Conclusie
1.Feiten
Bespreking/Conclusie:
1. Doelstelling
2.Medisch Werkplekonderzoek
3.Bureaustoel
welaan de NEN-normering en ARBO-eisen en is optimaal instelbaar.
4.Bureau
welaan de NEN-normering en ARBO-eisen en is optimaal instelbaar.
5.Werkplekinstelling & Computerunit
6.Persoonlijk advies
A-G] kan ik u melden dat er op 23 juni 2016 [bedoeld zal zijn: 2015,
A-G] een multidisciplinair overleg plaatsvond nadat de heer een poliklinisch revalidatietraject in De Hoogstraat was gestart. De conclusie van deze bespreking was dat de arm- en handklachten deels gekoppeld zijn aan spanning en stress die in het lijf aanwezig zijn. Factoren die hiermee samenhangen zijn o.a. de onzekerheid over de werksituatie als ook boosheid en persoonlijke onrust over de huidige situatie.
3.6. Beschrijving laatst uitgeoefende arbeid (voor uitval)
4.Onderzoek naar re-integratiemogelijkheden
Overwegingen:
Mijn commentaar:
Wat zijn de huidige gangbare en aanvaarde inzichten betreffende RSI/KANS-problematiek (is er bijvoorbeeld een (inter)nationaal erkende richtlijnen)?
Welke kenbare oorzaken/risicofactoren worden in de literatuur/wetenschap voor het ontstaan van RSI/KANS-problematiek genoemd?
Is de periode waarbinnen een patiënt aan deze oorzaken/risicofactoren is blootgesteld, nog van belang? Anders gesteld: wordt in de wetenschap uitgegaan van een minimale duur van blootstelling of wordt verondersteld dat RSI/KANS-klachten ook na een relatief korte periode van blootstelling (van enkele weken) aan risicofactoren kunnen ontstaan?
Is het juist dat een reeds bestaande aandoening, zoals bij client aan de orde is en waardoor lopen en staan (vertreden) bemoeilijkt is, en waardoor het gebrek van éen van de handen ook al beperkt is, leidt tot een verhoogd risico op het ontstaan van gezondheidsklachten? Kunt u uw antwoord bij voorkeur onderbouwen met verwijzing naar relevante literatuur?
Conclusies[fysiotherapeut en bewegingswetenschapper]
buitensporig” is? Waar heeft u zich bij uw antwoord op deze vraag op gebaseerd? Graag uw antwoord motiveren.
Conclusie:
CONCLUSIE:
aanpassingsstoornis, wellicht is die diagnose meer aanleiding tot de langdurige ziekmelding van [geïntimeerde] dan de RSI-klachten. (…)
Het is onduidelijk of het SALTSA rapport bij een onderzoek naar beperkingen bij personen met aangeboren afwijkingen wel bruikbaar is
De conclusies die Sorgdrager trekt uit het SALTSA rapport zijn derhalve niet zonder meer van toepassing op [verweerder], gelet op zijn aangeboren beperkingen. Zie mijn opmerkingen onder 2.
uitgeslotenis dat [verweerder] zijn klachten heeft gekregen door langdurige overbelasting
als gevolg van zijn aangeboren afwijkingen, getriggerd door het arbeids-conflict, zoals ook de verzekeringsarts van UWV Utrecht heeft gesteld (…).
onvoldoende vast dat de RSI-klachten bij [verweerder]– in zoverre daarvan sprake is (zie vraag 1.) –
overwegend in de uitoefening van de werkzaamheden bij EBN zijn ontstaan. Het beeld ontwikkelde zich namelijk in enkele dagen, voor zijn ziekmelding gaf [verweerder] in het geheel geen RSI-klachten aan (…). Een ander[e] optie kan bijvoorbeeld gevonden worden in het oordeel van de verzekeringsarts van UWV. Deze stelt dat [verweerder] uitgevallen is voor zijn werk voor zijn werk “met toename van fysieke klachten bij reeds langer bestaande aangeboren afwijkingen van de ledematen (linker arm en beide onderbenen), hierdoor wellicht voortdurende overbelasting, mogelijk getriggerd door een arbeidsconflict.”
inderdaad wel alternatieve oorzaken voor RSI-klachten aan te wijzen. De verzekeringsarts van UWV suggereert bijvoorbeeld dat de
voortdurende overbelasting als gevolg van de aangeboren afwijkingengezien kan worden als oorzaak van de klachten van [verweerder] , waarbij de klachten getriggerd zouden zijn
door het arbeidsconflict, dit laatste acht ik zeer plausibel. De ziekmelding kan mijns inziens niet los gezien worden van het arbeidsconflict. Verder noemen (…) [fysiotherapeut en bewegingswetenschapper] en (…) [gezondheidspsycholoog] nog een aantal factoren uit de 3 psychosociale domeinen die ook bijgedragen zouden kunnen hebben tot de klachten van [verweerder] :
functionele éénhandigheid (aangeboren), en mogelijk ook door de gekozen strategie (precisie over snelheid). Ook hoge
ervarenwerkdruk en
stress,
ervaren onrecht en deconditionering als gevolg van fysieke inactiviteit,
dreigend ontslag en conflict met de werkgever,
perfectionismeen
vasthoudendheidzouden volgens (…) [gezondheidspsycholoog] (…) een rol (kunnen) hebben gespeeld.
spanningeen instandhoudende factor is.
de invloed van deze aangeboren afwijkingen onderbelicht zijn in het kader van de causaliteit. De aangeboren afwijkingen worden wel genoemd, maar onvoldoende wordt benadrukt dat deze afwijkingen op den duur zouden kunnen leiden tot overbelasting van de rechter arm, precies hetgeen wat nu aan de orde lijkt te zijn. Mijns inziens is het vermeende onrecht dus het aangekondigde ontslag de druppel die tot problemen leidt voor de rechter arm. En niet zozeer de arbeidsomstandigheden, deze zijn juist vrijwel ideaal bij EBN.
EBN heeft (medisch gezien) naar mijn oordeel voldoende aan haar zorgplicht voldaanom gezondheidsschade (RSI-klachten) bij [verweerder] te voorkomen. Dit blijkt onder andere uit de moderne ergonomisch ingerichte werkplek van [verweerder] en het feit dat er na het melden van RSI-achtige klachten direct werd overgegaan tot een uitvoerige check van zijn werkplek. (…)”
In het begin kun je klachten krijgen na een periode waarin je extra hard hebt gewerkt en/of in een verkeerde, statische (onbeweeglijke) houding. Die klachten zijn de volgende morgen meestal over. Nog niet iets om je zorgen over te maken.
reeds een week na de ziekmelding van [verweerder] heeft een professioneel werkplekonderzoek op maat plaatsgevonden, namelijk op 22-04-2015”. Dit is een aantoonbaar foutieve weergave van de feiten en een volstrekt onlogische conclusie; [verweerder] heeft zich pas ziekgemeld op 28-04-2015, dus een kleine week na betreffend onderzoek, en het feit dat naar aanleiding van dit onderzoek direct aanpassingen zijn aangebracht/toegepast vormt mijns inziens juist een bevestiging van het feit dat de werkplek in de voorgaande jaren dus niet was aangepast aan de specifieke fysieke gesteldheid van [verweerder] . Het moge duidelijk zijn dat de aangebrachte aanpassingen niet de gevolgen van langdurige overbelasting kunnen wegnemen.
maar de stappen worden NIET correct gevolgd, het rapport doet aan bronvermelding (d) en de rapporteur is een erkend specialist op het vakgebied van de beroepsziekten, maar dat betekent dus nog niet dat de inhoud van het rapport volledig klopt! (…)
A-G], heeft [verweerder] reeds tenminste 2x eerder meegedaan aan soortgelijke werkplekonderzoeken. Daarbij kreeg hij adviezen voor een goede werkhouding, een optimaal ingestelde werkplek en genoeg rustmomenten tijdens de werkdag. EBN heeft erop toegezien dat [verweerder] gevolg gaf aan deze adviezen, hiervan heeft EBN schriftelijke bewijzen overlegd. (…)
de stress rond het ontstane arbeidsconflict de voornaamste oorzaak van het niet-herstellendoor [verweerder] van zijn klachten. Wellicht heeft hij daarom ook onvoldoende rust gehouden, althans (in zijn hoofd) gekregen wat waarschijnlijk ook een belangrijke rol heeft gehad in het onderhouden van de klachten aan zijn rechterarm.
2.Procesverloop
Eerste aanleg
a) [verweerder] lijdt aan RSI-klachten
b) de RSI-klachten zijn het gevolg van de omstandigheden waaronder [verweerder] zijn werkzaamheden bij EBN heeft verricht
linkerhand. De consequentie daarvan is dat geen sprake is van een aspecifieke ABBE, dat er dus geen sprake is van een beroepsziekte die het gevolg is van de uitoefening van de werkzaamheden en dat het deskundigenbericht niet bruikbaar is, aldus EBN.
anderehand/arm dan de hand/arm waaraan [verweerder] pijnklachten heeft, kan worden toegepast. De deskundige heeft de aangeboren beperking in zijn beoordeling betrokken en heeft die beperking niet geduid als een specifieke aandoening in de klachtenregio. [medisch adviseur 2] en [onafhankelijk bedrijfsarts] hebben niet uitgelegd waarom de aangeboren beperking aan de
linkerhand/arm als een specifieke aandoening in de rechterhand/arm moet worden geduid. Het hof ziet dus geen aanleiding om de deskundige hierin niet te volgen. Dat [verweerder] door de aangeboren beperking aan zijn linkerhand/arm gevoeliger is voor overbelasting van zijn rechterarm (waarmee hij dus vrijwel alles doet) is een andere vraag die hierna aan de orde zal komen. Het hof volgt de deskundige in de duiding van de klachten van [verweerder] aan zijn rechterarm als een aspecifieke ABBE.
A-G] waardoor er een verhoogde kwetsbaarheid is, de persoonlijkheidsstructuur – een zelfstandige oorzaak van de RSI-klachten zijn. Ook in de berichten van [medisch adviseur 2] leest het hof niet dat – de hiervoor vastgestelde arbeidsomstandigheden weggedacht – de genoemde factoren tot RSI-klachten zouden hebben geleid. De door [medisch adviseur 2] genoemde factoren zien vooral op de predispositie namelijk de lichamelijke en geestelijke constitutie van [verweerder] die van invloed kan zijn op de mate en het voortbestaan van de RSI-klachten. [medisch adviseur 2] heeft weliswaar geschreven dat de overbelastingsklachten aan de rechterarm op den duur hoe dan ook zouden optreden vanwege de aangeboren beperkingen aan de linkerarm/hand (door EBN op de zitting geduid als ‘tikkende tijdbom’) maar daarvoor heeft [medisch adviseur 2] geen enkele onderbouwing gegeven terwijl de deskundige gemotiveerd heeft waarom hij in de aangeboren beperking aan de linkerarm/hand geen zelfstandige oorzaak voor de RSI-klachten aan de rechterkant ziet (zie de reactie van Sorgdrager op [medisch adviseur 2] onder 2).”
c) EBN heeft niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht
A-G] de op haar rustende zorgplicht om dat te voorkomen. (…)”
3.Werkgeversaansprakelijkheid, multicausale beroepsziekten en RSI-klachten
condicio sine qua non-verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden noodzakelijk. Dat vereiste stelt de werknemer die met dergelijke klachten kampt vaak voor problemen, omdat ook andere oorzaken dan de arbeidsomstandigheden van belang kunnen zijn. Ter inleiding op de bespreking van de klachten in paragraaf 4 maak ik hier nu een aantal opmerkingen over RSI en vervolgens over de toepassing van art. 7:658 BW Pro bij multicausale beroepsziekten, waarvan RSI vaak een voorbeeld wordt genoemd. [32] Bij een dergelijke ziekte kan de oorsprong liggen in verschillende factoren, werkgerelateerde en andere, of in een combinatie daarvan en is in een concreet geval vaak niet meteen duidelijk of andere dan werkgerelateerde factoren daadwerkelijk een rol hebben gespeeld en, zo ja, in welke mate.
Beroepsziekten in cijfers 2024van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten blijkt dat het hoogste aantal nieuwe gevallen van beroepsziekten per 100.000 werknemers wordt gemeld voor psychische aandoeningen, gevolgd door aandoeningen aan het houding- en bewegingsapparaat. [34] En uit het rapport
Arbobalans2024 van TNO blijkt dat 1,3% van de werkzame bevolking last heeft van RSI-klachten. [35]
Multidisciplinaire richtlijn aspecifieke Klachten Arm, Nek en/of Schouders [36] kunnen verschillende factoren een rol spelen bij het ontstaan van de klachten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen fysieke factoren (bijvoorbeeld langdurig en vaak computerwerk doen), psychische en sociale factoren (zoals stress en geringe arbeidssatisfactie) en levensstijlfactoren (bijvoorbeeld te weinig nachtrust). Volgens deze richtlijn kan werk van invloed zijn op het ontstaan of beloop (bijvoorbeeld instandhouding en verergering) van de klachten. Volgens de richtlijn zijn er aanwijzingen dat repeterende arbeid het risico op pijn in de arm, hand en elleboog vergroot en dat een geringe arbeidssatisfactie gepaard gaat met een verhoogd risico op nek-schouderpijn.
voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, ligt besloten dat voor werkgeversaansprakelijkheid ex art. 7:658 BW Pro is vereist dat causaal verband bestaat tussen de door de werknemer gestelde schade enerzijds en de uitoefening van de werkzaamheden anderzijds. [38] Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro is het in beginsel aan de werknemer om het causaal verband tussen de schade en de uitoefening van de werkzaamheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen.
burn-out. Zo worden beide beroepsziekten in verband gebracht met multicausaliteit. Verder worden zij beide gekenmerkt door overbelasting. Juist in dat verband treedt naar voren dat niet iedere werknemer hetzelfde aankan en dat de ene eerder uitvalt dan de andere. Dat heeft ook consequenties voor de van de werkgever te verlangen zorg. Die wordt in eerste instantie natuurlijk bepaald door
algemeneuit arboregels voortvloeiende en in het kader van art. 7:658 BW Pro gesanctioneerde verplichtingen. [40] Gewezen kan worden op art. 5.10 Arbeidsomstandighedenbesluit, op grond waarvan beeldschermwerk zodanig georganiseerd moet zijn dat dit werk op gezette tijden wordt afgewisseld door andersoortig werk of door een pauze, zodat de met het beeldschermwerk gemoeide belasting wordt verlicht. [41]
specifiekewerknemer toegespitste maatregelen, die betrekking kunnen hebben op verschillende vlakken: instructies, specifieke voorzorgsmaatregelen (aanpassing van de werkplek, aanpassing van de werktijden, aanpassing van het werk) en toezicht. Ik wijs op art. 3 lid 1 sub Pro c Arbeidsomstandighedenwet, op grond waarvan – vrij weergegeven – de werkgever een arbeidsomstandighedenbeleid moet voeren en in dat verband de arbeidsomstandigheden zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd moet aanpassen aan de persoonlijke eigenschappen van werknemers. Verder noem ik art. 5 lid Pro 1 Arbeidsomstandighedenwet, op grond waarvan de werkgever een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) moet uitvoeren, waarin hij moet ingaan op de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en de risico’s voor bijzondere categorieën van werknemers, onder wie, zo volgt uit de parlementaire geschiedenis, personen met een handicap. [42]
burn-out. [44] Daarvoor kan het van belang zijn dat de betrokken werknemer signalen heeft afgegeven (een minder eerbiedige maar in het veld wel gehoorde formulering is dat hij heeft ‘gepiept’). [45] Bij gebreke van dergelijke signalen gaat de werkgever in het kader van art. 7:658 BW Pro nog wel eens vrijuit, (mede) omdat hem dan niet kan worden verweten dat hij die specifieke extra zorg niet heeft betracht. [46]
voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro is het in beginsel aan de werknemer om het causaal verband tussen de schade en de uitoefening van de werkzaamheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen.
Unilever/Dikmans [49] geïntroduceerd. De arbeidsrechtelijke omkeringsregel houdt in dat als een werknemer bij zijn werk is blootgesteld aan gevaarlijke arbeidsomstandigheden en schade heeft die daardoor kan zijn veroorzaakt, het causaal verband tussen de werkzaamheden en de schade in beginsel moet worden aangenomen indien de werkgever zijn zorgplicht ter voorkoming van die schade heeft geschonden. In latere rechtspraak is verdere invulling aan de regel gegeven.
7 juni-arresten) waarvan één, het arrest
SVB/ […], betrekking heeft op RSI-klachten. [51]
SVB/ […]wordt in ieder geval afgeleid dat de betekenis van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel voor RSI-klachten beperkt is; eigenlijk is er geen plaats voor toepassing van deze regel, zolang tenminste niet substantieel meer bekend wordt over aard en oorzaken van RSI-klachten. [52]
7 juni-arresten – bevestigd in het hiervoor in randnummer 3.14 genoemde arrest
Gemeente Rheden– gekozen voor de huidige invulling van de toepassingsvoorwaarden. Daarbij moet worden bedacht dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel een
alles-of-niets-benadering is; bij toepassing wordt de causaliteitsonzekerheid volledig op de werkgever afgewenteld. Is niet aan de toepassingsvoorwaarden voldaan, dan kan met toepassing van het leerstuk van de
proportionele aansprakelijkheideventueel nog tot een verdeling van de causaliteitsonzekerheid over werkgever en werknemer worden gekomen. [56]
Nefalit/Karamus [57] geïntroduceerde leerstuk is bedoeld voor gevallen waarin niet kan worden vastgesteld of de schade is veroorzaakt door een normschending van de aansprakelijk gestelde partij (hier: de werkgever) of van iemand voor wie hij aansprakelijk is, dan wel door een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf (hier: de werknemer) komt of door een combinatie van beide, en waarin de kans dat de schade door de normschending in de sfeer van de aansprakelijke persoon (hier: de werkgever) is veroorzaakt niet zeer klein en evenmin zeer groot is. [58] In de context van de betreffende zaak, waarin de vraag speelde of een werknemer door het werk of (mede) door andere oorzaken aan longkanker leed, noemde Uw Raad in het kader van omstandigheden die aan de werknemer moeten worden toegerekend: roken, genetische aanleg, veroudering of van buiten komende oorzaken. [59] Waar voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden niet te onzeker of onbepaald mag zijn, ligt de drempel voor toepassing van het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid lager; voldoende is dat de veroorzakingskans niet ‘zeer klein’ is. Anderzijds mag die kans ook niet zodanig groot zijn dat toewijzing van de volledige vordering op haar plaats zou zijn. Aangenomen mag worden dat de onder- en bovengrens zich niet in algemene regels laten vaststellen. [60] Wat wel nodig is, is dat de niet zeer kleine noch zeer grote kans met een redelijke mate van zekerheid te bepalen is. [61] Ook dat lijkt bij RSI een probleem, zodat ook het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid bij RSI-klachten niet snel toepassing zal vinden. [62]
condicio sine qua non-verband tussen schade en werk), dat ik hier laat rusten, maar bijvoorbeeld ook bij de toerekening van gevolgen in de zin van art. 6:98 BW Pro en bij de schadebegroting (wat zou er in de hypothetische situatie zonder normschending van deze persoon geworden zijn?). In dit verband wordt wel onderscheid gemaakt tussen pre-existentie of een predispositie. We spreken van
pre-existentiein het geval dat er al klachten waren. [66] Spreken we van
predispositie, dan hebben we het over een lichamelijke of geestelijke kwetsbaarheid die klachten of letsel (en daardoor schade) eerder doet ontstaan dan bij een ander of die klachten of de gevolgen ervan langer laat duren en/of erger doet zijn dan normaal is. In deze zaak lijkt
pre-existentieniet aan de orde. De aangeboren beperking van [verweerder] is in ieder geval niet als zodanig te begrijpen. Het zou hier dan hebben moeten gaan om reeds bestaande RSI-klachten of daarmee vergelijkbare klachten. Omdat van pre-existentie geen sprake is, beperk ik me hierna tot een enkele opmerking over de betekenis van een predispositie.
condiciones sine quibus nonvoor (een deel van) zijn schade, maar betekent dat niet dat deze schade in zoverre ook voor rekening van het slachtoffer blijft. Bij een predispositie nemen we immers in principe aan, dat de aansprakelijke persoon het slachtoffer te nemen heeft zoals hij of zij is (
the tortfeasor takes the victim as he finds him), zeker bij schending van veiligheidsnormen zoals EBN in deze zaak wordt aangewreven. [70] Dit betekent dat de aansprakelijke persoon het slachtoffer bij schending van een veiligheidsnorm niet kan tegenwerpen dat hij of zij zwakker is dan de gemiddelde persoon. [71] Dat levert de aansprakelijke persoon in ieder geval niets op: de gevolgen van een dergelijke zwak- of kwetsbaarheid (die het gevolg kan zijn van de lichamelijke constitutie of persoonlijkheidsstructuur) worden in het kader van art. 6:98 BW Pro aan de aansprakelijke persoon toegerekend. Datzelfde geldt voor moeilijkheden in het privéleven van het slachtoffer die bijvoorbeeld het herstel belemmeren. Ook deze komen in beginsel, zeker bij schending van een veiligheidsnorm zoals hier, voor rekening van de aansprakelijke persoon doordat hun gevolgen in het kader van art. 6:98 BW Pro worden toegerekend. [72] Kwetsbaarheden of privémoeilijkheden zoals zojuist genoemd leiden dus niet tot vermindering van de vergoedingsplicht door de schade over de aansprakelijke persoon en het slachtoffer te verdelen. Voor een dergelijke vermindering van de vergoedingsplicht op de voet van art. 6:101 BW Pro is slechts plaats onder bijzondere omstandigheden. Daarbij kan volgens Uw Raad gedacht worden aan het geval dat het slachtoffer zich, mede in aanmerking genomen zijn persoonlijkheidsstructuur en zijn privémoeilijkheden, onvoldoende inspant om een bijdrage te leveren aan het herstelproces. [73] Omdat dat niet eenvoudig is aan te tonen, lijkt het voor de praktijk relevanter dat deze factoren (lichamelijke kwetsbaarheid, persoonlijkheidsstructuur en privémoeilijkheden) bij de schadebegroting worden ‘meegenomen’: daar komt het slachtoffer immers ‘zichzelf’ tegen. In dit verband gaat het om gevallen waarin een kwetsbaarheid ook in het scenario zonder aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis op enig moment tot problemen (bijvoorbeeld uitval) zou hebben geleid. [74] Dat laatste, zo blijkt uit de rechtspraak van Uw Raad, mogen we echter ook weer niet te snel aannemen. [75] Vereist zijn concrete aanwijzingen dat deze factoren de betrokkene ook in de situatie ‘zonder normschending’ parten zouden hebben gespeeld. [76]
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Kern van de zaak” zet EBN uiteen waar de onderhavige zaak volgens haar om draait. In paragraaf 1 “
Achtergrond van het geschil” schetst EBN de achtergrond van en de aanloop naar de onderhavige zaak. In paragraaf 2 “
RSI” legt EBN uit dat er volgens haar in algemene zin onduidelijkheid bestaat over de oorzaken van RSI. In paragraaf 3 lijkt EBN te willen aangeven dat (1) de arbeidsrechtelijke omkeringsregel zich niet goed leent voor toepassing bij RSI, (2) de werknemer het ook lastig zal hebben bij toepassing van de gewone bewijsregels ten aanzien van het verband tussen het werk en de klachten van de werknemer en (3) predispositie(s) en factoren in de privésfeer van de werknemer in een geval waarin diens arbeidsongeschiktheid meer oorzaken kan hebben, zoals bij RSI het geval is, niet (zonder meer) voor rekening van de werkgever komen. In dit verband citeert EBN eerst het arrest
SVB/ […], [77] mijn
NJ-noot bij dit arrest [78] en de conclusie van A-G Spier [79] voor het arrest
Campen/Köpcke Global Trading. [80] Ten slotte wordt ook nog verwezen naar de
NJ-noot bij het arrest
Nefalit/Karamus [81] en naar de conclusie van A-G Spier voor het arrest
SVB/ […]. [82]
Middel van cassatie” bevat het cassatiemiddel dat in paragraaf 5 “
Klachten” wordt uitgewerkt. Gelet op randnummer 5.1 van de procesinleiding moeten de klachten tegen de achtergrond van de in het vorige randnummer besproken paragrafen worden bezien. Paragraaf 5 vangt aan met een sub-paragraaf “
Aanloop naar de klachten”. Daarin worden eerst rov. 4.15., 4.16., 4.25. en 4.26. uit het bestreden arrest geciteerd. Vervolgens begint EBN in randnummer 5.3 van de procesinleiding weliswaar met een verwijzing naar het bijzondere eigen schuld-regime van art. 7:658 BW Pro en de ‘alles-of-niets-benadering’ in dat verband, maar wijst zij er, onder verwijzing naar eerder door EBN in de procedure betrokken standpunten, tegelijkertijd op dat bij de beoordeling van het
condicio sine qua non-verband niet (zonder meer) kan worden voorbijgegaan aan factoren in de persoonlijke sfeer van de werknemer. Deze komen niet (zonder meer) ten laste van de werkgever, althans niet in het geval van een ‘multifactoriaal’ klachtsyndroom als RSI. In paragraaf 5 worden tot slot rov. 4.3.1 en 4.3.2 uit het arrest
[…] BV/ […] [83] geciteerd. In de procesinleiding is niet toegelicht welk punt EBN hiermee beoogt te maken. Omdat de in de klacht geciteerde rechtsoverwegingen uit het arrest
BV/ […]zien op proportionele aansprakelijkheid neem ik aan dat EBN bedoelt dat, mocht zij tekortgeschoten zijn in haar zorgplicht, in het geval van causaliteitsonzekerheid eventueel sprake kan zijn van proportionele aansprakelijkheid (in plaats van volledige aansprakelijkheid). Er volgen acht met Arabische cijfers aangeduide klachten, die overigens in de uitwerking in verschillende klachten uiteenvallen. Klacht 7 is opgedeeld in klacht 7a en klacht 7b.
enkel nu zij niet ieder voor zich (of tezamen) de zelfstandige oorzaak zijn van (het multifactoriaal bepaalde klachtsyndroom) RSI.” Voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd waarom het hof EBN volledig aansprakelijk heeft gehouden voor de schade van [verweerder] , althans waarom het hof geen betekenis heeft toegekend aan de factoren in de privésfeer van [verweerder] . Aan deze klachten zou het verweer van EBN tegen het kennelijk door EBN in de inleidende dagvaarding van [verweerder] gelezen (subsidiaire) beroep op proportionele aansprakelijkheid niet afdoen, aangezien EBN dit enkel aanvoerde nu zij, in haar visie, haar zorgplicht niet schond (en niet voor het geval daarover in rechte anders zou worden geoordeeld en aansprakelijkheid zou worden vastgesteld). [86]
klacht 1is een aantal (deel)klachten te ontwaren. Ik loop ze hierna een voor een af.
in de eerste plaatsverweten dat het bij de beoordeling van het causaal verband is voorbijgegaan aan hetgeen het in rov. 4.15., 4.16. en 4.29. heeft overwogen. Wat het hof in die rechtsoverwegingen heeft overwogen is echter iets anders dan de klacht suggereert. De klacht faalt dan ook vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Ik licht dit in de volgende drie randnummers toe.
Het hof onderkent de mogelijke veroorzaking[door]
en de mogelijke bijdrage(…)
van zijn karakterstructuur en stressgevoeligheid[aan het ontwikkelen van RSI-klachten]
.”), heeft het hof in die rechtsoverwegingen dus nog geen eigen oordeel over de (mogelijke) oorzaken van de RSI-klachten gegeven, laat staan dat het in die rechtsoverwegingen heeft onderkend dat [verweerder] karakterstructuur en stressgevoeligheid (mogelijk) een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de RSI-klachten. Het hof heeft pas in rov. 4.26. een eigen oordeel over de (mogelijke) oorzaken van de RSI-klachten gegeven (dat overigens wel is gebaseerd op het deskundigenbericht). Ik kom nog te spreken over deze rechtsoverweging.
Het hof stelt, gelijk de kantonrechter, een aan de aangeboren beperkingen van [verweerder] inherent verhoogd gevaar op het ontwikkelen van RSI-klachten vast(...)
.”), heeft het hof niet overwogen dat dat verhoogde risico slechts valt toe te schrijven aan de beperking van [verweerder] . Dat verhoogde risico wordt bepaald door zijn beperking én de aard van zijn werkzaamheden, aldus het hof. Verder gaat de klacht eraan voorbij dat rov. 4.29. niet moet worden bezien in het kader van de causaliteitsvraag (rov. 4.6.-4.26.) maar in het kader van de daaropvolgende, door de door EBN aangevoerde grief 3 aan de orde gestelde, vraag of EBN aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan (rov. 4.27.-4.33.). Bij de beoordeling in dat verband van de vraag welke te treffen maatregelen en te geven aanwijzingen redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, kan betekenis toekomen aan de bijzondere situatie van een specifieke werknemer of specifieke groep werknemers en dus ook aan een aan een beperking verbonden verhoogd risico op het ontwikkelen van RSI-klachten (vergelijk randnummers 3.7-3.9 hiervoor). Daar draait het om in rov. 4.29.
Uit het deskundigenbericht volgt dat de RSI-klachten het gevolg zijn van een expositie aan beeldschermwerk die geldende normen overschrijdt, hoge ervaren werkdruk, onvoldoende rustmomenten en een door de werkhouding onvoldoende ontspannen nek-schouderregio.”
Het hof heeft in het deskundigenbericht onvoldoende aanknopingspunten gevonden dat de door [medisch adviseur 2] genoemde factoren – spanning door het arbeidsconflict en dreigend ontslag, de aangeboren beperking aan de rechterarm[bedoeld zal zijn: de linkerarm,
A-G]
waardoor er een verhoogde kwetsbaarheid is, de persoonlijkheidsstructuur – een zelfstandige oorzaak van de RSI-klachten zijn. Ook in de berichten van [medisch adviseur 2] leest het hof niet dat – de hiervoor vastgestelde arbeidsomstandigheden weggedacht – de genoemde factoren tot RSI-klachten zouden hebben geleid.”
condiciones sine quibus nonzijn voor (een deel van) zijn RSI-klachten en de daarmee gemoeide schade, maar deze schade komt desondanks niet voor rekening van [verweerder] maar die van EBN (vergelijk randnummer 3.21 hiervoor [87] ). In de tweede plaats heeft [medisch adviseur 2] volgens het hof geen enkele onderbouwing gegeven voor de stelling dat de overbelastingsklachten aan de rechterarm op den duur hoe dan ook zouden optreden vanwege de aangeboren beperkingen aan de linkerarm/-hand. Ik wijs er in dit verband op dat het hof in rov. 4.18. heeft geoordeeld dat [medisch adviseur 2] op twee fundamentele onderdelen van een onjuist vertrekpunt is uitgegaan, wat wezenlijk afbreuk doet aan de inhoudelijke betekenis van zijn conclusies (zie ook mijn behandeling van klacht 4 in randnummers 4.39-4.45 hierna). Daar komt in de derde plaats bij dat Sorgdrager volgens het hof heeft gemotiveerd waarom hij in de aangeboren beperking aan de linkerarm/-hand juist geen zelfstandige oorzaak voor de RSI-klachten aan de rechterkant ziet.
zelfstandige oorzaak” heeft het hof slechts gerespondeerd op de stelling van EBN dat niet de arbeidsomstandigheden maar juist de persoonlijke omstandigheden aan de zijde van [verweerder] zijn RSI-klachten hebben veroorzaakt (rov. 4.17. en 4.25.). Ter beoordeling van dat betoog, dat er in wezen op neerkomt dat enkel die omstandigheden de klachten zouden hebben veroorzaakt, heeft het hof, zo blijkt uitdrukkelijk bij de beoordeling van de berichten van [medisch adviseur 2] , de vraag gesteld of, de arbeidsomstandigheden weggedacht, ook klachten ook zouden zijn ontstaan (zo nee: geen “
zelfstandige oorzaak”). Voor die conclusie heeft het hof noch in het deskundigenbericht noch in de berichten van [medisch adviseur 2] aanknopingspunten gevonden.
de derde plaatszou het hof hebben geoordeeld dat de aangevoerde factoren in de privésfeer van [verweerder] niet van betekenis zijn (randnummer 5.6 van de procesinleiding). Ook dat vermeende oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, nu die factoren niet zonder meer voor risico van EBN komen. In de uitleg van de bestreden rechtsoverweging die ik in randnummers 4.11-4.16 hiervoor heb uiteengezet, kan uit deze rechtsoverweging ook niet worden opgemaakt dat het hof van oordeel is geweest dat factoren in de privésfeer van een werknemer per definitie niet van betekenis zijn bij het beoordelen van de vraag of sprake is van causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden. De oordelen van het hof zijn op deze zaak toegespitst en hebben niet de daaraan door de klacht toegedichte algemene gelding. [88]
in de vierde plaats(randnummer 5.6 van de procesinleiding) onbegrijpelijk zijn waarom het hof EBN volledig aansprakelijk heeft gehouden voor de schade van [verweerder] , althans waarom het geen betekenis aan de factoren in de privésfeer van [verweerder] heeft toegekend. In het licht van mijn uiteenzetting over de bestreden rechtsoverweging in randnummers 4.11-4.16 hiervoor, faalt ook deze klacht vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Bovendien is de bestreden rechtsoverweging in ieder geval niet onbegrijpelijk.
gezien de onduidelijkheid over de aard en de oorzaken van RSI, het verband tussen de door [verweerder] gestelde schade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald(…)” en is er daarom “
geen aanleiding(…)
de arbeidsrechtelijke omkeringsregel toe te passen als omschreven in[rov.]
4.2.” Dit betekent, zo overwoog de kantonrechter, “
dat [verweerder] in deze procedure dient te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de schade waarvan hij vergoeding vordert, heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden en dat zijn bewijslast op dit punt dus niet wordt verlicht door toepassing van een bewijsvermoeden.”
Unilever/ […] [93] van Uw Raad [verweerder] niet, aldus de klacht. In het geval van RSI-klachten en blootstelling op het werk aan risicofactoren is, aldus de klacht, het hiervoor bedoelde causaal verband nog niet gegeven, omdat blootstelling aan risicofactoren helemaal niet tot RSI-klachten hoeft te leiden.
aan de mate waarin [verweerder] de klachten heeft ontwikkeld en de instandhouding ervan”. De klacht wijst in de tweede plaats op rov. 4.15., waar het hof het oordeel van de deskundigen zou hebben onderschreven “
dat het niet zozeer gaat om het overwerk maar om de gespannen houding en ervaren werkdruk die de klachten hebben doen optreden (vraag 3)”. De klacht wijst tot slot nogmaals op rov. 4.15., waar het hof de bevinding van de deskundigen zou hebben overgenomen dat een ontspannen werkhouding naast ergonomische principes ook te maken heeft “
met de functioneel eenhandigheid, zijn perfectionisme, beperkte copingsmechanismen en de stressgevoeligheid.”
condicio sine qua non-verband tussen de opgelopen schade en de werkzaamheden. Voor zover het hof heeft beoordeeld of dit causaal verband bestaat, heeft het zich volgens de klacht verlaten op de bevindingen van de deskundigen. De klacht stelt in dit verband dat het hof hiermee niet had mogen volstaan, maar dienaangaande een eigen oordeel had moeten geven. Voor zover het hof heeft miskend dat niet de arbeidsrechtelijke omkeringsregel maar de reguliere bewijsregels van art. 7:658 lid 2 BW Pro gelden, getuigt het oordeel van het hof volgens de klacht van een onjuiste rechtsopvatting, omdat RSI een multicausale ziekte is, over de aard en oorzaken van RSI veel onduidelijkheid bestaat en, mede als gevolg hiervan, onvoldoende aannemelijk is dat de arbeidsomstandigheden waaronder [verweerder] werkte zijn RSI-klachten hebben veroorzaakt. [94] Voor zover het hof dit (dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel niet van toepassing is en dat de gewone bewijsregels van art. 7:658 lid 2 BW Pro gelden) niet heeft miskend, is volgens de klacht zonder nadere motivering, die volgens de klacht ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd waarom het hof niet zelf heeft beoordeeld of [verweerder] heeft voldaan aan de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het causaal verband tussen de door hem opgelopen schade en zijn werkzaamheden voor EBN. Voor zover het hof heeft gemeend zich voor de beoordeling van het causaal verband, in mijn woorden, te hebben kunnen aansluiten bij het deskundigenbericht, getuigt het oordeel van het hof volgens de klacht van een onjuiste rechtsopvatting, omdat, gelet op de onduidelijkheden over de aard en oorzaken van RSI-klachten, niet kan worden volstaan met het overnemen of volgen van de bevindingen van de deskundigen. [95] Dit geldt te meer, aldus de klacht, nu de deskundigen van wier bevindingen het hof is uitgegaan, mede hebben gewezen op factoren in de privé- of risicosfeer van [verweerder] die ervoor zouden hebben gezorgd dat [verweerder] geen ontspannen werkhouding had terwijl juist zijn gespannenheid de RSI-klachten (mede) zou hebben teweeggebracht. [96]
klacht 3stel ik het volgende voorop. Net als klacht 1 stelt klacht 3 in essentie het causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden ter discussie. Klacht 3 voert in de kern twee verwijten aan. In de eerste plaats zou het hof de reguliere bewijsregels van art. 7:658 BW Pro hebben miskend door eigenlijk toch de arbeidsrechtelijke omkeringsregel toe te passen, terwijl de kantonrechter heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om deze regel toe te passen en het hof aan dat oordeel was gebonden. In de tweede plaats zou het hof, voor zover het de reguliere bewijsregels heeft toegepast, geen eigen oordeel over het causaal verband hebben geveld, maar zich enkel op het deskundigenbericht hebben verlaten. De klachten falen en wel om de volgende redenen.
De spanning en druk die [verweerder] ervaart, zijn karakterstructuur en zijn stressgevoeligheid dragen bij aan de mate waarin [verweerder] de klachten heeft ontwikkeld en de instandhouding ervan.” uit rov. 4.17. – bedoeld zal zijn: rov. 4.16 – alsmede de zinsnede “
dat het niet zozeer gaat om overwerk maar om de gespannen houding en ervaren werkdruk die de klachten hebben doen optreden” en de volzin “
Een ontspannen werkhouding heeft naast ergonomische principes ook te maken met de functioneel eenhandigheid, zijn perfectionisme, beperkte copingsmechanismen en de stressgevoeligheid.” uit rov. 4.15.
de ernsten
de duurvan de klachten.
Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is daarmee niet duidelijk waarom bij [verweerder] geen RSI is ontstaan als gevolg van de daarvoor door [medisch adviseur 2] aangedragen persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn aangeboren beperking en zijn persoonlijkheid(…)
.” Het hof heeft in de bestreden rechtsoverwegingen namelijk nog niets overwogen over de mogelijke oorzaak van de RSI-klachten; het heeft daar slechts overwogen dat [medisch adviseur 2] op twee fundamentele onderdelen van een onjuist vertrekpunt is uitgegaan. Het hof heeft zich pas in rov. 4.26. uitgelaten over de oorzaak van de RSI-klachten. De klacht gaat daarmee voorbij aan de andere overwegingen die het hof in het kader van de vraag of de RSI-klachten het gevolg zijn van de arbeidsomstandigheden heeft gedaan en die in onderlinge samenhang moeten worden bezien.
UIB/ZZC c.s., [102] M./Stichting Saenwonen [103] en
VNP/ […]. [104] De klacht voert aan dat EBN hetgeen zij te bewijzen heeft aangeboden niet eerst voldoende onderbouwd hoeft te hebben of op voorhand aannemelijk hoeft te hebben gemaakt. Voor toelating tot getuigenbewijs hoeft hetgeen waarvan bewijs wordt aangeboden volgens de klacht zelf nog niet voldoende te zijn onderbouwd. Het hof had dan ook niet op de daartoe aangedragen gronden mogen voorbijgaan aan het aanbod om [hoofd HRM] als getuige te horen, aldus de klacht. Volgens de klacht geldt dit ook voor zover het hof het bewijsaanbod om [hoofd HRM] te horen heeft gepasseerd op de grond dat EBN van haar al een uitvoerige schriftelijke verklaring heeft ingebracht, maar daarin niet is ingegaan op de wijze waarop en de persoon door wie erop werd toegezien dat “
[verweerder] regelmatig werd aangesproken op een goede werkhouding, een optimaal ingestelde werkplek en het zorgen voor voldoende rustmomenten”. In dit verband stelt de klacht onder verwijzing naar een van Uw arresten – bedoeld zal zijn
OZ/ […] [105] – dat een partij in beginsel tot getuigenbewijs moet worden toegelaten als zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden, waarbij volgens de klacht niet is vereist dat, indien al een verklaring is overgelegd van degene die als getuige wordt voorgedragen, in die verklaring al is ingegaan op het punt waarvan getuigenbewijs wordt aangeboden. Geen rechtsregel schrijft voor dat indien van een als getuige te horen opgevoerd persoon al een schriftelijke verklaring in het geding is gebracht, in deze schriftelijke verklaring het desbetreffende punt al wordt aangestipt, wil een partij tot getuigenbewijs kunnen worden toegelaten.
EBN heeft bewijs aangeboden van de door [verweerder] bestreden stelling dat er door EBN op is toegezien dat [verweerder] regelmatig werd aangesproken op een goede werkhouding, een optimaal ingestelde werkplek en het zorgen voor voldoende rustmomenten.(…)
Daaruit[uit de uitvoerige schriftelijke verklaring van [hoofd HRM] ,
A-G]
volgt niet dat en op welke wijze en door wie hierop is toegezien. Ook tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft EBN de stelling dat zij toezag op een goede werkhouding, optimaal ingestelde werkplek en voldoende rustmomenten niet nader onderbouwd door uit te leggen hoe dat toezicht er concreet uitzag en wie dat toezicht hield.”
Daaruit[uit de door EBN bij akte na mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde RI&E van 26 augustus 2014,
A-G]
blijkt niet, zoals [verweerder] in zijn laatste akte heeft aangevoerd, dat bijzondere aandacht is besteed aan de handicap van [verweerder] , terwijl die verplichting wel volgt uit artikel 5 Arbobesluit Pro.”
[…]/Nederlands Omroep Productiebedrijf [106] van Uw Raad en de
NJ-noot van Snijders bij het arrest. De klacht stelt ook dat EBN met de enkele instemming ter zitting met een nadere akte van [verweerder] , zoals opgetekend in het proces-verbaal van het hof, haar recht op hoor en wederhoor ter zake niet prijsgaf. Voor zover het hof zijn oordeel over de aansprakelijkheid van EBN heeft gebaseerd op een door [verweerder] in zijn laatste na mondelinge behandeling genomen akte ingenomen standpunt, waarop EBN niet meer heeft kunnen reageren, heeft het hof miskend dat het zijn oordeel hierop niet heeft mogen baseren zonder EBN eerst in de gelegenheid te hebben gesteld om zich hierover nog uit te laten.
Ik hoor nu dat er een RI&E is, maar dat zal een RI&E voor gezonde werknemers zijn. Dat is hier niet het geval.” [107] Tegen deze achtergrond zie ik niet in waarom zou moeten worden geconcludeerd dat [verweerder] in zijn reactie op de overgelegde RI&E een nieuwe stelling heeft ingenomen en dat het hof EBN in de gelegenheid had moeten stellen om zich over de reactie van [verweerder] uit te laten. [108] Er is immers ruim aanleiding en gelegenheid geweest om op de in die laatste akte ingenomen standpunten te anticiperen.
klacht 7bfaalt vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft de duur en intensiteit van de blootstelling aan de gevaarlijke omstandigheden in zijn overwegingen betrokken.
A-G) risicovol was. Het hof heeft afgesloten met de opmerking dat het zo kan zijn dat het om kleine aanpassingen ging, maar uit het rapport van ENRGY volgt dat de kleine ergonomische onvolkomenheden en voornamelijk een opeenstapeling hiervan een werkplek onveilig en ongezond kunnen maken. Hierin ligt besloten dat het hof de duur en de intensiteit van de blootstelling aan de gevaarlijke werkplek in zijn overwegingen heeft meegenomen. De hiervoor besproken overwegingen van het hof zijn ook goed te volgen en niet onbegrijpelijk. Waarom dat wel zo zou zijn, wordt in de procesinleiding ook niet duidelijk.
Het hof is echter met de kantonrechter van oordeel dat (ook) van de werkgever mag worden verwacht, juist in het geval van [verweerder] waarin sprake is van een verhoogd risico op het ontwikkelen van RSI-klachten, dat zij erop toezag dat de werkplek van [verweerder] op de juiste wijze was ingesteld.”