Conclusie
1.Inleiding
2.De feiten en het geding in feitelijke instanties
De feiten
op de zaak betrekking hebbende stukkenoordeelde het Hof dat de procesdossiers met betrekking tot de onherroepelijke aanslagen IB/PVV 2011 tot en met 2013 niet op de zaak betrekking hebben. De Inspecteur heeft alleen de aanslagen en de uitspraken op bezwaar voor die jaren geraadpleegd. Het Hof heeft daarbij opgemerkt dat ‘belanghebbende, die zelf over deze stukken moet beschikken, deze op geen enkele wijze heeft gebruikt ter bestrijding van de opgelegde aanslagen’. De stukken van het Openbaar Ministerie voortvloeiende uit huiszoekingen bij (familieleden van) belanghebbende staan de Inspecteur niet ter beschikking en zij hebben de Inspecteur ook niet ter beschikking gestaan, aldus het Hof.
omkering van de bewijslastheeft het Hof het beroep van belanghebbende op de algemene beginselen van behoorlijk bestuur verworpen. De Inspecteur mocht de verzoeken van belanghebbende om uitstel voor het doen van de aangiften afwijzen ‘gelet op de uit de gedingstukken naar voren komende historie van belanghebbende’. Daar komt volgens het Hof bij dat belanghebbende in het geheel geen aangifte IB/PVV heeft gedaan voor de onderhavige jaren, zodat niet aannemelijk is dat zij is benadeeld door het uitblijven van termijnverlengingen.
redelijke schattingheeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur bij gebrek aan enig inzicht in de omvang van het inkomen en vermogen van belanghebbende over de jaren 2015 tot en met 2017 heeft mogen aansluiten bij de onherroepelijk vaststaande aanslagen voor de jaren 2011 tot en met 2013. Daarbij heeft het Hof van belang geacht dat de echtgenoot van belanghebbende in eerdere procedures meerdere malen heeft verklaard dat het vermogen veel groter is dan het vermogen zoals dat is opgenomen in de thans bestreden aanslagen. De stelling dat deze verklaringen betrekking hebben op het gezamenlijk familievermogen en niet louter op het vermogen van belanghebbende en haar echtgenoot heeft het Hof verworpen omdat daarvoor in het dossier geen enkele concrete verifieerbare aanwijzing is te vinden. Ook heeft het Hof verworpen de stelling dat de echtgenoot van belanghebbende vanaf 2015 niet in Nederland maar in Suriname woonde, waarbij het Hof heeft opgemerkt dat belanghebbende geen inzicht heeft verschaft in de fiscale gevolgen van haar stelling. Tevens heeft het Hof verworpen de stelling van belanghebbende dat inkomensbestanddelen dubbel zijn belast.
beslaglegging op en de verbeurdverklaringvan bankrekeningen en onroerende zaken. Volgens het Hof vormde de conservatoire beslaglegging echter geen factor die de waarde van het vermogen van belanghebbende verminderde en kan zo’n beslag ook niet als een schuld in aanmerking genomen worden. Het Hof oordeelde verder dat er geen aanleiding bestaat om op de peildatum 1 januari van de jaren 2015, 2016 en 2017 rekening te houden met de destijds nog niet onherroepelijke verbeurdverklaringen. Dit levert volgens het Hof ook geen schending op van art. 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM of van het evenredigheidsbeginsel.
vergrijpboetesterecht en tot juiste bedragen zijn opgelegd, heeft het Hof geoordeeld dat de Inspecteur heeft doen blijken dat het aan opzet van belanghebbende is te wijten dat zij geen aangifte heeft gedaan. Belanghebbende heeft volgens het Hof bewust geen opening van zaken gegeven. Het beroep van belanghebbende op overmacht is door het Hof verworpen. Volgens het Hof zijn de boetes passend en geboden. Aan de oplegging van die boetes staat niet in de weg dat de grondslag ervan tot stand gekomen is met toepassing van omkering en verzwaring van de bewijslast. In die omkering en verzwaring heeft het Hof ook geen aanleiding gezien de boetes te matigen. Ondanks de omstandigheid dat de Inspecteur voor het jaar 2015 in eerste instantie een boete van 50% aankondigde, had hij volgens het Hof de ruimte om later een hogere boete op te leggen.
3.Het geding in cassatie
4.De ontvankelijkheid van het cassatieberoep
datde uitspraak in het webportaal Mijn Rechtspraak is geplaatst en
datde uitspraak per aangetekende post wordt verstuurd naar de partij die niet digitaal procedeert, maar niet wordt vermeld
wanneerdit gebeurt. Onderaan de thans bestreden uitspraak van hof Den Haag staat [20] :
isin Mijn Rechtspraak geplaatst’. In werkelijkheid is een portaalbericht gedateerd 7 oktober 2025 voor partijen in Mijn Rechtspraak gezet waarin staat dat de uitspraak in het digitale dossier is geplaatst. Dat portaalbericht van 7 oktober 2025 luidt:
weldat de uitspraakdatum in de uitspraak wordt vermeld, maar
nietdat de datum van terbeschikkingstelling wordt vermeld. Het niet vermelden van de uitspraakdatum geldt zelfs als een fataal vormgebrek, dat leidt tot vernietiging van de uitspraak ook als vaststaat wanneer die uitspraak aan partijen is verzonden. [37]
en de datum waarop zij is verzonden. Indien de uitspraakdatum niet of onjuist is vermeld, heeft dit tot gevolg dat de betreffende uitspraak vernietigd wordt.”
inde uitspraak zelf op te nemen. Afschriften van die uitspraak kunnen immers pas aan partijen ter beschikking worden gesteld nadat de uitspraak is gedaan. Maar
ophet
afschriftvan die uitspraak kan de griffier wel de datum van terbeschikkingstelling aantekenen. Tegen die achtergrond is goed te begrijpen dat de bestuursrechters die de vermeldingen van die terbeschikkingstellings- of toezendingsdatum in de uitspraak opnemen (zie 4.8-4.17) dit doen na (onder) de handtekeningen van de rechter en de griffier.
5.Leidt omkering van de bewijslast tot een ‘criminal charge’?
terof the Code of Criminal Procedure. (…)
Furthermore, the measure may only be ordered as a result of a contravention of planning law and is therefore dependent on the outcome of the criminal proceedings.
terof the Code of Criminal Procedure for the “remedial measure”, which was of a strictly civil nature and was not dependent upon the outcome of criminal proceedings in the event that the reasonable time was exceeded.
In the present case the planning inspector’s application arose out of criminal proceedings brought against and having very serious consequences for the applicant.
A.P., M.P. and T.P. v. Switzerland,29 August 1997, § 39,
Reports of Judgments and Decisions1997-V).
door de strafrechterwerd uitgesproken onder de voorwaarde dat de betrokkene
schuldig werd bevonden aan het strafbare feitvan het in stand laten van een zonder vergunning gebouwde opstal. Die nauwe vervlechting trekt de procedure over de herstelsanctie als het ware de strafrechtelijke sfeer in.
6.Beoordeling van de middelen
op de zaak betrekking hebbende stukken(2.19-2.20). Het middel valt uiteen in drie onderdelen.
kunnenzijn voor de beslechting van het onderliggende geschil. De omstandigheid dat de Inspecteur die stukken feitelijk niet heeft geraadpleegd sluit niet uit dat die stukken wel van belang
kunnenzijn. En volgens belanghebbende zijn die stukken
daadwerkelijkvan belang omdat de Inspecteur zelf de schatting van de thans bestreden aanslagen heeft gebaseerd op de aanslagen voor 2011 tot en met 2013 en omdat belanghebbende voor het Hof heeft aangevoerd dat zij destijds niet in staat is geweest zich deugdelijk te verweren tegen die aanslagen. Om nu effectief verweer te kunnen voeren tegen de aanslagen voor 2015 tot en met 2017 moet zij de grondslagen waarop die aanslagen zijn gebaseerd, te weten de aanslagen voor 2011 tot en met 2013, ter discussie kunnen stellen en daarvoor is nodig dat zij de onderliggende stukken kan raadplegen.
allebankrenseignementen van alle buitenlandse bankrekeningen van belanghebbende had moeten overleggen, en niet slechts een deel daarvan. Op verzoek van belanghebbende heeft de Inspecteur bij zijn verweerschrift in hoger beroep (bijlage 104) bankrenseignementen overgelegd. Tijdens de zitting voor het Hof heeft belanghebbende blijkens de door hem overgelegde pleitnota (onderdeel 1.1) betoogd dat nog niet alle bankrenseignementen zijn overgelegd en daarbij de nummers opgesomd van de volgens hem ontbrekende bankrekeningen. Belanghebbende heeft aan dit betoog de conclusie verbonden dat de zaak niet ‘zittingsrijp’ is en dat de behandeling ervan aangehouden moet worden, of dat de zaak moet worden teruggewezen naar de bezwaar- of de beroepsfase.
omkering van de bewijslast(2.21-2.23). Het middel valt uiteen in twee onderdelen.
onderdeel iivan het middel wordt betoogd dat de omkering van de bewijslast in deze zaak een met artikel 6 EVRM Pro strijdige strafvervolging inhoudt.
de beslaglegging en de verbeurdverklaring(2.25). Dit is het andere principiële punt dat belanghebbende met het cassatieberoep aan de orde wil stellen (6.1).
en zijn verkregen uit de bewezenverklaarde feiten.’ Zo’n ontnemende verbeurdverklaring moet volgens A-G Wattel voor de toepassing van art. 3.14 Wet IB 2001 gelijkgesteld worden met een van de winst (en van het resultaat uit overige werkzaamheden [85] ) aftrekbare voordeelsontneming.
middelen 4 en 5zien op de
redelijkheid van de schattingenwaarop de aanslagen zijn gebaseerd (2.24). In overweging 5.18.2 van zijn uitspraak heeft het Hof de door belanghebbende in hoger beroep aangevoerde stellingen over de redelijkheid van die schattingen verworpen. De middelen keren zich tegen die overweging. Die overweging luidt:
vergrijpboetesen is gericht tegen de overwegingen 5.23 tot en met 5.26 van het Hof. Het middel valt uiteen in vier onderdelen.
i van het middelbetoogt dat er geen sprake van opzet kan zijn, omdat belanghebbende door overmacht geen aangifte kon doen. Belanghebbende verwijst hiervoor naar middel 2, onderdeel i. Hiervoor (6.22-6.25) heb ik uiteengezet waarom naar mijn mening middel 2, onderdeel i, faalt. Op diezelfde gronden faalt mijns inziens ook middel 6, onderdeel i.
bij laatstbedoelde gelegenheid wordt het bedrag van de belasting niet opnieuw afzonderlijk vastgesteld.