Conclusie
1.Feiten
offshore energyindustrie. Het gaat daarbij om zogeheten ‘nat’ transport van zeer zware en waardevolle objecten over lange afstanden.
Finance and HR Managerbij Fairmount), [betrokkene 2] (
Director Operationsbij Fairmount), [betrokkene 3] (
Sales & Marketing Managerbij Fairmount) en de drie zoons van [eiser] . Bij die gelegenheid is gesproken over het starten van een nieuwe scheepvaartonderneming.
financial leaseconstructie de inrichting van het kantoorpand van ALP gefinancierd voor circa € 410.000.-.
Schending non-concurrentiebeding door OMB?
engaged or interested” in een concurrent van Fairmount is geweest als bedoeld in artikel 3.2 sub a van de gewijzigde managementovereenkomst. Bij de beantwoording van deze vraag neemt het hof de volgende feiten en omstandigheden in aanmerking:
A-G] verstrekt. Yafava heeft deze lening gebruikt om werkkapitaal aan ALP te verschaffen en de inrichting van het kantoorpand van ALP te financieren;
op enigerlei wijzefinancieel te interesseren” [cursivering toegevoegd door het hof,
A-G] in een concurrerende onderneming – conform de tekst zoals deze luidde in artikel 3.1 van de oude managementovereenkomst (...). Naar het oordeel van het hof volgt hieruit dat het non-concurrentiebeding een ruime strekking had, en hebben partijen met “
engaged or interested” ook bedoeld een geval als het onderhavige, waarin via een lening aan een tussenschakel werkkapitaal wordt verstrekt. Dit geldt temeer nu er in dit geval directe en nauwe familiebanden bestaan tussen de (indirecte) aandeelhouders van OMB en die van tussenschakel Yafava. Het verweer van [eiser] c.s. biedt geen aanknopingspunten voor een andere uitleg van het beding. Het hof merkt nog op dat het verweer van [eiser] c.s. dat de handelwijze van OMB niet anders is dan die van een bank, die geld uitleent aan een onderneming die daarmee op haar beurt investeert in andere onderneming, niet opgaat. Een bank is niet gebonden aan een non-concurrentiebeding zoals het onderhavige en tussen de aandeelhouders van een bank en een leningnemer zullen geen nauwe familiebanden bestaan. Ook het verweer van OMB, dat het gaat om twee op zichzelf staande leningen tussen verschillende rechtspersonen met een eigen strekking en doel, moet blijkens het voorgaande worden verworpen.
any business which would be in competition with the business of Fairmount”). Dit volgt reeds uit het feit dat Fukada [4] direct in de maand van oprichting van ALP van Fairmount is overgestapt naar ALP. Het verweer van [eiser] c.s. dat Fukada qua omzet en aard van de werkzaamheden geen belangrijke opdrachtgever meer was van Fairmount, neemt niet weg dat ALP terzake van deze werkzaamheden met Fairmount is gaan concurreren, terwijl de werkzaamheden voor Fukada niet van het non-concurrentiebeding zijn uitgezonderd. Hieraan doet niet af het verweer van [eiser] c.s. dat de overstap van Fukada voor de oprichters van ALP onvoorzien en onverwacht was. Los hiervan is dit verweer onvoldoende gemotiveerd in het licht van het feit dat [eiser] Fukada persoonlijk op de hoogte heeft gesteld van zijn ontslag bij Fairmount èn [betrokkene 3] , oprichter van ALP, Fukada er in december 2009 van op de hoogte heeft gesteld dat een nieuw bedrijf zou worden opgezet “
with the intention to act as a free lance consultant in the towage, salvage and transport industry”, zoals blijkt uit de door [eiser] c.s. in het geding gebrachte verklaring van Fukada. [betrokkene 3] heeft bovendien verklaard dat zijn indruk was dat de baas van Fukada ALP zou steunen en een “boost” zou willen geven (...). Dit verweer wordt dan ook verworpen. Aan bewijslevering op dit punt komt het hof niet toe.
de Director Operations, de Sales & Marketing Manager en de Finance and HR Managervan Fairmount;
En excuseer mijn niet aflatende ambitie, zouden in de toekomst evt weer kunnen zorgen voor een opvallende vloot. Het is maar een voorzet”).
A-G] gewijzigde managementovereenkomst moest worden beschouwd. [eiser] en OMB hebben dit ten tijde van hun gewraakte bemoeienissen redelijkerwijs moeten begrijpen.
engaged or interested” in ALP in de zin van het non-concurrentiebeding geweest (zie ook 3.9). OMB heeft daarvan ook bij voortduring profijt gehad in de vorm van rente. Hoewel het non-concurrentiebeding OMB ertoe verplichtte de financiering ongedaan te maken, heeft OMB dat niet gedaan en is zij na de aanvankelijke overtreding voortdurend in gebreke gebleven. De financiële verbondenheid heeft in elk geval voortbestaan tot begin 2014, het moment waarop ALP is verkocht aan Teekay [6] en, volgens [eiser] c.s., de lening van Yafava aan ALP vervroegd is afgelost en nadien ook de lening van OBM [lees: OMB,
A-G] aan Yafava. Grief 1 in het principaal appel slaagt derhalve.”
A-G] als Fairmount heeft ondertekend en dat hij als geen ander op de hoogte was van de inhoud daarvan, en van het belang van dat beding voor Fairmount. Gelet op de belangrijke rol die [eiser] ook na de overdracht van (de aandelen van) Fairmount had (...), mocht van hem worden verwacht dat hij, na het door hemzelf geïnitieerde vertrek bij Fairmount, zou nalaten om zich op enigerlei wijze te bemoeien met de oprichting van een concurrent van Fairmount. [eiser] heeft zich echter onmiddellijk na zijn vertrek beziggehouden met de oprichting van een concurrerende onderneming en heeft er bovendien voor gezorgd dat deze onderneming van een volledig startkapitaal werd voorzien. Het hof is daarom, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de jegens [eiser] ingestelde vordering tot schadevergoeding, op te maken bij staat, voor toewijzing vatbaar is. (…)”
2.Procesverloop
Voorlopig getuigenverhoor en hoofdzaak
’) vonnis gewezen waarin uitsluitend OMB is veroordeeld tot betaling aan Fairmount van een vast bedrag (€ 10.000,-) en een bedrag, nader op te maken bij staat.
’) heeft op 4 oktober 2022 [13] het eerste tussenarrest gewezen. In rov. 4.1 van het eerste tussenarrest heeft het hof overwogen dat de door Fairmount aangevoerde grieven grotendeels zien op het oordeel van de rechtbank dat niet is komen vast te staan dat de schade hoger is dan de boete van 1 miljoen euro die OMB aan Fairmount heeft betaald. In rov. 4.2 heeft het hof overwogen dat het incidentele appel van [eiser] onder meer ziet op het oordeel van de rechtbank over het causale verband, zowel tussen het handelen van [eiser] en de oprichting van ALP als tussen de werkzaamheden van ALP en de door Fairmount geleden schade. Het hof is vervolgens eerst ingegaan op de vragen over het causale verband en vervolgens op de vraag hoe de schade moet worden begroot. Voor deze cassatieprocedure is relevant dat het hof – in mijn samenvatting – als volgt heeft overwogen:
joint venture) met Harms aangegaan. Dit samenwerkingsverband hield – kort gezegd – in dat Harms de schepen inbracht en ALP de contacten in de lange afstand zeesleepvaart. (rov. 5.14)
broker) en Harms (als reder) dat er wel degelijk concurrentie mogelijk was tussen Fairmount (als reder) en ALP (als
broker) en dat het aannemelijk is dat ALP projecten heeft binnengehaald die Fairmount zou hebben kunnen uitvoeren in de hypothetische situatie dat ALP niet zou zijn opgericht. (rov. 5.15)
agency feevan USD 2.000 per maand komt voor vergoeding in aanmerking, met dien verstande dat de periode waarover de vergoeding is verschuldigd wordt beperkt tot twee jaar. (rov. 6.13.1)
Fairmount also hired in (chartered/subcontracted) tugs for individual tows in order to meet its clients requirement” (randnummer 2.30 van het rapport van HKA Global). Het ligt op de weg van Fairmount om nader toe te lichten waarom zij van mening is dat deze gang van zaken (het subcharteren van schepen van derden) bij haar niet ongebruikelijk was. Verder zal Fairmount moeten toelichten dat het aannemelijk is dat in de in het rapport van HKA Global genoemde gevallen daadwerkelijk een schip van een derde partij ingeschakeld had kunnen worden. Het hof heeft Fairmount in de gelegenheid gesteld deze toelichting alsnog te verstrekken. (rov. 6.17)
onbespreekbaar” was en verklaart verder dat een samenwerking “
ondenkbaar” was. Enige verklaring waarom een samenwerking er niet in zat, heeft [eiser] niet gegeven. [betrokkene 6] heeft daarentegen verklaard dat Harms “
zeker oren had naar een samenwerking” en heeft ook toegelicht dat Harms commercieel slecht gemanaged werd en niet veel werk had, terwijl Fairmount vooral interesse had in de schepen van Harms. Het hof heeft dan ook voorshands aannemelijk geacht dat een vorm van samenwerking tot stand zou zijn gekomen indien ALP niet was opgericht. (rov. 6.18.3)
Kortom(…)
vooralsnog” aanleiding gezien om bij de schadeberekening tot uitgangspunt te nemen dat de projecten die zijn uitgevoerd door ALP in samenwerking met Harms, in de hypothetische situatie zouden zijn uitgevoerd op grond van een vorm van samenwerking tussen Fairmount en Harms. Naar het hof heeft begrepen zou deze samenwerking erop berusten dat Harms over een (moderne) vloot beschikte, maar (nog) niet over een voldoende commercieel netwerk om de benodigde opdrachten te kunnen verwerven. Het was voor het hof echter niet duidelijk hoe het verdienmodel van Fairmount (vermoedelijk) eruit zou hebben gezien als het tot een nadere samenwerking zou zijn gekomen. Dit is met name van belang voor de vraag welke schade Fairmount heeft geleden op projecten die zij (in de hypothetische situatie dat zij met Harms had samengewerkt) door Harms of met de schepen van Harms had laten uitvoeren. In hoeverre de door HKA Global gehanteerde schade- berekeningsmethodes hier geschikt zijn, was voor het hof niet helemaal duidelijk. Het hof heeft Fairmount in de gelegenheid gesteld om zich bij akte over dit alles uit te laten. (rov. 6.19)
brokers. Het hof heeft Fairmount in de gelegenheid gesteld om alsnog nader toe te lichten waarom zij veronderstelt dat de desbetreffende opdrachten aan haar zouden zijn gegund. (rov. 6.24)
Actual Prices Approach”. Ter zake van scenario 4 (geen offerte uitgebracht en geen sleepboot beschikbaar) is HKA Global – bij gebreke van meer concrete aanknopingspunten – uitgegaan van een redelijke marge die een
brokerzou hebben verdiend op het desbetreffende project, dat wil zeggen dat is uitgegaan van een hypothetische marge die Fairmount had kunnen maken op het inhuren en weer verhuren van sleepboten van derden. Voor het bepalen van de omvang van de marge heeft HKA Global aansluiting gezocht bij offertes die Fairmount heeft uitgebracht waarbij een commissie is berekend van 2,5%. HKA Global is van mening dat een percentage van 2,5% gebruikelijk is binnen de markt. (rov. 6.25-6.30)
7. Slotsom” in het eerste tussenarrest een samenvatting van dat tussenarrest gegeven.
brokerzouden hebben gewend. De conclusie is dat de vordering van Fairmount, voor zover deze is gebaseerd op de projecten in scenario 4 ten behoeve van niet vaste klanten, niet voor toewijzing in aanmerking komt. Het gaat om de projecten 15, 26, 27.1, 27.2, 27.4, 27.7, 27.9, 27.11, 27.14, 27.15, 29 en 30. (rov. 2.25-2.26)
brokerzou hebben verdiend op het desbetreffende project. Met andere woorden is uitgegaan van een hypothetische marge die Fairmount had kunnen maken op het inhuren en weer verhuren van sleepboten van derden. Voor het bepalen van de omvang van de marge heeft HKA Global aansluiting gezocht bij offertes die Fairmount heeft uitgebracht waarbij een commissie is berekend van 2,5%. HKA Global is van mening dat een percentage van 2,5% redelijk is binnen de markt. De marge is bepaald op de laagst denkbare marge, namelijk gelijk aan de commissie van een
brokerdie verder niet betrokken is bij de uitvoering van het project. Fairmount stelt dat het percentage van 2,5 is onderbouwd aan de hand van overgelegde facturen. Volgens [eiser] is de berekening niet precies genoeg en onvoldoende controleerbaar. (rov. 2.48-2.49)
Tot slot merk ik op dat ik sinds mijn vertrek bij Fairmount op geen enkele wijze bij de zeesleepvaart of ALP betrokken ben geweest; ik heb nooit een relatie van Fairmount gesproken of bezocht”. Het hof heeft dit [eiser] ernstig aangerekend. (rov. 2.17)
gebrek aan interesse” bij Fairmount, is niet ter zake dienend. [eiser] wilde kennelijk bewijzen dat Fairmount na de verwikkelingen eind 2009/begin 2010 (toen [eiser] vertrok en in zijn kielzog een aantal belangrijke medewerkers meenam) geen interesse meer had in een samenwerking met Harms. Dat is volgens het hof echter niet waar het hier om gaat. Het gaat erom wat Fairmount had gedaan in de hypothetische situatie waarin [eiser] niet onrechtmatig had gehandeld, ALP niet zou zijn opgericht en ALP (met behulp van [eiser] ) geen toenadering tot Harms had gezocht. Dat Fairmount in deze hypothetische situatie geen interesse in samenwerking zou hebben gehad, heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd betwist, reden waarom aan bewijsvoering niet werd toegekomen. (rov. 2.21.5)
onbespreekbaar” achtte weinig gewicht toekomt. Niet alleen omdat [eiser] niet uitlegt waarom dat het geval was, maar ook omdat inmiddels is gebleken dat de verklaringen van [eiser] niet zonder meer betrouwbaar zijn. (rov. 2.22.1)
day ratevan USD 27.430,- gold. Zoals in het tweede tussenarrest is overwogen, is de inhuurprijs van de schepen van Harms relevant voor projecten die in scenario 2 vallen. Het hof heeft geen aanleiding gezien om van de reeds gegeven beslissingen terug te komen of om [eiser] op dit punt alsnog toe te laten tot bewijslevering door middel van het uitbrengen van een deskundigenbericht. (rov. 2.43-2.45)
USD 132.300,-
3.Bespreking van het principaal cassatiemiddel
Achtergrond van de zaak” (p. 3) en de “
Kern en verdere opbouw cassatiemiddel” (p. 4) worden besproken. Op p. 5 begint hoofdstuk II [21] met de kopjes “
Inleiding” en “
Overwegingen Hof: de schadebegrotingsexercitie op hoofdlijnen”. In dit hoofdstuk wordt vervolgens onder de noemer van de onderdelen 1, 2 en 3 een aantal klachten geformuleerd. Op p. 27 volgt dan hoofdstuk III [22] over afzonderlijke schadeposten waarin onder de noemer van de onderdelen 4, 5 en 6 een aantal klachten wordt geformuleerd. De procesinleiding eindigt op p. 32 met hoofdstuk IV [23] met een voortbouwklacht.
Overwegingen Hof: de schadebegrotingsexercitie op hoofdlijnen” ook een klacht aantrof, namelijk in voetnoot 7, die ik hier nu gelijk behandel.
n zoverre rov. 2.12 Tweede Tussenarrest en 2.20 Eindarrest, voor wat het waard is, onbegrijpelijk[zijn]
, want tegenstrijdig met rov. 2.24 Tweede Tussenarrest”.
een van de schepen van Harms” uitgevoerd hadden kunnen worden.
Het (hypothetische) samenwerkingsverband met Harms”(rov. 2.5-2.13 van het tweede tussenarrest). Uit rov. 2.5 van het tweede tussenarrest volgt dat het hof hier nader is ingegaan op het in rov. 6.18.3 van het eerste tussenarrest gegeven voorshandse oordeel dat aannemelijk is dat een vorm van samenwerking tussen Fairmount en Harms tot stand zou zijn gekomen indien ALP niet was opgericht.
n praktische zin” alleen van belang is voor projecten in scenario 2, omdat Fairmount
de schadeberekeningalleen voor dat scenario heeft gebaseerd op de aanname dat er subcharter zou plaatsvinden. In rov. 2.13 van het tweede tussenarrest heeft het hof benoemd dat
de schadeberekeningvoor scenario 4 niet is gebaseerd op subcharter, maar op ‘misgelopen commissie’. Hiermee heeft het hof voortgeborduurd op hetgeen het heeft overwogen in rov. 6.26-6.30 van het eerste tussenarrest, waarin het hof heeft besproken hoe HKA Global per scenario de schade heeft berekend. Dat komt erop neer dat scenario’s 1 tot en met 3 zijn gebaseerd op een “
Actual Prices Approach”. Met betrekking tot scenario 2 heeft HKA Global de schade berekend door begrote inkomsten te verminderen met de prijs die Fairmount moet betalen voor de huur van een sleepboot van een derde partij. Met betrekking tot scenario 4 is HKA Global “
uitgegaan van een redelijke marge die een broker zou hebben verdiend op het desbetreffende project, dat wil zeggen dat is uitgegaan van een hypothetische marge die Fairmount had kunnen maken op het inhuren en weer verhuren van sleepboten van derden”. [24] Voor de gekozen vorm van schadeberekening bij scenario 2 is dus relevant om te weten welke kosten gepaard gaan met de inhuren van een schip, omdat de begrote inkomsten met dat bedrag worden verminderd. Voor de gekozen vorm van schadeberekening bij scenario 4 is het niet relevant om die kosten te weten, omdat de schade daar wordt berekend op een andere manier. Dat is wat het hof in rov. 2.12 heeft bedoeld. Het hof heeft dus niet bedoeld te zeggen dat Fairmount de projecten in scenario 4 niet zou hebben uitgevoerd met een schip van een derde.
oals eerder is overwogen(…)”). Het hof heeft daar dus niet iets anders bedoeld te zeggen.
e scenario 4 projecten (vrijwel) allemaal[zijn]
uitgevoerd door schepen van Harms”. Volgens [eiser] is “
het enige wat voor de klant telt,(…)
de beschikbaarheid van een schip op het juiste moment” (rov. 2.23 van het tweede tussenarrest). Dat heeft het hof een terecht punt geacht, maar volgens het hof was die beschikbaarheid er voor Fairmount voor de projecten in scenario 4 in het hypothetische scenario omdat Fairmount dan gebruik kon maken van de schepen van Harms (die in het feitelijke scenario ook daadwerkelijk
zijningezet op deze projecten, waaruit dus volgt dat deze op het juiste moment beschikbaar waren).
ontstaanvan de schade, terwijl het hof in rov. 2.12 van het tweede tussenarrest tot uitdrukking heeft gebracht dat wetenschap van de kosten van gebruikmaking van de schepen relevant is voor het berekenen van wat de
omvangvan de schade is voor de projecten in scenario 2, waarin ook besloten ligt dat die wetenschap niet relevant is voor het berekenen van de schade voor projecten in scenario 4.
globale weergave van de hoofdlijnen van de schadebegrotingsexercitie” zal blijken dat het hof “
in algemene zin en door alle Arresten heen heeft miskend dat het onzekerheden – lees: de mogelijkheid dat (sommige van) de vijftien opdrachten hoe dan ook niet naar Fairmount, maar naar een van haar concurrenten zouden zijn gegaan – in de schadebegroting had moeten verdisconteren”.
de hierboven geschetste overwegingen van het Hof” [30] zélf al verraden dat minst genomen onzeker is of Fairmount wel alle vijftien projecten had kunnen uitvoeren én ook nog eens gegund zou hebben gekregen. Toch heeft het hof de schade begroot op de som van de potentiële opbrengsten van al die projecten. Kennelijk heeft het hof gemeend dat schade vanwege het mislopen van potentiële voordelen zonder meer op het totaal van die potentiële voordelen kan worden begroot, ook als de kans dat die voordelen zouden zijn verkregen in de hypothetische situatie zonder normschending niet ‘zeer groot’ is, en/althans ook als een ten minste reële kans bestaat dat (een deel van) die voordelen niet zou(den) zijn genoten. Die rechtsopvatting is onjuist. Ze gaat eraan voorbij dat de onzekerheden, dus de ‘kwade kansen’ dat (een deel van) de voordelen hoe dan ook niet zou(den) zijn verkregen, in de schadebegroting tot uitdrukking hadden moeten komen.
Zwarte inkomsten-arrest uit 2024, [40] dat zag op begroting van schade wegens verlies van arbeidsvermogen, door Uw Raad – in navolging van de daaraan voorafgaande conclusie van A-G Lindenbergh – niet meer werd vermeld. In het arrest uit 2025 verwijst Uw Raad ook naar het
Zwarte inkomsten-arrest, maar wordt de ratio wél weer vermeld. Niet geheel duidelijk is of het verwijderen van die ratio als anomalie moet worden beschouwd of de terugkeer daarvan als ‘slip of the pen’. Het laatste lijkt mij aannemelijker, nu de ratio voor het verwijderen van die motivering, zoals door A-G Lindenbergh bepleit (daarbij leunend op Akkermans), nog steeds overtuigt. [41]
welk hypothetisch scenariohet meest aannemelijke is en dat de rechter in een concreet geval vaak een inschatting zal moeten maken ten aanzien van onzekere factoren. [43]
[…] /mr. H.uit 1997. Daarin ging het om de vraag of, en zo ja in welke mate, de cliënt van een advocaat schade had geleden als gevolg van het feit dat deze laatste had verzuimd hoger beroep in te stellen tegen een vonnis waarbij die cliënt in het ongelijk was gesteld. [45] In zijn conclusie voorafgaand aan dat arrest schreef A-G Bakels het volgende (met weglating van voetnoten):
Deloitte Belastingadviseurs BV c.s./ […]uit 2012 heeft Uw Raad het leerstuk van de kansschade in zijn algemeenheid uiteengezet: [49]
condicio sine qua non-verband aanwezig is tussen de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis en het verlies van de kans op succes. [50] “
Teneinde” het leerstuk van de kansschade te kunnen toepassen, moet immers eerst de daaraan voorafgaande stap worden gezet. Deze formulering impliceert dat de voorafgaande stap dus niet behoort
tothet leerstuk van de kansschade en dat dit leerstuk dus slechts ziet op de vaststelling van de
omvangvan de schade (de kans op succes). Dit lijkt mij echter een te strikte benadering, want juist in die voorafgaande stap zit een wezenlijk element. Bij de beoordeling of
condicio sine qua non-verband bestaat tussen de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis en
het verlies van de kans op succeswordt een
anderschadebegrip gehanteerd dan bij de beoordeling van ‘definitieve’ schade (waarmee ik bedoel schade zoals in de ‘alles of niets’-benadering). [51] Met de vaststelling dat
condicio sine qua non-verband bestaat tussen de aansprakelijkheidvestigende gebeurtenis en het verlies van een kans wordt de schade aldus als het verlies van een kans gekwalificeerd, hetgeen veronderstelt dat onzekerheid bestaat over de vraag of en in hoeverre in de hypothetische situatie dat de tekortkoming of onrechtmatige daad achterwege zou zijn gebleven, de kans op succes zich in werkelijkheid ook zou hebben gerealiseerd. [52] Vanaf dat moment is er geen weg meer terug en volgt een (normatieve) schatting aan de hand van de goede en kwade kansen. Aan deze benadering bestaat meer behoefte naarmate over de feiten minder duidelijkheid bestaat, waardoor er op basis van het door partijen over en weer gestelde uiteenlopende beslissingen van de rechter mogelijk en geoorloofd zouden zijn geweest. [53] In de woorden van Tjong Tjin Tai: voor toepassing van deze benadering is reden als “
er twee sterk uiteenlopende hypothetische mogelijkheden zijn en voor beide mogelijkheden een aanzienlijke kans was dat zij zich zouden hebben gerealiseerd”
. [54]
de leer van verlies van een kans behoort eenvoudig tot het terrein van de rechtsgronden (art. 25 Rv Pro), zoals die door de rechter ambtshalve worden toegepast. Uiteraard dient de rechter daarbij wel te blijven binnen hetgeen door de partij die schadevergoeding vordert, daarvoor als feitelijke grondslag is aangevoerd (art. 24 Rv Pro); ook dient een verrassingsbeslissing te worden vermeden.” [56] Ik sluit me hierbij aan.
verraden” dat “
minst genomen onzeker is” of Fairmount wel alle vijftien projecten had kunnen uitvoeren én ook nog eens gegund zou hebben gekregen. [57]
verraden” (randnummers 3.47-3.76) en kom ik tot een conclusie met betrekking tot onderdeel 1 (randnummers 3.77-3.80), waarin ik ook zal terugkomen op de ‘regels’ die zijn genoemd in randnummer 3.13.
Primair: de schade wordt begroot door een vergelijking te maken van de winst die Fairmount heeft behaald (vlak) voor en (vlak) na de onrechtmatige daad;
voldoende concrete aanknopingspunten[biedt]
om als uitgangspunt te kunnen dienen bij de begroting van de schade”. Volgens het hof is “
met het rapport van HKA Global(…)
alleen komen vast te staan welke opdrachten ALP in de periode waarover schadevergoeding wordt gevorderd, heeft uitgevoerd”, maar “
staat nog niet vast dat Fairmount in staat zou zijn geweest deze opdrachten zelf uit te voeren, dat de opdrachtgevers deze opdrachten daadwerkelijk aan Fairmount hadden gegund en, zo ja, welke winst Fairmount met deze opdrachten had kunnen behalen”. Immers, zo heeft het hof overwogen, “
[eiser] heeft de conclusies van het rapport op deze punten betwist”.
niet geschikt als (primaire) methode om de schade te begroten”, maar “
zou het denkbaar kunnen zijn dat het leerstuk van de kansschade onder bepaalde omstandigheden wordt toegepast wanneer er onzekerheid bestaat over het antwoord op de vraag of Fairmount een concrete opdracht zou hebben verkregen indien het onrechtmatige handelen van [eiser] zich niet had voorgedaan”. Op dit moment valt “
nog niet te zeggen in hoeverre de leer van de kansschade zou moeten worden toegepast”. Kortom, vooralsnog zag het hof geen aanleiding voor toepassing van het leerstuk van de kansschade, maar dat zou onder bepaalde omstandigheden anders kunnen worden.
ou Fairmount de projecten in scenario’s 1 en 2 hebben uitgevoerd als ALP niet was opgericht?” en “[z]
ouden de projecten in de scenario’s 3 en 4 in de hypothetische situatie aan Fairmount zijn gegund” behandeld. Met betrekking tot deze vragen heeft het hof nog om een extra toelichting gevraagd voor specifiek twee projecten, project 5 en 27.5. Ten aanzien van alle projecten, behoudens de projecten 5 en 27.5, is een oordeel gegeven of deze door Fairmount hadden kunnen worden uitgevoerd en of deze aan Fairmount zouden zijn gegund. De resterende vragen zien op de schadeberekening.
voorshands aannemelijk” heeft geacht dat in het hypothetische scenario een samenwerking tot stand zou zijn gekomen op grond waarvan schepen van Harms “
inzetbaar zouden kunnen zijn geweest” in gevallen waarin Fairmount geen eigen schip beschikbaar had.
daaraan” – in rov. 2.8-2.11 van het tweede tussenarrest – heeft toegevoegd dat (i) “
de gesprekken[over een mogelijke samenwerking]
nog in een prille fase verkeerden en van daadwerkelijke onderhandelingen (nog) geen sprake was”, (ii) niet [meer] [61] “
met zekerheid vast te stellen[valt]
hoe het samenwerkingsverband(...)
eruit zou hebben gezien”; maar (iii) “
het goed mogelijk[is]
dat Fairmount en Harms afspraken zouden hebben gemaakt over het subcharteren van schepen”, en het (iv) “
dus niet ondenkbaar[is]
dat Fairmount in een concrete situatie een sleep zou hebben kunnen uitvoeren met gebruikmaking van een sleepboot van Harms”.
onderstreept deze verklaring van [betrokkene 5] het voorshandse oordeel in het tussenarrest, dat het aannemelijk is dat er een samenwerkingsverband tussen Fairmount en Harms tot stand zou zijn gekomen indien ALP niet zou zijn opgericht. De omstandigheid dat Fairmount geen gespreksverslagen over de mogelijke samenwerking heeft overgelegd, betekent nog niet dat er niet is gesproken over de mogelijkheid om samen te werken, omdat de gesprekken daarover eind 2009 nog in een prille fase verkeerden en van daadwerkelijke onderhandelingen (nog) geen sprake was. De omstandigheid dat [betrokkene 5] zelf niet aanwezig was bij het gesprek tussen Harms en Fairmount, omdat het in die tijd zijn vader was die bestuurder van Harms was, betekent nog niet dat er geen enkele waarde kan worden toegekend aan de verklaring.
als gevolg van de oprichting van ALP en het daaropvolgende samenwerkingsverband tussen ALP en Harms.
Het feit dat Harms binnen enkele maanden na het gesprek met Fairmount en kort na de oprichting van ALP al met ALP is gaan praten over samenwerking, onderstreept wel dat er bij Harms behoefte bestond aan een vorm van samenwerking.Het hof verwerpt dan ook de stelling van [eiser] dat Harms Fairmount niet nodig had omdat zijzelf over een adequaat netwerk beschikte. Tot slot acht het hof niet aannemelijk dat de samenwerking met Harms zou zijn afgestuit op het feit dat Harms haar schepen onderbracht in afzonderlijke vennootschappen (
Kommanditgesellschaften), die ieder eigen investeerders hadden en/of op het feit dat het met deze vennootschappen den Berg heeft zijn standpunt financieel niet goed ging. [eiser] heeft zijn standpunt dat Harms met haar Kommanditgesellschaften een onaantrekkelijke partner was, onvoldoende toegelicht.
Die mogelijkheid ligt in het bijzonder voor de hand in de gevallen dat Fairmount rechtstreeks zou worden benaderd door een potentiële klant voor een concrete sleep, maar op het gewenste moment niet zelf over een sleepboot kon beschikken.[eiser] heeft in dit verband nog aangevoerd dat de samenwerking tussen Harms en ALP niet exclusief was en dat het Fairmount vrijstond om (alsnog) toenadering te zoeken tot Harms, maar dat (behoudens een incidenteel geval) heeft nagelaten. [eiser] ziet er echter aan voorbij dat
juist de oprichting van ALP er de oorzaak van was dat verdere toenaderingspogingen niet hebben plaatsgevonden. Zoals [eiser] zelf ook aanhaalt, heeft [betrokkene 6] (Fairmount) immers verklaard:
Het gaat hier niet om willekeurig subcharteren, maar om een samenwerkingsverband met Harms op grond waarvan Fairmount in voorkomende gevallen zou kunnen subcharteren van Harms. In dit verband is van belang dat het in 2010 ook daadwerkelijk is voorgekomen dat Fairmount een schip van Harms heeft ingehuurd, zoals in het geval van het hieronder te bespreken project 10. Het is dus niet ondenkbaar dat Fairmount in een concrete situatie een sleep zou hebben kunnen uitvoeren met gebruikmaking van een sleepboot van Harms.”
onderstreept”. Ook de omstandigheid dat kort na het overleg tussen Fairmount en Harms tussen ALP en Harms daadwerkelijk een samenwerkingsverband is ontstaan, heeft het hof gesterkt in de overtuiging dat in het hypothetische scenario (waarin ALP dus niet zou zijn opgericht) een vorm van samenwerking tussen Fairmount en Harms zou zijn ontstaan. Slechts over de vorm van het samenwerkingsverband zou onduidelijkheid bestaan
(“
Het is niet meer met zekerheid vast te stellen”), maar dat is volgens het hof te wijten aan [eiser] . [62] Met betrekking tot die onduidelijkheid heeft het hof evenwel overwogen dat het “
goed mogelijk” is dat Fairmount en Harms afspraken zouden hebben gemaakt over het subcharteren van schepen van Harms door Fairmount, welke mogelijkheid “
in het bijzonder” voor de hand ligt in gevallen dat Fairmount zou zijn benaderd door een potentiële klant, maar op het gewenste moment niet over een sleepboot zou beschikken. Bovendien zou een samenwerkingsverband neerkomen op meer dan “
willekeurig subcharteren”, namelijk een situatie waarin Fairmount “
in voorkomende gevallen zou kunnen subcharteren van Harms”. Dat de mogelijkheid tot subcharteren op zichzelf niet reeds illusoir was (“
niet ondenkbaar”), heeft het hof in het slot van rov. 2.11 behandeld door te bespreken dat een geval van subcharteren tussen Fairmount en Harms zich al eerder had voorgedaan. Kortom, ook op het punt van de vorm van het samenwerkingsverband zag het hof voldoende concrete aanknopingspunten.
dat het in een eerder stadium slechts sporadisch is voorgekomen dat Fairmount van Harms heeft gecharterd”, maar dat dat “
nog niet[betekent]
dat diezelfde situatie zich zou hebben voorgedaan als ALP niet zou zijn opgericht en niet zou zijn gaan samenwerken met Harms”. ‘Zo’ blijft het hof er volgens het onderdeel bij dat het “[h]
et zeer wel denkbaar[is]
dat er wel een samenwerking tot stand zou zijn gekomen op basis waarvan Fairmount in voorkomende gevallen zou kunnen charteren van Harms”.
eer wel denkbaar” dat Fairmount in voorkomende gevallen zou kunnen charteren van Harms. Ook dit oordeel getuigt er niet van dat het hof van mening was dat er sprake was van een onzekerheid zoals aan de orde is bij (toepassing van) het leerstuk van de kansschade.
Is het aannemelijk dat de projecten die door ALP zijn uitgevoerd aan Fairmount zouden zijn gegund?”; in de procesinleiding punt 2 [64] genoemd).
in ieder geval een gerede kans bestond”, (ii) “
vrijwel nooit 100% zekerheid valt te verkrijgen over het antwoord op de vraag of de opdracht aan Fairmount zou zijn gegund”, (iii) “
op de redelijke verwachtingen(…)
omtrent de toekomstige ontwikkelingen” en (iv) “
redelijkerwijs aannemelijk” aan.
redelijkerwijs aannemelijk” zijn, hetgeen, wederom, de maatstaf is op grond waarvan het hof ‘feiten’ in het hypothetische geval heeft kunnen vaststellen. Deze formuleringen geven derhalve geen blijk ervan dat er sprake is van een onzekerheid die haar grond vindt in de omstandigheid dat niet kan worden vastgesteld of en in hoeverre in de hypothetische situatie dat de tekortkoming of onrechtmatige daad achterwege zou zijn gebleven, de kans op succes zich in werkelijkheid ook zou hebben gerealiseerd (zoals Uw Raad dat heeft uitgedrukt in
Deloitte Belastingadviseurs BV c.s./ [...]). [66]
kan” de vordering toewijsbaar zijn, “
afhankelijk van de omstandigheden van het geval en de stellingen van partijen over en weer” (rov. 2.27). De projecten die in de ‘vaste klanten’ categorie vallen, heeft het hof in rov. 2.27.1.-2.27.9. besproken. Met betrekking tot deze projecten heeft het hof in rov. 2.28 als volgt geoordeeld:
charterpartydie niet specifiek is bedoeld om een concreet project uit te voeren.
alle(vijftien) opdrachten uit scenario’s 1, 2 en 4a en dat “[d]
ie begroting(…)
kennelijk[berust]
op de eerdere overwegingen dat ‘aannemelijk’ is dat die opdrachten in het hypothetische scenario door Fairmount konden worden uitgevoerd én aan haar zouden zijn gegund”.
dit typenormschending (schending van een non-concurrentiebeding) en
dit typegevolg (beweerdelijk misgelopen opdrachten) leidt tot toepassing van het leerstuk van de kansschade, (iii) evenmin geldt dat het hof het leerstuk van de kansschade moet toepassen als sprake is van meerdere ‘onzekerheden’ waarover het heeft te beslissen, (iv) het hof heeft toepassing gegeven aan de ‘alles-of-niets’-benadering en daarbij de juiste maatstaf gehanteerd die geldt voor het vaststellen van ‘feiten’ in het hypothetische geval bij een ‘normale’ schadebegroting, en daarbij (v) toepassing van het leerstuk van de kansschade expliciet besproken en (vooralsnog) verworpen. (vi) Niet gebleken is dat het hof reden zag of had moeten zien om van dat laatste terug te komen.
framing‘als een normschending heeft geresulteerd in het verlies van een kans op een beter resultaat’) dat het gaat om (toepassing van) het leerstuk van kansschade. Nu uit het voorgaande volgt dat het hof het leerstuk van de kansschade niet heeft toegepast en daartoe evenmin gehouden was, volgt daaruit ook dat het die regels, wat daarvan verder ook zij, niet heeft miskend.
Opmaat naar onderdelen 2 en 3” dat ’s hofs oordeel dat het ‘(redelijkerwijs) aannemelijk’ is dat Fairmount (zonder oprichting van ALP)
allevijftien opdrachten zou hebben verkregen, ook zelfstandig bezien onhoudbaar is. Dat zou temeer gelden als het hof geacht zou worden de ‘bovenstaande regels’ [68] niet te hebben miskend, ‘oftewel’ als het bedoeld zou hebben dat de kans dat Fairmount in het hypothetische scenario alle vijftien opdrachten zou hebben verkregen zelfs ‘zeer groot’ is, en/althans dat (dus) niet ook ten minste een reële kans bestaat dat Fairmount een deel van die opdrachten hoe dan ook niet zou hebben gekregen. In die beide gevallen zou het oordeel van het hof ook berusten op onjuiste rechtsopvattingen, waarop de volgende middelonderdelen 2 en 3 betrekking hebben.
kunnenuitvoeren, welk oordeel berust op de overweging dat (aannemelijk is dat) Fairmount in het hypothetische scenario waarin ALP niet zou zijn opgericht, steeds schepen van Harms had kunnen inzetten op grond van een daartoe strekkend samenwerkingsverband, niet overeind kan blijven. Dat wordt uitgewerkt in verschillende subonderdelen (2.1-2.4), waarvan sommige weer zijn onderverdeeld in subsubonderdelen. Het onderdeel zet vervolgens uiteen hoe het hof in de bestreden arresten over het samenwerkingsverband met Harms heeft beslist en hoe het partijdebat er op dit punt uit heeft gezien.
subonderdeel 2.1, [71] waarin wordt betoogd dat het oordeel dat (aannemelijk is dat) een samenwerking tot stand zou zijn gekomen tussen Fairmount en Harms, om meerdere redenen onbegrijpelijk is tegen de achtergrond van de stellingen die [eiser] daarover heeft ingenomen en van de schriftelijke verklaringen waarmee hij die stellingen heeft onderbouwd. Dit wordt in verschillende subsubonderdelen uitgewerkt. Twee van die subsubonderdelen richten zich tegen overwegingen uit het eindarrest (rov. 2.21.5 en 2.22.3), die beide onderdeel zijn van het kopje “
C.Samenwerking tussen Fairmount en Harms”. Onder dat kopje heeft het hof ook de bewijsaanbiedingen van [eiser] besproken, waartegen het middel in subonderdeel 2.2 (zie vanaf randnummer 3.132 e.v.) klachten richt. Voor een goed begrip van het oordeel van het hof citeer ik hier volledig:
Samenwerking tussen Fairmount en Harms
Kommanditgesellschaften), die ieder eigen investeerders hadden en/of op het feit dat het met deze vennootschappen financieel niet goed ging. [eiser] heeft zijn standpunt dat Harms met haar Kommanditgesellschaften een onaantrekkelijke partner was, onvoldoende toegelicht.”
heeft (voorshands) aangenomen” heeft het hof meerdere interpretatiemogelijkheden gecreëerd. Dat heeft te maken met het gebruik van het woord ‘voorshands’, met het plaatsen van dat woord tussen ronde haakjes [72] en met de omstandigheid dat het kan terugslaan op meerdere momenten.
eerder is overwogen” (dus vóór het eindarrest), ligt de tweede lezing voor de hand. Nemen we echter aan dat het hof hier ook gelijk zijn eindoordeel heeft willen geven, dan zou de eerste lezing de juiste zijn. Wat mij betreft ligt die eerste lezing inderdaad het meest voor de hand. Ik zal dat uiteenzetten.
(alsnog)” suggereert dat het hof hier in het arrest van 18 februari 2025 heeft onderzocht of de (gedurende het verloop van de procedure gedane) bewijsaanbiedingen van [eiser] ertoe leiden dat hij nu (dus in dit arrest (wat uiteindelijk het eindarrest is geworden)) in de gelegenheid moet worden gesteld tegenbewijs te leveren tegen het voorshandse oordeel dat er een samenwerking tussen Fairmount en Harms tot stand zou zijn gekomen. Zowel het feit dat het hof het in rov. 2.21 heeft over het leveren van “
tegenbewijs” als het feit dat ‘voorshandse’ hier niet tussen haakjes staat, wijzen erop dat het hof heeft bedoeld dat tot aan het wijzen van het eindarrest het oordeel dat een samenwerking tussen Fairmount en Harms tot stand zou zijn gekomen nog altijd voorshands was en dus al niet bij wege van eindbeslissing was beslist. Dat wijst er dus op dat het hof op het spoor zat van de zojuist benoemde eerste lezing. Een uitleg van het oordeel van het hof waarin het bedoeld heeft dat in het tweede tussenarrest reeds op dat punt een eindbeslissing was gegeven, strookt niet met de vraag die het hof zichzelf in het arrest van 18 februari 2025 heeft gesteld: of [eiser] alsnog in de gelegenheid moet worden gesteld om tegenbewijs te leveren. Ik licht dat toe.
dus vooralsnog van oordeel[was]
dat enige vorm van samenwerking tot stand zou zijn gekomen met Harms, (onder meer) omdat [eiser] de schriftelijke verklaring van [betrokkene 6] onvoldoende gemotiveerd had betwist”. ‘Daarmee’ heeft het hof “
(impliciet) het algemene bewijsaanbod dat [eiser] in zijn memorie van antwoord had gedaan, verworpen”. Het hof heeft vervolgd met “[i]
n het eerste tussenarrest is nog niet beslist over de vorm van de samenwerking. Daarover mocht Fairmount zich nog uitlaten.” Voorafgaand aan rov. 2.21.2 heeft het hof rov. 6.18.3 en 6.19 van het eerste tussenarrest geciteerd waaruit ‘dus’ volgt dat het hof ‘vooralsnog van oordeel’ was dat enige vorm van samenwerking tot stand zou zijn gekomen met Harms. Ik kan dit niet anders begrijpen dan dat het hof op het punt van het bestaan van een samenwerkingsverband een voorshands bewijsoordeel heeft gegeven (met name omdat dit in rov. 6.18.3 expliciet zo wordt verwoord (‘voorshands aangenomen’). De toevoeging dat dit voorshandse bewijsoordeel is gegeven, (onder meer) omdat [eiser] de schriftelijke verklaring onvoldoende gemotiveerd had betwist, vind ik lastig te volgen. Dat lijkt immers in de richting te wijzen dat het hof dit punt heeft beslist in de stel- en betwistfase, maar dat zou moeten leiden tot het vaststellen van het feit, terwijl het geven van een voorshands bewijsoordeel juist veronderstelt dat de stel- en betwistfase is doorlopen. Het is dan ook een onjuiste redenering om tot de conclusie te kunnen komen dat het algemene bewijsaanbod om die reden kon worden gepasseerd.
dat Fairmount (nog) meer bewijs heeft aangedragen voor haar stelling dat er een samenwerkingsverband tussen Fairmount en Harms tot stand zou zijn gekomen”. In dat arrest heeft het hof “
(impliciet) het bewijsaanbod gepasseerd dat [eiser] in zijn memorie na het eerste tussenarrest heeft gedaan”. Dat bewijsaanbod [90] bestond uit “
het horen van [betrokkene 7] die – als getuige uit eigen waarneming – zou kunnen verklaren over onder meer het gebrek aan interesse (naar het hof begrijpt: bij Fairmount) in een samenwerking met Harms”. In rov. 2.21.5 heeft het hof uitgelegd waar dat impliciet passeren op was gebaseerd: het door [eiser] gedane bewijsaanbod was niet ter zake dienend. Dat heeft het hof gemotiveerd door eerst het bewijsaanbod uit te leggen in die zin dat “
kennelijk[wilde]
bewijzen dat Fairmount na de verwikkelingen eind 2009 / begin 2010 (toen [eiser] vertrok en in zijn kielzog een aantal belangrijke medewerkers meenam) geen interesse meer had in een samenwerking met Harms”. Volgens het hof is dat “
echter niet waar het hier om gaat. Het gaat erom wat Fairmount had gedaan in de hypothetische situatie waarin [eiser] niet onrechtmatig had gehandeld, ALP niet zou zijn opgericht en ALP (met behulp van [eiser] ) geen toenadering tot Harms had gezocht. Dat Fairmount in deze hypothetische situatie geen interesse in samenwerking zou hebben gehad, heeft [eiser] onvoldoende gemotiveerd betwist, reden waarom aan bewijsvoering niet werd toegekomen”.
(nog) meer bewijs” heeft aangedragen “
voor haar stelling dat er een samenwerkingsverband tussen Fairmount en Harms tot stand zou zijn gekomen”. Het feit dat de partij op wie de bewijslast ingevolge art. 150 Rv Pro rust aanvullend bewijs heeft ingebracht, is in zoverre relevant dat het hof ten tijde van het wijzen van het tweede tussenarrest een beoordeling moest doen aan de hand van de sinds het wijzen van het eerste tussenarrest nieuw ingebrachte bewijsmateriaal. [91] Hoewel de bewijsleveringslast ten gevolge van het voorshands bewijsoordeel weliswaar bij [eiser] (als partij op wie niet de bewijslast ingevolge art. 150 Rv Pro rust) rustte, betekent dat niet dat Fairmount (als partij op wie de bewijslast ingevolge art. 150 Rv Pro rust) geen aanvullend bewijs mag leveren. Afhankelijk van wat partijen vervolgens hebben ingebracht, kan dat tot drie verschillende oordelen over het aanvankelijk voorshands bewezen geachte feit leiden, namelijk (1) het feit is door het door Fairmount geleverde aanvullende bewijs vast komen te staan (omdat het feit in het licht van het (over en weer) geleverde (tegen)bewijs niet meer als door [eiser] voldoende betwist wordt beschouwd), (2) het feit is door het door [eiser] geleverde tegenbewijs (ook afgezet tegen wat door Fairmount aanvullend is ingebracht) ontzenuwd of (3) het feit wordt nog steeds voorshands bewezen geacht. Optie (2) is hier niet in beeld en dus gaat het ofwel om optie (1) danwel optie (3). De overweging dat Fairmount (nog) meer bewijs heeft aangedragen, kan er op wijzen dat het hof bedoeld heeft een oordeel te geven zoals bedoeld onder (1). Dit zou ook afgeleid kunnen worden uit rov. 2.8 van het tweede tussenarrest, die het hof in rov. 2.21.3 ook helemaal heeft geciteerd, waarin het hof heeft opgemerkt dat de verklaring van [betrokkene 5] het voorshandse oordeel naar het oordeel van het hof onderstreept. Tegelijkertijd kan die zinsnede ook aldus worden begrepen dat het hof juist heeft vastgehouden aan zijn voorshandse oordeel (door het onderstreept te achten). Het hof heeft deze onduidelijkheid ook verderop in het tweede tussenarrest niet weggenomen. Zo heeft het in rov. 2.52 van het tweede tussenarrest onder a) overwogen (waarin het hof het tweede tussenarrest heeft samengevat) dat “[h]
et hof blijft bij zijn oordeel dat het aannemelijk is dat er een samenwerkingsverband tussen Fairmount en Harms tot stand zou zijn gekomen indien ALP niet zou zijn opgericht, al is niet meer met zekerheid vast te stellen hoe het samenwerkingsverband eruit zou hebben gezien.” Met ‘blijven bij’ zou het hof kunnen hebben bedoeld dat het bij zijn eerdere
voorshandse oordeelblijft, maar het zou ook kunnen hebben bedoeld dat het, met inachtneming van het nieuw ingebrachte bewijsmateriaal, blijft bij, maar dan in de zin van: ik stel nu definitief vast dat, het oordeel dat aannemelijk is dat er een samenwerkingsverband tussen Fairmount en Harms tot stand zou zijn gekomen indien ALP niet zou zijn opgericht. De bespreking in rov. 2.21.5 van het door [eiser] in zijn memorie na het eerste tussenarrest gedane bewijsaanbod wijst evenwel in de richting dat het hof bedoeld heeft om te blijven bij zijn
voorshandseoordeel. Alleen dan zou men op dit punt nog aan bewijslevering door [eiser] kunnen toekomen. Een eindbeslissing zou immers impliceren dat het hof meende dat [eiser] op dit punt niet was geslaagd in het leveren van tegenbewijs. In dat geval zou het bewijsaanbod om die reden geen bespreking meer behoeven. Dat is echter niet wat het hof heeft opgeschreven. Het heeft juist het bewijsaanbod gepasseerd omdat het “
niet ter zake dienend is”.
geen aanleiding ziet om [eiser] alsnog toe te laten tot bewijslevering”. Deze overweging strookt niet met een lezing waarin het hof in het tweede tussenarrest een eindbeslissing zou hebben gegeven; althans, in dat geval volstond de opmerking dat vanwege de reeds gegeven eindbeslissing aan bewijslevering niet meer wordt toegekomen. Het heeft er dan ook de schijn van dat het hof tot aan het eindarrest nog steeds van oordeel was dat sprake was van een voorshands bewijsoordeel. Dat wordt ook bevestigd doordat het hof in rov. 2.22.3 heeft overwogen dat de schriftelijke verklaring van [betrokkene 8] onvoldoende gewicht in de schaal legt om “
aanleiding[te geven]
tot gerede twijfel” en doordat het hof daarna in rov. 2.23-2.25 verdere argumenten van [eiser] heeft besproken. Kennelijk meende het hof dat het nog steeds het door [eiser] na het tweede tussenarrest aangeleverde tegenbewijs diende te beoordelen, hetgeen erop wijst dat het tweede tussenarrest van het hof zo begrepen moet worden dat nog steeds sprake was van een voorshands bewijsoordeel (daarmee gaat het dus om optie (3), zie randnummer 3.97).
Subsubonderdeel 2.1.1 [92] richt zich tegen rov. 2.21.5 van het eindarrest. Het betoogt dat het hof de op de (eerste) verklaring van [betrokkene 7] gebaseerde stellingen van [eiser] over het gebrek aan interesse in een samenwerking met Harms op een onbegrijpelijke wijze heeft uitgelegd. Volgens het hof, aldus het subsubonderdeel, zou [eiser] daarmee (uitsluitend) hebben bedoeld dat Fairmount ná het vertrek van [eiser] bij Fairmount en de oprichting van ALP “
geen interessemeerhad in een samenwerking met Harms” [93] . En dat zou niet ter zake doen, omdat de vraag is of Fairmount zonder de oprichting van ALP een samenwerking met Harms zou zijn aangegaan. Dit is onbegrijpelijk volgens het subsubonderdeel, omdat de verklaring van [betrokkene 7] immers inhield dat Fairmount
nooit– dus ook niet voorafgaand aan het vertrek van [eiser] en in de periode waarin het gesprek met Harms plaatsvond – serieus naar een samenwerking met Harms heeft toegewerkt. Díe stelling zou het hof niet (kenbaar) in zijn oordeelvorming hebben betrokken.
kennelijk” kan afgeleid worden dat het voor het hof niet geheel duidelijk was welke stellingen [eiser] wenste te bewijzen. Het hof heeft het bewijsaanbod vervolgens zo uitgelegd dat het zag op de stellingen in randnummers 11.11-11.14 van de memorie na het eerste tussenarrest van [eiser] . Uit rov. 2.21 volgt dat het hof hier heeft onderzocht of [eiser] bij het wijzen van de tussenarresten tot het leveren van
tegenbewijs had moeten worden toegelaten. Dat onderzoek veronderstelt dat ten tijde van het wijzen van die arresten sprake was van een voorshands bewezen geacht feit. Met zijn overweging dat het tegenbewijsaanbod van [eiser] niet ter zake dienend was, heeft het echter miskend dat een aanbod tot het leveren van tegenbewijs niet behoeft te worden gespecificeerd of heeft het in strijd gehandeld met het prognoseverbod (zie randnummer 3.92). Bovendien is het oordeel onbegrijpelijk in het licht van de stellingen van [eiser] , zoals ik hierna zal toelichten.
A-G] eigen waarnemingen uit de relevante periode en recentere bevindingen, heeft hij beschreven in de verklaring P.C. [betrokkene 7] op Memorie van Tussenarrest d.d. 2 juni 2023
(“Verklaring [betrokkene 7] ”;
Productie 42, met de bijlagen 1 t/m 15 daarbij afzonderlijk genummerd als
Productie 42-1 t/m 42-15). Daarin concludeert hij samengevat dat:
DEEL V – SAMENWERKING MET HARMS”, waaronder ook de door het hof in rov. 2.21.5 van het eindarrest aangehaalde randnummers vallen, onder randnummers 11.3-11.5 het volgende opgemerkt (voetnoten weggelaten en met onderstrepingen door mij):
Verklaring [betrokkene 5]
gespreksverslagen over mogelijke samenwerking, voorstellen te komen tot (voorbereidingen van) een samenwerking, besluiten daarover of een LOI, en/of aanpassing en uitbreiding van de interne organisatie om de samenwerking mogelijk te maken”.
[betrokkene 7] , die lid was van het management team van Fairmount op het moment dat het gesprek van Fairmount en Harms plaatsvond, kan zich niet herinneren dat meer dan één gesprek heeft plaatsgevonden. Bovendien verklaart [betrokkene 7] dat, indien er uit het gesprek serieuze onderhandelingen waren gevolgd, hij hiermee bekend was geweest. Over het gesprek is echter nooit een woord gewisseld. Evenmin heeft de samenwerking op de agenda gestaan of is dit binnen het management besproken. Er werd simpelweg niet naar een samenwerking toegewerkt, zelfs als dat al een mogelijkheid zou zijn geweest.
plaatsen [betrokkene 7]en Toxopeus een aantal kritische kanttekeningen bij de verklaring van [betrokkene 5] . Allereerst merken beiden terecht op dat [betrokkene 5] niet zelf betrokken is geweest bij het gesprek dat plaatsvond tussen Harms en Fairmount.
Die gesprekken, die plaatsvonden in 2009, zijn gevoerd met de vader van [betrokkene 5] . Op dat moment was [betrokkene 5] (nog lang niet) betrokken bij gang van zaken op bestuursniveau binnen Harms.Daarbij merkt [eiser] op dat de betrokken vader van [betrokkene 5] reeds langere tijd overleden is en laatstgenoemde daardoor ten behoeve van deze verklaring niet de mogelijkheid kan hebben gehad de feitelijke gang van zaken bij deze gesprekken te verifiëren (wat het ook in dat geval op zijn best slechts een verklaring ‘van horen zeggen’ (
de auditu) had gemaakt).”
nooiteen samenwerking tot stand zou zijn gekomen. Verder laten de hiervoor onderstreepte delen zich moeilijk anders begrijpen dan dat [eiser] ook stellingen heeft ingenomen die zagen op de periode
voordat[eiser] bij Fairmount was vertrokken en dat het [betrokkene 7] is die hierover nader zou kunnen verklaren. Bovendien horen deze stellingen onder hetzelfde kopje thuis als de randnummers waarnaar het hof wél heeft verwezen. In het licht van deze stellingen is het onbegrijpelijk dat het hof het door [eiser] gedane bewijsaanbod heeft uitgelegd alsof het enkel zou zien op de periode
nadat[eiser] bij Fairmount was vertrokken.
dus gewoon” op de verklaring heeft kunnen reageren; en
daarom” (ik begrijp dat dit terugslaat op de twee eerder genoemde redenen) onjuist of onbegrijpelijk is in het licht van het beginsel van gelijkheid der wapenen (dat besloten ligt in art. 6 EVRM Pro), “[t]
emeer” omdat – en dat is de derde reden – het hof in beide tussenarresten (tegen)bewijsaanbiedingen heeft genegeerd en essentiële stellingen van [eiser] over de hypothetische samenwerking met Harms niet (of niet afdoende) heeft geadresseerd. “
Het gaat niet aan” dat het hof vervolgens heeft geoordeeld dat [eiser] met het inbrengen van materiaal te laat is.
naderebewijslevering
door [eiser]alleen sprake kan zijn als het hof, op grond van het sinds het tweede tussenarrest ingebrachte aanvullende bewijsmateriaal, aanleiding zag om [eiser] nog steeds op te dragen tot het leveren van tegenbewijs (dus: door
de factovast te houden aan het voorshandse oordeel). Het oordeel van het hof komt er echter op neer dat [eiser] met het door hem sinds het tweede tussenarrest ingebrachte bewijsmateriaal niet is geslaagd in het leveren van tegenbewijs, nu het heeft overwogen dat de schriftelijke verklaring van [betrokkene 8] het (in het tweede tussenarrest gegeven) voorshandse oordeel niet heeft ontzenuwd (geeft “
geen aanleiding tot gerede twijfel”). In zoverre klopt het dat dit oordeel ertoe leidt dat [eiser] niet behoeft te worden toegelaten tot nadere bewijslevering, maar waarschijnlijk niet om de reden zoals door het hof bedoeld. Zou het hof immers wél tot het oordeel zijn gekomen dat de schriftelijke verklaring van [betrokkene 8] aanleiding gaf tot gerede twijfel (en dus tot de conclusie dat daarmee het voorshandse oordeel was ontzenuwd), dan zou ook niet worden toegekomen aan nadere bewijslevering door [eiser] : die zou dan immers in het leveren van tegenbewijs reeds zijn geslaagd.
waaromde verklaring van [betrokkene 8] geen afbreuk daaraan doet. Dat had wel gemoeten, want zonder nadere toelichting valt niet te begrijpen waarom een verklaring van de (toenmalige) directeur (die nota bene het gesprek met Fairmount heeft gevoerd), inhoudend dat een samenwerking met Fairmount niet mogelijk/interessant was voor Harms, onvoldoende gewicht in de schaal legt.
A-G] SMIT Wijsmuller, Fairmount Marine, the Chinese state owned towage companies, Semco Towage and whole range of Owners of anchor handling tugs worldwide were our competitors and the global players. Through various international conferences and through Customers we met our competitors on a regular basis, including Fairmount. One of the goals of these informal discussions was to discover whether there were opportunities for working together. In 2007 or 2008 I met with the management of Fairmount Marine in Rotterdam. During the conversation with Albert [betrokkene 6] and the Owner of Fairmount, Henk [eiser] it was made clear to me that FM had no interest in working together with Harms Bergung other than short term time-chartering of Harms vessels in competition with other tug-owners.
short term time-chartering of Harms vessels in competition with other tug-owners”), dat samenwerking op een andere manier niet mogelijk was en dat, zo begrijp ik het althans, Harms geen interesse had in samenwerking op genoemde specifieke manier. Wel konden schepen worden “
gecharterd”, hetgeen via “
brokers” verliep.
ede gelet op wat daartegen door Fairmount is ingebracht en in een eerder stadium ter onderbouwing van haar stellingen is aangevoerd.”
wat daartegen door Fairmount is ingebracht” het oog hebben gehad op wat Fairmount in haar akte overlegging producties van 15 november 2024 of in haar spreekaantekeningen voor de mondelinge behandeling van 15 november 2024 heeft aangevoerd. [97] In dat eerste stuk staat onder randnummers 3. en 4. (met weglating van voetnoten):
A-G] te betogen dat het niet aannemelijk is dat Fairmount zou hebben samengewerkt met Harms. Dit betoog kan niet slagen – mede door dat de verklaring van [betrokkene 8] op een groot aantal punten aantoonbaar onjuist is. E.e.a. wordt onderstreept door een
market development reportvan ALP, waarin ALP haar visie presenteerde aan de aandeelhouders van de Harms-schepen met betrekking tot het commercieel en operationeel management van deze schepen (
Productie E29).
In the course of 2009 it became apparent that the HARMS vessels have lost their position in the North Sea offshore market and a radical change was required.” Harms kon nieuw werk voor hun schepen dus wel gebruiken, met name ook omdat niet de
short-distancemaar de
long-distance towinggeschikt was voor de schepen van Harms. Door ALP wordt bevestigd dat de LDT-markt eerst maar 3 spelers kende: “
Since 2000 the majority of ultra-large FPSO tow and installation projects are divided between SEMCO, FAIRMOUNT and SVITZER-COESS. However, since about three years the age of vessels has become such a critical issue that SVITZER-COESS has not won any major project anymore.” Harms huurde ALP in om haar schepen ook op deze markt te brengen, en vervolgens kwam de markt uit 4 spelers te bestaan. Harms had ALP nodig vanwege haar wereldwijde netwerk (lees: Fairmounts netwerk): “
We have a worldwide network to market and operate the vessels on any continent (…)”.”
Productie E29. Het door ALP opgestelde
market development reportlaat eens te meer zien hoe zij zich presenteerde als een kopie van Fairmount, hoe klein de markt was qua aantal actieve spelers en hoe zeer Harms in zwaar weer verkeerde en dus grote behoefte had aan een vorm van samenwerking. Het succes van de samenwerking tussen ALP en Harms was
volledigte danken aan de klanten en contacten van Fairmount.
in een eerder stadium ter onderbouwing van haar stellingen is aangevoerd”, heeft het hof gedoeld op hetgeen het daarvoor heeft geciteerd (rov. 2.21.1 met betrekking tot het eerste tussenarrest en rov. 2.21.3 met betrekking tot het tweede tussenarrest). Dat onduidelijk zou zijn “
op welke stellingen (en onderbouwing) van Fairmount” het hof doelt, is mijns inziens dus niet het geval. Het oordeel dat de schriftelijke verklaring van [betrokkene 8] onvoldoende gewicht in de schaal legt en de in de procesinleiding gestelde vraag waarom de schriftelijke verklaring geen afbreuk doet aan het door Fairmount aangevoerde, zien op de bewijswaardering. De waardering van het bewijsmateriaal is aan het oordeel van de rechter overgelaten, tenzij de wet anders bepaalt (art. 152 Rv Pro). Waardering van het bewijsmateriaal is voorbehouden aan de rechter die over de feiten oordeelt en kan in cassatie niet op juistheid worden getoetst. [98] Dat neemt niet weg dat ook ten aanzien van het oordeel of het bewijs is geleverd, het grondbeginsel van een behoorlijke rechtspleging geldt dat elke rechterlijke beslissing tenminste zodanig moet worden gemotiveerd dat zij voldoende inzicht geeft in de aan haar ten grondslag liggende gedachtengang om de beslissing zowel voor partijen als voor derden controleerbaar te maken. [99] Daarin schiet het oordeel van het hof tekort. Gegeven dat het enkel ging om ‘ontzenuwen’ en gegeven de persoon achter de schriftelijke verklaring (directeur van Harms in de periode waarin een samenwerking tot stand zou moeten zijn gekomen) en de inhoud ervan (samenwerking met Fairmount was niet mogelijk op een voor beide partijen gewenste manier) kon het hof wat motivering betreft niet volstaan met een algemene verwijzing naar de stellingen en onderbouwing van Fairmount. Daarbij merk ik ook op dat Fairmount haar akte overlegging producties pas op de dag van de mondelinge behandeling heeft ingediend. Vanwege het ontbreken van een proces-verbaal is voor mij niet duidelijk of deze producties in beschouwing zijn genomen en/of ter zitting zijn besproken. Onduidelijk is ook of het door het hof gegeven oordeel (mede) is gebaseerd op de in de akte overlegging producties opgenomen producties (waaronder een door Fairmount genoemd
market development reportvan 28 pagina’s exclusief bijlagen). Indien dat zo zou zijn, zou het hof zijn oordeel mede gebaseerd hebben op een stuk dat het in beginsel buiten beschouwing had behoren te laten (gelet op art. 87 lid 6 Rv Pro in samenhang met art. 353 Rv Pro). Het subsubonderdeel treft op dit punt dus doel.
– na het tweede tussenarrest –” in het geding gebracht is. Het subsubonderdeel stelt dat na het indienen van de schriftelijke verklaring nog een mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden waar Fairmount nog ‘gewoon’ op deze schriftelijke verklaring heeft kunnen reageren.
een eventueel recht op nog een bewijsronde” heeft verspeeld ziet immers kennelijk op de vraag of hij toegelaten moet worden tot het leveren van nader bewijs en heeft geen betrekking op het door hem reeds ingediende bewijs (de schriftelijke verklaring van [betrokkene 8] ).
Subsubonderdeel 2.1.3 [101] klaagt dat het hof ten onrechte niet heeft gerespondeerd op het betoog van [eiser] dat subcharteren (1) met aanzienlijke risico’s en lasten gepaard ging en (2) dáárom slechts in uitzonderlijke gevallen voorkwam. Zonder nadere toelichting is onbegrijpelijk waarom het hof, ondanks de – veronderstellenderwijs aangenomen – aan subcharter verbonden risico’s, toch aannemelijk heeft geacht dat Fairmount op (meer) structurele basis schepen van Harms zou subcharteren.
in voorkomende gevallen”) charteren van Harms, waarmee er dus geen sprake zou zijn van “
speculatie” en zouden de risico’s voor partijen, zo begrijp ik het arrest van het hof althans, (nog) minder aanwezig zijn dan in het geval waarin slechts sporadisch zou worden gesubchartered. Dat oordeel is niet onbegrijpelijk.
Resumerend” tref ik geen zelfstandige klacht aan.
Subonderdeel 2.2 [102] betoogt dat de (tegen)bewijsaanbiedingen van [eiser] steevast zijn gepasseerd en dat “
hoort niet”. Daartoe voert [eiser] meerdere subsubonderdelen aan (2.2.1-2.2.3).
Subsubonderdeel 2.2.1 [103] richt zich tegen rov. 2.21.2 van het eindarrest. Volgens het subsubonderdeel heeft het hof daarin gesuggereerd dat het in het eerste tussenarrest al definitief had geoordeeld dát een samenwerkingsvorm zou zijn ontstaan, dat op dat punt (dus) niet aan tegenbewijslevering werd toegekomen en dat het verdere debat slechts nog zou gaan over “
de vorm van de samenwerking”. Die suggestie is volgens het subsubonderdeel onbegrijpelijk, want in strijd met de overwegingen van het hof zelf. [104]
(onder meer) omdat [eiser] de schriftelijke verklaring van [betrokkene 6] onvoldoende gemotiveerd had betwist” heeft het miskend dat het geven van een voorshands bewijsoordeel veronderstelt dat het bewezen geachte feit voldoende gemotiveerd is betwist (zie randnummer 3.91).
Subsubonderdeel 2.2.2 [106] klaagt dat het hof in het tweede tussenarrest ten onrechte zowel het algemene tegenbewijsaanbod als het specifieke bewijsaanbod van [eiser] met betrekking tot de stellingen dat (1) Fairmount helemaal niet geïnteresseerd was in een samenwerking met Harms en (2) stelselmatig subcharteren niet (goed) mogelijk is, heeft gepasseerd. [107]
voor de goede orde” op dat rov. 2.21.5 van het eindarrest specifiek ziet op stelling (1) en klaagt dat, voor zover daarin zou zijn bedoeld dat [eiser] in algemene zin onvoldoende zou hebben betwist dat Fairmount en Harms in de hypothetische situatie zouden zijn gaan samenwerken, dat oordeel onbegrijpelijk is, nu [eiser] heeft aangevoerd dat een dergelijke samenwerking er nooit zou zijn gekomen. [108]
Subsubonderdeel 2.2.3 [109] betoogt, kennelijk, [110] dat het hof in het eindarrest ten onrechte nieuwe bewijsaanbiedingen van [eiser] heeft gepasseerd. Dat doet het hof “
wéér (grotendeels) stilzwijgend” door slechts (expliciet) te responderen op een bewijsaanbod dat ter zitting is gedaan en dus niet op de bewijsaanbiedingen uit de memorie na het tweede tussenarrest. [111]
emeer” omdat [eiser] in zijn eerdere memories al getuigenbewijs heeft aangeboden.
allebehoorlijk gedane bewijsaanbiedingen in te gaan. [113] De klacht zou daarom ten minste moeten toelichten waarom het hof [eiser] had moeten toelaten tot het leveren van bewijs dan wel tegenbewijs. Subsubonderdeel 2.2.3 faalt derhalve.
Subonderdeel 2.3 [115] richt zich tegen het oordeel in rov. 2.22.3 van het eindarrest dat [eiser] zijn “
recht op nog een bewijsronde verspeeld” heeft.
anderonderwerp, namelijk – kort gezegd – zijn betrokkenheid bij ALP.
iederewillekeurige gevolgtrekking kan worden verbonden. De gevolgtrekking moet overeenstemmen met de aard, ernst en omvang van die schending, of, met andere woorden, proportioneel zijn.
maar ook omdat inmiddels is gebleken dat de verklaringen van [eiser] niet zonder meer betrouwbaar zijn.
Bovendien heeft [eiser] door zijn laakbaar handelen (zie hiervoor 2.17) een eventueel recht op nog een bewijsronde verspeeld.
surveyor/survey-kantoor dat Fairmounts stelling niettemin onrealistisch is, ontbreekt. En indien het destijds al beleid was om bij gelegenheid van een
special surveyook overige onderhoudswerkzaamheden te laten uitvoeren, maakt dat nog niet aannemelijk dat die combinatie voor Fairmount reden zou zijn geweest om de sleep van de ZAGREB te laten schieten. Dat is ook overigens niet aannemelijk geworden. Aan bewijsvoering wordt daarom niet toegekomen.
Toegevoegd wordt nog, ten overvloede, dat, mocht er al ruimte voor twijfel hebben bestaan, deze vanwege het laakbaar handelen van [eiser] (zie hiervoor 2.17) in zijn nadeel behoort uit te vallen.
Daarbij is ook het laakbare gedrag van [eiser] (zie hiervoor onder rov. 2.17 en 2.18), waardoor Fairmount meer aandacht en tijd heeft moeten besteden aan deze procedure, mede in aanmerking genomen.In eerste aanleg worden de kosten begroot op € 101,06 aan explootkosten, € 4.030,- voor griffierecht en op € 7.712,- aan salaris advocaat (tarief VIII, 2 punten). In hoger beroep worden de kosten begroot op € 85,09 aan explootkosten, € 5.517,- voor griffierecht en op € 43.519,- aan salaris advocaat (tarief VIII. 7 punten)[.]”
iederewillekeurige gevolgtrekking kan aan een schending van de waarheidsplicht worden verbonden.
de gevolgtrekking [te] maken die hij geraden acht’. De wetgever is bewust vaag gebleven over de sanctie die in een concreet geval moet worden gesteld op schending van art. 21 Rv Pro. De figuur van de geraden gevolgtrekking laat de rechter grote vrijheid.
rechtprevaleren boven een rechterlijke beslissing die berust op de feiten zoals die zich in werkelijkheid hebben voorgedaan.”
nog een bewijsronde”). In het eindarrest heeft het hof besproken dat het laatstelijk ingebrachte nieuwe schriftelijke bewijs – de schriftelijke verklaring van [betrokkene 8] – naar zijn oordeel onvoldoende was om te leiden tot “
gerede twijfel”. Dat oordeel komt erop neer dat [eiser] niet was geslaagd in het leveren van het tegenbewijs en dus kwam hem ook geen recht op bewijslevering meer toe (mogelijk is het daarom dat het hof spreekt van “
een eventueel recht” op nog een bewijsronde). Dit relativeert de ‘ernst’ van de gevolgtrekking mijns inziens aanzienlijk.
Subonderdeel 2.4 [129] betoogt dat als het hof op zichzelf kon oordelen dat een hypothetisch samenwerkingsverband aannemelijk is, hoe dan ook onjuist [130] of onbegrijpelijk is dat het hof bij de “
eigenlijke schadebegroting” de onzekerheden “
die in dit verband ontegenzeggelijk bestaan” niet heeft verdisconteerd. Dat ten minste sprake is van onzekerheid blijkt niet alleen uit de in subonderdeel 2.1 aangehaalde stellingen, maar ook uit de overwegingen van het hof zelf. Zonder nadere toelichting is onbegrijpelijk hoe het hof is gekomen van het oordeel dat een samenwerking met (lees: structureel schepen charteren van) Harms ‘mogelijk’ en ‘niet ondenkbaar’ was, tot het (veronderstelde) oordeel dat de kans zéér groot is dat Fairmount op grond van een dergelijke samenwerking alle opdrachten in de scenario’s 2 en 4a met een schip van Harms zou hebben uitgevoerd, temeer omdat het hier gaat om een begroting van zuivere vermogensschade, zodat de drempel voor het oordeel dat er geen te verdisconteren onzekerheden zijn nog hoger ligt.
schadebegrotingsexercitie van het Hof” berust op de aanname dat Fairmount
allevijftien opdrachten gegund zou hebben gekregen. Dat oordeel is onbegrijpelijk is het licht van de vaststaande feiten die uitwijzen dat Fairmount veel concurrentie ondervond.
vaak zelfs een opdracht via meerdere brokers bij (vele) rederijen(...)
uitzetten, waarna de opdrachtgever de beslissing neemt”, [135] waarbij ze in de regel “
altijd kiezen voor de geschikte sleepboot(...)
die het te slepen object het snelste (en daarmee voor de opdrachtgever goedkoopste) naar de plek van bestemming zal kunnen verslepen”. [136]
minder dan 0,4% van de wereldwijde korte afstand-slepen en 8% van de lange afstandslepen”. [138]
brokers. [141]
(En mocht het hof toch geacht worden (een deel van) de bovenstaande stellingen voor onjuist te hebben gehouden, dan is dat oordeel onvoldoende – want in het geheel niet – gemotiveerd)”.
Subonderdeel 3.1 [142] richt zich tegen rov. 2.43 van het tweede tussenarrest en rov. 2.33 van het eindarrest en betoogt dat het oordeel dat Fairmount, indien ALP niet zou zijn opgericht, geen concurrentie zou hebben ondervonden van Harms, zonder nadere toelichting onbegrijpelijk is. Uit de hiervoor (randnummer 3.174) onder e. en f. opgenomen feiten volgt namelijk dat Fairmount, ook als ALP niet was opgericht, concurrentie van Harms ondervond en verder zou hebben ondervonden. [143]
Harms commercieel slecht gemanaged werd en niet veel werk had” voorshands aannemelijk geacht dat er een vorm van samenwerking zou zijn gekomen (zie rov. 6.18.3 van het eerste tussenarrest), welk oordeel werd onderstreept door de verklaring van [betrokkene 5] , die verklaarde dat de “
fleet” van Harms “
in the course of 2009” “
little employment” had en dat het “
financially difficult times”waren voor Harms (zie rov. 2.7 van het tweede tussenarrest). Een en ander wijst erop dat de mate van concurrentie die Fairmount van Harms zou hebben ondervonden, in het geval ALP niet zou zijn opgericht en geen samenwerkingsverband zou zijn ontstaan, waarschijnlijk gering was. De omstandigheid dat er wel van moet worden uitgegaan dat een samenwerkingsverband zou zijn ontstaan, zal mijns inziens niet snel kunnen leiden tot het oordeel dat Fairmount daarom meer last van de concurrentie van Harms zou ondervinden; eerder zou dat andersom zijn.
Subsubonderdeel 3.1.1 [144] richt zich tegen rov. 2.16.1. van het tweede tussenarrest en rov. 2.33 van het eindarrest en klaagt dat “
in het verlengde daarvan” onbegrijpelijk is ’s hofs kennelijke oordeel dat Fairmount project 5 gegund zou hebben gekregen, nu [eiser] , onder verwijzing naar de verklaring van [betrokkene 7] , heeft aangevoerd dat de prijs die Fairmount voor dat project offreerde véél hoger lag dan de prijs die Harms heeft geoffreerd, en dat de klant daarom hoe dan ook voor Harms (althans niet voor Fairmount) zou hebben gekozen. [145] Daarbij bespreekt het subsubonderdeel waarom de verwerping door het hof van dat verweer van [eiser] in het licht van de (veronderstellenderwijs aangenomen) vaststaande feiten, onvoldoende is. [146]
Project 5
in ieder geval een gerede kans bestond dat deze projecten aan Fairmount zouden zijn gegund in de hypothetische situatie dat [eiser] niet onrechtmatig zou hebben gehandeld en ALP niet zou zijn opgericht”. Volgens mij heeft het hof hiermee niet bedoeld om bij wijze van eindbeslissing te oordelen dat alle projecten in scenario 1 en 2 aan Fairmount zouden zijn gegund, mede gelet op wat het hof in rov. 6.23 van het eerste tussenarrest – waar het hof mijns inziens met betrekking tot een specifiek project (project 10) wél een eindbeslissing op dit punt heeft gegeven (zie hiervoor randnummers 3.62-3.63 en hierna randnummers 3.203-3.205) – en in het tweede tussenarrest heeft overwogen en geoordeeld.
Crosco een vaste klant was van Fairmount en dat het aannemelijk is dat Crosco zich tot ALP heeft gewend omdat zij de oprichters van ALP al kende uit de tijd dat deze werkzaam waren bij Fairmount”. Volgens het hof is Crosco dus alleen bij Harms uitgekomen vanwege haar bekendheid met de oprichters van ALP, waarmee het hof dus kennelijk tot uitdrukking heeft willen brengen dat als de oprichters van ALP niet bij Fairmount waren vertrokken, Crosco vanwege haar vaste klantrelatie met de oprichters van ALP die dan nog bij Fairmount zouden zitten de opdracht aan Fairmount zou hebben gegund (waarmee het hof dus ook impliciet heeft verworpen de in randnummer 3.174 onder ‘b.’ weergegeven stelling dat een opdrachtgever altijd de goedkoopste optie kiest, al dan niet omdat zij die vanwege haar vaste klantrelatie niet eens onderzoekt). Dat oordeel is niet onbegrijpelijk, mede gelet op het feit dat de stelling van [eiser] in randnummer 17.54 van zijn memorie na het eerste tussenarrest was dat de door Fairmount geoffreerde prijs “
hoger lag” dan de door Harms geoffreerde prijs (en dus niet, zoals onderdeel stelt “
véél hoger”). Pas in zijn memorie na het tweede tussenarrest heeft [eiser] gesteld dat de geoffreerde prijs van Fairmount 29% hoger lag (welke stelling het hof overigens in rov. 2.33 van het eindarrest ook heeft behandeld en verworpen), maar die stelling kon het hof in zijn tweede tussenarrest dus nog niet in zijn beoordeling betrekken. Gelet op het voorgaande faalt de klacht.
Subsubonderdeel 3.1.2 [147] begint met de opmerking dat “
datzelfde” geldt voor project 27.5. [eiser] heeft gesteld dat Fairmount ruim 52% duurder was dan Harms, en dat de opdracht dus nooit aan Fairmount zou zijn gegund. [148] De verwerping van dit betoog in rov. 2.40 van het eindarrest lijkt te berusten op de onbegrijpelijke veronderstelling dat Fairmount in de hypothetische situatie niet zou hebben geconcurreerd (en dus niet moet worden vergeleken) met Harms.
et hof(…)
van oordeel[is]
dat [eiser] onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat het aannemelijk is dat project 27.5 aan Fairmount zou zijn gegund als ALP niet zou zijn opgericht”. De stelling die het subsubonderdeel aanhaalt, dat Fairmount ruim 52% duurder was dan Harms, heeft [eiser] in zijn memorie na het tweede tussenarrest ingenomen. [150] Dat het hof in rov. 2.40 van het eindarrest de tegenwerping van [eiser] heeft besproken dat Signet om “
financiële redenen” niet met Fairmount in zee zou zijn gegaan, is dus ten overvloede. Bovendien mist de klacht feitelijke grondslag voor zover deze ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat Fairmount in het hypothetische scenario niet zou hebben geconcurreerd met Harms (zie hiervoor randnummer 3.179). Bij deze stand van zaken kan verder in het midden blijven of [eiser] zijn stellingen voldoende had onderbouwd.
Subonderdeel 3.2 [151] acht het oordeel van het hof dat (aannemelijk is dat) Fairmount in het hypothetische scenario
allevijftien projecten in de scenario’s 1, 2 en 4a gegund zou hebben gekregen onbegrijpelijk.
Subonderdeel 3.3 [154] klaagt dat ’s hofs onderbouwing van zijn oordeel dat project 10 aan Fairmount zou zijn gegund ontoereikend is, omdat met die onderbouwing niet (wezenlijk) wordt gerespondeerd op het verweer van [eiser] . Dat wordt uitgewerkt in twee subsubonderdelen.
Subsubonderdeel 3.3.1 [155] begint met de vooropstelling dat vaststaat dat Fairmount in 2008 het contract voor project 10 heeft gekregen, maar dat de opdrachtgever dat later heeft opgezegd en – via ALP – een nieuw contract heeft gesloten. Vervolgens leidt het onderdeel uit rov. 6.23 van het eerste tussenarrest af dat het hof kennelijk op basis daarvan heeft besloten dat aannemelijk is dat project 10 in het hypothetische scenario aan Fairmount gegund zou zijn.
uit mei 2008”, maar het project heeft “
enorme vertragingen(…)
opgelopen”;
n sleepboot met DP2-capaciteit nodig(…)
waarover Fairmount(…)
niet beschikte”;
de prijzen voor de sleepvaart in 2010 enorm(…)
gedaald als gevolg van marktomstandigheden”, zodat de opdrachtgever “
er ook daarom goed aan deed deze sleep opnieuw uit te besteden, waartoe zij contractueel gerechtigd was”;
USD 1.650.000 lager[ligt]
dan de prijs waar Fairmount in 2008 voor offreerde”, namelijk USD 3.700.000 [158] ;
te duur doordat haar offerte uit 2008 stamde,[en]
had geen geschikte sleepboot beschikbaar”, zodat haar contract altijd – “
ook zonder de oprichting van ALP” – zou zijn opgezegd. [159]
Project 10
n een situatie als de onderhavige, waarin moet worden beslist wat er zou zijn gebeurd als [eiser] niet onrechtmatig zou hebben gehandeld,(…)
vrijwel nooit 100% zekerheid[valt]
te verkrijgen over het antwoord op de vraag of de opdracht aan Fairmount zou zijn gegund. Het komt in dit soort situaties aan op de redelijke verwachting die de rechter op basis van de stellingen van partijen heeft omtrent de toekomstige ontwikkelingen. In dit concrete geval acht het hof redelijkerwijs aannemelijk dat de opdracht aan Fairmount zou zijn gegund.” Hiermee heeft het hof tot uitdrukking gebracht dat aan stellingen van Fairmount over de hypothetische situatie geen strenge eisen mogen worden gesteld. Bij de beoordeling van de hypothetische situatie komt het dan ook aan op hetgeen hieromtrent redelijkerwijs te verwachten viel. In dat verband dienen de goede en kwade kansen te worden afgewogen, bij welke afweging de rechter een aanzienlijke mate van vrijheid heeft (zie randnummer 3.21). In dat verband heeft het hof ook de door [eiser] nieuw aangevoerde argumenten beoordeeld, maar die hebben hem niet tot een ander oordeel gebracht. Dat oordeel is tegen de achtergrond van de rechterlijke vrijheid op dit punt, niet onbegrijpelijk, nog daargelaten dat het subsubonderdeel niet voldoende duidelijk uiteenzet waarom dat wel het geval zou zijn. Cassatie is geen derde feitelijke instantie.
Subsubonderdeel 3.3.2 [160] betoogt dat als het oordeel dat project 10 aan Fairmount zou zijn gegund overeind blijft, dan nog de wijze waarop het hof de schade vanwege het mislopen ervan heeft begroot, onbegrijpelijk is.
oorspronkelijk geoffreerdeprijs had mogen uitvoeren. ‘Daarom’ heeft het hof in rov. 2.47 van het tweede tussenarrest Fairmount nog de gelegenheid gegeven om op het betoog van [eiser] te reageren dat Fairmount project 10 voor de oorspronkelijk geoffreerde prijs had mogen uitvoeren en dat Fairmount dat vervolgens ook heeft gedaan en [eiser] daarop gerespondeerd heeft, onder meer door (tegen)bewijs aan te bieden door (personen werkzaam bij) de opdrachtgever te horen. [161]
besproken en verworpen”, blijkt nergens dat het hof op ‘bovenstaande kwestie’ is teruggekomen, waarmee het een ‘ook naar zijn eigen oordeel essentieel betoog’ onbehandeld heeft gelaten en bovendien een daarmee verband houdend tegenbewijsaanbod stilzwijgend heeft gepasseerd. Daarmee is het oordeel ontoereikend gemotiveerd en geeft het blijk van ‘endemische miskenning’ van het recht op tegenbewijslevering.
nders dan Fairmount heeft aangevoerd,(…)
echter van oordeel[is]
dat dit project in scenario 2 valt, omdat het de bedoeling van Fairmount was het traject Kaapstad – Rio de Janeiro uit te voeren met een sleepboot van Harms”. Fairmount had aangevoerd dat dit project in scenario 1 valt (zie slotzin van de eerste alinea van rov. 2.16.3. van het tweede tussenarrest). De verwerping van dat betoog, waardoor het project ingedeeld werd in een ander scenario, kan ook gevolgen hebben voor de begroting van de door Fairmount geleden schade. Dat heeft het hof zich kennelijk ook gerealiseerd.
hierboven geschetste betoog van [eiser]”, maar de eerdere beslissing van het hof dat het project in scenario 2 en niet 1 viel. Partijen hebben vervolgens in hun memories na het tweede tussenarrest hierover standpunten ingenomen. [162] [eiser] heeft daarin met name aangevoerd dat Fairmount ten onrechte vergoeding van de omzet en niet van de winst vordert. Op dat bezwaar heeft het hof gereageerd in rov. 2.47-2.48 van het eindarrest. De opmerking van het hof in rov. 2.57 van het eindarrest dat het “[h]
iervoor” alle verweren van [eiser] die betrekking hebben tot het toegewezen bedrag heeft “
besproken en verworpen” ziet dan ook daarop.
bovenstaande kwestie” ingegaan (zie de behandeling van subsubonderdeel 3.3.1) en behoefde dat in dit kader niet nogmaals te doen. Het oordeel van het hof is verder niet onbegrijpelijk.
Subonderdeel 3.4 [163] klaagt dat indien ’s hofs oordeel zo moet worden begrepen dat niet alleen (voldoende) aannemelijk is, maar zelfs een zeer grote kans bestaat dat Fairmount in het hypothetische scenario
allevijftien opdrachten zou hebben verkregen, dat oordeel ‘temeer’ onbegrijpelijk is. Zonder nadere toelichting valt niet in te zien waarom een reële kans zou hebben bestaan dat ook maar één van de vijftien projecten hoe dan ook zou zijn gegund aan Harms of een van de andere rederijen waarmee Fairmount concurreerde. De vaststaande feiten [164] wijzen immers juist op het tegendeel. En ook hier geldt dat het ontbreken van een motivering extra klemt omdat het gaat om vermogensschade (ik neem aan zuivere vermogensschade). [165]
onderdeel 4. [167] Ook dit onderdeel begint met een inleiding (randnummer 66.) en een weergave van het partijdebat en overwegingen van het hof (randnummers 67.-70.), waarin geen klachten zijn te vinden.
Klachten”. Onder randnummers 71.-72. wordt geklaagd dat ’s hofs oordeel onjuist of onbegrijpelijk is, met name in het licht van (randnummer 2.56 van) het HKA Global-rapport. Uit dat rapport volgt namelijk niet waarom HKA Global de hypothetische daghuurprijs van de schepen van Harms baseert op de gemiddelde opbrengst van de schepen van Fairmount en niet op de daghuurprijzen zoals die blijken uit de feitelijk gesloten overeenkomsten. In zoverre berust het oordeel dat in het HKA Global-rapport wordt toegelicht waarom voor al de schepen van Harms kan worden gerekend met een daghuurprijs van USD 25.000, op een onbegrijpelijke uitleg van dat rapport, omdat het rapport op die waaromvraag geen antwoord biedt. In ieder geval valt zonder nadere toelichting niet in te zien waarom het feit dat Fairmount zelf gemiddeld USD 25.000 verdiende met haar schepen, maakt dat het “
alleszins redelijk” is om ervan uit te gaan dat Harms ook al haar schepen voor dat soort bedragen zou verhuren, in weerwil van de hogere, daadwerkelijk overeengekomen daghuurprijzen.
nietduidelijk is wat precies de ‘redenering’ achter de inschatting is. En onjuist, omdat als aan een inschatting weliswaar een redenering ten grondslag ligt, maar die redenering (1) niet aansluit bij de meest concrete aanknopingspunten en (2) daardoor meebrengt dat de schade op een te hoog bedrag uitkomt, de rechter bij de schadebegroting niet zonder meer van die redenering mag uitgaan.
speculatieve overweging” dat “
niet ondenkbaar is dat Fairmount de mogelijkheid zou hebben gehad om een korting te bedingen bij het inhuren van de schepen van Harms”. Zonder nadere toelichting valt niet te zien waarom deze overweging maakt dat ervan moet worden uitgegaan dat Fairmount ook daadwerkelijk een korting zou hebben bedongen.
day ratevan USD 27.430.- gold.
”Verder”) en een volledig citaat van rov. 2.46 van het tweede tussenarrest,
A-G]
day ratevan USD 27.430,- die volgens [eiser] destijds voor de schepen van Harms gold, overweegt het hof het volgende. In het rapport HKA Global wordt onderkend dat de daghuurprijs van schepen van Harms ongeveer USD 27.000.- is. In dit verband wordt in het rapport melding gemaakt van een contract tussen Fairmount en Harms uit 2010, waarbij de daghuurprijs van de JANUS is bepaald op dat bedrag en waarin ook is overeengekomen dat de daghuurprijs voor ‘standby’ USD 20.000,- bedraagt. In 2.56 van het rapport is toegelicht waarom (ook) voor de schepen van Harms (in beginsel) gerekend wordt met een daghuurprijs van USD 25.000,-. De in het rapport HKA Global genoemde daghuurprijzen zijn alleszins redelijk, mede in aanmerking genomen dat deze berusten op een beredeneerde inschatting, waarbij niet ondenkbaar is dat Fairmount de mogelijkheid zou hebben gehad om een korting te bedingen bij het inhuren van de schepen van Harms. Tegen deze achtergrond is er onvoldoende aanleiding om af te wijken van de bedragen die in dat rapport worden genoemd.”
e begrote inkomsten(…)
in dat geval[in scenario 2,
A-G]
ook nog[moeten]
worden verminderd met de prijs die Fairmount moet betalen voor de huur van een sleepboot van een derde partij” en dat “[o]
m te bepalen om welk bedrag het gaat is berekend wat het gemiddelde dagtarief van Fairmount was”. Dat bedrag is volgens HKA Global USD 25.000,-, aldus het hof. Vervolgens heeft het hof de door [eiser] daartegen aangevoerde bezwaren verworpen. Uit deze bespreking volgt mijns inziens dat het hof zowel de wijze van begroting (dus begrote inkomsten verminderd met het gemiddelde dagtarief van Fairmount) als de hoogte van het gemiddelde dagtarief (USD 25.000,-), bij wege van eindbeslissing, als juist heeft aanvaard.
geen aanleiding[ziet]
om van de reeds gegeven beslissingen terug te komen”. Vervolgens is het hof, kennelijk ten overvloede, alsnog ingegaan op de door [eiser] naderhand aangevoerde argumenten.
met name” onbegrijpelijk in het licht van (randnummer 2.56 van) het HKA Global-rapport. Dat randnummer is het laatste randnummer van het kopje “
The Prices Obtained by Fairmount for its Own Tugs”. Onder dat kopje wordt toegelicht hoe de rapporteur tot het gemiddelde daghuurtarief van Fairmount is gekomen (randnummers 2.50-2.52) en worden twee contracten tussen Fairmount en Harms besproken waarbij Fairmount de JANUS van Harms zou huren. De conclusie volgt in randnummer 2.56:
compares favourably” met het “
per diem rate” van Harms, ziet als gegronde reden om (in beginsel) het gemiddelde dagtarief in zijn schadeberekening te hanteren. Hieruit volgt dus dat het hof als uitgangspunt het gemiddelde dagtarief heeft gehanteerd, maar ruimte heeft gelaten voor uitzonderingen. Dat het hof als uitgangspunt een gemiddeld dagtarief heeft gehanteerd, is te rechtvaardigen in het licht van het feit dat de verschillende projecten met verschillende schepen zouden worden uitgevoerd, waarbij niet altijd duidelijk is wat de inhuurprijs zou zijn geweest. [170] Voor gevallen waarin dat wel duidelijk zou zijn geweest, heeft het hof de optie opengehouden om daar een andere inhuurprijs te hanteren. [171] Ook is niet onbegrijpelijk dat het hof de gemiddelde dagtarieven als alleszins redelijk beschouwd. De motivering van het hof daarvoor is dat die dagtarieven zijn gebaseerd op een “
beredeneerde inschatting”
,waarmee het hof kennelijk doelde op randnummers 2.50-2.52 van het HKA Global-rapport waaruit inderdaad een beredeneerde inschatting blijkt. Bovendien, zo vervolgde het hof, is niet ondenkbaar dat Fairmount de mogelijkheid zou hebben gehad om een korting te bedingen bij het inhuren van de schepen van Harms. Daarmee doelde het hof kennelijk op het in het hypothetische scenario aangenomen samenwerkingsverband tussen Fairmount en Harms op grond waarvan Fairmount naar het oordeel van het hof kennelijk een korting zou kunnen bedingen. Ook dat is goed te volgen.
Onderdeel 5 [172] richt zich tegen ’s hofs oordeel in rov. 2.55 van het eindarrest dat de verschuiving van schade van project 9.1 naar project 9.2 niet kan worden gekwalificeerd als een (ongeoorloofde) vermeerdering van eis, aangezien het totaal gevorderde schadebedrag niet is vermeerderd. Hiermee heeft het hof miskend dat voor de vraag of sprake is van een eisvermeerdering moet worden gekeken naar de
concrete vorderingdie voorligt en niet naar de totale geldsom die het
gecumuleerde gevorderderepresenteert.
geen inhoudelijke gronden” zou hebben aangevoerd waarom de verandering van eis niet toelaatbaar zou zijn kan een dergelijke motivering reeds daarom niet dragen, nu het hof in het eindarrest op ten minste twee plaatsen en zonder nadere motivering stellingen van [eiser] als tardief heeft afgedaan. Waarom het hof tegen die achtergrond Fairmount niet op gelijke wijze heeft behandeld als [eiser] is zonder nadere onderbouwing onbegrijpelijk, althans getuigt van een miskenning van het beginsel van gelijke wapenen.
No. 9 –OCEAN ORCloaded with two inland vessels
exclusive agentwas van Fukada. Het feit dat Fairmount ten aanzien van de reis in persbericht 9.2 op 5 oktober 2009 offreerde met de inzet van de OCEAN ORC laat zien dat er geen twijfel bestond over de optie om de OCEAN ORC te kunnen inzetten. [176] De schade werd door HKA Global begroot op USD 62.000. Er is geen aanleiding voor aanpassing van die begroting.
river bargesvan Belem (Brazilië) naar Parana River (Argentinië). In het HKA rapport is de mobilisatie van Amsterdam naar Belem uit de berekening van project 9.2 gelaten, ómdat project 9.1 een opdracht met betrekking tot het traject Amsterdam – Belem betrof. [180] De geoffreerde prijs voor project 9.2 bevatte echter weldegelijk mobilisatiekosten voor het traject Amsterdam – Belem. [181] Die mobilisatiekosten moeten alsnog worden meegerekend wanneer project 9.1 buiten beschouwing moet blijven.
USD 178.320,00in plaats van USD 118.960. [182] [183]
Fairmount(…)
het gehele contract al kwijt[was]
aan Augustea en daar had ALP of Harms niets mee te maken”. Met die stelling heeft [eiser] betwist dat Fairmount zowel projecten 9.1 als 9.2 zou hebben verkregen, maar daarmee heeft hij niet gerespondeerd op de stelling van Fairmount dat de mobilisatiekosten bij project 9.2 moeten worden meegerekend als project 9.1 niet voor vergoeding in aanmerking komt. Vandaar ook het oordeel van het hof dat “
geen inhoudelijke gronden[heeft]
aangevoerd waarom deze verschuiving niet toelaatbaar zou zijn”. Tegen deze achtergrond is onjuist, noch onbegrijpelijk dat het hof de toerekening/verschuiving van de mobiliteitskosten onder project 9.2 niet heeft beschouwd als een eiswijziging. Het betoog dat het hof met dit oordeel het beginsel van de gelijke wapenen heeft miskend, omdat het hof in het eindarrest twee stellingen van [eiser] heeft afgedaan als tardief, laat ik, alleen al omdat het onvoldoende deugdelijk in de verf is gezet, verder voor wat het is.
Onderdeel 6 [184] betoogt dat het hof in rov. 2.49 tot en met 2.51 van het eindarrest heeft geoordeeld dat Fairmount in verband met de overstap van Fukada naar ALP recht heeft op vergoeding van de
agency feedie Fukada betaalde, met aftrek van de salariskosten die met het vertrek van Fukada zijn bespaard.
feetot 1 september 2010 betaalde, en haar verduidelijking dat zij alleen voor de periode daarna schadevergoeding vorderde. [186] Tegen deze achtergrond is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden, althans heeft het miskend dat een bepaald verweer niet tardief is, indien de wederpartij ondubbelzinnig erin heeft toegestemd dat het in de rechtsstrijd wordt betrokken, hetgeen al het geval is indien zonder voorbehoud op het verweer is gereageerd, en dus temeer als de (feitelijke) juistheid ervan zonder voorbehoud wordt erkend.
agency feevan USD 2.000,- per maand zonder meer voor vergoeding in aanmerking komt, met dien verstande dat de periode waarover de vergoeding is verschuldigd wordt beperkt tot twee jaar. Dit komt uit op een totaalbedrag van USD 48.000,-.
agency feevan USD 2.000 per maand zonder meer voor vergoeding in aanmerking komt, met dien verstande dat de periode waarover de vergoeding is verschuldigd wordt beperkt tot twee jaar. [eiser] heeft niet voldoende gemotiveerd toegelicht waarom Fukada in deze periode niet bij Fairmount zou zijn gebleven.”
Fukadanaar ALP, dat “
de misgelopen agency fee van USD 2.000 per maand zonder meer voor vergoeding in aanmerking komt, met dien verstande dat de periode waarover de vergoeding is verschuldigd wordt beperkt tot twee jaar” (r.o. 6.13.1). [eiser] heeft zich daarom bij dit oordeel neer te leggen. Daarbij stelt [eiser] echter wel vast dat nader bepaald moet worden welke beweerdelijke schade Fairmount hierdoor geleden heeft. Daarbij geldt, zoals in het Hermes Rapport terecht is opgemerkt: “
Deze post dient verder te worden verminderd met de kosten vanwege de samenwerking met Fukada. Het bedrag dat Fairmount nu opvoert (de agency fee) ziet op omzet (dus vóór aftrek van kosten). [betrokkene 6] [betrokkene 7] heeft verklaard dat [betrokkene 6] [betrokkene 2] zich binnen Fairmount bezighield met Fukada (zie verklaring [betrokkene 7] , pagina 26[...]
). Zijn salariskosten zullen (in elk geval voor het deel dat [betrokkene 2] zich bezighield met Fukada) alsnog op dit bedrag (de omzet uit agency fee) in mindering moeten worden gebracht”. Bij gebrek aan concrete stellingen van Fairmount moet aangenomen worden dat deze salariskosten gelijk zijn aan of vergelijkbaar met de salariskosten van [betrokkene 2] wat deze werkzaamheden betrof. Dit resulteert in een toewijsbare schadevordering van EUR 0.”
bevoegdis om, nadat partijen de gelegenheid hebben gekregen zich dienaangaande uit te laten, over te gaan tot heroverweging van die eindbeslissing, teneinde te voorkomen dat hij op een ondeugdelijke grondslag een einduitspraak zou doen. [188] De rechter is echter niet verplicht om van een eindbeslissing terug te komen. Indien een geïntimeerde voor het eerst een verweer voert nadat de grenzen van de rechtsstrijd in de memories van grieven en van antwoord in beginsel zijn afgebakend en het hof op basis daarvan een bindende eindbeslissing omtrent een geschilpunt heeft gegeven, terwijl hij dat verweer eerder had kunnen en moeten voeren en het mede ertoe strekt dat het hof terugkomt van die eindbeslissing, handelt hij in strijd met de eisen van een goede procesorde en met het daarin besloten liggende beginsel van concentratie van het processuele debat, tot uitdrukking komend in de tweeconclusieregel. Het hof heeft kennelijk geoordeeld dat [eiser] dit verweer eerder had kunnen en moeten voeren en is daarom niet teruggekomen van zijn eindbeslissing. Dat is, gegeven het feit dat [eiser] al bekend was met het oordeel na het eerste tussenarrest en heeft nagelaten zich gelijk daarna op dat verweer te beroepen, onjuist noch onbegrijpelijk. Ten overvloede merk ik op dat de door het onderdeel aangehaalde beschikking [189] niet ziet op een geval waarin een eindbeslissing is genomen, maar op het geval waarin een verweer pas tijdens de mondelinge
behandelingis gevoerd en de vraag was of dat verweer gelet op de tweeconclusieregel buiten beschouwing had moeten worden gelaten.
4.Bespreking van het incidenteel cassatiemiddel
nders dan Fairmount aanvoert”. Fairmount heeft in randnummer 13. van haar memorie van grieven het volgende aangevoerd (onderstreping door mij):
en dat de onrechtmatige daad tenminste voortduurde tot de verkoop van ALP.”
engaged or interested” in ALP in de zin van het non-concurrentiebeding geweest (zie ook 3.9). OMB heeft daarvan ook bij voortduring profijt gehad in de vorm van rente.
Hoewel het non-concurrentiebeding OMB ertoe verplichtte de financiering ongedaan te maken, heeft OMB dat niet gedaan en is zij na de aanvankelijke overtreding voortdurend in gebreke gebleven. De financiële verbondenheid heeft in elk geval voortbestaan tot begin 2014, het moment waarop ALP is verkocht aan Teekay en, volgens [eiser] c.s., de lening van Yafava aan ALP vervroegd is afgelost en nadien ook de lening van OBM [lees: OMB,A-G] aan Yafava. Grief 1 in het principaal appel slaagt derhalve.”
daar komt nog bij”) dat er ook “
rekening mee moet worden gehouden dat er een gerede kans zou zijn geweest dat, in de hypothetische situatie dat ALP begin 2010 niet zou zijn opgericht, zich na verloop van twee jaar een andere concurrent zou hebben aangediend, dan wel dat de markt inmiddels anderszins zou zijn gewijzigd”. Ik leid hieruit af dat het hof vraagtekens plaatste bij het
condicio sine qua non-verband tussen enig onrechtmatig handelen van [eiser] en eventuele na de afloop van de periode waarop het non-concurrentiebeding betrekking heeft (beweerdelijk) geleden schade. Die schade zou ‘anders’, wanneer [eiser] zich wel keurig aan het non-concurrentiebeding zou hebben gehouden, mogelijk ook zijn ontstaan.
nietin alle gevallen het moment is waarop de schade voor Fairmount ontstaat. Het ontstaansmoment van de schade zou dan het moment zijn waarop de verworven opdracht
tot werkzaamheden en inkomstenleidt. Uitgangspunt lijkt mij echter dat het moment waarop een opdracht door ALP is verworven gelijk is aan het moment waarop de schade ontstaat voor Fairmount (in die gevallen waarin Fairmount die opdracht ‘anders’ in de wacht zou hebben gesleept).
bijv. projecten 34, 39 en 48, genoemd in de memorie na tussenarrest van 7 mei 2024, rn. 92 en voetnoot 67”.
inhet eerste tussenarrest gaat. Met die stellingen heeft het hof in zijn eerste tussenarrest dus geen rekening kunnen houden. Dat het oordeel van het hof in dat eerste tussenarrest onjuist of onbegrijpelijk zou zijn omdat het met die stellingen geen rekening heeft gehouden, valt daarom niet vol te houden. Bovendien volgt het hier in het verweerschrift tevens incidenteel cassatieberoep gevoerde betoog niet uit die stellingen: [197]
onderhandelingenal waren gestart vóór afloop van het non-concurrentiebeding. Voor zover Fairmount hiermee heeft willen betogen dat ook het voeren van onderhandelingen gezien moet worden als strijdig met het non-concurrentiebeding (en daarmee wat [eiser] betreft als onrechtmatig gedrag van hem moet worden gezien), al dan niet tezamen met de opmerking dat de ‘schaduw van zijn handelingen daarmee heel veel verder in de toekomst’ viel, zijn deze vage en voornamelijk in de voetnoot vermelde stellingen daarvoor onvoldoende. Het is althans niet onbegrijpelijk als het hof dat niet als zodanig heeft begrepen. Bovendien beroept Fairmount zich in cassatie ook niet daar op, maar betoogt zij dat het hof heeft miskend dat tussen het moment van opdrachtverwerving en het ontstaansmoment van schade tijd kan verstrijken. Daarin lees ik geen betoog terug dat is gebaseerd op het voeren van onderhandelingen als schending van het non-concurrentiebeding.
condicio sine qua non-verband staat met het onrechtmatig handelen van [eiser] , namelijk omdat een gerede kans bestaat dat de markt dan veranderd zou zijn.
verplichtingom hierop te beslissen.