ECLI:NL:GHSHE:2026:1697

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
26 juni 2026
Publicatiedatum
1 juli 2026
Zaaknummer
20-001224-19
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6 EVRMArt. 285 SrArt. 70 SrArt. 71 SrArt. 72 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling leider criminele henneporganisatie voor medeplegen en gewoontewitwassen

De verdachte werd in hoger beroep veroordeeld voor het leiden van een criminele organisatie die zich ruim 9,5 jaar bezighield met grootschalige hennepteelt en -handel, medeplegen van hennepteelt in de uitoefening van een beroep of bedrijf, en gewoontewitwassen. Het hof vernietigde het vonnis van de rechtbank voor zover het betrof de bewezenverklaring en strafoplegging, en deed een nieuwe uitspraak.

De bewezenverklaring omvatte meerdere feiten, waaronder deelneming als oprichter en leider aan criminele organisaties in twee perioden (2003-2006 en 2006-2012), medeplegen van hennepteelt op diverse locaties, en gewoontewitwassen van grote geldbedragen en roerende goederen. De verklaringen van een medeverdachte, die als betrouwbare bron werden beschouwd, werden ondersteund door andere getuigenverklaringen en objectief bewijs zoals politie-invallen, camerabeelden en financiële gegevens.

De verdachte ontkende betrokkenheid, maar het hof oordeelde dat hij een leidende rol had, investeerde in kwekerijen, bepaalde locaties en regelde financiële afrekeningen. De witwaspraktijken betroffen onder meer de aankoop van meerdere woningen, auto's en contant geld dat werd verborgen of verhuld. De verdachte gaf geen aannemelijke verklaring voor de herkomst van deze middelen.

De redelijke termijn voor berechting was ernstig overschreden met ruim tien jaar, wat het hof meenam in de strafoplegging. De opgelegde straf is 33 maanden gevangenisstraf, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar, met aftrek van voorarrest. De benadeelde partij werd niet-ontvankelijk verklaard in haar schadevordering. Diverse inbeslaggenomen goederen werden verbeurd verklaard, terwijl andere werden teruggegeven.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 33 maanden gevangenisstraf waarvan 12 maanden voorwaardelijk wegens leiding geven aan criminele henneporganisatie, medeplegen hennepteelt en gewoontewitwassen.

Uitspraak

Parketnummer : 20-001224-19
Uitspraak : 26 juni 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof‘s-Hertogenbosch
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Zeeland-West-Brabant, zittingsplaats Schiphol/Breda, van 11 april 2019, in de strafzaak met parketnummer 02-811312-12 tegen:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedag] 1963,
wonende te [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 8 ten laste is gelegd. De rechtbank heeft de onder 1 tot en met 7 tenlastegelegde feiten bewezenverklaard, die gekwalificeerd als:
  • ‘bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht’ (feit 1);
  • ‘medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (feit 2);
  • ‘gewoontewitwassen’ (feit 3);
  • ‘deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven’ (feit 4)’;
  • ‘deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid van de Opiumwet, terwijl de feiten 4 en 5 in voortgezette handeling zijn gepleegd’ (feit 5);
  • ‘medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd’ (feit 6);
  • ‘medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod (A) en medeplegen van het opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod (B)’,
de verdachte daarvoor strafbaar verklaard en hem veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren met aftrek van de duur van het voorarrest.
Voorts heeft de rechtbank de inbeslaggenomen personenauto met het kenteken [kenteken 1] , een geldbedrag van € 43.250,-, twee televisies van het merk Philips, twee schilderijen, een subwoofer, een geldbedrag van € 530,-, een geldbedrag van € 10.000,-, een geldbedrag van
€ 135.800,- en een scooter van het merk Piaggio verbeurdverklaard en ten aanzien van een geldbedrag van € 64.200, drie vorderingen, een personenauto met kenteken [kenteken 2] , drie horloges en een ring de teruggave aan de rechthebbende gelast.
De vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij [medeverdachte] is door de rechtbank integraal toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 1.000,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel voor het toegewezen bedrag.
Namens de verdachte is tegen voormeld vonnis hoger beroep ingesteld.
Ontvankelijkheid van het hoger beroep
Blijkens de akte instellen hoger beroep d.d. 16 april 2019 is het hoger beroep namens de verdachte onbeperkt ingesteld.
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte vrijgesproken van hetgeen aan hem onder 8 ten laste is gelegd. Voorts heeft de rechtbank de verdachte partieel vrijgesproken van het onder 3 tenlastegelegde feit, namelijk voor wat betreft het witwassen van een personenauto van het merk Renault Twingo (kenteken [kenteken 2] ) en van een geldbedrag van € 64.200,-. Het hof is van oordeel dat deze partiële vrijspraken als beschermde vrijspraken moeten worden beschouwd. De tenlastelegging van feit 3 betreft immers een impliciet cumulatieve tenlastelegging.
Gelet op het bepaalde in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor een verdachte geen hoger beroep open tegen een vrijspraak. Het hof zal de verdachte derhalve niet-ontvankelijk verklaren in zijn hoger beroep, voor zover het tegen de hiervoor bedoelde beschermde (deel)vrijspraken is gericht.
Al hetgeen hierna wordt overwogen en beslist, heeft uitsluitend betrekking op dat gedeelte van het bestreden vonnis dat aan het oordeel van het hof is onderworpen.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in hoger beroep, alsmede het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof het vonnis waarvan beroep zal bevestigen met uitzondering van de bewezenverklaring van feit 1 (bedreiging van [medeverdachte] ), de opgelegde straf en de beslissing ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij [medeverdachte] en, in zoverre opnieuw rechtdoende, het Openbaar Ministerie in de vervolging van feit 1 niet-ontvankelijk zal verklaren in verband met verjaring van dat feit, de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 57 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest en de benadeelde partij [medeverdachte] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk zal verklaren.
De raadsman van de verdachte heeft primair bepleit dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit (bedreiging van [medeverdachte] ), nu sprake is van verjaring. Subsidiair heeft de raadsman zich ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde feit op het standpunt gesteld dat de verdachte dient te worden vrijgesproken.
Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde feit (hennepkwekerij [adres 9] te Etten-Leur) is door de raadsman primair vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat de bewezenverklaarde periode dient te worden beperkt van 1 juli 2009 tot 8 mei 2012.
Ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit (witwassen) heeft de raadsman partiële vrijspraak bepleit, namelijk ten aanzien van dat gedeelte van de tenlastegelegde woningen dat betrekking heeft op vermogen dat als vermengd moet worden beschouwd, alsmede van het geldbedrag van € 10.000,-. Ten aanzien van het geldbedrag van € 10.000,- heeft de raadsman subsidiair bepleit dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is, zodat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging. Voor het overige heeft de raadsman zich ten aanzien van feit 3 gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Ten aanzien van het onder de feiten 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde (respectievelijk tweemaal deelneming aan een criminele organisatie, hennepkwekerij [bedrijf 1] te Alphen en hennepkwekerij [adres 2] en knipperij [adres 3] ) heeft de raadsman eveneens vrijspraak bepleit.
Voorts heeft de raadsman van de verdachte bepleit dat de benadeelde partij [medeverdachte] in zijn vordering tot schadevergoeding niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.
Tot slot en meer subsidiair heeft de raadsman een straftoemetingsverweer gevoerd.
Ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie ter zake van feit 1
De raadsman van de verdachte heeft zich ter terechtzitting in hoger beroep op het standpunt gesteld dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in de vervolging van de verdachte ter zake van het onder 1 tenlastegelegde feit, nu sprake is van verjaring. De advocaat-generaal heeft zich hierbij aangesloten.
Het hof overweegt als volgt.
Aan de verdachte is onder feit 1 – kort gezegd – tenlastegelegd dat hij [medeverdachte] op of omstreeks 19 april 2012 te Tilburg heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, althans met zware mishandeling.
Bedreiging is strafbaar gesteld in artikel 285 van Pro het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Op dit misdrijf staat, blijkens de wettekst zoals die gold ten tijde van het tenlastegelegde, een gevangenisstraf van ten hoogste twee jaren of een geldboete van de vierde categorie.
Artikel 70, eerste lid aanhef en onder 2º, Sr bepaalt dat het recht tot strafvordering voor misdrijven waarop een geldboete of een gevangenisstraf van niet meer dan drie jaren is gesteld door verjaring vervalt in zes jaren. Gelet op het strafmaximum voor bedreiging geldt voor de vervolging daarvan dus als uitgangspunt een verjaringstermijn van zes jaren.
Artikel 71 Sr Pro bepaalt dat de verjaringstermijn aanvangt op de dag na die waarop het feit is gepleegd. Op grond van artikel 72, eerste lid, Sr stuit elke daad van vervolging de verjaring. Na stuiting vangt een nieuwe verjaringstermijn aan. Het recht op strafvordering vervalt evenwel ten aanzien van misdrijven indien vanaf de dag waarop de oorspronkelijke verjaringstermijn is aangevangen een periode is verstreken die gelijk is aan tweemaal de voor het misdrijf geldende verjaringstermijn (absolute verjaringstermijn). Op grond van artikel 70 lid Pro 1, aanhef en onder 2º, in samenhang met artikel 72, tweede lid, Sr beloopt de verjaringstermijn in het onderhavig geval ten hoogste tweemaal zes jaren, gerekend vanaf de dag na die waarop het feit is gepleegd.
Het voorgaande heeft tot gevolg dat het recht op strafvordering ten aanzien van feit 1 op 20 april 2024, na het verstrijken van de absolute verjaringstermijn van twaalf jaren, van rechtswege is komen te vervallen. Het Openbaar Ministerie beschikt derhalve niet langer over het recht tot strafvordering van het onder 1 tenlastegelegde feit. Het hof zal het Openbaar Ministerie daarom niet-ontvankelijk verklaren in de strafvervolging van de verdachte ter zake van feit 1.
Vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep zal worden vernietigd, omdat het hof tot een andere bewezenverklaring komt dan de rechtbank.
Tenlastelegging
Verbeterde lezing van de tenlastelegging
Het hof stelt vast dat in de tenlastelegging van feit 4 (deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140, eerste lid, Sr) achter het eerste gedachtestreepje is opgenomen: “(…) het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van hennep (…)”. Gelet op de ten tijde van het tenlastegelegde geldende wettekst van artikel 11, derde lid, van de Opiumwet – te weten “Hij die in de uitoefening van een beroep of bedrijf
opzettelijkhandelt in strijd met een in artikel 3, eerste lid, onder B, gegeven verbod, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste vier jaren of geldboete van de vijfde categorie”
(onderstreping door het hof)– en gelet op het feit dat deelneming aan een criminele organisatie als bedoeld in artikel 140, eerste lid, Sr enkel bewezen kan worden als sprake is van een oogmerk tot het plegen van misdrijven – en dus geen overtredingen –, heeft de steller van de tenlastelegging naar het oordeel van het hof kennelijk abusievelijk het woord ‘opzettelijk’ niet opgenomen in de tenlastelegging.
Het hof is, gelet op het voorgaande, van oordeel dat uit de inrichting van de tenlastelegging volgt dat op opzettelijk handelen is gedoeld en derhalve sprake is van een kennelijke vergissing van de steller van de tenlastelegging die zich leent voor verbeterde lezing. Om die reden zal het hof de tekst van het onder 4 tenlastegelegde feit, achter het eerste gedachtestreepje, verbeterd lezen, door daaraan het woord ‘opzettelijk’ toe te voegen, zodat deze tekst als volgt komt te luiden: “(…) het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf
opzettelijktelen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van hennep (…)”
(onderstreping door het hof).
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is gebleken dat het de verdediging duidelijk was tegen welk verwijt zij zich diende te verdedigen, zodat de verdachte door de hiervoor genoemde verbeterde lezing van de tenlastelegging niet in zijn verdediging is geschaad.
Ook overige in de tenlastelegging voorkomende taal- en/of schrijffouten of omissies zijn verbeterd. De verdachte is daardoor evenmin in zijn verdediging geschaad.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – na wijziging van de tenlastelegging ter terechtzitting in eerste aanleg en voor zover thans nog aan de orde in hoger beroep – tenlastegelegd dat:
2.
hij op meerdere, althans (een) tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2008 tot en met 8 mei 2012 te Etten-Leur tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk ongeveer 530, althans (telkens) een (grote) hoeveelheid, hennepplanten en/of delen daarvan bevattende hennep, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft geteeld en/of bewerkt en/of verwerkt en/of heeft verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad;
3.hij op meerdere, althans een, tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 februari 2005 tot en met 21 augustus 2012 te Tilburg en/of Sprang-Capelle en/of Oisterwijk, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s) (van) een of meer voorwerp(en) , te weten:
  • een woning/pand en/of aanhorigheden, althans onroerend(e) goed(eren), gelegen aan [adres 4] en/of roerend(e) goed(eren) behorende bij die woning/dat pand (3.4.3.) en/of
  • een woning/pand en/of aanhorigheden, althans onroerend(e) goed(eren), gelegen aan [adres 5] en/of roerend(e) goed(eren) behorende bij die woning/dat pand (3.4.4.) en/of
  • een woning/pand en/of aanhorigheden, althans onroerend(e) goed(eren), gelegen aan [adres 6] en/of roerend(e) goed(eren) behorende bij die woning/dat pand (3.4.5.) en/of
  • een of meer geldbedrag(en) (contante betalingen vakantiereizen) tot een totaal(bedrag) van 5.415,15 euro (3.5.1.) en/of
  • een auto (Toyota Landcruiser, kenteken [kenteken 3] ) (3.5.2.) en/of
  • een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 4] ) (3.5.3.) en/of
  • een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 1] ) (3.5.4.) en/of
  • een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 5] ) (3.5.4.) en/of
  • een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 6] ) (3.5.4.) en/of
  • een auto (Ford Ka, kenteken [kenteken 7] ) (3.5.5.) en/of
  • een auto (Fiat Panda, kenteken [kenteken 8] ) (3.5.5.) en/of
  • een geldbedrag van 200.000 euro (begraven in de tuin van zijn woning gelegen aan [adres 6] ) (3.6.2.) en/of
  • een geldbedrag van 10.000 euro (verborgen in de schuur behorende bij woning gelegen aan [adres 6] ) (3.6.2.) en/of
  • een geldbedrag van 43.250 euro (verborgen in een woning gelegen aan [adres 7] ) (3.6.2.) en/of
  • een scooter (Piaggio, type C38, kenteken [kenteken 9] ) (3.6.3.) en/of
de werkelijke aard, de herkomst, de vindplaats, de vervreemding en/of de verplaatsing verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende(n) was/waren van bovengenoemd(e) voorwerpen en/of heeft/hebben hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), verborgen en/of verhuld wie bovengenoemde voorwerp(en) voorhanden heeft/hebben gehad, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat de/het bovengenoemde voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf
en/of
verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten van (een of meer van de) hiervoor genoemd(e) voorwerp(en)/goed(eren), gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, en/of zijn mededader(s), wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moeten vermoeden, dat bovenomschreven goed(eren)/voorwerp(en) – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was/waren uit enig misdrijf;
4.hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2006 te Tilburg en/of Breda en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte] en/of een of meer andere medeverdachten, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:
  • het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van hennep en/of
  • diefstal door middel van braak en/of verbreking van energie/stroom en/of
  • het opzettelijk vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken van enig elektriciteitswerk en/of stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk veroorzaken of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen en/of
  • het witwassen (van de opbrengsten van bovengenoemde misdrijven)
zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was;
5.
A.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012 te Tilburg en/of Breda en/of Etten-Leur en/of Diessen en/of Oisterwijk en/of Sprang-Capelle en/of Alphen en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte] en/of een of meer andere medeverdachten, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:
  • witwassen van voorwerpen en/of
  • diefstal door middel van braak en/of verbreking van stroom en/of
  • het opzettelijk vernielen, beschadigen, onbruikbaar maken van enig elektriciteitswerk en/of stoornis in de gang of in de werking van zodanig werk veroorzaken of een ten opzichte van zodanig werk genomen veiligheidsmaatregel verijdelen en/of
  • afpersing en/of diefstal door middel van en/of gevolgd van geweld van geldbedragen en/of hennep en/of de opbrengsten van hennep en/of
  • bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of zware mishandeling,
zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was,
en/of
B.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012 te Tilburg en/of Etten-Leur en/of Diessen en/of Oisterwijk en/of Alphen en/of Sprang-Capelle en/of elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en/of [medeverdachte 3] en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte] en/of een of meer medeverdachten, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van (een) misdrijf/misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde en/of vijfde lid, van de Opiumwet te weten:
- het al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren en/of vervaardigen en/of aanwezig hebben van (grote) hoeveelheden hennep
zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en/of leider en/of bestuurder van voormelde organisatie was;
6.
hij op meerdere, althans (een), tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 1 april 2011 tot en met 15 november 2011 te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, in een pand gelegen aan [adres 8] ( [bedrijf 1] ) tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, (telkens) opzettelijk ongeveer 1150, althans (telkens) een (grote) hoeveelheid, hennepplanten en/of delen daarvan bevattende hennep, in elk geval (telkens) een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft geteeld en/of bewerkt en/of verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval (telkens) opzettelijk aanwezig heeft gehad;
A.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 22 september 2011 te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, (in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met (een) ander(en), althans alleen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk ongeveer 1540, althans een (grote) hoeveelheid, hennepplanten en/of delen daarvan bevattende hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft geteeld en/of verwerkt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad,
en/of
B.
hij op of omstreeks 22 september 2011 te Tilburg (in de kelder van een garage/loods gelegen op het adres [adres 3] ) tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk een hoeveelheid van ongeveer 435 kilogram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft verwerkt en/of verkocht en/of afgeleverd en/of verstrekt en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Vrijspraak van het onder 5A tenlastegelegde feit
Het hof is, met de rechtbank, de advocaat-generaal en de verdediging, van oordeel dat niet wettig en overtuigend kan worden bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de aan hem onder 5A tenlastegelegde deelneming aan een criminele organisatie die het oogmerk heeft tot het plegen van misdrijven in de zin van artikel 140, eerste lid, Sr. Het hof zal de verdachte daarom vrijspreken van dit feit.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4, 5B, 6 en 7 (A en B) tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:
2.
hij op meerdere tijdstippen in de periode van 1 juli 2009 tot en met 8 mei 2012 te Etten-Leur tezamen en in vereniging met anderen in de uitoefening van een beroep of bedrijf telkens opzettelijk ongeveer 530 hennepplanten en/of delen daarvan bevattende hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft geteeld;
3.
hij in de periode van 1 februari 2005 tot en met 21 augustus 2012 te Tilburg en Sprang-Capelle en Oisterwijk, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, (van) voorwerpen, te weten:
  • een woning/pand en aanhorigheden, gelegen aan [adres 4] en roerende goederen behorende bij die woning/dat pand en
  • een woning/pand en aanhorigheden, gelegen aan [adres 5] en roerende goederen behorende bij die woning/dat pand en
  • een woning/pand en aanhorigheden, gelegen aan [adres 6] en roerende goederen behorende bij die woning/dat pand en
  • geldbedragen (contante betalingen vakantiereizen) tot een totaalbedrag van 5.415,15 euro en
  • een auto (Toyota Landcruiser, kenteken [kenteken 3] ) en
  • een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 4] ) en
  • een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 1] ) en
  • een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 5] ) en
  • een auto (Fiat 500, kenteken [kenteken 6] ) en
  • een auto (Ford Ka, kenteken [kenteken 7] ) en
  • een auto (Fiat Panda, kenteken [kenteken 8] ) en
  • een geldbedrag van 200.000 euro (begraven in de tuin van zijn woning gelegen aan [adres 6] ) en
  • een geldbedrag van 10.000 euro (verborgen in de schuur behorende bij woning gelegen aan [adres 6] ) en
  • een geldbedrag van 43.250 euro (verborgen in een woning gelegen aan [adres 7] ) en
  • een scooter (Piaggio, type C38, kenteken [kenteken 9] ),
de vindplaats verborgen en/of verhuld, dan wel verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende was, terwijl hij, verdachte, wist dat de bovengenoemde voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf
en/of
verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, althans van (een) voorwerp(en), te weten van een of meer van de hiervoor genoemde voorwerpen, gebruik gemaakt, terwijl hij, verdachte, wist dat bovenomschreven voorwerpen – onmiddellijk of middellijk – afkomstig waren uit enig misdrijf;
4.
hij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2006 te Tilburg en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en/of [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte] en/of andere medeverdachten, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk:
- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren,
zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en leider van voormelde organisatie was;
5.
B.
hij in de periode van 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012 te Tilburg en/of Etten-Leur en/of Diessen en/of Oisterwijk en/of Alphen en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van een aantal natuurlijke personen bestaande uit verdachte en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte] en meer medeverdachten, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet te weten:
- het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk telen en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of vervoeren van (grote) hoeveelheden hennep,
zulks terwijl hij, verdachte, oprichter en leider en van voormelde organisatie was;
6.
hij in de periode van 1 april 2011 tot en met 15 november 2011 te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, in een pand gelegen aan [adres 8] ( [bedrijf 1] ) tezamen en in vereniging met anderen in de uitoefening van een beroep of bedrijf telkens opzettelijk ongeveer 1150, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft geteeld;
A.
hij in of omstreeks de periode van 1 juli 2011 tot en met 22 september 2011 te Alphen, gemeente Alphen-Chaam, (in een (bedrijfs)pand aan [adres 2] ), tezamen en in vereniging met anderen, in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk ongeveer 1540, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, heeft geteeld,
en
B.
hij op 22 september 2011 te Tilburg (in de kelder van een garage/loods gelegen op het adres [adres 3] ) tezamen en in vereniging met anderen, al dan niet in de uitoefening van een beroep of bedrijf, opzettelijk een hoeveelheid van ongeveer 435 kilogram hennep, in elk geval een hoeveelheid van meer dan 30 gram hennep, zijnde hennep een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst II, verwerkt en/of afgeleverd en/of vervoerd, in elk geval opzettelijk aanwezig heeft gehad.
Het hof acht niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders ten laste is gelegd dan hierboven bewezen is verklaard, zodat hij daarvan zal worden vrijgesproken.
Bewijsmiddelen
Ten behoeve van de leesbaarheid van dit arrest zijn de bewijsmiddelen opgenomen in de aan dit arrest gehechte bewijsmiddelenbijlage. De daarin vervatte bewijsmiddelen maken integraal deel uit van dit arrest.
Elk bewijsmiddel wordt – ook in zijn onderdelen – slechts gebruikt tot bewijs van dat bewezenverklaarde feit, of die bewezenverklaarde feiten, waarop het blijkens zijn inhoud betrekking heeft.
De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde in de bijlage opgenomen bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang beschouwd.
Bewijsoverwegingen
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – vrijspraak bepleit van de onder 2, 4, 5, 6 en 7 tenlastegelegde feiten. Daartoe is in de kern primair aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte] (hierna: [medeverdachte] ) onbetrouwbaar zijn en uitgesloten dienen te worden van het bewijs, waarna ten aanzien van alle feiten onvoldoende wettig en overtuigend bewijs resteert om tot een bewezenverklaring te kunnen komen. In dat kader heeft de verdediging naar voren gebracht dat [medeverdachte] een dubbelrol speelde van enerzijds hennepteler en anderzijds gokverslaafde met schulden waardoor hij zichzelf in de problemen heeft gebracht, dat hij anderen, waaronder de verdachte, onterecht naar voren heeft geschoven als hoofdrolspelers bij de tenlastegelegde feiten en zijn eigen rol als ondergeschikt heeft gepresenteerd en dat hij berekenend en steeds uitgebreider heeft verklaard met het oog op het verkrijgen van bescherming door de overheid terwijl de waarheid voor [medeverdachte] aan dat doel ondergeschikt was. Voorts zijn de verklaringen van [medeverdachte] volgens de verdediging op onderdelen aantoonbaar onjuist.
Indien het hof van oordeel is dat de verklaringen van [medeverdachte] wel betrouwbaar zijn en voor het bewijs kunnen worden gebruikt, heeft de raadsman subsidiair ten aanzien van de afzonderlijke feiten verschillende verweren gevoerd, die hieronder per feit successievelijk zullen worden besproken.
Het hof overweegt als volgt.
Juridisch kader bewijs en betrouwbaarheid
Alvorens het hof tot bespreking van de verweren van de verdediging ten aanzien van de afzonderlijke feiten zal overgaan, overweegt het hof ten aanzien van het bewijs en de betrouwbaarheid van de verklaringen van [medeverdachte] in het algemeen het volgende.
Het hof merkt allereerst op dat op grond van bestendige jurisprudentie het aan de strafrechter, die over de feiten oordeelt, is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt, en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Met andere woorden: de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter, die beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. Bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal kan de feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal. [1]
Redengevend voor het bewijs zijn enkel die feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen en die rechtstreeks aan het bewijsoordeel ten grondslag worden gelegd. Dat zijn niet de feiten en omstandigheden die zien op de betrouwbaarheid of bruikbaarheid van het bewijs, ook al zijn die van groot gewicht. Zulke feiten of omstandigheden – hoewel bepalend voor de waardering van het bewijs en derhalve wel degelijk van invloed daarop – zijn immers niet redengevend voor de bewezenverklaring dat de verdachte het/de aan hem tenlastegelegde feit(en) heeft begaan. [2]
In het kader van de bewijsvoering mag door de strafrechter blijkens bestendige jurisprudentie ook gebruik worden gemaakt van verklaringen-van-horen-zeggen, zogenoemde de auditu-verklaringen, zijnde verklaringen van personen die mededelingen van derden weergeven. Verklaringen die tegenover de politie zijn afgelegd, mogen in beginsel zonder enige belemmering via het proces-verbaal tot het bewijs meewerken. [3]
Daarnaast kan tevens gebruik worden gemaakt van zogenoemd schakelbewijs. Met deze laatstgenoemde term pleegt te worden aangeduid een bewijsvoering waarbij voor de bewezenverklaring van een feit mede redengevend wordt geacht de – uit één of meer bewijsmiddelen blijkende – omstandigheid dat de verdachte bij één of meer andere strafbare feiten betrokken was. Daarbij is ten minste vereist dat de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten overeenkomt. [4]
Inhoudelijk geldt ter zake van het schakelbewijs niet dat daarvan alleen gebruik mag worden gemaakt indien de ontleende modus operandi steunt op de bewijsmiddelen van meer dan één ‘geschakeld’ feit. Ook is geen voorwaarde voor het gebruik van schakelbewijs dat tot de bewezenverklaring van in elk geval één van de feiten kan worden gekomen zonder dat daarvoor mede bewijsmiddelen worden gebezigd die betrekking hebben op een ander feit. Met andere woorden: het bewijs in elk van de zaken kan over en weer redengevend worden geacht, zelfs als geen enkel feit afzonderlijk – dus los van de schakelbewijsconstructie – wettig en overtuigend kan worden bewezen. [5]
Het hof stelt voorop dat een getuigenverklaring door de strafrechter slechts tot het bewijs kan worden gebezigd wanneer deze naar zijn oordeel betrouwbaar en overeenkomstig de waarheid is afgelegd. [6] Met betrekking tot de toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaring van een getuige geldt volgens het hof dat de strafrechter niet kan weten of de verklaring van de getuige in zijn algemeenheid juist is, daarbij een inschatting makend van de betrouwbaarheid of geloofwaardigheid van de getuige. Het gaat niet om de (algemene) geloofwaardigheid van de getuige zelf; het gaat om de geloofwaardigheid, de oprechtheid, hoe waarheidsgetrouw de door de getuige afgelegde verklaring is over het aan de orde zijnde onderwerp (vgl. de Europese jurisprudentie inzake getuigenbewijs waar deze bedoeld is “to test the truthfulness and reliability of evidence provided by witnesses which incriminates him or her”). Daarbij kan bij de beoordeling aan diverse aspecten nadere aandacht worden verleend, zoals: de toetsing aan objectieve informatie of gegevens aan de hand van het dossier; de consistentie van opeenvolgende door de getuige afgelegde verklaringen; de overeenstemming van die verklaringen met wat andere getuigen hebben verklaard en de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaringen. Ten slotte merkt het hof op dat de opvatting dat uit de wettelijke en jurisprudentiële regels inzake het bewijsrecht in strafzaken een algemeen, in alle strafzaken geldend toetsingskader voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen kan worden afgeleid, welk toetsingskader als rechtsregel kan en behoort te worden toegepast, onjuist is. [7]
Verklaringen van [medeverdachte]
Uit het relaasproces-verbaal van 29 januari 2013 volgt dat [medeverdachte] zich op 20 april 2012 heeft gemeld bij de politie Mijkenbroek te Breda. [medeverdachte] gaf aan dat hij (een soort van) bedrijfsleider was van een organisatie die in hennep handelde, dat hij financieel aan de grond zat en een bedrag van € 30.000,- moest betalen aan de leider van deze organisatie, [verdachte] (zijnde de verdachte), dat hij om die reden bedreigd werd en zeer bang was dat hem en/of zijn familie iets zou worden aangedaan als hij niet betaalde. Om deze reden zou [medeverdachte] naar de politie zijn gestapt. Hij wilde naar eigen zeggen openheid van zaken geven omdat dat volgens hem de enige manier was om los te komen uit de criminele hennepwereld. Dat dit tot gevolg zou hebben dat hij zelf ook als verdachte zou worden aangemerkt, heeft [medeverdachte] daarbij aanvaard als consequentie.
Vervolgens is door het Openbaar Ministerie besloten om over te gaan tot de oriënterende fase van een Bijzondere Getuige Traject door de Criminele Inlichtingen Eenheid (hierna: CIE) van de politie Midden & West Brabant en is [medeverdachte] met zijn gezin overgebracht naar een safehouse locatie. Nadat [medeverdachte] informatie had verstrekt aan de CIE, is in overleg besloten dat [medeverdachte] tactisch zou gaan verklaren.
[medeverdachte] heeft in de periode vanaf 3 mei 2012 tot en met 9 augustus 2012 in totaal 21 tactische verklaringen afgelegd ten overstaan van de politie. In grote lijnen verklaarde hij over grootschalige georganiseerde hennepkweek in de regio [plaatsnaam] , de personen die hierbij betrokken waren, de werkwijze van de organisatie en de onderlinge rolverdeling, de panden waarin de hennep werd gekweekt, de afnemers van de hennep en de opbrengsten en verdeling daarvan.
Op 9 augustus 2012 heeft [medeverdachte] desgevraagd bij de politie verklaard dat hij aan de CIE heeft aangegeven dat hij graag een nieuwe start wilde, ver weg van de situatie in Nederland, en dat hij een nieuwe kans wilde voor hem en zijn gezin. De CIE zou gezegd hebben dat zij daar voor konden zorgen en zou hem instructies hebben gegeven. Onderdeel daarvan was dat hij naar de tactische eenheid van de politie diende te gaan om inhoudelijke verklaringen af te leggen.
[medeverdachte] heeft op 6 oktober 2014 bij de rechter-commissaris verklaard dat de CIE tegen hem gezegd zou hebben dat als hij over alles zou gaan verklaren er voor hem en zijn gezin gezorgd zou gaan worden. Hierbij gold dat hoe meer informatie hij zou geven, hoe beter het zou zijn. Zijn gezin zou een veilige toekomst krijgen buiten Nederland.
In het getuigenverhoor tijdens het (besloten) onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep op 5 november 2025 heeft [medeverdachte] opnieuw verklaard dat hij met de CIE had afgesproken dat hij inhoudelijk zou verklaren en dat de CIE zou zorgen voor een veilige toekomst voor hem en zijn gezin. Deze toezeggingen zouden mondeling zijn gedaan. Op een zeker moment werd het [medeverdachte] duidelijk dat de mondelingen toezeggingen niet nagekomen zouden worden. Vanaf dat moment zou hij zijn gestopt met verklaren. Uit het politiedossier blijkt ook dat [medeverdachte] na zijn aanhouding op 21 augustus 2012 en na overleg met zijn toenmalige raadsvrouw nagenoeg geen inhoudelijke verklaringen meer heeft willen afleggen.
Overigens heeft [medeverdachte] tijdens zijn verhoren bij de rechter-commissaris op respectievelijk 11 maart 2014, 12 maart 2014, 6 oktober 2014 en 20 oktober 2014 wel inhoudelijk verklaard. Bij deze verhoren waren de raadslieden van de medeverdachten van [medeverdachte] – waaronder de raadsman van de verdachte – aanwezig en hebben zij de gelegenheid gehad om vragen te stellen aan [medeverdachte] , welke vragen door [medeverdachte] ook zijn beantwoord. Hetzelfde geldt voor het verhoor van [medeverdachte] als getuige ter terechtzitting in hoger beroep op 5 november 2025.
Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in eerste aanleg en in hoger beroep is het hof niet gebleken dat er toezeggingen zijn gedaan aan [medeverdachte] over een mogelijke deal in ruil voor de verklaringen. Met de rechtbank komt het hof op basis van de verklaringen van [medeverdachte] wel tot de conclusie dat [medeverdachte] de hoop en verwachting had dat er in ruil voor zijn verklaringen voor de veiligheid van hem en zijn gezin zou worden gezorgd. Blijkens zijn eigen verklaringen speelde dit ook een rol bij het afleggen van zijn verklaringen. Naar het oordeel van het hof betekent dit echter niet dat, zoals de verdediging stelt, de verklaringen van [medeverdachte] onbetrouwbaar zijn omdat de waarheid ondergeschikt zou zijn aan het doel om die bescherming door de overheid te verkrijgen. Ook het feit dat er discrepanties bestaan tussen de verklaringen van [medeverdachte] en de verklaringen die door verschillende verbalisanten van de politie zijn afgelegd, maakt niet dat de verklaringen van [medeverdachte] (in het geheel) onbetrouwbaar zijn. In dat verband merkt het hof op dat voornoemde discrepanties betrekking hebben op de (volgens [medeverdachte] door de verbalisanten toegezegde) mate van bescherming en niet op de feiten die [medeverdachte] en zijn medeverdachten, onder wie de verdachte, worden verweten. Om te beoordelen of de verklaringen van [medeverdachte] betrouwbaar zijn, dienen deze verklaringen op de inhoud en in samenhang met andere (objectieve) bewijsmiddelen te worden getoetst.
Daarover stelt het hof in het algemeen vast dat de verklaringen die [medeverdachte] gedurende het gehele onderzoek heeft afgelegd, zeer gedetailleerd en in grote lijnen consistent zijn. Bovendien vinden zijn verklaringen op onderdelen steun in andere bewijsmiddelen, zo ook in de verklaringen van de verdachte zelf. Daar komt bij dat [medeverdachte] tijdens de verhoren ook (zeer) belastend over zichzelf heeft verklaard. Al deze omstandigheden dragen naar het oordeel van het hof bij aan de betrouwbaarheid van [medeverdachte] .
In verband met het voorgaande acht het hof ook van belang dat de zus van medeverdachte [medeverdachte 2] , [betrokkene 11] , en haar partner [betrokkene 12] , hebben verklaard dat [medeverdachte 2] gedurende lange tijd door de familie [familienaam] is bedreigd en voor zijn leven zou vrezen. Hun verklaringen op dit punt vertonen gelijkenissen met de verklaring van [medeverdachte] over de bedreiging door [verdachte] .
Of de verklaringen van [medeverdachte] betrouwbaar zijn, zal door hof voorts worden beoordeeld op basis van een feitelijke toets per afzonderlijk tenlastegelegd feit. Daarbij zal het hof kijken naar de mate waarin de verklaringen consistent en gedetailleerd zijn en naar de mate waarin zij worden ondersteund door objectieve bewijsmiddelen uit (een) andere bron(nen). Ten aanzien van het steunbewijs zal het hof focussen op het steunbewijs inzake de door [medeverdachte] geschetste gang van zaken in het algemeen en het steunbewijs over de rol van de verdachte ten aanzien van het desbetreffende tenlastegelegde feit in het bijzonder. Daarbij geldt dat het steunbewijs ten aanzien van de deelneming aan de criminele organisatie tevens van betekenis kan zijn bij de beoordeling van de betrokkenheid van de verdachte bij de hennepplantages en/of het witwassen vanwege de onderlinge samenhang tussen deze verschillende feiten.
Feit 4 en feit 5B – Deelneming aan een criminele organisatie
Inleiding
Op 20 april 2012 heeft [medeverdachte] zich gemeld bij de politie in Breda om aangifte te doen van bedreiging door [verdachte] (hierna: [verdachte] ). [verdachte] zou volgens [medeverdachte] aan het hoofd staan van een organisatie die zich op grote schaal bezighield met het telen van hennep in [plaatsnaam] en omstreken. Deze organisatie werd grotendeels gevormd door en rondom leden van de familie [familienaam] , waarbij onder meer gebruik werd gemaakt van werkers, katvangers, telers, knippers, beveiligers, elektriciens en makelaars, aldus [medeverdachte] . [medeverdachte] zelf zou jarenlang als – zoals hij dit zelf noemt – een soort van bedrijfsleider actief zijn geweest binnen deze organisatie, en daarmee een middenkader hebben gevormd tussen de leiders van de organisatie en de onderlaag, bestaande uit uitvoerders van de hiervoor beschreven taken.
Uit de verklaringen van [medeverdachte] kan worden afgeleid dat feitelijk sprake is geweest van twee organisaties over twee periodes, namelijk een organisatie in de periode van 2003 tot aan de zomer van 2006 en een organisatie die aanvangt in de zomer van 2006 en doorloopt tot en met 2012. De deelneming aan beide organisaties is door het Openbaar Ministerie afzonderlijk tenlastegelegd en zal door het hof, hoewel uit de bewijsmiddelen blijkt van (grote) samenhang tussen de organisaties en hoewel voor diverse verdachten geldt dat deze criminele organisaties naadloos op elkaar aansluiten en er bij hen in feite geen sprake is van een “knip” in organisaties/pleegperiodes, dan ook afzonderlijk worden besproken.
Het hof stelt vast dat de tenlastelegging van de organisatie in de eerste periode is gebaseerd op de verklaringen van [medeverdachte] en verklaringen van medeverdachten die zijn verklaringen ondersteunen. Ten aanzien van de criminele organisatie in de tweede periode worden de verklaringen van [medeverdachte] , naast de verklaringen van de medeverdachten, mede ondersteund door feiten en omstandigheden ten aanzien van de onder de overige feiten tenlastegelegde hennepkwekerijen.
Alvorens in te gaan op de feiten en omstandigheden ten aanzien van de criminele organisatie, zal het hof het juridisch kader met betrekking tot deelneming aan een criminele organisatie uiteenzetten.
Juridisch kader
Onder feit 4 is tenlastegelegd dat de verdachte (als oprichter en/of leider en/of bestuurder) heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, als bedoeld in artikel 140, eerste lid, Sr. Onder feit 5B is tenlastegelegd dat de verdachte (als oprichter en/of leider en/of bestuurder) heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, (oud) van de Opiumwet (in werking getreden op 1 juli 2006 en na 1 maart 2015 vernummerd naar artikel 11b, eerste lid, Opiumwet).
Voor wat betreft het juridisch kader ten aanzien van artikel 140, eerste lid, Sr en artikel 11a, eerste lid, (oud) van de Opiumwet geldt dat laatstgenoemde bepaling moet worden gezien als een logische specialis van artikel 140, eerste lid, Sr. Voor de invulling van het juridisch kader van feit 4 en feit 5B geldt derhalve dat de uitleg van de bestanddelen van artikel 140, eerste lid, Sr in gelijke mate van toepassing is. Voor het bewijs van deelneming aan de criminele organisatie zal bijgevolg met het oog op de tenlastelegging moeten worden bewezen dat:
  • i) sprake is geweest van een organisatie;
  • ii) deze organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 140, eerste lid, Sr, dan wel het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11a, eerste lid, (oud) van de Opiumwet en
  • iii) het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.
( i) Onder
een organisatieals bedoeld in artikel 140, eerste lid, Sr en artikel 11a, eerste lid, (oud) van de Opiumwet moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere (rechts)persoon. Een dergelijk samenwerkingsverband kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Er is reeds sprake van een dergelijke organisatie wanneer één persoon met minimaal één of meer anderen voor een door hen gesteld doel samenwerken. Het optreden als eenheid is geen absolute voorwaarde, terwijl de juridische status van het samenwerkingsverband niet relevant is. Ook hoeft er geen sprake te zijn van formeel afgebakende taken, maar het samenwerkingsverband moet wel meer dan een incidenteel karakter hebben. Dat voor het bestaan van een ‘organisatie’ in de zin van artikel 140, eerste lid, Sr of 11a, eerste lid, (oud) van de Opiumwet een vorm van ‘hiërarchie’ of ‘geledingen’ vereist is, vindt geen steun in het recht. Het moet in ieder geval gaan om een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband, dat als eenheid kan opereren – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. [9]
Van een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband kan al blijken als er gedurende een vaste periode door bepaalde personen volgens een vast patroon wordt samengewerkt. Niet noodzakelijk is daarbij dat het enkel steeds dezelfde personen betreft. Ook is in dezen niet vereist dat al de personen van de organisatie onderling met elkaar samengewerkt hebben of bekend waren met de andere (rechts)personen die deel uitmaken van de organisatie en hun bezigheden voor die organisatie. [10] De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene. [11] Ten slotte hebben duurzaamheid en gestructureerdheid betrekking op het bestanddeel ‘organisatie’ en niet op ‘deelneming’, zodat ook een relatief korte bijdrage aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband strafbaar kan zijn.
(ii) Om tot een bewezenverklaring van artikel 140, eerste lid, Sr of artikel 11a, eerste lid, (oud) van de Opiumwet te kunnen komen, is voorts vereist dat de organisatie tot
oogmerk heeft het plegen van misdrijven (artikel 140, eerste lid, Sr)of
van een bepaald misdrijf (artikel 11a, eerste lid, Opiumwet). Het oogmerk betreft het naaste doel van de organisatie en niet dat van de verdachte/deelnemer aan de organisatie. [12] Niet is vereist dat het plegen van de misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht of de Opiumwet de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is of dat de organisatie de uitsluitende bedoeling heeft misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht of de Opiumwet te plegen. [13] Het oogmerk kan daarbij gericht zijn op een enkel, specifiek genoemd delict of meerdere delicten uit het Wetboek van Strafrecht of de Opiumwet. Ten aanzien van artikel 140 Sr Pro is een pluraliteit daarvan noodzakelijk. [14] Het oogmerk impliceert dat de desbetreffende misdrijven – of pogingen of voorbereidingen daartoe – nog niet hoeven te hebben plaatsgevonden en behoeven in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zullen wel uit de bewijsmiddelen moeten blijken. [15] Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten die met dit doel worden verricht. [16]
(iii) Voorts moet voor een bewezenverklaring worden vastgesteld dat het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als
deelneming aan de organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. [17] Beide vereisten zijn te beschouwen als nevengeschikt, maar zijn tevens onderling nadrukkelijk samenhangend. Uit de bewijsmiddelen moet derhalve duidelijk worden dat de verdachte behoort tot de organisatie en niet enkel is te beschouwen als een sympathisant. Daarnaast moet sprake zijn van enige, naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met het misdrijf of de misdrijven die de organisatie nastreeft. Deze activiteit kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar kan ook bestaan uit het feitelijk verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet zo zeer zijn te kwalificeren als een strafbare vorm van daderschap, maar wel zijn aan te merken als bovenbedoeld ‘een aandeel hebben in of ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie’. Niet is vereist derhalve dat de verdachte aan enig concreet misdrijf van de organisatie heeft deelgenomen.
Naast de hiervoor genoemde objectieve vereisten dient de verdachte in subjectieve zin in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van een of meer specifieke misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht of de Opiumwet. Wetenschap bij de verdachte in de vorm van voorwaardelijk opzet is op dit punt niet voldoende, maar redelijke wetsuitleg brengt mee dat voor deelneming voldoende is dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. [18]
Bij de vraag of een deelnemer aan een criminele organisatie (ook) ‘leider’ van die organisatie kan worden aangemerkt, gaat het erom of de deelnemer binnen de organisatie een bepaalde macht heeft of bepaald gezag bezit. Omstandigheden die daarvoor van belang kunnen zijn, zijn dat de deelnemer dwingende aanwijzingen kan geven of dat de deelnemer binnen de organisatie belangrijke initiatieven ontplooit, waarnaar anderen zich richten. De leider van de organisatie is degene die het in (een onderdeel van) de organisatie (feitelijk) voor het zeggen heeft. Niet is vereist dat de leider statutair of op grond van de van toepassing zijnde clubregels als zodanig is benoemd. [19] Het is onder omstandigheden mogelijk meerdere deelnemers als ‘leider’ aan te merken. [20] Verder staat aan het aanmerken van een deelnemer als ‘leider’ niet in de weg dat de deelnemer binnen de organisatie zelf ondergeschikt is aan een of meer andere deelnemers. [21]
Feit 4 – Deelneming aan een criminele organisatie ex artikel 140 Sr Pro in de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2006
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het aan de verdachte onder 4 tenlastegelegde feit, te weten deelneming aan een criminele organisatie in de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2006.
Daartoe heeft de raadsman – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat de verdachte weliswaar tot 2003 in de hennepteelt heeft gezeten, maar gedurende de tenlastegelegde periode reeds ‘met pensioen’ was. Verder heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 4] niet als steunbewijs voor de verklaringen van [medeverdachte] kunnen worden aangemerkt, nu hij slechts in algemeenheden heeft verklaard over de familie [familienaam] , zijn kennis te dier zake ontleent aan hetgeen hij gehoord heeft en voorts weinig zicht heeft op de precieze rol van de verdachte. De verklaringen van [medeverdachte 5] en [betrokkene 12] kunnen evenmin als steunbewijs worden aangemerkt, omdat zij verklaard hebben weinig over de precieze rol van de verdachte te weten. Concrete gedragingen van de verdachte kunnen dan ook niet bewezen worden of, voor zover deze wel bewezen kunnen worden, zijn van onvoldoende gewicht om van deelneming aan een criminele organisatie te kunnen spreken.
Voor zover het hof van oordeel is dat wel sprake is van deelneming aan een criminele organisatie, is er onvoldoende bewijs dat de verdachte als leider van die organisatie heeft gefungeerd.
Het hof overweegt als volgt.
Feiten en omstandigheden
Ten aanzien van het onder 4 tenlastegelegde feit heeft [medeverdachte] , voor zover relevant voor het bewijs, het volgende verklaard.
Gedurende de onder 4 tenlastegelegde periode stond [verdachte] aan het hoofd van een criminele organisatie die zich op grote schaal bezighield met het telen van hennep in [plaatsnaam] en omstreken. Tijdens zijn verhoren heeft [medeverdachte] een organisatie geschetst waarbij onder meer gebruik werd gemaakt van:
  • makelaars voor het huren van panden waar kwekerijen in gebouwd konden worden;
  • katvangers voor de huur van panden en het doen van aankopen;
  • werkers om de kwekerijen op te bouwen, te onderhouden, te oogsten en alle voorkomende klussen te doen;
  • vaste elektriciens die alle werkzaamheden met betrekking tot de elektra deden;
  • vaste knipploegen voor het verwerken van de oogst.
In de periode 2002/2003 heeft [medeverdachte] de woning van [verdachte] verbouwd. Zo leerden beide mannen elkaar kennen. [verdachte] zat in de hennep en [medeverdachte] kreeg opdrachten om herstelwerkzaamheden te verrichten in panden waar hennepkwekerijen in hadden gezeten. Omdat [medeverdachte] schulden had, heeft hij geld geleend van [verdachte] . Op enig moment gaf [verdachte] aan [medeverdachte] aan dat hij zijn geld veel sneller terug kon verdienen door in de hennepkwekerijen te gaan werken. Zodoende is [medeverdachte] medio 2003 in de organisatie van [verdachte] terecht gekomen. [medeverdachte] hield zich binnen de organisatie onder meer bezig met het opbouwen en beheren van hennepkwekerijen en stuurde de werkers ter plaatse aan. Direct onder [verdachte] stond [medeverdachte 2]
(het hof: [medeverdachte 2] , hierna [medeverdachte 2] ). [medeverdachte 2] was de tweelingbroer van de toenmalige vriendin van [verdachte]
(het hof: [betrokkene 1] )en fungeerde als zijn rechterhand. [medeverdachte 2] regelde het grootbrengen van de planten, deed het onderhoud van de kwekerij en ging over de inrichting.
In de periode tussen 2003 en 2006 (met doorloop van 2009 tot 2012) waren volgens [medeverdachte] naast hemzelf, [verdachte] en [medeverdachte 2] onder anderen de volgende personen werkzaam binnen de organisatie:
  • [medeverdachte 1]
  • [medeverdachte 5]
  • [medeverdachte 4]
  • [medeverdachte 6]
Katvangers die voor [verdachte] panden op naam hadden waren onder andere [medeverdachte 7]
(het hof: [medeverdachte 7] , hierna [medeverdachte 7] )en [medeverdachte 8]
(het hof: [medeverdachte 8] , hierna [medeverdachte 8] ). [medeverdachte 8] was aanvankelijk een katvanger voor [medeverdachte] en [medeverdachte 2] , maar later ook voor [verdachte] en [medeverdachte 3]
(het hof: [medeverdachte 3] , hierna [medeverdachte 3] ).
Na de oogst werden er in opdracht van [medeverdachte 2] weer nieuwe planten gezet. [verdachte] en [medeverdachte 2] knipten altijd de planten en stopten deze in vuilniszakken. Daarna werd de kwekerij opnieuw opgebouwd door onder andere [medeverdachte] en [medeverdachte 4] , waarna [medeverdachte 2] met de nieuwe stekjes kwam.
De financiële afrekening vond altijd plaats in de woning van [verdachte] aan de [adres 10] . [verdachte] had volgens [medeverdachte] altijd het geld thuis liggen, in een plastic zak.
[medeverdachte 2] leverde een lijstje aan waarop de onkosten stonden. [medeverdachte 2] kreeg dan van [verdachte] zijn onkosten vergoed. [medeverdachte] kreeg meestal ongeveer € 4.000,- van de opbrengst van de oogst van de kwekerij. In die fase werd stiekem gedaan over hoeveel geld [verdachte] en [medeverdachte 2] zelf kregen. [medeverdachte 2] betaalde alle overige personen die betrokken waren geweest bij de kwekerij, zoals de werkers en de makelaar.
In de periode tussen 2003 en 2006 zouden volgens [medeverdachte] twaalf hennepkwekerijen tegelijkertijd hebben gelopen volgens steeds dezelfde constructie en structuur waarbij [verdachte] de baas was en vertelde wat er precies moest gebeuren, [medeverdachte 2] regelde de inrichting en [medeverdachte] zelf heeft in die periode meerdere hokken opgezet. [medeverdachte 2] maakte deel uit van de organisatie van [verdachte] tot 2007. Daarna scheidden de wegen van [verdachte] en [medeverdachte 2] en ging ieder voor zichzelf verder.
Over [verdachte] verklaarde [medeverdachte] in aanvulling op het bovenstaande dat hij de baas was en de lakens uitdeelde. [medeverdachte] en [medeverdachte 2] bezochten voor [verdachte] locaties waar mogelijk een hennepkwekerij ingericht kon worden. Als zij een pand hadden bekeken, werd het pand vervolgens door een katvanger gehuurd. Vervolgens werd bepaald waar de hokken geplaatst konden worden en werd door de elektricien bekeken hoeveel lampen er nodig waren. [medeverdachte] maakte daarna een berekening. De uiteindelijke offerte werd door [verdachte] , [medeverdachte 3] of [medeverdachte 2] bekeken en beoordeeld. Werd de offerte goed bevonden, dan werd een startkapitaal beschikbaar gesteld. [medeverdachte] deed de inkopen. Alle rekeningen en kassabonnen werden bewaard en moesten worden overgelegd aan [verdachte] .
Ten aanzien van de wijze waarop de organisatie in het algemeen functioneerde en de rol van [verdachte] daarin worden de verklaringen van [medeverdachte] ondersteund door de verklaringen van [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] en door de verklaring van [betrokkene 12] , de partner van de voormalig schoonzus van [verdachte] ( [betrokkene 11] ).
[medeverdachte 5] heeft verklaard dat hij wist dat de familie [familienaam] ( [verdachte] , [medeverdachte 14] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] en de vader van [verdachte] , [medeverdachte 14] en [medeverdachte 1] ) diep in de hennep zat. Dat wist hij, omdat hij sinds 2004, met een kleine onderbreking, voor [verdachte] in wiethokken heeft gewerkt. [medeverdachte 5] verklaarde dat hij een werker was en heeft gewerkt onder [verdachte] , [medeverdachte 2] , [medeverdachte] en [medeverdachte 1] , waarbij alles via [medeverdachte 1] , zijn vriend, liep. [verdachte] zag hij als de leider. [verdachte] had een andere rol dan de rest. Wanneer de verhorend verbalisanten [medeverdachte 5] voorhouden wat [medeverdachte] heeft verklaard over de criminele organisatie en de personen die daaraan deelnemen, bevestigt hij dit en voegt hij daaraan toe: “Ik was onderdeel van een hele organisatie, maar ik ben maar een hulpje.”
[medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij [medeverdachte] kende en dat hij vanaf het moment dat [medeverdachte] in de geldproblemen kwam, voor hem in de hennep is gaan werken. Op basis van de verklaring van [medeverdachte] stelt het hof vast dat dit medio 2003 was. [medeverdachte 4] verklaarde dat hij werker was. Hij sjouwde zand, richtte hennepkwekerijen mee in, knipte de hennep et cetera. Voor deze werkzaamheden werd hij betaald.
[medeverdachte 4] vond het lastig om over [verdachte] te verklaren, omdat hij niet wist of hij zichzelf dan in eenzelfde situatie bracht als [medeverdachte] . [medeverdachte 4] werkte voor [medeverdachte] , die weer werd aangestuurd door [verdachte] . [medeverdachte 4] heeft verklaard dat [verdachte] en [medeverdachte 2] op hetzelfde niveau stonden, maar dat het zou ook kunnen dat [verdachte] hoger stond.
[betrokkene 12] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] via [verdachte] – die destijds een relatie had met de zus van [medeverdachte 2] – in de wiet terecht is gekomen. [verdachte] is volgens [betrokkene 12] degene die aan de touwtjes trekt. Uit de verklaring van [betrokkene 12] over dreigementen richting [medeverdachte 2] , die later in de tijd plaatsvonden, leidt het hof af dat [betrokkene 12] kennis had over de rol en positie van [medeverdachte 2] door hetgeen door hem aan hem werd verteld.
De verdachte is zelf ook meermaals gehoord over zijn vermeende betrokkenheid bij de organisatie zoals deze door [medeverdachte] , [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [betrokkene 12] wordt omschreven. Kort samengevat ontkent hij betrokkenheid bij de organisatie die in de periode 2003 tot en met 2006 zou hebben bestaan. Hij is al acht à negen jaar – gerekend vanaf 2012 – gestopt in de hennepwereld. Het meeste aantal hokken dat hij met [medeverdachte 2] en [medeverdachte] heeft gehad is twaalf, maar dat was dus vóór 2003.
Conclusie
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat de verklaringen van [medeverdachte] over de criminele organisatie in de periode van 2003 tot en met 2006 consistent en gedetailleerd zijn en voldoende worden ondersteund door objectieve feiten uit andere bronnen, te weten de verklaringen van [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [betrokkene 12] . Anders dan de verdediging, ziet het hof geen reden om deze verklaringen buiten beschouwing te laten. [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] hebben beiden voor de organisatie gewerkt en zijn zodoende op de hoogte geraakt van de positie van de verdachte. Dat zij niet op gedetailleerde wijze over (de rol van) de verdachte hebben kunnen verklaren, maakt naar het oordeel van het hof niet dat hun (algemene) verklaringen over de betrokkenheid en rol van de verdachte niet kunnen dienen als steunbewijs voor de verklaringen van [medeverdachte] . Hetzelfde geldt ten aanzien van de verklaring van [betrokkene 12] , die via [medeverdachte 2] in het algemeen op de hoogte raakte van de rol van de verdachte binnen de organisatie. [medeverdachte 2] was nauw bij de organisatie betrokken waardoor de informatie die [betrokkene 12] van hem heeft verkregen naar het oordeel van het hof als betrouwbaar kan worden aangemerkt.
Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte] dan ook betrouwbaar en in onderlinge samenhang met het steunbewijs van de drie medeverdachten voldoende om vast te stellen dat in de periode van 1 januari 2003 tot en met 30 juni 2006 sprake is geweest van een duurzaam en (min of meer) gestructureerd samenwerkingsverband tussen onder meer de verdachte en de medeverdachten [medeverdachte 1] , [medeverdachte] , [medeverdachte 2] en andere medeverdachten. Dit samenwerkingsverband was gericht op – en had aldus tot oogmerk – het plegen van misdrijven, te weten het, kort gezegd, op grote schaal telen en verkopen van hennep. Verder was sprake van een duidelijke (en afgebakende) rol- en taakverdeling tussen de verschillende deelnemers aan de organisatie, waarbij rollen overigens ten dele inwisselbaar zijn gebleken. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte behoorde tot de organisatie en een significant aandeel had in haar activiteiten. De verdachte bepaalde veelal welke panden als locaties voor hennepkwekerijen werden gehuurd, was vaak degene die in de kwekerijen investeerde en de financiële afrekening vond onder zijn verantwoordelijkheid bij hem thuis plaats. Gelet hierop is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte niet alleen heeft deelgenomen aan de hiervoor beschreven criminele organisatie, maar ook als leider daarvan dient te worden aangemerkt. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen kan tevens worden vastgesteld dat de verdachte oprichter was van deze criminele organisatie.
Voorts kan op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, worden vastgesteld dat de verdachte wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven.
Alles overziend, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 4 tenlastegelegde feit, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman wordt, gelet op het voorgaande, in al haar onderdelen verworpen.
Het hof acht, met de rechtbank, niet wettig en overtuigend bewezen dat sprake is geweest van een oogmerk op het plegen van de overige in de tenlastelegging genoemde misdrijven, te weten diefstal door middel van braak en/of verbreking van energie/stroom en/of het – kort gezegd – opzettelijk vernielen van enig elektriciteitsnetwerk en/of witwassen, zodat de verdachte van die onderdelen van de tenlastelegging zal worden vrijgesproken.
Feit 5B – Deelneming aan een criminele organisatie ex artikel 11a (oud) Opiumwet in de periode van 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het aan de verdachte onder 5 tenlastegelegde feit . Daartoe heeft de raadsman – op gronden zoals nader in pleitnota verwoord – opnieuw aangevoerd dat dat de verdachte reeds ‘met pensioen’ was. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van [betrokkene 12] niet als steunbewijs voor de verklaringen van [medeverdachte] kunnen worden aangemerkt, nu hij heeft verklaard dat de verdachte ‘indirect’ leiding gaf aan zijn zoon [medeverdachte 3] en dat [medeverdachte 3] een groep bestaande uit Marokkanen, Turken en Joegoeslaven om zich heen had die voor hem werkte. De tenlastegelegde criminele organisatie bestaat uit de verdachte, [medeverdachte 3] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte] ; allen geen Marokkanen, Turken of Joegoeslaven.
Hetgeen resteert zijn de verklaringen van [medeverdachte] , ten aanzien waarvan [medeverdachte 9] bij gelegenheid van zijn verhoor door de raadsheer-commissaris d.d. 2 juni 2021 heeft bevestigd dat deze verifieerbaar onjuist zijn. De verdachte ontkent nadrukkelijk dat hij leider c.q. oprichter van een criminele organisatie was, en de verklaring van [medeverdachte 9] dient als steunbewijs voor die verklaring van de verdachte te worden gezien.
Concluderend is er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voorhanden om tot een bewezenverklaring van deelneming aan een criminele organisatie te kunnen komen en zeker voor een bewezenverklaring van leider/oprichter hiervan, aldus de raadsman.
Het hof overweegt als volgt.
Feiten en omstandigheden
Ten aanzien van het onder 5B tenlastegelegde feit heeft [medeverdachte] , voor zover relevant voor het bewijs, in aanvulling op zijn eerdere verklaring over de criminele organisatie in het algemeen, in het bijzonder het volgende over de periode vanaf 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012
(het hof: de einddatum van de bewezenverklaarde periode is de datum waarop de verdachten in Onderzoek Heemskerck zijn aangehouden door de politie)verklaard .
In 2006, nadat hij zijn schuld aan [verdachte] had afgelost, is [medeverdachte] gestopt met [verdachte] en [medeverdachte 2] . Op enig moment werd hij door [medeverdachte 9] benaderd en werd afgesproken dat [medeverdachte] eenmalig een hok zou bouwen voor [verdachte] en [medeverdachte 2] . Het hok werd gefinancierd door [medeverdachte 2] . Van 2007 tot ongeveer 2009 heeft [medeverdachte] voor [medeverdachte 2] gewerkt. Van zijn opbrengsten moest [medeverdachte] de helft afdragen aan [verdachte] , omdat [verdachte] er volgens zijn zeggen voor gezorgd had dat [medeverdachte] met [medeverdachte 2] ging samenwerken.
Toen [medeverdachte 2] in 2009 gedetineerd raakte in België, is [medeverdachte] benaderd door [verdachte] om zaken te doen met diens zoon [medeverdachte 3] . [medeverdachte] had geld nodig om een geript hok van [medeverdachte 2] aan [adres 9] opnieuw in te richten, en heeft daarom opnieuw € 20.000,- geleend van [verdachte] . Op deze wijze werd de zoon van [verdachte] , [medeverdachte 3] , ook bij dit hok betrokken. Toen [medeverdachte 2] in april 2009 weer vrijkwam, is [medeverdachte 2] weer aan het werk gegaan in het hok aan [adres 9] . Door [medeverdachte 3] werd op enig moment tegen [medeverdachte 2] gezegd dat hij niet meer mee mocht doen in dat hok, waarop [medeverdachte 2] eruit is gestapt. [medeverdachte] mocht vanaf dat moment van [verdachte] en [medeverdachte 3] geen contact meer hebben met [medeverdachte 2] . [verdachte] en [medeverdachte 3] zijn het hok aan de [adres 9] vanaf dat moment, samen met [medeverdachte] , gaan draaien. In de periode vanaf 2009 tot en met het moment dat [medeverdachte] is gaan verklaren, heeft hij verschillende hennepkwekerijen opgebouwd in samenwerking met [verdachte] en [medeverdachte 3] .
Vanaf eind 2008, begin 2009 is [medeverdachte 3] in de organisatie komen werken. [medeverdachte 3] stond op gelijke hoogte met zijn vader [verdachte] . [medeverdachte] verklaarde over de beginperiode dat de afrekening in de woning van [verdachte] plaatsvond en dat ook in de periodes dat de verdachte in andere woningen woonde, [medeverdachte] buiten moest wachten terwijl de verdachte ergens contant geld vandaan haalde. Ter terechtzitting in hoger beroep bevestigde [medeverdachte] dat gedurende de periode vanaf 2003 tot en met 2012 de financiering van de plantages het verdelen van het geld door de verdachte tussen [medeverdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] plaatsvond in de woning van [verdachte] .
Naast de reeds in de organisatie in de periode van 2003 tot 2006 beschreven personen noemt [medeverdachte] met betrekking tot de periode van 2006 tot 2012 – onder meer – de volgende personen :
  • [medeverdachte 10]
  • [medeverdachte 11]
  • [medeverdachte 12] , de vaste elektricien (in de periode tot 2010);
  • [medeverdachte 13]
  • [medeverdachte 8] , een katvanger die voor [verdachte] panden op zijn naam had staan.
In de hiervoor onder feit 4 weergegeven beschrijving van de organisatie van 2003 tot 2006 zijn reeds verklaringen van medeverdachten [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en getuige [betrokkene 12] aangehaald die de verklaringen van [medeverdachte] over de organisatie in het algemeen en de rol van de verschillende deelnemers bevestigen. Deze verklaringen zien veelal niet enkel op de organisatie van 2003 tot 2006, maar hebben betrekking op de organisatie in zijn geheel over verschillende tijdsperioden, dus ook over de periode van 1 juli 2006 tot 21 augustus 2012. Het hof zal deze verklaringen dan ook met verwijzing naar het hiervoor overwogene meenemen in de beoordeling van deze latere organisatie.
In aanvulling hierop overweegt het hof ten aanzien van de activiteiten van de criminele organisatie in deze tweede periode dat de verklaringen van [medeverdachte] tevens worden ondersteund door de verklaring van [medeverdachte 8] , die heeft verklaard dat hij in de periode vanaf 2008 op verzoek van [medeverdachte] verschillende keren een handtekening heeft gezet voor de huur van een pand waarin daarna een kwekerij is opgezet.
Ook wijlen makelaar [betrokkene 3]
(het hof: hierna [betrokkene 3] )verklaarde dat hij, via makelaar [medeverdachte 13] , werd betrokken bij de verhuur van panden voor hennepkwekerijen. Het zou daarbij gaan om de groep die betrokken was bij de kwekerij aan [adres 9]
(het hof: de kwekerij van feit 2).
Ten aanzien van de verdachte in de periode tussen 1 juli 2006 en 21 augustus 2012 overweegt het hof aanvullend dat [medeverdachte 5] verklaarde dat hij tot 2012 voor [verdachte] heeft gewerkt. Hij bevestigt dat de zoon van de verdachte, [medeverdachte 3] , op enig moment in de hennepteelt terecht is gekomen en de handel een beetje aan het overnemen was van zijn vader. [medeverdachte 5] verklaarde dat vanaf dat moment het regelen via [medeverdachte 3] ging, dat [medeverdachte 1] de tweede hand was en dat hij zelf werd aangestuurd door [medeverdachte 1] .
Naast hetgeen uit de verklaringen van [betrokkene 12] hiervoor al is aangehaald, verklaarde [betrokkene 12] over de verdachte dat de verdachte indirect leiding gaf aan zijn zoon [medeverdachte 3] en dat vanaf het moment dat [medeverdachte 3] is betrokken bij de organisatie, de problemen ontstonden voor [medeverdachte 2] .
[medeverdachte 4] verklaarde voorts nog over [verdachte] dat hij (via een derde) door [verdachte] onder druk werd gezet om een deel van de opbrengst van een plantage die [medeverdachte 4] zelf had opgebouwd aan hem af te staan, waarbij hij dreigde om [medeverdachte 4] te slaan. Dit incident was de reden dat [medeverdachte 4] niet meer voor [medeverdachte] en [verdachte] wilde werken.
Tot slot overweegt het hof dat de verklaring van [medeverdachte] over de financiële afwikkeling in de woning van de verdachte en het handelsgeld dat hij daar zou bewaren, aansluit op het contante bedrag van € 10.000,-, dat is aangetroffen in de woning van de verdachte in een plastic zak in een plastic opbergbak in de berging. Daarbij verwijst het hof voor de feitelijke onderbouwing naar de overwegingen ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit (witwassen).
Conclusie
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat de verklaringen van [medeverdachte] over de criminele organisatie in de periode van 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012 consistent en gedetailleerd zijn en voldoende worden ondersteund door objectieve feiten uit andere bronnen, te weten de verklaringen van [medeverdachte 5] , [medeverdachte 4] en [betrokkene 12] . Ook hier ziet het hof geen aanleiding om de verklaringen buiten beschouwing te laten, om dezelfde redenen als hiervoor ten aanzien van feit 4 is overwogen. In aanvulling daarop hebben ook [medeverdachte 8] en [betrokkene 3] vanuit hun eigen betrokkenheid verklaard over de criminele organisatie in het algemeen. Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte] betrouwbaar en in onderlinge samenhang met het steunbewijs voldoende om vast te stellen dat in de periode van 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012 sprake is geweest van een duurzaam en (min of meer) gestructureerd samenwerkingsverband tussen de verdachte, [medeverdachte] en de medeverdachten. Dit samenwerkingsverband was gericht op – en had aldus tot oogmerk – het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet, te weten, kort gezegd, het in de uitoefening van een beroep of bedrijf telen en verkopen van grote hoeveelheden hennep. Die misdrijven hebben zich in voorkomende gevallen ook verwezenlijkt, zoals onder meer blijkt uit de onder 2, 6 en 7 A en B bewezenverklaarde feiten. Verder was sprake van een duidelijke (en afgebakende) rol- en taakverdeling tussen de verschillende deelnemers aan de organisatie. Uit de bewijsmiddelen volgt dat de verdachte behoorde tot de organisatie en een significant aandeel had in haar activiteiten.
Voorts stelt het hof ten aanzien van de verdachte vast dat hij, al dan niet via zijn zoon en medeverdachte [medeverdachte 3] , bepaalde wat er diende te gebeuren. De verdachte bepaalde veelal welke panden als locaties voor hennepkwekerijen werden gehuurd, was vaak degene die in de kwekerijen investeerde en de financiële afrekening vond onder zijn verantwoordelijkheid bij hem thuis plaats. Gelet hierop is het hof dan ook van oordeel dat de verdachte niet alleen heeft deelgenomen aan de hiervoor beschreven criminele organisatie, maar ook als leider daarvan dient te worden aangemerkt. Op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen kan tevens worden vastgesteld dat de verdachte oprichter was van deze criminele organisatie, die feitelijk een voortzetting is van de criminele organisatie in de periode van 2003 tot en met 2006.
Voorts kan op grond van de inhoud van de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, worden vastgesteld dat de verdachte wist dat de organisatie tot oogmerk had het plegen van Opiumwetmisdrijven.
Alles overziend, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 5B tenlastegelegde feit, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman wordt, gelet op het voorgaande, in al haar onderdelen verworpen.
Feit 2 – Hennepkwekerij [adres 9]
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het aan de verdachte onder 2 tenlastegelegde feit. Daartoe heeft de raadsman – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat onvoldoende steunbewijs voorhanden is, nu de verklaring van [betrokkene 12] onbetrouwbaar is. Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat, indien uitgegaan wordt van de verklaringen van [medeverdachte] , de betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerij aan [adres 9] enkel heeft bestaan uit het afgedwongen meedelen in de winst van de kwekerij. Deze bijdrage is van onvoldoende gewicht om tot een bewezenverklaring van het (mede)plegen van het telen van hennep in de uitoefening van een beroep of bedrijf te kunnen komen. Ook indien er tevens vanuit zou worden gegaan dat verdachte de hennepkwekerij heeft gefinancierd, zoals door [medeverdachte] is verklaard, geldt dat de handelingen van de verdachte onvoldoende zijn om te kunnen spreken van een nauwe en bewuste samenwerking gericht op het opzettelijk telen van hennep, nog daargelaten dat nergens concreet uit blijkt dat de verdachte inderdaad geld heeft geïnvesteerd in deze kwekerij.
Indien het hof wel tot een bewezenverklaring komt, heeft de raadsman tot slot aangevoerd dat de tenlastegelegde periode beperkt dient te worden van 1 juli 2009 tot 8 mei 2012.
Het hof overweegt als volgt.
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat de betrokkenheid aan een strafbaar feit als medeplegen kan worden aangemerkt, indien is komen vast te staan dat bij het begaan van dat strafbare feit sprake is geweest van een voldoende nauwe en bewuste samenwerking. Die kwalificatie is slechts gerechtvaardigd als de bewezenverklaarde intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het delict van voldoende gewicht is. Ook indien het tenlastegelegde medeplegen in de kern niet bestaat uit een gezamenlijke uitvoering tijdens het begaan van het strafbare feit, maar uit gedragingen die doorgaans met medeplichtigheid in verband worden gebracht (zoals het verstrekken van inlichtingen, op de uitkijk staan of helpen bij de vlucht), kan sprake zijn van de voor medeplegen vereiste nauwe en bewuste samenwerking. De intellectuele en/of materiële bijdrage van de verdachte aan het strafbare feit moet dan, zoals hiervoor overwogen, wel van voldoende gewicht zijn. Bij de beoordeling of aan dat vereiste is voldaan, kan rekening worden gehouden met onder meer de intensiteit van de samenwerking, de onderlinge taakverdeling, de rol in de voorbereiding, de uitvoering of de afhandeling van het delict en het belang van de rol van de verdachte, diens aanwezigheid op belangrijke momenten en het zich niet terugtrekken op een daartoe geëigend tijdstip. [22]
Feiten en omstandigheden
[medeverdachte] heeft op 3 en 12 mei en 5, 13 en 20 juni 2012 verklaard over een kwekerij aan [adres 9] . [medeverdachte] heeft over deze kwekerij, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.
In de woning gelegen aan het [adres 9] heeft sinds drieënhalf jaar geleden een hennepkwekerij gezeten. De woning is via [medeverdachte 13] en [betrokkene 3] (makelaar) verhuurd aan [medeverdachte 7] , die tevens fungeerde als katvanger. De kwekerij bevond zich op de eerste etage in drie slaapkamers. In totaal werden er 370 planten gekweekt. Zolang de kwekerij in de woning zat, is deze in bedrijf geweest . [medeverdachte] schat dat er ongeveer 20 tot 25 keer is geoogst.
Over de rol en betrokkenheid van de verschillende verdachten heeft [medeverdachte] verklaard dat [medeverdachte 2] degene was die het initiatief heeft genomen om, in samenwerking met anderen, het pand te huren en de kwekerij in te richten. [medeverdachte 2] zou het pand vooraf met [medeverdachte 7] hebben bezichtigd, waarna het pand uiteindelijk door [medeverdachte 7] werd gehuurd via makelaar [betrokkene 3] . De kwekerij heeft tot 2009 toebehoord aan [medeverdachte] , [medeverdachte 2] en [medeverdachte 7] . In 2009 raakte [medeverdachte 2] gedetineerd in België en werd de oogst meerdere keren weggehaald. Om de kwekerij opnieuw op te kunnen bouwen heeft [medeverdachte] geld geleend van [verdachte] . [verdachte] heeft bij de eerstvolgende oogst zijn zoon [medeverdachte 3] naar voren geschoven om deel te nemen aan de kwekerij. Na terugkomst uit detentie kreeg [medeverdachte 2] van [medeverdachte 3] te horen dat hij niet meer mee mocht doen. Zodoende behoorde de kwekerij vanaf dat moment toe aan [medeverdachte] , [verdachte] en diens zoon [medeverdachte 3] .
Naar aanleiding van de verklaringen van [medeverdachte] heeft er op 8 mei 2012 een doorzoeking plaatsgevonden in de woning gelegen aan [adres 9] . Op de eerste verdieping in drie afzonderlijke kamers werd door de politie een hennepkwekerij aangetroffen waarvan de hennepplanten reeds waren geoogst. In totaal werden in deze drie ruimtes 430 potten met potgrond, steeltjes en wortels van een plant aangetroffen. Op de trap naar de eerste verdieping en in de drie ruimtes werden – als zodanig herkende – hennepresten (blaadjes, topjes en takjes) aangetroffen, welke tevens indicatief positief testte op marihuana of THC, zijnde de werkzame stof in hennep. In alle drie de ruimtes werden tevens aanwijzingen aangetroffen die kunnen duiden op (een) eerdere oogst(en).
De bevindingen tijdens de doorzoeking sluiten grotendeels aan op de verklaringen van [medeverdachte] over de inrichting van de kwekerij. Daarnaast worden de verklaringen van [medeverdachte] over de totstandkoming van de huur van het pand en de tenaamstelling van het huurcontract bevestigd door de verklaringen van [betrokkene 3] , [medeverdachte 13] en [medeverdachte 7] .
Ten aanzien van de rol van [verdachte] worden de verklaringen van [medeverdachte] bevestigd door getuige [betrokkene 12] , die heeft verklaard dat de kwekerij in Etten-Leur is opgezet door [medeverdachte 2] samen met [medeverdachte] en nog een derde persoon die als huurder optrad. [betrokkene 12] bevestigde dat de [medeverdachte 2] de kwekerij heeft moeten achterlaten toen [verdachte] en [medeverdachte 3] daar lucht van hadden gekregen en deze de kwekerij (uiteindelijk) wilden overnemen.
[betrokkene 11] , de zus van [medeverdachte 2] , heeft verklaard dat [medeverdachte 2] afstand heeft moeten nemen van deze kwekerij en de kwekerij in handen is gekomen van [medeverdachte 3] .
Conclusie
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat de verklaringen van [medeverdachte] over de kwekerij in het pand aan de Schermerhoornbeemd en de daarbij betrokken personen consistent en gedetailleerd zijn en voldoende worden ondersteund door objectieve feiten uit andere bronnen. Het hof acht de verklaringen betrouwbaar en in combinatie met genoemde verklaringen en het steunbewijs inzake de rol van de verdachte binnen de criminele organisatie, zoals hiervoor onder feit 5B is overwogen, tevens voldoende om vast te stellen dat de verdachte via een lening geld heeft geïnvesteerd in de kwekerij aan de [adres 9] en dat hij, nadat hij ervoor had gezorgd dat de oorspronkelijke eigenaar [medeverdachte 2] zich terugtrok, zichzelf en zijn zoon als nieuwe eigenaren van de kwekerij naar voren heeft geschoven waarna de kwekerij werd voortgezet tot aan de dag van de doorzoeking door de politie op 8 mei 2012. De verdachte heeft door het overnemen en verder (laten) uitbaten van de kwekerij een materiële bijdrage van voldoende gewicht geleverd om van medeplegen te kunnen spreken.
Voor de betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerij aan de [adres 9] ziet het hof voorts steun in de bewezenverklaring van de onder 5B bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie in de periode vanaf 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012. De personen die betrokken waren bij de hennepkwekerij aan de [adres 9] , maakten immers allen onderdeel uit van de criminele organisatie waarvan de verdachte naar het oordeel van het hof de leider was. Daarbij kwam de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan op essentiële punten met elkaar overeen. Zo is het pand aan de [adres 9] door tussenkomst van een makelaar gehuurd en is gebruikgemaakt van een katvanger als huurder. Zoals hiervoor onder feit 5B is overwogen, maakte de criminele organisatie waarvan de verdachte de leider was, onder meer gebruik van makelaars en katvangers.
Alles overziend, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 2 tenlastegelegde feit, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman wordt, gelet op het voorgaande, in al haar onderdelen verworpen.
Feit 6 – Hennepkwekerij [bedrijf 1] te Alphen
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van het aan de verdachte onder 6 tenlastegelegde feit . Daartoe heeft de raadsman – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte] over de betrokkenheid van de verdachte bij deze hennepkwekerij onvoldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. De verklaring van [medeverdachte 5] kan niet worden aangemerkt als steunbewijs, nu deze te algemeen is en niets concreets inhoud over de betrokkenheid van de verdachte bij deze kwekerij. Ook de verklaringen van [medeverdachte 11] en [medeverdachte 10] kunnen – anders dan de rechtbank heeft gedaan – niet als steunbewijs worden gebruikt, nu zij beiden niets hebben verklaard over de verdachte.
Het hof overweegt als volgt.
Feiten en omstandigheden
[medeverdachte] heeft op 12 mei, 13 mei, 20 juni en 13 december 2012 verklaard over een hennepkwekerij in [bedrijf 1] aan [adres 8] . [medeverdachte] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard over deze kwekerij.
Begin 2011 is [medeverdachte] door [betrokkene 4] naar [bedrijf 1] in Alphen gestuurd. Volgens [betrokkene 4] zou op de bovenverdieping van dit restaurant hennep gekweekt kunnen worden. [medeverdachte] heeft een afspraak gemaakt met [getuige 2]
(het hof begrijpt: [getuige 2], de huurder van het restaurant, en heeft hem verteld dat hij in het voorste gedeelte van het appartement een kwekerij wilde beginnen. De bovenverdieping zou in eerste instantie gehuurd worden door [medeverdachte 1] . [medeverdachte 1] is een aantal dagen later met [medeverdachte] naar [bedrijf 1] gegaan, maar uiteindelijk is het contract op naam van [medeverdachte 5] gesteld. Nadat [medeverdachte] een en ander nogmaals met [medeverdachte 3] had bekeken, hebben zij samen overleg gehad met [verdachte] , waarna door [verdachte] werd besloten dat op het adres een hennepkwekerij ingericht kon worden.
De kwekerij werd ingericht door [medeverdachte 5] , [medeverdachte 1] , [medeverdachte 3] , [medeverdachte 10] , [medeverdachte 11] en [medeverdachte] zelf. Op de bovenverdieping konden 50 lampen gehangen worden en ongeveer 500 planten gekweekt worden. De elektra werd gedaan door [medeverdachte 11] .
De planten werden tijdens de eerste draai door [medeverdachte] zelf verzorgd. Daarna heeft [medeverdachte 1] samen met een andere werker de verzorging overgenomen.
Na de eerste draai is er nog een kwekerij opgericht op de zolder, aan de achterzijde van het pand. Deze kwekerij werd door dezelfde personen opgebouwd als de kwekerij aan de voorzijde. In dit deel van de kwekerij hingen 52 à 55 lampen en stonden ongeveer 650 planten. In dit deel stonden verder twee technisch hoogwaardige watergekoelde motoren waardoor de lucht gekoeld kon worden en hergebruikt kon worden. Deze motoren zorgen er bovendien voor dat ook de temperatuur van de lucht die naar buiten verplaatst werd lager was en een kwekerij bij een warmtemeting niet ontdekt kon worden. Deze motoren zijn door [medeverdachte] gekocht bij [bedrijf 2] in [plaatsnaam] .
De investering voor het tweede deel van de kwekerij is betaald door [verdachte] en [medeverdachte 3] . In het tweede deel van de kwekerij is in totaal drie keer gedraaid en geoogst. Toen [medeverdachte 1] samen met een andere jongen – de eigenaar van de zwarte Vito die bij het restaurant is achtergebleven – de stekjes wilde zetten voor de vierde draai , is de politie binnengevallen.
De verklaring van [medeverdachte] over de hennepkwekerij in [bedrijf 1] te Alphen wordt allereerst bevestigd door een politieactie op 15 november 2011, waarbij in het pand een inwerking zijnde hennepkwekerij werd aangetroffen. Op de eerste verdieping aan de achterzijde van het pand werd een hennepkwekerij aangetroffen. In deze ruimte werden 688 hennepplanten en 57 lampen, transformatoren en twee koelers aangetroffen.
Voorts werd op de eerste verdieping, aan de voorzijde van het pand, in twee kamers een hennepkwekerij aangetroffen. In de eerste kamer stonden 345 hennepplanten en hingen 38 lampen. In de tweede ruimte stonden 117 hennepplanten en hingen 15 lampen.
Bij de doorzoeking van het pand werden op de eerste etage sleutels gevonden met een hanger van Mercedes. Op een parkeerplaats grenzend aan het pand werd een voertuig aangetroffen dat middels deze sleutel geopend kon worden. Het betrof een Mercedes Benz Viano, die op naam bleek te staan van [medeverdachte 11] .
Uit elke ruimte werden 3 henneptoppen dan wel plantendelen veiliggesteld en bemonsterd. Deze werden door de verbalisant ambtshalve herkend als hennep en gaven daarnaast een positieve reactie, indicatief voor marihuana of THC, zijnde de werkzame stof in hennep of hashish, vermeld op lijst 11 van de Opiumwet.
De heer [getuige 2] heeft verklaard dat hij het pand aan [adres 8] huurt. De bovenverdieping van het pand heeft hij verhuurd aan [medeverdachte 5] vanaf april 2011, maar zij hebben pas in september 2011 een huurcontract opgesteld.
Blijkens de huurovereenkomst met betrekking tot de bovenverdieping van het pand aan [adres 8] is de bovenverdieping door ‘ [bedrijf 1] [getuige 2] ’ verhuurd aan [medeverdachte 5] . De huurovereenkomst is ingegaan op 1 september 2011.
[medeverdachte 5] heeft bij gelegenheid van zijn verhoren verklaard dat hij gebruikt is als katvanger. [medeverdachte] regelde het huurcontract en had tegen hem gezegd dat alles zou worden geregeld. Hij heeft drie keer geholpen met oogsten. Ze gingen meestal ‘s morgens vroeg, als het nog donker was, naar het pand toe om te oogsten. [medeverdachte 5] heeft ook geholpen met het in rijen zetten van de potten en het vullen van de potten met potgrond en stekjes. Dit deed hij samen met [medeverdachte 1] en [medeverdachte] .
Het voorste gedeelte van de kwekerij heeft [medeverdachte 5] niet mee gebouwd; dat was er al. In het achterste gedeelte heeft hij het hok met hout gebouwd. Hij heeft houten frames gezet, waar dingen – lampen en trafo’s – aangehangen konden worden en hij heeft de lampen opgehangen. Ook heeft hij grondzeil gelegd, zand naar boven gesjouwd en twee grote machines – hij denkt koelers voor de lucht – naar boven gesjouwd. [medeverdachte] en twee andere jongens, waarvan ééntje [medeverdachte 11] heet, hebben hem hierbij geholpen. [medeverdachte 11] hielp ook met het bouwen van het hok en is ook de persoon die de elektra deed. [medeverdachte 10] heeft hij ook wel eens bij [bedrijf 1] gezien. [medeverdachte 10] was ook in het hok bezig.
[medeverdachte 10] heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 5] potten heeft gevuld in Alphen, op de eerste verdieping van [bedrijf 1] . [medeverdachte 10] is daar twee of drie keer geweest, in opdracht van [medeverdachte] . Hij moest zakken zand halen en potten vullen. Er waren drie kweekkamers. Als hem de verklaring van [medeverdachte 5] omtrent zijn rol wordt voorgehouden, verklaart [medeverdachte 10] dat deze in grote lijnen klopt.
Conclusie
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat de verklaringen van [medeverdachte] over de kwekerij in [bedrijf 1] te Alphen en de daarbij betrokken personen consistent en gedetailleerd zijn en voldoende worden ondersteund door objectieve feiten uit andere bronnen. Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte] betrouwbaar en in combinatie met het steunbewijs inzake de rol van de verdachte binnen de criminele organisatie, zoals hiervoor onder feit 5B is overwogen, tevens voldoende om vast te stellen dat de verdachte geld heeft geïnvesteerd in deze kwekerij. De verdachte heeft daarmee naar het oordeel van het hof aan het tenlastegelegde feit een materiële bijdrage van voldoende gewicht geleverd om van medeplegen te kunnen spreken.
Voor de betrokkenheid van de verdachte bij de hennepkwekerij aan de [adres 9] ziet het hof steun in de bewezenverklaring van de onder 5B bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie in de periode vanaf 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012. De personen die betrokken waren bij de hennepkwekerij in [bedrijf 1] aan [adres 8] maakten immers allen onderdeel uit van de criminele organisatie waarvan de verdachte naar het oordeel van het hof de leider was. Daarbij kwam de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten met elkaar overeen. Zo is het pand gehuurd op naam van een katvanger, is de hennepkwekerij ingericht door vaste werkers en een ‘elektricien’ en werd veelal geoogst als het buiten nog donker was. Zoals hiervoor onder feit 5B is overwogen, maakte de criminele organisatie waarvan de verdachte de leider was, onder meer gebruik van katvangers, vaste werkers en elektriciens.
Alles overziend, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 6 tenlastegelegde feit, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman wordt, gelet op het voorgaande, in al haar onderdelen verworpen.
Feit 7A en feit 7B – Hennepkwekerij [adres 2] en hennepknipperij [adres 3]
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft vrijspraak bepleit van de aan de verdachte onder 7 A en B tenlastegelegde feiten. Daartoe heeft de raadsman – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte] over de betrokkenheid van de verdachte bij deze hennepkwekerij en -knipperij onvoldoende worden ondersteund door andere bewijsmiddelen. De enkele vaststelling dat de verdachte op 22 september 2011 blijkens de camerabeelden op het perceel aan [adres 3] is geweest, is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het medeplegen van het telen van hennep te kunnen komen, te meer nu de verdachte heeft erkend aldaar te zijn geweest. Ten aanzien van de hennepkwekerij aan [adres 2] volgt uit het dossier niet waaruit de betrokkenheid van de verdachte heeft bestaan.
Het hof overweegt als volgt.
Feiten en omstandigheden
[medeverdachte] heeft op 14 mei, 12 juni en 13 december 2012 over een kwekerij aan [adres 2] (hierna [adres 2] ) en een knipperij aan [adres 3] (hierna [adres 3] ) verklaard. [medeverdachte] heeft, zakelijk weergegeven, het volgende verklaard.
In het pand aan [adres 2] is [medeverdachte] samen met [medeverdachte 3] en [verdachte] een kwekerij gestart. De kwekerij is opgebouwd door [medeverdachte 1] en [medeverdachte 11] . Katvanger/onderhuurder van het pand was [medeverdachte 8] . Begin augustus 2011 heeft [medeverdachte] van [medeverdachte 3] de sleutel van het pand gekregen. De investering voor de kwekerij werd gedaan door [verdachte] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte] zelf. Nadat de kwekerij eenmaal in werking was, hebben [medeverdachte 1] , [medeverdachte 11] en [medeverdachte] de planten water gegeven en de rest van de verzorging gedaan. De eerste oogst van deze kwekerij is gepakt door de politie op het knipadres aan de [adres 11] bij Mehmet Paçal.
Over het pand en de inrichting van de kwekerij heeft [medeverdachte] verklaard dat de kwekerij zich bevond in een soort koelcelgebouw, dat zij in twee koelcellen hennepplanten hebben gezet en dat in een andere koelcel luchtverversingsmotoren waren geplaatst. In totaal stonden er volgens [medeverdachte] in de kwekerij 1400 planten en hingen er ongeveer 125 lampen.
Over de periode voorafgaand aan de inval bij het knipadres door de politie heeft [medeverdachte] verklaard dat hij na ongeveer vier weken erachter kwam dat er ingebroken was in het pand aan de [adres 2] , waarop hij overleg heeft gehad met [verdachte] en [medeverdachte 3] . Door [verdachte] werd besloten dat diens broer [medeverdachte 1] bij de kwekerij moest gaan slapen. Gedurende een periode van twee weken heeft [medeverdachte] [medeverdachte 1] steeds in het begin van de avond naar de kwekerij gebracht en ‘s ochtends weer opgehaald. In de tijd dat [medeverdachte 1] in het pand sliep, is er niet meer ingebroken, tot één dag voordat de hennepplanten geoogst zouden worden. Toen is er opnieuw ingebroken in de kwekerij. [medeverdachte 3] heeft daarop besloten om een knipadres te regelen en de kwekerij te ontmantelen. Hij is toen rond een uur of acht in de ochtend vertrokken om een knipadres te gaan regelen. De hennepplanten zijn vervolgens in de middag door [medeverdachte 5] en [medeverdachte 11] afgeknipt, in sporttassen en vuilniszakken gestopt en met een door [medeverdachte 3] gehuurde witte bus door [medeverdachte 3] en [medeverdachte] naar de [adres 3] gebracht om aldaar geknipt te worden.
Op het moment dat [medeverdachte 3] en [medeverdachte] bij het pand aan de [adres 3] aankwamen, waren de knippers – waaronder [medeverdachte 1] – al aanwezig. [medeverdachte 3] en [medeverdachte] zijn nog een keer teruggereden om de laatste hennepplanten op te halen op de [adres 2] . [medeverdachte 11] en [medeverdachte 5] zijn toen meegereden naar de [adres 3] en [medeverdachte 5] is daar gebleven om mee te knippen. [medeverdachte 11] is door [medeverdachte 3] en [medeverdachte] naar huis gebracht.
De verklaring van [medeverdachte] over de hennepplantage aan de [adres 2] en de knipperij aan de [adres 3] wordt bevestigd door een politieactie die op 22 september 2011 heeft plaatsgevonden. Op die dag is vanaf 17:00 uur het observatieteam van de politie ingezet bij het pand aan de [adres 2] . Het observatieteam zag en volgde een Volkswagen bestelauto/bus met het kenteken [kenteken 10] . Deze bus reed weg van het terrein aan de [adres 2] en bij het voorbijgaan van de bus rook het observatieteam een lucht van hennepplanten. Die avond vonden er vervolgens doorzoekingen plaats in de panden aan de [adres 2] en de [adres 3] .
In het pand aan de [adres 2] werden door de politie in twee aparte ruimtes in totaal 1570 zwarte potten met aarde aangetroffen met daarin afgeknipte stelen van vermoedelijk hennepplanten. Voorts werd op 23 september 2011 in het pand een groot aantal goederen bestemd tot het telen van hennep aangetroffen, zoals 126 assimilatielampen, chemicaliën, koolstoffilters, 126 transformatoren en 240 lege potten.
In het pand aan de [adres 3] trof de politie in totaal 435,88 kilogram aan hennepplanten, henneptoppen en hennepafval aan. In de kelder onder de loods worden 12 verdachten – waaronder [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] – aangehouden die bezig waren met knippen. [medeverdachte 5] heeft later verklaard dat hij die ochtend vroeg door [medeverdachte 1] is gevraagd om mee te gaan oogsten, waarna hij, samen met [medeverdachte] , naar het oogstadres is gebracht. In de loods hebben ze de hennep geoogst. Nadat alle hennepplanten waren geoogst, is [medeverdachte 5] weer achter in de bus gestapt en is hij door [medeverdachte 3] naar het knipadres gebracht.
Blijkens de huurovereenkomst met betrekking tot het pand aan [adres 2] is het pand door [stichting] verhuurd aan de commanditaire vennootschap [bedrijf 12] , die vertegenwoordigd werd door [medeverdachte 8] . De huurovereenkomst is ingegaan op 1 juli 2011.
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat de verklaringen van [medeverdachte] ten aanzien van de kwekerij aan de [adres 2] en de overdracht van de hennepplanten naar het knipadres aan de [adres 3] gedetailleerd zijn en voldoende worden ondersteund door objectieve feiten uit andere bronnen. Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte] dan ook betrouwbaar en in combinatie met het steunbewijs voldoende om vast te stellen dat de door [medeverdachte] geschetste gang van zaken daadwerkelijk zo is geschied .
Ten aanzien van [verdachte] heeft [medeverdachte] verklaard dat hij de beslissingen nam over de kwekerij en dat hij een deel van de investering heeft betaald.
Tijdens het onderzoek zijn door de politie gegevensdragers met camerabeelden van het pand aan de [adres 3] in beslag genomen. Op beelden van 22 september 2011 is te zien dat [verdachte] en [medeverdachte 3] om 08:40 uur aan komen rijden en de woning gelegen aan de [adres 3] binnentreden. Omstreeks 09:00 uur verlaten zij beiden de woning en rijden ieder in een aparte auto weer weg. Vervolgens is op de beelden te zien dat [medeverdachte 3] die dag meerdere keren van en naar het adres komt rijden. Desgevraagd heeft [medeverdachte] verklaard dat [medeverdachte 3] en [verdachte] , gelet op het tijdstip, geen andere reden hadden om daar te zijn, dan om wat te gaan regelen daar voor die avond.
Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte verklaard dat hij daar naartoe is gereden met zijn zoon omdat die daar een auto op moest halen. In eerste instantie verklaarde hij dat hij het terrein niet op is geweest. Toen hem gevraagd werd hoe het kan dat gezien is dat zij de woning betraden, verklaarde hij dat toeval soms bestaat en dat hij niets wist van een knipperij.
Naar het oordeel van het hof kan het, gelet op het tijdstip en de verdere gebeurtenissen die dag, niet anders zijn dan dat de verdachte betrokken is geweest bij de organisatie van het transport van de hennepplanten van de kwekerij aan de [adres 2] naar het knipadres aan de [adres 3] . Het hof schuift de verklaring van de verdachte dat hij daar toevallig was als niet aannemelijk terzijde.
Conclusie
Het hof stelt op basis van het voorgaande vast dat de verklaringen van [medeverdachte] over de kwekerij in het pand aan [adres 2] en de knipperij in de het pand aan [adres 3] en de daarbij betrokken personen consistent en gedetailleerd zijn en voldoende worden ondersteund door objectieve feiten uit andere bronnen in combinatie met het steunbewijs inzake de rol van de verdachte binnen de criminele organisatie, zoals hiervoor onder feit 5B is overwogen. Het hof acht de verklaringen van [medeverdachte] betrouwbaar.
Voor de betrokkenheid van de verdachte bij de totstandkoming van de hennepkwekerij aan de Looijersweg en het vervoeren van de planten naar het knipadres aan [adres 3] ziet het hof voorts steun in de onder 5B bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie in de periode vanaf 1 juli 2006 tot en met 21 augustus 2012. De personen die betrokken waren bij de hennepkwekerij en het vervoeren en/of knippen van de planten, maakten immers onderdeel uit van de criminele organisatie waarvan de verdachte naar het oordeel van het hof de leider was. Daarbij kwam de wijze waarop de onderscheidene feiten zijn begaan, op essentiële punten met elkaar overeen. Zo hebben de verdachte, zijn vader [verdachte] en [medeverdachte] geïnvesteerd in de hennepkwekerij aan de [adres 2] , is het pand gehuurd op naam van een katvanger en werd tijdens het knippen van de hennep in het pand aan de [adres 3] gebruik gemaakt van de vaste knipploeg van de organisatie.
Alles overziend, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte een bijdrage van voldoende gewicht heeft geleverd aan de hennepkwekerij in het pand aan [adres 2] en het vervoeren, afleveren en aanwezig hebben van ongeveer 435 kilo hennep naar en op [adres 3] en dat hij zich aldus schuldig heeft gemaakt aan de onder 7 A en B tenlastegelegde feiten, op de wijze zoals in de bewezenverklaring is vermeld.
Het tot vrijspraak strekkende verweer van de raadsman wordt, gelet op het voorgaande, in al haar onderdelen verworpen.
Feit 2, feit 6 en feit 7A en feit 7B – In de uitoefening van een beroep of bedrijf
Het hof stelt vast dat in de tenlastelegging van feit 2, feit 6 en feit 7 A en B als onderdeel is opgenomen dat de verdachte(n) heeft/hebben gehandeld in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod – te weten het telen en/of bereiden en/of bewerken en/of verwerken en/of verkopen en/of afleveren en/of verstrekken en/of vervoeren van een middel als bedoeld in lijst II bij die wet –, levert op grond van artikel 11, derde lid, van de Opiumwet een strafverzwarende omstandigheid op.
Laatstgenoemde bepaling is in de Opiumwet opgenomen na inwerkingtreding van de Wet van 18 maart 1999 tot wijziging van de Opiumwet in verband met de invoering van een verhoogde strafmaat voor beroeps- of bedrijfsmatige hennepteelt. [23] Bij de beantwoording van de vraag of sprake is van beroeps- of bedrijfsmatig handelen in de zin van artikel 11, derde lid, van de Opiumwet spelen blijkens de wetsgeschiedenis van voornoemde wet [24] de volgende factoren een belangrijke rol:
  • het aantal planten;
  • de te behalen oogsten per jaar;
  • het gebruik van technische hulpmiddelen/toepassing van hoogwaardige technologie ter vermeerdering van de opbrengst;
  • de omvang van de teelt, mede gelet op de daarvoor noodzakelijke investeringen en risico’s;
  • de omstandigheden waaronder wordt gekweekt, bijvoorbeeld in loodsen of onder glas, met gebruik van zogeheten daglichtlampen of met behulp van temperatuur- en bevloeiingsregulering.
Zoals hiervoor met betrekking tot de criminele organisatie reeds is overwogen, heeft de organisatie van [verdachte] zich gedurende vele jaren intensief beziggehouden met professionele en grootschalige hennepteelt. Zoals met name blijkt uit de verklaringen van [medeverdachte] , hebben de verdachten aanzienlijke investeringen moeten doen met de bedoeling hennepkwekerijen op te zetten ten aanzien waarvan over een lange periode en dus herhaaldelijk kon worden geoogst. De capaciteit van de diverse kwekerijen besloeg in veel gevallen honderden planten. Bovendien vond het gehele proces onder gecontroleerde condities plaats in afzonderlijke, speciaal daarvoor ingerichte kweekruimtes, kennelijk ter optimalisering van het teeltproces. Ten slotte is voldoende komen vast te staan dat de verdachten er op uit waren om telkens in een zo kort mogelijke periode zo snel en zo veel mogelijk geld te verdienen en dat zij ook geen of (in verhouding tot de inkomsten uit de hennepteelt) nauwelijks legale inkomsten hadden.
Gelet op al het voorgaande, is het hof van oordeel dat de onder feit 2, feit 6 en feit 7 A en B tenlastegelegde en bewezenverklaarde hennepteelt en/of andere in artikel 3, onder B, van de Opiumwet genoemde handelingen zodanig grootschalig en professioneel van aard was/waren, dat sprake was van handelen in de uitoefening van een beroep of bedrijf. Het hof acht dit strafverzwarende onderdeel dan ook wettig en overtuigend bewezen.
Ook ten aanzien van de onder feit 4 en feit 5B tenlastegelegde en bewezenverklaarde deelneming aan een criminele organisatie kan dit onderdeel, gelet op het voorgaande, wettig en overtuigend worden bewezen.
Feit 3 – Gewoontewitwassen
Standpunt van de verdediging
De raadsman van de verdachte heeft partiële vrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde feit bepleit, namelijk ten aanzien van dat gedeelte van de tenlastegelegde onroerende goederen dat betrekking heeft op vermogen dat als vermengd wordt beschouwd, alsmede van het tenlastegelegde geldbedrag van € 10.000,-, dat is aangetroffen in de schuur bij de woning aan [adres 6] .
Door de raadsman van de verdachte is – op gronden zoals nader in de pleitnota verwoord – met betrekking tot de onroerende zaken aangevoerd dat slechts een deel van hetgeen is geïnvesteerd in de woningen, afkomstig is van hennepopbrengsten, waarbij te gelden heeft dat de verdachte zich geruime tijd vóór de tenlastegelegde periode schuldig heeft gemaakt aan hennephandel. Er is derhalve sprake van vermenging, wat betekent dat de onroerende zaken niet volledig met uit misdrijf afkomstig vermogen zijn gefinancierd. De onroerende zaken zijn grotendeels gefinancierd door middel van hypotheken en legale middelen, en slechts voor een klein deel met illegaal verkregen middelen.
Ten aanzien van het contante geldbedrag van € 10.000,-, dat is aangetroffen in een plastic zak in een plastic opbergbak in de berging van de woning van de verdachte, is door de raadsman aangevoerd dat op grond van het dossier onvoldoende kan worden vastgesteld dat dit geldbedrag afkomstig is van enig misdrijf. De verdachte dient derhalve vrijgesproken te worden van het witwassen van dit geldbedrag.
Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is, zodat de verdachte moet worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Voor het overige heeft de raadsman zich ten aanzien van het onder 3 tenlastegelegde feit gerefereerd aan het oordeel van het hof.
Het hof overweegt als volgt.
Juridisch kader
Het hof stelt voorop dat de wetgever bij het opstellen van de witwasbepalingen een (zeer) ruim toepassingsbereik voor ogen heeft gehad, in het bijzonder om het witwassen van voorwerpen in verder van het grondfeit afstaande fasen (effectief) te kunnen bestrijden. [25]
Voor een bewezenverklaring van witwassen ex artikel 420bis, eerste lid, onder a of onder b, Sr is vereist dat het voorwerp in kwestie onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit enig (voorafgaand) misdrijf. Met onmiddellijk uit misdrijf afkomstige voorwerpen wordt bedoeld het direct verkregene, oftewel de directe opbrengsten van een misdrijf. Middellijk uit misdrijf afkomstige voorwerpen betreffen de indirecte opbrengsten van een misdrijf. [26]
Voor een bewezenverklaring van witwassen is niet vereist dat het voorwerp in kwestie in zijn geheel uit misdrijf afkomstig is. [27] Voldoende is als het voorwerp blijkens de bewijsmiddelen deels uit enig misdrijf afkomstig is. Hiervan is bijvoorbeeld sprake wanneer een voorwerp gedeeltelijk met de opbrengst(en) van een misdrijf en gedeeltelijk uit legale opbrengsten is gefinancierd.
Ook door criminele vermogensbestanddelen ‘besmet’ geraakt legaal vermogen kan onder omstandigheden worden aangemerkt als – mede of deels – afkomstig uit enig misdrijf. In dit laatste geval spreekt men van vermenging. Voor een bewezenverklaring van witwassen is niet vereist dat een minimaal percentage van het voorwerp in kwestie uit enig misdrijf afkomstig is. Wel is het zo dat, naarmate het illegale gedeelte van de financiering gering(er) is ten opzichte van het legale gedeelte, strengere eisen worden gesteld aan het bewijs. [28] In zijn arrest van 23 november 2010 [29] heeft de Hoge Raad overwogen dat bepaald gedrag onder omstandigheden niet als witwassen kan worden gekwalificeerd. Daarbij kan in de beoordeling worden betrokken of sprake is van:
  • een geringe waarde van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel dat met een op legale wijze verkregen vermogen vermengd is geraakt, al dan niet in verhouding tot de omvang van het op legale wijze verkregen deel;
  • een groot tijdsverloop tussen het moment waarop het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel is vermengd met het legale vermogen en het tijdstip waarop het verwijt van witwassen betrekking heeft;
  • een groot aantal of bijzondere veranderingen in dat vermogen in de tussentijd;
  • een incidenteel karakter van de vermenging van het van misdrijf afkomstige vermogensbestanddeel met het legale vermogen.
Op deze manier behouden de witwasbepalingen aan de ene kant hun ruime toepassingsbereik, terwijl aan de andere kant niet elke handeling ten aanzien van gedeeltelijk of mede uit misdrijf afkomstige – en dus besmette – voorwerpen onder alle omstandigheden witwassen oplevert.
Verder stelt het hof voorop dat voor een bewezenverklaring van witwassen ex artikel 420bis, eerste lid, onder a of onder b Sr niet is vereist dat uit de bewijsmiddelen moet kunnen worden afgeleid dat het desbetreffende voorwerp afkomstig is uit een nauwkeurig aangeduid misdrijf. Wel is vereist dat vaststaat dat het voorwerp afkomstig is uit enig misdrijf. Dat een voorwerp ‘afkomstig is uit enig misdrijf’ kan, indien op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband valt te leggen met een bepaald misdrijf, niettemin bewezen worden geacht indien het op grond van de vastgestelde feiten en omstandigheden niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is. [30] Het is aan het Openbaar Ministerie bewijs aan te dragen van dergelijke feiten en omstandigheden. Als door het Openbaar Ministerie feiten en omstandigheden zijn aangedragen die een vermoeden rechtvaardigen dat het niet anders kan zijn dan dat het voorwerp uit enig misdrijf afkomstig is, mag van de verdachte worden verlangd dat hij of zij een concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring geeft over de herkomst van het geld. De omstandigheid dat deze verklaring van de verdachte mag worden verlangd, houdt niet in dat het aan de verdachte is om aannemelijk te maken dat het voorwerp niet van misdrijf afkomstig is. [31] Indien de verdachte een concrete, min of meer verifieerbare en op voorhand niet hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geld, ligt het vervolgens op de weg van het Openbaar Ministerie om nader onderzoek te doen naar die verklaring. Mede op basis van de resultaten van dat onderzoek zal vervolgens beoordeeld moeten worden of, ondanks de verklaring van de verdachte, het witwassen bewezen kan worden op de grond dat (het niet anders kan zijn dan dat) het geld uit enig misdrijf afkomstig is. Indien een dergelijke verklaring is uitgebleven, mag de rechter die omstandigheid betrekken in zijn bewijsoverwegingen.
Feiten en omstandigheden
Het hof leidt uit de gebezigde bewijsmiddelen de navolgende, redengevende feiten en omstandigheden af .
-
De inkomenspositie van de verdachte (en zijn partner [betrokkene 2] )
Uit onderzoek door de politie naar gegevens van de Belastingdienst betreffende de inkomenspositie van de verdachte en zijn partner [betrokkene 2] (hierna: [betrokkene 2] ) gedurende de tenlastegelegde periode blijkt het volgende.
Inkomen [verdachte]
2008
2009
2010
2011
Bruto uitkeringen
€ 25.484
€ 26.283
€ 26.774
€ 27.268
Loonheffing
€ 6.649
€ 6.984
€ 7.157
€ 7.205
Netto besteedbaar (bruto -/- loonheffing)
€ 18.835
€ 19.299
€ 19.617
€ 20.063
Inkomen [betrokkene 2]
2008
2009
2010
2011
Bruto loon
€ 33.644
€ 34.946
€ 36.140
€ 36.433
Loonheffing
€ 9.104
€ 9.627
€ 10.121
€ 10.045
Netto besteedbaar (bruto -/- loonheffing)
€ 24.540
€ 25.319
€ 26.019
€ 26.388
Uit onderzoek naar de bankrekeningen van de verdachte en [betrokkene 2] over de periode van 1 januari 2007 tot en met 20 augustus 2012 is voorts gebleken dat de verdachte en [betrokkene 2] via de bank nauwelijks uitgaven doen die betrekking hebben op de aanschaf van voeding en brandstof (voor de auto’s waarin zij rijden). Door de politie is berekend dat de verdachte en [betrokkene 2] per jaar ten minste € 4.274,15 aan voeding en € 2.199,45 aan brandstof moeten hebben betaald. Verder is opvallend dat de verdachte via zijn bankrekening geen uitgaven heeft gedaan die betrekking hebben op de aanschaf van kleding.
Tijdens het politieverhoor op 21 september 2012 heeft [betrokkene 2] verklaard dat zij € 1.850,- per maand verdient en dat de verdachte een WAO-uitkering
(het hof: een arbeidsongeschiktheidsuitkering)ontvangt. Niet is gebleken dat de verdachte en [betrokkene 2] over meer of andere legale inkomsten konden beschikken dan de hiervoor genoemde. Wel volgt uit de bewijsmiddelen dat de verdachte en [betrokkene 2] voor de door hen aangekochte onroerende goederen, zoals opgenomen in de tenlastelegging, telkens een hypotheek hebben afgesloten en dat zij verschillende persoonlijke geldleningen overeen zijn gekomen.
Tijdens het politieverhoor op 17 september 2012 heeft de verdachte verklaard dat hij veel geld heeft verdiend in de hennep en dat hij zuinig heeft geleefd, op zijn huizen na.
Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat de verdachte en/of zijn vrouw betrokken waren bij onder meer de aankoop van woningen, de aankoop van een grondperceel in combinatie met het bouwen van een woning, de aanschaf van meubels, een vakantie en de aankoop van meerdere auto’s en een scooter. Daarnaast is er op verschillende adressen contant geld aangetroffen dat naar het oordeel van het hof aan de verdachte kan worden toegerekend. Op basis van het legale inkomen en vermogen van de verdachte en zijn partner, kan geen geldige economische verklaring worden gegeven voor de herkomst van deze bestedingen en de contante geldbedragen. Gelet op de betrokkenheid van de verdachte bij de misdrijven die hiervoor zijn omschreven bestaat er dan ook een gerechtvaardigd vermoeden (dat het niet anders kan zijn dan) dat de betreffende financiële middelen uit misdrijf afkomstig zijn en dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. Het hof overweegt hierover als volgt.
-
De panden aan [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] en daarbij behorende roerende goederen
Op 9 mei 2008 hebben de verdachte en zijn partner [betrokkene 2] aan [adres 4] een woning gekocht voor een bedrag van € 285.000,-. Deze woning hebben zij gefinancierd met enerzijds een hypotheek van € 185.000,- en anderzijds een geldlening bij [medeverdachte 9] van € 100.000,-, die overigens nooit is aangegeven bij de Belastingdienst. Over deze geldlening heeft [betrokkene 2] verklaard dat per maand een bedrag van € 500,- werd afgelost. [medeverdachte 9] heeft verder verklaard dat alle aflossingen contant geschiedden, dan wel in natura, door middel van de levering van schilderijen van Herman Brood .
Uit het dossier volgt dat de partner van de verdachte [betrokkene 2] in maart 2008 bij [bedrijf 3] een keuken heeft gekocht voor € 6.225,- en dat dit bedrag contant is afgerekend. Het afleveradres voor de keuken betrof de woning aan [adres 4] .
Op 15 oktober 2010 hebben de verdachte en zijn partner voornoemde woning verkocht aan makelaar [betrokkene 6] voor een bedrag van € 350.000,- inclusief € 15.000,- voor de inrichting/roerende zaken die tevens werd(en) overgenomen . Tijdens de doorzoeking bij de verdachte zijn geen aankoopbonnen aangetroffen met betrekking tot aangekochte roerende goederen voor de woning aan [adres 4] . [betrokkene 6] heeft verklaard evenmin dergelijke aankoopbonnen in zijn bezit te hebben. Ook op de bankrekeningen van de verdachte en/of zijn partner zijn geen afschriften gevonden die te herleiden zijn tot de aankoop van roerende goederen voor de woning aan [adres 4] .
Op 24 december 2010 hebben de verdachte en zijn partner [betrokkene 2] van de hiervoor genoemde [betrokkene 6] een perceel grond aan [adres 5] gekocht voor een bedrag van € 208.845,-. Op dit stuk grond hebben de verdachte en zijn partner door een aannemer een woning laten bouwen voor een bedrag van € 165.000,-. Voor de aankoop van het perceel grond alsmede voor het daarop laten bouwen van een woning hebben de verdachte en zijn partner een hypotheek afgesloten ter hoogte van € 195.000,-. Daarnaast zou volgens de notariële akte van verkoop een bedrag van afgerond € 44.515,- zijn geleend van de verkoper van de grond (Kwekerij [betrokkene 6] B.V.) voor de koop van de grond. Het totaal geleende bedrag voor het perceel en de bouw van de woning komt daarmee op € 114.515,-.
Op 22 december 2011 hebben de verdachte zijn partner voornoemde woning verkocht voor een bedrag van € 450.000,- inclusief € 12.999,- voor de inrichting/roerende zaken die tevens werd(en) overgenomen. Op vordering van de politie hebben de kopers van de woning 9 facturen overgelegd die betrekking hebben op goederen (meubels, gordijnen en televisies) die zij van de verdachte en zijn partner hebben overgenomen. Het totaalbedrag van deze facturen bedraagt € 19.667,75. Al deze facturen zijn contant voldaan. Er zijn geen facturen aangetroffen die betrekking hebben op de aanleg van de tuin bij de woning aan [adres 5] . Op de bankrekeningen van de verdachte en/of zijn partner zijn geen afschrijvingen gevonden die te herleiden zijn tot de aankoop van roerende goederen voor deze woning.
Op 29 december 2011 hebben de verdachte en zijn partner [betrokkene 2] de woning aan [adres 6] gekocht voor een bedrag van € 275.000,-. Voor de aankoop van deze woning hebben de verdachte en zijn partner een hypotheek afgesloten ter hoogte van € 70.000,-. Ten tijde van de aanhouding van de verdachte op 21 augustus 2012 woonden de verdachte en zijn partner in deze woning. Tijdens de doorzoeking bij de verdachte zijn diverse facturen aangetroffen die betrekking hebben op de inrichting van deze woning. Het totaalbedrag van deze facturen betrof € 43.575,76, waarvan € 16.309,04 contant is voldaan en € 26.170,22 door middel van bankoverschrijvingen.
Het hof stelt vast dat de verdachte en zijn partner gedurende de onder 3 tenlastegelegde periode twee woningen alsmede een stuk grond hebben gekocht, op welk stuk grond zij een woning hebben laten bouwen. Op basis van de prijs voor de aankoop van en/of bouw van de woningen (inclusief aankoop grond), de hoogte van de verstrekte (hypothecaire) leningen en de verkoopprijzen van de woningen, heeft het hof berekend wat de mogelijke opbrengst is geweest van de verkoop (verkoopprijs minus de aankoopprijs) en in welke mate de (hypothecaire) leningen, vermeerderd met de opbrengst van de verkoop/inbreng van de meerwaarde van de verkochte woningen, hebben kunnen volstaan voor de aankoopprijzen, zie onderstaande tabel.
Uit de berekening van het hof komt naar voren dat voor de financiering van de aankoop en bouw een tekort (berekend op basis van de aankooprijs minus de leningen) bestaat van in totaal € 339.330,-. Daar staat tegenover dat de verkoop van de woningen een geschatte opbrengst (verkoopprijs minus de aankoopprijs) heeft van € 154.154. Ervan uitgaande dat de opbrengst van de verkoop/meerwaarde van de woningen, steeds is aangewend voor de aankoop van de volgende woning, levert dat naar het oordeel van het hof een tekort op in de financiering van naar schatting (€ 339.330,- minus € 154.154,- =) € 185,176,-. Op basis van deze inschatting oordeelt het hof dat de verstrekte leningen voor de woningen aan de verdachte niet volstaan voor de aankoop en/of bouw van de woningen (en grond) door de verdachte.
Koopprijs (inclusief bouw woning)
(hypothecaire) lening
Verkoopprijs
Inschatting opbrengst verkoop
Openstaand bedrag financiering (zonder opbrengst verkoop)
[adres 4]
€ 285.000,-
€ 295.000,-
€ 350.000,-
€ 65.000,-
[adres 5]
€ 373.845,-
€ 195.000,-
€ 462.999,-
€ 89.154,-
€ 178.845,-
[adres 6]
€ 275.000,-
€ 114.515,-
€ 160.485,-
Totaal
€ 154.154,-
€ 339.330,-
De door de verdachte en zijn partner aangeschafte woningen zijn telkens kaal aan de verdachte en zijn partner geleverd. Vervolgens hebben de verdachte en zijn partner de woningen volledig gestoffeerd en ingericht. De woningen aan [adres 4] en [adres 5] hebben de verdachte en zijn partner inclusief (een deel van) de inrichting verkocht. De kosten die de verdachte en zijn partner hebben gemaakt voor de aanschaf en inrichting van de woningen, zoals die volgen uit de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor is overwogen, zijn aanzienlijk hoger dan de legale inkomsten van de verdachte en zijn partner, zoals volgt uit hetgeen hiervoor onder ‘De inkomenspositie van de verdachte (en zijn partner [betrokkene 2] )’ is overwogen.
De verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij met in het verleden verdiend ‘wietgeld’ woningen heeft kunnen kopen die hij anders nooit zou hebben kunnen kopen. De verdachte verklaarde dat hij gedeeltes van deze woningen met ‘wietgeld’ heeft betaald.
Gelet op al het voorgaande alsmede op hetgeen hiervoor onder ‘De inkomenspositie van de verdachte (en zijn partner [betrokkene 2] )’ is overwogen, acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het niet anders kan zijn dan dat de panden/grond aan [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] , alsmede de daarbij behorende roerende goederen (stoffering en inrichting), geheel of gedeeltelijk en middellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het enkele feit dat de panden mede zijn gefinancierd met een hypothecaire financiering maakt voorgaande niet anders. Immers, de verstrekte (hypothecaire) leningen in combinatie met de inbreng van de meerwaarde van eerder verkochte woningen waren niet voldoende om de aankoopsom en/of de bouwkosten van de woningen te financieren en derhalve kan het niet anders zijn dan dat deze kosten alsmede de hypotheeklasten, – in elk geval grotendeels – werden betaald met van misdrijf afkomstig vermogen. Hetzelfde heeft te gelden voor de aflossing van de persoonlijke lening die ten behoeve van de aankoop van de woning aan [adres 4] is afgesloten bij [medeverdachte 9] . Het verweer van de raadsman dienaangaande wordt derhalve verworpen.
Het hof acht, alles overziend, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de panden/grond aan [adres 4] , [adres 5] en [adres 6] , alsmede de daarbij behorende roerende goederen (stoffering en inrichting), heeft verworven, voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat deze panden en de daarbij behorende roerende goederen onmiddellijk of middellijk uit misdrijf afkomstig waren. Ten aanzien van de panden aan [adres 4] en [adres 5] inclusief de daarbij behorende roerende goederen geldt bovendien dat de verdachte deze voorwerpen heeft overgedragen, terwijl hij wist dat ze onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig waren.
-
Een geldbedrag van € 5.415,15 (contante betalingen vakantiereizen )
Bij de doorzoeking van de woning van de verdachte en zijn partner [betrokkene 2] heeft de politie een betalingsbewijs van [bedrijf 4] , geadresseerd aan [betrokkene 2] , aangetroffen betreffende een contante betaling van € 2.149,50 op 2 augustus 2012. Daarnaast heeft de politie twee kwitanties van [bedrijf 4] , geadresseerd aan [betrokkene 2] , aangetroffen, te weten een kwitantie d.d. 25 februari 2012 waarop vermeld is dat een bedrag van € 1.070,- is ontvangen (en dus betaald) alsmede een kwitantie d.d. 7 juli 2012 waarop vermeld is dat een bedrag van € 2.195,65 is ontvangen (en dus betaald). De op het betalingsbewijs en de kwitanties vermelde ontvangen/betaalde geldbedragen bedragen in totaal € 5.415,15.
Met betrekking tot deze bescheiden heeft de verdachte verklaard dat hij met zijn broer [medeverdachte 1] op vakantie naar Aruba zou gaan, maar dat hij die vakantie, vanwege psychische klachten, voor zichzelf geannuleerd had. [medeverdachte 1] is toen op kosten van de verdachte op huwelijksreis geweest naar Aruba.
[medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij op 17 augustus 2012 getrouwd is en dat hij op dat moment net terug was van Aruba. Op de vraag van de verhorend verbalisanten of de reis naar Aruba een cadeautje was van zijn broer, antwoordde [medeverdachte 1] bevestigend.
Gelet op het voorgaande alsmede op hetgeen hiervoor onder ‘De inkomenspositie van de verdachte (en zijn partner [betrokkene 2] )’ is overwogen, acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het niet anders kan zijn dan dat het hiervoor genoemde geldbedrag van € 5.415,15 geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Het hof stelt vast dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geld.
Het hof acht, alles overziend, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het geldbedrag van € 5.415,15 heeft omgezet in een vakantiereis en heeft overgedragen, terwijl hij wist dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is.
-
Een auto (Toyota Landcruiser) met kenteken [kenteken 3]
In het dossier zit een factuur van [bedrijf 5] d.d. 24 februari 2005, geadresseerd aan ‘ [bedrijf 6] ’ t.a.v. dhr. [medeverdachte] , betreffende de aankoop van een Toyota Landcruiser met kenteken [kenteken 3] voor een totaalbedrag van € 55.353,-. [bedrijf 6] was een eenmanszaak van [medeverdachte] , die op 15 februari 2001 is opgericht en waarvan de activiteiten met ingang van 8 januari 2007 zijn gestaakt. [medeverdachte] heeft verklaard dat hij de Toyota Landcruiser met kenteken [kenteken 3] in opdracht van de verdachte op naam van zijn eenmanszaak heeft aangeschaft bij [bedrijf 5] , maar dat de verdachte de auto zelf met contant geld heeft betaald. Ook de verkoper van de auto, [getuige 3] , heeft verklaard dat de Toyota Landcruiser via het bedrijf [bedrijf 6] is aangeschaft, maar is betaald door de verdachte. De verdachte heeft verklaard dat de Toyota Landcruiser zijn auto was.
Uit het kasboek van [bedrijf 5] volgt dat de Toyota Landcruiser in drie keer is afbetaald. Op 21 februari 2005 is een bedrag van € 14.000,- contant betaald, op 22 februari 2005 een bedrag van € 15.000,- en op 1 maart 2005 een bedrag van € 13.000,-. Het totaalbedrag van de contante betalingen betreft derhalve € 42.000,- en niet het op de hiervoor genoemde factuur vermelde bedrag van € 55.353,-; het verschil bedraagt € 13.353,. Uit het dossier volgt dat de boekhouder van de [bedrijf 5] aan de politie geen betaalbewijs kon overleggen van het resterende bedrag van € 13.353,- en ook anderszins geen informatie had over de betaling van dat bedrag. [medeverdachte] heeft verklaard dat de Toyota Landcruiser bewust in meerdere keren is betaald, zodat de meldplicht voor contante betalingen (
het hof begrijpt: uit de Wet ter voorkoming van witwassen en financiering van terrorisme) werd omzeild.
Op 27 september 2007 is op (één van) de bankrekening(en) van de verdachte een geldbedrag van € 33.500,- bijgeschreven. De omschrijving bij deze transactie is “inkoop [kenteken 3] [bedrijf 6] ”. Een medewerker van [bedrijf 5] kon in het computersysteem van de [bedrijf 5] zien dat de Toyota Landcruiser met kenteken [kenteken 3] op 26 september 2007 is ingekocht door [bedrijf 5] voor een bedrag van € 33.500,-.
Het kenteken van de Toyota Landcruiser stond van 25 februari 2005 tot 26 september 2007 klaarblijkelijk geregistreerd op naam van [betrokkene 5] , de vader van de verdachte. [betrokkene 5] heeft verklaard dat hij daar niets vanaf wist.
Gelet op het voorgaande alsmede op hetgeen hiervoor onder ‘De inkomenspositie van de verdachte (en zijn partner [betrokkene 2] )’ is overwogen, acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het niet anders kan zijn dan dat de Toyota Landcruiser met kenteken [kenteken 3] geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Het hof stelt vast dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geld.
Het hof acht, alles overziend, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de Toyota Landcruiser met kenteken [kenteken 3] heeft verworven, voorhanden heeft gehad, daarvan gebruik heeft gemaakt, heeft omgezet in een geldbedrag van € 33.500,- en heeft overgedragen, terwijl hij wist dat deze Toyota Landcruiser onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Voorts acht het hof, gelet op de feiten dat de Toyota is aangeschaft op naam van ‘ [bedrijf 6] ’ en het kenteken op naam van de vader van de verdachte is geregistreerd, terwijl de verdachte de auto heeft betaald en daarvan gebruik heeft gemaakt, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op de Toyota Landcruiser was, namelijk hijzelf.
-
Vier auto’s (Fiat 500) met de kentekens [kenteken 1] , [kenteken 4] , [kenteken 5] en [kenteken 6]
Gedurende de tenlastegelegde periode heeft de verdachte meerdere auto’s aangeschaft en/of ingeruild, onder andere bij [bedrijf 7] De voormalig eigenaar van dit bedrijf, dhr. [getuige 1] , heeft verklaard dat alle auto’s die door [bedrijf 7] zijn geleverd door de verdachte zijn gekocht en betaald.
In het dossier zit een kopie van een factuur van [bedrijf 7] d.d. 29 juli 2011, geadresseerd aan de vader van de verdachte [betrokkene 5] , betreffende de verkoop en levering van een Fiat 500 met kenteken [kenteken 1] voor een totaalbedrag van € 14.000,-. [getuige 1] heeft verklaard dat het de verdachte is geweest die deze auto heeft gekocht en over de aankoop heeft onderhandeld. Daarbij heeft de verdachte twee auto’s aangeboden ter inruil en inkoop, namelijk een Ford Fiësta, die door [bedrijf 7] is ingekocht voor € 1.500,-, en een Fiat 500 met kenteken [kenteken 4] , die door [bedrijf 7] is ingekocht voor € 14.000,-. Het inkoopbewijs betreffende de Ford Fiësta is geadresseerd aan [betrokkene 5] , de vader van de verdachte, maar ondertekend met [verdachte] . Bij de levering van de Fiat 500 met kenteken [kenteken 1] is door de verdachte € 12.000,- aan contant geld bijbetaald. Dit geldbedrag is op 28 juli 2011 gestort op de bankrekening van [bedrijf 7] Ingevolge gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer is het kenteken van voornoemde Fiat 500 op naam gesteld van [betrokkene 7] , de schoonmoeder van de verdachte.
Tijdens de doorzoeking van de voormalige woning van de verdachte en zijn partner [betrokkene 2] aan [adres 6] heeft [betrokkene 2] de sleutels en reservesleutels van de Fiat 500 met kenteken [kenteken 1] aan de politie overhandigd. [betrokkene 2] verklaarde daarbij dat zij de feitelijke gebruiker van deze auto was.
De vader van de verdachte [betrokkene 5] heeft desgevraagd verklaard dat hij niets afweet van de aankoop van de Fiat 500 met kenteken [kenteken 1] op zijn naam.
De hiervoor genoemde heer [getuige 1] heeft voorts verklaard dat de door [bedrijf 7] ingekochte Fiat 500 Cabrio met kenteken [kenteken 4] afkomstig was van [bedrijf 8] uit Oisterwijk. In het dossier zit een kopie van een factuur van [bedrijf 8] exclusieve automobielen d.d. 1 oktober 2009, geadresseerd aan [medeverdachte 3] , [adres 4] (
het hof begrijpt: [adres 4], betreffende de verkoop van een Fiat 500 Cabrio 1.2 Lounge voor een totaalbedrag van € 23.000,-. Uit de bewijsmiddelen volgt dat deze Fiat 500 voorzien was van het kenteken [kenteken 4] en dat het kenteken per 2 oktober 2009 op naam van [betrokkene 5] , de vader van de verdachte, geregistreerd is. Bij de aankoop van de hiervoor genoemde Fiat 500 is, op 1 oktober 2009, een Volkswagen Golf met kenteken [kenteken 11] ingeruild voor een bedrag van € 18.000,-. Het kenteken van deze Volkswagen Golf was sinds 6 juni 2009 geregistreerd op naam van [medeverdachte 3] . Voor de aankoop van de Fiat 500 is daarbovenop een bedrag van € 5.000,- aan contant geld bijbetaald. Dit bedrag is op 28 september 2009 op de bankrekening van [bedrijf 8] gestort. Op de bankrekening van [medeverdachte 3] zijn geen contante opnamen aangetroffen die te herleiden zijn tot de betaling van de Fiat 500 met kenteken [kenteken 4] . Op 23 september 2010 is Fiat 500 met kenteken [kenteken 4] door [bedrijf 7] ingekocht voor een bedrag van € 16.000,-. Op het debiteurenbewijs van deze inkoop is de naam van de vader van de verdachte, [betrokkene 5] , vermeld en op de bankrekening van [betrokkene 5] is op 8 november 2010 een bedrag van € 14.000,- bijgeschreven afkomstig van [bedrijf 7]
De vader van de verdachte [betrokkene 5] heeft desgevraagd verklaard dat hij nooit een Fiat 500 Cabrio heeft gehad en ook nooit met een dergelijke auto heeft gereden. Ook heeft hij verklaard niks af te weten van de bijschrijving van € 14.000,- op zijn bankrekening. Op de vraag van de verbalisanten of hij ooit aanwezig is geweest bij het te naam stellen van een van de hiervoor genoemde auto’s antwoordde [betrokkene 5] : “ [verdachte] vroeg dan mijn rijbewijs en [verdachte] regelde dan dat het kenteken werd overgeschreven op mijn naam. Ik denk zelfs dat ik daar bij ben geweest. Dat was dan bij de autodealer zelf. Ik heb ook nooit aan [verdachte] gevraagd waarom hij de kentekens van zijn auto’s op mijn naam wilde zetten.”
De hiervoor genoemde [getuige 1] heeft verder verklaard dat de verdachte in 2008 een Fiat 500 met kenteken [kenteken 5] heeft gekocht bij [bedrijf 7] Bij de aankoop van deze auto is een Mitsubishi Colt ingeruild. Verder is een bedrag van € 6.900,- bijbetaald door de verdachte. Dit bedrag is op 16 april 2008 van de bankrekening van de verdachte afgeschreven met als omschrijving “Fiat [kenteken 5] [getuige 1] ”. Het kenteken van voornoemde Fiat 500 is per 16 april 2008 geregistreerd op naam van de schoonmoeder van de verdachte.
Omstreeks 1 oktober 2009 is de Fiat 500 met kenteken [kenteken 5] bij [bedrijf 7] ingeruild tegen een nieuwe Fiat 500 met kenteken [kenteken 6] . In het dossier zit een kopie van een factuur van [bedrijf 7] d.d. 1 oktober 2009 betreffende de aankoop van laatstgenoemde auto. Daarop is vermeld dat de Fiat 500 met kenteken [kenteken 5] is ingeruild voor een bedrag van € 11.500,- en dat daarbovenop nog een bedrag van € 4.000,- betaald diende te worden. De factuur is geadresseerd aan de partner van de verdachte [betrokkene 2] . [getuige 1] heeft verklaard dat de onderhandelingen met betrekking tot de aankoop en inruil van voornoemde auto’s plaatsvonden met de verdachte. Ook heeft [getuige 1] verklaard dat de verdachte het nog te betalen bedrag van € 4.000,- heeft betaald. Het kenteken van de Fiat 500 [kenteken 6] is geregistreerd op naam van de schoonmoeder van de verdachte.
Gelet op al het voorgaande alsmede op hetgeen hiervoor onder ‘De inkomenspositie van de verdachte (en zijn partner [betrokkene 2] )’ is overwogen, acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het niet anders kan zijn dan dat de vier auto’s (Fiat 500) met de kentekens [kenteken 1] , [kenteken 4] , [kenteken 5] en [kenteken 6] geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof stelt vast dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geld.
Ten aanzien van de Fiat 500 met kenteken [kenteken 1] en de Fiat 500 met kenteken [kenteken 5] stelt het hof vast dat deze auto’s door de verdachte zijn aangekocht en betaald, terwijl de kentekens van de auto’s geregistreerd zijn op naam van de schoonmoeder van de verdachte. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemde auto’s was, namelijk de verdachte zelf, terwijl hij wist dat deze auto’s onmiddellijk of middellijk afkomstig waren uit enig misdrijf. Voorts is het hof van oordeel dat de verdachte de Fiat 500 met kenteken [kenteken 5] heeft omgezet, terwijl hij wist dat deze auto onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.
Ten aanzien van de Fiat 500 met kenteken [kenteken 4] stelt het hof vast dat de verdachte deze auto heeft ingeruild tegen een andere auto. Gelet hierop, is het hof van oordeel dat de verdachte voornoemde auto heeft omgezet, terwijl hij wist dat deze auto onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf. Voorts stelt het hof vast dat bij de aankoop van voornoemde Fiat 500 de factuur geadresseerd was aan de zoon van de verdachte en het kenteken van de auto geregistreerd is op naam van de vader van de verdachte, terwijl deze vader verklaard heeft dat hij nooit een Fiat 500 Cabrio heeft gehad en ook nooit met een dergelijke auto heeft gereden. Gelet hierop, is het hof daarnaast van oordeel dat de verdachte heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op de Fiat 500 met kenteken [kenteken 4] was, namelijk de verdachte zelf. Hij is immers degene geweest die de auto heeft ingeruild tegen een andere auto.
Ten aanzien van de Fiat 500 met kenteken [kenteken 6] stelt het hof vast dat deze auto door de verdachte is aangekocht en betaald, terwijl de factuur geadresseerd was aan de partner van de verdachte en het kenteken geregistreerd is op naam van zijn schoonmoeder. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemde auto was, namelijk de verdachte zelf, terwijl hij wist dat deze auto onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.
-
Een auto (Ford Ka) met kenteken [kenteken 7] en een auto (Fiat Panda) met kenteken [kenteken 8]
Tijdens de doorzoeking van de woning van de vader van de verdachte, [betrokkene 5] , op 21 augustus 2012 is een Fiat Panda met kenteken [kenteken 8] aangetroffen. In het dossier zit een kopie van de koopovereenkomst van [bedrijf 10] d.d. 9 november 2010 betreffende de aankoop van deze Fiat Panda inclusief opties voor een bedrag van € 9.475,-. De koopovereenkomst was geadresseerd aan [betrokkene 5] en ondertekend met [betrokkene 5] . Uit de koopovereenkomst volgt dat bij de aankoop van voornoemde Fiat Panda een Ford Ka met kenteken [kenteken 7] voor een bedrag van € 8.500,- is ingeruild. Bij de levering van de Fiat Panda is een bedrag van € 1.022,25 contant bijbetaald. Het kenteken van de Fiat Panda is op naam van de verdachte geregistreerd.
In het dossier zit verder een kopie van een factuur van autobedrijf [bedrijf 11] d.d. 13 maart 2009, geadresseerd aan de vader van de verdachte [betrokkene 5] , betreffende de verkoop en levering van een Ford Ka met kenteken [kenteken 7] . Bij deze aankoop is een andere auto (Suzuki Swift) ingeruild. Het totaal te betalen bedrag bedroeg € 3.215,-. Dit is contant voldaan. Ingevolge gegevens van de Rijksdienst voor het Wegverkeer was het kenteken [kenteken 7] eveneens op naam van de verdachte geregistreerd.
De vader van de verdachte, [betrokkene 5] , heeft verklaard dat zowel de Fiat Panda met kenteken [kenteken 8] als de Ford Ka met kenteken [kenteken 7] van hem was. Bij de aankoop van beide auto’s is de verdachte meegegaan naar de garage en heeft de onderhandelingen gedaan met het autobedrijf. [betrokkene 5] verklaarde verder dat de verdachte de Ford Ka voor hem heeft betaald en dat het kenteken van de Fiat Panda door [verdachte] op zijn naam is gezet.
Gelet op al het voorgaande alsmede op hetgeen hiervoor onder ‘De inkomenspositie van de verdachte (en zijn partner [betrokkene 2] )’ is overwogen, acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het niet anders kan zijn dan dat de Fiat Panda met kenteken [kenteken 8] en de Ford Ka met kenteken [kenteken 7] geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig zijn. Het hof stelt vast dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geld.
Het hof is van oordeel dat de verdachte de Ford Ka met kenteken [kenteken 7] heeft omgezet in een geldbedrag van € 8.500,-, terwijl de verdachte wist dat deze auto geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig was. Ten aanzien van de Fiat Panda met kenteken [kenteken 8] stelt het hof vast dat deze auto door de verdachte is aangekocht en betaald, terwijl de verkoopovereenkomst geadresseerd is aan zijn vader. De vader van de verdachte heeft verklaard dat de auto van hem was en de auto is ook aangetroffen bij de woning van de vader van de verdachte. Gelet hierop is het hof van oordeel dat de verdachte heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op voornoemde auto was, namelijk de verdachte zelf – hij had immers de auto betaald –, terwijl hij wist dat deze auto onmiddellijk of middellijk afkomstig was uit enig misdrijf.
-
Een geldbedrag van € 200.000,- (aangetroffen in de tuin van de woning aan [adres 6] )
Tijdens de doorzoeking van de voormalige woning van de verdachte en zijn partner aan [adres 6] op 21 augustus 2012 heeft de politie bij een boom in de achtertuin van de woning een ingegraven zuurvaatje, verpakt in een plastic vuilniszak, aangetroffen. Dit zuurvaatje was begraven op ongeveer anderhalve meter diepte. In dit vaatje bleek na telling een geldbedrag van € 200.000,- aan bankbiljetten te zitten.
Ten aanzien van dit in de tuin van de woning aan [adres 6] aangetroffen geldbedrag van € 200.000,- heeft de verdachte het volgende verklaard: “Dat geld heb ik niet gespaard anders begraaf ik het niet in de tuin. Ik heb veel geld verdiend in de hennep en ik heb zuinig geleefd op mijn huizen na.”
Gelet op het voorgaande, acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte van het in de tuin van de woning aan [adres 6] aangetroffen geldbedrag van € 200.000,- de vindplaats heeft verborgen en/of verhuld, terwijl hij wist dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit enig misdrijf.
-
Een geldbedrag van € 10.000,- (aangetroffen in de berging behorende bij de woning aan [adres 6] )
Tijdens de doorzoeking van de voormalige woning van de verdachte en zijn partner aan [adres 6] op 21 augustus 2012 heeft de politie ook de berging bij die woning doorzocht. In deze berging stond aan de linkerzijde een stellage met daarin diverse plastic opbergbakken. In een van deze plastic opbergbakken trof de politie een plastic zak aan waarin een stapel bankbiljetten zat. Na telling bleek dit een bedrag van € 10.000,- te zijn.
De verdachte heeft verklaard dat hij er blij mee was dat de politie het geld in de tuin en de schuur (
het hof begrijpt: bij de woning aan [adres 6]) heeft gevonden, omdat hij dat geld niet van het sparen heeft. Op de vraag van de verbalisanten waar de verdachte het geld dan vandaan heeft, antwoordde hij: “Ik heb veel geld verdiend in de hennep en ik heb zuinig geleefd op mijn huizen na.”
[medeverdachte] heeft verklaard dat de financiële afrekening met betrekking tot de hennephandel van de organisatie van de verdachte, altijd plaatsvond in de woning van de verdachte. Volgens [medeverdachte] had de verdachte altijd geld thuis liggen, in een plastic zak.
Gelet op al het voorgaande acht het hof het aannemelijk dat het hiervoor genoemde geldbedrag van € 10.000,-onmiddellijk afkomstig is uit enig door de verdachte zelf begaan misdrijf, namelijk de handel in hennep.
Het hof acht, alles overziend, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het geldbedrag van € 10.000,- voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat dit geldbedrag onmiddellijk afkomstig is uit enig eigen misdrijf. Het hof is niet van oordeel dat sprake is geweest van een gedraging van de verdachte die meer omvat dan het enkele voorhanden hebben van het geldbedrag en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft. Dit betekent dat naar het oordeel van het hof de kwalificatie-uitsluitingsgrond van toepassing is. Onder “Strafbaarheid van het bewezenverklaarde” zal het hof hier nadere overwegingen aan wijden.
-
Een geldbedrag van € 43.250,- (aangetroffen in een woning gelegen aan [adres 7] )
Op 21 augustus 2012 vond eveneens een doorzoeking plaats van de woning aan [adres 7] , alwaar de schoonouders van de verdachte woonachtig waren. Tijdens die doorzoeking heeft de politie ontdekt dat in de nis, onder de trap naar de eerste verdieping, een kolom was gemaakt. Die kolom bleek hol te zijn en aan de bovenkant open. Aan de bovenkant was een haak bevestigd met daaraan een touw en aan het touw bleek een hardplastic bus met deksel te zijn bevestigd. In die bus zaten vier bundels met bankbiljetten die werden samengehouden door elastiekjes. Na telling bleek dat in de bus een geldbedrag zat van in totaal € 43.250,-.
De verdachte heeft verklaard dat hij de bankbiljetten op de hiervoor genoemde plaats in de hiervoor genoemde bus had gestopt en dat zijn schoonouders daarvan niet op de hoogte waren. De partner van de verdachte, [betrokkene 2] , heeft verklaard dat zij en de verdachte een sleutel hadden van de woning van haar ouders aan [adres 7] .
Gelet op het voorgaande alsmede op hetgeen hiervoor onder ‘De inkomenspositie van de verdachte (en zijn partner [betrokkene 2] )’ is overwogen, acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het niet anders kan zijn dan dat het geldbedrag van € 43.250,- (aangetroffen in een woning gelegen aan [adres 7] ) geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Het hof stelt vast dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geld.
Uit de bewijsmiddelen, in het bijzonder de verklaring van de verdachte dat hij het geldbedrag van € 43.250,- op de hiervoor beschreven plaats in de woning van zijn schoonouders heeft gestopt, leidt het hof af dat de verdachte de rechthebbende was op dit geldbedrag.
Het hof acht, alles overziend, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, gelet op de manier waarop het hiervoor genoemde geldbedrag in de woning van zijn schoonouders was weggeborgen, de vindplaats van dit geldbedrag heeft verborgen en/of verhuld alsmede dat hij heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op dit geldbedrag was, namelijk de verdachte zelf, terwijl hij wist dat dit geldbedrag onmiddellijk of middellijk afkomstig is uit enig misdrijf.
-
Een scooter (Piaggio, type C38) met kenteken [kenteken 9]
Tijdens de doorzoeking van de voormalige woning van de verdachte en zijn partner [betrokkene 2] aan [adres 6] op 21 augustus 2012 is in de berging een scooter (merk Piaggio, type C38) met kenteken [kenteken 9] aangetroffen en in beslag genomen. Het kenteken van deze scooter stond van 28 mei 2011 tot aan de dag van de inbeslagname (21 augustus 2012) op naam van de [betrokkene 7] , de schoonmoeder van de verdachte. De politie heeft geen bescheiden aangetroffen, die betrekking hebben op de aanschaf en de betaling van de scooter.
De verdachte heeft met betrekking tot voornoemde scooter verklaard dat het zijn scooter is, dat hij ermee rijdt. Ook heeft de verdachte verklaard dat hij zijn schoonmoeder gevraagd heeft om het kenteken van de scooter op haar naam te (laten) registreren, omdat hij bang was dat er “misschien iets verkeerd zou gaan”. Wat er verkeerd zou kunnen gaan, heeft de verdachte niet nader gespecificeerd.
Gelet op het voorgaande alsmede op hetgeen hiervoor onder ‘De inkomenspositie van de verdachte (en zijn partner [betrokkene 2] )’ is overwogen, acht het hof het vermoeden gerechtvaardigd dat het niet anders kan zijn dan dat de scooter (Piaggio, type C38) met kenteken [kenteken 9] geheel of gedeeltelijk, middellijk of onmiddellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Het hof stelt vast dat de verdachte geen concrete, verifieerbare en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijke verklaring heeft gegeven over de herkomst van het geld.
Het hof acht, alles overziend, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de scooter (Piaggio, type C38) met kenteken [kenteken 9] heeft verworven, voorhanden heeft gehad en daarvan gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist dat deze scooter onmiddellijk of middellijk uit enig misdrijf afkomstig is. Voorts acht het hof, gelet op het feit dat de verdachte zijn schoonmoeder gevraagd heeft om de scooter op haar naam te (laten) registreren, terwijl de verdachte degene was die van de scooter gebruik heeft gemaakt, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft verborgen en/of verhuld wie de rechthebbende op de scooter was, namelijk hijzelf.
Conclusie
Concluderend acht het hof, op grond van het hiervoor overwogene en de inhoud van de gebezigde bewijsmiddelen, in onderling verband en samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het tenlastegelegde witwassen heeft begaan, op de wijze zoals hiervoor en in de bewezenverklaring is vermeld.
Gelet op de omvang van het witwassen en de periode waarin dit heeft plaatsvonden, acht het hof bewezen dat de verdachte hiervan een gewoonte heeft gemaakt.
Het hof is van oordeel dat, hoewel de verdachte de in de tenlastelegging genoemde panden inclusief inrichting en stofferig samen met zijn partner [betrokkene 2] heeft gekocht – een groot deel van de bonnetjes en facturen staat op naam van [betrokkene 2] –, uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende is gebleken dat sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de verdachte en zijn partner op dit vlak en/of dat de partner van de verdachte een materiële en/of intellectuele bijdrage van voldoende gewicht aan het delict heeft gehad. Gelet daarop zal het hof de verdachte vrijspreken van het hem tenlastegelegde medeplegen. Ook ten aanzien van de andere in de tenlastelegging opgenomen voorwerpen, acht het hof medeplegen niet bewezen en zal het hof de verdachte daarvan vrijspreken.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Strafbaarheid van het onder 3 bewezenverklaarde witwassen van een geldbedrag van € 10.000,-
Met betrekking tot de strafbaarheid van het onder 3 bewezenverklaarde geldbedrag van € 10.000,- stelt het hof voorop dat uit de wetsgeschiedenis volgt dat de strafbaarstelling van witwassen strekt ter bescherming van de aantasting van de integriteit van het financieel en economisch verkeer en van de openbare orde, dat witwassen een veelomvattend, maar ook te begrenzen fenomeen is, en dat ook in het geval het witwassen de opbrengsten van eigen misdrijf betreft, van de witwasser in beginsel een handeling wordt gevergd die erop is gericht ‘zijn criminele opbrengsten veilig te stellen’. Gelet hierop moet worden aangenomen dat indien vaststaat dat het enkele verwerven of voorhanden hebben door de verdachte van een voorwerp – zoals onder artikel 420bis, eerste lid, onder b, Sr strafbaar gesteld – dat afkomstig is uit een door hemzelf begaan misdrijf niet kan hebben bijgedragen aan het verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat voorwerp, die gedraging niet als (schuld)witwassen kan worden gekwalificeerd. De kwalificatie-uitsluitingsgrond is derhalve niet van toepassing is op het verwerven of voorhanden hebben van een voorwerp dat niet onmiddellijk uit eigen misdrijf afkomstig is.
Daarmee wordt mede beoogd te voorkomen dat een verdachte die een bepaald misdrijf heeft begaan en die de door dat misdrijf verkregen voorwerpen verwerft of onder zich heeft en dus voorhanden heeft, zich automatisch ook schuldig maakt aan het witwassen van die voorwerpen. Bovendien wordt aldus bevorderd dat in zo een geval het door de verdachte begane (grond)misdrijf, dat in de regel nader is omschreven in een van specifieke bestanddelen voorziene strafbepaling, in de vervolging centraal staat. [32] Er moet in dergelijke gevallen dus sprake zijn van een gedraging die meer omvat dan het enkele verwerven of voorhanden hebben en die een op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van dat door eigen misdrijf verkregen voorwerp gericht karakter heeft.
Uit de wetsgeschiedenis blijkt voorts dat het bij het verbergen of verhullen – zoals onder artikel 420bis, eerste lid, onder a, Sr strafbaar gesteld – gaat om alle handelingen die tot doel hebben en geschikt zijn om de werkelijke aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te verbergen of te verhullen. De strafbaarstelling geeft niet aan om welke handelingen het allemaal kan gaan; bepalend voor de strafbaarheid is het effect van handelen. De termen verbergen en verhullen impliceren een zekere doelgerichtheid waarbij het handelen a) erop is gericht het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enzovoort van een voorwerp te bemoeilijken, en b) geschikt is om dat doel te bereiken. [33]
Van een volstrekt onzichtbaar maken van de aard, herkomst, vindplaats enzovoort hoeft geen sprake te zijn. Van verhullen zal al sprake kunnen zijn als door bepaalde constructies een mistgordijn wordt opgeworpen dat weliswaar enig zicht op het voorwerp en de daarbij betrokken personen toelaat, maar het niet mogelijk maakt om met enige zekerheid de (legale) herkomst en de rechthebbende vast te stellen. De doelgerichtheid waar in de wetgeschiedenis over gesproken wordt, slaat niet op de subjectieve gesteldheid of bedoeling van de verdachte maar op de objectieve strekking van het handelen. Het gaat erom of de handeling(en) – gelet op de aard daarvan en op de omstandigheden van het geval – erop gericht is/zijn om het zicht op de aard, herkomst, vindplaats enzovoort van voorwerpen te bemoeilijken en of zij ook geschikt is/zijn om dat doel te bereiken. [34]
Het enkele bewaren van een uit misdrijf afkomstig voorwerp op een ongebruikelijke plaats is onvoldoende om aan bovenstaande tweeledige eis te voldoen. [35] Het verbergen van een voorwerp in een verborgen ruimte, die kennelijk speciaal voor het langdurig en heimelijk verbergen van voorwerpen is gecreëerd, kan als een verhullende en verbergende handeling worden beschouwd. [36]
Het hof overweegt als volgt.
In het onderhavige geval gaat het om het bewezenverklaarde verwerven en voorhanden hebben van een voorwerp – te weten een geldbedrag van € 10.000,-, dat verpakt in een plastic zak in een plastic opbergbak in de berging van de woning van de verdachte is aangetroffen – dat afkomstig is uit door de verdachte en zijn mededaders zelf begane en bewezenverklaarde misdrijven. Er is geen sprake van meer dan het enkele verwerven en voorhanden hebben van dit geldbedrag. Van gedragingen van de verdachte die ook (kennelijk) gericht zijn geweest op het daadwerkelijk verbergen of verhullen van de criminele herkomst van het geldbedrag is ook geen sprake. Door het enkele ‘verstoppen’ c.q. ‘opbergen’ van het geldbedrag in een plastic zak in een plastic opbergbak in de berging van de woning van de verdachte, is de criminele herkomst van het geld immers niet verhuld.
Gelet daarop is het hof van oordeel dat het onder 3 bewezenverklaarde geldbedrag van € 10.000,- niet kan worden gekwalificeerd als een strafbaar feit. De verdachte zal in zoverre worden ontslagen van alle rechtsvervolging.
Kwalificaties
Het onder 2 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van hetin de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Het onder 3 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
van het plegen van witwassen een gewoonte maken.
Het onder 4 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.
Het onder 5B bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
als oprichter en leider deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11, derde lid, van de Opiumwet.
Het onder 6 bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.
Het onder 7A en B bewezenverklaarde wordt als volgt gekwalificeerd:
medeplegen van het in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod (A)
en
medeplegen van in de uitoefening van een beroep of bedrijf opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod (B).
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluiten. De verdachte is daarom strafbaar voor het hiervoor bewezenverklaarde.
Op te leggen straf
Het hof heeft bij het bepalen van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Het hof heeft in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
Ten laste van de verdachte is bewezenverklaard, kort gezegd, dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan het als oprichter en leider deelnemen aan een criminele organisatie van 2003 tot en met 2006 en van en van 2006 tot en met 2012, het gedurende vele jaren telen en verkopen van hennep en gewoontewitwassen.
Door als oprichter en leider deel te nemen aan de in dit arrest omschreven criminele organisatie(s) die tot oogmerk had(den), kort gezegd, het telen en verkopen van hennep, heeft de verdachte geenszins rekening gehouden met de maatschappelijke problemen die de illegale handel in softdrugs met zich brengt. Daar komt bij dat het exploiteren van hennepkwekerijen in woningen dikwijls brand- of elektrocutiegevaar met zich brengt, doordat middels een illegale aansluiting stroom wordt afgenomen. Dit leidt logischerwijs tot gevaarlijke situaties voor bewoners en omwonenden. Bovendien kan door het maken van zo’n illegale aansluiting meer vermogen worden afgenomen dan contractueel is overeengekomen, wat weer tot hinder en schade leidt voor de energieleverancier. Tot slot gaat de illegale hennepteelt en -handel in Nederland veelal gepaard met overlast en andere vormen van criminaliteit, zoals witwassen. Ook in de onderhavige zaak heeft de verdachte de (zwarte) opbrengsten die hij genoot van de grootschalige handel in hennep witgewassen. Op verschillende manier heeft de verdachte getracht de criminele herkomst van deze opbrengsten te verbergen en/of verhullen. Witwassen faciliteert, vergemakkelijkt en bewerkstelligt dat andere vormen van criminaliteit in stand blijven en ondermijnt in sterke mate het maatschappelijk economische verkeer. Het hof rekent het de verdachte aan dat hij heeft gehandeld, zoals bewezen is verklaard.
Het hof heeft acht geslagen op de inhoud van het uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 2 maart 2026, betrekking hebbende op het justitiële verleden van de verdachte, waaruit blijkt dat de verdachte niet eerder voor soortgelijke feiten is veroordeeld.
Voorts heeft het hof gelet op de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken. Ter terechtzitting in hoger beroep heeft de verdachte hierover verklaard dat hij vroeger in de bouw heeft gewerkt, maar inmiddels al ruim 20 jaar volledig arbeidsongeschikt is en daarom een WAO-uitkering ontvangt en dat zijn vrouw werkt. De raadsman van de verdachte heeft aangevoerd dat de verdachte gediagnosticeerd is met ADHD, autisme en PTSS.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 57 maanden met aftrek van de duur van het voorarrest.
De raadsman van de verdachte heeft het hof verzocht om, bij een veroordeling, een aanzienlijk lagere straf op te leggen dan de rechtbank heeft gedaan.
Naar het oordeel van het hof kan, met name gelet op de ernst van de bewezenverklaarde feiten, in het bijzonder ook de leidinggevende rol van de verdachte daarin, niet worden volstaan met een andere of lichtere sanctie dan een straf die onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming met zich brengt.
Alles afwegende acht het hof in beginsel de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5,5 jaren met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.
Het hof overweegt met betrekking tot de berechting binnen een redelijke termijn evenwel nog het volgende.
De raadsman van de verdachte heeft ter terechtzitting in hoger beroep naar voren gebracht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) in zeer forse mate is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.
Het hof stelt voorop dat elke verdachte recht heeft op een openbare behandeling van zijn zaak binnen een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro. Deze termijn vangt aan vanaf het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de verdachte een handeling is verricht waaraan die in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem of haar ter zake van een bepaald strafbaar feit door het OM een strafvervolging zal worden ingesteld.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in eerste aanleg dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen 16 maanden nadat de redelijke termijn is aangevangen – de verdachte heeft namelijk 312 dagen in voorarrest doorgebracht. De redelijke termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse Staat jegens de betrokkene een handeling is verricht waaraan deze in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem ter zake van een bepaald strafbaar feit door het Openbaar Ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld.
Als uitgangspunt heeft voorts te gelden dat de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep dient te zijn afgerond met een eindarrest binnen twee jaren nadat het hoger beroep is ingesteld.
De tenlastegelegde en bewezenverklaarde feiten hebben zich afgespeeld in de periode van januari 2003 tot en met augustus 2012. De verdachte is op 21 augustus 2012 in verzekering gesteld, welke datum als uitgangspunt voor de aanvang van de redelijke termijn wordt aangemerkt. In eerste aanleg is de zaak inhoudelijk behandeld in januari 2019 en heeft de rechtbank op 11 april 2019 vonnis heeft gewezen.
Namens de verdachte is vervolgens op 16 april 2019 hoger beroep ingesteld. De behandeling in hoger beroep heeft een aanvang genomen op de terechtzitting van 13 en 17 februari 2020, op welke terechtzitting de onderzoekswensen van de verdediging zijn behandeld. Op 28 oktober 2024 is de strafzaak tegen de toenmalige medeverdachte [medeverdachte] behandeld en afgedaan met een arrest. Op 5, 7, 11, 12, 14 en 26 november 2024 zijn de strafzaken tegen de verdachte en de medeverdachten inhoudelijk behandeld, waarna op 26 november 2024 [medeverdachte] als getuige is gehoord. Omdat [medeverdachte] zich bij gelegenheid van dat verhoor voornamelijk beriep op zijn verschoningsrecht – welk recht hem toekwam omdat hij cassatie had ingesteld tegen het arrest van 28 oktober 2024 – zijn de strafzaken tegen de verdachte en de medeverdachten ter terechtzitting van 28 november 2024 aangehouden, in afwachting van de behandeling door de Hoge Raad van de namens [medeverdachte] ingestelde cassatie. Door het hof werd bepaald dat [medeverdachte] daarna opnieuw als getuige diende te worden gehoord, welk verhoor uiteindelijk op 5 november 2025 heeft plaatsgevonden. De strafzaken tegen de verdachte en de medeverdachten zijn daarna opnieuw voor onbepaalde tijd aangehouden, waarna op 9 en 26 februari 2026 opnieuw een regiezitting heeft plaatsgevonden in verband met de door de verdediging van de verdachte en de medeverdachte naar aanleiding van het getuigenverhoor van [medeverdachte] ingediende onderzoekswensen. Op de terechtzittingen van 2, 8 en 10 april 2026 zijn de strafzaken tegen de verdachte en de medeverdachten verder inhoudelijk behandeld en het hof doet bij arrest van heden – 26 juni 2026 – einduitspraak.
Het tijdsverloop tussen het aanvangsmoment van de ‘criminal charge’ als bedoeld in artikel 6 EVRM Pro en het wijzen van het vonnis door de rechtbank bedraagt bijna zeven jaren. Tussen het instellen van het hoger beroep op 16 april 2019 en het eindarrest van het hof van 26 juni 2026 is een periode van zeven jaren en ruim twee maanden verstreken.
Evident is dat de redelijke termijn daarmee zowel in eerste aanleg als in hoger beroep in zeer aanzienlijke mate is overschreden; in eerste aanleg is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met bijna vijf jaren en in hoger beroep is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met vijf jaren en ruim twee maanden. In totaal is sprake van een overschrijding van de redelijke termijn met een periode van maar liefst tien jaren en ruim twee maanden.
Bij de beoordeling of de redelijke termijn is overschreden kunnen bijzondere omstandigheden een rol spelen, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman/-vrouw op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld. Hoewel door de verdediging zowel in eerste aanleg als in hoger beroep herhaaldelijk onderzoekswensen zijn ingediend, is het hof van oordeel dat daaraan niet het gehele tijdsverloop, althans de overschrijding van de redelijke termijn, kan worden geweten. Ook andere, bijzondere omstandigheden die dit tijdsverloop geheel of ten dele kunnen rechtvaardigen, zijn niet gebleken. Evident is dat de zaak onevenredig lang heeft geduurd en het hof heeft oog voor de impact en de nadelige gevolgen die dat voor de verdachte heeft gehad.
Nu de redelijke termijn met in totaal tien jaren en ruim twee maanden is overschreden, acht het hof, alles afwegende, in plaats van oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 5,5 jaren, passend en geboden om aan de verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 33 maanden waarvan 12 maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die de verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en een proeftijd van twee jaren.
Tenuitvoerlegging van de op te leggen gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de verdachte in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 van Pro de Penitentiaire beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 van Pro het Wetboek van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Bij gelegenheid van het vooronderzoek is onder de verdachte een grote hoeveelheid voorwerpen in beslag genomen. Ten tijde van de bewezenverklaarde feiten behoorden deze voorwerpen aan de verdachte toe.
Uit het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gekomen dat de bewezenverklaarde feiten met betrekking tot een deel van deze inbeslaggenomen voorwerpen is begaan. Het hof is derhalve van oordeel dat deze voorwerpen – zoals nader bij nummer aangeduid in het dictum en in de aan dit arrest gehechte beslaglijst – vatbaar zijn voor verbeurdverklaring. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte, voor zover daarvan ter terechtzitting is gebleken.
Ten aanzien van een deel van de inbeslaggenomen voorwerpen – zoals nader bij nummer aangeduid in het dictum en in de aan dit arrest gehechte beslaglijst – zal het hof de teruggave aan de verdachte gelasten, als zijnde de redelijkerwijs als rechthebbende van die voorwerpen aan te merken persoon, nu er geen strafvorderlijk belang meer is bij handhaving van het beslag op die voorwerpen.
Vordering van de benadeelde partij [medeverdachte]
De benadeelde partij [medeverdachte] heeft in eerste aanleg een vordering ingesteld, strekkende tot schadevergoeding tot een bedrag van € 1.000,-, bestaande uit immateriële schade.
De vordering is bij vonnis waarvan beroep toegewezen tot het gevorderde bedrag van € 1.000,-.
Nu aan de verdachte ter zake van het tenlastegelegde handelen waardoor de gestelde schade veroorzaakt zou zijn, geen straf of maatregel wordt opgelegd en evenmin toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in artikel 9a van het Wetboek van Strafrecht, kan de benadeelde partij [medeverdachte] in haar vordering niet worden ontvangen.
De benadeelde partij zal worden veroordeeld in de kosten, tot aan de datum van deze uitspraak aan de zijde van de verdachte begroot op nihil.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
De beslissing is gegrond op de artikelen 3, 11 en 11a van de Opiumwet en de artikelen 14a, 14b, 14c, 33, 33a, 47, 57, 140, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden, dan wel ten tijde van het wijzen van dit arrest rechtens gelden.
BESLISSING
Het hof:
verklaart de verdachte niet-ontvankelijk in het hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de vrijspraak van het onder 8 tenlastegelegde en de deelvrijspraak van het onder 3 tenlastegelegde witwassen van een Renault Twingo met kenteken [kenteken 2] ;
vernietigt het vonnis waarvan beroep, voor zover aan het oordeel van het hof onderworpen, en doet opnieuw recht:
verklaart het Openbaar Ministerie ter zake van het onder 1 tenlastegelegde niet-ontvankelijk in de vervolging;
verklaart niet bewezen dat de verdachte het onder 5A tenlastegelegde feit heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart zoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 2, 3, 4, 5B, 6 en 7A en B tenlastegelegde heeft begaan;
verklaart niet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het voorhanden hebben van het onder 3 bewezenverklaarde geldbedrag van € 10.000,- niet strafbaar en ontslaat de verdachte te dier zake van alle rechtsvervolging;
verklaart het voor het overige bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
33 (drieëndertig) maanden;
bepaalt dat een gedeelte van de gevangenisstraf, groot
12 (twaalf) maanden, niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten omdat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van
2 (twee) jarenaan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.
beveelt dat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten de onder de navolgende nummers op de aan dit arrest gehechte beslaglijst genoemde voorwerpen: 807209, 807621, 808420, 808424, 808429, 808431, 808433, 808531, 808546, 808556 (een deel groot € 135.800,-) en 808637;
gelast de
teruggaveaan de verdachte van het in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten een deel van het onder nummer 808556 genoemde bedrag, groot [geldbedrag] , alsmede van de onder de navolgende nummers op de aan dit arrest gehechte beslaglijst genoemde voorwerpen: 4, 807215, 819589, 819913, 819916, 819918, 2 en 3;
verklaart de benadeelde partij [medeverdachte] niet-ontvankelijk in de vordering tot schadevergoeding;
veroordeelt de benadeelde partij in de kosten en begroot deze op nihil.
Aldus gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, voorzitter,
mr. A.J. Henzen en mr. M. van der Horst, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. A. van Kaathoven en mr. S. Kerssies, griffiers,
en op 26 juni 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mrs. A.J. Henzen, M. van der Horst en A. van Kaathoven zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Vgl. o.a. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061; HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:452 en 454; HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:498, rov. 2.2 en HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:413, rov. 2.3.
2.Vgl. o.a. HR 18 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB5196/NJ 1976, 539; HR 8 december 1981, NJ 1982, 533; HR 9 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0046/DD 95.334; HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6101, rov. 3.4.; HR 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4953, rov. 3.3. en HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7951, rov. 2.6.
3.Vgl. HR 20 december 1926, ECLI:NL:HR:1926:BG9435; HR 1 februari 1994, ECLI:NL:HR:1994:AB7528;
4.Vgl. HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118, rov. 2.4.; HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1455 en HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1902, rov. 5.3.
5.Vgl. HR 6 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2024, rov. 2.3.; HR 12 december 2017, ECLI:NL:HR:2017:3118, rov. 2.4. en HR 1 oktober 2019, ECLI:NL:HR:2019:1455, rov. 3.3.1 en 3.3.3.
6.Vgl. HR 14 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC3716, NJ 1993/54, m.nt. Van Veen; HR 25 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6192 en HR 23 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3902, rov. 4.3.
7.Vgl. HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2842, rov. 4.3.
8.Vgl. o.a. HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1974, NJ 1994/161; HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858; HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502; HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148; HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264; HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378 en HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969/970.
9.HR 26 november 1985, NJ 1986/389 en HR 16 oktober 1990, NJ 1991/442.
10.HR 29 januari 1991, NJB 1991/50 en HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470.
11.HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:970.
12.HR 8 mei 1978, LJN AC0341, NJ 1978/314 en HR 6 oktober 1992, LJN AB9524, NJ 1993/100.
13.HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148, NJ 2010/357.
14.HR 14 mei 1985, ECLI:NL:HR:AD7436 en AC3589, NJ 1860/10 en 11; HR 22 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8984, NJ 1987/323 en HR 15 mei 2007, LJN BA0502, NJ 2008/559.
15.HR 13 oktober 1987, LJN AC3222, NJ 1988/425.
16.HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502.
17.HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:ZD0858, NJ 1998/225; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW5161 en
18.HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225; HR 8 oktober 2002, 2002:AE5651, NJ 2003/64; HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9814 en HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:970.
20.HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2331, rov. 2.4.1.
21.HR 23 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:619.
22.Vgl. HR 2 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3474; HR 24 maart 2015, ECLI:NL:HR:2015:718 en HR 5 juli 2016, ECLI:NL:HR:2016:1316.
29.HR 23 november 2010, ECLI:NL:HR:2010:BN0578, rov. 3.6.3.
30.HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, rov. 2.3.2.
31.HR 18 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2352, rov. 2.3.3.
32.HR 21 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1090.
33.Vgl. o.a. HR 14 februari 2017, ECLI:NL:HR:2017:236, rov. 2.7-2.8; HR 23 januari 2024, ECLI:NL:HR:2024:47 en 67, rov. 2.3.2 en esp. 2.3.3; HR 25 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:887, rov. 3.5-3.6 en HR 26 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:788, rov. 2.3.2.
34.HR 2 april 2019, ECLI:NL:HR:2019:474.
35.Vgl. HR 19 december 2014, ECLI:NL:HR:2014:3687, rov.2.4.2.; HR 5 april 2016, ECLI:NL:HR:2016:553, rov. 2.3. en HR 1 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:790, rov. 2.3.
36.HR 18 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:215.