Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
“de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f, indien die dag eerder is gelegen.”
gezamenlijkeschuldeisers zijn gekomen. Alleen dan is sprake van een ‘eerste aflossing’ als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw. Ook onder het wettelijke schuldsaneringstraject wordt immers uitgegaan van afdracht ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers. Aflossingen die zijn gedaan onder beslag, kunnen dus niet meetellen voor de toepassing van de nieuwe regeling.
pro ratabenadering te worden gevolgd. Berekend moet worden hoeveel had moeten worden afgelost, en hoeveel in werkelijkheid is afgelost. Vervolgens wordt bepaald hoeveel maanden aflossing nodig is om het verschil tussen beide bedragen in te lopen. Die maanden worden afgetrokken van de periode waarin de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling ‘naar voren’ kan worden gehaald. Wel is steeds vereist dat aan de
gezamenlijkeschuldeisers is afgelost.
“de dag waarop de eerste aflossing is gedaan”, het moment waarop in het minnelijk traject een zogenoemd nulaanbod aan de schuldeisers is gedaan.
2.Feiten en procesverloop
3.Inleiding juridisch kader
dan wel van de dag waarop de eerste aflossing is gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f, indien die dag eerder is gelegen”’.
“eerste aflossing”, “in het kader van”en
“buitengerechtelijke schuldregeling”in de hiervoor geciteerde zinsnede. De tweede vraag ziet op de voorwaarden die de rechter mag of moet stellen voor het intreden van de eerdere start van de termijn van de schuldsaneringsregeling (als bedoeld in de hiervoor aangehaalde zinsnede), voor wat betreft de inspanningen en afdrachten van (dan wel het sparen door) de schuldenaar in de periode voorafgaand aan de datum waarop de wettelijke schuldsaneringsregeling op hem van toepassing is geworden.
“buitengerechtelijke schuldregeling”(hoofdstuk 8), de begrippen
“eerste aflossing”en
“in het kader van”(hoofdstuk 9) en bij de inspanningsplicht (hoofdstuk 10). Bij deze bespreking wordt ook feitenrechtspraak van de afgelopen maanden betrokken, waarin toepassing is gegeven aan de nieuwe bepaling in art. 349a lid 1 Fw. Voor een nadere toelichting op dit rechtspraakonderzoek wordt verwezen naar de aan deze conclusie gehechte
bijlage.Afsluitend volgt de beantwoording van de prejudiciële vragen (hoofdstuk 11).
4.Het stelsel van schuldhulpregelingen
minnelijkeschuldhulpverlening voor natuurlijke personen (ook wel: Msnp). Voor een goed begrip van de Wsnp en de wijzigingen die daarin recentelijk zijn aangebracht, is het van belang om eerst inzicht te bieden in het
geheelvan schuldhulpregelingen, en de samenhang tussen Msnp en Wsnp. In dit hoofdstuk worden daarom de hoofdlijnen van het stelsel van de schuldhulpverlening geschetst, en wordt achtereenvolgens stilgestaan bij de buitengerechtelijke schuldhulpverlening onder verantwoordelijkheid van gemeenten (zie vanaf 4.3), de Gedragscode Schuldhulpverlening (zie vanaf 4.10), de verschillende fasen van het schuldhulptraject (zie vanaf 4.13) en bij enkele (overige) schuldhulpinstrumenten (zie vanaf 4.28). Voorts zullen het dwangakkoord (zie vanaf 4.61) de Wsnp (zie vanaf 4.68), en tot slot het schuldenbewind (zie vanaf 4.73) worden besproken.
het ondersteunen bij het vinden van een adequate oplossing gericht op de aflossing van schulden indien redelijkerwijs is te voorzien dat een natuurlijke persoon niet zal kunnen voortgaan met het betalen van zijn schulden of indien hij in de toestand verkeert dat hij heeft opgehouden te betalen, alsmede de nazorg.” Het concentreren van de verantwoordelijkheid voor schuldhulpverlening bij de gemeenten heeft tot doel de effectiviteit daarvan te bevorderen. [6]
kaderweten schrijft niet voor hoe de aangeboden schuldhulpverlening er inhoudelijk uit moet zien. Wel moeten gemeenten – en dat is de kern van de Wgs – een
beleidsplanvaststellen, dat richting geeft aan de integrale schuldhulpverlening aan de inwoners van zijn gemeente (art. 2 lid 1 Wgs Pro). In art. 2 lid 4 Wgs Pro is vastgelegd dat in het beleidsplan ten minste moet zijn opgenomen:
inlichtingenplichtvan de schuldenaar opgenomen. Ten slotte bevat art. 7 Wgs Pro een
medewerkingsplicht: de schuldenaar is verplicht de medewerking te verlenen die redelijkerwijs nodig is voor de uitvoering van de wet.
nietin mindering gebracht op de looptijd van de schuldregelingsovereenkomst (zie hierover verder onder 4.24-4.25). [20]
stabilisatiefasewordt een (tijdelijke) stabiele situatie gecreëerd van waaruit de integrale schuldhulpverlening verder kan worden opgestart. [23] In deze fase ligt de nadruk op enerzijds het optimaliseren van het inkomen en vermogen, en anderzijds het (tijdelijk) stabiliseren van de schuldensituatie. Het stabiliseren van de schulden is erop gericht om te voorkomen dat de omvang van de schulden toeneemt, en zeker te stellen dat de schuldenaar aan een aantal lopende verplichtingen voldoet om bijvoorbeeld huisuitzetting of het afsluiten van energie en water te voorkomen.
kennisgeving. Na ontvangst van de kennisgeving schorten schuldeisers hun incassomaatregelen met maximaal 8 maanden op. [26] Verder heeft de NVVK met Zorgverzekeraars Nederland afgesproken dat zorgverzekeraars hun incassomaatregelen opschorten wanneer de schuldhulpverlener een
stabilisatieovereenkomstopstuurt. [27]
budgetbeheer. Budgetbeheer is een verplichting die op grond van de medewerkingsplicht uit artikel 7 lid 1 Wgs Pro kan worden opgelegd. [28] Bij budgetbeheer gaat de schuldenaar een overeenkomst aan met een budgetbeheerder, waarbij overeengekomen wordt dat dat deze de inkomsten van de schuldenaar zal beheren. De schuldenaar dient er zelf voor te zorgen dat zijn inkomsten rechtstreeks op de door de budgetbeheerder geopende rekening worden gestort. Het inkomen wordt vervolgens gestort naar de gemeente (of een door haar voor de schulphulpverlening ingehuurde partij), en van daaruit worden de vaste lasten en andere openstaande rekeningen van de betrokkene voldaan. Veelal wordt wekelijks leefgeld overgemaakt op de eigen rekening van de schuldenaar. [29] Een ander middel dat in de stabilisatiefase kan worden ingezet is
budgetcoaching,wat ook wel wordt gecombineerd met budgetbeheer. [30]
regelenvan de schulden. Daartoe zijn grofweg vier manieren te onderscheiden, namelijk de betalingsregeling, herfinanciering, schuldbemiddeling of het saneringskrediet. [32]
betalingsregelingworden één of meerdere schulden volledig afgelost door betaling in termijnen. De betalingsregeling kan worden getroffen door de schuldenaar, de schuldhulpverlener of door gezamenlijke inspanningen. Het doel van een betalingsregeling is het volledig afbetalen van de schuld in een aantal termijnen. [33] De herfinanciering kent hetzelfde doel, maar heeft als verschil dat de schuldenaar een bedrag leent bij een bank (gemeentelijke kredietbank of reguliere bank) om zijn schulden af te lossen, waarna vervolgens enkel wordt afgelost aan de kredietverlenende partij.
gedeeltevan de schuldenlast af te betalen en kwijting te krijgen voor het overige deel.
schuldbemiddeling. De wettelijke verankering van dit middel is te vinden in de Wet op het consumentenkrediet (Wck), waarin schuldbemiddeling wordt gedefinieerd als
“het in de uitoefening van een bedrijf of beroep, anders dan door het aangaan van een krediettransactie, verrichten van diensten, gericht op de totstandkoming van een regeling met betrekking tot de bestaande schuldenlast van een natuurlijke persoon, geheel of gedeeltelijk voortvloeiend uit een of meer krediettransacties.” [34] De Wck bepaalt dat schuldbemiddeling is in beginsel verboden is. [35] De wet bepaalt vervolgens dat (onder meer) gemeenten van dit verbod zijn vrijgesteld. [36]
saneringskrediet. Daarbij koopt de gemeente of een kredietbank in één keer een deel van de schulden af, en lost de schuldenaar het afgekochte bedrag in een bepaalde periode af aan een kredietbank. Het gevolg hiervan is dat voor de schuldeisers vaststaat welk percentage ze krijgen; daarin komt geen verandering meer. Dit is anders dan bij de hiervoor besproken schuldbemiddeling, waarbij de schuldeisers een indicatie krijgen, maar het uiteindelijk gespaarde bedrag nog hoger of lager kan uitvallen, afhankelijk van de spaarcapaciteit van de schuldenaar. Voor de schuldenaar is het voordeel van een saneringskrediet dat dit rust en overzicht kan bieden, doordat de schuldenaar nog maar met één schuldeiser te maken heeft. [40]
breed moratorium, dat kan worden ingezet ter stabilisatie van de situatie van een schuldenaar. Het breed moratorium wordt ook wel geduid als de
afkoelingsperiode. [41] Met het breed moratorium kan worden bewerkstelligd dat elke bevoegdheid van de schuldeiser tot verhaal op de goederen van de schuldenaar en tot opeising van goederen die zich in de macht van de schuldenaar bevinden, niet kan worden uitgeoefend voor een periode van
maximaal zes maanden(art. 5 lid 1 Wgs Pro). De “adempauze” die met het breed moratorium wordt gecreëerd, geeft schuldenaren enige ruimte om orde op zaken te stellen. Zo kunnen lopende incassomaatregelen, zoals beslag, tijdens het breed moratorium niet worden gebruikt. [42] Dit geldt alleen voor bevoegdheden die voortvloeien uit vorderingen die zijn ontstaan tot de afkondiging van het moratorium. [43]
“indien deze periode noodzakelijk is in het kader van schuldhulpverlening en indien is voldaan aan bij algemene maatregel van bestuur gestelde nadere voorwaarden.”De hier bedoelde
“nadere voorwaarden”zijn te vinden in het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening (art. 4-11). [44] In art. 4 lid 3 van Pro het besluit is opgenomen dat bij het verzoek om toepassing van het breed moratorium in ieder geval worden overgelegd:
“de cliënt de uit de schuldhulpverlening voortvloeiende verplichtingen naar behoren zal nakomen”en dat
“de afkoelingsperiode noodzakelijk is in het kader van de schuldhulpverlening en in het belang is van de gezamenlijke schuldeisers”(art. 5 lid Pro 1). Het verzoek wordt afgewezen indien in de 10 jaar voorafgaand aan dit verzoek al eerder een breed moratorium is afgekondigd, of als blijkt dat er reeds een Wsnp-verzoek bij de rechtbank ligt, zo volgt uit art. 5 lid 2 van Pro het Besluit.
ultimum remedium, voor gevallen waarin de reguliere schuldhulpverlening tevergeefs of onmogelijk is gebleken. Het breed moratorium zou de schuldhulpverlener in staat moeten stellen om alsnog tot een schuldregeling te komen. Daarbij geldt onder meer als voorwaarde dat niet eerder sprake is geweest van een breed moratorium, zodat de afkoelingsperiode maar één keer per schuldenaar kan worden ingezet. Voldoet de schuldenaar bovendien niet aan zijn verplichtingen gedurende de afkoelingsperiode, dan vervalt het moratorium en mag de schuldeiser zijn invorderingsmaatregelen hervatten. [45]
bedreigende situatie(lid 1). Blijkens de toelichting op het amendement waarmee deze bepaling is voorgesteld, is het smal moratorium bedoeld om bedreigende situaties te voorkomen en om de kans van het slagen van een buitengerechtelijk traject te vergroten, nu schuldeisers een extra stimulans zouden hebben om een buitengerechtelijk akkoord te aanvaarden.
"Tijdens de maximaal zes maanden voorlopige voorziening zal de goede trouw van verzoeker meer gefundeerd kunnen blijken, waardoor de rechter beter kan beslissen over het dwangakkoord of de toelating tot de schuldsaneringsregeling”,zo vermeldt de toelichting op het amendement. [48]
smal moratorium.
nietuitstrekt tot beslag op loon en vermogen. [50] Dit is een bewuste keuze van de wetgever geweest. In het oorspronkelijke amendement waarmee de invoering van art. 287b Fw werd voorgesteld, strekte het breed moratorium zich namelijk nog
weluit tot beslag op loon en vermogen. [51] Dit is nadien gewijzigd, omdat – zo begrijp ik – de regeling anders te ongunstig zou zijn voor de schuldeisers. [52]
indien een verzoek op de voet van artikel 284, vierde lid, is ingediend,in het verzoek, bedoeld in artikel 284, eerste lid, de rechtbank verzoeken een voorlopige voorziening te geven indien er sprake is van een bedreigende situatie.”
“tot toelating tot de schuldsanering”tevens een verzoek kan bevatten tot het geven van een voorlopige voorziening als bedoeld in art. 287b Fw. Art. 3.2.4.4. van het Procesreglement vermeldt ook expliciet:
aanloop naar de Wsnp.Hoewel die ‘aanloopfase’ veelal gemarkeerd zal zijn door een Wsnp-verzoek, blijkt uit de feitenrechtspraak dat de indiening van een Wsnp-verzoek niet in
allegevallen rechtvaardigt dat ook een 287b-verzoek wordt ingediend. Zo wordt ook wel geoordeeld dat tijdens de stabilisatiefase nog geen beroep op art. 287b Fw kan worden gedaan, ondanks dat een Wsnp-verzoek is ingediend. [54] Hieruit lijkt te volgen dat voor de toepassing van art. 287b Fw wel eerst een schuldregelingstraject moet zijn gestart. [55]
nietindienen van een Wsnp-verzoek, niet altijd in de weg hoeft te staan aan het indienen van een 287b-verzoek. In de praktijk lijkt namelijk niet altijd strikt de hand te worden gehouden aan het voorschrift dat bij het 287b-verzoek een Wsnp-verzoekschrift moet zijn bijgevoegd. Dat is ook niet zo gek, want zover zal het traject doorgaans nog niet zijn gevorderd. [56] In de literatuur is dan ook kritiek geuit op de eisen die gelden voor de een succesvol verzoek ex art. 287b Fw. Voor een schuldenaar die zich in een dreigende situatie bevindt, is het veelal onmogelijk om aan deze strenge vereisten te voldoen. [57] Volgens Engberts zou het voorschrift in art. 287b Fw, dat bij het verzoek om een voorlopige voorziening een Wsnp-verzoekschrift moet worden overgelegd, moeten worden geschrapt. [58]
“sprake is van een bedreigende situatie”, gezien het feit dat het (derden)beslag op het inkomen de poging om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen doorkruist en dat in het zicht van een mogelijke toepassing van de wettelijke schuldsaneringsregeling nieuwe schulden dreigen te ontstaan. [61]
A-G: dit is het Wsnp-verzoek]of, indien dit al is ingediend, door indiening van een afzonderlijk verzoek daartoe.”
Dat kan alleen wanneer het minnelijk traject al (zo goed als) beëindigd is en het Wsnp-verzoek, waarvan het verzoek voorlopige voorziening onderdeel uitmaakt, is ingediend.”
opheffingvan het beslag mogelijk soelaas kan bieden. Opheffing van conservatoir beslag is mogelijk op grond van art 705 Rv Pro. [69] Deze bepaling luidt:
welvia de band van een andere wettelijke grondslag toe te staan dat schuldeisers op deze wijze in hun belangen worden getroffen. Die redenering gaat m.i.
a fortioriop voor de toepassing van art. 705 Rv Pro, die immers leidt tot
opheffingvan het beslag (en niet slechts
schorsingvan de tenuitvoerlegging daarvan).
gezamenlijkeschuldeisers kan worden gespaard (zie daarover hierna uitvoerig vanaf 9.10). Daarmee wordt het eveneens van groot belang dat eventuele beslagen – die strekken in het voordeel van één schuldeiser – kunnen worden opgeheven dan wel geschorst. Die doorkruisen immers aflossingen (sparen) voor de gezamenlijke schuldeisers. Dit pleit er m.i. voor dat er meer ruimte wordt genomen om een verzoek om opheffing of schorsing van een beslag van een schuldenaar met problematische schulden, toe te wijzen (uiteraard steeds aan de hand van een belangenafweging in het concrete geval). In dat verband is ook te wijzen op de recente brief van de minister van Rechtsbescherming, die onderkent dat beslag onder de schuldenaar in het minnelijk traject een probleem vormt en aankondigt nader te onderzoeken hoe dat probleem kan worden opgelost (zie hierover onder 9.27).
executoriaalbeslag kan op grond van art. 438 lid 2 Rv Pro opheffing worden gevorderd. Anders dan bij conservatoir beslag heeft de schuldeiser in dit geval al een executoriale titel op grond waarvan hij zich op de schuldenaar kan verhalen. Net als bij conservatoir beslag het geval is, kan ook executoriaal beslag worden opgeheven op grond van een belangenafweging. [72] Hoewel die belangenafweging minder snel zal uitvallen in het voordeel van de beslagene (omdat de schuldeiser al een executoriale titel heeft), is dit zeker niet onmogelijk. Ook hier zou kunnen worden betoogd dat de schuldenaar die tot een schuldenregeling wil komen of, als dat niet lukt, tot de wettelijke schuldsanering wil worden toegelaten, onevenredig wordt getroffen door het beslag en om die reden opheffing daarvan kan verzoeken. [73]
in het verzoekschrift, bedoeld in artikel 284, eerste lid, de rechtbank verzoeken één of meer schuldeisers die weigert of weigeren mee te werken aan een vóór indiening van het verzoekschrift aangeboden schuldregeling, te bevelen in te stemmen met deze schuldregeling.”
“de schuldeiser in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de aangeboden schuldregeling heeft kunnen komen.” Daarbij weegt de rechtbank het belang van de schuldenaar mee, maar ook de belangen van overige schuldeisers die door de weigering van instemming met de aangeboden schuldregeling worden geschaad.
ultimum remedium: toelating tot de schuldsaneringsregeling moet pas aan de orde komen als alle mogelijkheden voor een minnelijke regeling zijn uitgeput. [80] De instroom in de Wsnp is de afgelopen jaren sterk afgenomen: in de periode 2011-2021 met 84 procent (van 14.700 in 2011 naar 2.320 regelingen in 2021). Zie hierover nader onder 5.5 en 5.8.
“verkwisting of het hebben van problematische schulden”. [86]
“het stabiliseren van de situatie en in voorkomende gevallen, het zorgen voor de basisvoorzieningen (betalen van huur, gas, water, licht en leefgeld)”,en het voorkomen van een vergroting van de schuldenlast door nieuwe schulden. [87]
oplossenvan schulden. [94] Er kunnen misverstanden ontstaan als een schuldenaar verwacht dat een beschermingsbewindvoerder tevens een rol als schuldhulpverlener vervult. Het komt voor dat schuldenaren jarenlang schuldenbewind hebben, zonder dat er uitzicht is op een schuldenvrije toekomst. [95]
5.Wijzigingen in de Wsnp per 1 juli 2023
Rondkomen en betalingsproblemen, Ervaringen van Nederlandse huishoudens in onzekere tijden(2022), [100] de Raad voor Volksgezondheid & Samenleving,
Van schuld naar schone lei(2022), [101] van het Bureau Wsnp van de Raad voor Rechtsbijstand,
Quick scan naar de toegankelijkheid van de Wsnp(2020), [102] en van onderzoeksbureau Berenschot,
Aansluiting gezocht! Verkenning aansluiting minnelijke schuldhulpverlening en wettelijke schuldsanering(2019). [103] Ook de Nationale Ombudsman boog zich meermaals over dit onderwerp, zie de rapporten
Burgerperspectief op schuldhulpverlening(2016),
Een Open Deur? Een onderzoek naar de toegang tot de gemeentelijke schuldhulpverlening(2018) en
Hindernisbaan zonder finish, Een onderzoek naar knelpunten in de toegang tot de Wet schuldsanering natuurlijke personen(2020).
Actieplan brede schuldenaanpakgelanceerd, [105] en in 2022 is de landelijke
Aanpak geldzorgen, armoede en schuldenvan start gegaan. [106]
Wijziging van de Faillissementswet ter verbetering van de doorstroom van de gemeentelijke schuldhulpverlening naar de wettelijke schuldsaneringsregeling natuurlijke personen. [108] Dit is het wetsvoorstel dat heeft geresulteerd in de wettelijke regeling van art. 349a lid 1 Fw, die in deze prejudiciële procedure centraal staat.
doorstroomvan de gemeentelijke naar de wettelijke schuldhulpverlening – juist het aspect waar het wetsvoorstel een bevordering beoogt te bewerkstelligen.
“een onbillijkheid van overwegende aard”,schuldenaren toch toe te kunnen laten tot de Wsnp. [127] Ook dit voorstel is positief ontvangen. Sterker nog: vanuit meerdere fracties werden wensen geuit voor een verdergaande wijziging op dit punt, bijvoorbeeld door de tienjaarstermijn geheel af te schaffen. [128] De regering heeft in reactie hierop benadrukt de tienjaarstermijn te willen behouden, nu dit zou dienen als een ontmoediging voor het lichtzinnig afbreken van een Wsnp-traject, en zou voorkomen dat de Wsnp een
“schuldendraaideur”wordt. [129] Daarbij is tevens gewezen op de balans die moet worden gehandhaafd in het waarborgen van de belangen van zowel schuldenaren als schuldeisers, alsmede op het maatschappelijke draagvlak voor de Wsnp. [130] Dit laatste zou met name problematisch kunnen worden wanneer de Wsnp-termijn gelijktijdig zou worden verkort (zie verder vanaf 5.24). [131]
Vervroegen aanvang Wsnp
“de dag waarop de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f is gestart.” [136] De toelichting op het amendement luidde als volgt: [137]
“is gestart”. Zo werd geopperd dat dit het geval kan zijn wanneer iemand zich voor het traject heeft aangemeld, maar dat ook verdedigbaar is dat het traject pas aanvangt wanneer een plan van aanpak wordt ondertekend, of wanneer er al met één schuldeiser een regeling is getroffen. Zie de volgende passage in de brief van de minister: [140]
Zoals ook is opmerkt door verschillende respondenten omvat artikel 349a, tweede en derde lid, Fw nu al de mogelijkheid voor de rechter-commissaris en de rechter om de duur van een Wsnp-traject te verkorten.
Gedacht kan worden om in dit artikel expliciet te bepalen dat aanleiding hiervoor zou kunnen zijn dat er tijdens het buitengerechtelijke schuldhulpverleningstraject al is afgelost op de schulden en dat alle schuldeisers daarvan hebben geprofiteerd. Zoals hierboven reeds benoemd, was dit voorstel ook al gedaan door één van de respondenten. Een amendement van die strekking zou ik oordeel Kamer kunnen geven.”
“waarop de eersteaflossingis gedaan in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f”,in plaats van het moment waarop de buitengerechtelijke schuldregeling is gestart (mijn onderstreping, vgl. het oorspronkelijke voorstel onder 5.17)
. [146] Het gewijzigde amendement is na stemming in de Tweede Kamer aangenomen, zodat art. 349a lid 1 Fw sindsdien is komen te luiden: [147]
tweedelid van art. 349a Fw op te nemen dat de rechter-commissaris bij
verkortingvan de Wsnp-termijn rekening zou kunnen houden met aflossingen in het buitengerechtelijke schuldhulpverleningstraject. Bovendien zag het voorstel van de minister op de situatie waarin
alleschuldeisers van de gedane aflossingen hebben geprofiteerd. Dit laatste komt in de uiteindelijke tekst van art. 349a lid 1 Fw niet (expliciet) terug.
Verkorting Wsnp-termijn
zelfin de knel kunnen raken, aangezien zij voor hun inkomsten afhankelijk zijn van de betaling door hun schuldenaren (het zogenoemde
“waterbed-effect”). [156] Daarmee wordt – in de woorden van Bureau Wsnp –
“de schuldeiser van nu (…) de schuldenaar van morgen”. [157] Ook werd er door verschillende respondenten op gewezen dat een verkorting van de Wsnp het een stuk lastiger zou maken om in een buitengerechtelijk schuldhulpverleningstraject een schuldregeling tot stand te brengen. [158]
Weerwind:
Weerwind:
andereomstandigheden voordoen (dan die reeds in art. 349a Fw waren opgenomen), en dat bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald onder welke omstandigheden dit aan de orde zou kunnen zijn. [161]
toepassing van de schuldsaneringsregeling om andersoortige redenen is gerechtvaardigd”. [165] Met deze wijziging werd beoogd om ruimte te creëren voor gemeenten om sneller tot begeleiding richting de Wsnp te kunnen overgaan. Ook zou deze aanvulling rechters een expliciete grond bieden op basis waarvan zij een verzoekschrift tot toelating kunnen goedkeuren zonder dat een verzoeker eerst een (mislukte) poging tot een minnelijk traject hoeft te doorlopen. [166] Dit amendement is nadien vervangen door een gewijzigd amendement, waarmee werd voorgesteld om in art. 285 lid 1 sub f Fw Pro de frase
“een buitengerechtelijke schuldregeling”te vervangen door
“een oplossing voor de schulden”. [167] De gedachte hierachter was dat het ook mogelijk was dat er andere oplossingen waren geprobeerd dan een schuldregeling, of dat een buitengerechtelijke schuldregeling om andere redenen onbereikbaar is, zo vermeldt de toelichting op het amendement. [168]
“in potentie”kan leiden tot een meer doeltreffende en duurzame schuldoplossing, maar dat de voorgestelde formulering in het amendement onvoldoende rechtszekerheid biedt. De minister heeft het amendement daarom in de voorgestelde vorm ontraden, maar merkte daarbij op dat het amendement na aanpassing wel levensvatbaar zou kunnen zijn. [170] Een en ander heeft ertoe geleid dat bij gewijzigd amendement werd voorgesteld om in art. 285 lid 1 sub f Fw Pro na de eerste zin toe te voegen: [171]
6.Algemene beschouwing over de wetswijzigingen van 1 juli 2023
“grote geheel”uit het oog te zijn verloren. In het vorige hoofdstuk is geschetst dat het wetsvoorstel aanvankelijk veel minder vergaande wijzigingen bevatte; de meest ingrijpende wijzigingen zijn gaandeweg per amendement doorgevoerd. Daarbij valt op dat nauwelijks iets is gedaan met de input van respondenten uit de praktijk, naar aanleiding van de adviesaanvraag van de minister. Gedurende het wetgevingstraject is meermaals gewezen op mogelijke knelpunten bij introductie van de voorgestelde wijzigingen, waarbij met name de combinatie van een verkorting van de looptijd van de wettelijke schuldsanering en de vervroeging van de ingangsdatum op bezwaren stuitte.
Grosso modozal het antwoord zijn dat die soms geheel ontbreken (bijvoorbeeld doordat er geen toezicht van de rechter-commissaris is), dat er soms een soort pendant is (bijvoorbeeld de medewerkingsplicht die tijdens het minnelijk traject op de schuldenaar rust, zie onder 4.8), ofwel dat er sprake is van onduidelijkheid. Hoe dan ook is te constateren dat het minnelijk voortraject wettelijk niet geregeld is en, als gezegd, in de verschillende gemeenten op heel verschillende wijze wordt uitgevoerd (zie onder 4.9). De Wgs is immers een kaderwet (zie onder 4.6). Daarentegen is de wettelijke schuldsaneringsregeling in de Wsnp op detailniveau geregeld. De Wgs heeft bovendien een heel ander perspectief dan de Wsnp. De Wgs geeft gemeenten een taakstelling tot het bieden van gemeentelijke schuldhulpverlening aan mensen met problematische schulden; de Wsnp is geschreven vanuit het perspectief van schuldenaar en schuldeisers. In de Wsnp is heel precies voorgeschreven welke stappen moeten worden gezet om het mogelijk te maken dat a) een schuldenaar wordt toegelaten tot de wettelijke schuldsanering; b) de schuldenaar het schuldsaneringstraject naar behoren doorloopt en c) de schuldenaar een schone lei verkrijgt. Daarbij is er in de Wsnp steeds aandacht voor de positie en rechtsbescherming van zowel schuldenaar als schuldeisers (zoals de goede trouw-toets). Dit wezenlijke verschil in benadering maakt het behoorlijk lastig om bij de toepassing van de wettelijke regeling een ingangsdatum te nemen die gelegen is tijdens het minnelijk traject, waar al die regels níet gelden. Het komt er op neer dat twee geheel verschillende ‘regelsystemen’ als het ware aan elkaar moeten worden geplakt.
achterafbeschouwd als wettelijk schuldsaneringstraject wordt aangemerkt, met de daaraan verbonden wettelijke gevolgen, had beter het voorstel van de minister kunnen worden gevolgd, dat als er in het voortraject is gespaard dit leidt tot een
verkortingvan de looptijd (verkorting was al mogelijk onder de voor 1 juli 2023 geldende regels, zie art. 349a lid 2 Fw, zie tevens onder 5.21). [188]
gezamenlijke schuldeisers. Dat blijkt uit het beginsel dat de schuldsanering in beginsel tegen
allevorderingen dient te gelden. [189] Ook art. 306 Fw Pro en art. 308 Fw Pro hebben tot doel te voorkomen dat een betaling aan één schuldeiser de gelijke behandeling van schuldeisers doorbreekt. [190] Net als in het faillissementsrecht geldt ook in de wettelijke schuldsaneringsregeling de
paritas creditorum-regel: gelijk gepositioneerde schuldeisers dienen gelijk te worden behandeld. [191] Deze regel vloeit voort uit art. 3:277 BW Pro, waarin is bepaald dat schuldeisers een gelijk recht hebben om uit de verkoopopbrengst van een goed van de schuldenaar te worden voldaan naar evenredigheid van ieders vordering, behoudens de door de wet erkende redenen van voorrang. De
paritas creditorum-regel kan gebaseerd worden op het beginsel van distributieve rechtvaardigheid: een evenredige verdeling van de opbrengst van de boedel of de baten wordt het meest eerlijk gevonden. [192] Het uitgangspunt van de gelijke behandeling van schuldeisers geldt ook bij het dwangakkoord van art. 287a Fw. [193]
gezamenlijkeschuldeisers ook centraal in het minnelijk traject. Dat is ook af te leiden uit art. 5 lid 1 van Pro het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening, waarin staat dat het verzoek wordt toegewezen als voldoende aannemelijk is
“dat de afkoelingsperiode noodzakelijk is in het kader van de schuldhulpverlening en in het belang is van de gezamenlijke schuldeisers”. In de toelichting op het voorheen geldende Besluit breed moratorium (waarvan de inhoud thans is opgenomen in het Besluit gemeentelijke schuldhulpverlening) was te lezen dat het breed moratorium onder meer zinvol kon zijn wanneer schuldeisers in de aanloop naar een schuldregeling, desondanks kiezen voor de inzet van incassomaatregelen:
hyperlink calculator}.
de hoogte van aflossingenin het minnelijk traject wordt in het Procesreglement aangeknoopt bij wat daarvoor zou gelden in het wettelijke traject. En ook voor wat betreft de beoordeling van de
inspanningsplichtvan de schuldenaar in het minnelijk traject wordt uitgegaan van wat er in het wettelijke traject geldt.
7.Gevolgen van een eerdere aanvang voor het einde van de schuldsaneringsregeling
zal kunnen worden afgeslotenmet de schone lei.
materiële eindevan de schuldsanering. [201] De omvang van de boedel wordt op dat moment wordt gefixeerd, met het oog op de vereffening van de boedel en het in werking treden van de schone lei. Dit heeft tot gevolg dat goederen die de schuldenaar ná het verstrijken van de looptijd verwerft, niet tot de boedel behoren. [202]
formeelis beëindigd. Voor een formele beëindiging van de schuldsaneringsregeling zijn twee stappen nodig. [206] Ten
eerstemoet de rechtbank op de voet van art. 354 Fw Pro vaststellen of de schuldenaar (al dan niet) in de nakoming van een of meer verplichtingen is tekortgeschoten en, indien dat het geval is, of deze aan de schuldenaar kan worden toegerekend. Ten
tweedemoet de bewindvoerder, zodra de uitspraak op de voet van art. 354 Fw Pro in kracht van gewijsde is gegaan, onverwijld overgaan tot het opmaken van een slotuitdelingslijst (art. 356 lid 1 Fw Pro). Met de vaststelling van een slotuitdelingslijst geeft de bewindvoerder te kennen dat de gehele boedel is vereffend en dat er geen grond meer is voor het voortduren van de toepassing van de schuldsaneringsregeling. [207] In de slotuitdelingslijst zijn onder meer de namen van de schuldeisers en het geverifieerde bedrag van ieders vordering opgenomen (art. 349 lid 4 Fw Pro). De daartoe vereiste verificatievergadering kan in voorkomend geval ook pro forma worden gehouden (art. 328a lid 2 Fw). Tegen de slotuitdelingslijst kan binnen tien dagen door elk van de schuldeisers verzet worden ingesteld (art. 349 lid 5 jo Pro. art 184 Fw Pro). Het opmaken van een slotuitdelingslijst kan achterwege blijven indien sprake is van een vereenvoudigde procedure (art. 356 lid 1 jo Pro. art. 354a Fw).
verlengt. Die verlenging moet dan zodanig zijn dat voldoende looptijd resteert om de hiervoor beschreven stappen te kunnen nemen: [212]
dat niet kan worden vastgesteldof de schuldenaar aan al zijn uit de schuldsaneringsregeling voortvloeiende verplichtingen kan voldoen. Omdat tegelijkertijd zou kunnen worden aangenomen dat de schuldenaar in de verlengde periode niet meer aan zijn afdracht- en inspanningsverplichting hoeft te voldoen (zie hierna onder 7.15), ondervindt de schuldenaar hiervan weinig nadeel.
zonderdat er enig toezicht of controle van een Wsnp-bewindvoerder heeft plaatsgevonden. Daarmee worden de belangen van schuldeisers m.i. al te zeer naar de achtergrond gedrongen. Ten tweede omdat er onduidelijkheid bestaat over welke verplichtingen er in het wettelijke systeem precies gelden in de afrondingsfase (zie onder 7.6). [216]
verlengingals de rechter bij het toelatingsvonnis de schuldsaneringsregeling nog laat doorlopen, omdat de totale looptijd dan meer is dan 18 maanden. [223]
8.Het begrip “buitengerechtelijke schuldregeling”
“de buitengerechtelijke schuldregeling als bedoeld in artikel 285, eerste lid, onder f”in art. 349a lid 1 Fw. Art. 285 lid 1 sub f Fw Pro ziet op de verklaring waarmee bij de indiening van het Wsnp-verzoek wordt aangetoond dat er geen reële mogelijkheden zijn om tot een buitengerechtelijke schuldregeling te komen (zie ook hiervoor onder 5.31 e.v.).
tot stand gekomenschuldeisersakkoord; de bepaling spreekt immers over een buitengerechtelijke schuldregeling waarvoor geen reële mogelijkheden zijn (om daartoe te komen), respectievelijk waarvoor onder omstandigheden geen pogingen hoeven te worden gedaan (om ertoe te komen).
bredezin, zodat voor de toepassing van art. 349a lid 1 Fw dus niet vereist lijkt dat ook daadwerkelijk een schuldeisersakkoord tot stand is gekomen. Ik volg het hof dan ook in zijn overweging dat het begrip
“buitengerechtelijke schuldregeling”niet moet worden opgevat als resultaat (in de zin van schuldeisersakkoord), maar als het proces om tot dat resultaat te komen (rov. 6.28).
“diein de aanloop naar een schuldregelingaflossen aan de gemeente of erkende schuldhulpverlener.” [226] Met andere woorden, art. 349a lid 1 Fw vereist níet dat er een schuldeisersakkoord tot stand is gekomen. Het gaat erom dat er gewerkt wordt aan de totstandkoming van een buitengerechtelijke schuldenregeling, dus dat
het procesvan schuldhulpverlening van start is gegaan (en in dat kader wordt afgelost (gespaard), waarover nader in hoofdstuk 9).
eerste aflossing in het kader van buitengerechtelijke schuldregeling”. Daarmee gaat het erom wanneer sprake is van de hier bedoelde ‘eerste aflossing’. Ik zal hierna die vraag proberen te beantwoorden en verder onbesproken laten wanneer het proces van schuldhulpverlening is gestart. Hierbij is te bedenken dat schuldhulpverlening een breed begrip is, dat bovendien op heel verschillende manieren wordt ingevuld (zoals uitvoerig is besproken onder 4.3 e.v.).
9.De begrippen “eerste aflossing” en “in het kader van”
“eerste aflossing”in art. 349a lid 1 Fw, komt achtereenvolgens aan bod of (i) onder aflossen ook sparen kan worden verstaan en of daarbij als voorwaarde geldt dat het gespaarde daadwerkelijk aan de boedel wordt afgedragen, (ii) een aflossing enkel de afdracht boven het vtlb omvat, en (iii) of vereist is dat de aflossingen ten gunste van
alleschuldeisers komen. Vervolgens wordt stilgestaan bij een tweetal vragen die meer impliciet in de prejudiciële vragen besloten liggen, namelijk (iv) hoe moet worden omgegaan met de situatie waarin over een bepaalde periode niet maximaal is afgelost, en (v) de situatie waarin er helemaal geen aflossingscapaciteit is. Voorts komt aan bod in (vi) hoeverre een
“eerste aflossing”daadwerkelijk vereist dat er ook nadere vervolgaflossingen worden gedaan
,en (vii) wat moet worden verstaan onder het begrip
“in het kader van”.
nietals aflossen kan kwalificeren.
moet zijngestort; het gaat erom dat de rechtbank bij de beslissing tot toelating de schuldenaar de verplichting oplegt om het saldo op korte termijn op de boedelrekening te storten. Als de schuldenaar die verplichting niet nakomt, wordt de schuldsaneringstermijn verlengd (en heeft de schuldenaar dus geen profijt van het eerdere aanvangsmoment). [230]
zalnakomen en zich
zalinspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven. In het kader van deze inspanningsplicht kan aan de schuldenaar bij toelating de verplichting worden opgelegd om het bedrag dat al is gespaard in het voortraject, zo spoedig mogelijk op de boedelrekening te storten.
gezamenlijkeschuldeisers. Deze kwestie wordt aan de orde gesteld bij prejudiciële vraag 2.ii.
Zolang er een loonbeslag ligt kunnen deze 36 maanden van maximale aflossing niet ingaan.Een dwangakkoord gaat immers ook in per datum dat er maximaal afgelost kan worden.
Gemeenten moeten de mogelijkheid krijgen, bijvoorbeeld via het breed moratorium of als aanvulling op 287b Fw, om loonbeslag op te heffen bij aanvang van de minnelijke regeling.”
Gaat de minister maatregelen treffen tegen schuldeisers die trajecten doelbewust traineren? Zorgt de minister dat verhaalsancties zoals loonbeslag opgeschort worden tijdens het buitengerechtelijke schuldentraject?(…) Als de meningen uit het veld genoeg zijn om amendementen te ontraden en aanpassingen te doen, dan hoop ik toch ook een beetje dat de meningen die ik net heb opgelepeld misschien genoeg gewicht hebben om tot hervormingen te leiden.”
gezamenlijkeschuldeisers wordt afgelost. Als er beslag is gelegd, kan dat ertoe leiden dat de schuldenaar niet meer maandelijks het meerdere boven het vtlb kan afdragen, zodat dus geen sprake is van een aflossing als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw.
alleschuldeisers kwamen, (inderdaad) niet als aflossing in de zin van art. 349a lid 1 Fw gelden. In de overige uitspraken kwam de vraag of aan
alleschuldeisers moet zijn afgelost niet aan bod. In geen enkele uitspraak werd overwogen dat
nietvereist is dat aan de gezamenlijke schuldeisers is afgelost. In de uitspraken waarin dit aspect aan bod kwam, ging het in verreweg de meeste gevallen om aflossingen onder beslag, zoals ook in de onderhavige kwestie aan de orde is. [242] In enkele gevallen ging het niet om afdrachten onder beslag, maar was sprake van een situatie waarin met een afzonderlijke schuldeiser een schuldregeling was getroffen. [243]
gezamenlijkeschuldeisers. Aflossingen onder beslag tellen dus niet mee. Het vrijwel unanieme standpunt in de literatuur en feitenrechtspraak dat aflossingen onder beslag niet kunnen gelden als
“eerste aflossing in het kader van de buitengerechtelijke schuldregeling”als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw, is hiermee in lijn.
paritas creditorumis zodanig essentieel voor het wettelijke traject, dat daarvan niet kan worden afgeweken (zie onder 6.12-6.13). Dit zou de belangen van de (overige) schuldeisers teveel onder druk doen komen te staan.
gezamenlijkeschuldeisers is afgelost.
“alles wat niet diende of zou plegen te worden vrijgelaten als de wettelijke schuldsaneringsregeling in die periode al van toepassing was geweest”.Dit vereiste vloeit niet voort uit de wet, en ook in de parlementaire geschiedenis zijn geen aanknopingspunten te vinden om aan te nemen dat uitdrukkelijk bedoeld is om bij de toepassing van art. 349a lid 1 Fw aan te sluiten bij het inkomen boven het vrij te laten bedrag (vtlb).
negatiefis, meestal door een negatief bedrag van de correctie individuele lasten. In dat geval is het vtlb (incl. vakantiegeld) gelijk aan de beslagvrije voet en valt alleen het inkomen boven de beslagvrije voet in de boedel, zo is vermeld op de website van Bureau Wsnp.
nietgolden. De richtlijn in het Landelijk procesreglement lijkt dus (ook op dit punt) uniform te worden toegepast.
pro ratabenadering worden toegepast, zoals hierna wordt besproken.
alleswat niet zou zijn vrijgelaten als de wettelijke schuldsanering in die periode al van toepassing was geweest. Het hof merkt op dat in de feitenrechtspraak verschillend wordt omgegaan met de situatie waarin tijdens het minnelijk schuldhulpverleningstraject niet maximaal is afgelost, maar per saldo wel een bedrag is gespaard dat gelijkstaat aan de maximale afloscapaciteit over een of meerdere maanden (rov. 6.14).
“terug te rekenen.”Cats schetst als voorbeeld: [253]
kunnenworden afgelost, en werd de aanvang van de Wsnp met dat aantal maanden vervroegd. Hier was dus sprake van een “saldering” van de gespaarde bedragen. [254]
gezamenlijkeschuldeisers (en dus niet maximaal) is afgelost buiten beschouwing, maar komt wel tot toepassing van art. 349a lid 1 Fw voor de maanden waarin wél maximaal was gespaard.
naar ratovan wat er in het minnelijk traject is afgelost, het wettelijke traject eerder kan ingaan. Met die benadering wordt bovendien recht gedaan aan het uitgangspunt dat aan het minnelijk traject zoveel mogelijk dezelfde eisen worden gesteld als die gelden in het wettelijke traject (zie onder 6.17). Gelet op dat uitgangspunt kan niet worden aanvaard dat de aanvang van de schuldsaneringsregeling wordt vastgesteld aan de hand van de eerste aflossing, ongeacht de hoogte van die aflossing of van de aflossingen die daarna zijn gevolgd.
naastde afdracht onder beslag zijn gespaard, toch worden meegenomen bij de toepassing van art. 349a lid 1 Fw. Dit is ook de benadering die de rechtbank in de voorliggende procedure heeft gevolgd (zie onder 2.13).
pro rataof salderingsmethode biedt ook uitkomst als het vtlb in het minnelijk traject anders is vastgesteld doordat anders is omgegaan met individuele correctieposten, en de schuldenaar als gevolg daarvan te weinig heeft afgedragen (zie hierboven onder 9.34-9.39). Berekend kan worden hoeveel bij een juiste vaststelling gespaard had moeten zijn en met hoeveel maanden sparen dit overeenkomt; die periode wordt dan afgetrokken van de periode waarin is afgelost.
moetenworden afgelost, en hoeveel
feitelijkis afgelost. Vervolgens wordt bepaald hoeveel maanden aflossing nodig is om het verschil tussen beide bedragen in te lopen. Die maanden worden afgetrokken van de periode waarin de ingangsdatum van de schuldsaneringsregeling naar voren kan worden gehaald. Op deze manier wordt tegemoet gekomen aan de schuldenaar die zich in het voortraject heeft ingespannen om zijn schulden af te lossen, en wordt tegelijkertijd recht gedaan aan de belangen van de schuldeisers.
ontbrekenvan enige aflossingscapaciteit, discussie zou kunnen bestaan over de vraag of aan de aflossingsplicht is voldaan (rov. 6.14, laatste zin, en rov. 6.16). Hoewel in de vraagstelling dit punt niet expliciet is benoemd, wordt er in de voorlopige beantwoording van het hof zelf wel een opmerking over gemaakt: volgens het hof kan een ‘eerste aflossing’ in de zin van art. 349a lid 1 Fw ook
nihilbedragen (zie rov. 6.31, onder b).
aflossingenplaatsvinden.
iedereengeldt en dus ook voor déze groep van schuldenaren. Het verschil met een schuldenaar die in het minnelijk traject € 10,- per maand spaart, is eigenlijk ook niet heel groot. Wanneer aan de hand van de vtlb-calculator wordt vastgesteld dat de aflossingscapaciteit nihil is en de schuldenaar derhalve maandelijks niets kan aflossen of sparen, moet m.i. toch worden aangenomen dat sprake is van een “
eerste aflossing in het kader van buitengerechtelijke schuldregeling”. De ‘eerste aflossing’ is dan volgens de regels die gelden in het wettelijke traject (de vtlb-normen) nihil.
uitgangspunt blijft dat de schuldenaar zich in het minnelijke traject daadwerkelijk tot het uiterste moet inspannen om met zijn schuldeisers tot een minnelijke regeling te komen.” [263]
“een bewijs van (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid”.Maar echt duidelijk is dit niet; een bewijs van (gedeeltelijke) arbeidsongeschiktheid is ook nodig om vast te stellen of de schuldenaar in het voortraject aan zijn inspanningsverplichtingen heeft voldaan (zie daarover nader in hoofdstuk 10).
“eerste”aflossing impliceert dat er
vervolgaflossingenplaatsvinden (rov. 6.21). Het hof overweegt echter ook dat een andere benadering, die na de ‘eerste aflossing’ geen nadere aflossingen vergt, niet onverdedigbaar lijkt (rov. 6.26).
daadwerkelijkis afgelost, zodat het verzoek van de schuldenaar op dit punt werd afgewezen. Een méér dan maximale aflossing in één maand, leidde hier dus niet tot een eerdere aanvang van de Wsnp. [273]
“in het kader van”in art. 349a lid 1 Fw. Net als het hof denk ik dat een duidelijke en eenvoudig toepasbare uitleg de voorkeur verdient, zodat
“in het kader van”kan worden uitgelegd als
“tijdens”.
10.De inspanningsplicht als voorwaarde in het minnelijk traject
“zal inspannen zoveel mogelijk baten voor de boedel te verwerven”.Daarmee wordt bedoeld dat de schuldenaar zoveel mogelijk inkomen uit arbeid dient te genereren. In deze inspanningsplicht ligt een sollicitatieplicht besloten, die nader is uitgewerkt in art. 3.5 van de Recofa-richtlijnen voor schuldsaneringsregelingen. [275]
invulling van de inspanningsplicht zoals in de Wsnp":
nietvan toepassing werd geacht in het voortraject.
ontheffingvan de sollicitatieplicht in het wettelijke traject niet steeds op gelijke wijze plaatsvindt als in het minnelijk traject (dat wil zeggen: door uitkeringsinstanties). [280] In het wettelijke traject kan alleen de rechter-commissaris, aan de hand van art. 3.5 van de Recofa-richtlijnen, ontheffing verlenen. Uitkeringsinstanties kunnen echter een ruimer beoordelingskader hanteren. Zo geeft art. 9 lid 2 Participatiewet Pro de mogelijkheid tot het verlenen van een tijdelijke ontheffing van de sollicitatieplicht wanneer er sprake is van dringende redenen, zoals zorgtaken. Het gevolg is dus dat wat in het minnelijk traject in het kader van de sollicitatieplicht als voldoende wordt beschouwd, dit (later) in het wettelijke traject toch níet blijkt te zijn. [281] Concreet: een bijstandsgerechtigde schuldenaar die in het minnelijk traject geen sollicitatieplicht heeft, kan ermee worden geconfronteerd dat voor hem of haar volgens de eisen in het wettelijke traject wél een sollicitatieplicht geldt. [282]
11.Beantwoording van de prejudiciële vragen
in het kader van de buitengerechtelijke schuldregelingwordt bedoeld: de “eerste aflossing”
tijdens het minnelijk traject van schuldhulpverlening(zie onder 8.9 en 9.75).
sparenin het minnelijk traject (ten behoeve van de gezamenlijke schuldeisers) een vorm van
“eerste aflossing”in de zin van de bepaling (zie onder 9.4).
eerste aflossing” als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw kan slechts sprake zijn als ten behoeve van de
gezamenlijke schuldeisersis gespaard (zie onder 9.25).
“eerste aflossing”in de zin van art. 349a lid 1 Fw (zie onder 9.24-9.25).
“eerste aflossing”als bedoeld in art. 349a lid 1 Fw moet zo worden begrepen, dat in het minnelijk traject is afgelost (gespaard) volgens de vtlb-normen die gelden in het wettelijke traject (zie onder 9.33).
pro ratabenadering worden vastgesteld hoeveel maanden eerder de wettelijke schuldsanering kan ingaan (zie onder 9.39 en 9.50-9.51).
pro ratabenadering moet ook worden gebruikt als de schuldenaar na de
“eerste aflossing”geen nadere bedragen heeft afgelost (gespaard) (zie onder 9.72).
pro ratabenadering kan ook tot gevolg hebben dat een aflossing ineens die de aflossingscapaciteit van meerdere maanden omvat, tot een eerder aanvangsmoment leidt dan de maand waarin de eerste aflossing is gedaan (zie onder 9.74).
“de dag waarop de eerste aflossing is gedaan”,het moment waarop in het minnelijk traject een zogenoemd ‘nulaanbod’ aan de schuldeisers is gedaan (zie onder 9.69).
12.Conclusie
“eerste aflossing”(vragen II-VI) en het begrip
“buitengerechtelijke schuldregeling”(vraag VII). [289] De kwantitatieve resultaten laten zich als volgt weergeven. [290]
gezamenlijkeschuldeisers komt, als ‘aflossing’ in de zin van art. 349a lid 1 Fw aangemerkt?
maximaalis afgelost?