Daarbij kan niet worden geabstraheerd van het misdadige doel dat de verdachte met het gebruik van die voorwerpen voor ogen stond. [60] Het voorwerp moet dienstig kunnen zijn aan dit misdadige doel. [61] Een dergelijke bestemming komt niet noodzakelijkerwijze uitsluitend toe aan voorwerpen die naar hun aard of vanwege een concreet dan wel acuut gevaarzettend karakter kunnen bijdragen aan het begaan van het misdrijf. Ook meer ‘alledaagse’ voorwerpen kunnen een dergelijke criminele bestemming hebben. Wel moet steeds uit de bewijsmiddelen kunnen worden afgeleid dat de verdachte zo’n bestemming voor ogen had.
93. Uit de tekst van artikel 46 lid 1 Sr Pro volgt dat met ‘dat misdrijf’ in de zinsnede ‘bestemd tot het begaan van dat misdrijf’ wordt gedoeld op het misdrijf dat is voorbereid, en dus niet op de voorbereiding zelf. [62] Het voorwerp moet daadwerkelijk zijn bestemd om op enigerlei wijze gebruikt te worden bij de uitvoering van het voorgenomen misdrijf. De rechter zal in de motivering van zijn bewijsoordeel aandacht moeten besteden aan de vraag welke functie de verdachte bij de uitvoering van het delict aan het voorwerp heeft beoogd toe te kennen. De rechter kan niet volstaan met een bespreking van de wijze waarop dat voorwerp gedurende de voorbereiding een rol heeft gespeeld. Als het gebruik van een voorwerp zich beperkt tot de voorbereiding, zal in beginsel
nietzijn voldaan aan het bestemmingsvereiste. Aan die eis wordt, zoals gezegd, alleen voldaan als uit de bewijsvoering blijkt dat het voorwerp is bestemd om – op zijn minst:
mede– te fungeren in de uitvoering van het misdrijf. [63]
De bespreking van deelklacht (i)
94. Het hof heeft overwogen dat uit het dossier blijkt dat de verdachte een PGP-toestel voorhanden heeft gehad, waarmee hij rond het tijdstip van de geplande liquidatie met [betrokkene 20] en [betrokkene 21] communiceerde over de uitvoering daarvan. Het hof heeft geoordeeld dat hiermee voor dit PGP-toestel is voldaan aan het bestemmingsvereiste.
95. Uit de bewijsvoering blijkt dat de moord op [slachtoffer 3] op 9 maart 2017 in de omgeving van café [B] in [plaats] zou moeten plaatsvinden, dat de verdachte rond 21.00 uur via een PGP-toestel met ‘ [PGP-naam 5] ’ ( [betrokkene 20] ) contact heeft over het moment waarop [slachtoffer 3] ter plaatse zou komen bij dat café en de handelingen die de ‘heads’ moeten verrichten en dat hij, terwijl hij contact heeft met [betrokkene 20] , meermalen belt naar [betrokkene 12] , een van de ‘heads’. Daarbij geeft de verdachte kennelijk informatie van [betrokkene 20] door aan de ‘heads’ en koppelen de ‘heads’ informatie terug aan [betrokkene 20] .
96. Hieruit blijkt dat het PGP-toestel niet alleen tijdens de voorbereiding een rol heeft gespeeld, maar naar zijn uiterlijke verschijningsvorm ook dienstig was aan de moord die de verdachten voor ogen hadden, omdat het toestel werd gebruikt om tijdens de (beoogde) uitvoering van de moord informatie van de opdrachtgevers aan de ‘heads’ en vice versa door te geven. Gelet hierop getuigt het oordeel dat het PGP-toestel was bestemd tot het begaan van het misdrijf niet van een onjuiste rechtsopvatting en is dat oordeel ook niet onbegrijpelijk.
97. De eerste deelklacht faalt.
Deelklacht (ii): beschikkingsmacht over gestolen auto’s Volkswagen Caddy
98. De klacht houdt in dat uit de bewijsvoering niet kan volgen dat de verdachte samen met anderen de feitelijke beschikkingsmacht had over de gestolen Volkswagen Caddy, die bestemd was tot het begaan van de moord op [slachtoffer 3] .
99. In het deelonderzoek Barbera stelt het hof vast:
- De verdachte heeft een opdracht tot de liquidatie van [slachtoffer 3] aangenomen van [betrokkene 21] en [betrokkene 20] ;
- Aan de verdachte is verteld waar het slachtoffer op het moment van de voorgenomen liquidatie zou zijn, dat de opdracht een Marokkaanse man uit [plaats] betrof die [slachtoffer 3] heette, dat hij lang en kaal was en dat hij in een Mazda reed;
- Het was de bedoeling dat [slachtoffer 3] op 9 maart 2017 in of in de buurt van café [B] in [plaats] zou worden geliquideerd;
- De verdachte had een PGP-toestel in zijn bezit voor het doorgeven van het moment waarop het beoogde slachtoffer ter plaatse zou zijn en het onderhouden van contact over de uitvoering van de liquidatie;
- De verdachte had ten tijde van het arriveren van het doelwit en de communicatie met [betrokkene 20] voornamelijk (pogingen tot) telefonisch contact met [betrokkene 12] ;
- [betrokkene 12] en [betrokkene 13] waren de beoogde schutters voor de liquidatie van [slachtoffer 3] en hadden de Volkswagen Caddy bestelbus voorhanden om te gebruiken bij die liquidatie;
- [betrokkene 12] en [betrokkene 13] hebben op 10 maart 2017 in [plaats] , waar de verdachte woont, een ontmoeting met hem gehad.
100. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte, [betrokkene 12] en [betrokkene 13] zich tezamen en in vereniging schuldig hebben gemaakt aan voorbereidingshandelingen voor moord. Het hof heeft overwogen dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de bestelbus (de Volkswagen Caddy) waarvan [betrokkene 12] en [betrokkene 13] gebruikmaakten, bestemd was tot de uitvoering van de voorgenomen liquidatie. Bovendien oordeelde het hof dat het voorhanden hebben van de bestelbus ook aan de verdachte kan worden toegerekend, zulks vanwege de nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte, [betrokkene 12] en [betrokkene 13] , waarbij de bijdrage van ieder van hen van voldoende gewicht is geweest voor het dragen van de kwalificatie medeplegen.
101. In de bewijsvoering ligt besloten dat de verdachte de opdracht tot de liquidatie van [slachtoffer 3] heeft aangenomen en dat de ‘heads’, [betrokkene 12] en [betrokkene 13] , naar aanleiding van zijn instructies op 9 maart 2017 in [plaats] waren om de liquidatie uit te voeren. Daarbij hadden zij een gestolen Volkswagen Caddy bestelbus voorhanden. Uit de communicatie tussen de verdachte en [betrokkene 20] blijkt dat hij van de aanwezigheid van die bestelbus op de hoogte was en [betrokkene 12] en [betrokkene 20] kennelijk instructies gaf waar zij wanneer moesten zijn en wat zij moesten doen. Het daarop gebaseerde oordeel dat de verdachte in een bewuste en nauwe samenwerking met [betrokkene 12] en [betrokkene 13] kon beschikken over die bestelbus is toereikend gemotiveerd en niet onbegrijpelijk.
102. De tweede deelklacht faalt.
Deelklacht (iii): beschikkingsmacht over gestolen auto’s en vuurwapens
103. De deelklacht houdt in dat uit de bewijsmotivering niet kan volgen dat de verdachte samen met anderen de feitelijke beschikkingsmacht had over de gestolen auto’s en vuurwapens, die bestemd waren tot het begaan van de moord op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] .
104. In het deelonderzoek Arford stelt het hof vast:
- [betrokkene 21] heeft bij de verdachte een opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] uitgezet, inlichtingen aan de verdachte verschaft en er een prijs van € 140.000,- of € 160.000,- tegenover gezet;
- [betrokkene 21] heeft de verdachte getipt dat ze
“in die [i-straat] tegen over [A] moeten staan”;
- De verdachte heeft op 16 maart 2017 aan [betrokkene 21] geantwoord dat hij het “
morgen 200% doet”en dat hij de uitvoerders morgen de hele dag daar aanwezig laat zijn. Hij noemt ook een bus en een Clio;
- Op 17 maart 2017 werden [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] tegenover de [A] aan de Ernststraat aangetroffen. Op een gegeven moment reden zij weg in een gestolen Renault Clio;
- Tijdens de fouillering van [betrokkene 13] werd een sleutel aangetroffen van een gestolen Volkswagen Caddy bestelbus, die naast de Renault Clio op de parkeerplaats stond. In deze Volkswagen Caddy zijn meerdere vuurwapens, een bivakmuts, een jerrycan en twee flessen motorbenzine aangetroffen;
- Op een [betrokkene 20] van de goederen is celmateriaal van [betrokkene 13] en [betrokkene 12] aangetroffen en op een tv in de bestelbus zat een handafdruk van [betrokkene 2] ;
- Tijdens de fouillering van [betrokkene 12] is een PGP-toestel aangetroffen. Uit de uitgelezen data van dit toestel blijkt dat er op 17 maart 2017 164 berichten zijn gewisseld met een PGP-account van de verdachte.
105. Het hof heeft overwogen dat uit de bewijsmiddelen blijkt dat de verdachte de opdracht tot het liquideren van [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] heeft aangenomen via [betrokkene 21] , dat hij met [betrokkene 21] heeft besproken hoe en waar deze liquidatie het beste kon plaatsvinden en dat hij de opdracht vervolgens heeft uitgezet bij [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] . Daarnaast heeft het hof overwogen dat de verdachte via een PGP-toestel contact heeft onderhouden met in ieder geval [betrokkene 12] en/of [betrokkene 13] op het moment dat zij in de buurt waren van de plek waar een van de beoogde slachtoffers kon komen en de liquidatie eventueel zou kunnen worden uitgevoerd en dat zij – ik begrijp [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] – daarbij de beschikking hadden over vuurwapens met bijbehorende munitie en gestolen auto’s met valse kentekenplaten. Het hof heeft geoordeeld dat de verdachte zich hiermee schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van voorbereiding van de moord op [slachtoffer 4] en [slachtoffer 5] aangezien er sprake is van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte] , [betrokkene 2] , [betrokkene 12] en [betrokkene 13] , waarbij de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen. In dat oordeel ligt besloten dat het hof heeft geoordeeld dat de verdachte tezamen en in vereniging met de ‘heads’ kon beschikken over vuurwapens en gestolen auto’s die voor gebruik bij de uitvoering van de moord(en) waren bestemd. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk en toereikend gemotiveerd.
106. De derde deelklacht faalt en daarmee ook het zevende middel.
Het achtste en tiende middel
107. Het achtste en tiende middel gaan over (de motivering van) de bewezenverklaringen in het deelonderzoek Gezicht . Het achtste middel ziet op het bestanddeel ‘in vereniging’ in het kader van het bewezen verklaarde openlijk in vereniging plegen van geweld op 29 juni 2017 (feit 3). Het tiende middel is toegespitst op het medeplegen van voorhanden hebben van wapens en munitie op 28 respectievelijk 29 juni 2017 (feit 2 en 4). Ik behandel eerst het tiende middel en daarna het achtste middel.
De bewezenverklaring en bewijsmotivering van de feiten 2, 3 en 4
108. Het hof heeft in het deelonderzoek Gezicht bewezen verklaard dat de verdachte:

2. op 28 juni 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie II en munitie van categorie II, te weten een raketwerper en een projectiel voorhanden heeft gehad;
3.meer meer subsidiair:
op 29 juni 2017 te [plaats] , openlijk, op de [a-straat] te [plaats] , in vereniging geweld heeft gepleegd tegen woningen gelegen aan de [a-straat 1] en [a-straat 2] , door meermalen met een vuurwapen op voornoemde woningen te schieten;
4. op 29 juni 2017 te [plaats] , tezamen en in vereniging met anderen, een wapen van categorie II en munitie van categorie II, te weten
-
een vuurwapen en
-
een hoeveelheid scherpe patronen
voorhanden heeft gehad”.
109. Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:

6.3.6. GEZICHT
28 juni 2017
6.3.6.1. De verklaringen van [kroongetuige]
[kroongetuige] heeft over het voornemen om een pand met een raketwerper te beschieten onder meer het volgende verklaard. Een dag vóór de beschieting heeft hij [verdachte] opgehaald in [plaats] . [kroongetuige] heeft toen van [verdachte] begrepen dat hij samen met [verdachte] naar [plaats] moest rijden om voor te verkennen, omdat daar een persoon woonde die moest worden gewaarschuwd. [verdachte] had de opdracht gekregen om met een raketwerper op de woning van die persoon te schieten. Bij de voorverkenning heeft [verdachte] de woning aan de [u-straat 1] aangewezen als het pand dat moest worden beschoten. [kroongetuige] moest de volgende dag een Peugeot 308 en de raketwerper aan de uitvoerders overhandigen. Op de dag van de voorgenomen beschieting bleek dat een van de uitvoerders de geboden geldelijke beloning te laag vond, waarna [verdachte] aan [kroongetuige] de opdracht heeft gegeven om als chauffeur te fungeren. [kroongetuige] en de andere uitvoerder zijn vervolgens in de Peugeot 308 naar [plaats] gereden en [kroongetuige] heeft de uitvoerder de woning aangewezen. De schutter is met de raketwerper uitgestapt, is naar de woning toegelopen en heeft de raketwerper uitgeklapt. De schutter was bezig om te gaan vuren, maar voordat hij daadwerkelijk vuurde zag hij in de tuin kinderen spelen. Daarop heeft de schutter zijn handelingen afgebroken en zijn [kroongetuige] en de schutter weggereden.
Verder heeft [kroongetuige] verklaard dat hij voorafgaand aan de beschieting in [plaats] in opdracht van [verdachte] een raketwerper in ontvangst heeft genomen van een persoon afkomstig uit de groep van de opdrachtgever. [verdachte] heeft aan [kroongetuige] verteld dat [betrokkene 28] de opdrachtgever was.
Het hof acht deze verklaring van [kroongetuige] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. Het hof zal dat hieronder nader uitwerken.
6.3.6.2. De onderbouwing van de verklaringen van [kroongetuige] en overige bewijsoverwegingen
Naar aanleiding van het onderzoek en de verklaringen van [kroongetuige] is het volgende gebleken.
6.3.6.2.1. Voorverkenning
Uit een PGP-gesprek van 27 juni 2017 tussen ‘ [PGP-naam 1] ’, veredeld als [verdachte] , en ‘ [PGP-naam 5] ’, veredeld als [betrokkene 20] , blijkt dat [betrokkene 20] een bericht doorstuurt afkomstig van ‘ [PGP-naam 9] ’. Het hof beschouwt de persoon achter dit account als de opdrachtgever. In dit doorgestuurde bericht wordt aan [verdachte] doorgegeven dat het een aardig donkere straat is met bomen en dat je daar kan komen via de [snelweg] en de afslag [plaats] of de afslag [plaats] / [plaats] .
Op een onder [verdachte] inbeslaggenomen harde schijf zijn op 27 juni 2017 gemaakte printjes gevonden van een routebeschrijving met als waarschijnlijke startlocatie de [p-straat 1] in [plaats] , een van de verblijfadressen van [verdachte] , en als eindbestemming de [a-straat] in [plaats] .
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [kroongetuige] (* [telefoonnummer 7] ) blijkt dat zijn telefoon zich op 27 juni 2017 in de middag tussen 13.28 uur en 13.49 uur in [plaats] bevond om vervolgens om 14.17 uur een zendmast aan te stralen op de [dd-straat] in [plaats] . Uit de zendmastgegevens van het telefoonnummer van [verdachte] (* [telefoonnummer 1] ) blijkt dat zijn telefoon zich tot 12.42 uur in [plaats] bevond. Vervolgens straalde zijn telefoon voor het eerst weer een zendmast aan op de [ee-straat] in [plaats] . Dit was om 14.13 uur. De zendmasten op de [dd-straat] in [plaats] en de [ee-straat] in [plaats] bevinden zich in elkaars verlengde langs de [snelweg] .
6.3.6.2.2. Verplaatsen naar de loods aan de Communicatieweg in [plaats]
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [verdachte] (* [telefoonnummer 1] ) blijkt dat zijn telefoon op 28 juni 2017 om 14.22 uur een zendmast aanstraalde bij [plaats] . Deze zendmast ligt in de nabije omgeving van [plaats] . Uit de gegevens van de onder [verdachte] inbeslaggenomen Volvo blijkt dat dit voertuig zich op 28 juni 2017 omstreeks 14.26 uur van [plaats] naar [plaats] heeft verplaatst. Uit de historische verkeersgegevens van de PGP-telefoon van [kroongetuige] (* [telefoonnummer 2] ) blijkt dat zijn telefoon om 14.27 uur gebruik heeft gemaakt van een zendmast aan de [r-straat 1] in [plaats] .
Het hof leidt hieruit af dat [kroongetuige] en [verdachte] op 28 juni 2017 bij de loods in [plaats] zijn geweest.
6.3.6.2.3. Verplaatsen naar [plaats]
Uit de historische verkeersgegevens van de PGP-telefoon van [kroongetuige] (* [telefoonnummer 2] ) volgt dat de telefoon om 18.07 uur nog gebruikmaakte van de zendmast aan de [r-straat 1] in [plaats] . Vervolgens verplaatste de telefoon zich via [plaats] , [plaats] en [plaats] naar [plaats] om daar om 19.05 uur een zendmast aan te stralen aan de [s-straat 1] .
Het hof leidt hieruit af dat [kroongetuige] zich op 28 juni 2017 vanuit [plaats] naar [plaats] heeft verplaatst.
6.3.6.2.4. ‘Beschieting’ met raketwerper
Uit veiliggestelde beelden van een camera aan de [a-straat 3] in [plaats] blijkt dat er op 28 juni 2017 tussen 18.53 uur en 19.00 uur vijfmaal een zilvergrijze Peugeot 308 voorbij is gereden.
[getuige 5] heeft verklaard dat hij op 28 juni 2017 omstreeks 19.05 uur een man over de [t-straat] naast de [a-straat] in [plaats] zag lopen. Hij zag dat de man een legergroene buis met een diameter van ongeveer 10 cm langs de linkerkant van zijn lichaam hield. Kort hierna hoorde de getuige een auto hard achteruitrijden. De getuige zag dat de man met de legergroene buis in een Peugeot stationwagen stapte en dat deze auto daarop snel wegreed. De getuige heeft later op internet gezocht naar het voorwerp dat de man vasthield en is ervan overtuigd dat het een bazooka was.
Uit nader onderzoek naar diezelfde camerabeelden is gebleken dat dezelfde zilvergrijze Peugeot 308 om 19.16 uur en 19.18 uur opnieuw langs de [a-straat 3] is gereden.
29 juni 2017
6.3.6.3. De beschieting van de [a-straat 1] (en [a-straat 2] )
Op 29 juni 2017 is omstreeks 23.00 uur de [a-straat 1] beschoten met een kalasjnikov (AK-47), waarbij de gevel van de woning is geraakt. Bij deze beschieting is ook een houten tuinschuur aan de [a-straat 2] geraakt.
6.3.6.4. De verklaringen van [kroongetuige]
[kroongetuige] heeft over de beschieting op de [a-straat 1] in [plaats] verklaard dat achteraf is gebleken dat hij en de schutter op 28 juni 2017 voor de verkeerde woning in [plaats] hebben gestaan. De woning van 28 juni 2017 bleek ook nummer […] te hebben maar bevond zich op de [u-straat] , op de hoek met de [a-straat] . [kroongetuige] heeft vervolgens van [verdachte] de opdracht gekregen om de juiste woning te zoeken. [kroongetuige] is weer naar [plaats] gereisd en heeft daarbij met een Samsung foto’s genomen van de [a-straat 1] in [plaats] . Hij heeft daarbij als alibi voor zijn aanwezigheid met zijn iPhone ook een foto van een huurwoning aan het einde van de betreffende straat gemaakt. Nadat [verdachte] , na het zien van de door [kroongetuige] gemaakte foto’s, contact had gelegd met de groep van de opdrachtgever, werd aan [verdachte] bevestigd dat het huis aan de [a-straat 1] de juiste woning was.
De volgende dag heeft [kroongetuige] van [verdachte] de opdracht gekregen om twee handgranaten naar binnen te gooien bij de [a-straat 1] in [plaats] . Nadat [kroongetuige] tegen [verdachte] had gezegd dat hij dat zelf niet wilde doen, heeft [verdachte] contact opgenomen met [betrokkene 29] , de president van chapter [plaats] van [motorclub] . [betrokkene 29] heeft vervolgens twee jongens van zijn chapter, [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] , naar voren geschoven voor de opdracht. Ondertussen had [kroongetuige] van [verdachte] begrepen dat de waarschuwing niet met handgranaten moest gebeuren, maar met een kalasjnikov. Daarbij was het de bedoeling dat [medeverdachte 1] als schutter zou optreden en [betrokkene 30] als back-up als [medeverdachte 1] zou weigeren op de woning te schieten. [kroongetuige] is vervolgens naar [betrokkene 29] in [plaats] gereden, heeft [betrokkene 30] en [medeverdachte 1] opgehaald en is met zijn Peugeot 206 naar de loods in [plaats] gereden. Daar hebben zij de Seat Leon gepakt. Zij hebben hun telefoons in [plaats] achtergelaten en zijn naar [plaats] gereden. Nadat [kroongetuige] de juiste woning had aangewezen, zijn [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] uit de auto gestapt en heeft [medeverdachte 1] de woning beschoten. [kroongetuige] heeft van [medeverdachte 1] begrepen dat de kalasjnikov na drie of vier schoten bleef hangen. Hierop zijn [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] teruggerend naar de Seat Leon en weggereden.
[kroongetuige] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] zijn vervolgens naar [plaats] gereden. Nadat ze de auto met daarin het wapen in een woonwijk hadden geparkeerd, zijn ze naar het centrum van [plaats] gelopen en op een terras bij een homobar gaan zitten. Met de telefoon van het café heeft [kroongetuige] contact gezocht met [verdachte] om te laten weten dat de beschieting was gelukt. Verder hebben [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] contact gezocht met hun partners en heeft [medeverdachte 1] geregeld dat ze zijn opgehaald door [betrokkene 31] .
Verder heeft [kroongetuige] verklaard dat [medeverdachte 1] later de Seat Leon in [plaats] heeft opgehaald en dat [medeverdachte 1] daarbij het wapen mee naar huis heeft genomen om te bekijken waarom het was blijven hangen. Hieruit bleek dat er een kogel vastzat in de loop.
Het hof acht deze verklaring van [kroongetuige] betrouwbaar, omdat die bevestiging vindt in meerdere bewijsmiddelen. Het hof zal dat hieronder nader uitwerken.
6.3.6.5 De onderbouwing van de verklaringen van [kroongetuige] en overige bewijsoverwegingen
Naar aanleiding van het onderzoek en de door [kroongetuige] afgelegde verklaringen is het volgende gebleken.
6.3.6.5.1. Vaststellen van de juiste woning
Uit nader onderzoek aan de onder [kroongetuige] inbeslaggenomen iPhone 6 volgt dat met dit toestel op 29 juni 2017 om 14.40 uur een foto is gemaakt van een woning in [plaats] . Blijkens de coördinaten is dit in de [v-straat] ter hoogte van nummer […] in [plaats] . Op de onder [kroongetuige] inbeslaggenomen Samsung is een foto aangetroffen van de [a-straat 1] in [plaats] .
Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat hij in [plaats] is geweest om erachter te komen wat de juiste woning was.
6.3.6.5.2. Handgranaten
Uit een PGP-gesprek van 29 juni 2017 tussen [verdachte] en [betrokkene 20] blijkt dat [betrokkene 20] een bericht doorstuurt van een account genaamd ‘ [PGP-naam 10] ’. ‘ [PGP-naam 10] ’ stuurt om 14.45 uur: “Rond 19.30. Kunnen ze appels aanpakken op de [w-straat 1] [plaats] ”.
Uit de opmerking “appels aanpakken” en de overige bewijsmiddelen in onderling verband en samenhang bezien leidt het hof af dat over handgranaten wordt gesproken.
6.3.6.5.3. [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] geregeld als uitvoerders
Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 3] en * [telefoonnummer 4] ), [betrokkene 30] (* [telefoonnummer 5] ) en [betrokkene 29] (* [telefoonnummer 6] ) volgt dat zij op 29 juni 2017 aan het begin van de avond onderling contact hebben gehad. Om 18.07 uur wordt het nummer van [medeverdachte 1] gebeld door het nummer van [betrokkene 30] en om 18.15 uur belt het andere nummer van [medeverdachte 1] naar het nummer van [betrokkene 29] . Vervolgens is er om 18.39 uur opnieuw contact tussen de nummers van [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] en om 19.00 uur en 19.03 uur tussen die van [medeverdachte 1] en [betrokkene 29] .
6.3.6.5.4. Vertrekken vanaf [plaats] naar de loods in [plaats]
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [kroongetuige] (* [telefoonnummer 7] ) blijkt dat zijn telefoon om 18.29 uur en om 18.43 uur een zendmast aanstraalde op de [x-straat 1] in [plaats] . Uit het aanstralen van de zendmasten is af te [plaats] dat de telefoon van [kroongetuige] zich verplaatste vanaf [plaats] (18.43 uur), via [plaats] (19.59 uur) naar [plaats] (22.00 uur). De telefoon van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 4] ) bewoog van [plaats] (19.18 uur), via [plaats] (19.37 uur en 19.44 uur) en [plaats] (20.07 uur) eveneens naar [plaats] (20.08 uur) en maakte daar tot en met 21.24 uur gebruik van zendmasten in [plaats] .
Uit screenshots aangetroffen op de onder [kroongetuige] inbeslaggenomen Samsung blijkt dat zijn Peugeot 206 op 29 juni 2017 om 19.10 uur een snelheidsovertreding heeft begaan ter hoogte van de trajectcontrole [snelweg] [plaats] rechts.
Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat hij, [betrokkene 30] en [medeverdachte 1] zich vanuit [plaats] / [plaats] naar de loods in [plaats] hebben verplaatst.
6.3.6.5.5. Achterlaten van de telefoons in [plaats]
Het telefoonnummer van [medeverdachte 1] (* [telefoonnummer 4] ) maakte op 29 juni 2017 om 21.24 uur voor het laatst die dag gebruik van een zendmast aan de [r-straat 1] in [plaats] . Op 1 juli 2017 werd voor de eerste keer weer een zendmast aangestraald. Uit onderzoek van de iPhone van [kroongetuige] blijkt dat het telefoonnummer * [telefoonnummer 7] op 29 juni 2017 vanaf 22.00 uur tot en met 30 juni 2017 om 21.05 uur zendmasten aanstraalde in [plaats] en dus ook ten tijde van het schietincident op de [a-straat 1] in [plaats] .
Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat hij en in ieder geval [medeverdachte 1] hun telefoon in [plaats] hebben achtergelaten.
6.3.6.5.6. Schieten op de [a-straat 1] in [plaats]
Uit de beelden van de beveiligingscamera op de [a-straat 3] in [plaats] volgt dat om 22.51 uur een persoon met voor zich iets in zijn handen over de [a-straat] in de richting van de [v-straat] loopt. Een tweede persoon loopt achter de eerste persoon aan. Enkele seconden later zijn er lichtflitsen te zien bij de [a-straat 1] , waarna beide personen terugrennen in de richting van waar zij vandaan kwamen (richting de Dorpsstraat).
De politie heeft onderzoek gedaan naar de lengte van de twee personen die op deze beelden zijn te zien. De lengte van de eerste en de tweede persoon is daarbij geschat op respectievelijk tussen 1.78 en 1.79 m en tussen 1.70 en 1.72 m. [medeverdachte 1] is 1.78 m lang en [betrokkene 30] 1.72 m.
Nabij de woning aan de [a-straat 1] zijn vier hulzen en twee projectielen (manteldelen) gevonden. Uit forensisch onderzoek blijkt dat de vier hulzen het kaliber 7,62 x 39 mm hebben en dat deze hulzen vermoedelijk zijn verschoten met een semiautomatisch werkend aanvalsgeweer van het type kalasjnikov (AK-47) of een wapen dat daarvan is afgeleid. De twee manteldelen passen bij het kaliber 7,62 x 39 mm.
6.3.6.5.7.Vluchten naar [plaats] – café [D]
Uit de historische verkeersgegevens van de telefoonnummers van [verdachte] (* [telefoonnummer 1] ), [betrokkene 31] (* [telefoonnummer 8] en * [telefoonnummer 9] ) (partner van [medeverdachte 1] ) en [betrokkene 32] (* [telefoonnummer 10] ) (partner van [betrokkene 30] ) is gebleken dat zij op 29 juni 2017 tussen 23.53 uur en 30 juni 2017 om 00.45 uur telefonisch contact hebben gehad met het [telefoonnummer 11] . Dit nummer is van café [D] in [plaats] .
6.3.6.5.8. Ophalen door [betrokkene 31]
Uit de historische verkeersgegevens van het telefoonnummer van [betrokkene 31] (* [telefoonnummer 8] ) blijkt dat dit nummer op 30 juni 2017 om 00.45 uur een zendmast aanstraalde in [plaats] . Vervolgens straalde het tussen 01.35 uur en 01.40 uur de mast aan [y-straat 1] in [plaats] aan, om vervolgens om 03.12 uur weer de zendmast aan [ff-straat] in [plaats] aan te stralen. Uit onderzoek van het navigatiesysteem van de door [betrokkene 31] gebruikte Fiat Panda volgt dat onder verwijderde items twee locaties in [plaats] zijn aangetroffen: de [z-straat] en [E] [plaats] . Ook zijn in de TomTom coördinaten aangetroffen die betrekking hebben op [aa-straat] in [plaats] .
Het hof vindt hierin bevestiging voor de verklaring van [kroongetuige] dat [betrokkene 31] [medeverdachte 1] , [betrokkene 30] en [kroongetuige] heeft opgehaald in [plaats] . De [z-straat] ligt in een woonwijk in [plaats] en past bij de verklaring van [kroongetuige] over waar zij de auto met het wapen hebben achtergelaten en waar [medeverdachte 1] de auto en het wapen later weer heeft opgehaald.
6.3.6.5.9. Onderzoek kalasjnikov door [medeverdachte 1]
Op een mobiele telefoon die inbeslaggenomen is op de [m-straat 1] in [plaats] zijn verschillende foto’s aangetroffen van [medeverdachte 1] en [betrokkene 31] . Ook zijn er twee afbeeldingen van het uitwerpmechanisme aan de bovenkant van een vuurwapen en twee afbeeldingen van een los patroon en een lege huls gevonden. In het uitwerpmechanisme is een huls te zien die schuin in het aanvoergedeelte zit.
Uit nader onderzoek blijkt dat het vuurwapen op de afbeeldingen een kalasjnikov is, waarmee normaal gesproken munitie van het kaliber 7,62 x 39 mm wordt verschoten. Op de afbeelding is ook een storing te zien. Er is een patroon aangevoerd, terwijl de huls van een vorig schot is blijven hangen.
Op de afbeeldingen van het vuurwapen en de munitie is op de achtergrond een houten bruine tafel met een zwarte placemat en witte rechthoekige vloertegels zichtbaar. Zowel [kroongetuige] als [betrokkene 31] heeft aan de hand van de achtergrond de woning van de moeder van [betrokkene 31] herkend. [betrokkene 31] heeft aan de hand van de placemat ook de tafel van haar moeder herkend.
6.3.6.6. De rol van [verdachte]
6.3.6.6.1. 28 juni 2017
Het hof leidt uit de bewijsmiddelen over 28 juni 2017 af dat [verdachte] van de opdrachtgever een opdracht heeft aangenomen om een woning te beschieten met een raketwerper en dat [kroongetuige] daartoe in opdracht van [verdachte] een raketwerper heeft opgehaald. [verdachte] is door de opdrachtgever op de hoogte gebracht van de omgeving van de woning. [verdachte] heeft de route vanaf zijn verblijfplaats in [plaats] naar de [a-straat] in [plaats] opgezocht en is samen met [kroongetuige] in [plaats] op voorverkenning geweest om de woning te bekijken. Voor de uitvoering van deze voorgenomen beschieting heeft [verdachte] twee andere personen geregeld. Omdat een van hen de beloning te laag vond, heeft [verdachte] aan [kroongetuige] de opdracht gegeven om bij de beschieting met de raketwerper als chauffeur te fungeren.
Naar het oordeel van het hof kan niet worden vastgesteld dat [verdachte] en de medeverdachten het opzet hadden op de dood van of het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel aan de bewoners van de [u-straat 1] in [plaats] . Het was de bedoeling om het huis op het adres [a-straat 1] in [plaats] , waarvan de bewoners op dat moment niet aanwezig waren, te beschieten en hen op die manier bang te maken. [kroongetuige] en de andere uitvoerder, die zich in het te beschieten huis hadden vergist, trokken zich onmiddellijk terug toen bleek dat er op het adres [u-straat 1] , dat is gelegen op de hoek van de [u-straat] en de [a-straat] , wel bewoners/personen aanwezig waren. Van opzet in voorwaardelijke zin op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel is naar het oordeel van het hof geen sprake. De kans dat in een dergelijk geval zich toevallig toch iemand bevindt in de woning die zou zijn verlaten, is onder de gegeven omstandigheden niet zo groot dat kan worden gesproken van een aanmerkelijke kans op de dood van een of meer in de woning aanwezige personen. Dit betekent dat [verdachte] wordt vrijgesproken van het onder 1 primair, subsidiair en meer subsidiair tenlastegelegde.
Van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht of met zware mishandeling van de bewoners of andere personen die aanwezig waren in of rondom de woning op het adres [u-straat 1] of de woning op het adres [a-straat 1] in [plaats] , is geen sprake. Uit het dossier komt niet naar voren dat de bewoners van de woning [a-straat 1] op de hoogte zijn gekomen van het op 28 juni 2017 per ongeluk richten van een raketwerper op – in plaats van hun woning – de woning [u-straat 1] . Uit de op 21 mei 2019 afgelegde verklaring van de hoofdbewoonster van het adres [a-straat 1] blijkt dat zij alleen weet heeft van een incident op 7 juni 2017 waarbij een handgranaat in een tas aan hun tuinhek is gehangen en van een incident op 29 juni 2017 waarbij er op hun woning is geschoten toen zij niet thuis waren.
De bewoners van de [u-straat 1] zijn op 19 april 2019 in verband met een uitzending van Opsporing Verzocht alsnog door de politie ervan op de hoogte gebracht dat op 28 juni 2017 bij vergissing een raketwerper op hun woning is gericht. Op zich is het richten met een raketwerper op een woning een bedreiging die van dien aard is en onder zulke omstandigheden gedaan dat bij de bewoners van die woning in beginsel de redelijke vrees kan ontstaan dat zij het leven kunnen verliezen of dat zij zwaar lichamelijk letsel kunnen oplopen. De toenmalige bewoners van het adres [u-straat 1] hebben echter pas op 19 april 2019 wetenschap van het incident van 28 juni 2017 gekregen. Mede vanwege het onderwerp van de uitzending van Opsporing Verzocht – acties uit juni 2017 die waren gericht tegen de bewoners van de woning [a-straat 1] – neemt het hof aan dat aan de bewoners van de [u-straat 1] is duidelijk gemaakt dat de daders zich hadden vergist en dat het de bedoeling was geweest om de bewoners van de [a-straat 1] bang te maken. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat alsnog op 19 april 2019 bij de voormalige bewoners van de [u-straat 1] door het op 28 juni 2017 richten met een raketwerper op hun woning de redelijke vrees is ontstaan dat zij hun leven zouden kunnen verliezen of zwaar lichamelijk letsel zouden kunnen oplopen. Uit het procesverbaal van bevindingen over het op de hoogte stellen op 19 april 2019 blijkt ook niet dat het voorval van 28 juni 2017 bij hen, ook al waren zij geschrokken, een dergelijke vrees heeft opgewekt.
Omdat er geen bewijs is van een voltooide bedreiging van de bewoners of andere aanwezigen van de woning [u-straat 1] of de woning [a-straat 1] in [plaats] , kan ook niet worden bewezen dat [verdachte] zich heeft schuldig gemaakt aan het medeplegen van (uitlokking van of medeplichtigheid aan) een dergelijke bedreiging, zoals dat aan hem is ten laste gelegd onder 1 meer meer, nog meer meer en meest subsidiair.
[verdachte] heeft zich wel schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een raketwerper en een projectiel, zoals dat onder 2 is ten laste gelegd.
6.3.6.6.2. 29 juni 2017
Het hof leidt verder uit de bewijsmiddelen over 29 juni 2017 af dat [verdachte] via de groep van de opdrachtgever had begrepen dat zij het verkeerde huis op het oog hadden en dat hij vervolgens aan [kroongetuige] de opdracht heeft gegeven om de juiste woning in [plaats] te zoeken. [verdachte] heeft de bevestiging gekregen dat de door [kroongetuige] gefotografeerde woning aan de [a-straat 1] in [plaats] de juiste woning was en heeft vervolgens via [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] geregeld om samen met [kroongetuige] die woning te beschieten. [verdachte] is kort na de daadwerkelijke beschieting door de uitvoerders op de hoogte gebracht.
Niet kan worden vastgesteld dat [verdachte] al dan niet in voorwaardelijke zin het opzet had op de dood van de bewoners van de [a-straat 1] en/of een of meer daar in de buurt gelegen woningen. De bedoeling was om een huis te beschieten, waarbij ervan werd uitgegaan dat de bewoners niet thuis waren. De bewoners van de woning die is beschoten waren ook niet thuis. De kans dat toch iemand aanwezig zou zijn, is in de gegeven omstandigheden niet zo groot dat kan worden gezegd dat [verdachte] en de medeverdachten de reële, niet onwaarschijnlijke mogelijkheid dat iemand in de woning aanwezig zou zijn en bij het uitvoeren van het plan om het leven zou komen, bewust hebben aanvaard. Naar het oordeel van het hof kan ook niet worden gezegd dat [verdachte] en de medeverdachten bewust de aanmerkelijke kans op de dood van een bewoner van een nabijgelegen woning hebben aanvaard, zodat ook het opzet in voorwaardelijke zin op de dood van bewoners van nabijgelegen woningen ontbreekt. Daarom is niet bewezen wat aan [verdachte] onder 3 primair, subsidiair en meer subsidiair is ten laste gelegd.
[verdachte] heeft zich wel schuldig gemaakt aan het onder 3 meer meer subsidiair ten laste gelegde medeplegen van openlijke geweldpleging. Hij heeft in nauwe en bewuste samenwerking met [kroongetuige] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] gehandeld en een significante bijdrage geleverd door de opdracht aan te nemen, zelf informatie over het doelwit te verzamelen, een voorverkenning uit te voeren, [kroongetuige] aan te sturen (wat ook blijkt uit de omstandigheid dat [kroongetuige] aan hem verslag deed na de beschieting), te zorgen dat [kroongetuige] en de andere uitvoerders over een wapen beschikten en voor de betaling aan de uitvoerders te zorgen. [verdachte] heeft zich daarmee ook schuldig gemaakt aan het medeplegen van het voorhanden hebben van een vuurwapen en scherpe patronen, zoals onder 4 is ten laste is gelegd.
Een nadere omschrijving van het tiende middel
110. Het middel houdt in dat het hof in het kader van feit 2 én van feit 4 ontoereikend heeft gemotiveerd dat de verdachte feitelijke beschikkingsmacht over de in de bewezenverklaring genoemde voorwerpen had.
De bespreking van het tiende middel
(a)
Feit 2: medeplegen van voorhanden hebben van een raketwerper en projectiel op 28 juni 2017
111. In zijn bewijsoverwegingen stelt het hof vast:
- Op 27 juni 2017 heeft [kroongetuige] de verdachte opgehaald in [plaats] . Hij begreep toen van de verdachte dat hij samen met hem naar [plaats] moest rijden om voor te verkennen, omdat daar een persoon woonde die moest worden gewaarschuwd. De verdachte had de opdracht gekregen om met een raketwerper op de woning van die persoon te schieten.
- [kroongetuige] moest de volgende dag een Peugeot 308 en de raketwerper aan de uitvoerders overhandigen. Op de dag van de voorgenomen beschieting bleek dat een van de uitvoerders de geboden geldelijke beloning te laag vond, waarna de verdachte aan [kroongetuige] de opdracht heeft gegeven om als chauffeur te fungeren.
- [kroongetuige] en de andere uitvoerder zijn vervolgens in de Peugeot 308 naar [plaats] gereden en [kroongetuige] heeft de uitvoerder de woning aangewezen. De schutter is met de raketwerper uitgestapt, is naar de woning toegelopen en heeft de raketwerper uitgeklapt. De schutter was bezig om te gaan vuren, maar voordat hij daadwerkelijk vuurde zag hij in de tuin kinderen spelen. Daarop heeft de schutter zijn handelingen afgebroken en zijn [kroongetuige] en de schutter weggereden.
112. Het hof heeft hieruit afgeleid dat de verdachte een opdracht heeft aangenomen om een woning te beschieten met een raketwerper, dat hij personen heeft geregeld om die opdracht uit te voeren en dat hij heeft georganiseerd dat die uitvoerders over een raketwerper (met projectiel) konden beschikken. Het daarop gebaseerde oordeel dat de verdachte in een bewuste en nauwe samenwerking met anderen kon beschikken over die raketwerper (met projectiel), is toereikend gemotiveerd en zeker niet onbegrijpelijk. [64]
113. Onderdeel (a) van het tiende middel faalt.
(b)
Feit 4: het medeplegen van voorhanden hebben van een vuurwapen en munitie op 29 juni 2017
114. In aanvulling op het bewijs van feit 2 stelt het hof vast:
- Achteraf is gebleken dat [kroongetuige] en de schutter op 28 juni 2017 voor de verkeerde woning in [plaats] stonden. Op 29 juni 2017 gaf de verdachte [kroongetuige] de opdracht om twee handgranaten naar binnen te gooien bij de [a-straat 1] in [plaats] .
- Nadat [kroongetuige] tegen de verdachte had gezegd dat hij dat zelf niet wilde doen, heeft de verdachte contact opgenomen met [betrokkene 29] , de president van chapter [plaats] van [motorclub] . [betrokkene 29] heeft vervolgens twee jongens van zijn chapter, [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] , naar voren geschoven voor de opdracht. Ondertussen had [kroongetuige] van de verdachte begrepen dat de waarschuwing niet met handgranaten moest gebeuren, maar met een kalasjnikov.
- [kroongetuige] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] zijn (in opdracht van de verdachte) naar de woning gereden en [medeverdachte 1] heeft met een kalasjnikov op de woning geschoten.
115. Het oordeel van het hof dat de verdachte in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen kon beschikken over de kalasjnikov en bijhorende munitie is toereikend gemotiveerd en zeker niet onbegrijpelijk. [65] Het vuurwapen is immers gebruikt om een plan te verwezenlijken waarvoor de verdachte de eindverantwoordelijke was, zo wijst de bewijsvoering uit.
116. Onderdeel (b) van het tiende middel faalt en daarmee ook het gehele tiende middel.
Een nadere omschrijving van het achtste middel
117. Het middel bevat een klacht over het oordeel dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan het door anderen gepleegde geweld. Aan de klacht ligt ten grondslag dat deelneming aan het openlijk in vereniging plegen van geweld als bedoeld in artikel 141 lid 1 Sr Pro enkel strafbaar is als de deelnemer bij de geweldpleging fysiek aanwezig is, en dat gold niet voor de verdachte.
Het juridisch kader: op afstand deelnemen aan openlijke geweldpleging ‘in vereniging’
118. De Hoge Raad heeft zich, voor zover ik kan zien, nog niet eerder uitgelaten over een zaak waarin de verdachte niet fysiek aanwezig was op de plaats delict van de in artikel 141 Sr Pro bedoelde geweldpleging. In een arrest uit 2016 oordeelde de Hoge Raad wel dat de eisen die worden gesteld aan het bewijs van ‘medeplegen’ “
in vergelijkbare zin[gelden]
indien het medeplegen - bijvoorbeeld in de vorm van ‘in vereniging’ - een bestanddeel vormt van de delictsomschrijving”. [66] Volgens de Hoge Raad (in hetzelfde arrest) brengt dit mee dat de rechter bij het bewijzen van artikel 141 Sr Pro: “
zal (…) moeten beoordelen of sprake is van nauwe en bewuste samenwerking ten aanzien van het openlijk plegen van geweld tegen personen of goederen.” Dat wijst erop dat de Hoge Raad voor het bewijs van het bestanddeel ‘in vereniging’ in artikel 141 Sr Pro niet de fysieke aanwezigheid van elke dader verlangd. Dat is bij medeplegen in de zin van artikel 47 Sr Pro namelijk ook niet het geval. [67]
119. De totstandkomingsgeschiedenis van de meest recente wijziging van artikel 141 lid 1 Sr Pro wijst in dezelfde richting. Bij wet van 25 april 2000 werden de woorden ‘met verenigde krachten’ vervangen door de woorden: in vereniging. [68] Aan het ‘met verenigde krachten plegen van geweld’ had de Hoge Raad (op basis van de wetsgeschiedenis) altijd een relatief beperkte interpretatie gegeven, namelijk door te eisen dat van elke pleger enige gewelddadige handeling moest zijn uitgegaan. [69] In tegenstelling daarmee waren de grenzen van de algemene deelnemingsvorm medeplegen in de loop der jaren steeds ruimer getrokken. De voorwaarde van een gezamenlijke uitvoering (en dus aanwezigheid ter plaatse) gold, als gezegd, al lang niet meer. [70]
120. In de memorie van toelichting bij het hiervoor bedoelde wetsvoorstel merkt de minister op dat het wetsvoorstel vooral voortkomt uit de verandering in denken over strafrechtelijke aansprakelijkheid, te zien in de ontwikkeling van de figuur van het medeplegen: “
Niet alleen het plegen van uitvoeringshandelingen, maar ook andere bijdragen aan het tot stand komen van een delict rechtvaardigen strafrechtelijke aansprakelijkheid.” [71] De memorie van toelichting houdt verder in dat “
de voorgestelde aanpassing van artikel 141 WvSr Pro beoogt te bewerkstelligen, dat de verruiming van het medeplegen ook bij dit artikel doorwerkt”. [72] Daarbij wordt opgemerkt dat bij een niet-spontane uitbarsting van geweld de dader ook een rol in de organisatie kan hebben gespeeld door deelnemers aan de openlijke geweldpleging te werven. [73] En in de memorie van antwoord stelt de minister: “
Een tweede soort gedraging die een voldoende wezenlijke bijdrage aan openlijke geweldpleging kan opleveren, betreft het organiseren of, op de achtergrond, sturen daarvan.” [74]
121. Ik ga er dus van uit dat ook een persoon die niet aanwezig is op de plaats delict van het (openlijke) geweld kan worden veroordeeld voor overtreding van artikel 141 Sr Pro, zolang hij maar nauw en bewust, en met een bijdrage van voldoende gewicht, heeft samengewerkt met de andere dader(s). Dat artikel 141 Sr Pro ertoe strekt de openbare orde te beschermen staat daaraan niet in de weg, omdat het vereiste van ‘openlijkheid’ garandeert dat de overtreding van artikel 141 Sr Pro verband houdt met een verstoring van de openbare orde.
De bespreking van het achtste middel
122. Over de gang van zaken bij de beschieting stelt het hof vast dat [kroongetuige] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] naar de [a-straat] zijn gereden, waar [kroongetuige] de juiste woning heeft aangewezen. Vervolgens zijn [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] uit de auto gestapt en heeft [medeverdachte 1] de woning beschoten. De kalasjnikov bleef na drie of vier schoten hangen. Hierop zijn [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] teruggerend naar de Seat Leon en weggereden. [kroongetuige] heeft verklaard dat het de bedoeling was dat [medeverdachte 1] als schutter optrad en dat [betrokkene 30] als back-up fungeerde, voor het geval dat [medeverdachte 1] zou weigeren op de woning te schieten.
123. Het hof oordeelt vervolgens dat de verdachte ten aanzien van het gepleegde geweld (de beschieting van de woning aan de [a-straat 1] ) in een nauwe en bewuste samenwerking met [kroongetuige] , [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] heeft gehandeld, namelijk door “
de opdracht aan te nemen, zelf informatie over het doelwit te verzamelen, een voorverkenning uit te voeren, [kroongetuige] aan te sturen (wat ook blijkt uit de omstandigheid dat [kroongetuige] aan hem verslag deed na de beschieting), te zorgen dat [kroongetuige] en de andere uitvoerders over een wapen beschikten en voor de betaling aan de uitvoerders te zorgen.
124. Het oordeel van het hof dat de verdachte een voldoende belangrijke bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van het geweld, is gelet op het voorgaande niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd. Het getuigt ook niet van een onjuiste rechtsopvatting.
125. Het achtste middel faalt.
Het negende middel
126. Het negende middel gaat over het bewijs van het medeplegen bij de vijf liquidaties waarvoor de verdachte is veroordeeld. Het gaat om de feiten in de deelonderzoeken Charon , Charlie17 , Breuk , Langenhorst en Lis . Het middel bevat voor elk feit eenzelfde ( deel )klacht. Die komt er telkens op neer dat het hof ontoereikend heeft gemotiveerd dat de verdachte nauw en bewust heeft samengewerkt met anderen. De steller van het middel voert daartoe aan dat de bijdrage van de verdachte niet van voldoende gewicht was, aangezien hij niet was betrokken bij de uitvoering en slechts een rol had bij de planning en afhandeling van de liquidaties.
127. Ik bespreek de deelklachten in de volgorde van de tenlastelegging en bewezenverklaring.
De bespreking van het negende middel
(a)
De moord op [slachtoffer 7] op 31 januari 2017 ( deelonderzoek Charon )
128. Het oordeel dat de verdachte zich in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen schuldig heeft gemaakt aan dit feit, steunt op het volgende [75] :
­ De verdachte heeft (in opdracht van de criminele organisatie van de opdrachtgever) zijn mensen opdracht gegeven de liquidatie van [slachtoffer 7] uit te voeren.
­ Hij was vervolgens betrokken bij het organiseren van de liquidatie. Hij werd op de hoogte gehouden van de zoektocht naar het slachtoffer, was betrokken bij het maken van een vervolgafspraak toen het slachtoffer was gevonden, gaf anderen opdracht goederen voor de liquidatie weg te brengen of op te halen en gaf opdracht de vluchtauto in de brand te steken.
­ Verder legde hij verantwoording af aan de opdrachtgever en nam hij het geld voor de liquidatie in ontvangst om vervolgens te verdelen onder zijn mensen.
129. Het hof heeft op deze manier toereikend gemotiveerd dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen. Dit oordeel is dus niet onbegrijpelijk. Deze deelklacht faalt.
(b)
De moord op [slachtoffer 2] op 17 april 2017 ( deelonderzoek Charlie17 )
130. Het oordeel dat de verdachte zich in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen schuldig heeft gemaakt aan dit feit, steunt op het volgende [76] :
­ De verdachte heeft een van de (twee) schutters aangestuurd bij de voorbereiding van de liquidatie.
­ Hij heeft rond het tijdstip van de liquidatie geregeld dat [kroongetuige] de schutters en de chauffeur kwam ophalen toen bleek dat de tweede vluchtauto niet kon worden gebruikt. De verdachte was dus op de hoogte van de actuele situatie ten tijde van de liquidatie en stuurde waar nodig bij.
­ De liquidatie werd uitgevoerd in opdracht van [betrokkene 28] (de opdrachtgever). De verdachte heeft de opdrachtgever na afloop verslag uitgebracht van de liquidatie.
­ De verdachte heeft [kroongetuige] betaald voor het ophalen en afzetten van de uitvoerders.
131. Het hof leidt hieruit af dat de verdachte een ‘sturende’ rol had bij de liquidatie van [slachtoffer 2] . In het voorgaande ligt bovendien besloten dat de verdachte richting de opdrachtgever verantwoordelijk was voor het laten plaatsvinden van de liquidatie. Met het voorgaande heeft hof toereikend gemotiveerd dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen. Dit oordeel is dus niet onbegrijpelijk. Deze deelklacht faalt.
(c)
De moord op [slachtoffer 1] op 7 juli 2017 ( deelonderzoek Breuk )
132. Het oordeel dat de verdachte zich in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen schuldig heeft gemaakt aan dit feit, steunt op het volgende [77] :
­ De verdachte heeft van de organisatie van de opdrachtgever een opdracht aangenomen om [slachtoffer 1] te liquideren en heeft de uitvoering daarvan uitgezet bij [kroongetuige] en [medeverdachte 1] .
­ De verdachte is zelf samen met [kroongetuige] op voorverkenning uitgegaan.
­ Na de afgebroken actie op 5 juli 2017 heeft [verdachte] de druk bij [kroongetuige] opgevoerd om de liquidatie alsnog te plegen. Op 6 juli 2017 heeft hij een van de wapens die bij de liquidatie zou worden gebruikt, gecontroleerd. [78]
­ De verdachte stemde met [betrokkene 20] (uit de organisatie van de opdrachtgever) af dat het op 7 juli 2017 om 15:00 uur moest gebeuren. Dat heeft hij tegen [kroongetuige] gezegd. Hij voerde dus regie bij de uitvoering van de liquidatie. Na afloop bracht hij verslag uit aan [betrokkene 20] en de opdrachtgever.
­ Op 8 juli betaalde hij de uitvoerders van de liquidatie.
133. Het hof heeft op deze manier toereikend gemotiveerd dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen. Dit oordeel is dus niet onbegrijpelijk. Ook deze deelklacht faalt.
(d)
De moord op [slachtoffer 8] op 26 juli 2017 ( deelonderzoek Langenhorst )
134. Het oordeel dat de verdachte zich in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen schuldig heeft gemaakt aan dit feit, steunt op het volgende [79] :
­ De kroongetuige heeft verklaard dat de verdachte van een Turkse criminele organisatie een opdracht tot de liquidatie van [slachtoffer 8] heeft aangenomen. Ook verklaarde hij dat de (liquidatie van) [slachtoffer 8] op enig moment op een lager pitje werd gezet, omdat [verdachte] “
maar € 60.000,-” zou krijgen en hij zelf auto’s en wapens moest regelen. [80]
­ De verdachte heeft ten behoeve van de liquidatie een A4’tje met daarop een foto van [slachtoffer 8] en diens persoonsgegevens in zijn bezit gehad. Dat A4’tje heeft hij aan [kroongetuige] getoond en hij heeft de opdracht [slachtoffer 8] te liquideren bij hem uitgezet. Hij gaf [kroongetuige] verder de opdracht om samen met [betrokkene 2] in [plaats] een vuurwapen op te halen voor de liquidatie. De verdachte heeft vervolgens druk gezet op [kroongetuige] om de liquidatie daadwerkelijk uit te voeren. [kroongetuige] heeft zich teruggetrokken maar de liquidatie heeft uiteindelijk wel plaatsgevonden, mede door bemoeienis van [betrokkene 2] , die onderdeel uitmaakte van de criminele organisatie van [verdachte] .
­ De verdachte was betrokken bij de betalingen voor de moord.
135. Uit het voorgaande leidt het hof af dat de verdachte ook na het terugtreden van [kroongetuige] nog verantwoordelijk was voor het laten plaatsvinden van de liquidatie. Ook concludeert het hof dat de verdachte de betrokkenen aanstuurde. Hierin ligt het – niet onbegrijpelijke – oordeel besloten dat de verdachte verantwoordelijk was voor het regelen, aansturen en betalen van de personen die het slachtoffer hebben geliquideerd en dat hij ervoor heeft gezorgd dat hen auto’s en wapens ter beschikking stonden.
136. Het hof heeft met het voorgaande toereikend gemotiveerd dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen. Dit oordeel is dus niet onbegrijpelijk. De deelklacht faalt.
(e) De moord op [slachtoffer 6] op 21 september 2017 ( deelonderzoek Lis )
137. Het oordeel dat de verdachte zich in een nauwe en bewuste samenwerking met anderen schuldig heeft gemaakt aan dit feit, steunt ten eerste op het volgende [81] :
­ [kroongetuige] heeft verklaard dat hij van de verdachte heeft gehoord dat ‘ [bijnaam 2] ’ moest worden geliquideerd en dat de verdachte bezig was om ‘ [bijnaam 2] ’ te zoeken en te lokken. Het slachtoffer was woonachtig in België en had de Belgische nationaliteit. [82]
­ De liquidatie van [slachtoffer 6] vond plaats voor café [B] in [plaats] .
­ In café [B] werden tot in januari 2017 clubavonden van [motorclub] gehouden. Ook is dat de locatie waar [verdachte] op 9 maart 2017 [slachtoffer 3] naartoe had willen lokken om hem te laten liquideren, zoals blijkt uit deelonderzoek Barbera .
138. Het hof komt op basis hiervan tot de conclusie dat de verdachte de opdracht heeft gegeven om [slachtoffer 6] te liquideren. Gelet op de overeenkomsten van deze liquidatie met de andere, hiervoor besproken, liquidaties, kan het niet anders aldus het hof dan dat de verdachte bij de moord op [slachtoffer 6] dezelfde rol vervulde als bij die andere liquidaties. [83] Dat houdt in dat de verdachte de opdracht tot de liquidatie van [slachtoffer 6] heeft aangenomen, en vervolgens de uitvoering heeft uitgezet bij [betrokkene 30] en [betrokkene 33] . Verder betekent dit (volgens het hof) dat de verdachte ervoor heeft gezorgd dat aan de uitvoerders de benodigde middelen (wapens en auto’s) ter beschikking werden gesteld. Voorafgaand aan de liquidatie is de verdachte bovendien zelf bezig geweest het slachtoffer te zoeken en te lokken.
139. Het hof heeft met het voorgaande toereikend gemotiveerd dat de bijdrage van de verdachte van voldoende gewicht was om tot een bewezenverklaring van medeplegen te komen. Dit oordeel is dus niet onbegrijpelijk. De laatste deelklacht faalt dus ook en daarmee het gehele middel.
Het elfde middel
140. Dit middel houdt (ten eerste) in dat het bewezen verklaarde in het deelonderzoek Lis (de moord op [slachtoffer 6] ) niet uit de bewijsvoering kan volgen. Deze klacht is gebaseerd op de stelling dat de bewezenverklaring van de betrokkenheid en het daderschap van de verdachte in wezen enkel steunt op schakelbewijs. Volgens de steller van het middel is de bewijsmotivering daarom zo summier, dat de bewezenverklaring ontoereikend met redenen is omkleed.
141. In de toelichting op het middel wordt (ten tweede) gesteld dat het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat de verdachte bij dit feit betrokken is geweest, niet begrijpelijk is. De steller van het middel voert aan dat het hof schakelbewijs heeft gebruikt, maar heeft nagelaten aan te geven op welke punten de feiten dusdanig essentieel overeenkomen dat de verdachte ook van dit feit als (mede)dader kan worden aangemerkt in de zin van artikel 350 Sv Pro.
De bewijsmotivering van de liquidatie van [slachtoffer 6]
142. Het arrest bevat de volgende bewijsoverwegingen:

6.3.9.1. De liquidatie van [slachtoffer 6]
Op 21 september 2017 omstreeks 21.20 uur is [slachtoffer 6] neergeschoten in zijn personenauto tegenover café [B] aan de [f-straat] in [plaats] en als gevolg daarvan diezelfde dag overleden.
6.3.9.2. Getuigen
6.3.9.2.1. Getuigen plaats delict
[getuige 6] is na het horen van enkele harde knallen naar haar raam gelopen. Zij zag twee in het donker geklede personen met truien met een capuchon op wegrennen van de plek waar het geluid van de schoten vandaan kwam. De getuige zag dat de tweede persoon een groot/lang voorwerp bij zich droeg.
[getuige 7] hoorde vrijwel direct na de schoten het geluid van een automotor en zag kort daarna een BMW 5-serie type E61 met een enorme snelheid rijden. Later zag de getuige op Twitter dat er een uitgebrande auto was aangetroffen in [plaats] . De getuige zag aan de velg dat het om een BMW 5 serie type E61 ging.
(…)
6.3.9.3. Forensisch onderzoek
6.3.9.3.1. Hulzen
Op de plaats delict, een parkeerplaats tegenover café [B] aan de [f-straat 1] in [plaats] , zijn veertien hulzen aangetroffen, die voor nader onderzoek zijn veiliggesteld. Om 22.35 uur is aan de [bb-straat] in [plaats] een uitgebrande auto voorzien van het [kenteken 5] aangetroffen met in de kofferbak een kalasjnikov (AK-47). De forensische opsporing heeft ook dit wapen veiliggesteld.
Het NFI heeft onderzoek gedaan ter beantwoording van de vraag of de aangetroffen hulzen met deze kalasjnikov zijn verschoten. De uitkomsten van dit vergelijkend hulsonderzoek zijn extreem veel waarschijnlijker wanneer alle hulzen uit de aangetroffen kalasjnikov afkomstig zijn, dan wanneer de hulzen met een ander vuurwapen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken zijn verschoten.
Op de plaats delict en in het lichaam van [slachtoffer 6] zijn diverse kogels en kogelmanteldelen aangetroffen en nader onderzocht. De bevindingen van dit onderzoek zijn minimaal veel waarschijnlijker tot minimaal zeer veel waarschijnlijker wanneer ze uit een en dezelfde loop zijn afgevuurd dan wanneer de kogels en kogelmanteldelen uit twee lopen van hetzelfde kaliber en met dezelfde systeemkenmerken zijn afgevuurd.
(…)
6.3.9.5. Het scenario waarbij [verdachte] , [betrokkene 30] en [betrokkene 33] betrokkenheid hebben bij de liquidatie van [slachtoffer 6]
In Eris staat een criminele organisatie centraal die tot doel had het liquideren van personen. [verdachte] was de leider van die criminele organisatie. Dit volgt uit de beoordeling van de verdenkingen in het deelonderzoek over de criminele organisatie en uit de deelonderzoeken waarbij [verdachte] betrokken is. [kroongetuige] heeft verklaard dat hij van [verdachte] heeft gehoord dat ‘ [bijnaam 2] ’ moest worden geliquideerd. [verdachte] was bezig om ‘ [bijnaam 2] ’ te zoeken en te lokken. [betrokkene 30] was gelet op zijn betrokkenheid bij de feiten van de deelonderzoeken Gezicht en Goudvink lid van de criminele organisatie van [verdachte] . [betrokkene 30] en [betrokkene 33] waren beiden actief in het chapter [plaats] van [motorclub] . [verdachte] heeft [motorclub] opgericht en hij was een van de leidinggevende figuren. [betrokkene 29] was president van het chapter [plaats] van [motorclub] . [kroongetuige] heeft verklaard dat [betrokkene 29] wilde dat [betrokkene 33] op 29 juni 2017 met [betrokkene 30] mee ging naar [plaats] om een woning te beschieten ( deelonderzoek Gezicht ), maar dat uiteindelijk [medeverdachte 1] en [betrokkene 30] zijn meegegaan omdat [verdachte] dat zo had bepaald. De liquidatie van [slachtoffer 6] vond plaats voor café [B] in [plaats] . In dat café werden tot in januari 2017 clubavonden van [motorclub] gehouden. Ook is dat de locatie waar [verdachte] op 9 maart 2017 [slachtoffer 3] naartoe had willen lokken om hem te laten liquideren (deelonderzoek Barbera ).
Naar het oordeel van het hof is wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] de opdracht heeft gegeven om [slachtoffer 6] te liquideren. Hij was bezig met de liquidatie van ‘ [bijnaam 2] ’ en [bijnaam 2] [slachtoffer 6] is geliquideerd voor café [B] , waarnaartoe [verdachte] eerder een ander beoogd slachtoffer van een liquidatie had geprobeerd te lokken. Te verwachten valt dat deelnemers aan de criminele organisatie van [verdachte] de liquidatie van [slachtoffer 6] hebben uitgevoerd.
[kroongetuige] heeft verklaard dat [betrokkene 29] in contact stond met [verdachte] , dat hij opdrachten van [verdachte] aannam en dat [betrokkene 29] mensen had om die opdrachten uit te voeren. Verder heeft [kroongetuige] verklaard dat hij weet dat [betrokkene 30] bereid was liquidaties uit te voeren, wat wordt bevestigd door de rol van [betrokkene 30] in deelonderzoek Goudvink .
Op 14 december 2017 voerden ‘ [PGP-naam 3] ’, veredeld als [verdachte] , en ‘ [PGP-naam 11] ’, veredeld als [betrokkene 20] , een PGP-chatgesprek. [verdachte] zegt dat morgen een paar “heads” terugkomen uit Engeland en dat hij deze gaat proberen direct op “die twee” en “sport” te zetten. Op 18 december 2017 stuurt [betrokkene 29] een video en twee foto’s naar [verdachte] . [verdachte] vraagt aan [betrokkene 29] welke stad dit is. [betrokkene 29] reageert: “Croydon cuzz [plaats] ”. Op deze foto’s met daarop schijnbaar leden van het chapter [plaats] van [motorclub] zijn ook [betrokkene 29] en [betrokkene 33] te zien. [kroongetuige] heeft verklaard dat met ‘heads’ uitvoerders van liquidaties worden bedoeld.
Gelet hierop en omdat:
-
[verdachte] de opdracht heeft gegeven [slachtoffer 6] te liquideren;
-
aangenomen mag worden dat personen uit de omgeving van [verdachte] de liquidatie van [slachtoffer 6] hebben uitgevoerd;
-
[betrokkene 30] en [betrokkene 33] actief waren in het chapter [plaats] van [motorclub] onder leiding van [betrokkene 29] ;
-
[betrokkene 29] had gewild dat [betrokkene 33] op 29 juni 2017 met [betrokkene 30] was meegegaan om een woning in [plaats] te beschieten;
-
DNA van [betrokkene 30] en [betrokkene 33] op door de daders gedragen kleding is gevonden;
-
de sporen geen match met andere personen inclusief veertien personen uit het onderzoek Eris heeft opgeleverd; en omdat
-
er geen aanwijzingen zijn dat andere personen uit de omgeving van [verdachte] de moord op [slachtoffer 6] hebben gepleegd;
acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat [betrokkene 30] en [betrokkene 33] , in opdracht van [verdachte] , de liquidatie van [slachtoffer 6] hebben uitgevoerd.
Het hof wordt ten aanzien van [betrokkene 30] gesterkt in de overtuiging dat hij betrokken is geweest bij de liquidatie van [slachtoffer 6] door het feit dat een van hem afkomstige TomTom op 21 september 2017 om 12.19 en 14.05 uur dezelfde coördinaten in de buurt van het adres [cc-straat 1] in [plaats] heeft geregistreerd (en in de tussentijd geen andere), terwijl [slachtoffer 6] woonde op het adres [cc-straat 1] in [plaats] , [plaats] en [plaats] districten van [plaats] zijn en Google Maps [cc-straat 1] in [plaats] als resultaat geeft van de zoekopdracht “ [cc-straat 1] , [plaats] ”.
6.3.9.1.
6.3.9.2.
6.3.9.3.
6.3.9.4.
6.3.9.5.
6.3.9.6. De rollen van [verdachte] , [betrokkene 30] en [betrokkene 33]
Uit het voorgaande volgt dat wettig en overtuigend bewezen is dat [verdachte] , [betrokkene 30] en [betrokkene 33] zich schuldig hebben gemaakt aan het medeplegen van de moord op [slachtoffer 6] . Het hof overweegt in dit verband nog het volgende.
Uit het dossier blijkt niet dat [verdachte] bij het daadwerkelijke doodschieten van [slachtoffer 6] aanwezig is geweest, maar wel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking. [kroongetuige] heeft verklaard dat [verdachte] in de voorbereiding van de uitvoering van de liquidatie bezig was met het zoeken en lokken van [slachtoffer 6] . Gelet op ieders rol binnen de criminele organisatie kan het niet anders zijn geweest dan dat [verdachte] de opdracht tot de liquidatie van [slachtoffer 6] heeft aangenomen en vervolgens de uitvoering heeft uitgezet bij [betrokkene 30] en [betrokkene 33] . [verdachte] heeft ervoor gezorgd dat aan hen de benodigde middelen (wapens en auto’s) ter beschikking werden gesteld. Het hof baseert zich daarbij in het bijzonder op de bewijsmiddelen zoals die zijn opgenomen bij de deelonderzoeken Charon , Charlie17 , Breuk , Langenhorst en de criminele organisatie. Ook in die deelonderzoeken was sprake van een lokafspraak, van (automatische) vuurwapens, een vluchtauto die in brand is gestoken en meerdere uitvoerders. Daarmee is de bijdrage van [verdachte] van voldoende gewicht geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.
Ook ten aanzien van [betrokkene 30] en [betrokkene 33] is sprake van medeplegen. Zij zijn de uitvoerders van de liquidatie. Wie van de twee heeft geschoten is niet gebleken, maar dit staat aan bewezenverklaring van medeplegen niet in de weg. Ook bij hen was sprake van een nauwe en bewuste samenwerking, waarbij de bijdrage van beiden van voldoende gewicht is geweest om de kwalificatie medeplegen te rechtvaardigen.
Uit het voorgaande volgt ook dat er bij [verdachte] , [betrokkene 30] en [betrokkene 33] sprake is geweest van voorbedachte raad om [slachtoffer 6] van het leven te beroven. Er was sprake van kalm beraad en er zijn vele momenten geweest waarop van het plan kon worden afgezien.
De bespreking van het elfde middel
143. Het gebruik van schakelbewijs houdt in dat de rechter voor het bewijs dat een feit door een bepaalde persoon en/of op een bepaalde manier is begaan, betekenis toekent aan gelijkenissen die dat feit vertoont met een ander strafbaar feit of andere strafbare feiten. [84] Hiervoor is, volgens rechtspraak van de Hoge Raad, vereist dat de feitelijke gang van zaken van de afzonderlijke feiten op essentiële punten overeenkomt. Onder ‘feitelijke gang van zaken’ verstaat de Hoge Raad niet alleen de modus operandi, maar ook de context van de feiten en (dus) de omstandigheden waarmee deze zijn omgeven. [85] Het gebruik van schakelbewijs kan door de Hoge Raad slechts worden getoetst op begrijpelijkheid. [86]
144. Uit de bewijsoverwegingen volgt dat het hof bewezen acht dat de verdachte opdracht heeft gegeven tot de liquidatie van [slachtoffer 6] , en dit op basis van de verklaring van de kroongetuige en het feit dat de liquidatie heeft plaatsgevonden voor café [B] in [plaats] . De verklaring van [kroongetuige] is belastend omdat die inhoudt dat de verdachte hem heeft verteld dat [bijnaam 2] moest worden geliquideerd en dat hij daarmee bezig was, terwijl het slachtoffer in België woonde en de Belgische nationaliteit had. De locatie van de moord wijst ook op betrokkenheid van de verdachte, omdat tot in januari 2017 clubavonden van [motorclub] (waarvan de verdachte leider en oprichter was) gehouden werden in café [B] . Ook is dat de locatie waar de verdachte op 9 maart 2017 [slachtoffer 3] naartoe had willen lokken om hem te laten liquideren. De in cassatie ingenomen stelling dat het bewijs van de betrokkenheid van de verdachte (in wezen)
enkelop schakelbewijs berust, mist dus feitelijke grondslag. Het op voorgaande omstandigheden gebaseerde oordeel over de betrokkenheid van de verdachte is bovendien niet onbegrijpelijk.
145. Het schakelbewijs treedt in de bewijsmotivering pas op de voorgrond bij de vaststelling van de manier waarop de verdachte aan het delict heeft bijgedragen. In dat kader overweegt het hof dat het zich baseert op de gang van zaken bij liquidaties in de deelonderzoeken Charon , Charlie17 , Breuk , Langenhorst . Gelet op de bewijsmiddelen in die zaken kan het niet anders dan dat de verdachte in deze zaak eenzelfde rol speelde bij de totstandkoming van de delicten, zo oordeelt het hof. Voor de relevante overeenkomsten wijst het hof erop dat bij die andere liquidaties ook (onder verantwoordelijkheid van de verdachte) gebruik werd gemaakt van een lokafspraak, (automatische) vuurwapens, een vluchtauto die in brand werd gestoken en meerdere uitvoerders. Dit bewijsoordeel is niet onbegrijpelijk of ontoereikend gemotiveerd.
146. Het elfde middel faalt.
Het twaalfde middel
147. Het twaalfde middel bevat twee deelklachten over de bewezenverklaring van het leidinggeven en deelnemen aan een criminele organisatie.
De eerste deelklacht van het twaalfde middel en de bespreking daarvan
148. Ten eerste houdt dit middel in dat het bewezen verklaarde ‘als leider deelnemen aan een criminele organisatie’ niet uit de gebezigde bewijsmiddelen kan worden afgeleid. Daaraan legt de steller van het middel ten grondslag dat de cassatiemiddelen 1 tot en met 11 behelzen dat de bewezenverklaringen van de feiten waarop de bewijsbeslissing over het delict van artikel 140 Sr Pro voortbouwt, niet voldoende zijn gemotiveerd. Het gaat hier dus om een voorwaardelijke klacht. De voorwaarde houdt in dat de middelen die klagen over de motivering van de andere bewezenverklaringen slagen.
149. Hiervoor heb ik telkens geconcludeerd dat (en op welke gronden) de voorgestelde middelen over de andere bewezen verklaarde feiten falen. Indien de Hoge Raad mij hierin volgt, wordt de gestelde voorwaarde – in essentie – niet vervuld. Daarmee kan aan deze klacht voorbij worden gegaan.
De tweede deelklacht van het twaalfde middel en de bespreking daarvan
150. Ten tweede klaagt de steller van het middel dat het hof de onschuldpresumptie heeft geschonden door (strafbare) feiten waarvan de verdachte is vrijgesproken, bij de bewijsbeslissing over het delict van artikel 140 Sr Pro in zijn nadeel te betrekken.
151. Bij de motivering van de bewezenverklaring overweegt het hof: “
[verdachte] is vrijgesproken van de ten laste gelegde feiten in de deelonderzoeken Eend , Kraai , Spreeuw , Mus en Duif , maar de bewijsmiddelen in die zaken dragen wel bij aan het oordeel van het hof dat sprake was van een criminele organisatie die het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Ook dragen die bewijsmiddelen bij aan het oordeel dat [verdachte] aan die organisatie leiding gaf.
152. Deze overwegingen houden niet méér in dan het oordeel dat bepaalde informatie uit de dossiers van de betreffende deelonderzoeken kan bijdragen aan het bewijs van het bestaan van het in artikel 140 Sr Pro bedoelde samenwerkingsverband en de rol die de verdachte daarin had. Deze overwegingen zijn daarmee niet in strijd met de onschuldpresumptie, omdat de verdachte met de veroordeling voor het leidinggeven en deelnemen aan een criminele organisatie door de rechter niet alsnog schuldig wordt bevonden aan delicten waarvoor hij is vrijgesproken. Voor deelneming als bedoeld in artikel 140 Sr Pro is (slechts) vereist dat de verdachte een aandeel heeft in gedragingen dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het criminele oogmerk van het samenwerkingsverband waartoe hij behoort. Niet nodig is dat de verdachte wordt veroordeeld voor (alle) misdrijven waarop het oogmerk van de organisatie is gericht. [87]
153. Het middel faalt.
Het dertiende middel
154. Met het middel wordt opgekomen tegen het oordeel dat de oplegging van een levenslange gevangenisstraf verenigbaar is met artikel 3 EVRM Pro.
155. De steller van het middel beroept zich in de kern op de kritiekpunten over de wijze van tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf en de herbeoordelingsprocedure die door mijn voormalig ambtgenoot Spronken in haar conclusie van 8 april 2025 uiteen zijn gezet. [88]
Het juridisch kader: de oplegging van een levenslange gevangenisstraf en artikel 3 EVRM Pro
156. In HR 8 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1114, heeft de Hoge Raad naar aanleiding van de conclusie van Spronken algemene beschouwingen gewijd aan de verenigbaarheid van de oplegging van een levenslange gevangenisstraf met de eisen van artikel 3 EVRM Pro in het licht van de huidige herbeoordelingsprocedure. In HR 10 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:177, heeft de Hoge Raad die overwegingen herhaald. Voor zover van belang voor de beoordeling van het middel, kan deze rechtspraak als volgt worden samengevat.
157. De Hoge Raad maakt onderscheid tussen (i) de kwestie of de (verdere)
tenuitvoerleggingvan de levenslange gevangenisstraf in het individuele geval in overeenstemming is met de eisen die artikel 3 EVRM Pro stelt en (ii) de kwestie of de
opleggingvan die straf in overeenstemming is met de bedoelde eisen. Kwestie (ii) komt neer op de vraag of het stelsel als geheel de waarborgen biedt om te kunnen aannemen dat, na die oplegging, de tenuitvoerlegging niet in strijd zal komen met de eisen die artikel 3 EVRM Pro daaraan stelt. De Hoge Raad heeft die vraag bevestigend beantwoord en heeft daarbij het volgende in aanmerking genomen.
158. De waarborgen die het Nederlandse stelsel in dat kader biedt, kunnen allereerst worden gevonden in de motiveringseisen die aan de negatieve gratiebeslissing zijn verbonden. Indien de minister (ambtshalve of op verzoek) beslist geen gratie te verlenen, dient hij deze beslissing deugdelijk te motiveren. Dat geldt temeer indien de negatieve ambtshalve gratiebeslissing afwijkt van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd. Daarnaast voorzien de burgerlijke rechter en de penitentiaire rechter in de noodzakelijke rechtsbescherming. Zo kan de veroordeelde de negatieve gratiebeslissing van de minister ter beoordeling aan de burgerlijke rechter voorleggen. Als de minister afwijkt van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, toetst de burgerlijke rechter of de minister redenen voor het afwijken daarvan heeft opgegeven en of die redenen de afwijkende beslissing kunnen dragen. Daarnaast kan de burgerlijke rechter beoordelen of de motivering van de beslissing over de gratieverlening blijk geeft van toetsing aan de criteria die zijn genoemd in artikel 4 lid 4 Besluit Pro Adviescollege levenslanggestraften en aan de eisen die artikel 3 EVRM Pro stelt. Als de burgerlijke rechter vaststelt dat de negatieve beslissing over de gratieverlening onrechtmatig is, kan hij de staat veroordelen tot het nemen van een nieuwe beslissing op het gratieverzoek. Bovendien kan de burgerlijke rechter de verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf verbieden als hij – na een daartoe strekkende vordering – oordeelt dat de (periodieke) herbeoordeling niet tot de benodigde bekorting of aanpassing van de straf heeft geleid, terwijl de (onverkort) verdere tenuitvoerlegging van de straf in strijd is met artikel 3 EVRM Pro.
Van de penitentiaire rechter kan ten slotte een beoordeling worden gevraagd van beslissingen inzake het detentie- en re-integratieplan, alsmede de daarin opgenomen activiteiten, en van beslissingen over het verlenen van re-integratieverlof.
159. De Hoge Raad merkt op dat het niet is uitgesloten dat de rechter op enig moment tot het oordeel
kankomen dat de levenslange gevangenisstraf niet langer kan worden opgelegd, omdat de straf ‘de facto irreducible’ is geworden. Dat oordeel dient te berusten op toereikende feitelijke vaststellingen die zijn gebaseerd op wat daarover tijdens het onderzoek ter terechtzitting ter sprake is gekomen. Daarbij zal in elk geval betekenis toekomen aan “
eventuele structurele tekortkomingen in de tenuitvoerleggingspraktijk waaruit moet worden afgeleid dat de rechtsgang bij de penitentiaire rechter en de burgerlijke rechter onvoldoende effectief is, of die erop neerkomen dat in onvoldoende mate opvolging wordt gegeven aan die rechterlijke beslissingen”. Er bestaat op dit moment echter onvoldoende grond om te oordelen dat onder de werking van de huidige herbeoordelingsprocedure de tenuitvoerlegging van een levenslange gevangenisstraf hoe dan ook in strijd met de eisen van artikel 3 EVRM Pro zal verlopen. De Hoge Raad wijst er in dat verband op dat de genoemde waarborgen ertoe hebben geleid dat de minister meermaals is opgedragen nieuwe beslissingen te nemen met inachtneming van het oordeel van de burgerlijke rechter en dat daaraan opvolging is gegeven. In voorkomende gevallen heeft dit ook geresulteerd in gratieverlening.
160. Op grond van deze rechtspraak stel ik dan ook het volgende vast. De rechter dient zich bij de oplegging van een levenslange gevangenisstraf rekenschap te geven van de eisen die artikel 3 EVRM Pro daaraan stelt. Indien ten tijde van de oplegging van de straf voorzienbaar is dat de tenuitvoerlegging ervan in strijd komt met artikel 3 EVRM Pro, omdat de straf ‘de facto irreducible’ zal zijn, zal de rechter moeten beslissen dat de straf niet kan worden opgelegd. Het thans geldende stelsel als geheel biedt vooralsnog echter voldoende waarborgen om te kunnen aannemen dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet in strijd zal komen met de eisen die artikel 3 EVRM Pro daaraan stelt, zodat ook de oplegging van deze straf daarmee in overeenstemming mag worden geacht. [89]
De motivering van de oplegging van een levenslange gevangenisstraf
161. Ten aanzien van de verenigbaarheid van de levenslange gevangenisstraf met artikel 3 EVRM Pro heeft het hof het volgende overwogen:

Het hof heeft zich, ambtshalve en mede gelet op in zaken van medeverdachten gevoerde verweren, de vraag gesteld of het opleggen van een levenslange gevangenisstraf een onmenselijke bestraffing vormt en in strijd zou (kunnen) zijn met artikel 3 EVRM Pro. Het hof concludeert op basis van het volgende dat dat niet het geval is.
Naar het oordeel van de Hoge Raad voorziet het Nederlandse recht sinds 2017 in een zodanig stelsel van herbeoordeling op grond waarvan in de zich daarvoor lenende gevallen kan worden overgegaan tot verkorting van de levenslange gevangenisstraf of (voorwaardelijke) invrijheidstelling, dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf op zichzelf niet in strijd is met artikel 3 EVRM Pro (HR 19 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3185). Na 25 jaar na de start van de detentie voor het feit waarvoor de levenslange gevangenisstraf is opgelegd wordt een herbeoordelingsprocedure in gang gezet. Die procedure zal uiterlijk 28 jaar na de aanvang van die detentie leiden tot een ambtshalve beoordeling van de mogelijkheid tot het verlenen van gratie.
Bij de beoordeling van de mogelijkheid van gratieverlening komt het aan op de vraag of zich zodanige veranderingen aan de kant van de levenslanggestrafte hebben voltrokken en zodanige vooruitgang is geboekt in zijn of haar re-integratie, dat verdere tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf geen enkel met de strafrechtspleging na te streven doel - waaronder vergelding - in redelijkheid meer dient en daarom niet langer is gerechtvaardigd. De criteria die daarbij worden toegepast zijn terug te vinden in artikel 4, vierde lid, van het Besluit Adviescollege levenslanggestraften:
a. het recidiverisico;
b. de delictgevaarlijkheid;
c. het gedrag en de ontwikkeling van de levenslanggestrafte gedurende zijn detentie;
d. de impact op de slachtoffers en nabestaanden en in de sleutel daarvan de vergelding.
Deze criteria worden ook gehanteerd door het Adviescollege levenslanggestraften bij de advisering over het toelaten van levenslanggestraften tot de re-integratiefase en het aanbieden van re-integratieactiviteiten.
De toekomst zal moeten uitwijzen op welke manier het nieuwe stelsel van herbeoordeling in de praktijk wordt toegepast, zowel in het algemeen, als meer specifiek met betrekking tot de tenuitvoerlegging van de straf die aan de verdachte wordt opgelegd. De veroordeelde heeft de mogelijkheid om de wijze waarop zijn straf ten uitvoer wordt gelegd voor te leggen aan de penitentiaire rechter en de burgerlijke rechter, die erop toezien dat de tenuitvoerlegging in overeenstemming is met artikel 3 EVRM Pro. Ook kan het oordeel van de burgerlijke rechter in verband met een (negatieve) beslissing over de verlening van gratie worden ingeroepen. Daarbij kan de burgerlijke rechter beoordelen of de negatieve beslissing over de verlening van gratie in het licht van de eisen die artikel 3 EVRM Pro stelt en gelet op de redenen van deze beslissing, onrechtmatig is. Een deugdelijke motivering van de negatieve beslissing over gratieverlening is in het bijzonder van belang als wordt afgeweken van het advies van het gerecht dat de straf heeft opgelegd, nu dit advies in beginsel leidend is bij het nemen van de beslissing over gratieverlening.
Het hof is van oordeel dat het opleggen van een levenslange gevangenisstraf onder deze omstandigheden geen onmenselijke bestraffing vormt die in strijd is met artikel 3 EVRM Pro.”
De bespreking van het dertiende middel
162. Het hof heeft zich bij de strafoplegging rekenschap gegeven van de vraag in hoeverre de oplegging van een levenslange gevangenisstraf in overeenstemming is met de eisen die artikel 3 EVRM Pro daaraan stelt. Daarbij heeft het hof bijzondere betekenis toegekend aan de waarborgen die in de herbeoordelingsprocedure besloten liggen en de rechtsbescherming die door de penitentiaire en burgerlijke rechter wordt geboden. In ’s hofs overwegingen ligt besloten dat het stelsel als geheel voldoende waarborgen biedt om aan te nemen dat de tenuitvoerlegging van de levenslange gevangenisstraf niet in strijd is met artikel 3 EVRM Pro. Het oordeel dat de oplegging van de levenslange gevangenisstraf onder deze omstandigheden geen onmenselijke bestraffing vormt en geen strijd met artikel 3 EVRM Pro oplevert, getuigt dan ook niet van een onjuiste rechtsopvatting en is bovendien toereikend gemotiveerd.
163. Het middel faalt.
Slotsom
164. Alle middelen falen en kunnen worden afgedaan met de aan artikel 81 lid 1 RO Pro ontleende motivering.
165. Ambtshalve heb ik geen gronden aangetroffen die tot vernietiging van de bestreden uitspraak aanleiding behoren te geven.
166. Deze conclusie strekt tot verwerping van het beroep.
De procureur-generaal
bij de Hoge Raad der Nederlanden
AG

Voetnoten

1.Zie https://www.rechtspraak.nl/organisatie-en-contact/organisatie/gerechtshoven/gerechtshof-arnhem-leeuwarden/nieuws/in-hoger-beroep-drie-keer-levenslang-in-onderzoek-eris.
2.Zie de conclusie van a-g Harteveld voor HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:604, randnr. 10.2.
3.HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:604, rov. 5.3 en 5.4.
4.In citaten laat ik de voetnoten weg.
5.Ik merk daarbij op dat als gevolg van de inwerkingtreding van de Wet straffen en beschermen voorwaardelijke invrijheidstelling niet meer van rechtswege wordt verleend, maar dat deze kan worden verleend op basis van een individuele beoordeling van de veroordeelde, zie
6.Vgl. HR 13 maart 1981, ECLI:NL:HR:1981:AG4158,
7.HR 30 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:119,
8.Zie de conclusie van a-g Harteveld voor HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902,
9.Vgl. de conclusie van a-g Harteveld voor HR 23 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:604, randnrs. 10.4 en 10.5.
10.Hoewel het hof ook (al) op grond van artikel 360 lid 2 Sv Pro verplicht was het gebruik voor het bewijs van de verklaringen van [kroongetuige] te motiveren.
11.Het hof merkt onder meer op: “
12.Zie voor een bespreking van de definitie van ‘elektronische gegevensdrager en geautomatiseerde werken’: J.W. van den Hurk & S.J. de Vries,
13.HvJ EU 2 maart 2021, C-746/18, ECLI:EU:C:2021:152 (
14.HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (
15.Zie daarover o.m. K.C. van Horssen, ‘Aan het uitkristalliseren: de betekenis van het EU-recht voor de opsporingsbevoegdheden’,
16.Voluit: Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 juli 2002 betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie.
17.Die uitspraken zijn:
18.HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (
19.Voluit: Richtlijn (EU) 2016/680 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten met het oog op de voorkoming, het onderzoek, de opsporing en de vervolging van strafbare feiten of de tenuitvoerlegging van straffen, en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Kaderbesluit 2008/977/JBZ van de Raad.
20.De procureur-generaal stelde cassatieberoep in het belang der wet in om de Hoge Raad de gelegenheid te geven zich hierover uit te laten. Dat deed de Hoge Raad in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475,
21.‘Verkeers- en locatiegegevens (met inbegrip van identificerende gegevens)’ betreffen kort gezegd gegevens
22.HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, rov. 6.8.1-6.8.3, 6.10.3-6.10.4 en 6.13.
23.Het oorspronkelijke kader komt uit HR 4 april 2017, ECLI:NL:HR:2017:584,
24.Zie HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:409,
25.HvJ EU 4 oktober 2024, C-548/21, ECLI:EU:C:2024:830 (
26.Reden voor deze toelichting is “
27.In de zaken
28.Zie HR 30 maart 2004, ECLI:NL:HR:2004:AM2533,
29.Zie nader HR 1 december, ECLI:NL:HR:2020:1889,
30.Zie HR 1 december, ECLI:NL:HR:2020:1889,
31.HR 22 september 1998, ECLI:NL:HR:1998:ZD1277,
32.Zie HR 19 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BY5321,
33.Wil een op art. 359a Sv gestoeld verweer kunnen leiden tot bewijsuitsluiting of strafvermindering, dan zal bijvoorbeeld over de aard en de gevolgen van een vormverzuim als bedoeld in HR 5 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:475, meer moeten worden aangevoerd dan de enkele stelling dat de verdachte daardoor in zijn verdedigingsbelangen respectievelijk in zijn recht op een persoonlijke levenssfeer is geschaad. Met name dient de mate waarin de persoonlijke levenssfeer van de verdachte zou zijn geschonden en het daardoor daadwerkelijk geleden nadeel, te worden geconcretiseerd. Vgl. in dat kader HR 21 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:241, rov. 2.4.2.
34.In de literatuur werd (de waarschijnlijke uitkomst van) de uitspraak van het Hof van Justitie in de zaak Landeck over het vereiste van voorafgaande rechterlijke toetsing bij onderzoek aan gegevensdragers ook al gesignaleerd. Zie P. Verrest, ‘De invloed van het Handvest op het Nederlandse strafrecht’, in: J.H. Gerards e.a.,
35.Conclusie a-g Sánchez-Bordona 20 april 2023, C-548/21, ECLI:EU:C:2023:313 (
36.Dat in alle zaken in Eris vóór oktober 2024 al pleidooi, dupliek en laatste woord hadden plaatsgevonden, maakt dat niet anders. In cassatie is niet aangevoerd dat de verdediging het hof nadien nog heeft verzocht om aanvullend te pleiten naar aanleiding van het arrest van het Hof van Justitie in
37.Dat omvat alle deelonderzoeken die het hof noemt in het arrest onder 1.3.
38.Hier is immers de rechtsregel van toepassing dat het belang van de verdachte dat het gepleegde feit niet wordt ontdekt niet een belang is dat bij schending nadeel in de zin van art. 359a lid 2 Sv oplevert (zie o.m. HR 4 januari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BM6673,
39.Vgl. HR 11 mei 1999, ECLI:NL:HR:1999:ZD1460,
40.Vgl. HR 4 juni 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE1195,
41.Zie wederom M.J. Dubelaar, Tekst & Commentaar Strafvordering, art. 344a Sv, aant. 4a (actueel t/m 1 september 2025). Dubelaar merkt in het kader van ‘anonieme processen-verbaal’ op dat niet noodzakelijk is dat – in het door haar aangehaalde voorbeeld – de verbalisant bij naam en toenaam in het proces-verbaal wordt vermeld. “
42.Een blik achter de papieren muur wijst uit dat in de processen-verbaal van de getuigenverklaringen van [getuige 1] (opgenomen in map 81 van het procesdossier, p. 51 e.v. en p. 95 e.v.), de persoonsgegevens van de betreffende getuige zijn zwartgelakt.
43.De raadsman van medeverdachte [betrokkene 30] (mr. [betrokkene 34] ) heeft zich bij dit getuigenverzoek aangesloten. Zie het proces-verbaal d.d. 22 november 2023, p. 62.
44.Dit e-mailbericht is gevoegd bij de processtukken op het onderzoek ter terechtzitting van 26 februari 2024 (zie het proces-verbaal d.d. 26 februari 2024, p. 7).
45.Zie arrest, p. 6-7, onder ‘3.3. Het verzoek tot het horen van de [getuige 2] ’.
46.Zie arrest, p. 28-29.
47.In de toelichting op het middel doet de steller van het middel een beroep op HR 2 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1216,
48.Zie de pleitnota, p. 30-34, onder ‘Scenario cliënt’. Zie eveneens de schriftuur, p. 39.
49.Zie over toetsing in cassatie van de begrijpelijkheid van een dergelijke beslissing HR 1 juli 2014, ECLI:NL:HR:2014:1496,
50.Volledigheidshalve merk ik nog het volgende op. Artikelen 287 en 288 Sv bepalen in welke gevallen de rechter kan afzien van het oproepen van getuigen die niet ter terechtzitting (in hoger beroep) zijn verschenen, ondanks een voorafgaand verzoek van de verdachte daartoe op grond van (in hoger beroep) artikel 410 of Pro artikel 414 Sv Pro, of een bevel van de rechter op de voet van artikel 315 Sv Pro. De Hoge Raad heeft in dat verband geoordeeld dat de rechter uit het uitblijven van een (herhaald) uitdrukkelijk en gemotiveerd verzoek tot het alsnog of opnieuw oproepen van de getuige kan afleiden dat de verdediging de niet verschenen getuige (toch) niet meer wenst te horen. Dat betekent dat de rechter alleen gehouden is een beslissing te geven over de (hernieuwde) oproeping van de betreffende getuige als daartoe door of namens de verdachte ter terechtzitting
51.De conclusie op p. 29 houdt in dat: “
52.Uit de bewijsmiddelen blijkt dat de accountnaam ‘ [PGP-naam 1] ’ hoorde bij de PIN [PGP-naam 1] (zie o.a. p. 16 van bijlage 3).
53.Het gaat om harde schijven van de merken Toshiba, LaCie en Seagate, en een laptop van het merk Acer (zie bijlage 3 onderdeel 1.1, 1.2.6, 1.2.7, 1.2.8, 1.2.9).
54.Zie bijlage 3, p. 17, 24-25, 29 en 34.
55.Zie bijlage 3, p. 18-20.
56.Zie bijlage 3, p. 16-17.
57.Zie ook bijlage 3, p. 37-39.
58.Vgl. HR 11 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU9130,
59.Dit betreft de bewezenverklaringen in de deelonderzoeken Barbera en Arford . Zie arrest, bijlage 4 (p. 87-133).
60.HR 9 juni 2015, ECLI:NL:HR:2015:1503,
61.HR 28 januari 2014. ECLI:NL:HR:2014:179.
62.HR 12 februari 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1956.
63.Zie voor een bespreking van rechtspraak en voor meer verwijzingen mijn conclusie vóór HR 8 september 2020, ECLI:NL:HR:2020:1380, randnummers 21 t/m 25; de Hoge Raad oordeelde dat het middel dat onder meer klaagde over het oordeel van het hof dat de bewezen verklaarde telefoons waren bestemd tot het begaan van het voorbereide misdrijf faalde.
64.Zie voor het relevante juridisch kader: HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1938,
65.HR 21 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1938,
66.Zie HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1320,
67.Zie HR 17 november 1981, ECLI:NL:HR:1981:AC7387,
69.Zie HR 17 juni 1975,
70.Zie J. de Hullu & P.H.P.H.M.C. van Kempen,
71.Dit is volgens de minister de belangrijkste rechtvaardiging voor het wetsvoorstel, zie
73.Zie
74.Zie
75.Zie onderdeel 6.3.2.5. van het arrest voor de relevante bewijsoverwegingen.
76.Zie onderdeel 6.3.5.7. van het arrest voor de relevante bewijsoverwegingen.
77.Zie onderdeel 6.3.7.4. van het arrest voor de relevante bewijsoverwegingen.
78.Zie p. 82 en 84 van het arrest.
79.Zie onderdeel 6.3.8.4 van het arrest voor de relevante bewijsoverwegingen.
80.Zie p. 259 van bijlage 4 bij het arrest.
81.Zie onderdeel 6.3.9.5.-6.3.9.6. van het arrest voor de relevante bewijsoverwegingen.
82.Zie p. 302 van bijlage 4.
83.Zie over het schakelbewijs nader de bespreking van het elfde middel, onder randnummer 143.
84.Zie mijn conclusie van 6 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:555 (Jos B.), randnummers 298-315, over de logische gronden voor de toepassing van schakelbewijs en het onderscheid tussen dader- en handelingsgericht schakelen.
85.Zie HR 14 maart 2006, ECLI:NL:HR:2006:AU5496, rov. 6.3.2-6.4.
86.Zie mijn conclusie van 6 juni 2023, ECLI:NL:PHR:2023:555 (Jos B.), randnummer 322, en HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1455.
87.Vgl. HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:970,
88.Concl. A-G Spronken 8 april 2025, ECLI:NL:PHR:2025:418. De steller van het middel wijst in de eerste plaats op de ontwikkelingen die in de conclusie zijn genoemd onder randnummer 7.6 (de zeven ingediende klachten bij het EHRM) en randnummer 7.7 (de keuze van de regering om vast te houden aan de gewone gratieprocedure en niet – conform de voorkeur van de Hoge Raad – een rechterlijke herbeoordelingsprocedure in te voeren). Verder bespreekt de steller van het middel een aantal kritiekpunten over de beoordeling voorafgaand aan de re-integratiefase en over de inhoud daarvan Tot slot wordt ‘het gebrek aan rechtsmiddelen tegen de beslissingen van bewindspersonen’ door hem genoemd als belangrijk knelpunt (zie randnummers 7.8 en 7.9).
89.Voor kritische beschouwingen over dit thema verwijs ik ook graag naar E.J. de Vries, ‘Levenslang in Nederland: