ECLI:NL:PHR:2026:381

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 april 2026
Publicatiedatum
8 april 2026
Zaaknummer
25/01537
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7:658 BWArt. 5.10 ArbeidsomstandighedenbesluitArt. 3 lid 1 sub c ArbeidsomstandighedenwetArt. 5 lid 1 ArbeidsomstandighedenwetArt. 150 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Aansprakelijkheid werkgever voor RSI-klachten werknemer met aangeboren beperking

Werknemer trad in 2009 in dienst bij EBN met een aangeboren beperking aan linkerarm en benen. In 2015 meldde hij RSI-klachten aan rechterarm en meldde zich ziek. EBN beëindigde het dienstverband met toestemming UWV. Werknemer vorderde verklaring voor recht dat EBN aansprakelijk is op grond van art. 7:658 BW Pro voor de door hem geleden schade door RSI-klachten.

Kantonrechter en hof stelden werknemer in het gelijk. Zij oordeelden dat werknemer RSI-klachten heeft, deze het gevolg zijn van arbeidsomstandigheden en dat EBN tekort is geschoten in haar zorgplicht. EBN voerde in hoger beroep en cassatie aan dat het causaal verband onduidelijk is, dat persoonlijke omstandigheden en aangeboren beperking een rol spelen en dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel ten onrechte is toegepast.

De Hoge Raad bevestigt het oordeel van het hof dat de RSI-klachten het gevolg zijn van de arbeidsomstandigheden, dat EBN niet aan haar zorgplicht heeft voldaan en dat de persoonlijke omstandigheden van werknemer, waaronder zijn aangeboren beperking, niet als zelfstandige oorzaak kunnen worden aangemerkt. De arbeidsrechtelijke omkeringsregel is niet toegepast; het hof heeft het causaal verband beoordeeld op basis van het deskundigenbericht en eigen motivering. Het cassatieberoep wordt verworpen.

Uitkomst: De Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep en bevestigt de aansprakelijkheid van EBN voor de RSI-klachten van werknemer wegens schending van de zorgplicht.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/01537
Zitting10 april 2026
CONCLUSIE
T. Hartlief
In de zaak
EBN B.V.(hierna: ‘EBN’)
tegen
[verweerder](hierna: ‘ [verweerder] ’)
[verweerder] is per 1 juli 2009 in dienst getreden bij EBN. [verweerder] heeft een aangeboren aandoening, waardoor hij beperkingen heeft aan zijn linkerarm/-hand en zijn beide benen. Medio april 2015 heeft [verweerder] aan EBN schriftelijk melding gemaakt van RSI-klachten. Later die maand heeft hij zich daarvoor ziekgemeld. [verweerder] heeft sindsdien geen werkzaamheden meer voor EBN verricht en krijgt een uitkering van het UWV. EBN heeft het dienstverband enkele jaren geleden met toestemming van het UWV opgezegd.
In deze procedure heeft [verweerder] onder andere een verklaring voor recht gevorderd dat EBN op grond van art. 7:658 BW Pro aansprakelijk is voor de geleden en te lijden schade in verband met de gezondheidsklachten die zijn veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden. Daartoe heeft hij gesteld dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade heeft opgelopen bestaande uit blijvende RSI-klachten aan de rechterkant. EBN heeft verweer gevoerd en in dit verband onder andere gewezen op persoonlijke omstandigheden van [verweerder] , waaronder de aangeboren beperking aan zijn linkerarm/-hand.
Zowel in eerste aanleg als in hoger beroep is [verweerder] in het gelijk gesteld. De kantonrechter en het hof zijn, kort gezegd, tot het oordeel gekomen dat [verweerder] aan RSI-klachten lijdt, dat deze klachten het gevolg zijn van de arbeidsomstandigheden, en dat EBN niet aan haar zorgplicht heeft voldaan. Daarbij hebben de kantonrechter en het hof zich gebaseerd op een door de kantonrechter gelast deskundigenbericht.
In cassatie richt EBN hoofdzakelijk klachten tegen het causaliteitsoordeel van het hof, waarin het hof ook uitvoerig is ingegaan op de bezwaren van EBN tegen het hiervoor bedoelde deskundigenbericht. Dat oordeel zou op verschillende punten niet deugen. Zo zou het hof – vrij weergegeven – de betekenis van de persoonlijke omstandigheden van [verweerder] in het kader van de causaliteit verkeerd hebben gewaardeerd, de reguliere stel- en bewijsregels hebben miskend door in wezen – en dat dan ten onrechte – de arbeidsrechtelijke omkeringsregel te hebben toegepast, en geen eigen oordeel hebben geveld maar slechts het door de kantonrechter gelaste deskundigenbericht hebben overgenomen.

1.Feiten

1.1
In cassatie kan van de volgende feiten worden uitgegaan. [1] Hierbij citeer ik, in navolging van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (hierna: ‘het hof’), uitvoerig uit het deskundigenbericht en de berichten van de medisch adviseurs van EBN en [verweerder] . [2] Net als het hof zal ik de nek-, schouder-, arm- en handklachten die [verweerder] stelt te ondervinden afwisselend aanduiden als RSI-klachten, overbelastingsklachten en als nek-, schouder-, arm- en handklachten. Deze klachten worden in de verschillende stukken ook wel aangeduid als KANS- of CANS-klachten [3] en als een overbelastingssyndroom. Daarmee wordt hetzelfde bedoeld.
1.2
[verweerder] (geboren [geboortedatum] 1962) is op 1 juli 2009 in dienst getreden bij EBN. De laatste door hem beklede functie was die van senior reporting & control specialist. [verweerder] droeg zorg voor de samenstelling van alle voorkomende (financiële) rapportages op EBN-totaalniveau aan de manager accounting & reporting. Zijn laatstverdiende salaris bedroeg € 6.946,35 bruto per maand, exclusief vakantietoeslag en emolumenten.
1.3
[verweerder] is geboren met een congenitaal reductiedefect links (ectrodactylie-fibula aplasie, hierna: het ‘EFA-syndroom’). Dit houdt in dat zijn beide onderbenen en linkerhand gebrekkig zijn aangelegd. Hij loopt met protheses aan beide benen. Hij kan per dag maximaal een uur lopen. Door de gebrekkige aanleg van zijn linkerhand is hij functioneel grotendeels eenhandig.
1.4
In een verslag van een gesprek op 13 maart 2015 tussen [verweerder] en zijn [leidinggevende] met als onderwerp ‘non performance’ staat onder meer:
“(…) Sinds 5 maanden ben ik [de leidinggevende] aangesteld als Manager Accounting & Reporting en ik heb deze maanden tot mijn grote teleurstelling moeten constateren dat je functioneren niet goed is. (…)
De boodschap in mijn gesprek met jou was dan ook dat ik dit gedrag en dit niveau van een medewerker, die in functieniveau als mijn rechterhand zou moeten kunnen functioneren, niet accepteer. Natuurlijk wil ik je de ruimte geven om dit te verbeteren en om je te ontwikkelen in kennis en kunde. We hebben dan ook afgesproken dat je de komende dagen gaat nadenken wat jij nodig hebt om je performance te verbeteren. EBN is zoals je weet altijd bereid te investeren in haar medewerkers.
Wij hebben een nieuwe afspraak gepland op donderdag 19 maart as. Ik hoor dan graag van jou hoe je het wilt aanpakken en hoe ik je daarbij kan helpen. Want je zal je functioneren op bovenstaande niveaus echt moeten verbeteren binnen afzienbare termijn. (…)”
1.5
[verweerder] is op 8 april 2015 naar zijn huisarts gegaan. In het huisartsenjournaal staat bij die datum:
“S Muis arm? Dhr werkt 9-10 uur per dag achter beeldscherm en heeft de laatste maanden last van brandend gevoel in vingers, onderarm, binnenzijde bovenarm en soms nek. Ook soms last van tintelingen. Is bang voor RSI aan re arm gda, schoudergewricht gb, epicondylen niet pijnlijk, pols gb, Tinell-, Phalen-
E RSI
P adv naar fysio en afspraak maken bij bedrijfsarts
C Uitgaand [fysiotherapeut – overig] (…)”
1.6
[verweerder] heeft op 13 april 2015 aan [leidinggevende] gemaild:
“Ik heb vanmorgen gesproken met [betrokkene 1] en heb haar geïnformeerd over mijn muisarm/RSI klachten. [betrokkene 1] gaat contact zoeken met de bedrijfsarts ( [bedrijfsarts] van ARBO butler) en zal deze met mij in contact brengen.
Vervolgens wil ik je aangeven dat ik morgen later kom omdat ik eerst langs de fysiotherapeut ga.”
1.7
[verweerder] is op 14 april 2015 naar de fysiotherapeut gegaan. De fysiotherapeut heeft op 12 mei 2015 aan de huisarts geschreven:
“(…) Conclusie/fysiotherapeutische diagnose:
KANS klachten re arm, sinds ½ jaar. ernstige beperkingen in participatie (werk) (…)”
1.8
[verweerder] is door zijn huisarts op 20 april 2015 verwezen naar revalidatiecentrum De Hoogstraat. [revalidatiearts 1] heeft op 17 juli 2015 het intakeverslag van 22 mei 2015 gestuurd aan de huisarts van [verweerder] . Daarin staat onder andere:
“(…)
Bespreking/Conclusie:
52 jarige man bekend met ectrodactylie links en fibula aplasie links en rechts. Nu belastingsafhankelijke arm- en handklachten rechts, passend bij RSI, deels belastingsafhankelijke pijnklachten met vragen op het gebied van werk, computergebruik en huishouden. (…)”
1.9
Op 21 en 22 april 2015 heeft een mailwisseling plaatsgevonden tussen [leidinggevende] en [verweerder] waarin [leidinggevende] aan [verweerder] heeft geschreven:
“Ik heb in mijn hele carrière bij EY nooit meegemaakt dat het leveren van stukken voor een subsequent event review meer dan een halve dag in beslag neemt! Ongelofelijk. Er was niks in de lijst (die jij gisteren avond hebt gekregen) moeilijk was om te leveren, wat nog niet beschikbaar was kon makkelijk door iets anders vervangen worden, met een beetje creativiteit. (…)
Graag je volledige aandacht en inzet erin!”
1.1
Na uitleg van [verweerder] heeft [leidinggevende] geschreven:
“(…) Dat zijn weer excuses. Mijn punt is, het duurt veel te lang en het is niet eens moeilijk.”
1.11
Na een reactie van [verweerder] heeft [leidinggevende] geschreven:
“Arbo dienst afspraak is belangrijk natuurlijk maar voor 10 uur had je al 2 uur de tijd om de belangrijke zaken zelf te verzamelen en de vragen naar de verschillende mensen kunnen doorzetten met de nadruk dat het uiterlijk om 11 uur een antwoord op moest (…).”
1.12
Op 22 april 2015 heeft een onderzoek naar de werkplek van [verweerder] plaatsgevonden door ENRGY. In het rapport staat:

1. Doelstelling
De inventarisatie en werkplekinstelling hebben als doel een optimale ergonomische werkplek voor het individu te creëren, waarbij rekening wordt gehouden met de aanwezige fysieke klachten. Om de werkplek zo optimaal mogelijk in te kunnen stellen vind[t] er voorafgaand aan het werkplekonderzoek een vraaggesprek plaats. Op deze manier krijgt de ergonoom (met een fysiotherapeutische achtergrond) een goed inzicht in de gezondheidsklachten en andere bijzonderheden van het individu en kan zo advies op maat leveren.
Het ontstaan van werk gerelateerde klachten is van meer factoren afhankelijk dan van de werkplek alleen. Kleine ergonomische onvolkomenheden en voornamelijk een opeenstapeling hiervan kunnen een werkplek onveilig en ongezond maken. Deze kleine onvolkomenheden zijn echter veelal eenvoudig te verhelpen.
(…)

2.Medisch Werkplekonderzoek

(…)
Het betreft de inventarisatie van de werkplek, waarbij het meubilair, de computerunit, de werkhouding en omgevingsfactoren zijn beoordeeld op hun ergonomische kwaliteit en de huidige ARBO-eisen voor beeldschermwerkplekken.
Tevens is een inschatting gemaakt van de huidige fysieke klachten van de werknemer en de invloed van werkplek en werkfactoren hierop.
Op basis van de conclusies die voortkomen uit deze inventarisatie, brengt ENRGY advies uit betreffende eventuele aanpassingen en/of actiepunten. Van belang is dat de conclusies en het overzicht gebruikt worden wanneer er veranderingen in de werkomgeving in het vooruitzicht liggen.
Klachteninventarisatie
* [verweerder] heeft een fysieke beperking in zijn rechter bovenste extremiteit. (Nek, schouder arm en hand);
* De klachten zijn met name aanwezig bij langdurig gebruik van de muis.
* De heer heeft zelf al actie ondernomen om met een medisch professional naar het klachtenbeeld te kijken.
* De heer is bekend met een aangeboren fysieke beperking(…) aan zijn linker bovenste extremiteit, waardoor het van groot belang is dat de rechterzijde geen uitval gaat vertonen.

3.Bureaustoel

(…)
Conclusies:
De bureaustoel voldoet
welaan de NEN-normering en ARBO-eisen en is optimaal instelbaar.
ENRGY adviseert:
* De armleuningen van de stoel zijn te lang, waardoor [verweerder] niet goed kan aanschuiven. Er is momenteel een oplossing bedacht door de armleuningen ver naar binnen te draaien. De heer gaat dit uittesten en laat Enrgy weten hoe dit gaat. Mocht dit niet werkzaam zijn dan is het raadzaam om een andere stoel voor [verweerder] aan te schaffen.
* De stoel is opnieuw ingesteld voor [verweerder] rekening houdend met het klachtenbeeld.
* Enrgy raadt aan om de instellingen te behouden zoals deze zijn ingesteld en geen collega’s op de stoel te laten zitten.
* De zitting hoogte is ingesteld op 52 centimeter en de armleuningen moeten ingesteld blijven op een hoogte van 71 centimeter.

4.Bureau

(…)
Conclusies
Het bureau voldoet
welaan de NEN-normering en ARBO-eisen en is optimaal instelbaar.
ENRGY adviseert:
* De hoogte van het bureau moet worden aangepast naar een hoogte van 71 centimeter.

5.Werkplekinstelling & Computerunit

(…)
Conclusies:
ENRGY heeft elke werkplek op deze punten geïnventariseerd en waar mogelijk aangepast.
ENRGY adviseert:
* [verweerder] zat schuin aan zijn bureau, de werkplek is opnieuw ingericht, zodat deze meer in balans is en deze het toe laat voor [verweerder] om recht voor zijn bureau te zitten.
* Kijkende naar het klachtenbeeld is het raadzaam om een aangepaste muis aan te schaffen voor [verweerder] , zodat hij de herhaalde bewegingen meer kan afwisselen en daarmee zijn rechter arm en hand kan ontzien.

6.Persoonlijk advies

* Enrgy adviseert om een aangepaste muis aan te schaffen (…);
* Medewerker is geadviseerd over een goede werkhouding en de werkplek is zo optimaal mogelijk ingesteld, rekening houdend met de aanwezige fysieke beperkingen;
* Zorg voor voldoende rustmomenten gedurende de dag en blijf zo kort mogelijk in één houding zitten (dit gebeur[t] momenteel al goed door de pauze software)
* Let op een houding waarbij altijd contact wordt gehouden met de rugleuning en waarbij de schouders altijd ontspannen zijn.
* Het is raadzaam om zo snel mogelijk behandeling voort te zetten voor het klachtenbeeld onder begeleiding van een medisch professional.
* Het is raadzaam om op korte termijn een afspraak te maken met de werkvermogensspecialist van Arbobutler. (…)”
1.13
Tussen partijen is niet in geschil dat ENRGY er ten onrechte van is uitgegaan dat pauzesoftware was geïnstalleerd op de computer van [verweerder] . Dat was niet het geval.
1.14
[verweerder] heeft op 24 april 2015 een uitnodiging ontvangen voor een bezoek aan de bedrijfsarts.
1.15
Op 28 april 2015 heeft EBN – in een gesprek tussen [leidinggevende] , [hoofd HRM] (het hoofd Human Resource Management van EBN, hierna: ‘ [hoofd HRM] ’) en [verweerder] – aan [verweerder] laten weten dat zij het dienstverband met [verweerder] wil beëindigen. Later die dag heeft [verweerder] zich per email ziekgemeld.
1.16
De bedrijfsarts heeft [verweerder] op 8 juni 2015 gezien. In de probleemanalyse van die datum staat onder beperkingen:
“Werken met toetsenbord en muis ongeveer 5-10 min achtereen, dan bewegen, max ongeveer 1-2 uur per dag.
Werknemer moet regelmatig afwisselen van houding en bewegen.”
1.17
Verder heeft de bedrijfsarts bij de rubriek ‘Aspecten/factoren van de werknemer waardoor hij zijn functie niet kan vervullen’ aangehaald:
“Vanwege de verminderde fysieke belastbaarheid met name tav duur van beeldschermwerk.”
1.18
De inschatting van de bedrijfsarts op dat moment is dat [verweerder] met ongeveer drie maanden volledig belastbaar zal zijn. Hij heeft als volgt geschreven:
“Medisch gezien geen beperkingen om terug te keren op termijn in eigen funktie.
Echter ontslag is aangezegd door werkgever begrijp ik, het is aan werkgever en werknemer om dit samen op te lossen. Goede afspraken hierover maken zal het medisch en funktioneel herstel bevorderen.”
1.19
[revalidatiearts 1] heeft op 14 juli 2015 aan de toenmalige rechtsbijstandverlener van [verweerder] geschreven:
“Aanvullend [op het in randnummer 1.8 hiervoor genoemde verslag,
A-G] kan ik u melden dat er op 23 juni 2016 [bedoeld zal zijn: 2015,
A-G] een multidisciplinair overleg plaatsvond nadat de heer een poliklinisch revalidatietraject in De Hoogstraat was gestart. De conclusie van deze bespreking was dat de arm- en handklachten deels gekoppeld zijn aan spanning en stress die in het lijf aanwezig zijn. Factoren die hiermee samenhangen zijn o.a. de onzekerheid over de werksituatie als ook boosheid en persoonlijke onrust over de huidige situatie.
Wij adviseerden in eerste instantie een psychologisch/psychotherapeutisch traject om hiermee beter te leren omgaan, waarbij voor het afronden van de dagbehandeling nog wel een advies zal worden gegeven over hoe de heer ergonomische principes ten aanzien van werk kan toepassen, als ook hoe hij een werkhervattingsplan het beste kan uitvoeren. Het advies inzake de computerwerkplek zal hierbij eveneens worden gegeven.”
1.2
De bedrijfsarts heeft op 5 april 2016 volgens het protocol melden beroepsziekten een beroepsziektemelding gedaan aan het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten. In de melding staat:
“(…) De diagnose die ik stelde, was a. Ectrodactylie links en fibula aplasie links en rechts. b. RSI-klachten, alsook nek/schouder-armklachten rechts meer uitgesproken dan links.
Hoofdoorzaak: Werken met computer, tablet, smartphone e.d. (…)”
1.21
In de Rapportage Arbeidsdeskundig onderzoek van Arbobutler van 9 juni 2016 staat:
“(…)
3.6. Beschrijving laatst uitgeoefende arbeid (voor uitval)
(…) De arbeidsovereenkomst heeft een omvang van 40 uur per week. Betrokkene werkt op maandag, dinsdag, woensdag, donderdag en vrijdag. De werktijden zijn van 08:00 tot 16:30 uur met daarin een pauze van 30 minuten. Bij het uitvoeren van de werkzaamheden zijn op basis van belasting de volgende taken te onderscheiden:
Taken % van de werktijd
1. Analyseren en uitwerken 90%
2. Overleg 10%
Ad 1.
Het analyseren en beoordelen van cijfers in alle soorten van omstandigheden. Het uitwerken van verschillende rapporten, zoals bijv. de maand- en kwartaalresultaten en financiële balans, opstellen van memo’s, opstellen van analyses/queries in Excel, opstellen Dashboard, rapportages. Schriftelijk beantwoorden van vragen van director Finance, Manager A&R Business Control en aandeelhouder (EZ).
Ad 2.
Het voeren van overleg met collega’s en externe partijen.
(…)
Kenmerkende belasting in de functie
(…)
Persoonlijk functioneren
* Concentreren van de aandacht: er moet zodanig gefocust kunnen worden op de werkzaamheden dat er geen zaken worden vergeten;
* Kunnen werken met productiepieken en deadlines: verschillende rapportages dienen voor een bepaald moment te zijn afgewerkt.
(…)
Dynamische handelen
* Werken met toetsenbord en muis: komt gedurende een groot deel van de dag voor.
Statische houdingen
* Zitten tijdens het werk: komt gedurende de gehele dag voor.
* Het hoofd in een bepaalde stand houden tijdens het werk: komt gedurende een groot deel van de dag voor i.v.m. beeldschermwerk.
(…)

4.Onderzoek naar re-integratiemogelijkheden

(…)
Betrokkene vertelt dat zijn werk voor 90% uit computerwerkzaamheden bestaat en dat hij vaak 9 a 10 uur per dag werkzaam was.
(…) Werkgever ziet ook geen andere mogelijkheden binnen EBN B.V. aangezien binnen alle functies het werken met een toetsenbord en een muis voor het grootste deel van de dag voorkomt. (…)”
1.22
[verweerder] is onderzocht door [neuroloog] , werkzaam bij het Antoniusziekenhuis in Nieuwegein. Deze heeft op 29 juli 2016 aan de huisarts geschreven:
“Conclusie: geen aanwijzing neuro- of radiculo-pathie. Vermoedelijk nek-schouderklachten tgv surmenage bij aangeboren defect Li arm. (…)”
1.23
In het rapport van een arbeidsdeskundig expertiseonderzoek van Lytton van 10 januari 2017, ingeschakeld door EBN om de belastbaarheid en mogelijkheden van [verweerder] te verduidelijken, staat onder andere:
“(…) Werknemer is een 54-jarige man die per 28-04-2015 arbeidsongeschikt raakte voor zijn werk als Senior Reporting & Control voor 40 uur per week, vanwege mentale en fysieke klachten. Inmiddels is er alleen nog sprake van fysieke klachten die er echter wel nog steeds voor zorgen dat zijn eigen werk ongeschikt is. (…)
(…)
* Het eigen werk is niet passend en ook niet passend te maken.
* Passend ander werk bij de eigen organisatie is in de afgelopen periode niet gevonden en aangezien alle werkzaamheden voornamelijk uit beeldschermwerk bestaan (waar werknemer op is beperkt) is dit er ook niet. (…)”
1.24
In de verzekeringsgeneeskundige rapportage van 10 april 2017 die in het kader van de WIA-aanvraag [4] is verricht staat onder meer:
“(…)
Overwegingen:
Client is uitgevallen voor zijn werk als senior reporting & control specialist, met toename fysieke klachten bij reeds langer bestaande aangeboren afwijkingen van de ledematen (linker arm en beide onderbenen), hierdoor wellicht voortdurende overbelasting, mogelijk getriggerd door een arbeidsconflict.
Op dit moment zijn er beperkingen in het gebruik van de linkerarm, cliënt is in wezen eenarmig, tevens beperkt in het lopen, staan, stabiliteit ontbreekt, dus geen trilling belasting of op grote hoogte werken. Tevens beperkt in langdurige statische houding en repetitieve handelingen. Door de psychische factoren beperkt in deadlines, hoog handelingstempo. (…)”
1.25
[verweerder] is met ingang van 25 april 2017 100% arbeidsongeschikt en ontvangt een loongerelateerde WGA-uitkering. [5] Vanaf 15 juli 2019 ontvangt [verweerder] een IVA-uitkering. [6]
1.26
[verweerder] is behandeld bij Indigo Gezond Werken. Hij is op 15 mei 2020 door [psychiater] bij Indigo, psychiatrisch onderzocht. In het rapport staat:
“(…) Bij psychiatrisch onderzoek zien we een 53-jarige man, cooperatief. In psychiatrisch opzicht geen grote problematiek, niet uitgesproken depressief of angstig. Slapen en piekeren springt eruit en daardoor mogelijk de vermoeidheid en prikkelbaarheid. (…)”
1.27
De medisch adviseur van [verweerder] , [medisch adviseur 1] , heeft in het advies van 2 april 2021 geschreven:

Mijn commentaar:
Cliënt is een 58-jarige man die uitgevallen is als gevolg van KANS-klachten. De klachten zijn ontstaan door overbelasting door beeldschermwerk. Het werk van cliënt bestond voor 90% uit beeldschermwerk. Cliënt heeft structureel overgewerkt. De bedrijfsarts heeft de klachten als beroepsziekte gemeld. Cliënt is 100% arbeidsongeschikt.
(…)
1.
Wat zijn de huidige gangbare en aanvaarde inzichten betreffende RSI/KANS-problematiek (is er bijvoorbeeld een (inter)nationaal erkende richtlijnen)?
De bedrijfsartsen hanteren de richtlijn van de NVAB Richtlijn Klachten aan arm, schouder of nek 2014.
2.
Welke kenbare oorzaken/risicofactoren worden in de literatuur/wetenschap voor het ontstaan van RSI/KANS-problematiek genoemd?
Arbeid is een belangrijke factor bij de ontwikkeling van aspecifieke KANS. Ongunstige werkomstandigheden voor het ontwikkelen van KANS zijn onder meer repeterende bewegingen en werken in een ongunstige houding. Er is een relatie tussen computerwerk en KANS (…). Deze relatie werd vooral gezien voor werken met een computermuis en meer voor klachten van hand en pols dan voor klachten van schouder en nek. Daarnaast spelen psychosociale factoren als werkstress en werkdruk een rol bij het ontwikkelen van KANS (…). Voor de benadering van deze klachten wordt het CANS-model gebruikt (…). Het gaat om klachten als pijn, stijfheid, tintelingen of verlies van kracht. Tot voor kort werd voor deze klachten de term RSI (…) gebruikt. Deze term is minder juist omdat er geen sprake is van een beschadiging (injury) en er bijna nooit sprake is van “repetitive strain” (herhaalde belasting). Vrijwel altijd is er sprake van repeterende bewegingen én/of langdurige statische belasting.
3.
Is de periode waarbinnen een patiënt aan deze oorzaken/risicofactoren is blootgesteld, nog van belang? Anders gesteld: wordt in de wetenschap uitgegaan van een minimale duur van blootstelling of wordt verondersteld dat RSI/KANS-klachten ook na een relatief korte periode van blootstelling (van enkele weken) aan risicofactoren kunnen ontstaan?
Uit het Adviesrapport Beeldschermwerken 2012 van de Gezondheidsraad (…) blijkt bij 30 uur muisgebruik per week de berekende relatieve toename van hand- en armklachten bijna 18% te zijn ten opzichte van niet “blootgestelden”. Client werkte vaak 50 uur per week.
4.
Is het juist dat een reeds bestaande aandoening, zoals bij client aan de orde is en waardoor lopen en staan (vertreden) bemoeilijkt is, en waardoor het gebrek van éen van de handen ook al beperkt is, leidt tot een verhoogd risico op het ontstaan van gezondheidsklachten? Kunt u uw antwoord bij voorkeur onderbouwen met verwijzing naar relevante literatuur?
(…)
Deze maatregelen helpen bij het voorkomen:
- Lichaamshouding en bewegingen afwisselen.
- Minder krachtig de toetsen inslaan op een PC.
- Tijdens het werk regelmatig op de lichaamshouding letten en die corrigeren.
- Aanvullende ergonomische maatregelen en aanpassingen treffen.
- Langdurig hoge werkdruk of een te hoge werklast bespreken en gezamenlijk oplossingen bedenken.
- Mensen niet te lang laten doorwerken met klachten en op tijd advies vragen van uw bedrijfsarts.
- Regelmatig pauzeren (door veel water drinken moet men regelmatig opstaan voor toilet).
- Frequent bewegen (minimaal een uur per dag).
Client (…) kan door de aandoening beperkt lopen en daardoor minder vertreden. Client kan zijn linker hand beperkt gebruiken waardoor er al een grote belasting van zijn rechter hand is in het dagelijks leven. Juist gezien zijn bestaande aandoening had werknemer niet blootgesteld mogen worden aan de 40-50 uur beeldschermwerk.
5. Zijn er op basis van de voorhanden medische informatie in dit dossier andere plausibele oorzaken voor het ontstaan van de gezondheidsproblemen aan te wijzen?
Hiervoor heb ik geen aanwijzingen.”
1.28
De kantonrechter heeft in het tussenvonnis van 22 december 2021 [7] dr. B. Sorgdrager, bedrijfsarts en klinisch arbeidsgeneeskundige tot deskundige benoemd (hierna: ‘Sorgdrager’ of ‘de deskundige’). Hij heeft samen met [fysiotherapeut en bewegingswetenschapper] en [gezondheidspsycholoog] een multidisciplinair onderzoek verricht. In het deskundigenbericht van 17 maart 2022 (hierna: ‘het deskundigenbericht’) staat onder meer het volgende:
“(…)
Conclusies[fysiotherapeut en bewegingswetenschapper]
(…)
Pijn: ik ben het met de neuroloog eens dat deze een ‘aspecifiek’ karakter heeft. Het heeft kenmerken van nociplastische pijn en centrale sensitisatie. Wanneer ik met een biopsychosociale bril naar het ontstaan en persisteren van de klachten kijk, acht ik de kans aanwezig dat er op alle 3 domeinen factoren mee hebben gespeeld of nog aanwezig zijn: hoge fysieke belasting gebaseerd op werkhoeveelheid en functioneel één handigheid, en mogelijk ook door gekozen strategie (precisie over snelheid), hoge ervaren werkdruk en -stress, ervaren onrecht, deconditionering als gevolg van fysieke inactiviteit.
(…)
Conclusie onderzoek [gezondheidspsycholoog]
Een 59-jarige man met RSI/KANS-klachten aan rechterhand, -arm en -schouder sinds 2015. Vanuit de psychologische analyse bezien heb ik geen aanvullingen op de al eerder gerapporteerde persoonlijke stijl en kenmerken van de heer (…). Gekeken vanuit het biopsychosociale model lijken er op alle drie de domeinen factoren te spelen die invloed hebben op het ontstaan en persisteren van de klachten, waarbij op psychosociaal vlak ervaren onrecht, hoge ervaren werkdruk, (dreigend) ontslag en conflict met werkgever, perfectionisme en vasthoudendheid een rol kunnen hebben dan wel hebben gehad.
Overwegingen en beantwoorden vraag
Conform de methodiek van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten passen we de zes stappen systematiek toe.
Stap 1: gestelde diagnose is aspecifieke klachten bovenste extremiteit (nekschouderarm)
Stap 2: beeldschermwerk is een risicofactor volgens registratierichtlijn D022 (…)
Stap 3: de intensiteit van de blootstelling overschrijdt de maximaal aanvaarde normen bij beeldschermwerk, namelijk langdurige statische belasting en het tijdcriterium.
Stap 4: vanwege EFA syndroom beenskeletafwijking en linkerarm/hand; voor rechterarm bestaat er hierdoor een individuele kwetsbaarheid. Bovendien zijn er persoonskenmerken die extra risico vormen op overbelasting. De werkgebonden psychosociale belasting, namelijk de ervaren externe druk, is bijdragend.
Stap 5: het afwegen van de risicofactoren in het werk en de individuele kwetsbaarheid leidt tot de conclusie dat de klachten zijn ontwikkeld door een risicovolle werkhouding, onvoldoende doseren van taken, activiteiten en pauzes en negatief beïnvloed door externe druk met intensivering van taken.
Stap 6: interventie is gericht geweest op onder meer revalidatie (verbeteren functioneren, reductie psychische klachten en na de ziekmelding ergonomische adviezen ter preventie.
Beantwoording vragen
(…)
b.Kunt u uit de medische informatie uit de behandelende sector en van betrokkene opmaken wanneer de klachten van betrokkene precies zijn begonnen?
Antwoord: Ja. Met de kanttekening dat we het vermoeden hebben dat de heer de lichaamssignalen aanvankelijk heeft genegeerd. In de documentatie (huisartsenjournaal, brief neuroloog en revalidatiearts) staan al eerder dan 2015 klachten van de rechterarm. In 2012 de bursitis olecrani, 2014 hoge bloeddruk en beginnende pijnklachten rechterarm. De heer heeft de werkgebonden van de klachten in april 2015 als zodanig herkend.
(…)
f.Wat is de diagnose op uw vakgebied? (…)
Overbelasting syndroom bij functioneel eenhandige.
g.Kunt u gemotiveerd aangeven of de door u gestelde diagnose overeenkomt met één van de 11 zogenaamde specifieke ABBE’s (aandoeningen aan het bewegingsapparaat in de bovenste extremiteit) alle beschreven in het SALTSA[ [8] ] rapport of betreft het hier een aspecifieke ABBE?
Antwoord: aspecifieke ABBE
h.Indien sprake is van klachten waarbij geen medisch objectiveerbare afwijkingen kunnen worden vastgesteld, kunt u dan gemotiveerd aangeven wat uw differentiaal diagnostische overwegingen zijn?
Antwoord: aanpassingsstoornis: de heer heeft een aangeboren afwijking waardoor hij extra aandacht moet hebben voor een ontspannen werkhouding, voldoende rustmomenten. In zijn voorgeschiedenis tot aan 2014-2015 heeft de heer dat vrijwel probleemloos kunnen doen. Bij de toegenomen druk kon hij zijn aangeboren beperking niet meer compenseren en zijn geleidelijk de klachten opgetreden.
(…)
k.Acht u de huidige toestand van betrokkene zodanig dat een beoordeling van de blijvende gevolgen van de klachten mogelijk is, of verwacht u in de toekomst nog een belangrijke verbetering of verslechtering van de op uw vakgebied gestelde diagnose?
Antwoord: Spanning is een instandhoudende factor. Indien de heer meer ontspannen is, zullen bijvoorbeeld beeldschermtaken langer kunnen worden volgehouden, de pijnklachten verbeteren en wellicht de situatie van vóór 2013 kunnen bereiken.
(…)
m.Kunt u aangeven op welke termijn en in welke mate u die verbetering dan wel verslechtering verwacht?
Antwoord: wellicht na afronding juridische procedure en het ervaren onrecht afneemt. De ervaring leert dat letselschadeprocedures gepaard gaan met extra spanning en daardoor moeite met de noodzakelijke ontspanning.
(…)
p.Hoe luidt uw commentaar op het medisch advies van [medisch adviseur 1] van MediThemis van 2 april 2021?
Antwoord: het medisch advies is opgebouwd vanuit de beschikbare documentatie. Haar conclusies volgen de bestaande richtlijnen van aandoeningen aan de bovenste ledematen. Haar overwegingen en conclusies komen overeen met die van ons. Voor onze conclusie volgen wij naast de bestaande richtlijnen de systematiek van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten.
(…) Het stappenplan is een erkende methodiek voor het vaststellen van beroepsziekten.
3. In de hypothetische situatie zonder werkzaamheden bij EBN
(…)
a.Zijn er op uw vakgebied klachten en afwijkingen die er ook zouden zijn geweest, of op enig moment ook hadden kunnen ontstaan, als betrokkene niet de werkzaamheden bij EBN zou hebben verricht? Kunt u aangeven welke werkzaamheden met name zouden hebben geleid tot of bijgedragen aan de thans bestaande klachten? Zijn er ook alternatieve oorzaken aan te wijzen, en zo ja, welke? Wilt u daarbij met name ingaan op de in 5.5 genoemde alternatieve oorzaken, namelijk problemen in de privésfeer en pre-existente klachten? Indien er sprake is van een combinatie van oorzaken, kunt u dan een percentage noemen waarin de oorzaken hebben geleid tot de klachten?
Antwoord:
De heer zal de bij EBN opgetreden klachten ook in een andere werksituatie hebben opgelopen indien de werksituatie zou zijn gekenmerkt door een vergelijkbare expositie aan beeldschermwerk, veel druk, onvoldoende rustmomenten en door de werkhouding een onvoldoende ontspannen nek-schouderregio. Een ontspannen werkhouding heeft naast ergonomische principes ook te maken met de functioneel eenhandigheid, zijn perfectionisme, en mogelijk beperkte copingmechanismen en de stressgevoeligheid (onrecht, conflictsituaties). Percentages van oorzakelijke en bijdragende factoren zijn lastig te geven. Er is een blijvende beperking, namelijk de eenhandigheid. Doordat het beeldschermwerk in een periode onder hoge druk met ontoereikende ergonomie is verricht zijn pijnklachten opgetreden, die nu optreden als langer durend beeldschermwerk wordt verricht (…). De heer heeft jarenlang zonder hoge druk normaal kunnen functioneren ook met het vergelijkbare beeldschermwerk.”
1.29
Op vragen van (de advocaat van) EBN heeft Sorgdrager op 20 juni 2022 als volgt gereageerd:
“(…)
Vraag 2:in hoeverre bent u met de beantwoording van de door u gestelde vragen uitgegaan van de arbeidsomstandigheden zoals omschreven in 4.7, 4.8, 4.10 en 5.3 van het tussenvonnis van 30 juni 2021, en waaruit blijkt dat?
Antwoord: We hebben kennisgenomen van de arbeidsomstandigheden en de wijze waarop het werk is uitgevoerd, op basis van anamnese en bestudeerde documenten (zie de methode). Zoals in onze rapportage staat zijn we van mening dat de werkhouding en gespannenheid de klachten hebben veroorzaakt.
Vraag 3:aannemende dat geen sprake was van veel overwerk (lees: standpunt EBN), wat betekent dat voor de beantwoording van de aan [u] gestelde vragen? Leidt dat tot een andere beantwoording? Zo ja en zo nee, graag uw antwoord motiveren.
Antwoord: Het is niet zozeer het overwerk, maar de gespannen houding en de ervaren werkdruk die de klachten hebben doen optreden.
Vraag 4:wat betekent het voor de beantwoording van uw vragen als wordt aangenomen dat geen sprake was van toenemende werkdruk en geen overwerk van een tot twee uur per dag in het laatste half jaar? Leidt dat tot een andere beantwoording? Zo ja en zo nee, graag uw antwoord motiveren.
Antwoord: Als er geen toenemende werkdruk was geweest en geen overwerk, dan zouden de klachten zeker niet in de beschreven mate aanwezig zijn.
Vraag 5:kunt u in uw rapport aangeven in welke mate de hiervoor genoemde factoren van invloed zijn c.q. zijn geweest op de ontwikkeling van de door [geïntimeerde] ervaren klachten? Graag uw antwoord motiveren.
Antwoord: De klachten zijn ontwikkeld in de periode van toenemende ervaren werkdruk. Referentie is de registratierichtlijn D022 op www.beroepsziekten.nl Saltsadocument, bij psychosociale factoren.
(…)
Vraag 7:op basis waarvan schat u in dat de (werk)druk “
buitensporig” is? Waar heeft u zich bij uw antwoord op deze vraag op gebaseerd? Graag uw antwoord motiveren.
Antwoord: Deze is anamnestisch verkregen; ondersteund door de diverse documenten (zie methode onderzoek)”
1.3
Op verzoek van EBN heeft bedrijfsarts [onafhankelijk bedrijfsarts] (hierna: ‘ [onafhankelijk bedrijfsarts] ’) op het deskundigenbericht gereageerd. In zijn bericht van 21 mei 2022 staat onder meer:
“(…)
Mijn conclusies als onafhankelijke bedrijfsarts zijn:
- [verweerder] heeft om moverende redenen per 1 juli 2009 een functie geaccepteerd, waarvan men kan afvragen of deze functie gezien zijn aangeboren beperkingen wel geschikt was. Dit gezien zijn congenitale afwijkingen aan de linkerhand, waardoor hij vrijwel functioneel eenhandig is in combinatie met zijn persoonskenmerken, welke mogelijk voorkomen uit Autisme Spectrum Stoornis, zoals perfectionistisch zijn, moeite met grenzen en doseren en een groot rechtvaardigheidsgevoel en hoog verantwoordelijkheidsgevoel waarbij hij een opdracht kostte wat het kost af wenst te maken, waardoor hij een grote kans had op het ontwikkelen van RSI.
- Voorts is onvoldoende onderbouwd in de rapportage van Dr. Sorgdrager dat er al vanaf de geboorte een relatieve overbelasting van de rechterarm heeft plaatsgevonden daar hij continue alleen de rechterarm kon belasten daar de linkerarm vanaf de geboorte al vrijwel afunctioneel was. Het rapport geeft geen blijk dat hierop acht is geslagen bij beantwoording van de door de rechter gestelde vragen.
- Dr. B. Sorgdrager veronderstelt dat de oorzaak voor de medische problematiek bij de werkgever ligt door ervan uit te gaan dat de stressoren zijn geweest de hoge ervaren werkdruk en werkintensiteit en het ervaren onrecht, terwijl mij uit het vonnis van de kantonrechter is gebleken dat partijen het hierover niet eens zijn. Dr. Sorgdrager gaat hiermee (tevens) voorbij aan stressoren die bij [verweerder] zelf liggen. Hierbij doel ik enerzijds op de verdenking op een Autisme Spectrum Stoornis, die [verweerder] heeft gekozen niet verder te onderzoeken en anderzijds op een verhoogd risico op RSI door congenitale afwijkingen aan de linkerhand, die vrijwel afunctioneel is en het feit dat belanghebbende in 2016 is gescheiden. Het rapport heeft deze belangrijke aspecten niet betrokken in de beantwoording van de vragen.”
1.31
Sorgdrager heeft daarop in zijn schrijven van 20 juni 2022 als volgt gereageerd:
“(…) In volgorde mijn reactie op de kanttekeningen van de medisch adviseur, [onafhankelijk bedrijfsarts] :
(…)
2. Ik ben het oneens met de opmerking dat de heer met deze beperking niet aan de taakeisen zou kunnen voldoen. Het is niet de aangeboren afwijking en het beeldschermwerk maar de stress die de klachten hebben doen optreden. Immers door de psychosociale arbeidsbelasting kunnen klachten optreden, zie daarvoor ook de registratierichtlijnen beroepsziekten van NCvB (…)
3. In het rapport hebben we wel melding gemaakt van persoonskenmerken van de heer, zie stap 4 bij de overwegingen op basis van het psychologisch onderzoek.
(...)
Samengevat:
De drie conclusies van de onafhankelijk bedrijfsarts kan ik niet volgen. (…)”
1.32
[onafhankelijk bedrijfsarts] heeft in een bericht van 11 november 2022 aanvullend geschreven:
“(…)
Conclusie:
Mijn oordeel als onafhankelijk bedrijfsarts-medisch adviseur is dat het rapport van collega (…) Sorgdrager (…) door de rechtbank genegeerd dient te worden. Het voldoet mijns inziens aan geen van de eisen die gesteld dienen te worden aan een deskundigenoordeel. Er wordt veel belang gehecht aan het SALTSA rapport, echter dit rapport is gebaseerd op onderzoek gegevens bij mensen zonder anomaliteiten aan de extremiteiten. De rechtbank zou er goed aan doen om een andere deskundige, te denken valt aan een orthopedisch chirurg of een plastisch chirurg-handspecialist nader de rechtbank te informeren over de gevolgen van de rudimentair aangelegde linkerhand en de kansen op overbelasting van spieren, pezen en zenuwen. Tevens zou aan een arbeidsdeskundige kunnen worden gevraagd of gezien de beperkingen aan de linker hand het eigen werk wel als passend te beschouwen is en was, daar de handafwijking al bestond bij indiensttreding. Werknemer heeft zijn afwijking al vanaf de geboorte en zou hebben kunnen weten dat hij hierdoor een verhoogde kans heeft op het verkrijgen van overbelasting van spieren, pezen en zenuwen bij een eenzijdige repetitieve handelingen!”
1.33
[medisch adviseur 2] , medisch adviseur van EBN (hierna: ‘ [medisch adviseur 2] ’), heeft in een bericht van 24 januari 2024 onder meer geschreven:
“(…)
CONCLUSIE:
Alles overziende is het wel bijzonder opvallend dat de ziekmelding van client, met inderdaad een (mijns inziens relatief mild) RSI-beeld, vrijwel samenviel met het ontstaan van een arbeidsconflict, wat uiteindelijk resulteerde in het ontslag van [verweerder] door EBN.
(…)
1. Naar mijn oordeel is het op grond van de beschikbare (medische) informatie onvoldoende komen vast te staan dat (a) [verweerder] (enkel) aan RSI-klachten lijdt en (b) als gevolg daarvan gezondheidsschade heeft geleden.[medisch adviseur 1] heeft in haar medisch advies van 2 april 2021 op basis van de beschikbare medische gegevens geconcludeerd dat [verweerder] is uitgevallen als gevolg van KANS-klachten, dat is hetzelfde als RSI (…). Enerzijds voldoet [verweerder] voor een deel aan de criteria, anderzijds kan de ziekmelding door [verweerder] echter mijns inziens niet los gezien worden van het arbeidsconflict. Verder voldoet de 6 stappen systematiek, welke is toegepast in het rapport van Sorgdrager, mogelijk niet. Stap 3 en stap 5 berusten volledig op anamnestische aannames. In zijn differentiaaldiagnose (…) spreekt Sorgdrager over een
aanpassingsstoornis, wellicht is die diagnose meer aanleiding tot de langdurige ziekmelding van [geïntimeerde] dan de RSI-klachten. (…)
Concluderend ben ik van mening dat de RSI-klachten dus niet zijn komen vast te staan als de (belangrijkste) oorzaak voor zijn permanente uitval, en lijkt de oorzaak veel meer te moeten worden gezocht in psychische factoren.
2.
Het is onduidelijk of het SALTSA rapport bij een onderzoek naar beperkingen bij personen met aangeboren afwijkingen wel bruikbaar is
In het SALTSA rapport wordt nergens gesproken over personen met aangeboren afwijkingen. Voor stap 1 worden er 11 specifieke ABBE’s genoemd (…). Mijns inziens hoort hier dus ook de aandoening van client bij: het EFA-syndroom met beenskelet-afwijking van de linker arm/hand), deze berusten immers evident op een anatomische afwijking. De tweede categorie betreft de aspecifieke ABBE’s (…) mijns inziens geldt dat niet voor het klachtenpatroon van [verweerder] , daar speelt wel degelijk een (zeldzame) specifieke ABBE een rol.
In stap 1 van de leidraad (…) is het uitsluiten van specifieke aandoeningen in de klacht(en)regio(‘s) aan de orde.
Mijns inziens is dat het moment waarop expliciet vastgesteld zou moeten worden dat eventuele aangeboren afwijkingen/beperkingen eventueel (mede) de oorzaak zouden kunnen zijn voor de betreffende klachten. Deze stap 1 heeft Sorgdrager mijns inziens niet correct geïnterpreteerd of geheel overgeslagen bij de beoordeling van [verweerder] .
De consequentie daarvan is dat Sorgdrager ten onrechte de diagnose aspecifieke ABBE heeft gesteld en dus ten onrechte spreekt van een beroepsziekte. Ook is de conclusie dat de klachten van [verweerder] veroorzaakt worden door belastende werkzaamheden (…) mede daardoor ten onrechte getrokken.
3.
De conclusies die Sorgdrager trekt uit het SALTSA rapport zijn derhalve niet zonder meer van toepassing op [verweerder], gelet op zijn aangeboren beperkingen. Zie mijn opmerkingen onder 2.
De conclusie dat [verweerder] door RSI-klachten opgelopen bij EBN is uitgevallen, kan niet worden getrokken. Dat betekent niet dat het
uitgeslotenis dat [verweerder] zijn klachten heeft gekregen door langdurige overbelasting
als gevolg van zijn aangeboren afwijkingen, getriggerd door het arbeids-conflict, zoals ook de verzekeringsarts van UWV Utrecht heeft gesteld (…).
4. Naar mijn oordeel staat op basis van de beschikbare (medische) informatie
onvoldoende vast dat de RSI-klachten bij [verweerder]– in zoverre daarvan sprake is (zie vraag 1.) –
overwegend in de uitoefening van de werkzaamheden bij EBN zijn ontstaan. Het beeld ontwikkelde zich namelijk in enkele dagen, voor zijn ziekmelding gaf [verweerder] in het geheel geen RSI-klachten aan (…). Een ander[e] optie kan bijvoorbeeld gevonden worden in het oordeel van de verzekeringsarts van UWV. Deze stelt dat [verweerder] uitgevallen is voor zijn werk voor zijn werk “met toename van fysieke klachten bij reeds langer bestaande aangeboren afwijkingen van de ledematen (linker arm en beide onderbenen), hierdoor wellicht voortdurende overbelasting, mogelijk getriggerd door een arbeidsconflict.”
Het arbeidsconflict is hier dus het vermeende onrecht die [verweerder] ervaren heeft omdat (en nadat) EBN hem wilde ontslaan.
5. Naar mijn oordeel zijn er op basis van de beschikbare (medische) informatie
inderdaad wel alternatieve oorzaken voor RSI-klachten aan te wijzen. De verzekeringsarts van UWV suggereert bijvoorbeeld dat de
voortdurende overbelasting als gevolg van de aangeboren afwijkingengezien kan worden als oorzaak van de klachten van [verweerder] , waarbij de klachten getriggerd zouden zijn
door het arbeidsconflict, dit laatste acht ik zeer plausibel. De ziekmelding kan mijns inziens niet los gezien worden van het arbeidsconflict. Verder noemen (…) [fysiotherapeut en bewegingswetenschapper] en (…) [gezondheidspsycholoog] nog een aantal factoren uit de 3 psychosociale domeinen die ook bijgedragen zouden kunnen hebben tot de klachten van [verweerder] :
functionele éénhandigheid (aangeboren), en mogelijk ook door de gekozen strategie (precisie over snelheid). Ook hoge
ervarenwerkdruk en
stress,
ervaren onrecht en deconditionering als gevolg van fysieke inactiviteit,
dreigend ontslag en conflict met de werkgever,
perfectionismeen
vasthoudendheidzouden volgens (…) [gezondheidspsycholoog] (…) een rol (kunnen) hebben gespeeld.
Ook Sorgdrager zelf geeft in zijn rapportage aan dat
spanningeen instandhoudende factor is.
Indien [verweerder] meer ontspannen zou zijn, dan zouden beeldschermwerkzaamheden langer vol-gehouden kunnen worden, de pijnklachten zouden dan verbeteren wellicht zou [verweerder] de situatie van vóór 2013 weer kunnen bereiken. Dit leidt mijns inziens tot de conclusie dat de spanning meer invloed heeft dan bijvoorbeeld de werkplek die [verweerder] bij EBN heeft toegewezen gekregen.
Hetzelfde geldt voor de juridische procedure en het ervaren onrecht, letselschadeprocedures geven volgens Sorgdrager ook extra spanning en maken het moeilijker om te ontspannen. Dit zou ook bij [verweerder] spelen, de juridische procedure speelt naar mijn inschatting een grotere rol dan bijvoorbeeld de werkplek die hij bij EBN heeft toegewezen gekregen, die overigens voldeed aan alle Arbonormen en die EBN een week nadat hij erom vroeg ook heeft laten controleren en waar kleine aanpassingen ter optimalisatie direct zijn doorgevoerd.
6. Naar mijn oordeel is in het rapport van Sorgdrager onvoldoende onderbouwd dat rekening is gehouden met de gevolgen van de aangeboren afwijkingen van [verweerder] in relatie tot zijn klachten. Een van de gevolgen hiervan is dat
de invloed van deze aangeboren afwijkingen onderbelicht zijn in het kader van de causaliteit. De aangeboren afwijkingen worden wel genoemd, maar onvoldoende wordt benadrukt dat deze afwijkingen op den duur zouden kunnen leiden tot overbelasting van de rechter arm, precies hetgeen wat nu aan de orde lijkt te zijn. Mijns inziens is het vermeende onrecht dus het aangekondigde ontslag de druppel die tot problemen leidt voor de rechter arm. En niet zozeer de arbeidsomstandigheden, deze zijn juist vrijwel ideaal bij EBN.
7.
EBN heeft (medisch gezien) naar mijn oordeel voldoende aan haar zorgplicht voldaanom gezondheidsschade (RSI-klachten) bij [verweerder] te voorkomen. Dit blijkt onder andere uit de moderne ergonomisch ingerichte werkplek van [verweerder] en het feit dat er na het melden van RSI-achtige klachten direct werd overgegaan tot een uitvoerige check van zijn werkplek. (…)”
1.34
In een medisch advies van [medisch adviseur 3] , medisch adviseur van [verweerder] , van 22 maart 2024 staat onder meer:
“1. (…) collega Sorgdrager is een zeer ervaren bedrijfsarts (…) en vanaf 1995 verbonden aan het Nederlands centrum voor beroepsziekten in Amsterdam, als beroepsziekte-specialist. Aan Beatrixoord en Polikliniek Mens en Arbeid is hij verbonden sinds 2014 als klinisch arbeidsgeneeskundige. (…) Geconcludeerd kan worden dat collega Sorgdrager bij uitstek geëquipeerd is om de relatie tussen werkzaamheden en klachten/aandoeningen te beoordelen.
(…)
5. Kunt u ingaan op de kritiek van EBN dat het Saltsa rapport in casu geen geschikt beoordelingsinstrument is, vanwege de aangeboren aandoeningen?
Antwoord: dit is een onzinnig en onjuist standpunt; het feit dat [verweerder] bekend was met een aangeboren afwijking van zijn linker hand, waar hij overigens ruim 50 jaar zonder problemen mee heeft gefunctioneerd (als functioneel eenarmige), betekent slechts dat de werkgever extra gespitst dient te zijn op het risico van overbelasting van de gezonde rechter arm. De criteria voor het ontwikkelen van een aspecifieke ABBE van de rechter arm blijven ongewijzigd ten opzichte van werknemers zonder verhoogd risico.
6. Wat is uw oordeel over de kritiek van [medisch adviseur 2] zoals neergelegd in zijn advies van 24 januari 2023, en kunt u die gemotiveerd weerleggen? (…)
Hij stelt daarbij dat RSI na een relatief korte periode van rust verbetert en herstel optreedt.
De uitspraken van collega [medisch adviseur 2] zijn mijns inziens echter ongefundeerd: RSI kent verschillende stadia. Volgens de RSI-vereniging:

In het begin kun je klachten krijgen na een periode waarin je extra hard hebt gewerkt en/of in een verkeerde, statische (onbeweeglijke) houding. Die klachten zijn de volgende morgen meestal over. Nog niet iets om je zorgen over te maken.
Als je geen tijd krijgt om te herstellen en doorgaat met overbelasten, dan heb je steeds meer tijd nodig om van je klachten af te komen, bijvoorbeeld een weekend, een week, of een vakantie van een paar weken. Blijf je je lichaam overbelasten, dan kan de pijn chronisch worden, maar zelfs dan kun je nog herstellen als je je werk- en leefomstandigheden aanpast.
Aannemelijk is dat het eerste stadium redelijk ongemerkt aan [verweerder] voorbij gegaan is; de klachten zijn de volgende dag over en vormen geen aanleiding om medische hulp te zoeken. Ook in het tweede stadium is invoelbaar dat bij klachten die verdwijnen na enkele dagen relatieve rust, geen medische hulp is gezocht. De karakterstructuur van [verweerder] zal er aan hebben bijgedragen dat hij pas aan de bel heeft getrokken toen de klachten permanent aanwezig waren en hem fors hinderden in zijn functioneren. Ook als klachten chronisch worden, bestaat er nog een kans op herstel, echter een derde deel van de patiënten houdt chronische klachten, ook na stoppen met de activiteiten die aanleiding waren voor de overbelasting.
Dat de bedrijfsarts uitging van herstel na ongeveer 4 maanden zegt mij slechts dat hij wellicht het stadium waarin de klachten van [verweerder] zich bevonden heeft miskend. Overigens kunnen ook de spanningen die het ontslag met zich meebracht een rol hebben gespeeld in het onderhouden van de arm-klachten. De werkplek-aanpassing is zeer kort voor de arbeidsuitval en volgens cliënt slechts deels, gerealiseerd en zal aannemelijk geen invloed hebben gehad op het klachtenpatroon; RSI (in een vroeg stadium) herstelt bovendien slechts met rust. Het werkplek-onderzoek van ENGRY (…) vermeldt op pag. 3 dat “een opeenstapeling van langdurig ergonomische onvolkomenheden maakt een werkplek onveilig en ongezond”. Ergo: de werkplek voldeed niet aan de ARBO-normen.
b. Op blz. 12 concludeert collega [medisch adviseur 2] onterecht dat het ontstane persisteren van klachten is gelegen in de functionele eenarmigheid in combinatie met de persoonlijkheidsstructuur van [verweerder] . Hiervoor bestaat mijns inziens geen onderbouwing; [verweerder] is reeds zijn hele leven eenarmig en is dus gewend om zijn rechter arm meer dan gemiddeld in te zetten. De wijze waarop door de werkgever wordt gereageerd op zijn uitval heeft aannemelijk wel een klachtenonderhoudend effect.
c. Op blz. 13 stelt collega [medisch adviseur 2] niet te begrijpen dat de werkplek niet goed zou zijn afgesteld, immers “
reeds een week na de ziekmelding van [verweerder] heeft een professioneel werkplekonderzoek op maat plaatsgevonden, namelijk op 22-04-2015”. Dit is een aantoonbaar foutieve weergave van de feiten en een volstrekt onlogische conclusie; [verweerder] heeft zich pas ziekgemeld op 28-04-2015, dus een kleine week na betreffend onderzoek, en het feit dat naar aanleiding van dit onderzoek direct aanpassingen zijn aangebracht/toegepast vormt mijns inziens juist een bevestiging van het feit dat de werkplek in de voorgaande jaren dus niet was aangepast aan de specifieke fysieke gesteldheid van [verweerder] . Het moge duidelijk zijn dat de aangebrachte aanpassingen niet de gevolgen van langdurige overbelasting kunnen wegnemen.
d. (…) De behandelaars van [verweerder] beschrijven een chronisch pijnsyndroom van de rechter arm, uitstralend vanuit de nek-/schouderregio, waarop niet een van de specifieke diagnoses te plakken is zoals genoemd in het Saltsa rapport. Derhalve is de aanduiding “aspecifieke KANS” geheel correct vanuit bedrijfsgeneeskundige invalshoek.
Overigens is vanuit andere specialismen ook geen nadere specificatie mogelijk. Het EFA-syndroom betreft de linker hand en speelt geen rol binnen het klachtenpatroon van [verweerder] , anders dan dat de niet inzetbare linker hand impliceert dat de rechter arm relatief zwaarder belast wordt dan bij iemand met twee gezonde armen. (…)”
1.35
[medisch adviseur 2] heeft op 9 juli 2024 geschreven:
“(…)
Het bovengenoemde adviesrapport d.d. 22-03-2024 van collega [medisch adviseur 3] , betreft met name zijn antwoorden op 7 afzonderlijke vragen (…). In deze beschouwing zal ik ingaan op zijn 7 antwoorden daarop.
1. (…) Het is ook niet zo dat ik de deskundigheid van collega Sorgdrager in twijfel trek. Als laatste zinsnede geeft collega [medisch adviseur 3] aan dat bedrijfsarts Sorgdrager bij uitstek geëquipeerd zou zijn om de relatie tussen werkzaamheden en klachten en bekwaamheden te beoordelen. Ondergetekende vraagt zich af wat collega [medisch adviseur 3] hier bedoelt, welk equipment heeft bedrijfsarts Sorgdrager volgens hem, wat wij niet hebben?
2. (…) Hier komt mijns inziens onvoldoende uit de verf dat de psychologische factoren inderdaad een grote rol spelen, met name de psychische gevolgen van het arbeidsconflict en het baanverlies van cliënt. Zoals gezegd lijkt het vermeende onrecht, het aangekondigde ontslag, de druppel die tot klachten leidt voor de rechterarm en vooral deze klachten in stand houdt, en niet zozeer de arbeidsomstandigheden. Mijns inziens blijkt dit onder andere uit de werkplekonderzoeken, bij het derde werkplekonderzoek waren er slechts op detailniveau aanpassingen noodzakelijk, alsook en met name het feit dat het klachtenverloop van [verweerder] dusdanig atypisch is, dat de ernst van deze klachten en de chronische aard daarvan zich eigenlijk niet verhouden tot de zeer korte periode die is gelegen tussen de eerste melding van RSI en het volledig uitvallen voor werk (…).
4. (…) Het rapport vermeldt inderdaad de feiten, omstandigheden en bevindingen waarop het is gebaseerd (a), de multidisciplinaire behandeling is een geschikte methode (b), het rapport is met de 6-stappen systematiek wel inzichtelijk en consistent (c)
maar de stappen worden NIET correct gevolgd, het rapport doet aan bronvermelding (d) en de rapporteur is een erkend specialist op het vakgebied van de beroepsziekten, maar dat betekent dus nog niet dat de inhoud van het rapport volledig klopt! (…)
5. (…) In mijn argumentatie volg ik juist de 6 stappen van het SALTSA rapport en kom daarmee bij een specifieke ABBE, waarvoor het SALTSA rapport juist niet bedoeld is, het gaat juist over overbelasting door een aspecifieke ABBE, zoals KANS of RSI. (…)
6. (…) Dit onderbouwt juist mijn standpunt dat er sprake was van diagnose RSI stadium 1, hooguit stadium 2, en dat het dus te verwachten was dat [verweerder] na een periode van rust thuis zou herstellen. (…)
Beide conclusies bestrijd ik, de werkplek voldoet aantoonbaar WEL aan de ARBO-normen en er is niet (alleen) sprake van RSI. Eerder is er mijns inziens sprake van de voortdurende overbelasting als gevolg van de aangeboren afwijkingen die gezien kan worden als oorzaak van de klachten van [verweerder] , waarbij de klachten getriggerd kunnen worden door het arbeidsconflict.
(…)
Voorafgaand aan het werkplekonderzoek in april 2015 van ENERGY [bedoeld zal zijn: ENRGY,
A-G], heeft [verweerder] reeds tenminste 2x eerder meegedaan aan soortgelijke werkplekonderzoeken. Daarbij kreeg hij adviezen voor een goede werkhouding, een optimaal ingestelde werkplek en genoeg rustmomenten tijdens de werkdag. EBN heeft erop toegezien dat [verweerder] gevolg gaf aan deze adviezen, hiervan heeft EBN schriftelijke bewijzen overlegd. (…)
Conclusie
(…)
2. U vraagt mij naar de meest waarschijnlijk[e] oorzaak of oorzaken van de uitval en het ontstaan van de klachten van [verweerder] . [verweerder] is mijns inziens uitgevallen vanwege een gecombineerde situatie van omstandigheden op het werk, gecombineerd met zijn functionele éénarmigheid. De situatie dat hij [werd] geconfronteerd met een door EBN gewenst ontslag is een belangrijke trigger geweest, gevolgd door de werkbelasting, daarna gevolgd door zijn éénarmigheid.
3. De uitval van [verweerder] is mijns inziens in het geheel niet te wijten aan de arbeidsomstandigheden bij EBN noch met de zorg van EBN hiervoor. EBN heeft juist zeer veel gedaan om de arbeidsomstandigheden te optimaliseren en dergelijke overbelastingsklachten te voorkomen, dit blijkt uit de aangeleverde informatie over de arbeidsomstandigheden (…).
(…)
5. Naar mijn professionele oordeel is
de stress rond het ontstane arbeidsconflict de voornaamste oorzaak van het niet-herstellendoor [verweerder] van zijn klachten. Wellicht heeft hij daarom ook onvoldoende rust gehouden, althans (in zijn hoofd) gekregen wat waarschijnlijk ook een belangrijke rol heeft gehad in het onderhouden van de klachten aan zijn rechterarm.
6. Ondergetekende kan niet uitsluiten dat [verweerder] bij volledig ideale werkomstandigheden bij EBN, waarbij (1) zijn werkplek optimaal is ingericht, (2) [verweerder] regelmatig pauzes nam en (3) er nooit door hem werd overgewerkt, ook zou zijn uitgevallen. Gezien zijn aangeboren functionele éénarmigheid was vroeg of laat overbelasting van zijn rechter arm mijns inziens zelfs toch ook wel te verwachten.
7. Uiteraard is hierbij de ontslagaankondiging van [verweerder] door EBN (…) relevant, dit heeft ongetwijfeld een forse hoeveelheid stress veroorzaakt. Zoals reeds aangegeven is stress een belangrijke oorzakelijke factor voor het optreden en aanhouden van RSI-achtige klachten. Dit blijkt onder andere uit de literatuur, zie verwijzing 3, daarin wordt onder andere aangegeven dat RSI met name samenhangt met veel ervaren stress, naast hoge werkdruk. Bovendien wordt stress door het arbeidsconflict eveneens genoemd door de bedrijfsartsen en de verzekeringsarts van UWV als onderhoudende factor van de RSI-klachten. (…)”

2.Procesverloop

Eerste aanleg

2.1
Bij inleidende dagvaarding van 3 augustus 2020 heeft [verweerder] EBN gedagvaard voor de kantonrechter van de rechtbank Midden-Nederland (hierna: de ‘kantonrechter’). [verweerder] heeft gevorderd dat, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, te verklaren voor recht dat EBN aansprakelijk is voor de door hem geleden en te lijden schade als gevolg van zijn gezondheidsklachten, die zijn veroorzaakt door de omstandigheden waaronder hij heeft moeten werken, met veroordeling van EBN in de proceskosten en de nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. [9] [verweerder] heeft art. 7:658 BW Pro aan zijn vorderingen ten grondslag gelegd en aangevoerd dat hij door de omstandigheden waaronder hij bij EBN zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten blijvende schade heeft geleden als gevolg van RSI-klachten en dat EBN onvoldoende aan haar zorgplicht heeft voldaan om deze RSI-klachten te voorkomen. [10]
2.2
EBN heeft verweer gevoerd en geconcludeerd tot afwijzing van de vorderingen, met veroordeling van [verweerder] in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente. [11] EBN heeft betwist dat [verweerder] aan RSI-klachten of andere gezondheidsklachten lijdt, dat deze klachten in de uitoefening van zijn functie zijn ontstaan en dat zij haar zorgplicht om de RSI-klachten bij [verweerder] te voorkomen zou hebben geschonden. [12]
2.3
In het tussenvonnis van 30 juni 2021 [13] heeft de kantonrechter eerst onder meer het toetsingskader gegeven en de standpunten van partijen beschreven. [14] De kantonrechter heeft geoordeeld dat op basis van de destijds beschikbare medische informatie nog niet kon worden vastgesteld of [verweerder] schade heeft geleden als gevolg van RSI-klachten en of hij deze schade in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij EBN heeft geleden. [15] Daarom heeft de kantonrechter het voornemen om een deskundige te benoemen uitgesproken en aan de deskundige voor te leggen vragen geformuleerd. [16] De kantonrechter heeft partijen in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over de te benoemen deskundige en over de aan de deskundige te stellen vragen.
2.4
Uit het tussenvonnis van 1 september 2021 [17] blijkt dat partijen van de hiervoor bedoelde mogelijkheid gebruik hebben gemaakt. [18] Nadat de kantonrechter de uitlatingen van partijen heeft beschreven en heeft beoordeeld, heeft hij in dat tussenvonnis de door partijen aangedragen [revalidatiearts 2] als deskundige benoemd en de door hem te beantwoorden vragen geformuleerd. [19]
2.5
Nadat de deskundige [revalidatiearts 2] bij e-mail van 13 september 2021 heeft laten weten dat hij niet in staat zou zijn de opdracht tot het uitbrengen van een deskundigenbericht uit te voeren, heeft de rechtbank in het tussenvonnis van 22 december 2021 [20] de hiervoor in randnummer 1.28 genoemde Sorgdrager tot deskundige benoemd. [21] Sorgdrager heeft de opdracht in samenwerking met de door partijen zelf aangedragen [fysiotherapeut en bewegingswetenschapper] en met [gezondheidspsycholoog] (beiden eveneens hiervoor in randnummer 1.28 genoemd) uitgevoerd. [22]
2.6
Bij eindvonnis van 8 maart 2023 [23] heeft de kantonrechter de vorderingen van [verweerder] toegewezen. [24] Voor zover in cassatie van belang heeft de kantonrechter aan zijn oordeel ten grondslag gelegd dat [verweerder] als gevolg van de RSI-klachten (gezondheids)schade heeft geleden, dat deze klachten in de uitoefening van zijn werkzaamheden voor EBN zijn ontstaan en dat EBN niet heeft voldaan aan haar zorgplicht om de (gezondheids)schade in de vorm van RSI-klachten bij [verweerder] te voorkomen. [25]
Hoger beroep
2.7
Bij appeldagvaarding van 7 juni 2023 heeft EBN hoger beroep ingesteld tegen de tussenvonnissen van 30 juni 2021, 1 september 2021, 22 december 2021 en tegen het eindvonnis van 8 maart 2023. Bij memorie van grieven van 30 januari 2024 heeft EBN vier grieven geformuleerd. EBN heeft met het hoger beroep beoogd dat de vorderingen van [verweerder] alsnog worden afgewezen. [26]
2.8
[verweerder] heeft de grieven bestreden en geconcludeerd tot bekrachtiging van het tussenvonnis van 30 juni 2021 en van het eindvonnis van 8 maart 2023 en tot veroordeling van EBN in de kosten van het hoger beroep (uitvoerbaar bij voorraad).
2.9
Bij arrest van 21 januari 2025 (hierna: het ‘bestreden arrest’) heeft het hof geoordeeld dat de grieven geen doel treffen, het eindvonnis van 8 maart 2023 bekrachtigd en EBN veroordeeld in de proceskosten in hoger beroep. Hieraan heeft het hof ten grondslag gelegd dat voldoende is komen vast te staan dat [verweerder] in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij EBN blijvende RSI-klachten heeft ontwikkeld en dat EBN niet heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht om dat te voorkomen. [27]
2.1
Het hof heeft eerst het juridisch kader gegeven:
“4.1. Op grond van artikel 7:658 lid 1 BW Pro is de werkgever verplicht de lokalen, werktuigen en gereedschappen waarin of waarmee hij de arbeid doet verrichten op zodanige wijze in te richten en te onderhouden en voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.
In het tweede lid van artikel 7:658 BW Pro is bepaald dat de werkgever jegens de werknemer aansprakelijk is voor schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, tenzij de werkgever aantoont dat hij de in lid 1 genoemde verplichtingen is nagekomen of, maar dat is in deze procedure niet aan de orde, dat de schade in belangrijke mate het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer.”
2.11
Het hof heeft daarna de standpunten van partijen en het oordeel van de kantonrechter samengevat en de in hoger beroep voorliggende geschilpunten opgesomd:
“4.2. [verweerder] stelt zich op het standpunt dat hij in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij EBN blijvende RSI-klachten heeft ontwikkeld. [verweerder] houdt EBN aansprakelijk voor de schade die hij als gevolg daarvan heeft geleden. De kantonrechter heeft [verweerder] gevolgd in zijn standpunt en heeft het standpunt van EBN dat zij de op haar rustende zorgplicht is nagekomen verworpen. Met de grieven liggen in hoger beroep de volgende geschilpunten voor:
a) lijdt [verweerder] aan RSI klachten?
b) zijn die RSI-klachten het gevolg van de omstandigheden waaronder [verweerder] zijn werkzaamheden bij EBN heeft moeten verrichten?
c) heeft EBN voldaan aan de op haar rustende zorgplicht?”
2.12
Het hof heeft vervolgens zijn plan van behandeling en alvast zijn eindoordeel gegeven:
“4.3. Het hof zal deze geschilpunten achtereenvolgens behandelen. De conclusie zal zijn dat voldoende aannemelijk is geworden dat [verweerder] lijdt aan overbelastingsklachten (hierna ook: RSI-klachten), dat die het gevolg zijn van de omstandigheden waaronder hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten en dat EBN tekort is geschoten in de op haar rustende zorgplicht.”
2.13
Daarop heeft het hof de toelichting op het eindoordeel gegeven. Het hof heeft daarbij eerst beoordeeld of [verweerder] aan RSI-klachten lijdt en geoordeeld dat dit het geval is. Het hof is het eens met het oordeel van de kantonrechter dat op grond van de beschikbare medische informatie en het deskundigenbericht voldoende is komen vast te staan dat [verweerder] aan RSI-klachten lijdt. Verder heeft het hof de mogelijkheid dat [verweerder] schade lijdt en heeft geleden door de RSI-klachten voldoende aannemelijk geacht:

a) [verweerder] lijdt aan RSI-klachten
4.4.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat op grond van de beschikbare medische informatie en het deskundigenrapport voldoende is komen vast te staan dat [verweerder] lijdt aan RSI. Het hof is het met dat oordeel eens. [verweerder] is op 8 april 2015 naar zijn huisarts gegaan vanwege een al langer (acht maanden) bestaand brandend gevoel in zijn vingers, onderarm, binnenzijde bovenarm en soms nek. De (para)medici die [verweerder] daarna hebben onderzocht (en behandeld) – onder wie de fysiotherapeut, de revalidatiearts, de bedrijfsarts en de neuroloog – stellen vast dat sprake is van nek-, schouder-, arm- en handklachten. Sorgdrager bevestigt dit. Hij schrijft in zijn rapport dat sprake is van een overbelastingssyndroom. Naar het oordeel van het hof volgt uit dit alles zonder twijfel dat [verweerder] gezondheidsklachten ondervond (en nog steeds ondervindt) bestaande uit (onder meer) nek-, schouder-, arm- en handklachten aan de rechterkant. EBN heeft dit onder verwijzing naar de berichten van [medisch adviseur 2] weliswaar bestreden maar in die berichten leest het hof geen overtuigende argumenten die voor een ander oordeel pleiten. Het hof wijst er nog op dat [medisch adviseur 2] het bestaan van deze klachten in wezen ook onderkent (“Alles overziende is het wel bijzonder opvallend dat de ziekmelding van client, met inderdaad een (mijns inziens relatief mild) RSI-beeld, vrijwel samenviel met het ontstaan van een arbeidsconflict, wat uiteindelijk resulteerde in het ontslag van [verweerder] door EBN”).
4.5.
EBN bestrijdt dat [verweerder] als gevolg van de RSI-klachten schade heeft geleden. Onder verwijzing naar de berichten van [medisch adviseur 2] voert EBN aan dat de RSI-klachten niet de (belangrijkste) oorzaak van de permanente uitval (en dus, zo begrijpt het hof, van de inkomensschade) zijn en dat de vordering daarom moet worden afgewezen. Dit gaat niet op. Bij de beoordeling van de vraag of een werkgever aansprakelijk is op grond van artikel 7:658 BW Pro (de vestigingsfase van aansprakelijkheid) hoeft niet vast te staan tot welke materi[ë]le en immateriële schade die klachten hebben geleid. Voldoende is dat de mogelijkheid aannemelijk is dat die gezondheidsklachten tot schade hebben geleid. Die mogelijkheid is in dit geval voldoende aannemelijk. Uit de rapportages van onder meer de arbeidsdeskundigen en de verzekeringsgeneeskundige rapportage voor de WIA-aanvraag volgt dat [verweerder] vanwege (ook) de RSI-klachten niet meer werkzaam kan zijn in functies waarin hij een groot deel van de dag achter de computer zit. Het hof acht alleen al gelet daarop de mogelijkheid dat [verweerder] (materiële en immateriële) schade lijdt en heeft geleden door deze klachten voldoende aannemelijk.”
2.14
Het hof heeft daarna beoordeeld of de RSI-klachten het gevolg zijn van de omstandigheden waaronder [verweerder] zijn werkzaamheden bij EBN heeft verricht en geoordeeld dat ook dit het geval is. In dit verband heeft het hof eerst de kantonrechter aangehaald. Die heeft bij de beoordeling van het causaal verband tussen de arbeidsomstandigheden en de RSI-klachten het deskundigenbericht tot uitgangspunt genomen en op grond daarvan geoordeeld dat de RSI-klachten het gevolg zijn van de arbeidsomstandigheden. Het hof heeft daarna het standpunt van EBN in hoger beroep weergegeven. EBN heeft in hoger beroep onder verwijzing naar de berichten van [medisch adviseur 2] betoogd dat het deskundigenbericht terzijde moet worden geschoven. Het hof heeft vervolgens de bezwaren van EBN tegen het deskundigenbericht, die zijn gericht tegen de door Sorgdrager toegepaste methode enerzijds en de door hem getrokken conclusies anderzijds, afzonderlijk besproken. Voordat het hof daaraan is toegekomen, heeft het eerst het relevante juridisch kader en zijn plan van behandeling gegeven:

b) de RSI-klachten zijn het gevolg van de omstandigheden waaronder [verweerder] zijn werkzaamheden bij EBN heeft verricht
4.6.
De kantonrechter heeft bij de beoordeling van het causaal verband tussen de arbeidsomstandigheden en de RSI-klachten het deskundigenbericht tot uitgang[s]punt genomen en op grond daarvan geoordeeld dat de RSI-klachten het gevolg zijn van de omstandigheden waaronder [verweerder] zijn werkzaamheden bij EBN heeft uitgeoefend. In hoger beroep heeft EBN onder verwijzing naar de berichten van [medisch adviseur 2] betoogd dat het deskundigenbericht terzijde moet worden geschoven. Het hof zal de bezwaren tegen het deskundigenbericht hierna bespreken. Het hof stelt daarbij voorop dat wanneer het standpunt van een door een partij geraadpleegde deskundige afwijkt van dat van de door de rechter benoemde deskundige, de rechter zijn beslissing om de zienswijze van de benoemde deskundige te volgen in het algemeen niet verder behoeft te motiveren dan door te overwegen dat de door deze benoemde deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Wel zal de rechter moeten ingaan op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige, indien deze bezwaren een gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze. [28]
4.7.
De bezwaren van EBN tegen het deskundigenbericht vallen uiteen in bezwaren tegen de toegepaste methode en bezwaren tegen de inhoud van de conclusies die de deskundige heeft getrokken. Het hof zal eerst (…) de bezwaren tegen de toepaste methode bespreken.”
2.15
Het hof heeft daarna de bezwaren van EBN tegen de door Sorgdrager toegepaste methode beoordeeld en geoordeeld dat die onterecht zijn. Het hof heeft al met al niet gemeend dat sprake is van fundamentele gebreken bij de totstandkoming van het deskundigenonderzoek op grond waarvan het deskundigenbericht terzijde moet worden geschoven:
“de bezwaren tegen de toegepaste methode zijn onterecht
4.8.
De deskundige heeft bij de beantwoording van de vraag naar de oorzaken van de nek-, schouder-, arm- en handklachten van [verweerder] het SALTSA rapport gebruikt. Dit is een richtlijn voor de vaststelling van de arbeidsgerelateerdheid van Aandoeningen aan het Bewegingsapparaat in de Bovenste Extremiteit (ABBE’s). De richtlijn onderscheidt 12 ABBE’s waarvan de twaalfde de aspecifieke ABBE betreft. De deskundige heeft de klachten van [verweerder] geduid als een aspecifieke ABBE. Die diagnose stellen de medisch adviseurs van EBN ter discussie. Bij de beoordeling van de vraag of het om een aspecifieke ABBE gaat luidt de eerste vraag: “Zijn specifieke aandoeningen in de klacht(en)regio(‘s) uitgesloten?”. Volgens EBN – onder verwijzing naar [onafhankelijk bedrijfsarts] en [medisch adviseur 2] – had de deskundige daarop ‘nee’ in plaats van ‘ja’ moeten antwoorden vanwege de aangeboren beperking van [verweerder] aan zijn
linkerhand. De consequentie daarvan is dat geen sprake is van een aspecifieke ABBE, dat er dus geen sprake is van een beroepsziekte die het gevolg is van de uitoefening van de werkzaamheden en dat het deskundigenbericht niet bruikbaar is, aldus EBN.
4.9.
Het hof volgt EBN daarin niet. Als uitgangspunt geldt dat de deskundige, gelet op zijn achtergrond, bij uitstek in staat wordt geacht om vast te stellen of het SALTSA rapport in een geval als dit, waarin sprake is van een aangeboren afwijking aan de
anderehand/arm dan de hand/arm waaraan [verweerder] pijnklachten heeft, kan worden toegepast. De deskundige heeft de aangeboren beperking in zijn beoordeling betrokken en heeft die beperking niet geduid als een specifieke aandoening in de klachtenregio. [medisch adviseur 2] en [onafhankelijk bedrijfsarts] hebben niet uitgelegd waarom de aangeboren beperking aan de
linkerhand/arm als een specifieke aandoening in de rechterhand/arm moet worden geduid. Het hof ziet dus geen aanleiding om de deskundige hierin niet te volgen. Dat [verweerder] door de aangeboren beperking aan zijn linkerhand/arm gevoeliger is voor overbelasting van zijn rechterarm (waarmee hij dus vrijwel alles doet) is een andere vraag die hierna aan de orde zal komen. Het hof volgt de deskundige in de duiding van de klachten van [verweerder] aan zijn rechterarm als een aspecifieke ABBE.
4.10.
De deskundige heeft vervolgens aan de hand van de methodiek van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten de ‘zes stappen systematiek’ toegepast. Tegen de toepassing van die methodiek als zodanig heeft EBN geen bezwaar gemaakt. Onder verwijzing naar de berichten van [medisch adviseur 2] stelt EBN zich op het standpunt dat Sorgdrager die zes stappen onjuist heeft toegepast. Het hof verwijst naar het in de feiten weergegeven deskundigenbericht waarin de zes stappen zijn geciteerd en zal de bezwaren daartegen bespreken.
4.11.
Het bezwaar tegen stap 1 (de diagnose ‘aspecifieke klachten aan de bovenste extremiteit’) is hiervoor besproken en verworpen: er is onvoldoende aanleiding om de diagnose ‘aspecifieke ABBE’ te verwerpen.
4.12.
In stap 2 heeft de deskundige met verwijzing naar registratierichtlijn D022 beeldschermwerk als een risicofactor geduid. Daartegen heeft EBN geen bezwaar gemaakt. In stap 3 heeft de deskundige vastgesteld dat met de intensiteit van de blootstelling van [verweerder] aan beeldschermwerk de maximaal aanvaarde normen bij beeldschermwerk zijn overschreden. [medisch adviseur 2] heeft over stap 3 opgemerkt dat de overschrijding van de maximaal aanvaarde normen bij beeldschermwerk naar zijn mening niet is aangetoond en dat dit louter berust op anamnestische aannames. Het hof verwerpt dit bezwaar. In de toelichting bij de zes stappen systematiek staat bij stap drie dat gebruik wordt gemaakt van de arbeidsanamnese (bij voorkeur in kaart gebracht via (valide) vragenlijsten), dat wordt gevraagd naar het gebruik van aanbevolen maatregelen en PBM’s[ [29] ], dat RIE’s, meldingen, rapportages, PAGO/PMO[ [30] ] en verslagen worden geraadpleegd en dat een werkplekonderzoek kan worden overwogen. Uit de reactie van Sorgdrager op het commentaar van EBN (“We hebben kennisgenomen van de arbeidsomstandigheden en de wijze waarop het werk is uitgevoerd, op basis van anamnese en de bestudeerde documenten (zie de methode)”.) leidt het hof af dat Sorgdrager overeenkomstig de toelichting bij stap drie heeft gewerkt. EBN heeft niet uitgelegd dat en waarom dat niet het geval is en waarom deze werkwijze niet kan worden gevolgd.
4.13.
EBN heeft aangevoerd dat niet duidelijk is van welke blootstelling de deskundige is uitgegaan en zij betwist in dat kader dat de werkzaamheden van [verweerder] voor 90% uit beeldschermwerk bestonden. EBN heeft inderdaad gelijk dat niet duidelijk is van welke mate van blootstelling de deskundige is uitgegaan. Toch treft ook dit bezwaar geen doel. In de registratierichtlijn D022 – aan de hand waarvan wordt getoetst of sprake is van een relevante blootstelling – staat per regio (nek, schouder, elleboog en onderarm, pols en hand) beschreven welke fysieke en niet-fysieke factoren een risicovolle werkhouding opleveren. Zo wordt bijvoorbeeld bij alle regio’s een werk-rustverhouding risicovol geacht, van minder dan 10 minuten pauze binnen elke 60 minuten dat bewegingen voorkomen die meer dan tweemaal per minuut moeten worden gemaakt. Bij de fysieke factoren wordt een bepaalde houding en beweging die gemiddeld meer dan vier uur tijdens een werkdag voorkomt, als risicovol geduid. [verweerder] stelt zich in feite op het standpunt dat gelet op de inhoud van zijn werkzaamheden (die hij vrij precies heeft omschreven) en de aangeboren beperking aan zijn benen waardoor hij maar heel beperkt kan lopen en zijn werkplek kan verlaten, de in de registratierichtlijn genoemde normen zijn overschreden. In dit verband heeft [verweerder] ook gewezen op de arbeidsdeskundige onderzoeken van Arbobutler en Lytton in welk kader EBN heeft verklaard dat er binnen EBN geen re-integratiemogelijkheden zijn voor [verweerder] omdat binnen EBN binnen alle functies het werken met een toetsenbord en een muis voor het grootste deel van de dag voorkomt. Het had vervolgens op de weg van EBN gelegen om de stelling dat de in de richtlijn genoemde normen zijn overschreden, gemotiveerd te betwisten, door bijvoorbeeld te onderbouwen hoeveel uur [verweerder] gedurende een dag achter een beeldscherm werkte en of, en zo ja hoe, was voorzien in het daadwerkelijk houden van de bedoelde 10 minuten pauze. Dit geldt temeer nu EBN zich heeft laten bijstaan door [medisch adviseur 2] die, zoals hij zelf in zijn laatste bericht ook schrijft, terzake deskundige is en met de richtlijn en de geldende normen bekend mag worden verondersteld. EBN heeft er echter mee volstaan om te betwisten dat 90% van de werkzaamheden van [verweerder] uit beeldschermwerk bestonden. Dat is echter niet waar het om gaat, het gaat erom of de in de richtlijn genoemde normen zijn overschreden. Gelet op de onvoldoende gemotiveerde betwisting van EBN volgt het hof de deskundige ook in stap 3.
4.14.
Het commentaar van [medisch adviseur 2] op de stappen 4, 5 en 6 gaat niet zozeer over de wijze waarop die stappen door Sorgdrager zijn toegepast maar is vooral gericht tegen de uiteindelijke conclusie. Daarop zal het hof hierna ingaan.
Het hof ziet al met al niet in dat sprake is van (in hoger beroep door EBN aangevoerde) fundamentele gebreken bij de totstandkoming van het deskundigenonderzoek op grond waarvan het deskundigenbericht terzijde moet worden geschoven. Het feit dat de deskundige de werkplek niet heeft bezocht is ook niet van belang. Tussen partijen staat immers vast dat de werkplek van [verweerder] is aangepast na het laatste werkplekonderzoek van ENRGY en dat de deskundige zijn deskundigenbericht mede heeft gebaseerd op de bevindingen uit het werkplekonderzoek en het advies van ENRGY daarover.”
2.16
Het hof heeft vervolgens de bezwaren van EBN tegen de conclusies van Sorgdrager beoordeeld en – vrij weergegeven – geoordeeld dat het in deze bezwaren geen aanleiding ziet om de inhoud van het deskundigenbericht niet over te nemen. Het hof heeft eerst het deskundigenbericht samengevat:
“het hof neemt de inhoud van het deskundigenbericht over
4.15.
Dan de bezwaren van EBN tegen de conclusies van de deskundige. Het hof vat het deskundigenbericht als volgt samen. Er is sprake van een overbelastingssyndroom bij een functioneel eenhandige (antwoord 2f). [verweerder] reageert met een stressreactie op ervaren onrecht en de conflictueuze werksituatie (antwoord 2j). Spanning is een instandhoudende factor, de pijnklachten kunnen verbeteren en beeldschermtaken kunnen langer worden volgehouden wanneer [verweerder] meer ontspannen is (antwoord 2k). [verweerder] zou de bij EBN opgetreden klachten ook in een andere werksituatie hebben opgelopen indien die situatie zou bestaan uit een vergelijkbare expositie aan beeldschermwerk, veel druk, onvoldoende rustmomenten en door de werkhouding een onvoldoende ontspannen nek-schouderregio. Een ontspannen werkhouding heeft naast ergonomische principes ook te maken met de functioneel eenhandigheid, zijn perfectionisme, beperkte copingsmechanismen en de stressgevoeligheid. Doordat het beeldschermwerk in een periode onder hoge druk met ontoereikende ergonomie is verricht, zijn de pijnklachten opgetreden (antwoord 3a). In zijn reactie op het commentaar van EBN schrijft Sorgdrager dat de deskundigen van mening zijn dat de werkhouding en de gespannenheid de klachten hebben veroorzaakt (vraag 2), dat het niet zozeer gaat om het overwerk maar om de gespannen houding en ervaren werkdruk die de klachten hebben doen optreden (vraag 3) en dat wanneer er geen toenemende werkdruk was geweest en geen overwerk, de klachten niet [in] de beschreven mate aanwezig zouden zijn geweest (vraag 4). De klachten zijn ontwikkeld in een periode van toenemende ervaren werkdruk (vraag 5).”
2.17
Daarop heeft het hof de kern van de conclusies van Sorgdrager weergegeven: de arbeidsomstandigheden hebben tot het overbelastingssyndroom geleid, terwijl de spanning en druk die [verweerder] heeft ervaren en zijn karakterstructuur en stressgevoeligheid hebben bijgedragen aan de mate waarin hij de klachten heeft ontwikkeld en de instandhouding van de klachten:
“4.16. Het komt er dus op neer dat [verweerder] volgens de deskundige door de mate van expositie aan beeldschermwerk, onvoldoende rustmomenten, de werkhouding, een onvoldoende ontspannen nek-schouderregio en ervaren druk, een overbelastingssyndroom aan zijn nek, schouder, arm en hand heeft ontwikkeld. De spanning en druk die [verweerder] ervaart, zijn karakterstructuur en zijn stressgevoeligheid dragen bij aan de mate waarin [verweerder] de klachten heeft ontwikkeld en de instandhouding ervan.”
2.18
Vervolgens heeft het hof het standpunt van EBN in hoger beroep weergegeven. Zij heeft onder verwijzing naar de berichten van [medisch adviseur 2] ten eerste betoogd dat de RSI-klachten niet het gevolg kunnen zijn van de arbeidsomstandigheden, kort gezegd, omdat van schadelijke werkomstandigheden geen sprake was, en ten tweede dat het veel waarschijnlijker is dat de RSI-klachten zijn veroorzaakt door factoren in de privésfeer en door pre-existente klachten (de aangeboren beperking). In het kader van dat laatste punt heeft [medisch adviseur 2] erop gewezen dat de klachten in zeer korte tijd zijn ontstaan en tegen de verwachting van de artsen in niet binnen drie maanden zijn hersteld:
“4.17. Onder verwijzing naar de berichten van [medisch adviseur 2] heeft EBN aangevoerd dat de RSI-klachten niet het gevolg kunnen zijn van de werkomstandigheden. [verweerder] had een hoge functie en veel vrijheid zijn werkzaamheden in te richten, de werksfeer was goed, er was geen sprake van ernstige overbelasting, af en toe moest er worden overgewerkt maar niet structureel. [verweerder] nam dagelijks een half uur pauze, hij nam zijn vakantiedagen op, hij werkte niet of nauwelijks over, hij pakte regelmatig rustmomenten en zat niet 90% achter de computer. Hij werd geïnstrueerd over het inlassen van pauzes, het aannemen van een juiste houding en het onderbreken van computerwerk. Van schadelijke werkomstandigheden was kortom geen sprake. De klachten zijn in zeer korte tijd ontstaan en zijn tegen de verwachting van de artsen in niet binnen drie maanden hersteld. Dat wijst er volgens [medisch adviseur 2] op dat de klachten veel waarschijnlijker zijn veroorzaakt door niet-werkgerelateerde factoren zoals factoren in de privésfeer (relationele spanningen, psychische klachten, privé-computergebruik, hobby’s) en pre-existente klachten (zijn aangeboren beperkingen). Deze omstandigheden kunnen in ieder geval aan de klachten hebben bijgedragen, aldus EBN.”
2.19
In de hieropvolgende rechtsoverwegingen heeft het hof (de verschillende schakels in) het betoog van EBN (de oorzaak ligt niet in de werkomstandigheden, het zijn juist omstandigheden aan de kant van [verweerder] die tot de klachten hebben geleid), tegen het licht gehouden en uiteindelijk in rov. 4.26. verworpen.
2.2
In dit verband heeft het hof eerst gewezen op het cruciale belang van de berichten van [medisch adviseur 2] voor het betoog van EBN en in dit verband overwogen dat [medisch adviseur 2] op twee fundamentele onderdelen (het ontstaanstijdstip van de klachten en het ‘vrij ideaal’ zijn van de arbeidsomstandigheden) is uitgegaan van een onjuist vertrekpunt. Dat doet volgens het hof wezenlijk afbreuk aan de inhoudelijke betekenis van de conclusies van [medisch adviseur 2] . Het hof heeft meteen uitgelegd dat het ontstaanstijdstip, gelet op wat [verweerder] in het voorjaar van 2015 tegen zowel zijn huisarts als de fysiotherapeut heeft gezegd, verder terug ligt in de tijd dan dat [medisch adviseur 2] heeft aangenomen:
“4.18. De bezwaren van EBN tegen het deskundigenbericht berusten vrijwel volledig op de berichten van [medisch adviseur 2] . Op twee fundamentele onderdelen gaat [medisch adviseur 2] naar het oordeel van het hof uit van een onjuist vertrekpunt en dat doet wezenlijk afbreuk aan de inhoudelijke betekenis van de conclusies van [medisch adviseur 2] . Allereerst gaat [medisch adviseur 2] er ten onrechte van uit dat [verweerder] voor het eerst op 8 april 2015 de schouder-, nek-, arm- en handklachten heeft ervaren. [verweerder] heeft in het voorjaar van 2015 zowel tegen zijn huisarts als de fysiotherapeut gezegd dat hij die klachten al sinds zes tot acht maanden heeft. Het hof ziet geen reden om hieraan te twijfelen. De deskundige is er naar het oordeel van het hof terecht vanuit gegaan dat de klachten al langer (zes tot acht maanden) bestonden.”
2.21
Het hof heeft zich vervolgens gericht op de stelling van [medisch adviseur 2] dat sprake was van ‘vrij ideale’ arbeidsomstandigheden. In dit verband heeft het hof, zich daarbij scharend achter de kantonrechter, uitgebreid toegelicht waarom de arbeidsomstandigheden, anders dan [medisch adviseur 2] tot uitgangspunt heeft genomen, niet ‘vrij ideaal’ waren. Het hof is daarbij tot het oordeel gekomen dat de deskundige Sorgdrager in zijn onderzoek terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat de arbeidsomstandigheden werden gekenmerkt door een blootstelling aan beeldschermwerk die de geldende normen overschrijdt, hoge ervaren werkdruk, onvoldoende rustmomenten en een door de werkhouding onvoldoende ontspannen nek-schouderregio:
“4.19. [medisch adviseur 2] gaat er verder ten onrechte vanuit dat de werkomstandigheden bij EBN ‘vrij ideaal’ zijn en voldoen aan de Arbonormen. Het hof denkt daar anders over en schaart zich achter de hierna te bespreken oordelen van de kantonrechter.
4.20.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat de werkhouding van [verweerder] risicovol is geweest (en dat de deskundige daar dus terecht vanuit is gegaan). Uit het werkplekonderzoek van ENRGY is gebleken dat tot april 2015 de stoel van [verweerder] niet goed stond afgesteld, zijn bureaublad niet op de goede hoogte stond, hij scheef voor zijn bureau zat en hij een gewone muis gebruikte terwijl een aangepaste muis beter voor hem was. EBN heeft hiertegen aangevoerd dat de constateringen van ENRGY in april 2015 momentopnames kunnen zijn, dat het slechts om kleine aanpassingen ging, dat [verweerder] tijdens eerdere onderzoeken is voorgelicht over de juiste werkhouding en hij hier zelf ook op had kunnen toezien. Dit bezwaar gaat niet op. ENRGY heeft onder andere geconstateerd dat de armleuningen van de stoel te lang zijn waardoor [verweerder] niet goed kan aanschuiven, hij niet de juiste houding kan aannemen en scheef voor zijn bureau zit. Niet valt in te zien hoe de lengte van de stoelleuning een momentopname kan zijn. Ditzelfde geldt voor de gewone muis die [verweerder] gebruikte. Dus zelfs als de hoogte van het bureau en de stoel momentopnames betreft, wat op zichzelf niet voor de hand ligt, dan nog geldt dat de werkplek ook op andere onderdelen risicovol was. Dat het om kleine aanpassingen gaat kan zo zijn maar uit het rapport van ENRGY volgt dat kleine ergonomische onvolkomenheden en voornamelijk een opeenstapeling hiervan een werkplek onveilig en ongezond kunnen maken.
4.21.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat EBN onvoldoende gemotiveerd heeft betwist dat het werk van [verweerder] voor het merendeel uit beeldschermwerk bestond en dat dit gelet op de beperkingen van [verweerder] om zich fysiek te verplaatsen, ook voor de hand lag. Naar het oordeel van de kantonrechter staat voldoende vast dat het werk van [verweerder] hoofdzakelijk uit beeldschermwerk [bestond] en dat het overgrote deel van zijn werkzaamheden vanaf zijn werkplek plaatsvond. De exacte tijd van beeldschermwerk heeft de deskundige niet relevant geacht, wel dat het de normen (registratierichtlijn D022) overschreed.
EBN heeft in hoger beroep opgesomd welke werkzaamheden [verweerder] zoal verrichtte en dat [verweerder] niet heeft aangetoond dat zijn werk voor 90% uit beeldschermwerk bestond. Hiermee miskent EBN dat, zoals de kantonrechter heeft vastgesteld en het hof hiervoor ook heeft overwogen, het niet zozeer erom gaat of het werk voor 90% uit beeldschermwerk bestond maar of de in de richtlijn beschreven normen worden overschreden. Het oordeel van de kantonrechter dat die normen worden overschreden heeft EBN met haar grieven niet met overtuigende argumenten bestreden. Het hof verwijst naar hetgeen hiervoor is overwogen.
4.22.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat voldoende vaststaat dat [verweerder] niet regelmatig pauzes hield en dat er sinds zijn indiensttreding geen pauzesoftware op zijn computer was geïnstalleerd waardoor hij niet werd geïnstrueerd korte pauzes te nemen. Niet gebleken is dat [verweerder] regelmatig pauzes inlaste. EBN heeft in hoger beroep onder verwijzing naar in- en uitcheckgegevens herhaald dat [verweerder] dagelijks een pauze van een half uur (of soms zelfs langer) nam en dus genoeg rust en beweging had. Hiermee miskent EBN dat het (volgens de richtlijn en de deskundige) niet zozeer gaat om de dagelijkse pauze van een half uur maar om de afwisseling van werkzaamheden met telkens korte pauzes. EBN heeft met haar standpunt geen grief gericht tegen het oordeel van de kantonrechter dat niet is gebleken dat [verweerder] regelmatig korte pauzes inlaste. Het hof zal daar dus ook vanuit gaan.
4.23.
De kantonrechter heeft ten slotte overwogen dat de deskundige met werkdruk niet zozeer op overwerk doelt maar op een gespannen houding en door [verweerder] ervaren werkdruk. EBN heeft volgens de kantonrechter onvoldoende gemotiveerd weersproken dat [verweerder] eind 2014/begin 2015 als gevolg van door hem genoemde omstandigheden te maken kreeg met veel extra vragen en verzoeken voor tussentijdse rapportages en analyses vanuit de RvC, de CFO van EBN en het Ministerie en dat dit bij [verweerder] heeft kunnen leiden tot toegenomen ervaren werkdruk. Dat de collega’s van [verweerder] geen hoge werkdruk ervoeren acht de kantonrechter niet veelzeggend omdat zij hun werk onderling konden verdelen terwijl [verweerder] een unieke functie had en zijn werk niet door collega’s kon worden gedaan. De kantonrechter acht het al met al voldoende aannemelijk dat [verweerder] in deze periode een toegenomen werkdruk heeft ervaren. Hetgeen EBN daartegen heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Ook het hof acht het voldoende aannemelijk dat [verweerder] werkdruk en spanningen heeft ervaren. Niet bestreden is dat de periode januari-april de drukste periode van het jaar was vanwege de jaarstukken die af moesten. Uit door [verweerder] overgelegde emailberichten blijkt verder dat hij in die periode regelmatig ’s avonds emailberichten van zijn leidinggevende kreeg met vragen en opdrachten voor de volgende ochtend. Dat is in lijn met de verklaring van de toenmalige echtgenote van [verweerder] , die heeft verklaard dat hij in het half jaar voor zijn uitval wel drie tot vier avonden per week thuis achter de PC werkzaam was voor EBN. [verweerder] heeft verder gewezen op het gesprek met [leidinggevende] op 13 maart 2015 waarin [verweerder] op zijn functioneren is aangesproken en de emailberichten van [leidinggevende] van 21 en 22 april 2015. Het hof acht het aannemelijk dat gelet op de inhoud en de toon van deze berichten, [verweerder] een hoge werkdruk en spanning heeft ervaren.
4.24.
Uit het voorgaande volgt dat de deskundige in zijn onderzoek terecht tot uitgang[s]punt heeft genomen dat de arbeidsomstandigheden van [verweerder] werden gekenmerkt door een expositie aan beeldschermwerk die de geldende normen overschrijdt, hoge ervaren werkdruk, onvoldoende rustmomenten en een door de werkhouding onvoldoende ontspannen nek-schouderregio.”
2.22
Nadat het hof in essentie tot de tussenconclusie is gekomen dat de arbeidsomstandigheden wel degelijk ‘ongezond’ en daarmee schadelijk waren, is het hof teruggekomen bij de stelling van EBN – die het hof in rov. 4.25. opnieuw heeft weergegeven – dat uit de berichten van [medisch adviseur 2] volgt dat er eigenlijk maar één relevante oorzaak is: de omstandigheden aan de zijde van [verweerder] . Het uitblijven van herstel tegen de verwachting van alle medici in zou volgens [medisch adviseur 2] ook wijzen op een andere oorzaak:
“4.25. EBN heeft onder verwijzing naar de berichten van [medisch adviseur 2] aangevoerd dat niet de arbeidsomstandigheden maar allerlei andere omstandigheden de RSI-klachten bij [verweerder] hebben veroorzaakt. [medisch adviseur 2] heeft gewezen op het arbeidsconflict en het dreigende ontslag. Het feit dat de verwachting van alle medici was dat herstel binnen drie maanden zou intreden en het feit dat dat niet is gebeurd, wijst ook op een andere oorzaak. Volgens [medisch adviseur 2] is het ontstane persisteren van de klachten gelegen in de functionele eenhandigheid gecombineerd met de persoonlijkheidsstructuur. [medisch adviseur 2] acht het niet uitgesloten dat [verweerder] zijn klachten heeft gekregen door langdurige overbelasting als gevolg van aangeboren afwijkingen, getriggerd door het arbeidsconflict. Deze aangeboren afwijking zou op den duur hoe dan ook hebben geleid tot overbelasting van de rechterarm en hand. Spanning heeft volgens [medisch adviseur 2] dan ook meer invloed dan de werkplek.”
2.23
In dit verband heeft het hof geoordeeld dat uit het deskundigenbericht volgt dat de arbeidsomstandigheden de oorzaak van de RSI-klachten zijn. Het hof heeft EBN niet gevolgd in haar stelling dat de RSI-klachten zijn ontstaan door de persoonlijke omstandigheden van [verweerder] . Het hof heeft in het deskundigenbericht onvoldoende aanknopingspunten gevonden dat de door [medisch adviseur 2] genoemde factoren een zelfstandige oorzaak van die klachten zijn. Ook in de berichten van [medisch adviseur 2] heeft het hof niet gelezen dat, de arbeidsomstandigheden weggedacht, die factoren tot RSI-klachten zouden hebben geleid. Verder is het hof nog ingegaan op het punt van [medisch adviseur 2] dat de overbelastingsklachten aan de rechterarm op den duur hoe dan ook zouden optreden vanwege de aangeboren beperking. Volgens het hof heeft [medisch adviseur 2] daarvoor geen enkele onderbouwing gegeven, terwijl Sorgdrager juist gemotiveerd heeft waarom hij in de aangeboren beperking aan de linkerarm/-hand geen zelfstandige oorzaak voor de RSI-klachten aan de rechterkant ziet:
“4.26. Uit het deskundigenbericht volgt dat de RSI-klachten het gevolg zijn van een expositie aan beeldschermwerk die de geldende normen overschrijdt, hoge ervaren werkdruk, onvoldoende rustmomenten en een door de werkhouding onvoldoende ontspannen nek-schouderregio. Het hof heeft in het deskundigenbericht onvoldoende aanknopingspunten gevonden dat de door [medisch adviseur 2] genoemde factoren – spanning door het arbeidsconflict en dreigend ontslag, de aangeboren beperking aan de rechterarm [bedoeld zal zijn: linkerarm,
A-G] waardoor er een verhoogde kwetsbaarheid is, de persoonlijkheidsstructuur – een zelfstandige oorzaak van de RSI-klachten zijn. Ook in de berichten van [medisch adviseur 2] leest het hof niet dat – de hiervoor vastgestelde arbeidsomstandigheden weggedacht – de genoemde factoren tot RSI-klachten zouden hebben geleid. De door [medisch adviseur 2] genoemde factoren zien vooral op de predispositie namelijk de lichamelijke en geestelijke constitutie van [verweerder] die van invloed kan zijn op de mate en het voortbestaan van de RSI-klachten. [medisch adviseur 2] heeft weliswaar geschreven dat de overbelastingsklachten aan de rechterarm op den duur hoe dan ook zouden optreden vanwege de aangeboren beperkingen aan de linkerarm/hand (door EBN op de zitting geduid als ‘tikkende tijdbom’) maar daarvoor heeft [medisch adviseur 2] geen enkele onderbouwing gegeven terwijl de deskundige gemotiveerd heeft waarom hij in de aangeboren beperking aan de linkerarm/hand geen zelfstandige oorzaak voor de RSI-klachten aan de rechterkant ziet (zie de reactie van Sorgdrager op [medisch adviseur 2] onder 2).”
2.24
Nadat het hof heeft geoordeeld dat [verweerder] aan RSI-klachten lijdt en dat die klachten het gevolg zijn van de arbeidsomstandigheden, is het hof toegekomen aan de laatste voor aansprakelijkheid van de werkgever relevante vraag: heeft EBN aan de op haar rustende zorgplicht voldaan? Het hof heeft deze vraag ontkennend beantwoord. In dit verband heeft het hof eerst het oordeel van de kantonrechter aangehaald. In diens oordeel dat EBN niet heeft aangetoond dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht om de door [verweerder] geleden gezondheidsschade in de vorm van RSI-klachten te voorkomen, heeft de kantonrechter van belang geacht dat [verweerder] door zijn aangeboren beperking een verhoogde kans heeft op het ontwikkelen van RSI-klachten, dat zijn werk grotendeels uit beeldschermwerk bestond, dat hij uit zichzelf geen regelmatige pauzes nam en dat hij, gezien zijn beperkte mobiliteit, niet in staat is zijn werkplek regelmatig te verlaten. Naar het oordeel van de kantonrechter lag het, gelet op dat verhoogde risico, op de weg van EBN om specifieke, op [verweerder] gerichte maatregelen te treffen en is niet gebleken dat EBN dit heeft gedaan:

c) EBN heeft niet voldaan aan de op haar rustende zorgplicht
4.27.
De kantonrechter heeft geoordeeld dat EBN niet heeft aangetoond dat zij heeft voldaan aan haar zorgplicht om de door [verweerder] geleden gezondheidsschade in de vorm van RSI-klachten te voorkomen. De kantonrechter heeft daartoe overwogen dat [verweerder] door zijn aangeboren beperking een verhoogde kans heeft op het ontwikkelen van RSI-klachten, dat zijn werk grotendeels uit beeldschermwerk bestond, dat hij uit zichzelf geen regelmatige pauzes nam en gezien zijn beperkte mobiliteit (hij kan maximaal één uur per dag lopen) niet in staat is zijn werkplek regelmatig [te] verlaten. De kantonrechter heeft geoordeeld dat het gelet op dat verhoogde risico op de weg van EBN lag om specifieke, op [verweerder] gerichte maatregelen te treffen om RSI-klachten te voorkomen en niet te volstaan met maatregelen die voor al haar medewerkers golden. Niet is gebleken dat EBN dit heeft gedaan, aldus de kantonrechter. Verder heeft de kantonrechter geoordeeld dat EBN niet heeft voldaan aan de verplichting om een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) op te stellen waarbij zij in het bijzonder (gelet op de parlementaire geschiedenis bij artikel 5 Arbowet Pro) aandacht had moeten besteden aan bijzondere categorieën werknemers, waaronder gehandicapten. De kantonrechter is niet gebleken dat EBN een RI&E heeft opgesteld in het bijzonder voor de specifieke situatie van [verweerder] . Verder is niet gebleken dat de arbeid aan een beeldscherm zodanig is georganiseerd dat de arbeid op gezette tijden wordt afgewisseld door andersoortige arbeid of rusttijd (artikel 5.10 Arbeidsbesluit).
EBN heeft aangevoerd dat er voor het werkplekonderzoek van ENRGY in 2015 twee eerdere werkplekonderzoeken zijn uitgevoerd en dat mocht worden verwacht dat [verweerder] de daaruit volgende adviezen zou opvolgen. Daarover heeft de kantonrechter geoordeeld dat het aan de werkgever is om erop toe te zien dat uit de werkplekonderzoeken volgende instructies – als [verweerder] die heeft gekregen – worden nageleefd. Dat EBN dit heeft gedaan is niet voldoende onderbouwd. EBN heeft ook niet voldoende aannemelijk gemaakt dat zij adequaat heeft toegezien op het gebruik van pauzesoftware terwijl dit van EBN ten aanzien van [verweerder] wel mocht worden verwacht omdat [verweerder] zijn werkplek door zijn beperkingen moeilijker kon verlaten om pauzes te nemen.”
2.25
Daarna heeft het hof het standpunt van EBN in hoger beroep aangehaald. Zij heeft in het kader van grief 3 betoogd dat zij voldoende maatregelen heeft genomen om de gezondheidsschade bij [verweerder] te voorkomen:
“4.28. Met haar derde grief heeft EBN herhaald dat zij voldoende maatregelen heeft genomen om de gezondheidsschade bij [verweerder] te voorkomen. De werkplekken werden periodiek preventief medisch geïnventariseerd en beoordeeld op ergonomische kwaliteit. [verweerder] wist dus ruim voor zijn ziekmelding wat de meest ideale instellingen voor hem waren en had er zelf op kunnen toezien dat de juiste instellingen het hele jaar door werden gehandhaafd. EBN heeft er verder nog op gewezen dat zij al jaren meedoet met “Best Workplaces in Nederland” en dat zij “Great Place to Work Certified” is. Verder moedigt zij haar medewerkers aan gebruik te maken van de eigen fitnessruimte op kantoor, tafelvoetbal en stoelmassages maar dat [verweerder] slechts een maal gebruik heeft gemaakt van de gratis stoelmassage.”
2.26
Het hof heeft geoordeeld dat EBN niet heeft bestreden dat [verweerder] een verhoogd risico op het ontwikkelen van RSI-klachten had en dat zij specifieke, op [verweerder] gerichte voorzorgsmaatregelen moest nemen, waarna het heeft geoordeeld dat verschillende van de in dit verband door EBN aangevoerde maatregelen niet voldoende waren:
“4.29. Het hof stelt vast dat EBN niet heeft bestreden dat [verweerder] gelet op zijn beperkingen en de aard van zijn werkzaamheden een verhoogd risico op het ontwikkelen van RSI-klachten had. EBN heeft evenmin bestreden dat het om die reden op haar weg lag om specifieke, op [verweerder] gerichte maatregelen te treffen om RSI-klachten te voorkomen en dat niet kon worden volstaan met maatregelen die voor al haar medewerkers golden.
De stoelmassage en de fitness kunnen naar het oordeel van het hof niet worden gezien als op [verweerder] gerichte maatregelen om RSI-klachten bij [verweerder] te voorkomen. Dit geldt in het bijzonder omdat [verweerder] herhaaldelijk heeft uitgelegd dat stoelmassage en fitness voor hem, gelet op zijn beperkingen, niet zonder meer toegankelijk en doeltreffend zijn. EBN is daar verder niet meer op ingegaan.”
2.27
Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat in de na de mondelinge behandeling in hoger beroep alsnog overgelegde RI&E geen bijzondere aandacht is besteed aan de handicap van [verweerder] en dat het de verantwoordelijkheid van EBN was om ervoor te zorgen dat [verweerder] werkplek juist was ingesteld en dat [verweerder] voldoende rustmomenten nam en om daarop toezicht te houden:
“4.30. EBN heeft bij akte na de zitting bij het hof een RI&E overgelegd die is uitgevoerd op 26 augustus 2014. Daaruit blijkt niet, zoals [verweerder] in zijn laatste akte heeft aangevoerd, dat bijzondere aandacht is besteed aan de handicap van [verweerder] , terwijl die verplichting wel volgt uit artikel 5 Arbobesluit Pro. EBN heeft herhaald dat [verweerder] zelf had kunnen toezien op de juiste instellingen van zijn werkplek. Het hof is echter met de kantonrechter van oordeel dat (ook) van de werkgever mag worden verwacht, juist in het geval van [verweerder] waarin sprake is van een verhoogd risico op het ontwikkelen van RSI-klachten, dat zij erop toezag dat de werkplek van [verweerder] op de juiste wijze was ingesteld. Dat geldt ook voor het erop toezien dat [verweerder] voldoende rustmomenten nam. EBN heeft aangevoerd dat [verweerder] had kunnen vragen om de installatie van pauzesoftware en dat [verweerder] ook op zijn telefoon pauzesoftware had kunnen installeren maar waar het om gaat is dat, juist gelet op het bijzondere risico dat [verweerder] liep omdat hij vanwege zijn handicap uiterst beperkt was in zijn mogelijkheden om de werkplek te verlaten en te pauzeren, op EBN de plicht rustte erop toe te zien dat [verweerder] ook daadwerkelijk die pauzemomenten inlaste. Dat EBN dat heeft gedaan is onvoldoende gesteld en gebleken.”
2.28
Het feit dat [verweerder] niet anders wilde worden behandeld, ontsloeg EBN niet van haar zorgplicht, aldus het hof:
“4.31. EBN heeft bij herhaling gesteld dat [verweerder] expliciet heeft aangegeven dat hij niet anders wil worden behandeld dan zijn collega’s. Dat ontslaat een werkgever echter uiteraard niet van de op haar rustende plicht om maatregelen te nemen om te voorkomen dat de werknemer gezondheidsschade oploopt in de uitoefening van zijn werkzaamheden.”
2.29
EBN heeft bewijs aangeboden van de stelling dat EBN heeft toegezien op de juiste instelling van de werkplek, op een goede werkhouding en op voldoende rustmomenten en heeft aangeboden om [hoofd HRM] hierover te horen. Het hof is aan dit bewijsaanbod voorbijgegaan, omdat EBN deze stelling volgens het hof onvoldoende heeft onderbouwd:
“4.32. EBN heeft bewijs aangeboden van de door [verweerder] bestreden stelling dat er door EBN op is toegezien dat [verweerder] regelmatig werd aangesproken op een goede werkhouding, een optimaal ingestelde werkplek en het zorgen voor voldoende rustmomenten. EBN heeft aangeboden om [hoofd HRM] (hoofd HRM) hierover als getuige te horen. EBN heeft een uitvoerige schriftelijke verklaring van [hoofd HRM] overgelegd. Daaruit volgt niet dat en op welke wijze en door wie hierop is toegezien. Ook tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft EBN de stelling dat zij toezag op een goede werkhouding, optimaal ingestelde werkplek en voldoende rustmomenten niet nader onderbouwd door uit te leggen hoe dat toezicht er concreet uitzag en wie dat toezicht hield. Bij die stand van zaken acht het hof de stelling dat EBN adequaat heeft toegezien op de juiste instellingen van de werkplek, een goede werkhouding en voldoende rustmomenten onvoldoende onderbouwd en gaat het daarom voorbij aan het bewijsaanbod.”
2.3
Tegen deze achtergrond is het hof tot het oordeel gekomen dat EBN niet aan haar zorgplicht heeft voldaan:
“4.33. De conclusie luidt dat EBN niet heeft voldaan aan de op haar rustende zorgplicht om de werkplek van [verweerder] op een zodanige wijze in te richten en voor het verrichten van de arbeid zodanige maatregelen te treffen en aanwijzingen te verstrekken als redelijkerwijs nodig is om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt.”
2.31
Het hof heeft ten slotte zijn eindoordeel herhaald:
“4.34. Het hof is van oordeel dat voldoende is komen vast te staan dat [verweerder] in de uitoefening van zijn werkzaamheden bij EBN blijvende RSI-klachten heeft ontwikkeld en dat EBN niet heeft voldaan in [lees: aan,
A-G] de op haar rustende zorgplicht om dat te voorkomen. (…)”
Cassatie
2.32
Bij procesinleiding van 22 april 2025 heeft EBN tijdig [31] cassatieberoep ingesteld tegen het bestreden arrest. Bij verweerschrift van 20 juni 2025 heeft [verweerder] geconcludeerd tot verwerping van het cassatieberoep. Partijen hebben hun standpunten schriftelijk doen toelichten. EBN heeft gerepliceerd en [verweerder] gedupliceerd.

3.Werkgeversaansprakelijkheid, multicausale beroepsziekten en RSI-klachten

3.1
In de onderhavige zaak is de vraag of de werkgever op grond van art. 7:658 BW Pro aansprakelijk is voor RSI-klachten van de werknemer. In dat verband is een
condicio sine qua non-verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden noodzakelijk. Dat vereiste stelt de werknemer die met dergelijke klachten kampt vaak voor problemen, omdat ook andere oorzaken dan de arbeidsomstandigheden van belang kunnen zijn. Ter inleiding op de bespreking van de klachten in paragraaf 4 maak ik hier nu een aantal opmerkingen over RSI en vervolgens over de toepassing van art. 7:658 BW Pro bij multicausale beroepsziekten, waarvan RSI vaak een voorbeeld wordt genoemd. [32] Bij een dergelijke ziekte kan de oorsprong liggen in verschillende factoren, werkgerelateerde en andere, of in een combinatie daarvan en is in een concreet geval vaak niet meteen duidelijk of andere dan werkgerelateerde factoren daadwerkelijk een rol hebben gespeeld en, zo ja, in welke mate.
3.2
RSI is volgens de RSI-vereniging een verzamelnaam voor alle klachten aan armen, nek en schouders. Het draait om klachten door overbelasting van spieren, pezen, gewrichten en soms zenuwen, zonder dat dat komt door een ongeluk of ziekte. [33]
3.3
RSI is een van de meest voorkomende beroepsziekten. Uit de publicatie
Beroepsziekten in cijfers 2024van het Nederlands Centrum voor Beroepsziekten blijkt dat het hoogste aantal nieuwe gevallen van beroepsziekten per 100.000 werknemers wordt gemeld voor psychische aandoeningen, gevolgd door aandoeningen aan het houding- en bewegingsapparaat. [34] En uit het rapport
Arbobalans2024 van TNO blijkt dat 1,3% van de werkzame bevolking last heeft van RSI-klachten. [35]
3.4
RSI wordt, als gezegd, gezien als een multicausale beroepsziekte. Volgens de
Multidisciplinaire richtlijn aspecifieke Klachten Arm, Nek en/of Schouders [36] kunnen verschillende factoren een rol spelen bij het ontstaan van de klachten, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen fysieke factoren (bijvoorbeeld langdurig en vaak computerwerk doen), psychische en sociale factoren (zoals stress en geringe arbeidssatisfactie) en levensstijlfactoren (bijvoorbeeld te weinig nachtrust). Volgens deze richtlijn kan werk van invloed zijn op het ontstaan of beloop (bijvoorbeeld instandhouding en verergering) van de klachten. Volgens de richtlijn zijn er aanwijzingen dat repeterende arbeid het risico op pijn in de arm, hand en elleboog vergroot en dat een geringe arbeidssatisfactie gepaard gaat met een verhoogd risico op nek-schouderpijn.
3.5
In art. 7:658 BW Pro is de aansprakelijkheid van de werkgever wegens een schending van zijn zorgplicht voor een veilige werkomgeving geregeld. In dit kader geldt een ogenschijnlijk gunstig regime voor de werknemer. In het kader van art. 7:658 lid 2 BW Pro hoeft de werknemer slechts te stellen en, zo nodig, te bewijzen dat hij (1) schade heeft geleden (2) tijdens de uitoefening van zijn werkzaamheden. [37] Als de werknemer hierin slaagt, is de werkgever voor die schade aansprakelijk, tenzij de werkgever aantoont dat hij aan zijn zorgplicht heeft voldaan of, voor het geval dat niet zo is, dat de schade van de werknemer in belangrijke mate het gevolg is van diens opzet of bewuste roekeloosheid. In de zinsnede dat de werkgever aansprakelijk is
voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt, ligt besloten dat voor werkgeversaansprakelijkheid ex art. 7:658 BW Pro is vereist dat causaal verband bestaat tussen de door de werknemer gestelde schade enerzijds en de uitoefening van de werkzaamheden anderzijds. [38] Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro is het in beginsel aan de werknemer om het causaal verband tussen de schade en de uitoefening van de werkzaamheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen.
3.6
Als we ‘inzoomen’ op de werkgeversaansprakelijkheid op basis van art. 7:658 BW Pro bij multicausale beroepsziekten zoals RSI, blijkt dat Uw Raad zich slechts vier keer heeft hoeven uitlaten over de aansprakelijkheid van de werkgever voor RSI-klachten. [39] Er is vooralsnog geen rechtspraak van Uw Raad waaruit een algemene lijn kan worden gedestilleerd.
3.7
Wat we wel kunnen zeggen is dat zich in het kader van de toepassing van art. 7:658 BW Pro bij RSI op verschillende punten een vergelijkbare problematiek voordoet als bij psychische aandoeningen zoals overspanning en
burn-out. Zo worden beide beroepsziekten in verband gebracht met multicausaliteit. Verder worden zij beide gekenmerkt door overbelasting. Juist in dat verband treedt naar voren dat niet iedere werknemer hetzelfde aankan en dat de ene eerder uitvalt dan de andere. Dat heeft ook consequenties voor de van de werkgever te verlangen zorg. Die wordt in eerste instantie natuurlijk bepaald door
algemeneuit arboregels voortvloeiende en in het kader van art. 7:658 BW Pro gesanctioneerde verplichtingen. [40] Gewezen kan worden op art. 5.10 Arbeidsomstandighedenbesluit, op grond waarvan beeldschermwerk zodanig georganiseerd moet zijn dat dit werk op gezette tijden wordt afgewisseld door andersoortig werk of door een pauze, zodat de met het beeldschermwerk gemoeide belasting wordt verlicht. [41]
3.8
Het op basis van de arboregels en art. 7:658 BW Pro treffen van algemene maatregelen zal in veel gevallen overbelasting (en daarmee ook eventuele werkgeversaansprakelijkheid) voorkomen, maar soms kan van de werkgever meer worden gevergd, te weten meer op de
specifiekewerknemer toegespitste maatregelen, die betrekking kunnen hebben op verschillende vlakken: instructies, specifieke voorzorgsmaatregelen (aanpassing van de werkplek, aanpassing van de werktijden, aanpassing van het werk) en toezicht. Ik wijs op art. 3 lid 1 sub Pro c Arbeidsomstandighedenwet, op grond waarvan – vrij weergegeven – de werkgever een arbeidsomstandighedenbeleid moet voeren en in dat verband de arbeidsomstandigheden zoveel als redelijkerwijs kan worden gevergd moet aanpassen aan de persoonlijke eigenschappen van werknemers. Verder noem ik art. 5 lid Pro 1 Arbeidsomstandighedenwet, op grond waarvan de werkgever een risico-inventarisatie en -evaluatie (RI&E) moet uitvoeren, waarin hij moet ingaan op de gevaren en de risico-beperkende maatregelen en de risico’s voor bijzondere categorieën van werknemers, onder wie, zo volgt uit de parlementaire geschiedenis, personen met een handicap. [42]
3.9
In het kader van de beantwoording van de vraag of ten aanzien van een specifieke werknemer extra zorg van de werkgever kan worden verlangd is dan wel van belang dat de werkgever weet dat de specifieke situatie van de betrokken werknemer om een meer op maat gesneden zorg vraagt. [43] Dat zien we duidelijk terug in de feitenrechtspraak over overspanning en
burn-out. [44] Daarvoor kan het van belang zijn dat de betrokken werknemer signalen heeft afgegeven (een minder eerbiedige maar in het veld wel gehoorde formulering is dat hij heeft ‘gepiept’). [45] Bij gebreke van dergelijke signalen gaat de werkgever in het kader van art. 7:658 BW Pro nog wel eens vrijuit, (mede) omdat hem dan niet kan worden verweten dat hij die specifieke extra zorg niet heeft betracht. [46]
3.1
Ik zal nu iets meer ‘inzoomen’ op de causaliteitsproblematiek.
3.11
Voor werkgeversaansprakelijkheid ex art. 7:658 BW Pro is, als gezegd, vereist dat causaal verband bestaat tussen de door de werknemer gestelde schade enerzijds en de uitoefening van de werkzaamheden anderzijds. Dat ligt besloten in de zinsnede dat de werkgever aansprakelijk is
voor de schade die de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden lijdt. Op grond van de hoofdregel van art. 150 Rv Pro is het in beginsel aan de werknemer om het causaal verband tussen de schade en de uitoefening van de werkzaamheden te stellen en, zo nodig, te bewijzen.
3.12
Waar dat bij klassieke arbeidsongevallen in de regel niet problematisch is, ligt dat anders bij beroepsziekten. Voor een werknemer die meent door een beroepsziekte te zijn getroffen en daarom zijn werkgever aanspreekt, is het vaak lastig, in ieder geval veel moeilijker dan bij een arbeidsongeval, om aan te tonen dat zijn schade in causaal verband staat met de uitoefening van zijn werkzaamheden. In dit type zaken gaat het doorgaans om de schadelijke gevolgen van (langdurige) blootstelling aan gevaarlijke stoffen of bijvoorbeeld fysieke of psychische overbelasting. [47] Wat het bewijs van causaal verband in deze zaken ingewikkeld maakt, is enerzijds dat ziekten vaak geleidelijk ontstaan (en soms pas na lange tijd aan de oppervlakte komen) en anderzijds dat zij vaak ook een oorzaak kunnen hebben in omstandigheden die buiten de werksfeer liggen zoals activiteiten buiten het betrokken werk (hobby’s, sporten, andere werkzaamheden) of kunnen zijn beïnvloed door het fysieke of psychische gestel van de werknemer of privéproblemen aan zijn kant. [48] Uw Raad is de werknemer met de arbeidsrechtelijke omkeringsregel en het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid enigszins tegemoetgekomen in diens moeilijke bewijspositie in gevallen waarin onzekerheid bestaat over het causaal verband. Daaraan besteed ik hierna enige aandacht. Over de betekenis van het fysieke of psychische gestel of privéproblemen heeft Uw Raad zich ook al vaker uitgelaten, meer specifiek in het kader van art. 6:98 BW Pro. Ook daarop kom ik hierna terug.
3.13
Uw Raad heeft wat in de doctrine bekend staat als de ‘arbeidsrechtelijke omkeringsregel’ in het arrest
Unilever/Dikmans [49] geïntroduceerd. De arbeidsrechtelijke omkeringsregel houdt in dat als een werknemer bij zijn werk is blootgesteld aan gevaarlijke arbeidsomstandigheden en schade heeft die daardoor kan zijn veroorzaakt, het causaal verband tussen de werkzaamheden en de schade in beginsel moet worden aangenomen indien de werkgever zijn zorgplicht ter voorkoming van die schade heeft geschonden. In latere rechtspraak is verdere invulling aan de regel gegeven.
3.14
De laatste stand van zaken blijkt uit de weergave in
Gemeente Rheden: [50]
“Voor de toepassing van deze regel is nodig dat de werknemer niet alleen stelt, en zo nodig bewijst, dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid, maar ook dat hij stelt en zo nodig aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt.
De hier bedoelde regel drukt het vermoeden uit dat, indien de zojuist genoemde feiten komen vast te staan, de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de omstandigheden waarin deze zijn werkzaamheden heeft verricht. Dat vermoeden wordt gerechtvaardigd door hetgeen in het algemeen bekend is omtrent de ziekte en haar oorzaken, alsook door de schending door de werkgever van de veiligheidsnorm die beoogt een en ander te voorkomen. Gelet daarop is voor dit vermoeden geen plaats in het geval het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald is.”
3.15
De voorwaarden voor toepassing van deze regel zijn dat de werknemer (1) stelt en, zo nodig, bewijst dat hij zijn werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk zijn voor zijn gezondheid, (2) stelt en, zo nodig, aannemelijk maakt dat hij lijdt aan gezondheidsklachten en (3) stelt en, zo nodig, aannemelijk maakt dat die gezondheidsklachten door genoemde werkomstandigheden kunnen zijn veroorzaakt. Toepassing van de regel leidt tot een rechterlijk vermoeden dat de gezondheidsschade van de werknemer is veroorzaakt door de arbeidsomstandigheden. Het is vervolgens aan de werkgever om dit vermoeden te ontzenuwen. Wanneer het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker en te onbepaald is, bestaat, zo blijkt uit de slotzin uit het citaat, geen rechtvaardiging voor het rechterlijke vermoeden dat de gezondheidsschade door die arbeidsomstandigheden is veroorzaakt. Dit laatste gaat terug op een tweetal arresten van Uw Raad van 7 juni 2013 (de zogeheten
7 juni-arresten) waarvan één, het arrest
SVB/ […], betrekking heeft op RSI-klachten. [51]
3.16
Het gevolg is dat de meerwaarde van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel voor degenen die door een beroepsziekte (menen te) zijn getroffen, beperkt is. Is het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden te onzeker en te onbepaald, dan leent het geval zich niet voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel. Uit het arrest
SVB/ […]wordt in ieder geval afgeleid dat de betekenis van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel voor RSI-klachten beperkt is; eigenlijk is er geen plaats voor toepassing van deze regel, zolang tenminste niet substantieel meer bekend wordt over aard en oorzaken van RSI-klachten. [52]
3.17
Een enkele auteur heeft zich kritisch uitgelaten over de door Uw Raad geformuleerde toepassingsvoorwaarden voor de arbeidsrechtelijke omkeringsregel, vanuit de gedachte dat het hanteren van (te) strenge voorwaarden afbreuk doet aan de werknemersbescherming die met de regel is beoogd. [53] Hier staat echter tegenover dat het (te) gemakkelijk inzetten van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel óók een prijs heeft, namelijk een grotere kans dat werkgevers gehouden worden schade te vergoeden die zij niet hebben veroorzaakt. [54] Het is dus kiezen tussen twee kwaden. Tegen die achtergrond [55] heeft Uw Raad in de al genoemde
7 juni-arresten – bevestigd in het hiervoor in randnummer 3.14 genoemde arrest
Gemeente Rheden– gekozen voor de huidige invulling van de toepassingsvoorwaarden. Daarbij moet worden bedacht dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel een
alles-of-niets-benadering is; bij toepassing wordt de causaliteitsonzekerheid volledig op de werkgever afgewenteld. Is niet aan de toepassingsvoorwaarden voldaan, dan kan met toepassing van het leerstuk van de
proportionele aansprakelijkheideventueel nog tot een verdeling van de causaliteitsonzekerheid over werkgever en werknemer worden gekomen. [56]
3.18
Dit laatste in het arrest
Nefalit/Karamus [57] geïntroduceerde leerstuk is bedoeld voor gevallen waarin niet kan worden vastgesteld of de schade is veroorzaakt door een normschending van de aansprakelijk gestelde partij (hier: de werkgever) of van iemand voor wie hij aansprakelijk is, dan wel door een oorzaak die voor risico van de benadeelde zelf (hier: de werknemer) komt of door een combinatie van beide, en waarin de kans dat de schade door de normschending in de sfeer van de aansprakelijke persoon (hier: de werkgever) is veroorzaakt niet zeer klein en evenmin zeer groot is. [58] In de context van de betreffende zaak, waarin de vraag speelde of een werknemer door het werk of (mede) door andere oorzaken aan longkanker leed, noemde Uw Raad in het kader van omstandigheden die aan de werknemer moeten worden toegerekend: roken, genetische aanleg, veroudering of van buiten komende oorzaken. [59] Waar voor toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel het verband tussen de gezondheidsschade en de arbeidsomstandigheden niet te onzeker of onbepaald mag zijn, ligt de drempel voor toepassing van het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid lager; voldoende is dat de veroorzakingskans niet ‘zeer klein’ is. Anderzijds mag die kans ook niet zodanig groot zijn dat toewijzing van de volledige vordering op haar plaats zou zijn. Aangenomen mag worden dat de onder- en bovengrens zich niet in algemene regels laten vaststellen. [60] Wat wel nodig is, is dat de niet zeer kleine noch zeer grote kans met een redelijke mate van zekerheid te bepalen is. [61] Ook dat lijkt bij RSI een probleem, zodat ook het leerstuk van de proportionele aansprakelijkheid bij RSI-klachten niet snel toepassing zal vinden. [62]
3.19
Gelet op het voorgaande is het niet verwonderlijk dat het beeld dat uit de op www.rechtspraak.nl gepubliceerde feitenrechtspraak [63] naar voren komt niet rooskleurig is voor werknemers met RSI-klachten. [64] Een blik op die rechtspraak levert weinig zaken op waarin een succesvol beroep is gedaan op art. 7:658 BW Pro. [65] Een van die zaken is de onderhavige.
3.2
Wat bij werkgeversaansprakelijkheid voor beroepsziekten voor de werknemer lastig kan zijn, is dat de persoonlijke omstandigheden van de werknemer op meerdere fronten onder de aandacht kunnen worden gebracht door de werkgever. Dat kan immers gebeuren bij het hiervoor in randnummers 3.11 e.v. besproken causaal verband (het
condicio sine qua non-verband tussen schade en werk), dat ik hier laat rusten, maar bijvoorbeeld ook bij de toerekening van gevolgen in de zin van art. 6:98 BW Pro en bij de schadebegroting (wat zou er in de hypothetische situatie zonder normschending van deze persoon geworden zijn?). In dit verband wordt wel onderscheid gemaakt tussen pre-existentie of een predispositie. We spreken van
pre-existentiein het geval dat er al klachten waren. [66] Spreken we van
predispositie, dan hebben we het over een lichamelijke of geestelijke kwetsbaarheid die klachten of letsel (en daardoor schade) eerder doet ontstaan dan bij een ander of die klachten of de gevolgen ervan langer laat duren en/of erger doet zijn dan normaal is. In deze zaak lijkt
pre-existentieniet aan de orde. De aangeboren beperking van [verweerder] is in ieder geval niet als zodanig te begrijpen. Het zou hier dan hebben moeten gaan om reeds bestaande RSI-klachten of daarmee vergelijkbare klachten. Omdat van pre-existentie geen sprake is, beperk ik me hierna tot een enkele opmerking over de betekenis van een predispositie.
3.21
Daarmee bedoelen we dus dat een lichamelijke of geestelijke kwetsbaarheid die klachten of letsel (en daardoor schade) eerder doet ontstaan of de gevolgen ervan langer laat duren en/of erger doet zijn dan normaal is. Wat het (eerder) ontstaan betreft wordt vaak het voorbeeld gebruikt van een slachtoffer met een ‘eierschaalschedel’ [67] die met de consequenties daarvan wordt geconfronteerd door onrechtmatig handelen van een ander (een klap bijvoorbeeld). Ook een persoonlijkheidsstructuur (‘eierschaalpersoonlijkheid’) kan een dergelijke bijzondere kwetsbaarheid opleveren. [68] Maar het gaat niet alleen om een bijdrage aan het ontstaan van klachten of letsel. Op een vergelijkbare manier kunnen fysieke en geestelijke kwetsbaarheden (denk aan het geval van de renteneurose [69] ) bijvoorbeeld ook een nadelige invloed hebben op het aanhouden van de klachten en op (de duur van) het herstel. In al deze gevallen zijn deze specifieke omstandigheden aan de zijde van het slachtoffer
condiciones sine quibus nonvoor (een deel van) zijn schade, maar betekent dat niet dat deze schade in zoverre ook voor rekening van het slachtoffer blijft. Bij een predispositie nemen we immers in principe aan, dat de aansprakelijke persoon het slachtoffer te nemen heeft zoals hij of zij is (
the tortfeasor takes the victim as he finds him), zeker bij schending van veiligheidsnormen zoals EBN in deze zaak wordt aangewreven. [70] Dit betekent dat de aansprakelijke persoon het slachtoffer bij schending van een veiligheidsnorm niet kan tegenwerpen dat hij of zij zwakker is dan de gemiddelde persoon. [71] Dat levert de aansprakelijke persoon in ieder geval niets op: de gevolgen van een dergelijke zwak- of kwetsbaarheid (die het gevolg kan zijn van de lichamelijke constitutie of persoonlijkheidsstructuur) worden in het kader van art. 6:98 BW Pro aan de aansprakelijke persoon toegerekend. Datzelfde geldt voor moeilijkheden in het privéleven van het slachtoffer die bijvoorbeeld het herstel belemmeren. Ook deze komen in beginsel, zeker bij schending van een veiligheidsnorm zoals hier, voor rekening van de aansprakelijke persoon doordat hun gevolgen in het kader van art. 6:98 BW Pro worden toegerekend. [72] Kwetsbaarheden of privémoeilijkheden zoals zojuist genoemd leiden dus niet tot vermindering van de vergoedingsplicht door de schade over de aansprakelijke persoon en het slachtoffer te verdelen. Voor een dergelijke vermindering van de vergoedingsplicht op de voet van art. 6:101 BW Pro is slechts plaats onder bijzondere omstandigheden. Daarbij kan volgens Uw Raad gedacht worden aan het geval dat het slachtoffer zich, mede in aanmerking genomen zijn persoonlijkheidsstructuur en zijn privémoeilijkheden, onvoldoende inspant om een bijdrage te leveren aan het herstelproces. [73] Omdat dat niet eenvoudig is aan te tonen, lijkt het voor de praktijk relevanter dat deze factoren (lichamelijke kwetsbaarheid, persoonlijkheidsstructuur en privémoeilijkheden) bij de schadebegroting worden ‘meegenomen’: daar komt het slachtoffer immers ‘zichzelf’ tegen. In dit verband gaat het om gevallen waarin een kwetsbaarheid ook in het scenario zonder aansprakelijkheidsvestigende gebeurtenis op enig moment tot problemen (bijvoorbeeld uitval) zou hebben geleid. [74] Dat laatste, zo blijkt uit de rechtspraak van Uw Raad, mogen we echter ook weer niet te snel aannemen. [75] Vereist zijn concrete aanwijzingen dat deze factoren de betrokkene ook in de situatie ‘zonder normschending’ parten zouden hebben gespeeld. [76]
3.22
Tegen deze achtergrond bespreek ik nu de klachten.

4.Bespreking van het cassatiemiddel

4.1
De procesinleiding vangt aan met een aantal inleidende paragrafen. In de ongenummerde paragraaf “
Kern van de zaak” zet EBN uiteen waar de onderhavige zaak volgens haar om draait. In paragraaf 1 “
Achtergrond van het geschil” schetst EBN de achtergrond van en de aanloop naar de onderhavige zaak. In paragraaf 2 “
RSI” legt EBN uit dat er volgens haar in algemene zin onduidelijkheid bestaat over de oorzaken van RSI. In paragraaf 3 lijkt EBN te willen aangeven dat (1) de arbeidsrechtelijke omkeringsregel zich niet goed leent voor toepassing bij RSI, (2) de werknemer het ook lastig zal hebben bij toepassing van de gewone bewijsregels ten aanzien van het verband tussen het werk en de klachten van de werknemer en (3) predispositie(s) en factoren in de privésfeer van de werknemer in een geval waarin diens arbeidsongeschiktheid meer oorzaken kan hebben, zoals bij RSI het geval is, niet (zonder meer) voor rekening van de werkgever komen. In dit verband citeert EBN eerst het arrest
SVB/ […], [77] mijn
NJ-noot bij dit arrest [78] en de conclusie van A-G Spier [79] voor het arrest
Campen/Köpcke Global Trading. [80] Ten slotte wordt ook nog verwezen naar de
NJ-noot bij het arrest
Nefalit/Karamus [81] en naar de conclusie van A-G Spier voor het arrest
SVB/ […]. [82]
4.2
Paragraaf 4 “
Middel van cassatie” bevat het cassatiemiddel dat in paragraaf 5 “
Klachten” wordt uitgewerkt. Gelet op randnummer 5.1 van de procesinleiding moeten de klachten tegen de achtergrond van de in het vorige randnummer besproken paragrafen worden bezien. Paragraaf 5 vangt aan met een sub-paragraaf “
Aanloop naar de klachten”. Daarin worden eerst rov. 4.15., 4.16., 4.25. en 4.26. uit het bestreden arrest geciteerd. Vervolgens begint EBN in randnummer 5.3 van de procesinleiding weliswaar met een verwijzing naar het bijzondere eigen schuld-regime van art. 7:658 BW Pro en de ‘alles-of-niets-benadering’ in dat verband, maar wijst zij er, onder verwijzing naar eerder door EBN in de procedure betrokken standpunten, tegelijkertijd op dat bij de beoordeling van het
condicio sine qua non-verband niet (zonder meer) kan worden voorbijgegaan aan factoren in de persoonlijke sfeer van de werknemer. Deze komen niet (zonder meer) ten laste van de werkgever, althans niet in het geval van een ‘multifactoriaal’ klachtsyndroom als RSI. In paragraaf 5 worden tot slot rov. 4.3.1 en 4.3.2 uit het arrest
[…] BV/ […] [83] geciteerd. In de procesinleiding is niet toegelicht welk punt EBN hiermee beoogt te maken. Omdat de in de klacht geciteerde rechtsoverwegingen uit het arrest
BV/ […]zien op proportionele aansprakelijkheid neem ik aan dat EBN bedoelt dat, mocht zij tekortgeschoten zijn in haar zorgplicht, in het geval van causaliteitsonzekerheid eventueel sprake kan zijn van proportionele aansprakelijkheid (in plaats van volledige aansprakelijkheid). Er volgen acht met Arabische cijfers aangeduide klachten, die overigens in de uitwerking in verschillende klachten uiteenvallen. Klacht 7 is opgedeeld in klacht 7a en klacht 7b.
4.3
Ik merk op dat daar waar de klachten het over het door de kantonrechter gelaste deskundigenonderzoek en het daaruit voortvloeiende deskundigenbericht hebben, er afwisselend over ‘deskundige’ (enkelvoud) en ‘deskundigen’ (meervoud) wordt gesproken. Voor de duidelijkheid benadruk ik dat Sorgdrager door de kantonrechter als deskundige is benoemd, maar dat hij samen met [fysiotherapeut en bewegingswetenschapper] en [gezondheidspsycholoog] een multidisciplinair onderzoek heeft verricht (zie randnummer 1.28 hiervoor). Ik spreek hierna zelf steeds van ‘deskundige’ (enkelvoud), behalve waar het gaat om de weergave van de klachten en in de klachten ‘deskundigen’ (meervoud) is gebruikt.
Klacht 1
4.4
Klacht 1 is gericht tegen rov. 4.26. De klacht neemt als vertrekpunt dat de kantonrechter voor recht heeft verklaard dat EBN aansprakelijk is voor de door [verweerder] geleden en nog te lijden schade als gevolg van zijn RSI-klachten en dat het hof het vonnis, waarin de kantonrechter dit heeft geoordeeld, heeft bekrachtigd. De klacht stelt vervolgens dat de RSI-klachten in de optiek van EBN, zoals het hof ook in rov. 4.25. en 4.17. zou hebben weergegeven, geheel of gedeeltelijk moeten worden toegeschreven aan (een combinatie van werk- en) niet-werkgerelateerde factoren in de privésfeer van [verweerder] (zoals zijn aangeboren beperking (met een daaraan verbonden grotere kans op overbelasting van zijn rechterarm), zijn persoonlijkheids(structuur), zijn relationele problemen en zijn psychische klachten). In dit verband wijst de klacht erop dat EBN in dit kader heeft verwezen naar de bevindingen van [medisch adviseur 2] en van [onafhankelijk bedrijfsarts] en overigens ook naar de bevindingen van de door de kantonrechter benoemde deskundigen. [84] Volgens de klacht is het hof van dit rapport en van deze bevindingen uitgegaan.
4.5
De klacht stelt ter discussie het door het hof aangenomen causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden en het gewicht dat factoren in de privésfeer van [verweerder] in dit verband in de schaal leggen. In verband met de factoren in de privésfeer van [verweerder] wordt telkens gewezen op de door [medisch adviseur 2] genoemde factoren: [verweerder] aangeboren beperking, zijn persoonlijkheid(sstructuur), zijn relationele problemen en zijn psychische problemen. [85] Volgens de klacht is het hof er bij de beoordeling van het causaal verband aan voorbijgegaan dat het in rov. 4.29. een aan de aangeboren beperking van [verweerder] inherent verhoogd gevaar op het ontwikkelen van RSI-klachten heeft vastgesteld en dat het in rov. 4.15., 4.16. en 4.29. de mogelijke veroorzaking door en mogelijke bijdrage van zijn aangeboren beperking en van zijn karakterstructuur en stressgevoeligheid – bedoeld zal zijn: aan het ontwikkelen van de RSI-klachten – heeft onderkend. Voor zover het hof heeft geoordeeld dat aan deze factoren enkel betekenis zou toekomen als zij een zelfstandige oorzaak van de RSI-klachten vormen, heeft het hof volgens de klacht blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, nu deze factoren bij RSI-klachten, waarvoor veelal niet één oorzaak kan worden aangewezen, niet zonder meer voor risico van de werkgever komen. Voor zover het hof bij de beoordeling van het causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden heeft geoordeeld dat de factoren in de privésfeer van [verweerder] niet van betekenis zijn, getuigt dit oordeel eveneens van een onjuiste rechtsopvatting, omdat deze factoren niet zonder meer voor risico van EBN komen “
enkel nu zij niet ieder voor zich (of tezamen) de zelfstandige oorzaak zijn van (het multifactoriaal bepaalde klachtsyndroom) RSI.” Voor zover het hof het voorgaande niet heeft miskend, is zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd waarom het hof EBN volledig aansprakelijk heeft gehouden voor de schade van [verweerder] , althans waarom het hof geen betekenis heeft toegekend aan de factoren in de privésfeer van [verweerder] . Aan deze klachten zou het verweer van EBN tegen het kennelijk door EBN in de inleidende dagvaarding van [verweerder] gelezen (subsidiaire) beroep op proportionele aansprakelijkheid niet afdoen, aangezien EBN dit enkel aanvoerde nu zij, in haar visie, haar zorgplicht niet schond (en niet voor het geval daarover in rechte anders zou worden geoordeeld en aansprakelijkheid zou worden vastgesteld). [86]
4.6
In
klacht 1is een aantal (deel)klachten te ontwaren. Ik loop ze hierna een voor een af.
4.7
Ik wijs er daarbij op dat het slot van randnummer 5.5 van de procesinleiding op twee manieren kan worden gelezen: als inleiding op de klachten in randnummer 5.6 van de procesinleiding en als zelfstandige klacht. Ik bespreek het slot van het randnummer 5.5 van de procesinleiding hierna als ware het een zelfstandige klacht. Mocht het slot van randnummer 5.5 van de procesinleiding toch enkel als inleiding op de klachten in randnummer 5.6 van de procesinleiding bedoeld zijn, dan is de hiernavolgende bespreking alsnog relevant, omdat de klachten in randnummer 5.6 van de procesinleiding dan tegen de achtergrond van de inleiding in randnummer 5.5 moeten worden bezien.
4.8
In randnummer 5.5 van de procesinleiding wordt het hof
in de eerste plaatsverweten dat het bij de beoordeling van het causaal verband is voorbijgegaan aan hetgeen het in rov. 4.15., 4.16. en 4.29. heeft overwogen. Wat het hof in die rechtsoverwegingen heeft overwogen is echter iets anders dan de klacht suggereert. De klacht faalt dan ook vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Ik licht dit in de volgende drie randnummers toe.
4.9
Het hof heeft in rov. 4.15. het deskundigenbericht samengevat en in rov. 4.16. beschreven waar dit op neerkomt. Anders dan de klacht suggereert (“
Het hof onderkent de mogelijke veroorzaking[door]
en de mogelijke bijdrage(…)
van zijn karakterstructuur en stressgevoeligheid[aan het ontwikkelen van RSI-klachten]
.”), heeft het hof in die rechtsoverwegingen dus nog geen eigen oordeel over de (mogelijke) oorzaken van de RSI-klachten gegeven, laat staan dat het in die rechtsoverwegingen heeft onderkend dat [verweerder] karakterstructuur en stressgevoeligheid (mogelijk) een rol hebben gespeeld bij het ontstaan van de RSI-klachten. Het hof heeft pas in rov. 4.26. een eigen oordeel over de (mogelijke) oorzaken van de RSI-klachten gegeven (dat overigens wel is gebaseerd op het deskundigenbericht). Ik kom nog te spreken over deze rechtsoverweging.
4.1
Het hof heeft in rov. 4.29. eerst vastgesteld dat EBN niet heeft bestreden dat [verweerder] , gelet op zijn beperking en de aard van zijn werkzaamheden, een verhoogd risico op het ontwikkelen van RSI-klachten had, waarna het heeft overwogen dat EBN evenmin heeft bestreden dat het om die reden op haar weg lag om specifieke, op [verweerder] gerichte maatregelen te treffen om RSI-klachten te voorkomen en dat niet kon worden volstaan met maatregelen die voor al haar medewerkers golden. Anders dan de klacht suggereert (“
Het hof stelt, gelijk de kantonrechter, een aan de aangeboren beperkingen van [verweerder] inherent verhoogd gevaar op het ontwikkelen van RSI-klachten vast(...)
.”), heeft het hof niet overwogen dat dat verhoogde risico slechts valt toe te schrijven aan de beperking van [verweerder] . Dat verhoogde risico wordt bepaald door zijn beperking én de aard van zijn werkzaamheden, aldus het hof. Verder gaat de klacht eraan voorbij dat rov. 4.29. niet moet worden bezien in het kader van de causaliteitsvraag (rov. 4.6.-4.26.) maar in het kader van de daaropvolgende, door de door EBN aangevoerde grief 3 aan de orde gestelde, vraag of EBN aan de op haar rustende zorgplicht heeft voldaan (rov. 4.27.-4.33.). Bij de beoordeling in dat verband van de vraag welke te treffen maatregelen en te geven aanwijzingen redelijkerwijs nodig zijn om te voorkomen dat de werknemer in de uitoefening van zijn werkzaamheden schade lijdt, kan betekenis toekomen aan de bijzondere situatie van een specifieke werknemer of specifieke groep werknemers en dus ook aan een aan een beperking verbonden verhoogd risico op het ontwikkelen van RSI-klachten (vergelijk randnummers 3.7-3.9 hiervoor). Daar draait het om in rov. 4.29.
4.11
In de tweede plaatszou het hof hebben geoordeeld dat aan de door [medisch adviseur 2] genoemde factoren enkel betekenis toekomt als zij een ‘zelfstandige’ oorzaak van de RSI-klachten vormen (randnummer 5.6 van de procesinleiding). Dat vermeende oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, nu die factoren bij RSI-klachten, waarvoor veelal niet één oorzaak kan worden aangewezen, niet zonder meer voor risico van de werkgever zouden komen. Ook deze klacht faalt vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag.
4.12
Uit het bestreden arrest kan niet worden opgemaakt dat het hof de rechtsopvatting is toegedaan dat de aangevoerde factoren in het algemeen slechts van betekenis zijn bij de beoordeling van de vraag of sprake is van causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden als zij een zelfstandige oorzaak van de RSI-klachten zijn. Ik zet hierna uiteen wat het hof wel heeft overwogen en uiteindelijk heeft geoordeeld.
4.13
Het hof heeft in de eerste volzin van rov. 4.26. geoordeeld dat uit het deskundigenbericht volgt dat de RSI-klachten het gevolg zijn van de arbeidsomstandigheden: “
Uit het deskundigenbericht volgt dat de RSI-klachten het gevolg zijn van een expositie aan beeldschermwerk die geldende normen overschrijdt, hoge ervaren werkdruk, onvoldoende rustmomenten en een door de werkhouding onvoldoende ontspannen nek-schouderregio.
4.14
Het hof is in de daaropvolgende volzinnen van rov. 4.26. ingegaan op de eerder door EBN betrokken stelling (rov. 4.17.), die het hof in rov. 4.25. nog heeft beschreven, dat niet de arbeidsomstandigheden maar juist allerlei andere omstandigheden (zoals de aangeboren beperking) de RSI-klachten bij [verweerder] hebben veroorzaakt. Voor die conclusie heeft het hof noch in het deskundigenbericht noch in de berichten van [medisch adviseur 2] aanknopingspunten gevonden: “
Het hof heeft in het deskundigenbericht onvoldoende aanknopingspunten gevonden dat de door [medisch adviseur 2] genoemde factoren – spanning door het arbeidsconflict en dreigend ontslag, de aangeboren beperking aan de rechterarm[bedoeld zal zijn: de linkerarm,
A-G]
waardoor er een verhoogde kwetsbaarheid is, de persoonlijkheidsstructuur – een zelfstandige oorzaak van de RSI-klachten zijn. Ook in de berichten van [medisch adviseur 2] leest het hof niet dat – de hiervoor vastgestelde arbeidsomstandigheden weggedacht – de genoemde factoren tot RSI-klachten zouden hebben geleid.
4.15
Het hof heeft in rov. 4.26. vervolgens nog toegelicht waarom het niet overtuigd is door de berichten van [medisch adviseur 2] . In de eerste plaats zien de door [medisch adviseur 2] genoemde factoren volgens het hof vooral op de predispositie (de lichamelijke en geestelijke constitutie) van [verweerder] die van invloed kan zijn op de mate en het voorbestaan van de RSI-klachten. Daarmee heeft het hof kennelijk tot uitdrukking willen brengen dat een beroep op dergelijke persoonlijke omstandigheden aan de zijde van [verweerder] EBN geen soelaas kan bieden. En dat klopt ook. Strikt genomen zijn zulke omstandigheden weliswaar
condiciones sine quibus nonzijn voor (een deel van) zijn RSI-klachten en de daarmee gemoeide schade, maar deze schade komt desondanks niet voor rekening van [verweerder] maar die van EBN (vergelijk randnummer 3.21 hiervoor [87] ). In de tweede plaats heeft [medisch adviseur 2] volgens het hof geen enkele onderbouwing gegeven voor de stelling dat de overbelastingsklachten aan de rechterarm op den duur hoe dan ook zouden optreden vanwege de aangeboren beperkingen aan de linkerarm/-hand. Ik wijs er in dit verband op dat het hof in rov. 4.18. heeft geoordeeld dat [medisch adviseur 2] op twee fundamentele onderdelen van een onjuist vertrekpunt is uitgegaan, wat wezenlijk afbreuk doet aan de inhoudelijke betekenis van zijn conclusies (zie ook mijn behandeling van klacht 4 in randnummers 4.39-4.45 hierna). Daar komt in de derde plaats bij dat Sorgdrager volgens het hof heeft gemotiveerd waarom hij in de aangeboren beperking aan de linkerarm/-hand juist geen zelfstandige oorzaak voor de RSI-klachten aan de rechterkant ziet.
4.16
Uit de hiervoor beschreven oordelen volgt dat het hof in deze zaak tot het oordeel is gekomen dat de arbeidsomstandigheden de enige oorzaak van de RSI-klachten van [verweerder] zijn. Met de in dit verband in rov. 4.26. gebruikte woorden “
zelfstandige oorzaak” heeft het hof slechts gerespondeerd op de stelling van EBN dat niet de arbeidsomstandigheden maar juist de persoonlijke omstandigheden aan de zijde van [verweerder] zijn RSI-klachten hebben veroorzaakt (rov. 4.17. en 4.25.). Ter beoordeling van dat betoog, dat er in wezen op neerkomt dat enkel die omstandigheden de klachten zouden hebben veroorzaakt, heeft het hof, zo blijkt uitdrukkelijk bij de beoordeling van de berichten van [medisch adviseur 2] , de vraag gesteld of, de arbeidsomstandigheden weggedacht, ook klachten ook zouden zijn ontstaan (zo nee: geen “
zelfstandige oorzaak”). Voor die conclusie heeft het hof noch in het deskundigenbericht noch in de berichten van [medisch adviseur 2] aanknopingspunten gevonden.
4.17
In
de derde plaatszou het hof hebben geoordeeld dat de aangevoerde factoren in de privésfeer van [verweerder] niet van betekenis zijn (randnummer 5.6 van de procesinleiding). Ook dat vermeende oordeel zou getuigen van een onjuiste rechtsopvatting, nu die factoren niet zonder meer voor risico van EBN komen. In de uitleg van de bestreden rechtsoverweging die ik in randnummers 4.11-4.16 hiervoor heb uiteengezet, kan uit deze rechtsoverweging ook niet worden opgemaakt dat het hof van oordeel is geweest dat factoren in de privésfeer van een werknemer per definitie niet van betekenis zijn bij het beoordelen van de vraag of sprake is van causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden. De oordelen van het hof zijn op deze zaak toegespitst en hebben niet de daaraan door de klacht toegedichte algemene gelding. [88]
4.18
Mochten de rechtsklachten falen, dan zou
in de vierde plaats(randnummer 5.6 van de procesinleiding) onbegrijpelijk zijn waarom het hof EBN volledig aansprakelijk heeft gehouden voor de schade van [verweerder] , althans waarom het geen betekenis aan de factoren in de privésfeer van [verweerder] heeft toegekend. In het licht van mijn uiteenzetting over de bestreden rechtsoverweging in randnummers 4.11-4.16 hiervoor, faalt ook deze klacht vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Bovendien is de bestreden rechtsoverweging in ieder geval niet onbegrijpelijk.
4.19
Klacht 1 treft geen doel.
Klacht 2
4.2
Klacht 2 is eveneens gericht tegen rov. 4.26. Voor zover uit het oordeel van het hof in die rechtsoverweging moet worden begrepen dat het hof is uitgegaan van een verwaarloosbare of zeer kleine bijdrage aan of kans op veroorzaking van de RSI-klachten door de in rov. 4.25. genoemde factoren, hetgeen de benoemde deskundigen, wier rapport het hof heeft gevolgd, niet hebben kunnen uitmaken, [89] dan behoeft het volgens de klacht nadere motivering, om begrijpelijk te zijn, van welk percentage het hof is uitgegaan, althans waarom het hof de bijdrage aan of kans op veroorzaking van de RSI-klachten door die factoren in deze zaak te klein acht om tot een proportionele benadering te komen, en hoe het hof dit heeft kunnen bepalen (c.q. vaststellen).
4.21
Klacht 2lijkt voort te bouwen op klacht 1 en faalt in ieder geval eveneens vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan de klacht als optie suggereert, is het hof in rov. 4.26. niet uitgegaan van een verwaarloosbare of zeer kleine bijdrage aan of kans op veroorzaking van de RSI-klachten door de in rov. 4.25. weergegeven door [medisch adviseur 2] genoemde factoren (dat zijn: het arbeidsconflict en het dreigende ontslag, de functionele eenhandigheid gecombineerd met de persoonlijkheidsstructuur, langdurige overbelasting als gevolg van aangeboren afwijkingen, getriggerd door het arbeidsconflict). Het hof is in essentie tot het oordeel gekomen dat in deze zaak de arbeidsomstandigheden de enige veroorzakingsfactor van de RSI-klachten zijn en dat de genoemde factoren niet (ook) een relevante veroorzakingsfactor zijn. [90] Het heeft daarin de deskundige gevolgd, na uitvoerige bespreking van de tegen het deskundigenbericht ingebrachte bezwaren. Zie in dit verband de behandeling van klacht 1 in randnummers 4.4-4.19 hiervoor. Uit de weergave van het oordeel van het hof in randnummers 4.13-4.15 volgt dat niet kan worden gezegd dat het hof heeft aangenomen dat van een verwaarloosbare of zeer kleine bijdrage of kans sprake was.
4.22
Klacht 2 treft geen doel.
Klacht 3
4.23
Klacht 3 is gericht tegen rov. 4.1.-4.33. en dus tegen de gehele inhoudelijke beoordeling door het hof, zij het dat het toch vooral weer over het causaliteitsoordeel gaat. Naar het in hoger beroep onbestreden en volgens de klacht juiste oordeel van de kantonrechter in rov. 5.4. in het tussenvonnis van 30 juni 2021 is “
gezien de onduidelijkheid over de aard en de oorzaken van RSI, het verband tussen de door [verweerder] gestelde schade en de arbeidsomstandigheden te onzeker of te onbepaald(…)” en is er daarom “
geen aanleiding(…)
de arbeidsrechtelijke omkeringsregel toe te passen als omschreven in[rov.]
4.2.” Dit betekent, zo overwoog de kantonrechter, “
dat [verweerder] in deze procedure dient te stellen en zo nodig te bewijzen dat hij de schade waarvan hij vergoeding vordert, heeft geleden in de uitoefening van zijn werkzaamheden en dat zijn bewijslast op dit punt dus niet wordt verlicht door toepassing van een bewijsvermoeden.
4.24
Volgens de klacht kon [verweerder] tegen deze achtergrond niet volstaan met stellen en (zo nodig) bewijzen dat hij werkzaamheden heeft moeten verrichten onder omstandigheden die schadelijk kunnen zijn voor zijn gezondheid; hij had ook moeten stellen en zo nodig aannemelijk moeten maken dat hij lijdt aan klachten die daardoor kunnen zijn veroorzaakt.
4.25
De klacht werkt dit vervolgens uit. De stelplicht en (zo nodig) de bewijslast ten aanzien van zijn schade en van het causaal verband met de uitvoering van zijn werkzaamheden [91] alsmede van de omstandigheden op het werk rusten volgens de klacht op [verweerder] . [92] Hier helpt de arbeidsrechtelijke omkeringsregel uit het arrest
Unilever/ […] [93] van Uw Raad [verweerder] niet, aldus de klacht. In het geval van RSI-klachten en blootstelling op het werk aan risicofactoren is, aldus de klacht, het hiervoor bedoelde causaal verband nog niet gegeven, omdat blootstelling aan risicofactoren helemaal niet tot RSI-klachten hoeft te leiden.
4.26
De klacht bespreekt daarna enkele oordelen van het hof. De klacht haalt in de eerste plaats de weergave van de conclusies van de door de kantonrechter benoemde deskundige (Sorgdrager) door het hof in rov. 4.17. – bedoeld zal zijn: rov. 4.16. – aan dat de spanning en druk die [verweerder] heeft ervaren, zijn karakterstructuur en zijn stressgevoeligheid hebben bijgedragen “
aan de mate waarin [verweerder] de klachten heeft ontwikkeld en de instandhouding ervan”. De klacht wijst in de tweede plaats op rov. 4.15., waar het hof het oordeel van de deskundigen zou hebben onderschreven “
dat het niet zozeer gaat om het overwerk maar om de gespannen houding en ervaren werkdruk die de klachten hebben doen optreden (vraag 3)”. De klacht wijst tot slot nogmaals op rov. 4.15., waar het hof de bevinding van de deskundigen zou hebben overgenomen dat een ontspannen werkhouding naast ergonomische principes ook te maken heeft “
met de functioneel eenhandigheid, zijn perfectionisme, beperkte copingsmechanismen en de stressgevoeligheid.
4.27
Na deze aanloop worden (vanaf halverwege randnummer 5.13 van de procesinleiding) de daadwerkelijke klachten geformuleerd. In dit verband wordt aangevoerd dat de gewone bewijsregels gelden, maar dat nergens uit blijkt dat het hof heeft beoordeeld of [verweerder] hieraan heeft voldaan, althans of sprake is van een
condicio sine qua non-verband tussen de opgelopen schade en de werkzaamheden. Voor zover het hof heeft beoordeeld of dit causaal verband bestaat, heeft het zich volgens de klacht verlaten op de bevindingen van de deskundigen. De klacht stelt in dit verband dat het hof hiermee niet had mogen volstaan, maar dienaangaande een eigen oordeel had moeten geven. Voor zover het hof heeft miskend dat niet de arbeidsrechtelijke omkeringsregel maar de reguliere bewijsregels van art. 7:658 lid 2 BW Pro gelden, getuigt het oordeel van het hof volgens de klacht van een onjuiste rechtsopvatting, omdat RSI een multicausale ziekte is, over de aard en oorzaken van RSI veel onduidelijkheid bestaat en, mede als gevolg hiervan, onvoldoende aannemelijk is dat de arbeidsomstandigheden waaronder [verweerder] werkte zijn RSI-klachten hebben veroorzaakt. [94] Voor zover het hof dit (dat de arbeidsrechtelijke omkeringsregel niet van toepassing is en dat de gewone bewijsregels van art. 7:658 lid 2 BW Pro gelden) niet heeft miskend, is volgens de klacht zonder nadere motivering, die volgens de klacht ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd waarom het hof niet zelf heeft beoordeeld of [verweerder] heeft voldaan aan de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het causaal verband tussen de door hem opgelopen schade en zijn werkzaamheden voor EBN. Voor zover het hof heeft gemeend zich voor de beoordeling van het causaal verband, in mijn woorden, te hebben kunnen aansluiten bij het deskundigenbericht, getuigt het oordeel van het hof volgens de klacht van een onjuiste rechtsopvatting, omdat, gelet op de onduidelijkheden over de aard en oorzaken van RSI-klachten, niet kan worden volstaan met het overnemen of volgen van de bevindingen van de deskundigen. [95] Dit geldt te meer, aldus de klacht, nu de deskundigen van wier bevindingen het hof is uitgegaan, mede hebben gewezen op factoren in de privé- of risicosfeer van [verweerder] die ervoor zouden hebben gezorgd dat [verweerder] geen ontspannen werkhouding had terwijl juist zijn gespannenheid de RSI-klachten (mede) zou hebben teweeggebracht. [96]
4.28
De klacht stelt tot slot dat het hof in wezen de omkeringsregel heeft toegepast, terwijl daar, gelet op het multicausale klachtensyndroom RSI en het in randnummer 4.23 van deze conclusie reeds genoemde en in hoger beroep onbestreden oordeel van de kantonrechter, geen ruimte voor was. In dit verband wordt geciteerd uit een recente conclusie van A-G Lindenbergh. [97] Waar het hof in wezen zonder eigen beoordeling van het causaal verband tussen de werkzaamheden en de RSI-klachten, ter zake waarvan de stelplicht en (zo nodig) de bewijslast op [verweerder] rusten, aansprakelijkheid op de voet van art. 7:658 BW Pro heeft aangenomen, heeft het hof volgens de klacht miskend dat het in deze zaak geen toepassing aan de omkeringsregel had mogen geven en, nu daartegen niet is opgekomen met een grief, ook niet had mogen afwijken van het in hoger beroep onbestreden oordeel van de kantonrechter in rov. 5.4. en 5.5. van het tussenvonnis van 30 juni 2021.
4.29
Bij de behandeling van
klacht 3stel ik het volgende voorop. Net als klacht 1 stelt klacht 3 in essentie het causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden ter discussie. Klacht 3 voert in de kern twee verwijten aan. In de eerste plaats zou het hof de reguliere bewijsregels van art. 7:658 BW Pro hebben miskend door eigenlijk toch de arbeidsrechtelijke omkeringsregel toe te passen, terwijl de kantonrechter heeft geoordeeld dat er geen aanleiding is om deze regel toe te passen en het hof aan dat oordeel was gebonden. In de tweede plaats zou het hof, voor zover het de reguliere bewijsregels heeft toegepast, geen eigen oordeel over het causaal verband hebben geveld, maar zich enkel op het deskundigenbericht hebben verlaten. De klachten falen en wel om de volgende redenen.
4.3
In de eerste plaats heeft het hof, anders dan de klacht suggereert, beoordeeld of en uiteindelijk geoordeeld dat sprake is van een causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden. Ik verwijs in dit verband naar de behandeling van klacht 1 en de beschrijving in dit verband van hetgeen het hof ten aanzien van dit causaal verband heeft overwogen en uiteindelijk heeft geoordeeld, beide in randnummers 4.4-4.19 hiervoor. Nergens in het bestreden arrest heeft het hof melding gemaakt van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel. Uit het bestreden arrest blijkt niet dat het hof desondanks toch de arbeidsrechtelijke omkeringsregel heeft toegepast. Uit het bestreden arrest volgt juist dat het hof het bestaan van causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden voldoende aannemelijk heeft geacht en dat toepassing van de arbeidsrechtelijke omkeringsregel niet aan de orde was. Daaruit blijkt dat het hof, anders dan de klacht suggereert, niet heeft miskend dat de reguliere bewijsregels van art. 7:658 BW Pro (en dus niet de arbeidsrechtelijke omkeringsregel) van toepassing waren en in zoverre dan ook niet van het in hoger beroep onbestreden oordeel van de kantonrechter in rov. 5.4. en 5.5. van het tussenvonnis van 30 juni 2021 is afgeweken. En daaruit volgt dat het hof, anders dan de klacht suggereert, heeft beoordeeld of en uiteindelijk heeft geoordeeld dat [verweerder] heeft voldaan aan zijn stelplicht en, waar nodig, bewijslast ten aanzien van het causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden.
4.31
In de tweede plaats heeft het hof, anders dan de klacht suggereert, zelf geoordeeld over het bestaan van causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden. Dat het hof zich in dit verband op het door de kantonrechter gelaste deskundigenbericht en de daarin opgenomen conclusies van de deskundige heeft gebaseerd, maakt niet dat het hof geen eigen juridisch oordeel over het causaal verband heeft gegeven. Ik wijs in dit verband in het bijzonder op rov. 4.24. en 4.26. Het hof heeft in rov. 4.24. geoordeeld dat uit een (her)beoordeling van de oordelen van de kantonrechter en de daartegen gerichte bezwaren van EBN volgt dat Sorgdrager in zijn onderzoek terecht tot uitgangspunt heeft genomen dat de arbeidsomstandigheden werden gekenmerkt door een blootstelling aan beeldschermwerk die de geldende normen overschrijdt, hoge ervaren werkdruk, onvoldoende rustmomenten en een door de werkhouding onvoldoende ontspannen nek-schouderregio. Het hof heeft vervolgens in rov. 4.26. geoordeeld dat uit het deskundigenbericht volgt dat de RSI-klachten het gevolg zijn van de zojuist genoemde omstandigheden. Dat het hof zich hier steeds bij het deskundigenbericht heeft aangesloten, telkens na gemotiveerde verwerping van daartegen door EBN geformuleerde bezwaren, betekent niet dat niet van eigen oordelen van het hof sprake is. Overigens heeft het hof zijn oordeel niet uitsluitend op het deskundigenbericht gebaseerd. Ik wijs in dit verband bijvoorbeeld op rov. 4.22. en 4.23. In rov. 4.22. heeft het hof, voortbouwend op het in hoger beroep onbestreden oordeel van de kantonrechter op dit punt, vastgesteld dat niet is gebleken dat [verweerder] regelmatig pauzes inlaste. In rov. 4.23. heeft het hof mede op basis van de door [verweerder] overgelegde e-mailberichten en verklaring van zijn toenmalige echtgenote aannemelijk geacht dat [verweerder] een hoge werkdruk en spanning heeft ervaren.
4.32
Bovendien getuigt de beslissing van het hof om zich in het kader van zijn (juridische) beoordeling van het causaal verband en het in dat verband te vellen juridische oordeel (deels) op het deskundigenbericht en de daarin vervatte (feitelijke) conclusies te baseren niet van een onjuiste rechtsopvatting. Ik stel voorop dat de bewijswaardering van deskundigenrapporten als zodanig aan de feitenrechter is voorbehouden en in cassatie slechts op begrijpelijkheid kan worden getoetst. [98] Verder is het vaste rechtspraak van Uw Raad dat voor de rechter een beperkte motiveringsplicht geldt ten aanzien van zijn beslissing om de bevindingen van een deskundige al dan niet te volgen. Indien de rechter in een geval waarin de opinie van een partijdeskundige op gespannen voet staat met die van de door de rechter benoemde deskundige, de zienswijze van de door de rechter benoemde deskundige volgt, zal de rechter zijn beslissing in het algemeen niet verder behoeven te motiveren dan door aan te geven dat de door de door de rechter benoemde deskundige gebezigde motivering hem overtuigend voorkomt. Wel zal de rechter op specifieke bezwaren van partijen tegen de zienswijze van de door hem benoemde deskundige moeten ingaan, als deze bezwaren een voldoende gemotiveerde betwisting inhouden van de juistheid van deze zienswijze. [99] Voordat het hof tot het oordeel is gekomen dat het de inhoud van dit deskundigenbericht overneemt, is het in rov. 4.6.-4.26. uitvoerig op de bezwaren van EBN tegen het deskundigenbericht ingegaan. Voor zover de bezwaren van EBN al een voldoende gemotiveerde betwisting van de juistheid van het deskundigenbericht in de zin van de hiervoor bedoelde rechtspraak hebben ingehouden, is het hof in de zojuist genoemde rechtsoverwegingen (uitvoerig) op deze bezwaren ingegaan. In ieder geval heb ik in de procesinleiding geen klachten gelezen met de strekking dat het hof op een bepaald bezwaar niet heeft gerespondeerd en dat zijn oordeel om het deskundigenbericht over te nemen daarom onvoldoende is gemotiveerd en/of dat het zich daarom niet op het deskundigenbericht heeft mogen baseren. De betreffende overwegingen van het hof zijn overigens goed te volgen en in ieder geval niet onbegrijpelijk.
4.33
Ik wijs er in dit verband nog op dat aan het eind van randnummer 5.13 van de procesinleiding wordt aangevoerd dat de deskundigen, van wier bevindingen het hof uitgaat, mede wijzen op factoren in de privé- of risicosfeer van [verweerder] waardoor hij geen ontspannen werkhouding had terwijl zijn gespannenheid de RSI-klachten mede heeft teweeggebracht. In randnummer 5.12 van de procesinleiding, dat ik in samenhang met randnummer 5.13 lees, wordt gewezen op de volzin “
De spanning en druk die [verweerder] ervaart, zijn karakterstructuur en zijn stressgevoeligheid dragen bij aan de mate waarin [verweerder] de klachten heeft ontwikkeld en de instandhouding ervan.” uit rov. 4.17. – bedoeld zal zijn: rov. 4.16 – alsmede de zinsnede “
dat het niet zozeer gaat om overwerk maar om de gespannen houding en ervaren werkdruk die de klachten hebben doen optreden” en de volzin “
Een ontspannen werkhouding heeft naast ergonomische principes ook te maken met de functioneel eenhandigheid, zijn perfectionisme, beperkte copingsmechanismen en de stressgevoeligheid.” uit rov. 4.15.
4.34
Klacht 3 mag dan gericht zijn tegen rov. 4.1.-4.33., het hiervoor beschreven punt stelt eigenlijk alleen de begrijpelijkheid ter discussie van het causaliteitsoordeel van het in hof rov. 4.26., dat het in het deskundigenbericht onvoldoende aanknopingspunten heeft gevonden dat de door [medisch adviseur 2] genoemde factoren in de privésfeer van [verweerder] een zelfstandige oorzaak van de RSI-klachten zijn. Ik verwijs naar hetgeen ik reeds over dat oordeel in randnummers 4.14 en 4.15 hiervoor heb gezegd. Om de aldaar uiteengezette redenen kan klacht 3 niet tot cassatie leiden voor zover zij klacht 1 herhaalt.
4.35
Hierna leg ik nog uit waarom ook de hiervoor aangehaalde passages uit rov. 4.15. en 4.16. het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk maken. Ik stel voorop dat het hof in rov. 4.15. het deskundigenbericht heeft samengevat en in rov. 4.16. heeft beschreven waar het deskundigenbericht op neerkomt.
4.36
De klacht merkt op zich terecht op dat het hof in rov. 4.15. heeft opgeschreven dat het niet zozeer gaat om het overwerk maar om de gespannen houding en ervaren werkdruk die de klachten hebben doen optreden en dat een ontspannen werkhouding naast ergonomische principes ook te maken heeft met [verweerder] functioneel eenhandigheid, perfectionisme, beperkte copingsmechanismen en stressgevoeligheid. Daaruit kan echter niet worden opgemaakt dat in het deskundigenbericht staat dat [verweerder] juist door de zojuist genoemde persoonlijke omstandigheden een gespannen werkhouding had. In de samenvatting door het hof van het deskundigenbericht staat namelijk ook dat [verweerder] de bij EBN opgetreden klachten ook in een andere werksituatie zou hebben opgelopen, indien die situatie zou bestaan uit een vergelijkbare blootstelling aan beeldschermwerk, veel druk, onvoldoende rustmomenten en door de werkhouding een onvoldoende ontspannen nek-schouderregio. Voorts staat in dat deskundigenbericht dat de pijnklachten zijn veroorzaakt doordat het beeldschermwerk in een periode onder hoge druk met ontoereikende ergonomie is verricht en dat de deskundige van mening is dat de werkhouding en de gespannenheid de klachten hebben veroorzaakt. Gelet op het voorgaande heeft de deskundige de gespannenheid toegeschreven aan veel druk, onvoldoende rustmomenten en ontoereikende ergonomie. Hieruit volgt dat het de arbeidsomstandigheden zijn die voor de gespannenheid hebben gezorgd (en niet de persoonlijke omstandigheden). Nu een ontspannen werkhouding, zo staat in de samenvatting, ook te maken heeft met de persoonlijke omstandigheden, kunnen persoonlijke omstandigheden wel van invloed zijn geweest op de ernst en het voortduren van de gespannen werkhouding.
4.37
In de in de klacht aangehaalde volzin uit rov. 4.16. staat dat bepaalde factoren in de privésfeer van [verweerder] (te weten: de spanning en druk die hij heeft ervaren, zijn karakterstructuur en zijn stressgevoeligheid) bijdragen aan de mate waarin hij de klachten heeft ontwikkeld en de instandhouding ervan. In de aangehaalde volzin uit rov. 4.16. staat niet dat [verweerder] door bepaalde factoren in de privésfeer geen ontspannen werkhouding had (en (mede) daardoor RSI-klachten heeft ontwikkeld). Er staat in wezen dat, nadat de RSI-klachten zijn ontstaan, de factoren in de privésfeer van [verweerder] hooguit van invloed kunnen zijn geweest op
de ernsten
de duurvan de klachten.
4.38
Klacht 3 treft geen doel.
Klacht 4
4.39
Klacht 4 is gericht tegen rov. 4.18. en 4.19. De klacht vangt aan met het nagenoeg volledig citeren van de bestreden rechtsoverwegingen:
“4.18. (…) Op twee fundamentele onderdelen gaat [medisch adviseur 2] naar het oordeel van het hof uit van een onjuist vertrekpunt en dat doet wezenlijk afbreuk aan de inhoudelijke betekenis van de conclusies van [medisch adviseur 2] . Allereerst gaat [medisch adviseur 2] er ten onrechte van uit dat [verweerder] voor het eerst op 8 april 2015 de schouder-, nek-, arm- en handklachten heeft ervaren. [verweerder] heeft in het voorjaar van 2015 zowel tegen zijn huisarts als de fysiotherapeut gezegd dat hij die klachten al sinds zes tot acht maanden heeft. Het hof ziet geen reden om hieraan te twijfelen. De deskundige is er naar het oordeel van het hof terecht vanuit gegaan dat de klachten al langer (zes tot acht maanden) bestonden.
4.19
[medisch adviseur 2] gaat er verder ten onrechte vanuit dat de werkomstandigheden bij EBN ‘vrij ideaal’ zijn en voldoen aan de Arbonormen. Het hof denkt daar anders over en schaart zich achter de hierna te bespreken oordelen van de kantonrechter.”
4.4
Volgens de klacht is daarmee, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet duidelijk waarom bij [verweerder] geen RSI is ontstaan als gevolg van de daarvoor door [medisch adviseur 2] aangedragen persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn aangeboren beperking en zijn persoonlijkheid. In dit verband voert de klacht aan dat ook de deskundigen aan deze omstandigheden betekenis hebben toegekend en dat deze omstandigheden bestaan ongeacht of [medisch adviseur 2] uitgaat van een juist ontstaansmoment van de RSI-klachten en van een correcte visie op de werkomstandigheden. [100]
4.41
Klacht 4faalt. Voordat ik dit toelicht, breng ik in herinnering de in het kader van klacht 3 aangehaalde vaste rechtspraak van Uw Raad over de eisen die worden gesteld aan de motivering van de beslissing om een deskundigenbericht te volgen (zie randnummer 4.32 hiervoor). Zoals ik in het kader van klacht 3 heb geconcludeerd, is het hof in rov. 4.6.-4.26. uitvoerig ingegaan op de bezwaren van EBN tegen het deskundigenbericht (zie eveneens randnummer 4.32 hiervoor). De betreffende overwegingen van het hof zijn bovendien goed te volgen en in ieder geval niet onbegrijpelijk. Tegen deze achtergrond heeft het hof het deskundigenbericht mogen overnemen, zonder daarbij per bevinding van Sorgdrager uit te moeten leggen waarom de berichten van [medisch adviseur 2] niet tot een andere uitkomst leiden.
4.42
Overigens slaat het eerste deel van de klacht wat mij betreft de plank mis. Dat deel luidt: “
Zonder nadere motivering, die ontbreekt, is daarmee niet duidelijk waarom bij [verweerder] geen RSI is ontstaan als gevolg van de daarvoor door [medisch adviseur 2] aangedragen persoonlijke omstandigheden, waaronder zijn aangeboren beperking en zijn persoonlijkheid(…)
.” Het hof heeft in de bestreden rechtsoverwegingen namelijk nog niets overwogen over de mogelijke oorzaak van de RSI-klachten; het heeft daar slechts overwogen dat [medisch adviseur 2] op twee fundamentele onderdelen van een onjuist vertrekpunt is uitgegaan. Het hof heeft zich pas in rov. 4.26. uitgelaten over de oorzaak van de RSI-klachten. De klacht gaat daarmee voorbij aan de andere overwegingen die het hof in het kader van de vraag of de RSI-klachten het gevolg zijn van de arbeidsomstandigheden heeft gedaan en die in onderlinge samenhang moeten worden bezien.
4.43
Zoals ik eerder aanstipte, heeft het hof zich pas in rov. 4.26. uitgelaten over de oorzaak van de RSI-klachten. In het licht van hetgeen het hof daar heeft overwogen (zie randnummers 4.13-4.15 hiervoor) is niet onbegrijpelijk waarom – in de woorden van de klacht – bij [verweerder] geen RSI is ontstaan als gevolg van de daarvoor door [medisch adviseur 2] aangedragen persoonlijke omstandigheden.
4.44
Overigens is, anders dan de klacht suggereert, wel degelijk relevant dat [medisch adviseur 2] er ten onrechte van is uitgegaan dat de arbeidsomstandigheden ‘vrij ideaal’ waren. Als de arbeidsomstandigheden inderdaad ‘vrij ideaal’ waren (en [medisch adviseur 2] op dit punt dus niet van een onjuist vertrekpunt was uitgegaan), dan had dat zijn conclusie, dat niet de arbeidsomstandigheden maar andere buiten het werk gelegen omstandigheden de RSI-klachten bij [verweerder] hebben veroorzaakt, bepaald aannemelijker gemaakt. [101]
4.45
Klacht 4 treft geen doel.
Klacht 5
4.46
Klacht 5 is gericht tegen rov. 4.32. Het hof is in de bestreden overweging voorbijgegaan aan het bewijsaanbod van EBN om [hoofd HRM] te horen over de door [verweerder] bestreden stelling dat EBN adequaat heeft toegezien op een goede werkhouding, een juist ingestelde werkplek en voldoende rustmomenten, omdat EBN deze stelling volgens het hof, in het licht van de gemotiveerde betwisting daarvan door [verweerder] , onvoldoende heeft onderbouwd.
4.47
Volgens de klacht gaat het bestreden oordeel uit van een onjuiste rechtsopvatting, omdat het hof te hoge eisen aan het bewijsaanbod heeft gesteld. In dit verband wordt gewezen op de arresten
UIB/ZZC c.s., [102] M./Stichting Saenwonen [103] en
VNP/ […]. [104] De klacht voert aan dat EBN hetgeen zij te bewijzen heeft aangeboden niet eerst voldoende onderbouwd hoeft te hebben of op voorhand aannemelijk hoeft te hebben gemaakt. Voor toelating tot getuigenbewijs hoeft hetgeen waarvan bewijs wordt aangeboden volgens de klacht zelf nog niet voldoende te zijn onderbouwd. Het hof had dan ook niet op de daartoe aangedragen gronden mogen voorbijgaan aan het aanbod om [hoofd HRM] als getuige te horen, aldus de klacht. Volgens de klacht geldt dit ook voor zover het hof het bewijsaanbod om [hoofd HRM] te horen heeft gepasseerd op de grond dat EBN van haar al een uitvoerige schriftelijke verklaring heeft ingebracht, maar daarin niet is ingegaan op de wijze waarop en de persoon door wie erop werd toegezien dat “
[verweerder] regelmatig werd aangesproken op een goede werkhouding, een optimaal ingestelde werkplek en het zorgen voor voldoende rustmomenten”. In dit verband stelt de klacht onder verwijzing naar een van Uw arresten – bedoeld zal zijn
OZ/ […] [105] – dat een partij in beginsel tot getuigenbewijs moet worden toegelaten als zij voldoende specifiek bewijs aanbiedt van feiten die tot beslissing van de zaak kunnen leiden, waarbij volgens de klacht niet is vereist dat, indien al een verklaring is overgelegd van degene die als getuige wordt voorgedragen, in die verklaring al is ingegaan op het punt waarvan getuigenbewijs wordt aangeboden. Geen rechtsregel schrijft voor dat indien van een als getuige te horen opgevoerd persoon al een schriftelijke verklaring in het geding is gebracht, in deze schriftelijke verklaring het desbetreffende punt al wordt aangestipt, wil een partij tot getuigenbewijs kunnen worden toegelaten.
4.48
Klacht 5faalt vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Anders dan de klacht suggereert, is het hof niet aan het bewijsaanbod om [hoofd HRM] te horen voorbijgegaan, omdat EBN hetgeen zij te bewijzen heeft aangeboden niet voldoende zou hebben onderbouwd of op voorhand niet aannemelijk zou hebben gemaakt. Evenmin heeft het hof het bewijsaanbod gepasseerd op de grond dat EBN van [hoofd HRM] al een uitvoerige schriftelijke verklaring heeft ingebracht, maar daarin niet zou zijn ingegaan op – kort weergegeven – hetgeen EBN te bewijzen heeft aangeboden. Het hof is niet aan waardering van het bewijsaanbod toegekomen. Het bestreden oordeel in rov. 4.32. moet namelijk zo worden gelezen dat EBN haar stellingen in het licht van [verweerder] gemotiveerde betwisting daarvan niet voldoende heeft onderbouwd en daarom niet tot bewijslevering is toegelaten. Dat blijkt uit de volgende passage uit rov. 4.32.: “
EBN heeft bewijs aangeboden van de door [verweerder] bestreden stelling dat er door EBN op is toegezien dat [verweerder] regelmatig werd aangesproken op een goede werkhouding, een optimaal ingestelde werkplek en het zorgen voor voldoende rustmomenten.(…)
Daaruit[uit de uitvoerige schriftelijke verklaring van [hoofd HRM] ,
A-G]
volgt niet dat en op welke wijze en door wie hierop is toegezien. Ook tijdens de mondelinge behandeling bij het hof heeft EBN de stelling dat zij toezag op een goede werkhouding, optimaal ingestelde werkplek en voldoende rustmomenten niet nader onderbouwd door uit te leggen hoe dat toezicht er concreet uitzag en wie dat toezicht hield.
4.49
Deze lezing van rov. 4.32. sluit overigens aan bij hetgeen het hof in rov. 4.30. heeft geoordeeld: EBN heeft onvoldoende gesteld dat zij erop heeft toegezien dat [verweerder] ook daadwerkelijk de nodige pauzemomenten inlaste.
4.5
Klacht 5 treft geen doel.
Klacht 6
4.51
Klacht 6 is gericht tegen rov. 4.30. waar het hof het volgende heeft overwogen: “
Daaruit[uit de door EBN bij akte na mondelinge behandeling in hoger beroep overgelegde RI&E van 26 augustus 2014,
A-G]
blijkt niet, zoals [verweerder] in zijn laatste akte heeft aangevoerd, dat bijzondere aandacht is besteed aan de handicap van [verweerder] , terwijl die verplichting wel volgt uit artikel 5 Arbobesluit Pro.
4.52
Volgens de klacht mag de rechter uit hoofde van de goede procesorde, waaronder het fundamentele beginsel van hoor en wederhoor, slechts beslissen aan de hand van stukken als partijen voldoende gelegenheid geboden hebben gekregen om daarvan kennis te nemen en zich daarover uit te laten. EBN heeft geen afstand gedaan van het recht op hoor en wederhoor, laat staan dat zij dat ondubbelzinnig heeft gedaan, aldus de klacht. In dit verband wordt gewezen op het arrest
[…]/Nederlands Omroep Productiebedrijf [106] van Uw Raad en de
NJ-noot van Snijders bij het arrest. De klacht stelt ook dat EBN met de enkele instemming ter zitting met een nadere akte van [verweerder] , zoals opgetekend in het proces-verbaal van het hof, haar recht op hoor en wederhoor ter zake niet prijsgaf. Voor zover het hof zijn oordeel over de aansprakelijkheid van EBN heeft gebaseerd op een door [verweerder] in zijn laatste na mondelinge behandeling genomen akte ingenomen standpunt, waarop EBN niet meer heeft kunnen reageren, heeft het hof miskend dat het zijn oordeel hierop niet heeft mogen baseren zonder EBN eerst in de gelegenheid te hebben gesteld om zich hierover nog uit te laten.
4.53
Klacht 6faalt vanwege een gebrek aan belang. In rov. 4.21. van het eindvonnis van 8 maart 2023 heeft de kantonrechter overwogen dat EBN heeft gesteld dat zij RI&E’s heeft opgesteld, maar deze niet in het geding heeft gebracht. Daaraan heeft de kantonrechter toegevoegd dat EBN niet heeft gesteld dat zij ook een RI&E voor de specifieke situatie van [verweerder] of voor werknemers met een beperking heeft opgesteld, zodat de kantonrechter ervan is uitgegaan dat EBN dit niet heeft gedaan (zie ook rov. 4.27. van het bestreden arrest). Het hof heeft kennelijk geen grief gevonden tegen dit oordeel. Ik heb in de memorie van grieven in ieder geval niet een dergelijke grief gelezen. Sterker nog: ik lees in randnummer 62. van de memorie van grieven dat EBN heeft onderkend dat zij niet in staat is om RI&E’s over te leggen waarin aandacht is besteed aan de specifieke positie en noden van [verweerder] . Het hof heeft dan ook moeten uitgaan van de hiervoor beschreven door de kantonrechter vastgestelde feiten. Dit geldt ook voor zover het hof EBN in de gelegenheid had moeten stellen om zich uit te laten over de door [verweerder] genomen akte. Nu kennelijk niet tegen het hiervoor genoemde oordeel van de kantonrechter is gegriefd, stond in hoger beroep namelijk al vast dat EBN geen RI&E heeft opgesteld voor de specifieke situatie van [verweerder] of voor werknemers met een beperking. Het betoog van [verweerder] in zijn laatste akte heeft daaraan in principe niet bijgedragen en een reactie van EBN op deze akte had dat niet anders kunnen maken.
4.54
Overigens komen de reactie van [verweerder] op de door EBN overgelegde productie en het oordeel van de kantonrechter in rov. 4.21. van het eindvonnis van 8 maart 2023 materieel gezien op hetzelfde neer: EBN heeft geen RI&E opgesteld voor de specifieke situatie van [verweerder] . Bovendien lees ik in randnummer 60. van de inleidende dagvaarding de stelling van [verweerder] dat niet is gebleken dat EBN een RI&E heeft uitgevoerd waarmee specifiek rekening is gehouden met de gevaren die betrekking hebben op [verweerder] , terwijl EBN in randnummer 62. van de memorie van grieven zelf heeft onderkend dat zij niet in staat is om RI&E’s over te leggen waarin aandacht is besteed aan de specifieke positie en noden van [verweerder] . In het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 21 augustus 2024 staat dat de advocaat van [verweerder] de overgelegde spreekaantekeningen met het volgende heeft aangevuld: “
Ik hoor nu dat er een RI&E is, maar dat zal een RI&E voor gezonde werknemers zijn. Dat is hier niet het geval. [107] Tegen deze achtergrond zie ik niet in waarom zou moeten worden geconcludeerd dat [verweerder] in zijn reactie op de overgelegde RI&E een nieuwe stelling heeft ingenomen en dat het hof EBN in de gelegenheid had moeten stellen om zich over de reactie van [verweerder] uit te laten. [108] Er is immers ruim aanleiding en gelegenheid geweest om op de in die laatste akte ingenomen standpunten te anticiperen.
4.55
Klacht 6 treft geen doel.
Klacht 7a
4.56
Klacht 7a is gericht tegen rov. 4.23. Volgens de klacht heeft het hof hier overwogen dat [verweerder] in verband met het ontstaan van de RSI-klachten heeft gewezen op een gesprek, waarin hij op zijn functioneren werd aangesproken, en op e-mailberichten van 13 maart 2015 en 22 april 2015, waarin dit eveneens het geval was. Het hof heeft het vervolgens, gelet op de inhoud en de toon van deze berichten, aannemelijk geacht dat [verweerder] een hogere werkdruk en spanning heeft ervaren, aldus de klacht. Mede op basis hiervan is het hof volgens de klacht tot een bekrachtiging van het vonnis van de kantonrechter gekomen.
4.57
Voor zover het hof EBN aansprakelijk heeft gehouden voor de bejegening door de leidinggevende, door wie [verweerder] werd aangesproken op zijn functioneren, en voor de aankondiging van zijn ontslag, getuigt dit volgens de klacht van een onjuiste rechtsopvatting, omdat psychische schade als gevolg van de bejegening van de werkgever niet onder de zorgplicht van art. 7:658 BW Pro valt. [109]
4.58
Klacht 7a, die kennelijk beoogt aan te haken bij de opvatting dat bepaalde gevallen van psychische schade, zoals schade veroorzaakt door onzorgvuldige bejegening door de werkgever, buiten het beschermingsbereik van art. 7:658 BW Pro vallen, [110] faalt vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft niet geoordeeld dat sprake is van psychische schade, maar van RSI-klachten (zie rov. 4.34.). Dat zijn, in ieder geval in deze zaak, fysieke klachten (zie rov. 2.1.).
4.59
Overigens heeft het hof EBN niet rechtstreeks aansprakelijk gehouden voor de bejegening door de leidinggevende. Het hof heeft geoordeeld dat uit het deskundigenbericht volgt dat de RSI-klachten het gevolg zijn van onder andere een hoge ervaren werkdruk (rov. 4.26.). In het kader van die omstandigheid heeft het hof het, gelet op de inhoud en de toon van de in de klacht genoemde berichten, aannemelijk geacht dat [verweerder] een hoge werkdruk en spanning heeft ervaren (rov. 4.23.). De bejegening door de leidinggevende heeft dus slechts een (ondersteunende) rol gespeeld bij de beoordeling van het causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden.
4.6
Klacht 7a treft geen doel.
Klacht 7b
4.61
Klacht 7b is gericht tegen rov. 4.13., 4.20. en 4.21. Volgens de klacht heeft het hof in deze rechtsoverwegingen, hoewel het heeft overwogen dat het onduidelijk is van welke mate van blootstelling aan beeldschermwerk de deskundige is uitgegaan en dat het wat betreft de stoel, armleuning en muis om kleine aanpassingen ging, een schending van de zorgplicht aangenomen.
4.62
Volgens de klacht komt het bij het aannemen van een schending van zorgplicht aan op de duur en de intensiteit van de blootstelling aan de gevaarlijke omstandigheden. Voor zover het hof dit heeft miskend, getuigt zijn oordeel volgens de klacht van een onjuiste rechtsopvatting. Voor zover het hof dit – bedoeld zal zijn: niet – heeft miskend, is zijn oordeel volgens de klacht, zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd.
4.63
De rechtsklacht van
klacht 7bfaalt vanwege een gebrek aan feitelijke grondslag. Het hof heeft de duur en intensiteit van de blootstelling aan de gevaarlijke omstandigheden in zijn overwegingen betrokken.
4.64
Dat blijkt wat betreft de blootstelling aan beeldschermwerk uit rov. 4.13. en 4.21. Omdat deze rechtsoverwegingen een behoorlijke gelijkenis vertonen, bespreek ik hoofdzakelijk aan de hand van rov. 4.21. wat het hof heeft overwogen en uiteindelijk heeft geoordeeld. Het hof heeft in rov. 4.21. overwogen dat de door de kantonrechter benoemde deskundige de exacte tijd, te lezen als: duur, van het beeldschermwerk niet relevant heeft geacht, wel dat de tijd van het beeldschermwerk de normen uit de registratierichtlijn D022 overschreed. Nadat het hof de grieven van EBN hieromtrent heeft weergegeven, heeft het geoordeeld dat EBN heeft miskend dat het niet zozeer erom gaat of het werk voor 90% uit beeldschermwerk bestond maar of de in de richtlijn beschreven normen zijn overschreden. Uit de beschrijving van de inhoud van de registratierichtlijn D022 door het hof in rov. 4.13. volgt dat in het kader van deze richtlijn de duur en de intensiteit van de blootstelling aan beeldschermwerk relevant zijn. Bij de regio’s nek, schouder, elleboog en onderarm, pols en hand wordt bijvoorbeeld een werk-rustverhouding risicovol geacht van minder dan tien minuten pauze binnen elke 60 minuten dat bewegingen voorkomen die meer dan tweemaal per minuut moeten worden gemaakt. Bij fysieke factoren wordt een bepaalde houding en beweging die gemiddeld meer dan vier uur tijdens een werkdag voorkomt als risicovol aangeduid. Hieruit volgt dat het hof de duur en intensiteit van de blootstelling aan het beeldschermwerk wel degelijk in zijn overwegingen heeft betrokken. De hiervoor beschreven overwegingen zijn overigens goed te volgen en niet onbegrijpelijk. Waarom dat wel zo zou zijn, wordt in de procesinleiding ook niet duidelijk. De motiveringsklacht van klacht 7b faalt dus ook.
4.65
Voor wat betreft de risicovolle werkplek wijs ik op rov. 4.20. Het hof heeft daar eerst het oordeel van de kantonrechter aangehaald: de werkhouding van [verweerder] is risicovol geweest. Het hof heeft ook het werkplekonderzoek van ENRGY aangehaald, waaruit is gebleken dat tot april 2015 de stoel van [verweerder] niet goed stond afgesteld, zijn bureaublad niet op de goede hoogte stond, hij scheef voor zijn bureau zat en hij een gewone muis gebruikte terwijl een aangepaste muis beter voor hem was. Het hof heeft daarna de hiertegen gerichte bezwaren van EBN besproken: de constateringen van ENRGY in april 2015 zouden momentopnames kunnen zijn, het zou slechts om kleine aanpassingen gaan, [verweerder] zou tijdens eerdere onderzoeken zijn voorgelicht over de juiste werkhouding en [verweerder] had hier zelf ook op kunnen toezien. Het hof heeft vervolgens geoordeeld dat deze bezwaren niet opgaan. Daarbij heeft het hof acht geslagen op de constatering van ENRGY dat de armleuningen van de stoel te lang zijn, waardoor [verweerder] niet goed kon aanschuiven, hij niet de juiste houding kon aannemen en hij scheef voor zijn bureau zat. Volgens het hof valt niet in te zien hoe de lengte van de stoelleuning een momentopname kan zijn. Ditzelfde geldt volgens het hof voor de gewone muis die [verweerder] gebruikte. Hieraan heeft het hof toegevoegd dat zelfs als de hoogte van het bureau en de stoel een momentopname betreft, wat volgens het hof op zichzelf niet voor de hand ligt, dan nog geldt dat de werkplek ook op andere onderdelen (de gewone in plaats van een aangepaste muis,
A-G) risicovol was. Het hof heeft afgesloten met de opmerking dat het zo kan zijn dat het om kleine aanpassingen ging, maar uit het rapport van ENRGY volgt dat de kleine ergonomische onvolkomenheden en voornamelijk een opeenstapeling hiervan een werkplek onveilig en ongezond kunnen maken. Hierin ligt besloten dat het hof de duur en de intensiteit van de blootstelling aan de gevaarlijke werkplek in zijn overwegingen heeft meegenomen. De hiervoor besproken overwegingen van het hof zijn ook goed te volgen en niet onbegrijpelijk. Waarom dat wel zo zou zijn, wordt in de procesinleiding ook niet duidelijk.
4.66
Klacht 7b treft geen doel.
Klacht 8
4.67
Klacht 8 is gericht regen rov. 4.30. waarin het hof heeft overwogen: “
Het hof is echter met de kantonrechter van oordeel dat (ook) van de werkgever mag worden verwacht, juist in het geval van [verweerder] waarin sprake is van een verhoogd risico op het ontwikkelen van RSI-klachten, dat zij erop toezag dat de werkplek van [verweerder] op de juiste wijze was ingesteld.
4.68
Volgens de klacht is het bestreden oordeel zonder nadere motivering, die ontbreekt, niet (voldoende) begrijpelijk gemotiveerd. In dit verband wordt gewezen op de stelling van EBN dat zij bij [verweerder] een individuele, op zijn werkplek toegesneden en inspectie en afstelling heeft laten uitvoeren door het daarin gespecialiseerde externe bureau ENGRY. [111]
4.69
De klacht faalt, omdat het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk is. Anders dan de klacht lijkt te veronderstellen, heeft het hof met het werkwoord ‘toezien’ in het bestreden oordeel niet (alleen) gedoeld op ‘zorgen voor’ maar ook op ‘toezichthouden op’ een gezonde werkplek. Dit blijkt uit het in rov. 4.27. door het hof beschreven oordeel van de kantonrechter, waarnaar door het hof in rov. 4.30. wordt verwezen. Volgens het hof in rov. 4.27. heeft de kantonrechter geoordeeld dat het gelet op het verhoogde risico op het ontwikkelen van RSI-klachten op de weg van EBN lag om specifieke, op [verweerder] gerichte maatregelen te treffen om RSI-klachten te voorkomen en niet te volstaan met maatregelen die voor al haar medewerkers golden. Het in de klacht aangehaalde werkplekonderzoek valt hieronder te scharen. Verder heeft de kantonrechter, opnieuw volgens het hof in rov. 4.27., geoordeeld dat het aan de werkgever is om erop toe te zien dat uit de werkplekonderzoeken volgende instructies – als [verweerder] die heeft gekregen – worden nageleefd en dat het niet voldoende is onderbouwd dat EBN dit heeft gedaan. Tegen deze achtergrond komt het bestreden oordeel erop neer dat van EBN had mogen worden verwacht dat zij ervoor zou zorgen dat de werkplek van [verweerder] op de juiste wijze was ingesteld en zou controleren dat [verweerder] zijn werkplek conform de werkplekinstructies gebruikte. Zo bezien is het bestreden oordeel niet onbegrijpelijk, ook niet in het licht van de in de klacht aangehaalde stelling.
4.7
Klacht 8 treft geen doel.
Slotsom
4.71
Nu geen van de klachten slaagt, dient het cassatieberoep te worden verworpen.
4.72
Dat brengt mij bij een slotopmerking. In deze zaak is, anders dan in zaken over werkgeversaansprakelijkheid voor RSI-klachten doorgaans het geval is, in feitelijke instanties geoordeeld dat sprake is van causaal verband tussen de RSI-klachten en de arbeidsomstandigheden. Daarbij is de arbeidsrechtelijke omkeringsregel in de gereedschapskist van de feitenrechter gebleven. Het hof heeft in dit specifieke geval uit het door de kantonrechter gelaste deskundigenbericht het vereiste causaal verband tussen de werkomstandigheden en de klachten opgemaakt. Dat heeft het volgens mij ook kunnen doen. Dat betekent niet dat bij andere werknemers met RSI-klachten die hun pijlen willen richten op hun werkgever nu de vlag uit kan.

5.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
A-G

Voetnoten

1.Deze feiten zijn, met een enkele redactionele aanpassing, ontleend aan het bestreden arrest: hof Arnhem-Leeuwarden 21 januari 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:281, rov. 3.1.-3.30.
2.Het hof heeft dit gedaan omdat het debat in hoger beroep voor een groot deel is gestoeld op de inhoud van deze berichten. Zie het bestreden arrest, rov. 3.1.
3.Naar ik begrijp, staat “
4.WIA staat voor Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen.
5.WGA staat voor Werkhervatting Gedeeltelijk Arbeidsgeschikten.
6.IVA staat voor Inkomensvoorziening Volledig Arbeidsongeschikten.
7.Rb. Midden-Nederland 22 december 2021, zaaknummer: 8692477 UC EXPL 20-6102 MS/1270 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
8.Het SALTSA-rapport is een Europese richtlijn voor het diagnosticeren en beoordelen van werkgerelateerde aandoeningen aan de nek en bovenste ledematen zoals RSI. Het biedt criteria om te bepalen of klachten zijn veroorzaakt door fysieke risicofactoren op het werk en wordt gebruikt bij de screening en beoordeling van beroepsziekten.
9.Rb. Midden-Nederland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2666, rov. 3.1.
10.Rb. Midden-Nederland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2666, rov. 3.2.
11.Rb. Midden-Nederland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2666, rov. 3.3.
12.Rb. Midden-Nederland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2666, rov. 3.3.
13.Rb. Midden-Nederland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2666.
14.Rb. Midden-Nederland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2666, rov. 4.1.-4.17.
15.Rb. Midden-Nederland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2666, rov. 5.1.
16.Rb. Midden-Nederland 30 juni 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:2666, rov. 5.1.-.5.7.
17.Rb. Midden-Nederland 1 september 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4197.
18.Rb. Midden-Nederland 1 september 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4197, rov. 2.1.
19.Rb. Midden-Nederland 1 september 2021, ECLI:NL:RBMNE:2021:4197, rov. 2.2.-2.13.
20.Rb. Midden-Nederland 22 december 2021, zaaknummer: 8692477 UC EXPL 20-6102 MS/1270 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl).
21.Rb. Midden-Nederland 22 december 2021, zaaknummer: 8692477 UC EXPL 20-6102 MS/1270 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), rov. 3.2.
22.Omdat [fysiotherapeut en bewegingswetenschapper] zelf geen revalidatiearts is, is de opdracht in samenwerking met Sorgdrager en [gezondheidspsycholoog] uitgevoerd en is de opdracht formeel door Sorgdrager aangenomen. Zie Rb. Midden-Nederland 22 december 2021, zaaknummer: 8692477 UC EXPL 20-6102 MS/1270 (niet gepubliceerd op rechtspraak.nl), rov. 1.4.
23.Rb. Midden-Nederland 8 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1043.
24.Rb. Midden-Nederland 8 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1043, rov. 4.28.-4.30.
25.Rb. Midden-Nederland 8 maart 2023, ECLI:NL:RBMNE:2023:1043, rov. 4.5., 4.18. en 4.27.
26.Bestreden arrest, rov. 2.3.
27.Bestreden arrest, rov. 4.3. en 4.34.
28.In een eindnoot heeft het hof hier verwezen naar HR 3 mei 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1468,
29.PBM staat voor persoonlijk beschermingsmiddel (bijvoorbeeld een veiligheidshelm).
30.PAGO staat voor periodiek arbeidsgezondheidskundig onderzoek en PMO staat voor preventief medisch onderzoek.
31.Ingevolge art. 402 lid 1 Rv Pro moet het cassatieberoep worden ingesteld binnen drie maanden, te rekenen van de dag van de uitspraak. Ingevolge art. 1 Algemene Pro Termijnenwet (ATW) wordt een termijn die op een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag eindigt, verlengd tot en met de eerstvolgende dag die niet een zaterdag, zondag of algemeen erkende feestdag is. Het bestreden arrest is van 21 januari 2025. Het cassatieberoep had daarom normaal gesproken uiterlijk op maandag 21 april 2025 moeten worden ingesteld. Maandag 21 april 2025 was tweede paasdag. Tweede paasdag is ingevolge art. 3 ATW Pro een algemeen erkende feestdag in de zin van de ATW. Het cassatieberoep moest daarom uiterlijk op dinsdag 22 april 2025 worden ingesteld. De procesinleiding is van 22 april 2025. Het cassatieberoep is dus tijdig ingesteld.
32.Daarbij bouw ik voort op mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2025:286) voor HR 12 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1260,
33.Zie https://rsi-vereniging.nl/over-rsi/wat-is-rsi/.
34.Zie https://www.beroepsziekten.nl/sites/default/files/cijfers/beroepsziekten-in-cijfers/2024/Beroepsziekten-in-cijfers-2024.pdf.
35.Zie https://monitorarbeid.tno.nl/wp-content/uploads/sites/16/2025/05/TNO-Arbobalans-2024.pdf (p. 237).
36.Zie https://rsi-vereniging.nl/wp-content/uploads/2018/01/Richtlijn-aspecifieke-kans-2012.pdf.
37.Zie in dit verband A.E.B. ter Heide, in R.J.B. Boonekamp & W.L. Valk (red.),
38.Zie in dit verband
39.Voor zover ik heb kunnen nagaan, gaat het om HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4406,
40.Zie in dit verband bijvoorbeeld HR 12 december 2008, ECLI:NL:HR:2008:BD3129,
41.In rov. 4.22. van het eindvonnis van 8 maart 2023 heeft de kantonrechter deze regel aangehaald, waarna hij heeft geoordeeld dat EBN niet heeft aangetoond dat zij daaraan heeft voldaan.
43.Zie over dit ‘kenbaarheidsvereiste’ de conclusie van plv. P-G Langemeijer (ECLI:NL:PHR:2021:21) voor HR 18 juni 2021, ECLI:NL:HR:2021:994,
44.Zie S.D. Lindenbergh,
45.Zie bijvoorbeeld hof ’s-Hertogenbosch 9 november 2010, ECLI:NL:GHSHE:2010:BO4408,
46.Zie bijvoorbeeld hof ’s-Gravenhage 16 februari 2007, ECLI:NL:GHSGR:2007:BA0761 (
47.Zie in dit verband bijvoorbeeld A.E.B. ter Heide, in R.J.B. Boonekamp & W.L. Valk (red.),
48.Zie bijvoorbeeld S.D. Lindenbergh,
49.HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8369,
50.HR 6 april 2018, ECLI:NL:HR:2018:536,
51.Zie het op RSI-klachten betrekking hebbende HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717,
52.Zie behalve de in de vorige voetnoot genoemde annotaties bij
53.Zo heeft W. van Veen, ‘Discussie over causaliteit bij beroepsziekten’,
54.Zie in vergelijkbare zin de conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2020:714) voor HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1996,
55.Zie in het bijzonder de conclusie van A-G Spier (ECLI:NL:PHR:2013:BZ1717) voor HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717,
56.Zie onder meer mijn
57.HR 31 maart 2006, ECLI:NL:2006:AU6092,
58.In die laatste gevallen is (volledige) afwijzing respectievelijk toewijzing van de schadevergoedingsvordering aangewezen, niet toewijzing van een percentage daarvan.
59.HR 31 maart 2006, ECLI:NL:2006:AU6092,
60.Zie bijvoorbeeld de conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2020:714) voor HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1996,
61.Zie bijvoorbeeld de conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2020:714) voor HR 11 december 2020, ECLI:NL:HR:2020:1996,
62.Zo bijvoorbeeld H. de Hek, ‘Thuis, maar ver van huis. Over de werkgeversaansprakelijkheid voor thuiswerken’,
63.Ik zocht op www.rechtspraak.nl op ‘RSI’, filterde op ‘Uitspraak’ en ‘Civiel recht’, stelde het datumbereik in op ‘na 7 juni 2013’ en sorteerde de 79 resultaten anti-chronologisch. Het is niet mijn bedoeling om in deze conclusie een compleet overzicht te geven van de feitenrechtspraak over werkgeversaansprakelijkheid voor RSI-klachten.
64.Zie bijvoorbeeld Rb. Midden-Nederland 3 maart 2014, ECLI:NL:RBMNE:2014:815 (geen aansprakelijkheid aangenomen; geen toepassing arbeidsrechtelijke omkeringsregel), Rb. Midden-Nederland 3 juni 2015, ECLI:NL:RBMNE:2015:4618 (
65.Zie bijvoorbeeld hof Arnhem-Leeuwarden 24 mei 2016, ECLI:NLGHARL:2016:3981 (aansprakelijkheid aangenomen).
66.Zie over pre-existentie en waarin zij verschilt van een predispositie C.J.M. Klaassen,
67.Zie bijvoorbeeld A.L.M. Keirse en R.H.C. Jongeneel,
68.Zie bijvoorbeeld H.T.M. Kloosterhuis & C.E. Smith,
69.HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4961,
70.De in het kader van art. 7:658 BW Pro na te leven geschreven arbonormen en ongeschreven normen beogen immers de veiligheid van werknemers te bevorderen. Zie reeds HR 8 februari 1985, ECLI:NL:HR:1985:AG4960,
71.Zie bijvoorbeeld mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2022:883) voor HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1944,
72.Zie bijvoorbeeld HR 4 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8920,
73.Zie bijvoorbeeld HR 4 november 1988, ECLI:NL:HR:1988:AB8920,
74.Vergelijk bijvoorbeeld S.D. Lindenbergh en I. van der Zalm,
75.Zie bijvoorbeeld mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2022:883) voor HR 23 december 2022, ECLI:NL:HR:2022:1944,
76.Zie bijvoorbeeld HR 22 april 2022, ECLI:NL:HR:2022:590,
77.HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717,
79.Conclusie (ECLI:NL:PHR:2006:AW6167) voor HR 2 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW6167,
80.HR 2 juni 2006, ECLI:NL:HR:2006:AW6167,
82.Conclusie (ECLI:NL:PHR:2013:BZ1717) voor HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717,
83.HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1721,
84.In randnummer 5.5 van de procesinleiding staat (met weglating van voetnoten): “(…)
85.In dit verband wordt in het kader van iedere factor herhaaldelijk gewezen op randnummers 3.12.-3.14. en 5.18. van de conclusie van antwoord, randnummers 4.3. en 4.5.-4.7. van de conclusie van dupliek en randnummers 2.13., 2.15., 3.6., 3.8.-3.10., 3.16., 3.17., 3.23. en 3.25.-3.27. van de memorie van grieven.
86.In dit verband wordt gewezen op randnummers 5.12. en 5.18. van de conclusie van antwoord.
87.Niet ondenkbaar is dat de causale bijdrage van privéfactoren wel rechtens relevant is, maar dan zou het moeten gaan om andere factoren dan die liggen in de sfeer van predispositie en privémoeilijkheden nu deze laatste juist voor rekening van de aansprakelijke komen (randnummer 3.21 hiervoor). Meer heil zou de aangesproken persoon kunnen verwachten van een beroep op de causale relevantie van intensief
88.In dit verband geldt wel dat de ene factor in de privésfeer de andere niet is. Zie randnummer 3.21 en ook voetnoot 87 hiervoor.
89.In dit verband wordt gewezen op rov. 3.23. van het bestreden arrest, waarin het hof bepaalde passages uit het deskundigenbericht heeft weergegeven.
90.Overigens is de verwijzing in de procesinleiding naar (de weergave van bepaalde passages uit het deskundigenbericht in) rov. 3.23. (zie ook randnummer 1.28 hiervoor) wat mij betreft niet
91.In dit verband wordt gewezen op HR 4 mei 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB1430,
92.In dit verband wordt gewezen op HR 20 mei 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS4406,
93.HR 17 november 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA8369,
94.Ook in dit verband wordt gewezen op randnummers 4.1.-5.18. van de conclusie van antwoord en randnummers 3.16.-4.27. van de memorie van grieven.
95.In dit verband wordt gewezen op HR 7 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:BZ1717,
96.In dit verband wordt gewezen op randnummers 3.6.-3.10. en 3.24.-3.27. van de memorie van grieven.
97.Conclusie van A-G Lindenbergh (ECLI:NL:PHR:2025:169) voor HR 28 maart 2025, ECLI:NL:HR:2025:480,
98.Zie art. 152 lid 2 Rv Pro en HR 29 juni 2018, ECLI:NL:HR:2018:1027,
99.HR 9 december 2011, ECLI:NL:HR:2011:BT2921,
100.In dit verband wordt gewezen op randnummers 2.13.-3.10. van de memorie van grieven.
101.Vergelijk randnummer 51. van de schriftelijke toelichting van [verweerder] .
102.HR 8 november 2024, ECLI:NL:HR:2024:1605,
103.HR 31 oktober 2003, ECLI:NL:HR:2003:AI0865,
104.HR 6 april 2001, ECLI:NL:HR:2001:AB0901,
105.HR 9 juli 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO7817,
106.HR 9 september 2005, ECLI:NL:HR:2005:AT4039,
107.Blad 3 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep van 21 augustus 2024.
108.Vergelijk in het bijzonder HR 16 december 2016, ECLI:NL:HR:2016:2879,
109.In dit verband wordt gewezen op Asser Bijzondere overeenkomsten/G.J.J. Heerma van Voss,
110.Zie in dit verband HR 11 maart 2005, ECLI:NL:HR:2005:AR6657,
111.In dit verband wordt verwezen naar p. 11 van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling in hoger beroep.