ECLI:NL:GHSHE:2026:1914

Gerechtshof 's-Hertogenbosch

Datum uitspraak
20 juli 2026
Publicatiedatum
21 juli 2026
Zaaknummer
22-000850-24
Instantie
Gerechtshof 's-Hertogenbosch
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 10 OpiumwetArt. 10a OpiumwetArt. 11b OpiumwetArt. 140 SrArt. 47 Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Veroordeling voor leidinggevende rol in productie en handel van versnijdingsmiddelen

De zaak betreft een omvangrijk onderzoek naar de productie en handel in versnijdingsmiddelen, waarbij verdachte een leidinggevende en aansturende rol vervulde. Het hof acht bewezen dat verdachte betrokken was bij alle fasen van het proces: import, opslag, bewerking, opslag eindproduct en verkoop van versnijdingsmiddelen.

Verdachte maakte deel uit van een duurzame en gestructureerde criminele organisatie die zich toelegde op het voorbereiden en bevorderen van misdrijven zoals bedoeld in de Opiumwet. Bewijsmiddelen zoals camerabeelden, telefoongesprekken, getuigenverklaringen en stemherkenning bevestigen zijn rol.

De verdediging voerde vrijspraak en betwistte de stemherkenning, maar het hof verwierp deze verweren. De redelijke termijn voor berechting werd aanzienlijk overschreden, wat leidde tot matiging van de straf. Het hof veroordeelt verdachte tot 36 maanden gevangenisstraf met aftrek van voorarrest en verklaart beslag verbeurd.

Uitkomst: Verdachte veroordeeld tot 36 maanden gevangenisstraf wegens medeplegen en deelneming aan criminele organisatie met aftrek van voorarrest.

Uitspraak

Rolnummer: 22-000850-24
Parketnummer: 10-750180-15
Datum uitspraak: 20 juli 2026
TEGENSPRAAK
Arrest van de meervoudige kamer voor strafzaken van het gerechtshof Den Haag
gewezen op het hoger beroep tegen het vonnis van de rechtbank Rotterdam van 14 november 2019 in de strafzaak tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren te [geboorteplaats] op [geboortedatum 1] ,
BRP-adres: [adres 1] .
Hoger beroep
Bij vonnis waarvan beroep heeft de rechtbank de verdachte van het onder 3 tenlastegelegde met betrekking tot de zaaksdossiers [adres 15] , [adres 13] en [adres 16] partieel vrijgesproken en hem ter zake van:
  • medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en een ander trachten te bewegen daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen en door voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd (feit 1);
  • medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door zich en een ander trachten te bewegen daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen te verschaffen en door voorwerpen en/of vervoermiddelen en/of stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd (feit 2);
  • (ten aanzien van ZD [adres 6] , [adres 7] , [adres 12] en [adres 8] )medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door voorwerpen en vervoermiddelen en stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
    (ten aanzien van ZD [adres 9] en [adres 10] )medeplegen om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door stoffen voorhanden te hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd (feit 3);
  • deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven (feit 4),
veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren, met aftrek van het voorarrest. Voorts is een beslissing genomen met betrekking tot het beslag.
Namens de verdachte is tegen het vonnis hoger beroep ingesteld.
Onderzoek van de zaak
Dit arrest is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting in eerste aanleg en het onderzoek ter terechtzitting in hoger beroep van dit hof.
Het hof heeft kennisgenomen van de vordering van de advocaat-generaal en van hetgeen door en namens de verdachte naar voren is gebracht.
De advocaat-generaal heeft gevorderd dat het hof de verdachte niet-ontvankelijk zal verklaren ten aanzien van zijn hoger beroep voorzover hij in eerste aanleg is vrijgesproken van de onder feit 3 ten laste gelegde zaaksdossiers [adres 15] , [adres 13] en [adres 16] , het vonnis van de rechtbank zal bevestigen met uitzondering van de opgelegde straf, en ten aanzien daarvan opnieuw rechtdoende, de verdachte ter zake van het onder 1 tot en met 4 tenlastegelegde zal veroordelen tot een gevangenisstraf voor de duur van 4 jaren en 6 maanden, met aftrek van het voorarrest, met beslissing omtrent het beslag gelijk aan die van de rechtbank.
De verdediging heeft primair integrale vrijspraak bepleit. Subsidiair is een strafmaatverweer gevoerd.
Omvang van het hoger beroep
De verdachte is door de rechtbank Rotterdam partieel vrijgesproken van hetgeen onder 3 is tenlastegelegd met betrekking tot de zaaksdossiers [adres 15] , [adres 13] en [adres 16] . Het hoger beroep is door de verdachte onbeperkt ingesteld en is derhalve mede gericht tegen de in eerste aanleg gegeven beslissingen tot vrijspraak. Gelet op hetgeen is bepaald in artikel 404, vijfde lid, van het Wetboek van Strafvordering staat voor de verdachte tegen deze beslissingen geen hoger beroep open. Het hof zal de verdachte mitsdien niet-ontvankelijk verklaren in het ingestelde hoger beroep, voor zover dat is gericht tegen de in het vonnis waarvan beroep gegeven vrijspraken.
Het vonnis waarvan beroep
Het vonnis waarvan beroep – voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen – kan niet in stand blijven omdat het hof zich daarmee niet verenigt.
Tenlastelegging
Aan de verdachte is – voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen – tenlastegelegd dat:

1.ZD Azië

hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2015 tot en met 12 juli 2016 te Rotterdam, Spijkenisse, en/of Delft en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,
te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van (een of meer) hoeveelheden, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of
- zich en/of (een) ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemde feit,
immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer) van zijn, verdachtes, mededader(s):
- een of meerdere onderneming(en) met rechtspersoonlijkheid (te weten: [bedrijf 1] en/of [bedrijf 2] ) gestart en/of daarvan als bestuurder of directeur gefunctioneerd, en/of
- ( vervolgens) al dan niet middels die onderneming(en) hoeveelheden (van een mengsel van) (in totaal ongeveer 49.400 kg) paracetamol, en/of
(in totaal ongeveer 26.010 kg) cafeïne (anhydrous), en/of
(in totaal ongeveer 9.250 kg) fenacetine, en/of
(in totaal ongeveer 200 kg) tetramisol
(bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) besteld, ingekocht en/of vervoerd en/of overgedragen, en/of
- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken, besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen, aanwijzingen en/of opdrachten gegeven aan zijn mededader(s), betreffende de wijze waarop die paracetamol en/of cafeïne zouden/konden worden besteld, gekocht, vervoerd, verkocht, geleverd en/of verstrekt en/of gebruikt en/of vermengd, en/of
- een of meerdere opslagbox(en), te weten: box nummer 0031 van Shurgard aan de [adres 2] te Rotterdam, en/of box nummer 0103 van Shurgard aan de [adres 3] te Spijkenisse en/of andere onbekend gebleven opslagboxen gehuurd en/of daarvan de huursom(men) voldaan, en/of
- in voornoemde opslagbox(en)
(in totaal ongeveer 25 kg) paracetamol, en/of
(in totaal ongeveer 25 kg) cafeïne (anhydrous), en/of
(in totaal ongeveer 83,5 kg) tetramisol, en/of
(in totaal ongeveer 25 kg) acetylsalicylic (Acetylsalicylzuur), en/of (andere onbekend gebleven) stoffen (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) en/of productiemiddelen/-apparaten, gereedschappen en/of verpakkingsmaterialen voorhanden gehad en/of opgeslagen;

2.ZD [bedrijf 3]

hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2015 tot en met 12 juli 2016 te Rotterdam en/of Schiedam, en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,
te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om dat/die feit(en) te plegen en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of-zich en/of (een) ander(en) gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en/of
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemde feit,
immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer) van zijn, verdachtes, mededader(s):
- een of meerdere onderneming(en) met rechtspersoonlijkheid (te weten: [bedrijf 3] ) gestart en/of daarvan als bestuurder of directeur gefunctioneerd, en/of
- een of meerdere bedrijfspanden(en) aan de [adres 4] te Schiedam en/of [adres 5] te Schiedam gehuurd en/of daarvan de huursom(men) voldaan, en/of
- ( vervolgens) al dan niet middels die onderneming(en) (grote) hoeveelheden (van een mengsel van) paracetamol, cafeïne, fenacetine, tetramisol en/of andere stoffen (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) vervoerd en/of overgedragen, en/of voorhanden gehad en/of opgeslagen, en/of bewerkt/verwerkt/geproduceerd, verpakt en/of verdeeld, en/of
- in voornoemde bedrijfspanden(en) productiemiddelen/-apparaten, gereedschappen en/of verpakkingsmaterialen voorhanden gehad, en/of
- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken, besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen, aanwijzingen en/of opdrachten gegeven aan zijn mededader(s), betreffende de wijze waarop die paracetamol en/of cafeïne moesten worden besteld, gekocht, vervoerd, verkocht, geleverd en/of verstrekt en/of gebruikt en/of vermengd;

3.ZD [adres 6]

hij in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 28 april 2015 te Rotterdam (al dan niet in een woning aan de [adres 6] ) en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemde feit,
immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer) van zijn, verdachtes, mededader(s):
- hoeveelheden (in totaal ongeveer 301,35 kg) (van een mengsel van) paracetamol en/of cafeïne (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) vervoerd en/of overgedragen, en/of voorhanden gehad en/of opgeslagen, en/of bewerkt/geproduceerd, en/of
- productiemiddelen/-apparaten, gereedschappen en/of verpakkingsmaterialen voorhanden gehad, en/of
- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken, besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen, aanwijzingen en/of opdrachten gegeven aan zijn mededader(s) , betreffende de wijze waarop die paracetamol en/of cafeïne moesten worden besteld, gekocht, vervoerd, verkocht, geleverd en/of verstrekt en/of gebruikt en/of vermengd,
en/of
ZD [adres 7]
hij in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 1 mei 2015 te Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas (al dan niet in een bedrijfspand aan de [adres 7] ) en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemde feit,
immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer) van zijn, verdachtes, mededader(s):
- hoeveelheden (in totaal ongeveer 100,35 kg) (van een mengsel van) paracetamol en/of cafeïne (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne vervoerd en/of overgedragen, en/of voorhanden gehad en/of opgeslagen, en/of bewerkt/geproduceerd, en/of
- productiemiddelen/-apparaten, gereedschappen en/of verpakkingsmaterialen voorhanden gehad, en/of - afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken, besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen, aanwijzingen en/of opdrachten gegeven aan zijn mededader(s), betreffende de wijze waarop die paracetamol en/of cafeïne moesten worden besteld, gekocht, vervoerd, verkocht, geleverd en/of verstrekt en/of gebruikt en/of vermengd, en/of
- het bedrijfspand aan de [adres 7] te Nieuwerkerk aan den IJssel gehuurd en/of daarvan de huursom(men) voldaan,
en/of
ZD Bors(elaarstraat)
hij in of omstreeks de periode van 23 september 2013 tot en met 8 oktober 2014 te Rotterdam en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemde feit,
immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer) van zijn, verdachtes, mededader(s):
- hoeveelheden (van een mengsel van)
(in totaal ongeveer 364,9 kg) paracetamol, en/of
(in totaal ongeveer 1015,6 kg) cafeïne, en/of
(in totaal ongeveer 24,6 kg) fenacetine, en/of
(in totaal ongeveer 50,3 kg) mannitol, en/of
(in totaal ongeveer 24,4 kg) lidocaïne, en/of een jerrycan kleurstof,
(bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) vervoerd en/of overgedragen, en/of voorhanden gehad en/of opgeslagen, en/of bewerkt/geproduceerd, en/of
- productiemiddelen/-apparaten, gereedschappen en/of verpakkingsmaterialen voorhanden gehad, en/of
- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken, besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen, aanwijzingen en/of opdrachten gegeven aan zijn mededader(s), betreffende de wijze waarop die paracetamol en/of cafeïne moesten worden besteld, gekocht, vervoerd, verkocht, geleverd en/of verstrekt en/of gebruikt en/of vermengd,
en/of
ZD [adres 8]
hij in of omstreeks de periode van 1 april 2015 tot en met 10 november 2015 te Rotterdam en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemde feit,
immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer) van zijn, verdachtes, mededader(s):
- hoeveelheden (van een mengsel van)
(in totaal ongeveer 309,85 kg) paracetamol, en/of
(in totaal ongeveer 20,3 kg) paracetamol/cafeïne, en/of
(in totaal ongeveer 74,05 kg) mannitol, en/of
(in totaal ongeveer 18,25 kg) levamisol, en/of
(in totaal ongeveer 25 kg) tetramisol (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) vervoerd en/of overgedragen, en/of voorhanden gehad en/of opgeslagen, en/of bewerkt/geproduceerd, en/of
- productiemiddelen/-apparaten, gereedschappen en/of verpakkingsmaterialen voorhanden gehad, en/of
- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken, besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen, aanwijzingen en/of opdrachten gegeven aan zijn mededader(s), betreffende de wijze waarop die paracetamol en/of cafeïne moesten worden besteld, gekocht, vervoerd, verkocht, geleverd en/of verstrekt en/of gebruikt en/of vermengd
- een opslagbox aan de [adres 8] te Rotterdam gehuurd en/of daarvan de huursom(men) voldaan,
en/of
ZD [adres 9]
hij in of omstreeks de periode van 20 november 2015 tot en met 20 januari 2016 te Rotterdam, en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal, tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,
te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemde feit,
immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer) van zijn, verdachtes, mededader(s):
- hoeveelheden (van een mengsel van)
(in totaal ongeveer 2.139 gr) paracetamol/cafeïne, en/of
(in totaal ongeveer 3,9 gr) levamisol, en/of
(in totaal ongeveer 386 gr) fenacetine, en/of
(in totaal ongeveer 593,5 gr) mannitol
(bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) besteld, ingekocht en/of vervoerd en/of overgedragen, en/of voorhanden gehad en/of opgeslagen, en/of bewerkt/geproduceerd en/of laten bewerken/produceren, en/of - afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken, besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen, aanwijzingen en/of opdrachten gegeven aan zijn mededader(s), betreffende de wijze waarop die paracetamol en/of cafeïne zouden/konden worden besteld, gekocht, vervoerd, verkocht, geleverd en/of verstrekt en/of gebruikt en/of vermengd, en/of
- in een woning aan de [adres 9] te Rotterdam productiemiddelen/-apparaten, gereedschappen en/of verpakkingsmaterialen voorhanden gehad/ter beschikking gesteld aan (een of meerdere) mededader(s),
en/of
ZD [adres 10] (Barmsijs)
hij in of omstreeks de periode van 12 januari 2016 tot en met 15 maart 2016 te Rotterdam en/of elders in Nederland, meermalen, althans eenmaal,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, althans alleen,
(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken, vervoeren en/of binnen het grondgebied van Nederland brengen van een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en/of te bevorderen,
- voorwerpen, vervoermiddelen, stoffen, gelden en/of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemde feit,
immers heeft/hebben verdachte en/of (een of meer) van zijn, verdachtes, mededader(s):
- hoeveelheden (van een mengsel van)
(in totaal ongeveer 861,2 gr) paracetamol en/of
(in totaal ongeveer 24,1 gr) fenacetine
(bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) besteld, ingekocht en/of vervoerd en/of overgedragen, en/of voorhanden gehad en/of opgeslagen, en/of bewerkt/geproduceerd en/of laten bewerken/produceren, en/of
- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en/of (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken, besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen, aanwijzingen en/of opdrachten gegeven aan zijn mededader(s), betreffende de wijze waarop die paracetamol en/of cafeïne zouden/konden worden besteld, gekocht, vervoerd, verkocht, geleverd en/of verstrekt en/of gebruikt en/of vermengd;
- in een woning aan de [adres 10] te Rotterdam productiemiddelen/-apparaten, gereedschappen en/of verpakkingsmaterialen voorhanden gehad/ter beschikking gesteld aan (een of meerdere) mededader(s);
4.
hij in of omstreeks de periode van 29 juli 2015 tot en met 12 juli 2016 te Rotterdam, Spijkenisse, Schiedam, en/of elders in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van verdachte en medeverdachte(n),
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10a lid 1 van de Opiumwet, namelijk het voorbereiden om te bevorderen van een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk te bereiden, bewerken, verwerken, vervaardigen, verkopen, af te leveren, verstrekken en/of vervoeren, en/of binnen of buiten het grondgebied van Nederland te brengen van een of meer hoeveelheden heroïne en/of cocaïne, althans (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Bewezenverklaring
Het hof acht wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan, met dien verstande dat:

1.ZD Azië

hij in de periode van 29 juli 2015 tot en met 12 juli 2016 te Rotterdam, Spijkenisse, en/of Delft, meermalen,
tezamen en in vereniging met een of meer anderen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,
te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van (een of meer) hoeveelheden, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
voor te bereiden of te bevorderen,
- anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van die feiten heeft getracht te verschaffen, en
- stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemd feit,
immers hebben verdachte en (een of meer) van zijn, verdachtes, mededaders:
- middels
[bedrijf 2]hoeveelheden (van een mengsel van)
(in totaal
17.3kg) paracetamol, en
(in totaal
9.15kg) cafeïne (anhydrous), en
(in totaal
250kg) fenacetine,
(bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) besteld, ingekocht en vervoerd en overgedragen, en/of
- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken gevoerd met en inlichtingen, aanwijzingen en opdrachten gegeven aan zijn mededader(s), betreffende de wijze waarop die paracetamol en cafeïne konden worden besteld, gekocht, vervoerd, verkocht, geleverd en verstrekt, en
- meerdere opslagboxen, te weten: box nummer 0031 van Shurgard aan de [adres 2] te Rotterdam, en box nummer 0103 van Shurgard aan de [adres 3] te Spijkenisse en
eenandere opslagbox gehuurd en daarvan de huursom(men) voldaan, en
- in voornoemde opslagbox(en) paracetamol, en cafeïne (anhydrous), en stoffen (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) en productiemiddelen/-apparaten, gereedschappen en verpakkingsmaterialen voorhanden gehad en opgeslagen.

2.ZD [bedrijf 3]

hij in de periode van 29 juli 2015 tot en met 12 juli 2016 te Rotterdam en Schiedam, meermalen,
tezamen en in vereniging met anderen,
(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,
te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
voor te bereiden of te bevorderen,
- een of meer ander(en) heeft getracht te bewegen om die feiten te plegen en om daarbij behulpzaam te zijn en
- anderen gelegenheid, middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat/die feit(en) heeft getracht te verschaffen, en
- voorwerpen
enstoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemd feit,
immers hebben verdachte en (een of meer) van zijn, verdachtes, mededader(s):
- bedrijfspanden aan de [adres 4] te Schiedam en [adres 5] te Schiedam gehuurd en/of daarvan de huursom(men) voldaan, en
- ( vervolgens) (grote) hoeveelheden (van een mengsel van) paracetamol
encafeïne (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) vervoerd en overgedragen, en voorhanden gehad en opgeslagen, en bewerkt/verwerkt/geproduceerd, verpakt en verdeeld, en
- in voornoemde bedrijfspanden(en) productiemiddelen/-apparaten, gereedschappen en verpakkingsmaterialen voorhanden gehad, en
- afspraken gemaakt en ontmoetingen gehad en (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken, besprekingen en/of onderhandelingen gevoerd met en/of inlichtingen, aanwijzingen en opdrachten gegeven aan zijn mededader(s), betreffende de wijze waarop die paracetamol en/of cafeïne moesten worden vervoerd, verkocht, geleverd en verstrekt en gebruikt en vermengd;

3.ZD [adres 6]

hij in de periode van 1 april 2015 tot en met 28 april 2015 te Rotterdam (al dan niet in een woning aan de [adres 6] ) meermalen, tezamen en in vereniging met anderen,
(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I,
voor te bereiden of te bevorderen,
- voorwerpen
enstoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemd feit,
immers hebben verdachte en/of zijn, verdachtes, mededader(s):
- hoeveelheden (in totaal ongeveer 301,35 kg) (van een mengsel van) paracetamol en/of cafeïne (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) vervoerd en overgedragen en voorhanden gehad en opgeslagen, en bewerkt/geproduceerd, en
- productiemiddelen/-apparaten, gereedschappen en verpakkingsmaterialen voorhanden gehad;
en
ZD [adres 7]
hij in de periode van 1 april 2015 tot en met 1 mei 2015 te Nieuwerkerk aan den IJssel, gemeente Zuidplas (al dan niet in een bedrijfspand aan de [adres 7] ) meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, (telkens) om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden of te bevorderen,
- voorwerpen
enstoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemd feit,
immers hebben verdachte en zijn, verdachtes, mededader(s):
- hoeveelheden (in totaal ongeveer 100,35 kg) (van een mengsel van) paracetamol en/of cafeïne (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) vervoerd en overgedragen en voorhanden gehad en opgeslagen en bewerkt/geproduceerd, en
- productiemiddelen/-apparaten, gereedschappen en/of verpakkingsmaterialen voorhanden gehad;
en
ZD Bors(elaarstraat)
hij in de periode van 23 september 2013 tot en met 8 oktober 2014 te Rotterdam meermalen, tezamen en in vereniging met anderen,
(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden of te bevorderen,
- voorwerpen
enstoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemd feit,
immers hebben verdachte en zijn, verdachtes, mededaders:
- hoeveelheden (van een mengsel van)
(in totaal ongeveer 364,9 kg) paracetamol, en
(in totaal ongeveer 1015,6 kg) cafeïne, en
(in totaal ongeveer 24,6 kg) fenacetine, en
(in totaal ongeveer 50,3 kg) mannitol, en
(in totaal ongeveer 24,4 kg) lidocaïne, en een jerrycan kleurstof,
(bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) vervoerd en overgedragen en voorhanden gehad en opgeslagen en bewerkt/geproduceerd, en
- productiemiddelen/-apparaten, gereedschappen en/of verpakkingsmaterialen voorhanden gehad;
en
ZD [adres 8]
hij in de periode van 1 april 2015 tot en met 10 november 2015 te Rotterdam meermalen,
tezamen en in vereniging met anderen,
(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden of te bevorderen,
- voorwerpen
enstoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemd feit,
immers hebben verdachte en zijn, verdachtes, mededader(s):
- hoeveelheden (van een mengsel van)
(in totaal ongeveer 309,85 kg) paracetamol, en
(in totaal ongeveer 20,3 kg) paracetamol/cafeïne, en
(in totaal ongeveer 74,05 kg) mannitol, en
(in totaal ongeveer 25 kg) tetramisol (bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) vervoerd en overgedragen, en voorhanden gehad en opgeslagen;
en
ZD [adres 9]
hij in de periode van 20 november 2015 tot en met 20 januari 2016 te Rotterdam, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen,
(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet,
te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden of te bevorderen,
- stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemd feit,
immers hebben verdachte en zijn, verdachtes, mededader(s):
- hoeveelheden (van een mengsel van)
paracetamol/cafeïne, en
fenacetine en
mannitol,
(bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) vervoerd en overgedragen en voorhanden gehad;
en
ZD [adres 10] (Barmsijs)
hij in de periode van 12 januari 2016 tot en met 15 maart 2016 te Rotterdam in Nederland, meermalen,
tezamen en in vereniging met anderen,
(telkens) om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne en/of heroïne, zijnde cocaïne en heroïne middelen vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden of te bevorderen,
- stoffen voorhanden heeft gehad, waarvan hij wist of ernstige reden had te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van hierboven genoemd feit,
immers hebben verdachte en zijn, verdachtes, mededader(s):
- hoeveelheden (van een mengsel van)
paracetamol en fenacetine
(bestemd voor het versnijden en/of bewerken en/of verwerken van heroïne en/of cocaïne) vervoerd en overgedragen en voorhanden gehad;
4.
hij in de periode van 29 juli 2015 tot en met 12 juli 2016 te Rotterdam, Spijkenisse, Schiedam, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een samenwerkingsverband van verdachte en medeverdachten,
welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 10a lid 1 van de Opiumwet, namelijk het voorbereiden
ofbevorderen van een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, te weten het opzettelijk bereiden, bewerken, verwerken, verkopen, afleveren, verstrekken en/of vervoeren van een of meer hoeveelheden heroïne en/of cocaïne, althans (een) middel(en) als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.
Hetgeen meer of anders is tenlastegelegd, is niet bewezen. De verdachte moet daarvan worden vrijgesproken.
Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. Blijkens het verhandelde ter terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in de verdediging.
Bewijsmiddelen [1]
Het hof neemt de door de rechtbank gebezigde bewijsmiddelen, zoals weergegeven in de bijlage II: bewijsmiddelen bij het vonnis van 14 november 2019, over en bezigt deze tot het bewijs, met inachtneming van het volgende:
  • Uit bewijsmiddel 13 bij feit 2 (p. 34 van het vonnis), zijnde een verklaring van verdachte [medeverdachte Y] , schrapt het hof de navolgende passage:
  • In bewijsmiddel 14 bij feit 2 (p. 34 van het vonnis), zijnde een verklaring van verdachte [medeverdachte D] , vervangt het hof de passage: “
Voorts bezigt het hof de hierna in het hoofdstuk “bewijsoverwegingen” opgenomen en aldaar in de voetnoten genoemde bewijsmiddelen tot het bewijs.
Voor zover er bij de door het hof gebruikte bewijsmiddelen die redengevend zijn voor de bewezenverklaring nog bewijsmiddelen mochten ontbreken, worden deze opgenomen in een aanvulling op het arrest. Deze aanvulling wordt dan aan dit arrest gehecht.
Bewijsoverwegingen
Algemene inleiding
Het hof merkt allereerst op dat op grond van bestendige jurisprudentie het aan de strafrechter, die over de feiten oordeelt, is voorbehouden om, binnen de door de wet getrokken grenzen, van het beschikbare materiaal datgene tot bewijs te bezigen wat deze uit het oogpunt van betrouwbaarheid daartoe dienstig voorkomt en terzijde te stellen wat hij voor het bewijs van geen waarde acht. Met andere woorden: de selectie en waardering van het beschikbare feitenmateriaal is voorbehouden aan de feitenrechter, die beslist wat hij van het beschikbare bewijsmateriaal betrouwbaar en bruikbaar vindt en aan welk bewijsmateriaal hij geen waarde toekent. Bij de beoordeling van het beschikbare bewijsmateriaal kan de feitenrechter betekenis toekennen aan onder meer de onderlinge samenhang van dit bewijsmateriaal en de mate waarin bewijsmateriaal steun vindt in ander bewijsmateriaal. [2] De beslissing dat het bewezenverklaarde door de verdachte is begaan, berust dan ook op de feiten en omstandigheden als vervat in de hierboven bedoelde bewijsmiddelen in onderlinge samenhang beschouwd.
Onderzoek ‘Scherm’ en het bijbehorende procesdossier heeft betrekking op een proces rond de productie van versnijdingsmiddelen, de daarin figurerende personen, waaronder de verdachte, en de rollen die zij in dat proces vervulden.
Hierna zal onder ‘A’ eerst een feitelijke omschrijving van dat proces worden gegeven, de fases waaruit dat proces bestond, de rollen die de verschillende verdachten in dit proces innamen en in hoeverre dat tot een bewezenverklaring van het tenlastegelegde leidt.
Onder ‘B’ zal vervolgens specifiek worden ingegaan op het al dan niet bestaan van een criminele organisatie en de eventuele deelneming van de verdachte hieraan.
A: Het feitelijke proces en de rol van verdachte
Uit het onderzoek ‘Scherm’ is gebleken dat in de regio Rotterdam grondstoffen voor versnijdingsmiddelen zijn geïmporteerd via een API-geregistreerd bedrijf, [bedrijf 2] Deze grondstoffen werden vervolgens in diverse opslagboxen opgeslagen. Vanuit die boxen werden de stoffen in kleinere hoeveelheden opgehaald om het in verschillende panden en woningen te bewerken tot versnijdingsmiddel. Dit werd vervolgens verkocht aan anderen om het te versnijden met (zuivere) harddrugs, waarna het mengsel uiteindelijk werd verkocht aan afnemers. In dit proces zijn de volgende fases te onderscheiden:
De import en de opslag van de grondstoffen (zaaksdossier Azië);
Het ophalen van de grondstoffen (zaaksdossiers Azië en [bedrijf 3] );
Het bewerken van de grondstoffen tot versnijdingsmiddel (zaaksdossiers [bedrijf 3] , [adres 6] , [adres 7] , [adres 12] );
Het opslaan van het eindproduct (zaaksdossier [adres 8] );
Het verkopen en afleveren van het eindproduct ten behoeve van vermenging daarvan met harddrugs (zaaksdossiers [adres 13] , [adres 9] , [adres 14] , Bijerlandsestraat, Zuidplein).
Hieronder zullen deze vijf fases nader worden toegelicht.
Fase 1: de import en de opslag van de grondstoffen (zaaksdossier Azië)
Uit het dossier volgt dat het bedrijf [bedrijf 4] (hierna: [bedrijf 4] ) zich bezig hield met het importeren van grondstoffen voor geneesmiddelen. Vanaf 2010 tot 2016 heeft [bedrijf 4] de grondstoffen paracetamol, cafeïne en fenacetine geleverd aan het bedrijf [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1] ). De handelsactiviteiten van [bedrijf 1] , zoals blijkt uit de Kamer van Koophandel registratie, richtten zich in de tenlastegelegde periode niet op de aankoop of doorverkoop van farmaceutische stoffen. Het bedrijf heeft dan ook geen API-registratie. [3] Vanaf maart 2016 heeft [bedrijf 4] de grondstoffen geleverd aan het bedrijf [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2] ). [medeverdachte L] is een van de directeuren en bevoegd bestuurder van [bedrijf 2] . [4] [bedrijf 2] was een API-geregistreerd bedrijf dat zich bezig hield met onder meer het importeren en distribueren van werkzame stoffen in geneesmiddelen. [5] Nadat de stoffen door [bedrijf 2] legaal waren aangekocht, leverde [bedrijf 2] aanzienlijke hoeveelheden stoffen aan particulieren, waaronder [verdachte] (hierna: [verdachte] ), en aan een niet-API-geregistreerd bedrijf, te weten [bedrijf 1] . [6] [verdachte] was de vertrouwenspersoon en zakenpartner van [medeverdachte L] ’s contactpersoon bij [bedrijf 1] . [7]
Na levering van de stoffen werden deze opgeslagen in de door [medeverdachte L] gehuurde opslagboxen van Shurgard Selfstorage. [8] Het gaat om opslagbox 0031 aan de [adres 2] te Rotterdam [9] , opslagbox 0103 aan de [adres 3] te Spijkenisse [10] en opslagbox 0203 aan de [adres 11] te Delft. [11] Het hof leidt uit de bewijsmiddelen [12] af, dat het gedurende de periode van 29 juli 2015 tot en met 12 juli 2016 ging om een hoeveelheid van 17.300 kilogram paracetamol, 9.150 kilogram cafeïne en 250 kilogram fenacetine. [verdachte] is ook betrokken geweest bij de huur van één van die boxen. [13] [medeverdachte W] verrichtte voor [medeverdachte L] werkzaamheden in het kader van de opslag van de grondstoffen in de opslagboxen. [medeverdachte W] stelde [medeverdachte L] er telefonisch van op de hoogte als de grondstoffen waren uitgeladen en hij moest controleren of de juiste stoffen en juiste hoeveelheden werden geleverd. Daarnaast nam hij voor [medeverdachte L] grote geldbedragen (€ 10.000,- à € 15.000,- per keer) in ontvangst van [verdachte] . [14]
Fase 2: het ophalen van de grondstoffen (zaaksdossiers Azië en [bedrijf 3] )
Uit observaties en camerabeelden van de verschillende opslagboxen van Shurgard is gebleken dat de verdachten [verdachte] , [medeverdachte E] , [medeverdachte R] en [medeverdachte D] , in wisselende samenstellingen, zichzelf toegang gaven tot de opslagboxen. Te zien was dat de verdachten meermalen gevulde bigshopper tassen, drums/vaten en kartonnen dozen uit de opslagboxen haalden en die inlaadden in verschillende voertuigen.
Ten aanzien van de verschillende opslagboxen is onder andere het volgende vastgesteld:
Box 0031 aan de [adres 2] te Rotterdam:
- [medeverdachte R] en [verdachte] laden o.a. op 31 maart 2016 meermalen dozen en drums uit de box in bestelbus [kenteken 7] ; [15]
- [verdachte] opent en sluit de box op 12 april 2016; [16]
- [medeverdachte D] laadt vaten en een jerrycan in zijn bestelbus [kenteken 1] op 16 april 2016 [17] en 20 april 2016; [18]
- [verdachte] en [medeverdachte E] laden op 30 april en 1 mei 2016 meerdere vaten en boxen in bedrijfswagen VJ-958-H. [19]
Box 0103 aan de [adres 3] te Spijkenisse:
- [verdachte] laadt o.a. op 25 en 30 april 2016 volle geruite bigshopper tassen vanuit de box in een Renault; [20]
- [medeverdachte D] rijdt o.a. op 15 en 20 april 2016 met zijn eigen Volkswagen Caddy ( [kenteken 1] ) [21] naar de box en laadt meerdere vaten/drums vanuit de box in zijn voertuig; [22]
- [medeverdachte R] laadt o.a. op 19 april en 15, 21 en 26 mei 2016 volle geruite bigshoppers, kartonnen dozen en vaten/drums vanuit de box in verschillende voertuigen; [23]
- [verdachte] laadt o.a. op 1 en 5 mei 2016 meerdere drums/vaten vanuit de box in een Renault Master. [24]
Box 0203 aan de [adres 11] te Delft:
- [medeverdachte R] laadt o.a. op 28 en 29 juni 2016 goederen uit de box in zijn bestelbus. [25]
Fase 3: het bewerken van de grondstoffen tot versnijdingsmiddel (zaaksdossiers [bedrijf 3] , [adres 12] , [adres 6] , [adres 7] )
Nadat de verdachten [verdachte] , [medeverdachte R] , [medeverdachte E] en [medeverdachte D] de stoffen hadden opgehaald, brachten zij die naar verschillende woningen en panden voor het productieproces. Uit het dossier blijkt dat het productieproces in grote lijnen bestaat uit de volgende stappen: [26]
Het vermengen van de grondstofpoeders met een vloeibare kleurstof;
Het verwarmen van het mengsel in een grote pan;
Het drogen van het ontstane mengsel op metalen platen/op de vloer waardoor verharde plakken en brokken ontstaan;
Het vermalen en zeven van de ontstane plakken en brokken;
Het verpakken van de gemalen grondstoffen, poeders, in kiloverpakkingen ten behoeve van transport en verdere bewerking.
De verdachten maakten bij het produceren van versnijdingsmiddelen gebruik van de volgende locaties:
  • De twee bedrijfspanden van [bedrijf 3] : een pand aan de [adres 4] en een pand aan de [adres 5] , beide in Schiedam;
  • Een woning aan de [adres 12] in Rotterdam, een woning aan de [adres 6] in Rotterdam en een bedrijfspand aan de [adres 7] in Nieuwerkerk aan den IJssel.
[adres 4] en [adres 5] te Schiedam
Het bedrijf [bedrijf 3] is een bedrijf dat zich voornamelijk richt op de levering van consumentenartikelen zoals zonnebloemolie en non-alcoholische dranken. Het is gevestigd aan de [adres 4] in Schiedam en [medeverdachte E] is enig aandeelhouder van het bedrijf. [27] Uit het onderzoek blijkt dat zowel [medeverdachte D] als [medeverdachte Y] in het bedrijf [bedrijf 3] werkzaamheden verrichtten. Voor het verrichten van zijn werkzaamheden heeft [medeverdachte D] de beschikking over een Volkswagen Caddy (met kenteken [kenteken 1] ) gekregen. [28]
Vanaf 29 maart 2016 heeft [medeverdachte E] het pand aan de [adres 5] in Schiedam in gebruik als nevenvestiging. Bij het aangaan van het huurcontract zijn naast [medeverdachte E] ook [verdachte] en [medeverdachte Y] betrokken. [29] Makelaar [getuige 1] is benaderd door [medeverdachte Y] die zei het pand aan de [adres 5] in Schiedam te willen huren. [30]
Beide locaties zijn gebruikt als productieplaats voor versnijdingsmiddel. [31] Uit de bewijsmiddelen kan worden afgeleid dat de in de [adres 4] aangetroffen grijze kratten gevuld met gekookte, ingedroogde en verbrokkelde materialen naar de [adres 5] werden vervoerd om daar met de maalmachine te worden vermalen en verpakt tot eindproduct.
Uit observaties is gebleken dat vaten en dozen naar de twee panden van [bedrijf 3] werden gereden. Daar werden de goederen in- en uitgeladen en vervolgens bewerkt. Zo is onder andere het volgende vastgesteld:
- Op 4 januari 2016 rijdt het voertuig Citroën Nemo [kenteken 2] naar het pand aan de [adres 4] en rijdt daar achteruit naar binnen. [32] [medeverdachte E] ontvangt daarna een sms met de mededeling ‘dat hij 450 heeft neergezet en dat ze allemaal midden moeten worden’. [33]
- Op 10 februari 2016 om 14.28 uur wordt wederom een witte bestelauto bij het bedrijf aan de [adres 4] waargenomen. Vlak voor die waarneming vindt er een sms-conversatie tussen [medeverdachte E] en een ander plaats waaruit blijkt dat die ander ‘300 moet brengen’. Nadat de ‘300’ zijn gebracht, stuurt [medeverdachte E] een sms naar [verdachte] met de vraag ‘wat er moet gebeuren met die 300’. [verdachte] reageert met ‘Emmi, alleen 300 van het donkere. De rest allemaal midden 1 beker. Oom niet haasten. Zorg je ervoor dat jullie het deeg goed klein maken’. [34]
  • Uit camerabeelden van de Shurgard Box 103 te Spijkenisse blijkt dat [medeverdachte D] op 15, 16 en 20 april 2016 ter plaatse komt (op 15 april 2016 in gezelschap van [verdachte] ) en dat [medeverdachte D] een aantal malen meerdere drums uit de box in zijn auto heeft ingeladen (p. 13-411 e.v.). Voorts blijkt uit getapte telecommunicatie dat [verdachte] met [medeverdachte D] via SMS-berichten op 20 en 21 april 2016 contact heeft waarin gesproken wordt over kookpannen, over het malen, over dat het net deeg is en gaat glimmen, dat [medeverdachte E] de donkere wel erg dik heeft gegoten en dat het niet te malen is, het malen/trekken van melk, lichtkleurige en over een ontmoeting (p. 13-278 e.v.).
  • Op 21 april 2016 wordt vervolgens waargenomen dat [medeverdachte D] met zijn Caddy met kenteken [kenteken 1] achteruit het pand bij de [adres 5] inrijdt. Korte tijd later rijdt hij het pand weer uit en waargenomen wordt dat hij voor het pand een ontmoeting heeft met [verdachte] . Niet lang daarna rijdt [medeverdachte D] naar een ondergrondse vuilniscontainer aan de Spaansebocht en gooit hij 5 gevulde vuilniszakken weg.
- Op 28 en 30 mei en 2, 3, 4, 5 en 6 juni 2016 worden zowel [medeverdachte R] als [verdachte] bij het pand aan de [adres 5] waargenomen. Zowel afzonderlijk van elkaar als samen betreden zij het pand. Tevens wordt waargenomen dat zij meermalen goederen uit voertuigen laden en in het pand dragen. [37]
Uit diverse opgenomen telefoongesprekken [38] blijkt dat er onder andere door [medeverdachte E] (“ [medeverdachte E] ”) aan [medeverdachte Y] (“ [medeverdachte Y] ”) [39] en aan [medeverdachte D] (“ [medeverdachte D] ”) [40] opdrachten en aanwijzingen worden gegeven met betrekking tot de productie van versnijdingsmiddelen. Ook [verdachte] heeft meermalen bemoeienis. Daarbij worden termen als “half”, “kilo”, “grammetje”, “weegschalen” genoemd en wordt in versluierd taalgebruik gesproken, zoals “dinges” [41] “grijs” [42] , “donker” [43] , “die tussen midden en donker” [44] , “witte” [45] , “melk” [46] en “kisten tomaten”. [47] Het voorgaande wijst in de context van het dossier naar het oordeel van het hof op de productie van versnijdingmiddelen.
De woningen aan de [adres 12] en [adres 6] in Rotterdam en het
bedrijfspand aan de [adres 7] in Nieuwerkerk aan den IJssel
De personen die zijn aangetroffen in voornoemde twee woningen betreffen personen afkomstig uit Bulgarije die zijn benaderd om in deze woningen en in de bedrijfsloods aan de [adres 7] versnijdingsmiddelen te produceren.
[adres 12] in Rotterdam
Op 8 oktober 2014 heeft een doorzoeking plaatsgevonden van de woning aan de [adres 12] in Rotterdam. [48] Bij die doorzoeking is geconstateerd dat de woning werd gebruikt als productieplaats voor versnijdingsmiddelen. Er zijn o.a. vaten en geruite big shoppers met daarin (zakken) poeder, dozen paracetamol, pannen, schalen, weegschalen en verpakkingsmaterialen aangetroffen. [49] Ten tijde van de doorzoeking waren [getuige 7] en [getuige 8] in de woning aanwezig. Zij zijn aangehouden en gehoord. [50] Uit de verklaring van zowel [getuige 7] [51] als [getuige 8] [52] kan worden afgeleid dat zij zich beiden bezighielden met de productie van versnijdingsmiddelen.
Op basis van beider verklaringen acht het hof voldoende bewijs aanwezig dat [verdachte] degene was die in hun verklaring als de chef of baas werd aangeduid. Beiden benoemen in hun verklaring deze persoon als ‘ [verdachte] ’ of ‘ [verdachte] ’, zijnde een dikkige man van 30-35 jaar oud met een lengte van 1,65-1,70 meter, die wel eens een meisje van 2 jaar oud en een jongen van 4/5 jaar oud meebracht. [verdachte] was ten tijde van de feiten ongeveer 30 jaar oud, voldoet aan de door hen in hun verklaringen gegeven omschrijving en had destijds een dochter van 2 jaar oud en een zoon van 4/5 jaar oud. [53]
Ook acht het hof voldoende bewijs aanwezig dat [medeverdachte R] bij dit feit betrokken was. Een man die grondstoffen langsbracht, werd door [getuige 8] ‘ [medeverdachte R] ’ genoemd. Bovendien werd op de dag van de doorzoeking van 8 oktober 2014 aan de politie een uit een naburige woning gegooid briefje ter hand gesteld waar kentekens van bij huisnummer [adres 12] betrokken auto’s worden genoemd. Het daarop genoteerde kenteken [kenteken 3] behoort bij een blauwkleurige Seat Ibiza die vanaf 7 juli 2014 op naam van [medeverdachte R] staat; het daarop genoteerde kenteken [kenteken 4] behoort bij een zwarte Hyundai i30 die vanaf 26 juni 2014 op naam staat van [verdachte] . [54]
[adres 6] in Rotterdam
Op 28 april 2015 heeft een doorzoeking plaatsgevonden van de woning aan de [adres 6] . [55] Bij die doorzoeking is geconstateerd dat de woning werd gebruikt als productieplaats voor versnijdingsmiddel. Er zijn onder meer een kookinstallatie op
gasflessen met pannen, kookgerei, een jerrycan met donkerbruine vloeistof, zakken met brokken bruin materiaal en zakken met resten wit materiaal, poeder en diverse big shoppers met zakken bruin materiaal, en een maalinstallatie aangetroffen. [56] De stoffen bleken cafeïne en paracetamol te bevatten. [57] Ten tijde van de doorzoeking waren [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] in de woning aanwezig. Zij zijn aangehouden en gehoord. Uit hun verklaringen kan worden afgeleid dat zij zich bezighielden met de productie van versnijdingsmiddelen.
Op basis van hun verklaringen acht het hof voldoende bewijs aanwezig dat [verdachte] betrokken was. [getuige 4] beschrijft “de man die ons betaalde” als een jonge man die in een zwarte Hyundai reed en hem een keer heeft gebracht terwijl zijn kind ook in de auto zat. [58] [verdachte] reed destijds in een zwarte Hyundai. [59] Bovendien stelt het hof vast dat de werkwijze op het adres [adres 6] zoals die uit de bewijsmiddelen naar voren, komt sterke gelijkenis vertoont met die op het adres [adres 12] . Die overeenkomsten staan beschreven in het proces-verbaal van 30 september 2015. [60]
[adres 7] in Nieuwerkerk aan den IJssel
Uit de verklaringen van [getuige 2] , [getuige 3] en [getuige 4] kon worden afgeleid dat zij in opdracht van dezelfde personen ook op een tweede productielocatie hebben gewerkt. Dit bleek de [adres 7] in Nieuwerkerk aan den IJssel te zijn. [61] Op 1 mei 2015 is het bedrijfspand aan de [adres 7] doorzocht. Ook hier bleek sprake van een productielocatie. In het pand werden grote hoeveelheden versnijdingsmiddel en een weegschaal in beslag genomen. [62] Ook hier vertoonde de werkwijze zoals die uit de bewijsmiddelen naar voren komt sterke gelijkenis met die op de adressen [adres 12] en [adres 6] , zoals beschreven in het proces-verbaal van 30 september 2015. [63]
Naast bovengenoemde, voor [verdachte] en [medeverdachte R] belastende omstandigheden werden bovendien drie sporen aangetroffen die een hit opleverden met verdachten: [64]
  • Rechts achter op de vloer van de grote ruimte op de eerste etage is een peuk met daarop DNA van [medeverdachte R] aangetroffen;
  • Op een Coca Cola fles in de koelkast is een dactyloscopisch spoor van [medeverdachte R] aangetroffen;
  • Op een leeg blikje Red Bull, dat is aangetroffen in een vuilnisbak nabij de ingang van het pand (in het pand), zat speeksel van [verdachte] .
Fase 4: het opslaan van het eindproduct (zaaksdossier [adres 8] )
Na het bewerken van de grondstoffen op de hierboven genoemde locaties tot versnijdingsmiddelen werd een deel van het eindproduct opgeslagen in garagebox [adres 8] aan de [adres 8] . Op 7 september 2015 reed [verdachte] met een bestelbus, kenteken [kenteken 5] , naar garagebox [adres 8] aan de [adres 8] . Daar werd het voertuig geparkeerd en werd de laadklep geopend. [65] Ook op 10 november 2015 is [verdachte] herkend terwijl hij dozen en big shoppers ophaalt. [66] [medeverdachte R] is eveneens enkele malen gezien terwijl hij de garagebox bezocht. [67] Op 10 november 2015 heeft er een doorzoeking van de garagebox plaatsgevonden. Bij die doorzoeking is geconstateerd dat de garagebox gebruikt werd als opslagplaats voor de grondstoffen zoals paracetamol en cafeïne en voor het eindproduct (mengsel van paracetamol en cafeïne). [68]
Fase 5: het verkopen en afleveren van het eindproduct ten behoeve van vermenging daarvan met harddrugs (zaaksdossiers [adres 13] , [adres 9] , [adres 14] , [adres 10] , Zuidplein)
Na het produceren van versnijdingsmiddel en het opslaan daarvan, begon de laatste fase van het verdienmodel van de verdachten, te weten het verkopen en afleveren van het eindproduct.
[medeverdachte T] heeft bekend dat hij gedurende enige tijd op verschillende adressen versnijdingsmiddelen heeft geleverd. Gebleken is dat hij betrokken was bij afleveringen aan de woningen aan de [adres 9] , [adres 13] en de [adres 14] in Rotterdam. Hoewel het adres [adres 10] hem naar zijn zeggen niets zegt, blijkt uit de bewijsmiddelen wel dat hij in het bijbehorende zaaksdossier Barmsijs gekoppeld kan worden aan levering van versnijdingsmiddelen in de bewuste periode in de omgeving van het adres [adres 10] . Dat [medeverdachte T] niet in die woning is geweest, doet aan de bewezenverklaring van het tenlastegelegde niet af. Het zaaksdossier Zuidplein betreft een in het voertuig met kenteken [kenteken 6] aangetroffen hoeveelheid versnijdingsmiddelen (mengsels van paracetamol en cafeïne). [69] [medeverdachte T] heeft dit feit bekend.
Uit telefoongesprekken en sms-berichten valt af te leiden dat [medeverdachte T] werd aangestuurd door [verdachte] en dat [verdachte] onderhandelingen heeft gevoerd met verschillende afnemers over de hoeveelheden en de prijzen die werden gehanteerd. Zo blijkt uit gesprekken en sms-contacten dat [medeverdachte T] en [verdachte] gesprekken voerden met ene ‘Donny’ over de levering van versnijdingsmiddelen op of nabij het adres [adres 9] . Kort daarna vond er een doorzoeking plaats op dat adres waarbij (naar later uit onderzoek door het NFI bleek) verdovende middelen en versnijdingsmiddelen, alsmede gereedschappen en apparatuur werden aangetroffen en inbeslaggenomen. [70]
In zaaksdossier Barmsijs blijkt eveneens van betrokkenheid van [verdachte] . Op 29 februari en 1 maart 2016 voert [verdachte] telefonische gesprekken waaruit volgt dat hij versnijdingsmiddelen moet afleveren op “ [adres 10] ” of “achter Grasspriet” [71] , hetgeen refereert aan het adres [adres 10] .
Conclusie ten aanzien van de verdachte
In de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, komt [verdachte] naar voren als iemand met een leidinggevende en aansturende rol in het geheel en die in die rol bij alle verschillende fases van het proces betrokken was. Zo zorgde hij voor de levering van de geïmporteerde grondstoffen door [bedrijf 2] , was hij betrokken bij de opslag en de verwerking van de grondstoffen; de verdachte werd door de Bulgaren die de versnijdingsmiddelen produceerden gezien als de chef en was ook betrokken bij de levering van versnijdingsmiddelen aan de afnemers. Voorts blijkt dat de verdachte andere verdachten steeds instructies gaf onder meer bij het productieproces. Hiertoe maakte de verdachte afspraken met andere verdachten, had hij ontmoetingen en voerde hij (al dan niet in versluierd taalgebruik) telefoongesprekken met medeverdachten. Hij gaf daarbij opdrachten en instructies hoe de andere verdachten moesten handelen. Ten behoeve van het productieproces huurde hij met zijn medeverdachten, althans had hij samen met zijn medeverdachten de beschikking over verschillende locaties, waaronder woningen en bedrijfspanden, waar hij zelf ook kwam. Op deze locaties had hij steeds de beschikking over de aanwezige grondstoffen voor de productie van de versnijdingsmiddelen, over de geproduceerde versnijdingsmiddelen en over productiemiddelen en -apparaten, gereedschappen en verpakkingsmaterialen ten behoeve van dat productieproces.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten, de tenlastegelegde feiten heeft gepleegd zoals bewezenverklaard. Het hof neemt hierbij in aanmerking dat de verdachte voor voornoemde, voor het bewijs van het tenlastegelegde redengevende feiten en omstandigheden, zowel bij de politie, in eerste aanleg als in hoger beroep, geen of geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende verklaring heeft gegeven. Daarbij merkt het hof op dat op grond van bestendige jurisprudentie de omstandigheid dat een verdachte weigert een verklaring af te leggen of een bepaalde vraag te beantwoorden op zichzelf, mede gelet op het bepaalde in artikel 29, eerste lid, Sv, niet tot het bewijs kan bijdragen. Dat brengt echter niet mee dat de strafrechter, indien een verdachte voor een omstandigheid, die op zichzelf of in samenhang met de verdere inhoud van de bewijsmiddelen beschouwd redengevend moet worden geacht voor het bewijs van het aan hem tenlastegelegde feit, geen redelijke, die redengevendheid ontzenuwende, verklaring heeft gegeven, zulks niet in zijn overwegingen omtrent het gebezigde bewijsmateriaal zou mogen betrekken. [72]
B: Criminele organisatie en de rol van de verdachte
Voor wat betreft het juridisch kader ten aanzien van artikel 11b, eerste lid, (oud) van de Opiumwet geldt dat laatstgenoemde bepaling moet worden gezien als een logische specialis van artikel 140, eerste lid, Sr. Voor de invulling van het juridisch kader geldt derhalve dat de uitleg van de bestanddelen van artikel 140, eerste lid, Sr in gelijke mate van toepassing is. Voor het bewijs van deelneming aan de criminele organisatie zal bijgevolg met het oog op de tenlastelegging moeten worden bewezen dat:
  • i) sprake is geweest van een organisatie;
  • ii) deze organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven als bedoeld in artikel 140, eerste lid, Sr, dan wel het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 11b, eerste lid, (oud) van de Opiumwet en
  • iii) het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als deelneming aan deze organisatie.
( i) Onder
een organisatieals bedoeld in artikel 140, eerste lid, Sr en artikel 11b, eerste lid, (oud) van de Opiumwet moet worden verstaan een samenwerkingsverband met een zekere duurzaamheid en structuur tussen de verdachte en ten minste één andere (rechts)persoon. Een dergelijk samenwerkingsverband kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie. Er is reeds sprake van een dergelijke organisatie wanneer één persoon met minimaal één of meer anderen voor een door hen gesteld doel samenwerken. [73] Het optreden als eenheid is geen absolute voorwaarde, terwijl de juridische status van het samenwerkingsverband niet relevant is. Ook hoeft er geen sprake te zijn van formeel afgebakende taken, maar het samenwerkingsverband moet wel meer dan een incidenteel karakter hebben. Dat voor het bestaan van een ‘organisatie’ in de zin van artikel 140, eerste lid, Sr of 11b, eerste lid, (oud) van de Opiumwet een vorm van ‘hiërarchie’ of ‘geledingen’ vereist is, vindt geen steun in het recht. Het moet in ieder geval gaan om een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband, dat als eenheid kan opereren – zoals dat kan blijken uit de onderlinge verdeling van werkzaamheden of onderlinge afstemming van activiteiten van deelnemers binnen de organisatie met het oog op het bereiken van het gemeenschappelijke doel van de organisatie – en, meer algemeen, aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de met het oog op dit doel verrichte activiteiten van deelnemers binnen de organisatie. [74]
Van een duurzaam, min of meer gestructureerd samenwerkingsverband kan al blijken als er gedurende een vaste periode door bepaalde personen volgens een vast patroon wordt samengewerkt. Niet noodzakelijk is daarbij dat het enkel steeds dezelfde personen betreft. Ook is in dezen niet vereist dat al de personen van de organisatie onderling met elkaar samengewerkt hebben of bekend waren met de andere (rechts)personen die deel uitmaken van de organisatie en hun bezigheden voor die organisatie. [75] De deelneming moet voor de betrokkene op zichzelf worden beoordeeld. Het is dus bijvoorbeeld niet van belang of andere personen meer hebben gedaan of een belangrijker rol vervulden dan de betrokkene. Ten slotte hebben duurzaamheid en gestructureerdheid betrekking op het bestanddeel ‘organisatie’ en niet op ‘deelneming’, zodat ook een relatief korte bijdrage aan een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband strafbaar kan zijn.
(ii) Om tot een bewezenverklaring van artikel 140, eerste lid, Sr of artikel 11b, eerste lid, (oud) van de Opiumwet te kunnen komen, is voorts vereist dat de organisatie tot
oogmerk heeft het plegen van misdrijven (artikel 140, eerste lid, Sr)of
van een bepaald misdrijf (artikel 11b, eerste lid, Opiumwet). Het oogmerk betreft het naaste doel van de organisatie en niet dat van de verdachte/deelnemer aan de organisatie. [76] Niet is vereist dat het plegen van de misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht of de Opiumwet de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is of dat de organisatie de uitsluitende bedoeling heeft misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht of de Opiumwet te plegen. [77] Het oogmerk kan daarbij gericht zijn op een enkel, specifiek genoemd delict of meerdere delicten uit het Wetboek van Strafrecht of de Opiumwet. Ten aanzien van artikel 140 Sr Pro is een pluraliteit daarvan noodzakelijk. [78] Het oogmerk impliceert dat de desbetreffende misdrijven – of pogingen of voorbereidingen daartoe – nog niet hoeven te hebben plaatsgevonden en behoeven in de tenlastelegging niet nader omschreven te zijn, maar zullen wel uit de bewijsmiddelen moeten blijken. [79] Voor het bewijs van het oogmerk kan onder meer betekenis toekomen aan misdrijven die in het kader van de organisatie reeds zijn gepleegd en aan de planmatigheid of stelselmatigheid van de activiteiten die met dit doel worden verricht. [80]
(iii) Voorts moet voor een bewezenverklaring worden vastgesteld dat het handelen van de verdachte kan worden aangemerkt als
deelneming aan de organisatie. Van deelneming is in objectieve zin sprake indien een persoon behoort tot de organisatie en een aandeel heeft in gedragingen, dan wel gedragingen ondersteunt die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. [81] Beide vereisten zijn te beschouwen als nevengeschikt, maar zijn tevens onderling nadrukkelijk samenhangend. Uit de bewijsmiddelen moet derhalve duidelijk worden dat de verdachte behoort tot de organisatie en niet enkel is te beschouwen als een sympathisant. Daarnaast moet sprake zijn van enige, naar buiten gerichte activiteit die in nauw verband staat met het misdrijf of de misdrijven die de organisatie nastreeft. Deze activiteit kan bestaan uit het (mede)plegen van enig misdrijf, maar kan ook bestaan uit het feitelijk verrichten van hand- en spandiensten en (dus) het verrichten van handelingen die op zichzelf niet zo zeer zijn te kwalificeren als een strafbare vorm van daderschap, maar wel zijn aan te merken als bovenbedoeld ‘een aandeel hebben in of ondersteuning van gedragingen die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie’. Van het ‘ondersteunen’ in de hiervoor bedoelde zin is sprake als de betrokkene met zijn handelen de gedragingen bevordert of makkelijker maakt. Dit handelen van de betrokkene moet niet in een te ver verwijderd verband staan tot de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie. Of daarvan sprake is vergt een beoordeling van het concrete geval. [82] Niet is vereist derhalve dat de verdachte aan enig concreet misdrijf van de organisatie heeft deelgenomen.
Naast de hiervoor genoemde objectieve vereisten dient de verdachte in subjectieve zin in zijn algemeenheid te weten dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van een of meer specifieke misdrijven uit het Wetboek van Strafrecht of de Opiumwet. Wetenschap bij de verdachte in de vorm van voorwaardelijk opzet is op dit punt niet voldoende, maar redelijke wetsuitleg brengt mee dat voor deelneming voldoende is dat de betrokkene in zijn algemeenheid weet (in de zin van onvoorwaardelijk opzet) dat de organisatie tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De betrokkene behoeft dus geen wetenschap te hebben van één of verscheidene concrete misdrijven die door de organisatie worden beoogd. [83]
Het hof acht gelet op het vorenstaande aan de hand van de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien, wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte heeft deelgenomen aan een criminele organisatie, gericht op het plegen van misdrijven als bedoeld in de Opiumwet. Uit het onderzoek is immers gebleken van een duurzaam en gestructureerd samenwerkingsverband van meerdere personen waarbinnen het productieproces van versnijdingsmiddelen vorm kreeg en waarin de verschillende verdachten ieder hun eigen rol hadden en zodoende hun eigen bijdrage leverden.
Uit de sturende en leidinggevende rol die de verdachte blijkens de bewijsmiddelen gedurende een aanzienlijke periode heeft vervuld, zowel in de eerste fase van het ter beschikking krijgen van de grondstoffen voor de versnijdingsmiddelen, als in de daarop volgende stappen in het proces om tot verhandelbare versnijdingsmiddelen te komen, tot en met de afzet daarvan onder de verkopers van verdovende middelen, blijkt zonder meer dat hij ook wist dat hij onderdeel was van een criminele organisatie gericht op het plegen van Opiumwetfeiten.
Verweren van de verdediging
1. Feitelijke beoordeling per zaaksdossier
De verdediging heeft steeds per individueel zaaksdossier feitelijk verweer gevoerd op de betrokkenheid van de verdachte en steeds per zaaksdossier vrijspraak van de verdachte bepleit bij gebrek aan bewijs voor zijn betrokkenheid. Daarmee heeft de verdediging de beoordeling van de betrokkenheid van de verdachte steeds beperkt tot een beoordeling per individueel zaaksdossier, in plaats van die zaaksdossiers en hetgeen daaruit blijkt in de context van het gehele dossier te plaatsen en in samenhang te beoordelen met hetgeen blijkt uit die andere zaaksdossiers. Anders dan de verdediging is het hof van oordeel dat de rol van de verdachte moet worden beoordeeld door steeds alle zaaksdossiers en hetgeen daaruit blijkt in onderling verband te beschouwen. Daaruit blijkt dat de rol van de verdachte, wanneer die wordt bezien in de gehele context van het dossier, was zoals hiervoor onder A en B omschreven en geconcludeerd: een verdachte die een leidinggevende en sturende rol had binnen een crimineel samenwerkingsverband dat zich bezighield met de productie van versnijdingsmiddelen. Die rol van de verdachte blijkt uit het procesdossier en onderzoek in zijn geheel bezien, waarbij de verschillende zaaksdossiers steeds in verband met elkaar moeten worden beschouwd nu zij steeds gaan over een bepaalde fase in het gehele proces zoals omschreven onder A. Het hof concludeert dan ook dat de feitelijke verweren van de verdediging steeds hun weerlegging vinden in de bewijsmiddelen en hetgeen hiervoor onder A en B is overwogen.
2. Stemherkenning
De verdediging heeft betoogd dat de stemherkenning ter zake van een aantal door de verdachte gebruikte telefoonnummers niet betrouwbaar is, reden waarom de via deze telefoonnummers gevoerde gesprekken en tekstberichten van het bewijs dienen te worden uitgesloten. De verdediging heeft subsidiair, indien door het hof deze gesprekken en tekstberichten toch tot het bewijs worden gebezigd, een voorwaardelijk verzoek gedaan de betrokken verbalisanten en tolken als getuige te horen.
Het hof overweegt als volgt.
Geen rechtsregel verzet zich ertegen dat (transcripties van) opgenomen gesprekken voor het bewijs worden gebruikt. De inhoud van die gesprekken moet dan wel – op zichzelf of (mede) in verband met de inhoud van andere bewijsmiddelen – redengevend zijn voor de bewezenverklaring. Tenzij in een opgenomen gesprek ontegenzeggelijk over (verdachtes betrokkenheid bij) het tenlastegelegde delict wordt gesproken, zal de beoordeling van de redengevende kracht van de inhoud van een opgenomen gesprek meestentijds afhangen van de uitleg en interpretatie die aan de inhoud van dat gesprek kan worden gegeven. Bij het geven van die uitleg en interpretatie is, zeker wanneer de verdachte ontkent, de nodige behoedzaamheid geboden om het risico te kunnen ondervangen dat aan een gesprek of een bericht een verkeerde strekking wordt gegeven. [84] In het geval van een voor de verdachte belastende uitleg van een opgenomen gesprek dient dan ter waarborging van de deugdelijkheid van de bewijsbeslissing te kunnen worden geconcludeerd dat de inhoud van het opgenomen gesprek redelijkerwijs niet voor een andere uitleg vatbaar is dan die belastende. Bij de beoordeling of van zo een geval sprake is, kan onder meer betekenis toekomen aan de aard en inhoud van het gesprek, de betekenis van bepaalde bewoordingen, de context waarin het gesprek heeft plaatsgehad, het verband met eventueel andere opgenomen gesprekken, het verband met eventueel ander bewijsmateriaal, wat er over de gespreksdeelnemers of over de personen die in die gesprekken ter sprake komen nog meer is gebleken, alsmede de vraag of – en zo ja eventueel in welk stadium van het geding – de verdachte, in het bijzonder als hij gespreksdeelnemer is geweest, een plausibele uitleg over en voor het gesprek geeft. Als, zoals in het onderhavige geval, de verdachte elke betrokkenheid ontkent en de vaststelling van de betrokkenheid van de verdachte bij een tenlastegelegd delict uitsluitend of in overwegende mate zou moeten worden gebaseerd op de inhoud van opgenomen gesprekken, dan klemt de hiervoor bedoelde toets des te meer.
Tot het bewijs zijn de volgende aan de verdachte gelinkte telefoonnummers gebezigd:
[telefoonnummer 1] ;
[telefoonnummer 2] ;
[telefoonnummer 3] .
Van deze nummers heeft de verdediging betwist dat deze van de verdachte zijn.
Het hof is met de rechtbank van oordeel, dat stemherkenning zoals reeds aangegeven met de nodige behoedzaamheid dient te worden beoordeeld en dat een ondersteuning door andere feiten of omstandigheden de stemherkenning kan bevestigen. Het is echter niet zo dat in het algemeen stemherkenningen die niet aan (alle) door de raadsman genoemde eisen voldoen dienen te worden uitgesloten van bewijs.
De verdachte heeft niet betwist de gebruiker te zijn geweest van de telefoonnummers [telefoonnummer 4] en [telefoonnummer 5] . De stemherkenning is mede aan de hand van de gesprekken die met deze telefoonnummers zijn gevoerd gedaan. Dit biedt reeds een basis voor de stemherkenning. Het hof wijst echter ook op het volgende.
Zoals hiervoor uitgebreid uiteengezet, blijkt de betrokkenheid van de verdachte bij de criminele organisatie uit de bewijsmiddelen, in onderlinge samenhang bezien. Daarbij had de verdachte een leidinggevende, aansturende rol. Wanneer met de onder a., b. of c. genoemde telefoonnummers vervolgens gesprekken zijn gevoerd of tekstberichten zijn verzonden die bij die aansturende rol passen, ondersteunt dat de stemherkenning dat de nummers van de verdachte zijn. Bovendien geldt per telefoonnummer het volgende:
a. Op 19 november 2015 wordt nummer [telefoonnummer 1] gebeld door een onbekende man die hem vraagt om “dinges, een midden en een donker”. De gebruiker van nummer [telefoonnummer 1] zegt dat hij “onze neef” gaat sturen. [medeverdachte T] en [verdachte] zijn neven van elkaar. [85] Uit de daarop volgende contacten blijkt dat nummer [telefoonnummer 1] contact opneemt met [medeverdachte T] om hem naar de bedoelde locatie te sturen. [86]
De stem van de gebruiker van [telefoonnummer 1] is voorts nog vergeleken met de stem van de gebruiker van [telefoonnummer 4] , waarbij is geconstateerd dat de stemmen als dezelfde worden herkend. [87] Deze laatste gebruiker wordt in gesprekken ‘ [verdachte] ’ genoemd, en gesprekken met een vrouw gaan over gezinsaangelegenheden met betrekking tot kinderen genaamd [naam 1] en [naam 2] . [verdachte] heeft 2 kinderen met die namen. Verder werd het nummer [telefoonnummer 4] ook wel gebruikt door een vrouw genaamd [naam 2] . [verdachte] is gehuwd met [naam 2] , geboren [geboortedatum 2] . Het nummer [telefoonnummer 4] is dus in gebruik bij [verdachte] . [88]
b. Met het telefoonnummer [telefoonnummer 2] wordt regelmatig contact opgenomen met het telefoonnummer van [medeverdachte T] . Als gezegd zijn [medeverdachte T] en [verdachte] neven van elkaar. Op 20 november 2015 voeren [medeverdachte T] en nummer [telefoonnummer 2] een telefoongesprek waarin eerstgenoemde emotioneel is omdat zijn vader op de intensive care ligt. [89] Een dergelijk gesprek wordt doorgaans binnen de familiecontext gevoerd en vormt ondersteuning dat dit gesprek tussen [medeverdachte T] en [verdachte] is gevoerd.
c. Op 28 maart 2016 wordt nummer [telefoonnummer 3] gebeld door het telefoonnummer dat behoort bij [medeverdachte D] . Deze zegt na begroeting: “Hallo [verdachte] (fon.)”. Vervolgens worden aan [medeverdachte D] instructies gegeven. [90] Op 30 maart 2016 spreekt [medeverdachte D] de voicemail van nummer [telefoonnummer 3] in en zegt dan ook “ [verdachte] met mij [medeverdachte D] ”. [91] Tenslotte is de stem van gebruiker van nummer [telefoonnummer 3] vergeleken met de stem van de gebruiker van hierboven genoemd nummer [telefoonnummer 1] . Deze werden herkend als dezelfde stem. [92]
Gelet op het vorenstaande, in onderlinge samenhang bezien, acht het hof met betrekking tot de stemherkenningen ten aanzien van de gebruiker van de hierboven genoemde telefoonnummers voldoende verankering in het dossier aanwezig om te kunnen concluderen dat op grond van wettige bewijsmiddelen overtuigend is komen vast te staan dat de verdachte de gebruiker was van de onder a., b. en c. genoemde telefoonnummers tijdens de als bewijsmiddel gebruikte telefooncommunicatie.
Daarbij overweegt het hof nog dat aan de verdediging de geluidsopnames van de aan de verdachte toegeschreven tapgesprekken zijn verstrekt en dat de verdediging – ter onderbouwing van haar stelling dat de gedane stemherkenningen onbetrouwbaar zouden zijn – niet aan de hand van concrete tapgesprekken heeft aangedragen dat de ten aanzien van die desbetreffende tapgesprekken gedane stemherkenning onjuist zou zijn.
Ten aanzien van het subsidiaire, voorwaardelijke verzoek om de verbalisanten en tolken als getuige te horen overweegt het hof als volgt.
Het verzoek van de verdediging is een voorwaardelijk verzoek tot het doen van nader onderzoek als bedoeld in artikel 328 in Pro verbinding met artikel 315 Sv Pro, waarop het hof op grond van artikel 415 in Pro verbinding met artikel 330 Sv Pro dient te beslissen. De toepasselijke maatstaf is daarbij het noodzakelijkheidscriterium.
Op grond van artikel 6, derde lid aanhef en onder d, EVRM heeft de verdediging aanspraak op een behoorlijke en effectieve mogelijkheid om getuigen in enig stadium van het geding te (doen) ondervragen. De uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin heeft tot gevolg dat in gevallen waarin een getuige een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd, het belang bij het oproepen en horen van die getuige moet worden voorondersteld, zodat van de verdediging geen nadere onderbouwing van dit belang mag worden verlangd. In die gevallen zal indringender dan voorheen de vraag onder ogen moeten worden gezien of een ondervragingsgelegenheid kan en moet worden gerealiseerd. Daarnaast onderstreept de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin het belang dat de rechter, alvorens de bewezenverklaring wordt aangenomen mede op grond van de verklaring van een niet-ondervraagde getuige, nagaat of de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces. Uit de uitspraak van het EHRM in de zaak Keskin volgt echter niet dat het ondervragingsrecht met zich brengt dat een verzoek van de verdediging tot het horen van een getuige die een verklaring met een belastende strekking heeft afgelegd, steeds voor toewijzing in aanmerking komt. Zo verzet artikel 6 EVRM Pro zich niet ertegen dat de rechter het verzoek afwijst als het oproepen en horen van een getuige onmiskenbaar irrelevant of overbodig (“manifestly irrelevant or redundant”) is, omdat het (opnieuw) horen van de getuige voor de bewijsvoering van geen enkel belang zal zijn of geen toegevoegde waarde zal hebben. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen indien de al door de getuige afgelegde verklaring betrekking heeft op feiten en omstandigheden die door de verdachte niet worden betwist of als die feiten en omstandigheden door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel zijn komen vast te staan.
Dat laat onverlet dat het hof zich ervan dient te vergewissen dat de procedure in haar geheel voldoet aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘overall fairness of the trial’. [93] Voor de beoordeling of wordt voldaan aan de eisen van een eerlijk proces, is het gewicht van de betreffende getuigenverklaring(en) in de bewijsconstructie een belangrijke beoordelingsfactor.
Op grond van artikel 6 EVRM Pro heeft de verdachte eveneens het recht dat hij in de gelegenheid wordt gesteld om de geloofwaardigheid en betrouwbaarheid te onderzoeken van een door een deskundige afgelegde verklaring, waaronder ook kan worden begrepen het door de deskundige uitgebrachte schriftelijk verslag dat in het dossier is gevoegd, als die verklaring of dat verslag een voor de verdachte belastende strekking heeft. Dit geldt ook in een geval als het onderhavige, waarin de verdediging het verzoek heeft gedaan een opsporingsambtenaar als getuige te horen over het door hem verrichte technische opsporingsonderzoek. Dat betekent echter niet dat bij de beoordeling of beslissingen over het oproepen en horen van deskundigen alsook het gebruik van een deskundigenverklaring voor het bewijs in overeenstemming zijn met artikel 6 EVRM Pro, getuigen en deskundigen steeds volledig op één lijn (kunnen of moeten) worden gesteld. Van belang daarbij is tevens dat een ondervraging van een ‘expert witness’ in aanwezigheid van de verdediging niet de enige mogelijkheid betreft om de bevindingen en de conclusies van het door de betreffende deskundige verrichte onderzoek aan een (nader) onderzoek ten behoeve van de verdediging te onderwerpen. Het is afhankelijk van de aard en de inhoud van de bevindingen en de conclusies van de deskundige alsmede de concrete omstandigheden van het geval welke mogelijkheid of mogelijkheden voor onderzoek en betwisting aan de verdediging, met het oog op het waarborgen van de eerlijkheid van het proces als geheel (‘overall fairness of the trial’), moet of moeten worden geboden.
Gelet op het vorenstaande brengt de omstandigheid dat een deskundige een verklaring heeft afgelegd dan wel dat een schriftelijk verslag van een deskundige in het dossier is gevoegd, terwijl die verklaring of dat verslag – bezien in samenhang met de overige resultaten van het opsporingsonderzoek – een voor de verdachte belastende strekking heeft, niet met zich dat de regels die de Hoge Raad in zijn arrest van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576 (post-Keskin) heeft geformuleerd over de beoordeling van verzoeken tot het horen van getuigen die een verklaring met een belastende strekking hebben afgelegd, onverkort toepassing vinden. [94]
Ter zake van het verzoek om de tolken te (doen) horen stelt het hof dat het verzoek betrekking heeft op het horen van de tolken die in het zaaksdossier 7 - [adres 9] zijn opgetreden tijdens het vertalen van de door de verdachte gevoerde en opgenomen telefoongesprekken en sms-berichten, die tevens door het hof voor de bewezenverklaring van de tenlastegelegde feiten zijn gebruikt. In het onderhavige geval is een uitdrukkelijke beslissing van het hof vereist gezien de omstandigheid dat de daaraan gestelde voorwaarde – dat het hof gebruik zou maken van de betreffende tapgesprekken en sms-verkeer – is vervuld. Echter, het verzoek tot het horen van de tolken betreft niet een verzoek tot het horen van een getuige over een door deze persoon afgelegde verklaring die door de rechter voor het bewijs van het tenlastegelegde feit zou kunnen worden gebruikt of al is gebruikt, zoals bedoeld in het arrest van de Hoge Raad van 20 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:576. [95]
Het hof stelt voorop dat het verzoek om de verbalisanten en tolken als getuige te horen reeds eerder is gedaan en dat het hof daarop bij tussenarrest van 5 augustus 2024 negatief heeft beslist. Wel is de advocaat-generaal opgedragen om aanvullend op de zich reeds in het opsporingsdossier bevindende processen-verbaal waarin omtrent de stemherkenningen is gerelateerd, proces-verbaal te doen opstellen omtrent de samenwerking tussen de verbalisanten en de tolken bij het opnemen en beluisteren van afgetapte telefoongesprekken, alsmede waarin beschreven wordt hoe de stemmen zijn onderzocht en hoe het beluisteren van de opnamen tot een stemherkenning heeft geleid. Ook zijn geluidsopnames van de aan de verdachte toegeschreven tapgesprekken in het bezit gesteld van de verdediging.
De opdracht van het hof heeft geleid tot een drietal processen-verbaal van bevindingen, opgemaakt door de betrokken verbalisanten. Volgens de verdediging geven die processen-verbaal geen, althans onvoldoende inzicht in de wijze waarop de stemherkenning concreet tot stand is gekomen.
Wat van dat laatste ook zij, het hof overweegt dat, tegen de achtergrond van hetgeen hiervoor is overwogen, door andere resultaten van het strafrechtelijk onderzoek al buiten redelijke twijfel is komen vast te staan dat de betwiste telefoonnummers van de verdachte zijn. Doordat bovendien door het hof compensatie is geboden door het laten opmaken van aanvullend proces-verbaal en opnames van de aan de verdachte toegeschreven tapgesprekken in het bezit te stellen van de verdediging, is naar het oordeel van het hof – zeker nu de tot bewijs gebruikte telefoongesprekken niet als “sole or decisive” bewijs hebben te gelden – voldaan aan het door artikel 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijk proces en de daaraan verbonden notie van ‘overall fairness of the trial’.
Het hof wijst derhalve het voorwaardelijke verzoek tot het (doen) horen van de verbalisanten en tolken af op de grond dat het hof zich door het verhandelde ter terechtzitting voldoende ingelicht acht en derhalve de noodzakelijkheid van het gevraagde verhoren niet is gebleken.

3. Betrouwbaarheid verklaring [medeverdachte D]

De verdediging heeft de betrouwbaarheid van de verklaring van [medeverdachte D] betwist.
Het hof stelt dienaangaande het volgende voorop.
Redengevend voor het bewijs zijn enkel die feiten en omstandigheden die zijn ontleend aan wettige bewijsmiddelen en die rechtstreeks aan het bewijsoordeel ten grondslag worden gelegd. Dat zijn niet de feiten en omstandigheden die zien op de betrouwbaarheid of bruikbaarheid van het bewijs, ook al zijn die van groot gewicht. Zulke feiten of omstandigheden – hoewel bepalend voor de waardering van het bewijs en derhalve wel degelijk van invloed daarop – zijn immers niet redengevend voor de bewezenverklaring dat de verdachte het/de aan hem tenlastegelegde feit(en) heeft begaan. [96]
Het hof stelt voorop dat een getuigenverklaring door de strafrechter slechts tot het bewijs kan worden gebezigd wanneer deze naar zijn oordeel betrouwbaar en overeenkomstig de waarheid is afgelegd. [97] Met betrekking tot de toetsing van de betrouwbaarheid van de verklaring van een getuige geldt volgens het hof dat de strafrechter niet kan weten of de verklaring van de getuige in zijn algemeenheid juist is, daarbij een inschatting makend van de betrouwbaarheid of geloofwaardigheid van de getuige. Het gaat niet om de (algemene) geloofwaardigheid van de getuige zelf; het gaat om de geloofwaardigheid, de oprechtheid, hoe waarheidsgetrouw de door de getuige afgelegde verklaring is over het aan de orde zijnde onderwerp (vgl. de Europese jurisprudentie inzake getuigenbewijs waar deze bedoeld is “to test the truthfulness and reliability of evidence provided by witnesses which incriminates him or her”). [98] Daarbij kan ter beoordeling aan diverse aspecten nadere aandacht worden verleend, zoals: de toetsing aan objectieve informatie of gegevens aan de hand van het dossier; de consistentie van opeenvolgende door de getuige afgelegde verklaringen; de overeenstemming van die verklaringen met wat andere getuigen hebben verklaard en de plausibiliteit van de inhoud van de afgelegde verklaringen. Ten slotte merkt het hof op dat de opvatting dat uit de wettelijke en jurisprudentiële regels inzake het bewijsrecht in strafzaken een algemeen, in alle strafzaken geldend toetsingskader voor de beoordeling van de betrouwbaarheid van getuigenverklaringen kan worden afgeleid, welk toetsingskader als rechtsregel kan en behoort te worden toegepast, onjuist is. [99]
Het hof is het met de verdediging eens dat [medeverdachte D] in zijn verklaringen op onderdelen wisselend heeft verklaard, mogelijk teneinde zijn eigen rol te minimaliseren. Voor zover hij in het tot het bewijs gebezigde proces-verbaal van 13 juli 2016 [100] de verdachte heeft belast, vindt dit evenwel steun in de overige bewijsmiddelen die invulling geven aan objectieve informatie en gegevens aan de hand van het dossier. De omstandigheid dat [medeverdachte D] niet steeds consistent heeft verklaard, brengt derhalve nog niet mee dat de gebruikte door hem afgelegde verklaring d.d. 13 juli 2016 als niet betrouwbaar moet worden aangemerkt. Het hof acht deze verklaring op grond van het voorgaande betrouwbaar en bezigt deze tot het bewijs zoals hiervoor overwogen.
Hetgeen de verdediging overigens nog heeft aangevoerd doet aan al hetgeen hiervoor is overwogen niet af.
Het hof verwerpt mitsdien het tot vrijspraak strekkende verweer in al zijn onderdelen.
Gelet op het voorgaande acht het hof wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte, tezamen en in vereniging met zijn medeverdachten, de tenlastegelegde feiten onder 1, 2 en 3 heeft gepleegd zoals bewezenverklaard en acht tevens wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt onder feit 4 aan deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.
Ook overigens zijn uit het onderzoek ter terechtzitting geen aanwijzingen naar voren gekomen die moeten leiden tot andere oordelen dan hiervoor gegeven.
Strafbaarheid van het bewezenverklaarde
Het onder 1 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door
- een ander daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen verschaffen,
en
- stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,
meermalen gepleegd;
Het onder 2 bewezenverklaarde levert op:
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door
- een ander trachten te bewegen om dat feit te plegen en/of daarbij behulpzaam te zijn,
en
- een ander daartoe gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen verschaffen,
en
- voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,
meermalen gepleegd;
Het onder 3 bewezenverklaarde levert op:
Ten aanzien van ZD [adres 6] , [adres 7] , [adres 12] en [adres 8]
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door
- voorwerpen en stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit, meermalen gepleegd;
Ten aanzien van ZD [adres 9] en [adres 10]
medeplegen van, om een feit, bedoeld in het vierde lid van artikel 10 van Pro de Opiumwet, voor te bereiden of te bevorderen, door
- stoffen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit,
meermalen gepleegd;
Het onder 4 bewezenverklaarde levert op:
deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van een misdrijf als bedoeld in artikel 10a, eerste lid, van de Opiumwet.
Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het bewezenverklaarde uitsluiten. De feiten zijn strafbaar.
Strafbaarheid van de verdachte
Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de verdachte uitsluit. De verdachte is dus strafbaar.
Op te leggen sanctie
Het hof heeft bij de bepaling van de op te leggen straf gelet op de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard, op de omstandigheden waaronder het bewezenverklaarde is begaan en op de persoon van de verdachte, zoals een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting naar voren is gekomen. Daarnaast is gelet op de verhouding tot andere strafbare feiten, zoals onder meer tot uitdrukking komende in de hierop gestelde wettelijke strafmaxima en in de straffen die voor soortgelijke feiten worden opgelegd.
Daarbij heeft het hof in het bijzonder het volgende in aanmerking genomen.
De verdachte heeft geruime tijd samen met anderen aanzienlijke hoeveelheden (grondstoffen van) versnijdingsmiddelen, waaronder paracetamol, cafeïne en fenacetine ingevoerd, voorhanden gehad, bewerkt en afgeleverd, wetende dat deze stoffen gebruikt zouden worden voor het versnijden van harddrugs, zoals cocaïne en heroïne. Hij heeft deel uitgemaakt van een gestructureerd samenwerkingsverband, dat zich op het plegen van dergelijke feiten toelegde. Op zijn verzoek werden de grondstoffen besteld en daarnaast zorgde hij samen met anderen voor de opslag van de aangekochte stoffen. Ook was hij direct betrokken bij het ophalen van de stoffen en brengen naar panden waar deze stoffen tot versnijdingsmiddelen werden geproduceerd. Daarbij gaf hij anderen aanwijzingen en opdrachten over het productieproces. Tot slot is hij betrokken geweest bij de verkoop en het afleveren van versnijdingsmiddelen. De verdachte is dan ook betrokken geweest bij alle onderdelen van het samenwerkingsverband en ook is gebleken dat hij hierin een leidinggevende rol vervulde. Hij heeft dan ook een groot aandeel gehad binnen de organisatie.
De verdachte heeft derhalve voorbereidingshandelingen gepleegd ten aanzien van het bewerken van harddrugs met het doel om het volume van de aan gebruikers/verslaafden te leveren harddrugs te vergroten en de drugswinsten voor leveranciers te verhogen. Aldus heeft de groep waar de verdachte deel van uitmaakte de handel in harddrugs bevorderd. Daarbij heeft de verdachte zich niet bekommerd om de nadelige effecten op de gezondheid, die sommige van de gebruikte versnijdingsmiddelen – ook tijdens het productieproces daarvan – met zich brengen en ook niet om het feit dat de handel in verdovende middelen veel gerelateerde vermogens- en andere criminaliteit tot gevolg heeft. Kennelijk heeft de verdachte slechts oog gehad voor zijn eigen financieel gewin. Op geen moment heeft de verdachte enige verantwoordelijkheid genomen voor zijn handelen of laten blijken daarvan het laakbare in te zien.
Het hof is van oordeel dat een geheel onvoorwaardelijke gevangenisstraf van 5 jaren, zoals opgelegd door de rechtbank, in beginsel een passende en geboden reactie vormt.
Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is naar voren gebracht dat de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) is overschreden en dat deze overschrijding moet worden verdisconteerd in de strafoplegging.
Het hof stelt voorop dat in artikel 6, eerste lid, EVRM het recht van iedere verdachte is gewaarborgd om binnen een redelijke termijn te worden berecht. Die termijn vangt aan op het moment dat vanwege de Nederlandse staat tegenover de betrokkene een handeling is verricht waaraan de verdachte in redelijkheid de verwachting kan ontlenen dat tegen hem voor een bepaald strafbaar feit door het openbaar ministerie een strafvervolging zal worden ingesteld. Het eerste verhoor van de verdachte door de politie heeft niet steeds als een zodanige handeling te gelden. Wel moeten de inverzekeringstelling van de verdachte en de betekening van de dagvaarding als zo'n handeling worden aangemerkt.
Als uitgangspunt heeft in deze zaak te gelden dat de behandeling op zitting moet zijn afgerond met een eindvonnis binnen 2 jaren nadat de redelijke termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden, zoals de ingewikkeldheid van een zaak, de invloed van de verdachte en/of zijn raadsman op het procesverloop en de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.
In eerste aanleg is bij de strafvervolging van de verdachte de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, geschonden. Als ingangsdatum geldt 12 juli 2016 en het vonnis is gewezen op 14 november 2019, hetgeen betekent dat bij het wijzen van vonnis de termijnoverschrijding 16 maanden bedroeg.
In hoger beroep is bij de strafvervolging van de verdachte de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid van het EVRM, in zeer aanzienlijke mate geschonden. Het hoger beroep is ingesteld op 14 november 2019, hetgeen betekent dat bij het wijzen van arrest de termijnoverschrijding ruim vierenhalf jaar bedraagt.
Het hof acht, zoals hiervoor overwogen, in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren passend en geboden, maar zal deze, gelet op de geconstateerde overschrijding van de redelijke termijn, matigen tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van voorarrest.
Tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf zal volledig plaatsvinden binnen de penitentiaire inrichting, tot het moment dat de veroordeelde in aanmerking komt voor deelname aan een penitentiair programma, als bedoeld in artikel 4 Penitentiaire Pro beginselenwet, dan wel de regeling van voorwaardelijke invrijheidsstelling, als bedoeld in artikel 6:2:10 Wetboek Pro van Strafvordering, aan de orde is.
Beslag
Ten aanzien van de in beslag genomen en nog niet teruggegeven voorwerpen, volgens opgave van de verdachte aan hem toebehorend, zal het hof de verbeurdverklaring gelasten, nu deze voorwerpen zijn met behulp waarvan het bewezenverklaarde is begaan of voorbereid. Het hof heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van de verdachte.
Toepasselijke wettelijke voorschriften
Het hof heeft gelet op de artikelen 10a en 11b van de Opiumwet en de artikelen 47 en 57 van het Wetboek van Strafrecht, zoals zij rechtens gelden dan wel golden.
BESLISSING
Het hof:
Verklaartde verdachte
niet-ontvankelijkin het hoger beroep, voor zover gericht tegen de beslissing ter zake van het onder 3 tenlastegelegde met betrekking tot de zaaksdossiers [adres 15] , [adres 13] en [adres 16] .
Vernietigthet vonnis waarvan beroep – voor zover thans nog aan het oordeel van het hof onderworpen – en doet opnieuw recht.
Verklaartzoals hiervoor overwogen bewezen dat de verdachte het onder 1, 2, 3 en 4 tenlastegelegde heeft begaan.
Verklaartniet bewezen hetgeen de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezenverklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Verklaarthet bewezenverklaarde strafbaar, kwalificeert dit als hiervoor vermeld en verklaart de verdachte strafbaar.
Veroordeeltde verdachte tot een
gevangenisstrafvoor de duur van
36 (zesendertig) maanden.
Beveeltdat de tijd die door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in enige in artikel 27, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht bedoelde vorm van voorarrest is doorgebracht, bij de uitvoering van de opgelegde gevangenisstraf in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.
Verklaart verbeurdde in beslag genomen, nog niet teruggegeven voorwerpen, te weten:
- STK Papier
LOSSE papieren G_338373
losse papieren vellen met namen en geldbedragen
1.00 STK GSM zaktelefoon
G_338395 Nokia G_338395
NOKIA RM-1133 incl 2 lebara simkaarten
- STK GSM zaktelefoon
NOKIA RM-1134 G_338374
2.00 STK Papier
NOTITIE G_338679
G_338679
1.00 STK Papier
G_338630 papier met toegangscode [code]
4.00 STK Papier
G_338372
vier notitieblokje met namen en bedragen
- DS Doos
G_338403
doos met 4 flessen kleurstof food colourant
- DS Doos
G_338404
met 6 flessen rode kleurstof.
Dit arrest is gewezen door:
mr. A.R. Hartmann, als voorzitter,
mr. M.M. Koevoets en mr. W.F. Koolen, raadsheren,
in tegenwoordigheid van mr. R.J. Gras en mr. E.G. Ouwens, griffiers,
en op 20 juli 2026 ter openbare terechtzitting uitgesproken.
Mr. M.M. Koevoets en mr. E.G. Ouwens zijn buiten staat dit arrest mede te ondertekenen.

Voetnoten

1.Afkomstig uit het dossier van politie, eenheid Rotterdam, Dienst regionale Recherche, met de onderzoeksnaam 17DRR SCHERM / RTRM15233, met diverse zaaksdossiers als bijlagen.
2.Vgl. o.a. HR 4 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO5061; HR 17 maart 2020, ECLI:NL:HR:2020:452 en 454; HR 4 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:498, rov. 2.2 en HR 18 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:413, rov. 2.3.
3.De afkorting API staat voor Active Pharmaceutical Ingredient of ‘werkzame stof’. Om veilige en goede medicijnen bij de patiënt of gebruiker te krijgen, moeten fabrikanten, importeurs en distributeurs van werkzame stoffen aan een aantal regels voldoen opgenomen in de Europese wet- en regelgeving, die geïmplementeerd is in de Nederlandse Geneesmiddelwet; vereist zijn onder andere registratie van organisatiegegevens, zoals bedrijfsnaam en adresgegevens.
4.Zaaksdossier Azië, proces-verbaal verhoor getuige [getuige 5] , p. 10-119 e.v., proces-verbaal verhoor getuige [getuige 6] , p. 10-123 e.v. en proces-verbaal verdenking, p. 10-126 e.v.
5.Zaaksdossier Azië, proces-verbaal verdenking, p. 10-155 e.v. en proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte L] , p. 10-796 e.v.
6.Zaaksdossier Azië, proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte L] , p. 10-796 e.v. en proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte L] , p. 10-983 e.v.
7.Zaaksdossier Azië, proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte L] , p. 10-822 e.v. en proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte L] , p. 10-983 e.v.
8.Zaaksdossier Azië, proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte L] , p. 10-796 e.v.
9.Zaaksdossier Azië, proces-verbaal onderzoek naar de opslagbox 0031 bij Shurgard, p. 10-186 e.v. en proces-verbaal verstrekking gevorderde gegevens, p. 10-290 e.v. en proces-verbaal van bevindingen herkenning Shurgard Self Storage, p. 10-343 e.v.
10.Zaaksdossier Azië, proces-verbaal huurgegevens box 0103 Shurgard Spijkenisse, p. 10-521 e.v.
11.Zaaksdossier Azië, proces-verbaal van bevindingen uitkijken camerabeelden Shurgard, [adres 11] te Delft, p. 10-643 e.v.
12.Zie de bewijsmiddelenbijlage bij het vonnis van 14 november 2019.
13.Zaaksdossier Azië, proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte L] , p. 10-968 e.v.
14.Zaaksdossier Azië, proces-verbaal verhoor verdachte [medeverdachte W] , p. 10-753 e.v.
15.Zaaksdossier Azië, proces verbaal bevindingen uitkijken camerabeelden Shurgard, p. 10-273 e.v.
16.Zaaksdossier Azië, proces verbaal bevindingen camerabeelden, p. 10-397 e.v.
17.Zaaksdossier Azië, proces verbaal uitkijken camerabeelden, p. 10-408 e.v.
18.Zaaksdossier Azië, proces verbaal bevindingen camerabeelden, p. 10-415 e.v.
19.Zaaksdossier Azië, proces verbaal bevindingen uitkijken camerabeelden Shurgard, p. 10-429 e.v.
20.Zaaksdossier Azië, proces verbaal bevindingen uitkijken camerabeelden Shurgard, p. 10-840 e.v.
21.Zaaksdossier Azië, proces verbaal uitkijken camerabeelden, p. 10-408 e.v.
22.Zaaksdossier Azië, proces verbaal bevindingen uitkijken camerabeelden Shurgard, p. 10-840 e.v.
23.Zaaksdossier Azië, proces verbaal bevindingen uitkijken camerabeelden Shurgard, p. 10-840 e.v.
24.Zaaksdossier Azië, proces verbaal bevindingen uitkijken camerabeelden Shurgard, p. 10-840 e.v.
25.Zaaksdossier Azië, proces-verbaal uitkijken camerabeelden Shurgard Delft, p. 10-1086 e.v.
26.Proces-verbaal omschrijving totale onderzoek Scherm, p. 16; Zaaksdossier [adres 6] , Rapportage Arnicon Services, p. 1-33 t/m 1-88 en Zaaksdossier [adres 12] , processen-verbaal verhoor verdachte [getuige 7] , p. 4-34 e.v., p. 4-38 e.v. en p. 4-44 e.v. en processen-verbaal verhoor verdachte [getuige 8] , p. 4-46 e.v., p. 4-50 e.v. en p. 4-55 e.v.
27.Zaaksdossier [bedrijf 3] , proces-verbaal van bevindingen [adres 4] , p. 13-214 e.v.
28.Zaaksdossier [bedrijf 3] , proces-verbaal ter zake aanschaf [kenteken 1] , p. 13-156 e.v.
29.Zaaksdossier [bedrijf 3] , proces-verbaal ter zake ingebruikneming [adres 5] , p. 13-250 e.v.
30.Zaaksdossier [bedrijf 3] , proces-verbaal van verhoor getuige [getuige 1] , p. 13-719 e.v.
31.Zaaksdossier [bedrijf 3] , proces-verbaal sporenonderzoek, p. 13-639 e.v., NFI-rapport identificatie van drugs en precursoren, p. 13-643 e.v., proces-verbaal sporenonderzoek, p. 13-712 e.v. en NFI-rapport identificatie van drugs en precursoren, p. 13-717 e.v.
32.Zaaksdossier [bedrijf 3] , proces verbaal van bevindingen waarneming [adres 4] , p. 13-19.
33.Zaaksdossier [bedrijf 3] , proces- verbaal van verdenking van [medeverdachte V] , p. 13-52 e.v.
34.Zaaksdossier [bedrijf 3] , proces verbaal van bevindingen OT-inzet 10-02-2016, p. 13-35 e.v.
35.Zaaksdossier [bedrijf 3] , proces verbaal van observatie, p. 13-353 e.v.
36.Zaaksdossier Azië, proces-verbaal aantreffen kartonnen drums paracetamol en cafeïne in vuilcontainer, p. 10-481 e.v.
37.Zaaksdossier [bedrijf 3] , proces-verbaal uitkijken camerabeelden [adres 5] , p. 13-364 e.v.
38.Zaaksdossier [bedrijf 3] , proces-verbaal van verdenking van [medeverdachte Y] , p. 13-100 e.v. en proces-verbaal bevindingen [adres 5] , p. 13-276 e.v.
39.Zie bijvoorbeeld Zaaksdossier [bedrijf 3] , p. 13-110 en 13-120.
40.Zie bijvoorbeeld Zaaksdossier [bedrijf 3] , p. 13-294.
41.Zie bijvoorbeeld Zaaksdossier [bedrijf 3] , p. 13-114 t/m 13-118 en 13-279.
42.Zie bijvoorbeeld Zaaksdossier [bedrijf 3] , p. 13-117.
43.Zie bijvoorbeeld Zaaksdossier [bedrijf 3] , p. 13-295.
44.Zie bijvoorbeeld Zaaksdossier [bedrijf 3] , p. 13-316.
45.Zie bijvoorbeeld Zaaksdossier [bedrijf 3] , p. 13-296.
46.Zie bijvoorbeeld Zaaksdossier [bedrijf 3] , p. 13-279.
47.Zie bijvoorbeeld Zaaksdossier [bedrijf 3] , p. 13-120 t/m 13-123.
48.Zaaksdossier [adres 12] , proces-verbaal van binnentreden in [adres 12] , p. 4-20 en proces-verbaal van bevindingen, p. 4-23.
49.Zaaksdossier [adres 12] , proces-verbaal sporenonderzoek, p. 4-25 e.v.
50.Zaaksdossier [adres 12] , proces-verbaal van bevindingen, p. 4-2 e.v. en proces-verbaal van bevindingen, p. 4-59.
51.Zaaksdossier [adres 12] , processen-verbaal verhoor verdachte [getuige 7] , p. 4-34 e.v., p. 4-38 e.v. en p. 4-44 e.v. en haar verklaring (als [andere naam getuige 7] ) bij de rechter-commissaris te Rotterdam van 30 augustus 2019.
52.Zaaksdossier [adres 12] , processen-verbaal verhoor verdachte [getuige 8] , p. 4-46 e.v., p. 4-50 e.v. en p. 4-55 e.v. en zijn verklaring bij de rechter-commissaris te Rotterdam van 11 december 2018.
53.Verklaring van de verdachte afgelegd ter terechtzitting in hoger beroep op 12 maart 2026, zoals deze nadien, indien in geval van cassatie het proces-verbaal van de zitting wordt uitgewerkt, in dat proces-verbaal zal zijn weergegeven.
54.Zaaksdossier [adres 12] , proces-verbaal van bevindingen, p. 4-2 e.v., en proces verbaal van bevindingen [adres 12] , p. 4-86 e.v.
55.Zaaksdossier [adres 6] , proces-verbaal van doorzoeking ter inbeslagneming, p. 1-2 e.v.
56.Zaaksdossier [adres 6] , proces-verbaal PO, p. 1-28 e.v.
57.Zaaksdossier [adres 6] , proces-verbaal PO, p 1-28 e.v. en NFI-rapport identificatie van drugs en precursoren, p. 1-31 e.v.
58.Zaaksdossier [adres 6] , proces-verbaal verhoor verdachte [getuige 4] , p. 1-113 e.v.
59.Zaaksdossier [adres 12] , proces verbaal van bevindingen [adres 12] , p. 4-86 e.v.
60.Zaaksdossier [adres 7] , proces verbaal van bevindingen vergelijking doorzoekingen [adres 12] , [adres 6] en [adres 7] , p. 2-97 e.v.
61.Zaaksdossier [adres 7] , proces-verbaal van bevindingen, p. 2-2 en proces-verbaal van bevindingen, p. 2-3.
62.Zaaksdossier [adres 7] , proces-verbaal van bevindingen, p. 2-93 e.v. en proces-verbaal sporenonderzoek, p. 2-72 e.v.
63.Zaaksdossier [adres 7] , proces verbaal van bevindingen vergelijking doorzoekingen [adres 12] , [adres 6] en [adres 7] , p. 2-97 e.v.
64.Zaaksdossier [adres 7] , proces-verbaal sporenonderzoek, p. 2-72 e.v., NFI rapport resultaten DNA-onderzoek, p. 2-78 e.v., aanvullend NFI-rapport, p. 2-81 e.v. en het proces-verbaal uitslag sporenonderzoek met als bijlage het rapport dactyloscopisch onderzoek, p, 2-84 e.v.
65.Zaaksdossier [adres 8] , proces-verbaal van observatie, p. 5-1 e.v.
66.Zaaksdossier [adres 8] , proces verbaal uitkijken camerabeelden [adres 8] , p. 5-110 e.v.
67.Zaaksdossier [adres 8] , proces verbaal van bevindingen camerabeelden [adres 8] , p. 5-31 e.v. en proces verbaal herkenning van camerabeelden, p. 5-41 e.v.
68.Zaaksdossier [adres 8] , proces verbaal van bevindingen, p. 5-50 e.v. en notitie Arnicon Services, p. 5-89 e.v.
69.Zaaksdossier Zuidplein processen-verbaal p. 6-12 en 6-25, en NFI-rapport 6-26 en 6-27.
70.Zaaksdossier [adres 9] , processen-verbaal van bevindingen, p, 7-2 e.v en p. 7-65 t/m 7-69 en p. 7-77 t/m 7-80; Kennisgevingen van Inbeslagneming p. 7-81 t/m 7-96; NFI-rapport p. 7-174 t/m 7-176.
71.Zaaksdossier [adres 10] , proces-verbaal bevindingen, p. 12-2 e.v.
72.Vgl. onder meer HR 29 januari 2019, ECLI:NL:HR:2019:97; HR 20 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1864, rov. 3.2.3 en HR 19 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:770, rov. 2.3.2.
73.HR 26 oktober 1993, ECLI:NL:HR:1993:AD1974, NJ 1994/161 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378, rov. 2.3.2.
74.HR 26 november 1985, NJ 1986/389; HR 16 oktober 1990, NJ 1991/442 en HR 20 maart 2018, ECLI:NL:HR:2018:378, rov. 2.3.2.
75.HR 29 januari 1991, NJB 1991/50; HR 9 november 2004, ECLI:NL:HR:2004:AQ8470 en HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969/970, rov. 2.4.3.
76.HR 8 mei 1978, LJN AC0341, NJ 1978/314 en HR 6 oktober 1992, LJN AB9524, NJ 1993/100.
77.HR 15 juni 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK6148, NJ 2010/357.
78.HR 14 mei 1985, ECLI:NL:HR:AD7436 en AC3589, NJ 1860/10 en 11; HR 22 juli 1985, ECLI:NL:HR:1985:AC8984, NJ 1987/323 en HR 15 mei 2007, LJN BA0502, NJ 2008/559.
79.HR 13 oktober 1987, LJN AC3222, NJ 1988/425.
80.HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0502.
81.HR 29 januari 1991, DD 91.168 en 169; HR 10 februari 2015, ECLI:NL:HR:2015:264, rov. 4.3; HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:969/270, rov. 2.4.3 en HR 30 mei 2023, ECLI:NL:HR:2023:771, rov. 2.3.2.
82.HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:ZD0858, NJ 1998/225; HR 3 juli 2012, ECLI:NL:HR:BW5161; HR 14 maart 2017, ECLI:NL:HR:2017:413 en HR 7 juli 2026, ECLI:NL:HR:2026:1142/1143 en 1183, rov. 2.3.2.
83.HR 18 november 1997, ECLI:NL:HR:1997:ZD0858, NJ 1998/225; HR 8 oktober 2002, ECLI:NL:HR:2002:AE5651, NJ 2003/64; HR 8 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO9814 en HR 5 juli 2022, ECLI:NL:HR:2022:970.
84.Vgl. o.a. Hof ’s-Hertogenbosch 20 april 2011, ECLI:NL:GHSHE:2011:BQ2121; Hof Arnhem-Leeuwarden 26 februari 2013, ECLI:NL:GHARL:2013:BZ2387; Hof Den Haag 30 september 2002, ECLI:NL:GHSGR:2002:AF0900 en Hof Amsterdam 31 mei 2013, ECLI:NL:GHAMS:2013:2090.
85.Zaaksdossier [adres 7] , proces-verbaal van verhoor verdachte T.Tatli, p. 2-282.
86.Zaaksdossier [adres 9] , p, 7-61.
87.Proces-verbaal Stemherkenning, p. 10-11 en 10-12
88.Proces-verbaal van bevindingen, p. 10-15 en 10-16
89.Zaaksdossier [adres 9] , p, 7-61.
90.Zaaksdossier [bedrijf 3] , p. 13-143.
91.Zaaksdossier [bedrijf 3] , p. 13-144.
92.Zaaksdossier [bedrijf 3] , p. 13-247 en 13-148.
93.Vgl. HR 12 oktober 2021, ECLI:NL:HR:2021:1418 en HR 17 oktober 2023, ECLI:NL:HR:2023:1461.
94.Vgl. HR 13 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1198, rov. 2.4.2-2.4.3.
95.Vgl. CAG 4 juni 2024, ECLI:NL:PHR:2024:598, randnr. 13, voorafgaand aan HR 9 juli 2024, ECLI:NL:HR:2024:930 (81 RO) en HR 16 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:948, rov. 2.3.
96.Vgl. o.a. HR 18 mei 1976, ECLI:NL:HR:1976:AB5196/NJ 1976, 539; HR 8 december 1981, NJ 1982, 533; HR 9 mei 1995, ECLI:NL:HR:1995:ZD0046/DD 95.334; HR 15 mei 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ6101, rov. 3.4.; HR 26 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4953, rov. 3.3. en HR 12 juni 2012, ECLI:NL:HR:2012:BW7951, rov. 2.6.
97.Vgl. HR 14 september 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC3716, NJ 1993/54, m.nt. Van Veen; HR 25 april 2006, ECLI:NL:HR:2006:AV6192 en HR 23 september 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3902, rov. 4.3.
98.EHRM 19 januari 2021, nr. 2205/16, NJ 2021/93 (Keskin tegen Nederland), § 56.
99.Vgl. HR 29 september 2015, ECLI:NL:HR:2015:2842, rov. 4.3.
100.Zie de bewijsmiddelenbijlage bij het vonnis van 14 november 2019, p. 17, bewijsmiddel 8.