Conclusie
1.Inleiding en samenvatting
2.Feiten en procesverloop
Het cassatieberoep van [de eigenaar] in het geding met de Pachter
4.Inleidende beschouwingen met betrekking tot bodembestanddelen
Twee te onderscheiden redenen voor meerwaarde in verband met de aanwezigheid van bodembestanddelen
willekeurigeredelijk handelende koper aan de eigenschap waarde toekent. Wat betreft bodembestanddelen veronderstelt dit een voordeel in verband met die bestanddelen dat door iedere eigenaar kan worden verzilverd. Zo komt de aanwezigheid van bodembestanddelen die de bodemvruchtbaarheid bevorderen tot uitdrukking in een hogere waarde van gronden met een agrarische bestemming. Als men spreekt over de invloed van bodembestanddelen op de hoogte van de vergoeding van de werkelijke waarde, heeft men echter vrijwel steeds op iets anders het oog, namelijk een meerwaarde van de onteigende zaak in verband met de mogelijkheid om de erin aanwezige bodembestanddelen
te winnen. Zulke meerwaarde voor een willekeurige koper veronderstelt dan uiteraard dat zulke winning mogelijk is, niet alleen feitelijk, maar ook in juridische zin. Praktisch betekent dit dat aannemelijk moet zijn dat de eigenaar de voor de winning benodigde overheidsvergunningen zal kunnen verkrijgen. Gangbaar is om in dit verband te spreken van
winbarebodembestanddelen: bodembestanddelen waarvan de winning voor iedere eigenaar tot de mogelijkheden behoort. De bedoelde meerwaarde in verband met de aanwezigheid van winbare bodembestanddelen bestaat ook dan indien een aspirant-koper niet het voornemen heeft om tot de bedoelde winning over te gaan. Reeds de
mogelijkheidvan de winning heeft op de marktwaarde van de onroerende zaak immers invloed.
voor de onteigenaarvan waarde is in verband met het werk met het oog waarop de onteigening plaatsvindt, althans met het oog op het doel van de onteigening. We spreken dan van een
bijzondere geschiktheidvan het onteigende. De bedoelde waarde voor (specifiek) de onteigenaar kan erin bestaan dat de onroerende zaak, meer en anders dan andere gronden, reeds deels de eigenschappen van het te realiseren werk bezit. Zo bijvoorbeeld een dijklichaam, dat weliswaar nog niet in alle opzichten voldoet aan de actuele veiligheidsnorm met het oog waarop wordt onteigend, maar meer dan andere gronden die in de regel voor dijkverbetering worden gebezigd die norm reeds benadert, zodat met een beperkt verbeteringswerk kan worden volstaan. [8] Bijzondere geschiktheid kan ook worden ontleend aan de ligging van het onteigende: men denke aan ligging langs een reeds verharde weg, zodat bij de aanleg van bijvoorbeeld een nieuw bedrijventerrein op kosten kan worden bespaard (‘voorstrook’). [9] Bijzondere geschiktheid is verder bijvoorbeeld ook de aanwezigheid in het onteigende van een diepe plas waarin men bij de uitvoering van het werk vrijkomende grond kwijt kan, zodat niet voor de afvoer van die grond kosten behoeven te worden gemaakt. [10] Kortom, bijzondere geschiktheid kan zowel bestaan in de hoedanigheid van de grond als in haar ligging. [11]
onwinbare bodembestanddelen.Dat (alleen) het werk waarvoor wordt onteigend de winning van de bodembestanddelen mogelijk maakt, is weer in verband te brengen met de eliminatieregel. Opnieuw heeft de regel dat met (de plannen voor) het werk en de overheidswerken die daarmee in verband staan geen rekening wordt gehouden (art. 40c Ow), schijnbaar tot gevolg dat de meerwaarde in verband met de aanwezigheid van de onwinbare bodembestanddelen die zich uitsluitend voor de onteigenaar voordoet, buiten beschouwing dient te blijven. En opnieuw geldt dat de rechtspraak van uw Raad dit niet heeft aanvaard.
redenenvoor een meerwaarde van het onteigende in verband met de aanwezigheid van bodembestanddelen (namelijk waarde voor iedere willekeurige eigenaar respectievelijk bijzondere geschiktheid) en niet, althans niet bij wijze van hoofdindeling, van twee te onderscheiden
typenbodembestanddelen, namelijk winbare en onwinbare. Ik weet dat een indeling in laatstbedoelde zin in de literatuur zeer gangbaar is, waarbij dan de veronderstelling is dat voor ieder type deels verschillende regels gelden. Mogelijk ook gaat sommige rechtspraak van uw Raad uit van het bestaan van afzonderlijke regels voor respectievelijk winbare en onwinbare bodembestanddelen. [18] In conclusies in eerdere zaken heb ik mij ook zelf van die indeling bediend. Bij nader inzien meen ik echter dat die wijze van voorstellen gemakkelijk tot misverstand leidt. Hierna 4.35 komt dit nader aan de orde. Ik kondig op deze plaats reeds aan dat de omstandigheid dat ook een willekeurige eigenaar de bodembestanddelen had kunnen winnen, mijns inziens niet rechtvaardigt dat een groter specifiek door de onteigenaar bij de uitvoering van het werk te realiseren voordeel, buiten beschouwing blijft. Anders gezegd, dat sprake is van
winbarebodembestanddelen is geen goede reden om een eventuele bijzondere geschiktheid van het onteigende (gedeeltelijk) te ontkennen. Die bijzondere geschiktheid behoort integendeel ten volle haar gewone consequenties te hebben.
in de omgeving’, [19] welke andere eigenschappen de onteigenaar in verband met het werk een voordeel opleveren. [20] Mijns inziens is dat niet zonder meer bepalend en zeker niet wat betreft een bijzondere geschiktheid die erin bestaat dat de aanwezigheid van bodembestanddelen de onteigenaar een bijzonder voordeel opleveren (voor andere gevallen dan dat van bodembestanddelen, vergelijk hierna 4.16 e.v.). Dat ook andere gronden in de omgeving een vergelijkbare hoeveelheid bodembestanddelen bevatten als het onteigende, is geen goede reden om aan te nemen dat de onteigenaar het voordeel dat hij dankzij de in het onteigende zelf aanwezige waarde behaalt, niet met de onteigende behoeft te delen. Opnieuw sloeg AG Loeff in zijn reeds aangehaalde conclusie de spijker op de kop: [21]
in het vrije commerciële verkeertussen onteigenaar en onteigende als redelijk handelende koper en verkoper niet steeds met de marktwaarde van het onteigende samenvalt. Bijzondere geschiktheid voor het werk, althans voor het doel van de onteigening, levert alleen de onteigenaar een voordeel op. Een willekeurige eigenaar heeft bij een geschiktheid voor het werk of het doel van de onteigening in het algemeen [22] geen enkel belang. Daarom komt de bijzondere geschiktheid niet reeds in de marktwaarde tot uitdrukking. Als redelijk handelende koper en verkoper in het vrije commerciële verkeer brengen onteigenaar en onteigende de bijzondere geschiktheid echter wel alsnog in de prijs tot uitdrukking, zo heeft uw Raad steeds geleerd. [23] Daarbij denken wij de onteigenaar zo dat deze van het dwangmiddel van de onteigening geen misbruik maakt door met gedwongen eigendomsontneming te dreigen, en de onteigende denken wij als een willige koper, en wij veronderstellen dat zij in al hun redelijkheid elkaar vinden op een prijs waarbij het voordeel dat de bijzondere geschiktheid meebrengt, tussen hen wordt gedeeld.
willekeurigeredelijk handelende koper aan die aanwezigheid waarde toekent (hiervoor 4.2). Indien echter de reden voor vergoeding van een meerwaarde vanwege de aanwezigheid van de bodembestanddelen het door de onteigenaar te behalen voordeel is, is mijns inziens onmiskenbaar wél sprake van samenval, althans rechtstreekse samenhang met de figuur van de bijzondere geschiktheid. Die samenval of samenhang bestaat er in de eerste plaats in dat de grondslag voor de aan de onteigende toe te kennen meerwaarde bij beide geheel dezelfde is, namelijk een kwaliteit van het onteigende waarmee de onteigenaar een bijzonder voordeel behaalt dat hij als een redelijk handelende koper met de onteigende behoort te delen. In de tweede plaats is er niet zelden ook samenval in een feitelijke zin. De Woldjerspoorlijn plegen we te benoemen als een geval van bijzondere geschiktheid, maar was tegelijk ook de aanwezigheid van een grote hoeveelheid zand en grind op precies de juiste plaats, namelijk die van de toekomstige weg. [25] Iets vergelijkbaars geldt met betrekking tot de dijkpercelen die voor dijkverbetering werden gebruikt. Zulke samenval is er uiteraard niet steeds: de ligging van het onteigende (‘voorstrook’) staat wel los van de kwestie van de bodembestanddelen.
educated guessop die helft van de nettowinst zal kunnen worden gesteld, intussen zonder dat kan worden gezegd dat niet ook een berekende gok in andere zin toelaatbaar is. [33]
een redelijk handelend exploitant.Indien die redelijk handelende exploitant de te winnen bodembestanddelen bijvoorbeeld niet ineens op de markt brengt, maar gaandeweg, zeg gedurende een periode van tien jaar, omdat dit de hoogste prijs oplevert, dan is daarvan uit te gaan. Dat de onteigenaar zoveel tijd niet heeft, omdat het werk met meer voortvarendheid tot stand moet worden gebracht dan zich met zo’n tienjarige exploitatie verdraagt, komt niet in aanmerking. Dat spreekt eigenlijk vanzelf: de meerwaarde berust immers niet op een concreet door de onteigenaar te behalen voordeel, maar in plaats daarvan op een in verband met de aanwezigheid van de bodembestanddelen hogere marktwaarde van de onteigende zaak.
de onteigenaardankzij de aanwezigheid van de bodembestanddelen een voordeel, en de redelijkheid beveelt dat dit voordeel in de werkelijke waarde tot uitdrukking komt. In de norm van art. 40b lid 2 Ow ligt nu ten volle de nadruk op het tweede deel van die bepaling, volgens welke bij de prijsbepaling de onteigenaar en de onteigende zich tot elkaar verhouden als
redelijk handelendepartijen.
de wijze van exploitatie door de onteigenaarbepalend en niet die door een redelijk handelende commerciële exploitant.
van een deel vande bodembestanddelen is ook voor een willekeurige eigenaar mogelijk, maar voor een ander deel van de bodembestanddelen geldt dat winning alleen voor de onteigenaar mogelijk is. In een dergelijk geval doet de bedoelde samenloop zich alsnog wél voor.)
winbarebodembestanddelen is dit anders: samenloop kan zich daar zeer wel voordoen en doet zich ook geregeld voor. Uiteraard is de werkelijke waarde ten minste te stellen op de marktwaarde, in welke marktwaarde het voordeel dat een willekeurige eigenaar dankzij de bodembestanddelen kan behalen, is verdisconteerd. Behaalt de onteigenaar in verband met de bijzonderheden van het werk minder voordeel met de bodembestanddelen dan een willekeurige eigenaar, dan gaat dit de onteigende niet aan. Hiervoor 4.25 kwam dit reeds aan de orde: als de onteigenaar niet zoveel tijd voor de exploitatie neemt als een redelijk handelend exploitant van de winbare bodembestanddelen, kan dit aan de onteigende niet worden tegengeworpen. De verklaring hiervoor is eenvoudig dat wat de onteigenaar doet en laat, de marktwaarde van de onroerende zaak niet bepaalt. Die marktwaarde wordt integendeel bepaald door het voordeel zoals dat bij een economisch verantwoorde winning en exploitatie door een willekeurige eigenaar wordt behaald. Eventueel kan men hetzelfde resultaat ook vanuit de eliminatieregel (art. 40c Ow) verklaren: het nadeel dat vanwege de bijzonderheden het werk de bodembestanddelen niet optimaal worden benut, moet worden geëlimineerd.
winbaarzijn, is zo’n goede reden niet. Dat wil alleen maar zeggen dat de winning juridisch ongecompliceerd is, want behalve voor de onteigenaar ook voor andere eigenaren vergunbaar. Het doet er op geen enkele wijze aan af dat het door de onteigenaar te behalen voordeel geheel berust op een in het onteigende zélf aanwezige waarde (hiervoor 4.7), ook voor zover dat voordeel van de onteigenaar het voorbeeld van een willekeurige eigenaar te boven gaat. Zonder de aanwezigheid van de bodembestanddelen zou het voordeel er immers in het geheel niet zijn, omdat de voor het werk benodigde bodembestanddelen dan van elders zouden moeten worden aangevoerd. Kortom, de onteigenaar behoort dankzij de bodembestanddelen behaald extra voordeel (extra ten opzichte van het voordeel dat ook een willekeurige eigenaar behaalt en daarom in de marktwaarde is verdisconteerd) met de onteigende te delen en wel in beginsel bij helfte (hiervoor 4.31).
de onteigenaardoor de aanwezigheid van de onwinbare bodembestanddelen heeft. De eigenaardigheden van het werk zijn dus in zoverre bepalend. [39] De hulpregel daarentegen denkt met het oog op de toerekening van kosten de onteigening weg en dus ook het werk met zijn eigenaardigheden. Zij vergelijkt immers met het denkbeeldige geval van economische exploitatie van de bodembestanddelen door
een willekeurige eigenaar.
als zonneweide. [45] Zo ook is met betrekking tot voor woningbouw of bedrijventerrein bestemde gronden een vermindering van de agrarische waarde voor de vaststelling van het door de onteigenaar dankzij de bodembestanddelen behaalde voordeel niet van belang; alleen een eventuele waardevermindering
als bouwgrondkomt in aanmerking.
onder aftrek van winningskosten.Het plafond-Moltmaker is gelijk aan de marktprijs van de door de onteigenaar gewonnen bodembestanddelen, dus zonder aftrek van winningskosten. Het arrest van 25 januari 1989 laat de vraag of inderdaad dit alternatieve plafond geldt van de markprijs van de door de onteigenaar te winnen bodembestanddelen, uitdrukkelijk in het midden:
Ruimte voor de Riviervan 25 september 2015. [59] Onteigend werd een voormalige zandwinplas. Het onteigende was voor de uitvoering van het werk bijzonder geschikt, want kon dienen als nabijgelegen depot voor de van het werk op andere percelen vrijkomende grond. Volgens de deskundigen en de rechtbank was dit voordeel € 500.000,—, waarvan de helft aan de onteigende toekwam. [60] Ten overstaan van de rechtbank hadden partijen uitvoerig gediscussieerd over de vraag of dit juist was. Volgens de onteigenaar (de Staat) was het niet juist, omdat het arrest van 14 juni 2002 naar analogie moest worden toegepast. Daarin gingen deskundigen en rechtbank slechts zeer gedeeltelijk mee. Deskundigen rekenden voor dat als de onteigende de plas zelf zou hebben mogen benutten door daarin storting toe te laten, en wel zonder een beperking tot gebiedseigen grond, ook hij daarmee veel zou hebben kunnen verdienen, volgens deskundigen meer dan de bedoelde € 500.000,—. De rechtbank liet het wel of niet bestaan van het door de Staat bepleitte plafond vervolgens in het midden. In cassatie klaagde de Staat dat deskundigen en rechtbank ten onrechte waren uitgegaan van een andere veronderstelde vergunning voor de onteigende dan aan de Staat was verleend; aan de Staat was namelijk uitsluitend vergund de storting van grond die bij de uitvoering van het werk vrijkwam (en dus niet ook grond die niet-gebiedseigen was). Naar aanleiding daarvan overweegt uw Raad:
praktische moeilijkheid, die de
redelijkheidvan het verschil in behandeling niet verklaren kan. Het is of-of. Óf de redengeving in het geval van bodembestanddelen dat de onteigende een bepaald deel van het voordeel van de onteigenaar ook onder de meest gunstige omstandigheden zelf niet had kunnen behalen,
rechtvaardigtinderdaad dat de onteigenaar dit voordeel in eigen zak steekt, ook al zou zonder het onteigende het voordeel er niet zijn geweest. Dan is echter consistent om aan te nemen dat andere bijzondere geschiktheid waarvoor geheel hetzelfde geldt, namelijk dat de onteigende het voordeel zelf niet had kunnen behalen, eveneens onvergoed mag blijven. Óf de bedoelde redengeving is achteraf bezien een dwaalspoor dat behoort te worden verlaten. Ik meen dat reeds voldoende duidelijk is voor welke van deze twee ik met overtuiging kies. [61]
Ruimte voor de Riviervan 25 september 2015 (hiervoor 4.71 e.v.). Ook ziet het plafond in de zin van het arrest van 14 juni 2002 eraan voorbij dat in andere gevallen van bijzondere geschiktheid géén plafond wordt aangenomen, terwijl het soms willekeurig is of een bijzondere geschiktheid wordt geformuleerd als de aanwezigheid van bodembestanddelen of niet (hiervoor 4.76 in verband met 4.11).
ten vollein aanmerking genomen, óók als die kosten ook reeds voor het werk hadden moeten worden gemaakt (hiervoor 4.42). Dit aldus
zuiverevoordeel van de onteigenaar dient hij vervolgens met de onteigende in beginsel bij helfte te delen (hiervoor 4.31), zoals een redelijke verkoper en redelijke koper dit zouden doen. Dit is inderdaad alleszins redelijk, omdat het
bij helftete delen voordeel van de onteigenaar
geheeldankzij de eigenschappen van het onteigende wordt behaald. Aan de keerzijde, namelijk dat óók waar is dat het voordeel in verband met het werk wordt behaald, wordt daarbij óók recht gedaan: de onteigenaar mag de andere helft van zijn voordeel immers behouden. Behalve redelijk, is deze opvatting van het recht – anders dan de opvatting die wat betreft het door de onteigenaar dankzij de bodembestanddelen te behalen voordeel een plafond hanteert – wél consistent ten opzichte van wat voor andere vormen van bijzondere geschiktheid geldt, zoals die in het geval van de voormalige zandwinplas van het arrest
Ruimte voor de Rivier.Ten slotte geldt dat het recht er eenvoudiger van wordt. Het enige wat van de vergelijking met een commerciële winning mag blijven, is de hulpregel volgens welke kosten van de onteigenaar die ook bij commerciële winning zouden zijn gemaakt, in aanmerking te nemen kosten zijn (hiervoor 4.39). Die hulpregel heeft niet zozeer een principieel karakter, maar helpt bij het maken van een bij de begroting van het voordeel van de onteigenaar noodzakelijk te maken onderscheid, namelijk tussen kosten die enkel voor het werk en kosten die aan het gebruik van de bodembestanddelen behoren te worden toegerekend.
5.Bespreking van het principaal cassatieberoep
Nieuwe stukken en nieuwe feiten in dit cassatieberoep
in te kleuren.Dat is ook niet op voorhand zinloos. Indrukken die een rechter opdoet, zijn op zijn oordeel potentieel van invloed. Dat geldt mogelijk minder in cassatie, maar toch geldt het ook daar, in het bijzonder als die indrukken tot de overtuiging leiden dat met de beslissing zoals die ter beoordeling voorligt, (waarschijnlijk) niet werkelijk aan de zaak recht is gedaan, dus in de zin dat de uitkomst niet past bij wat men zou kunnen noemen de ware feiten van de zaak (ik realiseer mij in dit verband zeer wel dat die duiding als ‘de ware feiten’ in meer dan één opzicht problematisch is). Een oud verhaaltje komt hier te pas. Een raadsheer in de Hoge Raad spreekt een gezelschap van juridische studenten toe en zegt: ‘En nu dachten de dames en heren dat in cassatie de feiten geen rol meer spelen. Het is anders: het gaat in cassatie om
de feiten,
de feitenen
de feiten.’ Uiteraard is wel nodig dat de klachten van het cassatiemiddel een opening bieden om aan een zodanige overtuiging gevolg te geven. Maar is die opening er, dan zijn ook in cassatie indrukken met betrekking tot de feiten van wezenlijke betekenis, hoezeer tegelijk waar is dat uw Raad niet in eigenlijke zin over de feiten oordeelt.
omdat de vraag of naar aanleiding van die stukken een andere beslissing dient te volgen, niet op andere wijze kan worden beantwoord,die suggestie niet juist is.
vervolgensde ruimte voor een beroep op nieuwe stukken en nieuwe feiten anders is. Dan geldt wel ten volle wat het hiervoor 5.6 vermelde arrest van uw Raad van 13 juli 2018 inhoudt. [69]
complexin de zin van art. 40d Ow. Subsidiair heeft [de eigenaar] verdedigd dat aan het onteigende op de peildatum een
verwachtingswaardetoekwam, op grond van de mogelijkheid van een toekomstige ontwikkeling van de gronden in verband met hun strategische ligging in de nabijheid van de haven van Antwerpen. Nog meer subsidiair heeft [de eigenaar] verdedigd dat in deze bijzondere onteigeningszaak de
redelijkheid in algemene zin– dat wil zeggen ook afgezien van de maatstaf van een redelijk handelende koper en redelijk handelende verkoper als bedoeld in art. 40b lid 2 Ow – meebrengt dat de vergoeding van de werkelijke waarde niet volledig is indien de nabijheid van de haven van Antwerpen en het belang dat die haven bij de uitvoering van het werk heeft, niet in de hoogte van de schadeloosstelling tot uitdrukking komen.
binnende maatstaf van een onderstelde koop in het vrije economische verkeer tussen de onteigende als redelijk handelende verkoper en de onteigenaar als redelijk handelende koper en niet
daarbuiten.
onteigenaarals redelijk handelende koper (vergelijk art. 40b lid 2 Ow). Onteigenaar is niet de haven van Antwerpen (die [de eigenaar] zich in het verband van de klacht als koper denkt), maar de Staat. In de tweede plaats veronderstelt de zojuist bedoelde maatstaf dat we ons de verkoper moeten denken als tot verkoop bereid. Dit sluit niet uit dat hij als redelijke verkoper in verband met een bijzonder voordeel van de onteigenaar als redelijk handelend koper soms een verhoging van de prijs kan bedingen – namelijk in het geval van bijzondere geschiktheid van het onteigende, bijvoorbeeld vanwege de aanwezigheid van bodembestanddelen (vergelijk hoofdstuk 4) – maar wel dat hij van het grote belang van de wederpartij bij verwerving gebruik maakt om een
meer danredelijke prijs te bedingen; de veronderstelling is immers juist dat de verkoper van de dwangpositie van de wederpartij
geen misbruik maakt. [89] De gedachtegang van [de eigenaar] dat hij zonder het dwangmiddel van onteigening het (door hem veronderstelde) grote belang van de haven van Antwerpen bij de natuurontwikkeling zou hebben
verzilverd, lijkt me hiermee niet vanzelfsprekend verenigbaar. Dit wordt niet anders doordat [de eigenaar] zichzelf in de veronderstelde positie van verkoper in het vrije commerciële verkeer herhaald als ‘redelijke verkoper’ aanduidt. Men lette er nog op dat op grond van de eliminatieregel voordelen teweeggebracht door het werk waarvoor wordt onteigend, in beginsel worden geëlimineerd, evenals overheidswerken die in verband staan met dat werk en de plannen voor deze werken (art. 40c Ow). Het is dus zeker niet zo dat ieder voordeel dat de onteigenaar dankzij het werk zal behalen, zich in een verhoging van de prijs vertaalt – het is in tegendeel de hoofdregel dat een zodanig voordeel buiten beschouwing blijft en het geval van bijzondere geschiktheid (vanwege de aanwezigheid van bodembestanddelen of anderszins) is de uitzondering.
afhankelijkheidvan Vlaanderen uitnut door een hogere prijs te bedingen een ‘redelijk handelend verkoper’ noemen, maar dat is dan niet de redelijk handelende verkoper die wij bij het vaststellen van de werkelijke waarde ons voor ogen dienen te stellen, want die redelijk handelende verkoper is
willig. [92]
vanwege het belang van die haven bij het werk, dan betwijfel ik of dit iets anders is dan ik hiervoor reeds besprak. Zou hij bedoelen dat de Antwerpse haven de meest reële gegadigde was vanwege een belang bij de gronden
als zodanig, bijvoorbeeld met het oog op een toekomstige uitbreiding van de haven, dan komt dat uiteraard wel in aanmerking en doet zich ten opzichte van de stukken waarover deskundigen en de rechtbank beschikten mijns inziens wel een écht novum voor, dat echter in dit cassatiegeding niet aan de orde kan komen (hiervoor 5.4). Vanwege dit laatste, laat ik uitdrukkelijk in het midden of in de nieuw door [de eigenaar] overgelegde stukken inderdaad een belang van de haven van Antwerpen bij de gronden als zodanig kan worden gelezen.
feitelijkestelling in het midden heeft gelaten. [97] Omdat zijn beslissing (zowel wat betreft de toepassing van rechtsnormen als wat betreft de motivering) ook behoort te voldoen indien de bedoelde feitelijke stelling juist zou blijken te zijn – anders had de rechter die stelling niet in het midden mogen laten – wordt in cassatie van die juistheid veronderstellenderwijs uitgegaan. Wat de rechtbank in de onderhavige zaak heeft gedaan is niet de juistheid van een stelling omtrent de feiten in het midden laten. Wat zij wel heeft gedaan is oordelen dat het onteigende niet met (de uitbreiding van) de haven van Antwerpen (1) een geheel vormt en (2) en dat het niet om die reden redelijk is een hogere schadeloosstelling vast te stellen. Het eerste is een oordeel over de feiten, waarbij die feiten door de rechtbank echter juist
nietin het midden zijn gelaten; het tweede is een waarderingsoordeel. De leer van de hypothetische feitelijke grondslag ziet noch op het een noch op het ander.
in het algemeenniet een andere interpretatie van de Onteigeningswet voor [de eigenaar] kan gelden dan voor iedere andere onteigende, [98] volgt juist dat de rechtbank daarvan terecht wél is uitgegaan. Dat blijkt ook uit wat in de volgende alinea’s van rechtsoverweging 2.27 volgt, namelijk een beoordeling van de vraag of het verband tussen de haven en het onteigende op grond van de redelijkheid in de hoogte van de schadeloosstelling tot uitdrukking dient te komen. Anders dan door [de eigenaar] is bepleit, heeft de rechtbank die vraag echter ontkennend beantwoord.
mededragen, dus voor het geval die overwegingen de afwijzing van het (algemene) beroep van [de eigenaar] op de redelijkheid
niet zelfstandig dragen.Zij betogen vervolgens dat die overwegingen die beslissingen wel zelfstandig dragen en dat reeds daarom alle klachten (van de diverse subonderdelen) van de beide onderdelen moeten falen. [100] Dit gaat niet op. In iedere enigszins welwillende lezing van het middel is voldoende duidelijk dat [de eigenaar] hiermee het oog heeft op de voorwaarde waaronder onderdeel 2 als geheel is ingesteld, te weten dat de beslissing over de redelijkheid wordt gedragen door de overwegingen ‘ten overvloede’. [101] Nader nog: de bedoelde lezing (van de cassatieadvocaten) van de Staat van het cassatiemiddel heeft ook de letter van alinea’s 2.1 en 2.2 van de procesinleiding in cassatie niet werkelijk mee, want het in die lezing zo belangrijke woordje ‘mede’ staat in de tekst van het middel nu juist tussen haakjes.
evidentgeen sprake is. Intussen hebben zij in hun rapport aan die vraag tweeënhalve pagina besteed, daarbij de argumenten van [de eigenaar] voor zijn standpunt één voor één besprekend. [105] Daarbij zijn door hen ook diverse opmerkingen over het verband tussen de haven en het onteigende gemaakt, die het beperkte kader van de complexbenadering te buiten gaan (en dus voor het beroep op de redelijkheid van belang zijn). [106] Het verband tussen de haven en het onteigende is door de deskundigen óók onderzocht in het kader van de vraag of aan het onteigende op de peildatum een verwachtingswaarde toekwam. [107] Verder geldt dat, anders dan de steller van het middel suggereert, de deskundigen voor hun oordeel dat geen sprake is van een complex ter zitting niet alleen hebben verwezen naar (a) de omstandigheid dat sprake is van een overheidswerk zonder enige commerciële betrokkenheid, maar ook naar (b) de omstandigheid dat de ontpoldering plaatsvindt in verband met natuurherstel in het kader van het uitdiepen van de Westerschelde, alsook naar (c) de omstandigheid dat zij ‘op geen enkele manier’ hebben kunnen vaststellen dat sprake is van een integrale exploitatie (klaarblijkelijk van de haven en het onteigende na realisering van het werk). [108]
subonderdeel 2.1.3verbindt de steller van het middel aan zijn overweging dat raakvlakken bestaan tussen de vraag of de Hedwigepolder een geheel vormt met de haven van Antwerpen en de vraag of sprake is van een complex, op voor mij niet geheel navolgbare wijze de conclusie dat de rechtbank ‘in ieder geval’ heeft miskend dat ‘een uitputtend feitenonderzoek’ nodig was. Ik meen met een verwijzing naar het voorgaande te kunnen volstaan.
nietheeft verdedigd dat de Hedwigepolder als een geheel is te beschouwen met de haven van Antwerpen en dat het ‘daarom’ redelijk is een hogere schadeloosstelling vast te stellen. Om twee redenen kunnen deze klachten niet slagen. In de eerste plaats geldt dat [de eigenaar] heeft aangevoerd dat er verband bestaat tussen de haven van Antwerpen en de ontpoldering van het onteigende, en wel een zodanig sterk verband dat dit in de hoogte van de schadeloosstelling tot uitdrukking moet komen. De rechtbank mocht dit aldus parafraseren dat volgens [de eigenaar] de haven en het onteigende (in enige zin) als een geheel zijn te beschouwen. In de tweede plaats: ook al zou [de eigenaar] niet verdedigd hebben dat de haven en het onteigende als een geheel zijn te beschouwen, dan volgt daaruit nog niet dat de rechtbank dit niet mocht onderzoeken. De onteigeningsrechter stelt de schadeloosstelling immers zelfstandig vast, dat wil zeggen ook los van de door partijen ingenomen standpunten. [109]
subonderdelen 2.2.1-2.2.7, te lezen in samenhang met alinea 2.2 van de procesinleiding in cassatie, worden de ‘ten overvloede’ gegeven overwegingen en beslissingen in rechtsoverweging 2.27 door [de eigenaar] één voor één met motiveringsklachten bestreden.
de baatdie de haven van Antwerpen bij de uitvoering van het Verdrag heeft, waartoe de ontpoldering behoort. Ik merk nog op dat ook mogelijk is de lezing volgens welke de rechtbank met de kwalificatie ‘indirect’ erop doelt dat de haven van Antwerpen niet de onteigenaar is, noch ook de partij voor wiens rekening en risico de onteigening en de uitvoering van het werk plaatsvindt, en in plaats daarvan een derde. Dit is onmiskenbaar juist, zodat ook in die lezing het subonderdeel niet slaagt.
subonderdeel 2.2.2moet falen. Ook die klacht veronderstelt dat er een scheidslijn bestaat tussen wat ‘direct’ respectievelijk ‘indirect’ profijt voor de haven van Antwerpen mag heten, en vermeldt een nieuwe reeks van stellingen van [de eigenaar] die met de formulering van ‘indirect profijt’ niet verenigbaar zouden zijn. Het slot van het subonderdeel herhaalt dat in cassatie als hypothetisch feitelijke grondslag heeft te gelden dat de schadeloosstelling berekend op basis van de complexbenadering hoger is dan de benadering van de rechtbank in navolging van de deskundigen. Ik verwijs naar hiervoor 5.43.
directverband bestaat. Hij wijst op een interne LNV-nota van 10 november 2004. [111] Volgens die nota is Vlaanderen ‘dé belanghebbende t.a.v. de toegankelijkheid van Antwerpen’ (p. 5 midden). Hij wijst verder op notitie van het ministerie van LNV ten behoeve van een gesprek van Minister-President Balkenende met de Minister-President van Vlaanderen op 26 maart 2007. [112] Die notitie houdt onder meer in: ‘zonder natuur geen vaarwegverruiming’ (tweede alinea onder het kopje ‘Schets van de situatie; vergelijk ook de onderstreepte alinea direct onder het midden van de pagina). [de eigenaar] wijst nog op andere stukken, waaronder een bericht van de Nederlandse ambassade in België. [113] Verder wijst hij ook op stukken waaruit een actieve bemoeienis van Vlaanderen met de strategie van de Staat blijkt, onder meer wat betreft grondverwerving en onteigening. [114] Zoals hiervoor 5.5 gezegd: met een en ander wenst [de eigenaar] de zaak nader in te kleuren en dat kan hem allerminst worden kwalijk genomen.
slechts een kwestie van tijdis’ dat de grens wordt overgestoken, doet de steller van het middel voorkomen alsof ook de opinie van prof. Sluysmans daarvan uitgaat. Het is mij niet gelukt om dat zo in die opinie te lezen. Ik citeer de alinea’s die volgens voetnoot 52 van de procesinleiding dit ‘in het bijzonder’ zouden inhouden:
waarondernatuurcompensatie. Voor zover de rechtbank dit niet heeft miskend zou dit oordeel in het licht van drie essentiële stellingen, in het subonderdeel vermeld onder (i) tot en met (iii), niet voldoende begrijpelijk zijn gemotiveerd. [117]
anders dannatuurcompensatie (of natuurherstel), wél op Nederlands grondgebied voorstelbaar zijn, duidt de klacht echter niet aan. De stellingen die de klacht aanduidt, zien alle op natuurcompensatie en natuurherstel. Dat de rechtbank onder ogen heeft gezien dat de ontpoldering van het onteigende mede dient als natuurherstel en natuurcompensatie blijkt met zoveel woorden uit de tweede alinea van rechtsoverweging 2.27.
Subonderdeel 2.2.6voegt daaraan toe dat wanneer de rechtbank dit niet heeft miskend, de rechtbank haar beslissing niet voldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd. Bovendien zou niet voldoende begrijpelijk zijn ingegaan op het betoog van [de eigenaar] dat zonder onteigening [de eigenaar] een sterke onderhandelingspositie zou hebben tegenover het Vlaamse Gewest c.q. de haven van Antwerpen.
willigeredelijk handelende verkoper worden gedacht, ook al zou hij de onteigening weggedacht in onderhandelingen met het Vlaamse Gewest en de haven van Antwerpen zich met vrucht
onwillighebben kunnen opstellen.
subonderdeel 2.2.7heeft de rechtbank, met haar oordeel dat is gesteld nog gebleken dat er een min of meer concreet uitbreidingsplan is van de haven van Antwerpen waarin de Hedwigepolder een rol speelt, en dat de landgrens daar ook een obstakel voor vormt, te hoge eisen gesteld aan de stelplicht van [de eigenaar] en miskend dat zij de aan de onteigende toekomende schadeloosstelling zelfstandig dient vast te stellen.
In dit verbandheeft [de eigenaar] bepleit dat de ontpoldering en de natuurbestemmingen niet mogen worden geëlimineerd. Die ontpoldering en de omvorming van de (meest) landbouwgronden tot estuariene natuur zijn volgens hem te beschouwen als een onderdeel van de exploitatie van het complex als een gehéél, dus tezamen met de gronden van de haven. Vergelijk hiervoor 5.27 en 5.28.
tegelijk, voor dezelfde waardebepaling, in aanmerking worden genomen als het (niet lucratief) in exploitatie nemen van een deel van een complex, tezamen met de (wél lucratieve) exploitatie van de gronden van de haven van Antwerpen.
lagereschadeloosstelling, omdat landbouwgrond nu eenmaal meer waard is dan estuariene natuur en waterstaatswerken. Dit wordt eerst anders indien de door [de eigenaar] verdedigde complexbenadering, die de niet-lucratieve bestemming van het onteigende en de lucratieve van de havenpercelen egaliseert, juist zou zijn. Dat is echter niet het geval.
voor rekening en risico vaneen overheidsrechtspersoon wordt uitgevoerd. [127] Dát is waar het om gaat. Indien het werk voor rekening en risico van een overheidsrechtspersoon wordt uitgevoerd, dient eliminatie plaats te vinden. De rechtbank heeft vastgesteld dat volgens het Verdrag Vlaanderen en Nederland ieder een deel van de kosten dragen. Met subonderdeel 3.3.1 betoogt [de eigenaar] dat Vlaanderen de kosten van grondverwerving en ontpoldering van de Hedwigepolder volledig draagt en dat de rechtbank de plank dus mis slaat. [128] Het moet echter anders worden begrepen: de rechtbank heeft het oog op het geheel van de kosten zoals die uit de in het Verdrag overeengekomen projecten voortvloeien. Daarvoor geldt wél dat die voor rekening van zowel Nederland als Vlaanderen komt. Ook heeft de rechtbank vastgesteld dat de Staat eigenaar blijft. De Staat draagt dus de rekening van de waardevermindering als gevolg van de ontpoldering van het onteigende. Verder heeft de rechtbank vastgesteld dat er geen voordelen zijn die toevallen aan een particulier. De subonderdelen 3.3.4 en 3.3.5 maken hier ten onrechte van dat de rechtbank heeft overwogen dat geen enkele private partij van het werk voordeel heeft, ook de haven van Antwerpen niet. Die lezing is evident niet juist. In rechtsoverweging 2.27 is de rechtbank ervan uitgegaan dat de haven van Antwerpen baat heeft bij de uitvoering van het Verdrag, waaronder de ontpoldering van het onteigende. Dat private partijen profiteren van een overheidswerk zal vrijwel steeds het geval zijn. Dat is echter niet waar het bij de toepassing van de eliminatieregel om gaat. Wat de rechtbank klaarblijkelijk bedoelt is dat het werk niet een lucratief werk is dat voor rekening en risico van een private partij wordt gerealiseerd. Wat het wel is, is een niet-lucratief werk dat volledig voor rekening en risico van de overheid wordt gerealiseerd.
subonderdeel 4.2geeft het oordeel van de rechtbank blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de steller van het middel leidt toepassing van de eliminatieregel op het werk en het plan voor het werk [130] er niet zonder meer toe dat aan een schadeloosstelling gebaseerd op een complexwaarde niet meer wordt toegekomen.
zonder meertoe leidt dat aan een complexbenadering niet meer wordt toegekomen. [131] Onder een plan voor het werk zal veelal immers niet het bestemmingsplan of inpassingsplan worden verstaan, zodat eliminatie van de plannen voor het werk niet ertoe leidt dat de nieuwe bestemmingen buiten beschouwing moeten worden gelaten. De rechtbank heeft dit niet miskend, maar de steller van het middel lijkt dit ook niet op het oog te hebben. Het gaat hem er kennelijk om dat voor de toepassing van een complexwaarde de eliminatieregel buiten toepassing zou moeten kunnen worden gelaten, ook indien wél aan de voorwaarden is voldaan om het rijksinpassingsplan te elimineren.
terechttot eliminatie is besloten (en dat is hier mijns inziens het geval) dan is het mijns inziens niet werkbaar om die eliminatie dan deels toch weer uit te schakelen. Er zijn grenzen aan de hersengymnastiek die we van de deskundigen en de onteigeningsrechter kunnen vergen. Toegepast op de voorliggende zaak blijf ik dus bij wat ik hiervoor 5.80 reeds zei: indien voor de bepaling van de werkelijke waarde de ontpoldering en de omvorming tot estuariene natuur dienen te worden weggedacht, sluit dit uit dat zij
tegelijk, eveneens voor de bepaling van de werkelijke waarde, in aanmerking worden genomen als het (niet lucratief) in exploitatie nemen van een deel van een complex, tezamen met de (wél lucratieve) exploitatie van de gronden van de haven van Antwerpen.
Subonderdeel 5.1bevat een rechtsklacht. Volgens de klacht heeft de rechtbank miskend dat bij de vraag of verwachtingen een bepaalde verwachtingswaarde opleveren, het slechts gaat om voldoende reële verwachtingen.
Subonderdeel 5.2voert aan dat wanneer de rechtbank niet heeft miskend dat het moet gaan om voldoende reële verwachtingen, het oordeel van de rechtbank dat vanuit de markt niet is gebleken van kenbare belangstelling voor de Hedwigepolder met het oog op een lucratieve functiewijziging, zij niet voldoende begrijpelijk heeft gereageerd op essentiële stellingen van [de eigenaar] die erop neerkomen dat door ontwikkelingen sinds 2005 sprake was van een marktrealiteit die meebracht dat er geen interesse was in verwerving, ook niet door partijen voor wie de Hedwigepolder eventueel interessant kan zijn (de haven van Antwerpen of het Vlaamse Gewest).
subonderdeel 5.3lees ik hierin de klacht dat de rechtbank na eliminatie van de ontpoldering en de bestemming daarvoor, bij het bepalen van de verwachtingswaarde niet mocht uitgaan van de marktrealiteit die zich sinds 2005 heeft voorgedaan. In lijn hiervan zou ook bij het bepalen van de verwachtingswaarde moeten worden uitgegaan van die fictieve situatie, en is het de vraag of de haven van Antwerpen of andere marktpartijen in dát geval bereid zouden zijn geweest om op een functiewijziging in te spelen.
subonderdeel 5.4zich, dat diverse klachten behelst.
Subonderdeel 5.5richt een motiveringsklacht tegen de hiervoor in 5.100 weergegeven oordelen dat uitbreiding van de haven aan Nederlandse zijde niet waarschijnlijk is. Hiermee zou de rechtbank een onvoldoende begrijpelijke respons hebben gegeven op een aantal essentiële stellingen van [de eigenaar] .
Subonderdeel 5.6richt nog een rechtsklacht en motiveringsklacht tegen het oordeel dat [de eigenaar] zijn stelling dat sprake is van verwachtingswaarde niet concreet heeft gemaakt. [de eigenaar] wijst er op zichzelf terecht op dat de rechtbank zelfstandig de hoogte van de schadeloosstelling diende vast te stellen. Toch kunnen de klachten niet tot cassatie leiden. Uit het geheel van de overwegingen van de rechtbank is duidelijk dat de omstandigheid dat [de eigenaar] zijn stelling over de verwachtingswaarde niet concreet heeft gemaakt, het oordeel van de rechtbank niet zelfstandig draagt. Dit blijkt ook uit de woorden waarmee het door de klacht aangevallen zinnetje begint: ‘Daarbij komt…’. Wat het oordeel van de rechtbank wel draagt zijn de hiervoor besproken overwegingen met betrekking tot (a) de landsgrens als harde grens in alle plannen, (b) de onaannemelijkheid van medewerking van Nederlandse zijde, (c) het ontbreken van een ‘natuurlijke’ verwachtingswaarde, (d) het niet gebleken zijn belangstelling vanuit de markt en (e) de weerstand tegen het ontpolderingsbesluit.
als niet-willige verkoperbij de haven van Antwerpen dan wel het Vlaamse Gewest een hogere prijs zou hebben kunnen afdwingen. Dat kan niet opgaan. Vergelijk hiervoor 5.40, 5.41 en voetnoot 89.
Onderdeel 6richt zich tegen rechtsoverweging 2.90:
Subonderdeel 6.1bestrijdt het oordeel van de rechtbank dat, bij het vaststellen van het voordeel dat de onteigende door de aanwezigheid van de bodembestanddelen heeft, ook rekening dient te worden gehouden met de kosten van werkzaamheden die behalve voor het winnen van de bodembestanddelen ook voor de uitvoering van het werk noodzakelijk zijn. De rechtbank zou hebben miskend dat met het nadeel dat een gevolg is van het plan voor een werk – of van de eigen keuze van de uitvoerder van het werk – op grond van art. 40c Ow geen rekening zou mogen worden gehouden.
subonderdeel 6.2heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.90 geoordeeld dat het te laat is om bij pleidooi een onderdeel van de schadeloosstelling ter discussie te stellen. Geklaagd wordt dat dit oordeel van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, omdat de aard van de onteigeningsprocedure meebrengt dat ook bij pleidooi nog nieuwe stellingen (waaronder een reactie op het advies van deskundigen) kunnen worden ingenomen. Indien een onteigende deze mogelijkheid niet heeft, zou dit aan het wettelijk verankerde recht van een volledige schadeloosstelling in de weg staan. Bovendien zou het niet bieden van deze mogelijkheid onjuist zijn, omdat de rechtbank in onteigeningszaken de enige feitelijke instantie betreft.
hoewelaanknopingspunten bestonden voor een andere beslissing dan die door de deskundigen haar werd geadviseerd, dan zou dit mijns inziens onjuist zijn (in een dergelijk geval dient de rechtbank zo nodig een aanvullend advies van deskundigen te vragen of op andere wijze naar aanleiding van de bedoelde aanknopingspunten de juiste hoogte van de schadeloosstelling te onderzoeken). Ik zie voor een dergelijke lezing echter geen grond. In het oordeel van de rechtbank ligt besloten dat aanknopingspunten voor (nader) onderzoek juist ontbraken. De rechtbank overweegt dat de berekening van deskundigen van de zijde van [de eigenaar] bij pleidooi ter discussie is gesteld ‘bij gebrek aan wetenschap’ en zonder overlegging van een andere berekening van de winningskosten. [142]
Subonderdeel 6.3kan zich er niet in vinden dat de rechtbank zich zonder enige kritische beschouwing heeft aangesloten bij het advies van deskundigen en ook niet duidelijk maakt dat zij op zoek geweest is naar aanknopingspunten om aan het advies van deskundigen te twijfelen. Volgens het onderdeel heeft de rechtbank hiermee miskend dat zij zelfstandig onderzoek naar de winningskosten diende te doen, en daarbij niet is gebonden aan het advies van deskundigen en de standpunten van partijen. Indien de rechtbank dit niet heeft miskend, klaagt het onderdeel erover dat de rechtbank haar oordeel onvoldoende begrijpelijk heeft gemotiveerd, omdat zij er geen blijk van heeft gegeven enig zelfstandig onderzoek te hebben uitgevoerd.
in beginselermee kunnen volstaan op te merken dat hij het advies van deskundigen volgt. [144] Wél zal hij voldoende begrijpelijk dienen in te gaan op stellingen van partijen die het advies van deskundigen in twijfel trekken. Ook buiten die stellingen van partijen om zal de onteigeningsrechter tevens zelfstandig moeten beoordelen of er sprake is van aanknopingspunten voor een hogere of lagere schadevergoeding dan door de deskundigen geadviseerd. Ik meen dat het daarbij wel zal moeten gaan om aanknopingspunten die enige evidentie in zich hebben. [145] Indien daarvan sprake is, mag de onteigeningsrechter dit niet onbesproken laten, en zal hij zijn oordeel op dit punt – eventueel na nader onderzoek – dienen te motiveren.
Subonderdeel 6.4benoemt twee essentiële stellingen waaraan de rechtbank zonder motivering voorbij zou zijn gegaan. Ook wordt een aanknopingspunt aangeduid waaraan de rechtbank volgens de steller van het middel niet zonder motivering voorbij mocht gaan.
Subonderdeel 7.1klaagt erover dat de rechtbank zou hebben miskend dat van een verdeling bij helfte kan worden afgeweken indien sprake is van bijzondere omstandigheden. Dat de rechtbank dit zou hebben miskend zou blijken uit het feit dat zij deze maatstaf niet kenbaar vooropstelt, maar ook uit het feit dat de rechtbank niet nagaat of de door [de eigenaar] genoemde omstandigheden rechtvaardigen dat een andere verdeelsleutel wordt toegepast.
Subonderdeel 7.2.1bouwt vergeefs voort op onderdeel 3 en behoeft geen bespreking.
Subonderdeel 7.2.2ziet op de verwerping door de rechtbank van het betoog van [de eigenaar] dat een uitzondering op de verdeling bij helfte gerechtvaardigd is nu hij zelf bij uitstek in staat en bereid was het werk uit te voeren en de bodembestanddelen te winnen en vermarkten. De rechtbank zou tot die verwerping zijn gekomen onder verwijzing naar het arrest van uw Raad van 5 januari 2018 waarin het beroep op zelfrealisatie is afgewezen, alsmede onder verwijzing naar de ratio van de uitzondering op de eliminatieregel dat het voordeel van de aanwezige onwinbare bodembestanddelen niet geheel aan de Staat behoort.
juridischeonmogelijkheid voor [de eigenaar] om het werk te realiseren, zowel volgens wat voorheen het geval was (het betreft immers onwinbare bodembestanddelen), als later (in verband met het afwijzen van het beroep op zelfrealisatie). Het oordeel dat een zodanige juridische onmogelijkheid bestond, zodat [de eigenaar] in die zin geen voordeel is misgelopen, is mijns inziens alleszins juist. Hoe dan ook, dat oordeel wordt door het middel niet (gemotiveerd) bestreden.
op zichzelftot een voordeel zou hebben geleid. Vanwege de niet-lucratieve bestemming zou dit echter niet tot een exploitatiewinst voor [de eigenaar] hebben geleid. Die niet-lucratieve omstandigheid was nu juist voor [de eigenaar] reden om aan zijn beroep op zelfrealisatie de voorwaarde te verbinden dat dit op kosten van de Staat zou plaatsvinden. [149] Het (impliciete) oordeel van de rechtbank dat [de eigenaar] ook niet in verband met het passeren van zijn beroep op zelfrealisatie exploitatiewinst misloopt, en dat in zoverre dus geen bijzondere omstandigheid bestaat op grond waarvan behoort te worden afgewezen van het uitgangspunt van verdeling bij helfte, is tegen deze achtergrond niet onjuist of onbegrijpelijk.
subonderdeel 7.2.3heeft de rechtbank in rechtsoverweging 2.94 te hoge eisen gesteld aan de bijzondere omstandigheden die een afwijking van de verdeling bij helfte rechtvaardigen. De omstandigheid dat de onteigenaar het werk door en voor rekening van een buitenlandse vennootschap (de Vlaamse Waterweg N.V.) laat uitvoeren en deze feitelijk het voordeel geniet, zou zonder meer voldoende zijn.
Subonderdeel 7.2.4voert aan dat indien voor het oordeel van de rechtbank dat de omstandigheid dat het voordeel door de Vlaamse Waterweg N.V. wordt genoten niet bijzonder is, dragend is dat partijen de Staat aanmerken als de partij die het voordeel heeft genoten (tweede volzin van rechtsoverweging 2.94), dit oordeel onjuist en of onbegrijpelijk is. De steller van het middel wijst erop dat [de eigenaar] , toen hem duidelijk werd dat niet de Staat maar de Vlaamse Waterweg N.V. het werk zou uitvoeren, heeft aangevoerd dat de Staat niet is aan te merken als de partij die het voordeel heeft genoten.
Subonderdeel 7.2.5gaat van dezelfde onjuiste lezing van het vonnis van de rechtbank uit.
subonderdeel 7.2.6. In dat subonderdeel lees ik intussen, in samenhang met de tweede alinea van
subonderdeel 7.2.7, óók de klacht dat de rechtbank niet voldoende gemotiveerd is ingegaan op het beoog dat het voordeel feitelijk aan de Vlaamse Waterweg N.V. dan wel het Vlaamse Gewest toekomt, nu zij de kosten van de onteigeningsprocedure dragen, en dat dit een afwijking van de verdeling bij helfte rechtvaardigt.
Subonderdeel 7.2.7knoopt aan bij de laatste volzin van rechtsoverweging 2.94, waar de rechtbank zegt dat niet valt in te zien op grond waarvan [de eigenaar] het volledige voordeel van de Staat zou moeten incasseren. De steller van het middel leest hierin dat de rechtbank is uitgegaan van de opvatting dat het of 50/50 of 100/0 (of 0/100) moet zijn (rechtsklacht), respectievelijk een onjuiste weergave van het standpunt van [de eigenaar] (motiveringsklacht).
6.Bespreking van het incidenteel cassatieberoep
Onderdeel 1 – Onwinbare bodembestanddelen: onderlinge verschillen tussen gronden
als estuariene natuur respectievelijk waterstaatswerken. Nee, de strekking van de stellingen van de Staat is klaarblijkelijk dat de bestemming tot estuariene natuur en waterstaatswerken tot een waardevermindering leidt die met het voordeel dat met de bodembestanddelen wordt gehaald, mag worden verrekend. Dat gaat uiteraard niet op. De waardevermindering vanwege de niet-lucratieve bestemming is een prijs die in het algemeen belang wordt betaald en gaat [de eigenaar] niet aan. Het een en het ander (dat wil zeggen het buiten beschouwing blijven van de bedoelde kosten voor het werk respectievelijk van de waardevermindering vanwege de nieuwe bestemming) volgt ook rechtstreeks uit de eliminatieregel van art. 40c Ow: bij het bepalen van de schadeloosstelling wordt geen rekening gehouden met de voor- en nadelen teweeggebracht door het werk waarvoor wordt onteigend, samenhangende overheidswerken, alsook de plannen voor al deze werken.
winbarebodembestanddelen – of liever, wat betreft een meerwaarde die zich voor iedere willekeurige eigenaar voordoet, wat veronderstelt dat sprake is van winbare bodembestanddelen – geldt wél dat de vergoeding daarvan een wezenlijk andere achtergrond heeft dan die op grond van een bijzondere geschiktheid van het onteigende. Vergelijk onder meer hiervoor 4.2, 4.20 e.v. en 4.34.
Diewaardevermindering blijft echter in verband met de eliminatieregel (art. 40c Ow) buiten beschouwing.
in verpachte staatzijn getaxeerd. Wat de Staat wil is [de eigenaar] met de omstandigheid dat de percelen waren verpacht dubbel confronteren, namelijk eerst in de vorm van een aanzienlijk lagere marktwaarde als verpachte gronden en vervolgens nóg eens door de kosten van het pachtvrij maken van de gronden te verrekenen met het te behalen voordeel vanwege de bodembestanddelen. Andersom gezegd: de Staat wenst van de omstandigheid dat de gronden verpacht zijn tweemaal te profiteren, eerst doordat wordt uitgegaan van de lagere prijs in het vrije commerciële verkeer van gronden in verpachte staat [158] en vervolgens nogmaals door de ontpachting van de gronden wat betreft de bodembestanddelen als een kostenpost op te voeren. [159] Die vlieger gaat niet op. Nog weer anders gezegd: de Staat ziet eraan voorbij dat de kosten van pachtvrij maken reeds wegvallen tegen het daarmee behaalde voordeel van een hogere waarde van de gronden in onverpachte staat. Dat de Staat vervolgens dat voordeel zelf weer tenietdoet door een niet-lucratieve bestemming te realiseren, gaat [de eigenaar] in verband met de eliminatieregel (art. 40c Ow) niet aan. [160]
in een ander opzichtde vergoeding voor het voordeel van de onteigenaar vanwege de bodembestanddelen een bijzondere status heeft (in rechtsoverweging 2.116 van het vonnis van de rechtbank komt dit bij de weergave van het standpunt van de Staat aan de orde). Volgens het arrest
Ruimte voor de Rivier [165] mag de opslag ter zake van de bijzondere geschiktheid niet in aanmerking worden genomen bij de vergelijking zoals die bij de vaststelling van de waardevermindering van het overblijvende geschiedt. [166] De verklaring hiervoor is echter geheel onvergelijkbaar met wat in de voorliggende zaak de rechtbank op het oog heeft. Die verklaring is namelijk dat de andere elementen van de bedoelde vergelijking (waarde vóór onteigening en som van de waarde van het onteigende en de waarde van het overblijvende) op de
marktwaardezijn gebaseerd. Het meerekenen van de vergoeding voor de bijzondere geschiktheid bij de bedoelde vergelijking zou ertoe leiden dat de onteigende de hem toegekende vergoeding voor de bijzondere geschiktheid vervolgens bij de post minderwaarde van het overblijvende geheel of gedeeltelijk zou kunnen kwijtraken.
subonderdeel 4.1getuigt het oordeel van de rechtbank dat wat betreft de berekeningsmethoden kan worden gekozen voor een hybride vorm op basis van zowel reconstructie en wederbelegging, van een onjuiste rechtsopvatting. De rechtbank zou hebben miskend dat onderscheid moet worden gemaakt tussen herbelegging en reconstructie en dat voor een 'hybride' vorm geen ruimte bestaat.
bepaaldeonroerende zaken worden aangemerkt als duurzame belegging, hetgeen vergoeding van herbeleggingskosten rechtvaardigt, terwijl met betrekking tot
andere,eveneens in de onteigening betrokken onroerende zaken van reconstructie wordt uitgegaan, is mijns inziens zeer wel mogelijk. Het verschil in de aard van de gevallen van reconstructie respectievelijk wederbelegging verzet zich er echter mijns inziens tegen dat met betrekking tot
dezelfde onroerende zakenwordt uitgegaan van ‘iets’ dat tussen reconstructie en wederbelegging in ligt. Zo dreigt alles vloeibaar te worden. Óf de onteigende oefent ter plaatse van de onroerende zaak een bedrijf uit en verplaatst dit als redelijk handelend onteigende naar een andere locatie, óf hij heeft op die plaats geen bedrijf. In het laatste geval valt er niets te reconstrueren. Wel kan de onteigende om andere reden dan vanwege een ter plaatse uitgeoefend bedrijf recht hebben op een vergoeding van bijkomende schade, namelijk op de grond dat hij de onroerende zaak als duurzame belegging aanhield. In dat geval komen echter alleen de kosten van herbelegging in aanmerking en in ieder geval niet ‘reconstructieschade’.
subonderdeel 4.2heeft de Staat gelet op het voorgaande geen belang meer. De klacht van het subonderdeel gaat uit van de lezing dat de rechtbank niet heeft gekozen voor een mengvorm, maar een deel van het onteigende als een duurzame belegging heeft aangemerkt, en een ander gedeelte als bedrijfsmatig gebruik. Zou over subonderdeel 4.1 anders moeten worden geoordeeld dan ik zojuist aannam, dan geldt mijns inziens dat subonderdeel 4.2 feitelijke grondslag mist.