ECLI:NL:PHR:2026:716

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
10 juli 2026
Publicatiedatum
7 juli 2026
Zaaknummer
25/03801
Type
Conclusie
Uitkomst
Toewijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:21 AwbArt. 6:17 AwbArt. 8:110(2) AwbArt. 1:431 BWArt. 1:438 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad oordeelt over procesbevoegdheid bij onderbewindstelling in parkeerbelastingzaak

In deze zaak staat centraal of een brief met de gronden van het hoger beroep in een parkeerbelastingzaak aan de bewindvoerder van een onder bewind gestelde belanghebbende had moeten worden gestuurd. De belanghebbende was onder schuldenbewind gesteld en werd vertegenwoordigd door een gemachtigde van de bewindvoerder. De rechtbank vernietigde de naheffingsaanslag, maar het hof verklaarde het incidenteel hoger beroep van de gemachtigde niet-ontvankelijk wegens termijnoverschrijding, omdat de brief niet aan de gemachtigde of bewindvoerder was gestuurd.

De conclusie van de Advocaat-Generaal stelt dat art. 8:21 Awb Pro ook ziet op personen onder bewind, waarbij de bewindvoerder de formele procespartij is in procedures die tot zijn taak behoren, zoals het aanwenden van rechtsmiddelen tegen belastingaanslagen. Het hof had de brief daarom aan de bewindvoerder moeten sturen. Door dit niet te doen, is de termijn voor het incidenteel hoger beroep niet juist aangevangen, waardoor het beroep tijdig was ingesteld.

De conclusie bespreekt uitgebreid de civielrechtelijke en fiscale bestuursrechtelijke regels omtrent beschermingsbewind, de procesbevoegdheid van onder bewind gestelden en hun vertegenwoordigers, en de toepassing van art. 8:21 Awb Pro. Tevens wordt ingegaan op de praktische gevolgen voor de verzending van processtukken en de noodzaak van aanpassing van de griffiepraktijk.

De conclusie adviseert de Hoge Raad het cassatieberoep gegrond te verklaren, het incidenteel hoger beroep ontvankelijk te achten en de zaak zelf af te doen, waarbij ook wordt ingegaan op de proceskostenvergoeding en wettelijke rente. De klacht over het niet beslissen op de wettelijke rente wordt eveneens gegrond verklaard.

Uitkomst: Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard en het incidenteel hoger beroep ontvankelijk verklaard omdat de kennisgeving aan de bewindvoerder had moeten plaatsvinden.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/03801
Datum10 juli 2026
BelastingkamerB
Onderwerp/tijdvakParkeerbelasting
Nr. Gerechtshof BK-24/1019
Nr. Rechtbank SGR 23/7678
CONCLUSIE
M.R.T. Pauwels
in de zaak van
[X] (belanghebbende)
tegen
het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (het College)

1.Inleiding en overzicht

1.1
Deze zaak is gestart als een procedure over een aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting (de naheffingsaanslag). In cassatie draait het echter alleen nog om twee procedurele kwesties, te weten (i) de niet-ontvankelijkverklaring door het Hof van het incidenteel hoger beroep van belanghebbende, en (ii) de omstandigheid dat het Hof geen beslissing heeft genomen ter zake van de wettelijke rente over de door het Hof aan belanghebbende toegekende proceskostenvergoeding.
1.2
Deze zaak is geselecteerd voor conclusie in verband met geschilpunt (i). Wat is het geval? Het vermogen van belanghebbende is onder bewind gesteld van een bewindvoerder. Een door deze bewindvoerder ingeschakelde gemachtigde (de gemachtigde) heeft beroep ingesteld tegen de naheffingsaanslag. De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. De Heffingsambtenaar heeft hoger beroep ingesteld. Het Hof heeft de gronden van het hoger beroep bij brief van 15 januari 2025 verzonden aan alleen belanghebbende zelf, niet (ook) aan de gemachtigde of de bewindvoerder. Op enig moment is de gemachtigde op de hoogte van het hoger beroep gekomen. De gemachtigde heeft vervolgens een verweerschrift ingediend waarbij hij tevens incidenteel hoger beroep instelt. Het Hof heeft het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard wegens (onverschoonbare) termijnoverschrijding. Het heeft daarbij verworpen het betoog dat de brief van 15 januari 2025 (ook) had moeten worden verzonden naar de gemachtigde (op grond van art. 6:17 Awb Pro) althans naar de bewindvoerder (gelet op art. 8:21(1) Awb).
1.3
Deze conclusie concentreert zich op de vraag of de brief van 15 januari 2025 naar de bewindvoerder had moeten worden gezonden gelet op art. 8:21(1) Awb. Art. 8:21(1) Awb bepaalt: “Natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, worden in het geding vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht”. De weergave in
onderdeel ‎2van de feiten, het procesverloop en de oordelen van de feitenrechters is in hoofdzaak beperkt tot gegevens die relevant zijn voor beantwoording van die vraag. In
onderdeel ‎3ga ik in op beschermingsbewind in het civiele recht. Vervolgens komt in
onderdeel ‎4beschermingsbewind in het fiscale bestuursrecht aan bod, waarbij ik inga op zowel vertegenwoordiging ‘buiten rechte’ als vertegenwoordiging ‘in rechte’. In
onderdeel ‎5volgt mijn beschouwing.
1.4
De belangrijkste punten van mijn beschouwing zijn de volgende:
- (‎5.7-‎5.9) Naar ik begrijp gaat het Hof van de rechtsopvatting uit dat (i) aangezien bewind niet eraan afdoet dat een onder bewind gestelde persoon handelingsbekwaam is/blijft, (ii) een onder bewind gestelde niet kan worden aangemerkt als een natuurlijk persoon die onbekwaam is om in rechte te staan als bedoeld in art. 8:21(1) Awb. Ik meen dat element (ii) van de opvatting onjuist is. Uit de wetsgeschiedenis volgt namelijk dat ook personen van wie het vermogen onder bewind is gesteld, onder het toepassingsbereik van art. 8:21(1) Awb vallen. Ook rechtspraak en literatuur gaan daar van uit.
- (‎5.10-‎5.14) Ik meen evenwel ook dat een persoon van wie het vermogen onder bewind is gesteld niet zonder meer (volledig) binnen het toepassingsbereik van art. 8:21(1) Awb valt, maar alleen indien het gaat om een geding dat een aangelegenheid betreft die onder de taak van de bewindvoerder valt. Of art. 8:21(1) Awb in een concreet geval van toepassing is, is daarom afhankelijk van de aard van het geding in het licht van de taak van de bewindvoerder.
- (‎5.15-‎5.19) Voor een geval als dit brengt deze geding-afhankelijke toepassing van art. 8:21(1) Awb mee dat art. 8:21(1) Awb van toepassing is. Aangezien handelingen die kunnen bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van de onder bewind gestelde tot de taak van de bewindvoerder behoren, kan immers het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een belastingaanslag tot die taak behoren. Dat geldt ook voor het voeren van verweer in hoger beroep.
- (‎5.23-‎5.31) Aangezien art. 8:21(1) Awb van toepassing is, had het Hof de brief van 15 januari 2025 aan de bewindvoerder moeten versturen. De bewindvoerder is immers de formele procespartij, indien art. 8:21(1) Awb van toepassing is. Zo nodig kan de verplichting mede worden gebaseerd op een van-overeenkomstige-toepassing van art. 6:17 Awb Pro.
- (‎5.32-‎5.35) Aangezien de brief van 15 januari 2025 ten onrechte niet is verstuurd naar de bewindvoerder, is de in art. 8:110(2) Awb neergelegde zeswekentermijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep niet aangevangen met de verzending van die brief naar belanghebbende. Aangezien aangenomen kan worden dat (de gemachtigde van) de bewindvoerder de gronden van het beroep in elk geval niet eerder dan zes weken voorafgaand aan het instellen van het incidenteel hoger beroep onder ogen heeft gezien, is dat incidenteel hoger beroep tijdig ingesteld. Dat beroep is dus ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
1.5
In
onderdeel ‎6volgt de beoordeling van de klachten in cassatie.
Klacht Ibetreffende de niet-ontvankelijkverklaring van het incidenteel hoger beroep leidt tot cassatie gelet op mijn beschouwing. Het gaat daarbij om het onderdeel van de klacht wat betreft art. 8:21 Awb Pro (‎6.1). Aan het onderdeel van de klacht inhoudende dat de brief van 15 januari 2025 naar de gemachtigde had moet worden gezonden op grond van art. 6:17 Awb Pro, besteed ik nauwelijks aandacht, omdat het lot van die klacht nauw samenhangt met de vraag of art. 8:21 Awb Pro van toepassing is (‎6.2-‎6.5).
Klacht IIslaagt, omdat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het verzoek om vergoeding van wettelijke rente over de proceskostenvergoeding in hoger beroep.
1.6
In een afzonderlijk
onderdeel ‎7ga ik in op de afdoening van de zaak ná cassatie. Wat betreft de kwestie waarop de slagende klacht II betrekking heeft, kan de Hoge Raad naar mijn mening de zaak zelf afdoen (‎7.1). Dat laatste lijkt voorshands niet voor de hand te liggen wat betreft het incidenteel hoger beroep, aangezien het Hof aan de beoordeling daarvan niet was toegekomen. Ik meen echter dat het mogelijk is voor de Hoge Raad om binnen het kader van art. 29e(2) AWR de twee grieven van het incidentele hoger beroep te beoordelen, mede omdat daarvoor geen feitenonderzoek nodig is (‎7.2-‎7.5). De
eerste griefis gericht tegen de door Rechtbank gehanteerde wegingsfactor van 0,5 bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding. Voordat ik deze grief in concreto beoordeel, veroorloof ik me een uitweiding naar de intensiteit van toetsing van een oordeel van een rechtbank over de wegingsfactor van een zaak. Dat doe ik mede naar aanleiding van een relatief recente, principiële, uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin dat hof heeft geoordeeld dat het ten volle toetst of de rechtbank de juiste wegingsfactor heeft toegepast. Ik meen dat dit hof als uitgangspunt gelijk heeft dat een gerechtshof de juistheid van een oordeel over de wegingsfactor volledig kan toetsen op grond van een eigen waardering, maar ik meen ook dat met enige praktische wijsheid invulling kan worden gegeven aan die volle toets. Meer in het bijzonder staat niets een gerechtshof eraan in de weg om bij die toets enige terughoudendheid te betrachten. Bij de eigen waardering kan een gerechtshof namelijk er rekening mee houden dat de rechter die de zaak zelf heeft behandeld in de desbetreffende instantie, als uitgangspunt in de beste positie is om het gewicht van de zaak te bepalen (‎7.6-‎7.8). Voor het onderhavige geval meen ik dat, gelet op enerzijds de factoren die het gewicht van een zaak bepalen en anderzijds de gegevens in het dossier, er geen aanleiding is om – uitgaande van een eigen waardering door de Hoge Raad – het ‘beter te weten’ dan de Rechtbank wat betreft de wegingsfactor van 0,5 (‎7.9). Ik zet daarbij uiteen dat dit naar mijn mening bovendien niet onverenigbaar is met de gebruikelijke handelwijze van de Hoge Raad om een wegingsfactor 1 (of 1,5) te hanteren indien hij de proceskostenvergoeding voor eerdere instanties vaststelt ná cassatie (‎7.10). Ook de
tweede griefmoet mijns inziens worden verworpen. Anders dan de tweede grief betoogt, heeft de Rechtbank niet nagelaten te beslissen op het verzoek om de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over zowel het griffierecht als de proceskostenvergoeding (‎7.12).
1.7
Ik geef de Hoge Raad aldus in overweging om het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond te verklaren en de zaak zelf af te doen.

2.De feiten, procesverloop tot cassatie, en het geding in cassatie

Inleiding

2.1
Zoals vermeld in ‎1.1-‎1.3 draait het in cassatie niet meer om de aan belanghebbende opgelegde naheffingsaanslag maar alleen nog om twee procedurele kwesties, en heb ik deze conclusie geselecteerd in verband met het geschil over de niet-ontvankelijkverklaring van het incidenteel hoger beroep. Gelet daarop is zowel een groot deel van de feitenvaststelling door het Hof als de inhoudelijke beoordeling door de feitenrechters over de naheffingsaanslag niet van belang. De weergave van de feiten en het procesverloop tot cassatie beperkt zich daarom tot wat van belang is in verband met het geschil over de niet-ontvankelijkverklaring van het incidenteel hoger beroep.
De feiten [1]
2.2
Bij beschikking van 19 maart 2019 heeft de kantonrechter de (toekomstige) goederen van belanghebbende onder bewind gesteld wegens verkwisting of het hebben van problematische schulden. Bij deze beschikking is [A] B.V. benoemd tot bewindvoerder (de bewindvoerder). [2] Het bewind is ingeschreven in het openbare Centraal Curatele- en bewindregister (CCBR). [3]
2.3
De heffingsambtenaar van de gemeente Den Haag (de Heffingsambtenaar) heeft een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd aan belanghebbende op de grond dat belanghebbende op 4 februari 2023 een auto in Den Haag heeft geparkeerd zonder de verschuldigde parkeerbelasting te voldoen.
2.4
Belanghebbende heeft bezwaar gemaakt tegen de naheffingsaanslag. [4] De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar van belanghebbende ongegrond verklaard.
Rechtbank Den Haag: [5] procesverloop en oordeel
2.5
Tegen de uitspraak op bezwaar heeft een rechtsbijstandverlener (de gemachtigde) namens belanghebbende beroep ingesteld. Het beroepschrift vermeldt op p. 1, zakelijk weergegeven, dat belanghebbende onder bewind staat, dat gelet op art. 8:21 Awb Pro de bewindvoerder bevoegd is belanghebbende te vertegenwoordigen en dat de bewindvoerder aan de gemachtigde volmacht heeft verleend om belanghebbende te vertegenwoordigen. Bij het beroepschrift is een door de bewindvoerder afgegeven schriftelijke machtiging gevoegd.
2.6
De Rechtbank heeft het beroep gegrond verklaard en de naheffingsaanslag vernietigd. De Rechtbank heeft verder beslissingen gegeven over de proceskostenveroordeling, de vergoeding van griffierecht en de wettelijke rente.
2.7
De uitspraak van de Rechtbank vermeldt op p. 1 de gemachtigde als gemachtigde van belanghebbende. Rov. 1 van de uitspraak maakt melding van de in ‎2.2 vermelde beschikking.
Gerechtshof Den Haag: [6] procesverloop en oordeel
Procesverloop
2.8
De Heffingsambtenaar heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. Het hoger beroep is bij brief van 14 januari 2025 van gronden voorzien.
2.9
Het Hof heeft de brief met de gronden bij brief van 15 januari 2025 (de brief van 15 januari 2025) per aangetekende post doorgestuurd naar belanghebbende met daarbij tevens een bericht met de mededeling dat tot uiterlijk 26 februari 2025 een verweerschrift kan worden ingediend en/of incidenteel hoger beroep kan worden ingesteld. [7] De brief van 15 januari 2025 is verstuurd naar het adres van belanghebbende. [8] Nadat de brief op 21 januari 2025 retour was ontvangen, heeft het Hof het adres van belanghebbende gecontroleerd in de gemeentelijke basisadministratie (bedoeld zal zijn: de basisregistratie personen) en na vaststelling dat het gebruikte adres juist was, heeft het Hof de brief diezelfde dag nogmaals verstuurd per gewone post. [9]
2.1
Op 5 maart 2025 heeft de gemachtigde het Hof schriftelijk bericht dat hem bekend is geworden dat de Heffingsambtenaar hoger beroep heeft ingesteld. [10] Op 11 maart 2025 heeft de gemachtigde gevraagd om een termijn voor het indienen van een verweerschrift. Het Hof heeft de gemachtigde op 13 maart 2025 geïnformeerd dat de termijn voor het indienen van een verweerschrift niet wordt verlengd, maar dat het hem vrij staat een nader stuk in te dienen. [11]
2.11
Op 4 april 2025 heeft de gemachtigde namens belanghebbende een verweerschrift ingediend en daarbij incidenteel hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de Rechtbank. De gemachtigde neemt daarbij het standpunt in dat het incidenteel hoger beroep tijdig is ingesteld. De gemachtigde betoogt in dat kader (i) dat de brief van 15 januari 2025 naar de gemachtigde had moeten worden verstuurd op grond van art. 6:17 Awb Pro, en (ii) dat zo het Hof kan aannemen dat er niet langer sprake was van een gemachtigde, de brief op grond van art. 8:21 Awb Pro naar de bewindvoerder had moeten worden gestuurd.
Oordeel
2.12
Het Hof heeft het incidenteel hoger beroep niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het te laat is ingesteld en dat het niet rechtstreeks toezenden van de brief van 15 januari 2025 aan de gemachtigde of de bewindvoerder geen verschoonbare omstandigheid oplevert (rov. 5.1.6). Het heeft daartoe als volgt overwogen.
2.13
Nadat het Hof eerst art. 1 en Pro 13 Procesregeling belastingkamers gerechtshoven 2022 [12] heeft geciteerd in rov. 5.1.2, overweegt het Hof het volgende wat betreft de niet-toezending aan de gemachtigde:
“5.1.3. Het Hof heeft het geschrift toegestuurd aan belanghebbende en daarmee voldaan aan daarvoor gestelde regels in de Procesregeling. Het Hof tekent daarbij aan dat het hoger beroep een nieuwe fase in de procedure is en dat het aan belanghebbende is om te beslissen of hij een verweerschrift wil indienen of incidenteel hoger beroep wil instellen. Pas als belanghebbende zich in die mogelijkheden wil verdiepen en eventueel daartoe besluit, komt de vraag aan de orde of belanghebbende daartoe een gemachtigde wenst aan te stellen. In zoverre ziet het Hof ook geen aanleiding om het geschrift rechtstreeks aan de gemachtigde te adresseren.”
2.14
Het Hof heeft het volgende geoordeeld over de niet-toezending aan de bewindvoerder:
“5.1.4. Met betrekking tot het bewind is het Hof van oordeel dat een verzoek dat leidt tot inperking van de vrijheid van het individu, in dit geval dat post ten aanzien van belanghebbende zonder zijn instemming naar een ander moet worden gestuurd, niet lichtvaardig moet worden toegewezen. Bewind ziet immers op de (toekomstige) goederen van belanghebbende en slechts in zoverre is belanghebbende handelingsonbevoegd. Nu het versturen van het geschrift door het Hof geen rechtshandeling van belanghebbende is, geen handeling van goederenrechtelijke aard betreft en deze procedure ook geen goederenrechtelijk geschil betreft (vgl. HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, r.o. 3.4.2), valt het versturen van het geschrift niet onder de reikwijdte van het bewind. Het rechtstreeks toesturen van post aan de bewindvoerder zou daarmee een uitbreiding van de handelingsonbevoegdheid tot stand brengen, waarvoor een wettelijke basis ontbreekt. Het Hof is daarnaast van oordeel dat een dergelijke uitbreiding van de handelingsonbevoegdheid ook niet door de wetgever is beoogd, aangezien voor bewind geen regeling is getroffen met betrekking tot post, zoals deze bijvoorbeeld wel geldt bij faillissement (artikel 99 van Pro de Faillissementswet).
5.1.5.
De stelling dat belanghebbende als gevolg van het bewind onbekwaam is om in rechte te staan zoals bedoeld in artikel 8:21, lid 1, Awb, moet daarom eveneens worden verworpen. Belanghebbende kan door het bewind niet meer zelfstandig over zijn (toekomstige) goederen beschikken, maar blijft handelingsbekwaam en kan ook verbintenissen aangaan. Daarbij geldt wel dat deze onder omstandigheden vernietigbaar zijn (vgl. HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:734). Daarnaast geldt dat schulden die voortspruiten uit een handeling, tijdens het bewind met of jegens de rechthebbende, anders dan in overeenstemming met artikel 438, lid 2, van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek, verricht door een schuldeiser die het bewind kende of had behoren te kennen, niet op de onder het bewind staande goederen kunnen worden verhaald. Dit doet echter niet af aan het beginsel dat belanghebbende ook onder bewind handelingsbekwaam blijft, waarmee geen aanleiding bestaat om hem onbekwaam te achten in de zin van artikel 8:21 Awb Pro.”
2.15
Het Hof heeft het principaal hoger beroep van de Heffingsambtenaar ongegrond verklaard. In dat verband heeft het Hof de Heffingsambtenaar veroordeelt in de proceskosten van belanghebbende.
Het geding in cassatie
2.16
Belanghebbende, vertegenwoordigd door de gemachtigde, heeft tijdig en ook overigens op regelmatige wijze beroep in cassatie ingesteld. Het College heeft een verweerschrift ingediend. Belanghebbende heeft een conclusie van repliek ingediend.
2.17
Het beroepschrift maakt onderscheid tussen twee klachten.
2.18
Klacht Iis gericht tegen het oordeel van het Hof dat het incidenteel beroep niet-ontvankelijk is. In de kern betoogt klacht I dat het Hof ten onrechte ervan is uitgegaan dat de termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep is aangevangen na het versturen van de brief van 15 januari 2025 aan belanghebbende en dat het incidenteel hoger beroep niet tijdig is ingesteld. De klacht bestaat uit drie onderdelen:
- Onderdeel I betoogt dat het Hof de gevolgen van de onderbewindstelling van de goederen van belanghebbende voor de procesbevoegdheid van belanghebbende heeft miskend. In het bijzonder heeft het Hof blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting wat betreft de uitleg en toepassing van art. 8:21 Awb Pro in het geval van onderbewindstelling van vermogen van een belanghebbende. Gelet op de onbekwaamheid van belanghebbende om in rechte te staan vanwege de onderbewindstelling van zijn vermogen, had het Hof de brief van 15 januari 2025 aan de bewindvoerder moeten sturen.
- Onderdeel II betoogt dat het Hof ook heeft miskend dat een gemachtigde was ingeschakeld en dat het Hof vanwege de werking van art. 6:17 Awb Pro met de gemachtigde had moeten corresponderen.
- Onderdeel III betoogt dat het Hof ten onrechte de stellingen van belanghebbende heeft beoordeeld in het kader van de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar was in de zin van art. 6:11 Awb Pro, terwijl belanghebbende zich op het standpunt stelde dat het incidenteel hoger beroep tijdig was en zich geen termijnoverschrijding voordeed.
2.19
Klacht IIverwijt het Hof dat het heeft verzuimd te beslissen op het verzoek van belanghebbende om de Heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de proceskostenveroordeling in hoger beroep.

3.Beschermingsbewind in het burgerlijk recht

3.1
Bewind komt in het burgerlijke recht in verschillende vormen voor. Het gemeenschappelijke in die verschillende vormen is dat bewind een verband vormt op goederen, over welke het beheer niet aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder toekomt. [13] In dit onderdeel komen voor zover relevant de civielrechtelijke aspecten van bewind als bedoeld in Titel 19 van Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek (BW) aan de orde, omdat dat bewind aan de orde is in deze zaak. Dat bewind staat ook wel bekend als meerderjarigenbewind of beschermingsbewind (hierna ook: beschermingsbewind). Voor dit onderdeel heb ik dankbaar gebruik gemaakt van een recente conclusie in een civiele zaak van A-G De Bock. [14]
3.2
A-G De Bock heeft het beschermingsbewind kernachtig samengevat: onderbewindstelling als bedoeld in Titel 19 van Boek 1 BW is, net als curatele en mentorschap, een beschermingsmaatregel bedoeld om kwetsbare volwassenen die niet goed in staat zijn voor zichzelf op te komen, te beschermen door de benoeming van een wettelijke vertegenwoordiger die hun belangen behartigt. [15]
3.3
Volgens art. 1:431(1) BW kan beschermingsbewind over één of meerdere goederen en/of toekomstige goederen van een meerderjarige worden ingesteld. Beschermingsbewind kan op twee gronden worden ingesteld, te weten wanneer iemand niet in staat is zijn vermogensrechtelijke belangen te behartigen vanwege (a) een geestelijke of lichamelijke toestand, dan wel (b) verkwisting of het hebben van problematische schulden:
“1 De kantonrechter kan een bewind instellen over één of meer van de goederen die een meerderjarige als rechthebbende toebehoren of zullen toebehoren
a. voor een bepaalde of onbepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk of duurzaam niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van zijn lichamelijke of geestelijke toestand, dan wel
b. voor een bepaalde tijdsduur indien de meerderjarige tijdelijk niet in staat is ten volle zijn vermogensrechtelijke belangen behoorlijk waar te nemen als gevolg van verkwisting of het hebben van problematische schulden.”
3.4
Het beschermingsbewind op grond van art. 1:431(1)(b) BW wordt ook wel het schuldenbewind genoemd en het beschermingsbewind op grond van art. 1:431(1)(a) BW wordt toestandsbewind genoemd. [16] In het geval van belanghebbende gaat het om schuldenbewind (zie ‎2.2). Toestandsbewind is ingevoerd in 1982; schuldenbewind in 2014, [17] met de kanttekening dat vóór 2014 verkwisting grond was voor curatele. [18]
3.5
Degene van wie één of meer goederen onder bewind zijn gesteld, wordt doorgaans in de rechtspraak aangeduid als ‘de rechthebbende’, [19] wat overeenkomt met de terminologie in art. 1:431(1) BW. Met ‘rechthebbende’ in de zin van die bepaling is bedoeld de eigenaar of beperkt gerechtigde van de onder bewind staande goederen. [20] Omdat de term ‘rechthebbende’ buiten de context van onderbewindstelling ruimer wordt gebruikt dan enkel voor de rechthebbende van wie één of meer goederen onder bewind zijn gesteld, en het gebruik van die term daarom verwarring kan oproepen, zal ik in deze conclusie ook de term ‘de onder bewind gestelde’ gebruiken, [21] hoewel die term wellicht strikt genomen niet helemaal zuiver is (de onderbewindstelling ziet op goederen, niet op de persoon; zie ‎3.8 hierna).
3.6
De rechter die het beschermingsbewind instelt, benoemt een bewindvoerder (art. 1:435(1) BW).
3.7
Gevolg van beschermingsbewind is dat tijdens het beschermingsbewind het beheer over de onder beschermingsbewind staande goederen niet toekomt aan de rechthebbende maar aan de bewindvoerder (art. 1:438(1) BW). Over die goederen kan de rechthebbende slechts beschikken (het vervreemden of met enig recht bezwaren van onder bewind staande goederen [22] ) met medewerking van de bewindvoerder dan wel, indien deze weigerachtig is, met een machtiging van de kantonrechter (art. 1:438(2) BW). Bewind leidt voor de rechthebbende dus tot onbevoegdheid tot beheer en beperkte bevoegdheid tot beschikking.
3.8
Anders dan curatele, dat ziet op de persoon van de onder curatele gestelde en dat handelingsonbekwaamheid van de onder curatele gestelde tot gevolg heeft, leidt beschermingsbewind niet tot handelingsonbekwaamheid van de rechthebbende. De rechthebbende bij beschermingsbewind wordt handelingsonbevoegd met betrekking tot het onder het beschermingsbewind staande vermogen. [23]
3.9
Onder beheer als bedoeld in art. 1:438(1) BW wordt verstaan alles wat moet worden gedaan in het kader van een normale exploitatie van de onder bewind gestelde goederen. Beheer omvat een veelheid aan feitelijke handelingen en rechtshandelingen. Wat betreft feitelijke handelingen kan (niet uitputtend) gedacht worden aan het verrichten van onderhoud en herstelwerkzaamheden, het innen van huur, pacht en rente en exploitatie van de onderneming van rechthebbende, het doelmatig beleggen en herbeleggen van vermogen. Wat betreft rechtshandelingen kan worden gedacht aan het verlengen van huurcontracten en het sluiten van koopovereenkomsten en arbeidsovereenkomsten. Voor zowel feitelijke handelingen als rechtshandelingen geldt dat die handelingen binnen de gewone exploitatie van de onder bewind gestelde goederen moeten passen. [24]
3.1
Volgens art. 1:391(1) BW worden de instelling, de verlenging en de opheffing van bewind ingeschreven. Dit geldt dwingend voor schuldenbewind. Voor toestandsbewind wegens geestelijke of lichamelijke toestand vindt inschrijving plaats indien de rechter dit heeft bepaald (art. 1:436(3) BW en art. 1:391(1)(3) BW). Niet elk bewind wordt dus ingeschreven. [25] Uit art. 1:439 BW Pro volgt dat indien een rechtshandeling ongeldig is, omdat zij ondanks het bewind werd verricht door of gericht tot de rechthebbende, deze ongeldigheid kan aan de wederpartij slechts worden tegengeworpen, indien deze het bewind kende of had behoren te kennen.
3.11
Tijdens het bewind vertegenwoordigt de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte, zo bepaalt art. 1:441(1) BW. De bewindvoerder is dus een wettelijk vertegenwoordiger van de rechthebbende.
3.12
A-G De Bock leidt uit een beschikking van de civiele kamer van de Hoge Raad van 17 maart 2023 [26] af dat de vertegenwoordigingsbevoegdheid in en buiten rechte in het burgerlijke recht nadrukkelijk gekoppeld is aan de vervulling van de taak van de bewindvoerder. [27] In die beschikking heeft de Hoge Raad geoordeeld dat bewind niet de bevoegdheid van de rechthebbende aantast om zelfstandig in rechte op te treden en dus evenmin zijn bevoegdheid om zelfstandig rechtsmiddelen aan te wenden, tenzij uit het bewind een beperking op die procesbevoegdheden voortvloeit:
“3.3 Het bewind tast niet de bevoegdheid van de rechthebbende aan om zelfstandig in rechte op te treden en dus evenmin zijn bevoegdheid om zelfstandig rechtsmiddelen aan te wenden, tenzij uit het bewind een beperking op die procesbevoegdheden voortvloeit. Een dergelijke beperking kan voortvloeien uit art. 1:438 lid 1 BW Pro, dat ziet op daden van beheer over de onder bewind staande goederen en bepaalt dat de bewindvoerder daartoe bij uitsluiting bevoegd is, waarbij hij de rechthebbende ingevolge art. 1:441 lid 1 BW Pro in rechte vertegenwoordigt. Een dergelijke beperking kan ook voortvloeien uit art. 1:438 lid 2 BW Pro, dat ziet op daden van beschikking over de onder bewind staande goederen en bepaalt dat de rechthebbende deze slechts kan verrichten met medewerking van de bewindvoerder of, indien deze weigerachtig is, met machtiging van de kantonrechter.2
(…)
2 Vgl. HR 25 mei 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV4010, rov. 3.3, HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, rov. 3.3.2, en HR 17 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:751, rov. 3.1.2.”
3.13
Of de rechthebbende bevoegd is om zelfstandig in rechte op te treden (‘als formele procespartij’) hangt dus ervan af of het voeren van de desbetreffende procedure tot de taak van de bewindvoerder behoort. Die taak is betrekkelijk ruim, zo leid ik af uit bijvoorbeeld HR NJ 2025/183; het gaat om alle handelingen die aan een goed bewind bijdragen, waaronder handelingen die kunnen bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van de rechthebbende: [28]
“3.1.2 Art. 1:441 lid 1 BW Pro bepaalt dat tijdens het bewind de bewindvoerder bij de vervulling van zijn taak de rechthebbende in en buiten rechte vertegenwoordigt. Of de rechthebbende in een procedure bevoegd is zelf als formele procespartij op te treden, hangt dus ervan af of het voeren van de desbetreffende procedure tot de taak van de bewindvoerder behoort. Tot de taak van de bewindvoerder behoren blijkens art. 1:441 lid 1 BW Pro alle handelingen die aan een goed bewind bijdragen. Hieronder zijn begrepen handelingen die kunnen bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van de rechthebbende. (…)”
3.14
In HR NJ 2015/69 heeft de civiele kamer van de Hoge Raad, in het kader van een prejudiciële beslissing, in een vooropstelling uiteengezet wat de gevolgen van een onderbewindstelling zijn voor de procesvoering in een geding over een onder bewind gesteld goed van de rechthebbende. De bewindvoerder moet worden gezien als de procespartij in een procedure waarin de rechthebbende wordt gedagvaard. Deze regel lijdt uitzondering als de wederpartij niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn. In zo’n geval kan de rechthebbende in een procedure als procespartij worden betrokken. Indien de bewindvoerder bekend wordt met de lopende procedure, kan de bewindvoerder in die procedure verschijnen en die procedure als formele procespartij overnemen. De bewindvoerder kan ook tegen een rechterlijke uitspraak waarbij de rechthebbende de procespartij was een rechtsmiddel aanwenden: [29]
“3.3.2 Tijdens het bewind komen het beheer en de beschikking over de onder bewind staande goederen niet toe aan de rechthebbende, maar aan de bewindvoerder, met inachtneming van de in de wet vermelde voorwaarden (art. 1:438 leden Pro 1 en 2 BW). De bewindvoerder vertegenwoordigt de rechthebbende tijdens het bewind bij de vervulling van zijn taak in en buiten rechte (art. 1:441 lid 1 BW Pro). Hiermee strookt dat de bewindvoerder in een eventueel geding over een onder bewind gesteld goed optreedt als formele procespartij ten behoeve van de rechthebbende (vgl. evenzo voor het testamentair bewind HR 30 juni 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA6341, NJ 2001/389). Hetzelfde geldt wanneer met betrekking tot een rechterlijke uitspraak in een zodanige procedure een rechtsmiddel wordt aangewend.
3.3.3
Indien echter een procedure met betrekking tot een onder bewind gesteld goed tegen de rechthebbende zelf is ingesteld door een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, vergen de redelijke belangen van de wederpartij en het algemene belang van een vlot verlopend rechtsverkeer, dat het bewind niet aan de wederpartij kan worden tegengeworpen. In een zodanig geval kan de procedure dus tegen de rechthebbende zelf aanhangig worden gemaakt, en worden gevoerd. In art. 1:440 lid 1 BW Pro ligt besloten dat een eventuele veroordeling van de rechthebbende dan op de onder bewind gestelde goederen kan worden verhaald.
3.3.4
Gelet op het beschermingskarakter van het bewind brengt een redelijke wetstoepassing in een zodanig geval echter mee dat, indien de bewindvoerder tijdens het geding – zolang dit niet door een onherroepelijk geworden uitspraak is geëindigd - ervan op de hoogte raakt dat de rechthebbende zelf als partij is betrokken bij een geding over een onder bewind gesteld goed, hij in dat geding kan verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen. Hiermee strookt dat de bewindvoerder een rechtsmiddel kan aanwenden tegen een rechterlijke uitspraak in een geding waarin de rechthebbende zelf partij was.
3.3.5
De door de kantonrechter gestelde prejudiciële vragen betreffen een geding dat aanhangig is gemaakt voordat de Wet wijziging curatele, beschermingsbewind en mentorschap van 16 oktober 2013, Stb. 2013/414, in werking is getreden. Opmerking verdient dat het vorenstaande eveneens geldt na 1 januari 2014, de datum van die inwerkingtreding. Hetzelfde geldt voor de hierna volgende beantwoording van de prejudiciële vragen.”
3.15
Voor de goede orde: indien de bewindvoerder als formele procespartij optreedt doet hij dat dus (zie rov. 3.3.2) ten behoeve van de rechthebbende. Het betekent niet dat de bewindvoerder met de materiële partij wordt gelijkgesteld; de enkele omstandigheid dat de bewindvoerder als formele procespartij is opgetreden, doet niet af aan het feit dat de rechthebbende als materiële partij gebonden is aan de uitkomst van de procedure. [30]
3.16
Bij de beantwoording van de tweede prejudiciële vraag (luidende: “Dient de beschermingsbewindvoerder te worden gedagvaard ongeacht de vraag of de eisende partij bekend was (of behoorde te zijn) met de onderbewindstelling van de goederen van de te dagvaarden partij (…)?”) betrekt de Hoge Raad ook de rol van de rechter. Indien de rechter gedurende een procedure op de hoogte raakt van het bewind, dient hij zo nodig ambtshalve de meeste gerede partij in staat te stellen de bewindvoerder op te roepen:
“3.4.2
Vraag 2.In een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed dient de bewindvoerder, en dus niet de rechthebbende, in rechte te worden betrokken. Indien een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, echter een geding tegen de rechthebbende zelf aanhangig heeft gemaakt, kan de bewindvoerder in rechte verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen. Daarvoor zijn geen bijzondere formaliteiten vereist; een daartoe strekkende brief aan de wederpartij en de rechter volstaat. Indien een rechtsmiddel wordt aangewend tegen een rechterlijke uitspraak in een geding waarin de bewindvoerder niet optrad als formele procespartij maar waarin de rechthebbende zelf partij was, dient dit (eveneens) te geschieden door of tegen de bewindvoerder. Wordt het rechtsmiddel aangewend door of tegen de rechthebbende zelf, dan is het vorenstaande overeenkomstig van toepassing.
In het geval de wederpartij in de loop van het geding bekend wordt met het bewind, kan hij de bewindvoerder oproepen, desgewenst bij aangetekende brief, om in het geding te verschijnen teneinde dit verder ten behoeve van de rechthebbende te voeren. Indien de rechter in de loop van het geding van het bewind op de hoogte raakt dient hij, zo nodig ambtshalve, in een tussenuitspraak de meest gerede partij in staat te stellen de bewindvoerder op te roepen om in het geding te verschijnen.”
3.17
Krans merkt in zijn NJ-noot bij de prejudiciële beslissing op dat bij gepubliceerd bewind doorgaans verondersteld kan worden dat de wederpartij bekend had behoren te zijn met het bewind: [31]
“10. De minister achtte de bescherming tot 1 januari 2014 niet toereikend omdat degene met wie werd gehandeld het bewind niet altijd kende en ook niet behoorde te kennen en als zodanig te goeder trouw kon worden geacht. Publicatie van het bewind ook buiten de situaties waarin eerder al een publicatieplicht bestond is daarom nodig geacht, met name wanneer het een zogenoemd schuldenbewind betreft (Kamerstukken II, 2011/12, 33 054, nr. 3, sub 3.a p. 7). In die opmerkingen van de minister ligt besloten dat publicatie van het bewind meebrengt dat de wederpartij het bewind had behoren te kennen (in elk geval in beginsel). Bij een gepubliceerd bewind zal doorgaans inderdaad verondersteld kunnen worden dat de wederpartij het bewind behoorde te kennen (vergelijk Asser/De Boer I* 2010, nr. 1164). A-G Wesseling-van Gent (sub 2.16) stelt in haar conclusie voor bovenstaande zaak naar mijn idee echter terecht de vraag of onder alle omstandigheden redelijkerwijs van een eisende partij gevergd kan worden dat zij met het oog op een eventueel beschermingsbewind het register raadpleegt alvorens over te gaan tot dagvaarding. Indien gesteld kan worden dat een wederpartij het bewind kende noch behoefde te kennen, kan die partij de procedure tegen de rechthebbende zelf aanhangig maken.”

4.Beschermingsbewind in het fiscale bestuursrecht

4.1
In dit onderdeel behandel ik de regelgeving over beschermingsbewind in het fiscale bestuursrecht. Hoewel het in deze zaak gaat om de fase ‘in rechte’, start ik voor het bredere beeld met de regelgeving voor de fase ‘buiten rechte’.
Buiten rechte
4.2
In het verkeer met bestuursorganen kan een ieder zich laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. Dit is expliciet bepaald in art. 2:1(2) Awb. De Awb kent geen andere algemene bepalingen met betrekking tot de vertegenwoordiging in het verkeer met bestuursorganen.
4.3
De AWR daarentegen kent in afdeling 1 van hoofdstuk VIII afzonderlijke regelingen voor de vertegenwoordiging buiten rechte, zoals in het verkeer met de inspecteur (of bijvoorbeeld de heffingsambtenaar [32] ). Wat betreft vertegenwoordiging in het kader van beschermingsbewind is art. 43 AWR Pro van belang. Dat artikel bepaalt onder meer dat de bevoegdheden en de verplichtingen van iemand wiens vermogen onder bewind is gesteld, kunnen worden uitgeoefend en nagekomen door de bewindvoerder. [33] De bewindvoerder kan op grond van de tweede volzin van het artikel zelfs verplicht worden om de verplichtingen van de rechthebbende na te komen:
“De bevoegdheden en de verplichtingen van een minderjarige, een onder curatele gestelde, iemand die in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of wiens vermogen onder bewind is gesteld, kunnen worden uitgeoefend en nagekomen door hun wettelijke vertegenwoordiger, curator en bewindvoerder. Desgevorderd zijn laatstgenoemden tot nakoming van de verplichtingen gehouden.”
4.4
Art. 43 AWR Pro maakt reeds onderdeel uit van de AWR sinds de invoering van die wet. [34] Uit de memorie van toelichting bij het AWR-wetsontwerp volgt dat de wetgever met de zinsnede ‘wiens vermogen onder bewind is gesteld’ in art. 43 AWR Pro – in het oorspronkelijke wetsvoorstel nog art. 41 [35] – het oog heeft gehad op bewind dat zich over het gehele vermogen uitstrekt: [36]
“Met de zinsnede ,,wier vermogen onder bewind is gesteld” wordt uitgedrukt dat het bewind zich in beginsel over het gehele vermogen moet uitstrekken. Wettelijke bewindvoerders met generale beheersbevoegdheid in vorenbedoelde zin zijnde bewindvoerders voor een afwezige (artikel 519 van Pro het Burgerlijk Wetboek) en de provisionele bewindvoerders genoemd in artikel 33 van Pro de Wet van 1884 en in artikel 495 van Pro het Burgerlijk Wetboek. Daarentegen zullen niet tot de hier bedoelde bewindvoerders kunnen worden gerekend de bewindvoerders wier beheer een bepaald deel van de iemand toekomende rechten omvat, zoals de bewindvoerder van een vermogen in vruchtgebruiken die bedoeld is in artikel 1066 van Pro het Burgerlijk Wetboek.”
4.5
Uit de algemene toelichting in de memorie van toelichting op de afdeling over vertegenwoordiging volgt dat de wetgever met art. 43 AWR Pro gekozen heeft voor een afwijking van het burgerlijke recht wat betreft verplichte vertegenwoordiging, omdat die verplichte vertegenwoordiging slechts ten dele bruikbaar is voor het belastingrecht. In het belang van de juiste belastingheffing is aan het element persoonlijk optreden [37] een ruime plaats ingeruimd, te weten in de vorm van de bevoegdheid in belastingzaken van de in art. 43 genoemde Pro personen, waaronder personen wier vermogen onder bewind staat. Met het oog op voorkoming van schade is evenwel ook erin voorzien dat (i) de vertegenwoordigers in het burgerlijk recht de bevoegdheid hebben om te handelen namens de door hen vertegenwoordigden en (ii) dat zij daartoe in voorkomende gevallen verplicht worden: [38]
“Het in het civiele recht bekende instituut van verplichte vertegenwoordiging door wettelijke vertegenwoordigers, curators en bewindvoerders is eveneens slechts ten dele voor het belastingrecht bruikbaar. Ook hier zal, in het belang van een juiste belastingheffing, aan het element persoonlijk optreden een ruime plaats moeten worden ingeruimd. Deze gedachte — de bevoegdheid in belastingzaken van minderjarigen, curandi en personen, die in staat van faillissement zijn verklaard of wier vermogen onder bewind staat — ligt ten grondslag aan de regeling van artikel 41. Ter voorkoming van schade, welke een onbeperkte toepassing van dit principe zowel aan particuliere belangen als aan het algemeen belang zou kunnen toebrengen, is aan de wettelijke vertegenwoordigers, de faillissementscurator en de bewindvoerder de bevoegdheid gegeven en kan hun in bepaalde gevallen de verplichting worden opgelegd, om namens de door hen vertegenwoordigden te handelen.”
In de artikelsgewijze toelichting is de keuze om niet aan te sluiten bij het civiele recht als volgt toegelicht: [39]
“Dat de regeling van de vertegenwoordiging in belastingzaken niet aansluit bij het civiele recht vindt zijn grond in de overweging, dat het met het oog op bepaalde feitelijke verhoudingen— zoals het buiten medeweten van ouders, voogden, enz. verrichten van aan de belastingheffing onderworpen activiteiten door onbekwamen — noodzakelijk is ook in het formele recht een rechtstreekse band tussen fiscus en belastingsubject te leggen.
4.6
Dat inhoudelijk wordt afgeweken van het civiele recht, sluit niet uit dat voor de vormgeving van de regeling wel bij het civiele recht wordt aangesloten. Daarvoor heeft de wetgever echter niet gekozen. Uit de zojuist bedoelde algemene toelichting volgt namelijk ook dat de in afdeling 1 van hoofdstuk VIII opgenomen regelingen over vertegenwoordiging (waaronder die in art. 43 AWR Pro) zelfstandige regelingen zijn en niet de civielrechtelijke regelingen als basis nemen, met dien verstande dat wel gebruik wordt gemaakt van civielrechtelijke begrippen: [40]
“Wat betreft de wettelijke vorm van de regeling, is de keuze tussen een zelfstandige regeling dan wel een regeling geënt op de bepalingen van het civiele recht, bepaald naar maatstaven van doelmatigheid. Op de voet van de thans bestaande voorschriften is de voorkeur gegeven aan een zelfstandige structuur boven een voortborduren op het civielrechtelijke patroon, op grond van de overweging dat de laatstgenoemde methode niet dan door een te ingewikkeld complex van uitzonderingen op en afwijkingen van de burgerrechtelijke voorschriften uitvoerbaar is.
Intussen verhindert noch het hierboven aangewezen verschil in uitgangspunt, noch ook het zelfstandige karakter van de regeling, in ruime mate gebruik te maken van de privaatrechtelijke begrippen en instellingen.”
4.7
Dat neemt niet weg dat het civiele recht nog wel van belang is. Zo is in het kader van art. 43 AWR Pro het civiele recht van belang voor de vraag of een vertegenwoordiger gebruik maakt van de hem in art. 43 AWR Pro toegekende bevoegdheid – dat is een vraag die de interne, door het civiele recht beheerste, verhouding tussen de vertegenwoordiger en vertegenwoordigde betreft, zo vermeldt de artikelsgewijze toelichting op (thans) art. 43 AWR Pro: [41]
Artikel 41 Het Pro voorschrift kent aan de wettelijke vertegenwoordiger, de curator en de bewindvoerder de bevoegdheid toe om de onder hen gestelden in belastingzaken te vertegenwoordigen. Deze bevoegdheid geldt behoudens het bepaalde in artikel 43 onvoorwaardelijk Pro tegenover de met de belastingheffing belaste autoriteit. De vraag in welke gevallen zij van die bevoegdheid gebruik zullen maken, een vraag die de interne verhouding tussen de vertegenwoordiger en de vertegenwoordigde raakt, wordt in hoofdzaak door het civiele recht beslist. Voor optreden is geen aanleiding in die gevallen waarin krachtens regelen van burgerlijk recht geen verplichting tot vertegenwoordiging op de vertegenwoordiger rust. In dit verband wordt gewezen op bevoegdheden en verplichtingen die voortvloeien, hetzij uit de loonbelasting met betrekking tot de arbeidsovereenkomst van een minderjarige, hetzij uit de loonbelasting en omzetbelasting met betrekking tot de onderneming, gedreven door een minderjarige die beperkte handlichting heeft verkregen. Betreffen de fiscale bevoegdheden en verplichtingen daarentegen uitsluitend of mede aangelegenheden, waarvan de behartiging tot de taak van de wettelijke vertegenwoordigers of bewindvoerders behoort dan zullen laatstgenoemden tot handelen gehouden zijn. Met name geldt dit voor verplichtingen die, zoals de verplichting tot het doen van aangifte voor de inkomstenbelasting, het gehele inkomen van de vertegenwoordigde betreffen. Om de nakoming van de verplichtingen ook administratiefrechtelijk te verzekeren bepaalt de tweede volzin van het artikel, dat wettelijke vertegenwoordigers, curators en bewindvoerders desgevorderd tot die nakoming gehouden zijn.”
4.8
Ik maak de balans op. Wie alleen afgaat op de tekst van art 43 AWR Pro zou de indruk kunnen krijgen dat het artikel beoogt om een vertegenwoordigingsbevoegdheid in belastingzaken te creëren voor – kort gezegd – de vertegenwoordiger naar burgerlijk recht. Dat is ook zo (zie vooral ‎4.7), maar uit de wetsgeschiedenis volgt dat het artikel meer behelst. Met het artikel is vooral ook beoogd te regelen dat de vertegenwoordigde naar burgerlijk recht zelf bevoegd is in belastingzaken te handelen, [42] dit het met het oog op het belang dat persoonlijk optreden heeft voor een juiste belastingheffing (‎4.5). Het tekstuele aanknopingspunt daarvoor in art. 43 AWR Pro is het woord “kunnen” – dat impliceert dat de in art. 43 AWR Pro vermelde vertegenwoordiging niet verplicht is en dat de vertegenwoordigde naar burgerlijk recht ook zelf (buiten rechte) kan optreden in belastingzaken. [43] Het vindt ook steun in HR BNB 2004/245, waarin is geoordeeld dat de bestuurder van een failliet verklaarde BV bevoegd is – naast de curator – om bezwaar te maken tegen aanslagen opgelegd aan de BV. [44]
4.9
Een persoon wiens vermogen onder bewind is gesteld, is dus bevoegd om (buiten rechte) te handelen in belastingzaken. Dit lijkt dan mee te brengen dat een dergelijke persoon ook bevoegd is om bezwaar te maken in belastingzaken. De vraag zou echter kunnen rijzen of de in ‎4.7 aangehaalde passage in de wetsgeschiedenis over de interne, door het civiele recht beheerste, verhouding tussen de vertegenwoordiger en vertegenwoordigde meebrengt dat de bevoegdheid om te handelen in belastingzaken toch wordt beperkt, namelijk door (alsnog) de regels in het civiele recht over bewind. Een bevestigend antwoord zou betekenen dat moet worden beoordeeld of het maken van bezwaar tegen een bepaalde beschikking een aangelegenheid betreft die tot de taak van de bewindvoerder behoort. Het komt mij echter voor dat het antwoord ontkennend luidt, gelet erop (i) dat de wetgever met art. 43 AWR Pro heeft willen voorzien in een zelfstandige regeling in belastingzaken voor vertegenwoordiging buiten rechte (‎4.6), (ii) dat de zojuist bedoelde passage in de wetsgeschiedenis ziet op de interne verhouding (en niet rept over de externe verhouding met de belastingautoriteiten), (iii) dat die passage gaat over de bevoegdheid van de vertegenwoordiger (en niet over die van de vertegenwoordigde), en (iv) in de memorie van toelichting geen passages zijn opgenomen waaruit volgt dat de bevoegdheid van de vertegenwoordigde in de externe verhouding met de belastingautoriteiten wordt beperkt door het civiele recht. Steun voor een bevestigend antwoord is bovendien te vinden in het zojuist in ‎4.8 genoemde HR BNB 2004/245.
4.1
Ervan uitgaande dat een persoon wiens vermogen onder bewind is gesteld, bevoegd is om bezwaar te maken in belastingzaken, kan worden geconstateerd dat het fiscale bestuursrecht op dit punt afwijkt van het algemene bestuursrecht, althans als daarvoor een uitspraak van de CRvB van 7 november 2018 als uitgangspunt wordt genomen. Uit die uitspraak volgt dat de vraag of een onder bewind gestelde belanghebbende (zelf) bevoegd is om bezwaar te maken tegen een beschikking, moet worden beantwoord op basis van de civielrechtelijke regeling over bewind, met name art. 1:441 BW Pro. [45] Dat veronderstelt overigens dat die regeling buiten het civiele recht van (overeenkomstige) toepassing is.
In rechte
4.11
Voor vertegenwoordiging in rechte (bij de rechter) kent de Awb in art. 8:21 Awb Pro een regeling voor natuurlijke personen die onbekwaam zijn om in rechte te staan. Het artikel is opgebouwd uit een hoofdregel, die in het eerste lid is neergelegd, en in een afwijking, die in het tweede lid is opgenomen (zie de hierna in ‎4.17 geciteerde wetsgeschiedenis). De hoofdregel is dat natuurlijke personen die onbekwaam zijn om in rechte te staan, in een geding voor de bestuursrechter worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordiger naar burgerlijk recht. De afwijking houdt in dat dergelijke personen zelf in het geding kunnen optreden, indien zij tot een redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht: [46]
“1. Natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, worden in het geding vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht. De wettelijke vertegenwoordiger behoeft niet de machtiging van de kantonrechter, bedoeld in artikel 349 van Pro Boek 1 van het Burgerlijk Wetboek.
2. De in het eerste lid bedoelde personen kunnen zelf in het geding optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht.
3. Indien geen wettelijke vertegenwoordiger aanwezig is, of deze niet beschikbaar is en de zaak spoedeisend is, kan de bestuursrechter een voorlopige vertegenwoordiger benoemen. De benoeming vervalt zodra een wettelijke vertegenwoordiger aanwezig is of de wettelijke vertegenwoordiger weer beschikbaar is.”
4.12
Art. 8:108(1) Awb verklaart art. 8:21 Awb Pro van overeenkomstige toepassing voor het hoger beroep. Hetzelfde doen art. 29 AWR Pro voor het beroep in cassatie, art. 8:94(1) Awb voor een verzoek om schadevergoeding en art. 8:119(2) Awb voor een verzoek om herziening. Aangenomen wordt dat art. 8:21 Awb Pro ook geldt bij een verzoek om een voorlopige voorziening, ondanks het ontbreken van een schakelbepaling in titel 8.3 Awb. [47]
4.13
Art. 8:21 Awb Pro was – evenals de rest van hoofdstuk 8 – geen onderdeel van de oorspronkelijke Algemene wet bestuursrecht, [48] maar maakt wel deel uit van de Awb vanaf het moment van de inwerkingtreding daarvan, namelijk vanaf 1 januari 1994, door de wet tot voltooiing eerste fase herziening rechterlijke organisatie. [49] De tekst van het artikel is nadien niet gewijzigd, afgezien van een wijziging in het derde lid per 1 januari 2013 die erin bestaat dat de term ‘bestuursrechter’ de term ‘rechtbank’ heeft vervangen. [50]
4.14
Gelet op het woord “onbekwaam” in art. 8:21(1) Awb zou het artikel zo kunnen worden begrepen dat het alleen betrekking heeft op natuurlijke personen die onder curatele zijn gesteld (zie ‎3.8) en minderjarigen [51] aangezien die personen handelingsonbekwaam zijn. Maar uit de wetsgeschiedenis volgt dat art. 8:21(1) Awb een bredere werking heeft en ook ziet op personen van wie het vermogen onder bewind is gesteld (zie hierna ‎4.17-‎4.19; vgl. ook de posterieure parlementaire geschiedenis aangehaald en besproken in ‎4.20-‎4.23). Rechtspraak [52] en literatuur [53] gaan daar ook van uit.
4.15
Ik merk op dat schuldenbewind weliswaar pas in 2014 is ingevoerd (zie ‎3.4), dus na invoering van art. 8:21 Awb Pro, maar dat dit mijn inziens niet wegneemt dat art. 8:21(1) Awb ook ziet op personen die onder schuldenbewind staan. Ook schuldenbewind is immers een vorm van beschermingsbewind (zie ‎3.4), dat als zodanig wel reeds bestond ten tijde van de invoering van de Awb. Bedacht dient bovendien te worden dat ‘verkwisting’ – dat thans grond is voor schuldenbewind – vóór 2014 grond voor curatele was (zie ‎3.4).
4.16
Dat ook personen van wie het vermogen onder bewind is gesteld, onder het toepassingsbereik van art. 8:21 Awb Pro vallen, impliceert dat onbekwaamheid in de zin van art. 8:21 Awb Pro moet worden onderscheiden van handelingsonbekwaamheid volgens het burgerlijke recht. Naar burgerlijk recht is een persoon van wie het vermogen onder bewind is gesteld, immers niet handelingsonbekwaam maar handelingsonbevoegd met betrekking tot het onder het bewind staande vermogen (zie ‎3.8). Daarbij past om te spreken van procesonbevoegd waar het gaat om het optreden in rechte. [54] De formulering van art. 8:21(1) Awb is zo bezien wat verwarrend. De formulering van art. 8:21 Awb Pro contrasteert in dat opzicht bovendien met de meer precieze formulering van art. 43 AWR Pro (zie ‎4.3) en het voormalige art. 2(3) Wet administratieve rechtspraak belastingzaken (WARB) (zie ‎4.22 hierna voor de tekst).
4.17
Het eerste en tweede lid van art. 8.21 Awb zijn als volgt toegelicht in de memorie van toelichting: [55]
“Het eerste lid regelt de processuele positie van partijen die naar burgerlijk recht onbekwaam zijn om in rechte te staan. Gekozen is voor een genuanceerd en gedifferentieerd stelsel, dat op onderdelen afwijkt van het burgerlijk procesrecht en van de regeling, neergelegd in de artikelen 44, eerste lid, van de Beroepswet, 27, eerste lid, van de Ambtenarenwet 1929 en 31, eerste lid, van de Wet Arbo.
Hoofdregel is, dat onbekwame natuurlijke personen niet zelf in het geding optreden, maar in het geding worden vertegenwoordigd door hun vertegenwoordigers naar burgerlijk recht. De regel uit het burgerlijk recht dat de vertegenwoordigers naar burgerlijk recht daarvoor toestemming van de kantonrechter nodig hebben, is voor het bestuursprocesrecht niet overgenomen.
In afwijking van de hoofdregel wordt in het tweede lid - anders dan in het burgerlijk procesrecht en in de hiervoor genoemde regelingen [-] voorzien in de mogelijkheid dat handelingsonbekwamen (minderjarigen en onder curatele gestelden) en personen van wie goederen onder bewind zijn gesteld, zelf in het geding kunnen optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen terzake in staat kunnen worden geacht. Zulks is in lijn met de jurisprudentie van de Afdeling rechtspraak, die - bij het ontbreken van een regeling ter zake in de Wet Arob en de Wet op de Raad van State - de vraag of een minderjarige zelfstandig als procespartij mag optreden, onder omstandigheden bevestigend beantwoordt. Aan dit stelsel ligt de gedachte ten grondslag dat, waar onbekwame natuurlijke personen geadresseerde van of anderszins belanghebbende bij een besluit kunnen zijn, zij zo enigszins mogelijk ook in persoon moeten kunnen optreden in een geding daarover.”
4.18
Dat art. 8:21 Awb Pro ook betrekking heeft op personen van wie het vermogen onder bewind is gesteld, volgt niet met zoveel woorden uit de toelichting op het eerste lid. Het volgt ook niet indirect daaruit via de verwijzingen naar de genoemde bepalingen in de Beroepswet (uit 1955), de Ambtenarenwet 1929 en de Wet administratieve rechtspraak bedrijfsorganisatie. Die bepalingen kenden namelijk een (nagenoeg) gelijke formulering als art. 8:21(1) Awb. [56] Ook uit de (zeer) beperkte parlementaire toelichtingen op die bepalingen volgt het niet met zoveel woorden; [57] uit die toelichtingen volgt – voor zover hier van belang – uiteindelijk niet meer dan dat de bepalingen zijn terug te leiden tot art. 54 van Pro de Beroepswet uit 1902, [58] dat ook over ‘onbekwaam’ spreekt. De toelichting op dat artikel verwijst naar het civiele recht. [59]
4.19
Dat ook personen van wie het vermogen onder bewind is gesteld, onder het toepassingsbereik van art. 8:21 Awb Pro vallen, volgt wél a contrario uit de toelichting op het tweede lid. Die toelichting veronderstelt immers dat dergelijke personen onder de hoofdregel van het eerste lid vallen.
4.2
Hoofdstuk 8 Awb is voor belastingzaken van toepassing sinds 1 september 1999. [60] Tot die datum gold de WARB. [61] Uit de memorie van toelichting op het wetsvoorstel tot herziening van het fiscale procesrecht volgt dat de wetgever zich de vraag heeft gesteld of afdeling 8.1.5 Awb van overeenkomstige toepassing moet worden verklaard in het belastingrecht onder handhaving van de regeling van vertegenwoordiging in de AWR, dan wel of in de AWR specifieke regels moeten worden neergelegd die ook gelden voor de procedure bij de belastingrechter. De wetgever heeft gekozen voor het eerste, met daarbij een verduidelijking van de titel van afdeling 1 hoofdstuk VIII AWR: [62]
“Hoofdstuk VIII, afdeling 1, van de AWR geeft specifieke regels over vertegenwoordiging. Deze regels zijn gesteld in het belang van een juiste en doelmatige belastingheffing. De regeling ziet primair op het verkeer tussen belastingplichtige en belastingdienst, dat wil zeggen buiten rechte. In artikel 13 van Pro de WARB is een regeling inzake vertegenwoordiging en bijstand in beroepsprocedures neergelegd.
Nu de aanpassing van het fiscale procesrecht aan hoofdstuk 8 Awb in de AWR plaatsvindt, is de vraag gerezen of afdeling 8.1.5 Awb zonder meer van overeenkomstige toepassing moet worden verklaard onder handhaving van de bestaande regeling van vertegenwoordiging in de AWR, dan wel in de AWR specifieke regels moeten worden neergelegd die ook gelden voor de procedure bij de belastingrechter.
De overwegingen die hebben geleid tot een uitgebreide en specifieke regeling inzake vertegenwoordiging buiten rechte in de AWR, gelden niet, althans niet in dezelfde mate voor rechterlijke procedures; zie immers de huidige – summiere – regeling in de WARB. In dat licht weegt het belang van een zo algemeen mogelijk geldend uniform bestuursprocesrecht zwaarder dan het belang dat binnen de AWR één systematisch fraaie regeling wordt getroffen voor vertegenwoordiging en bijstand in en buiten rechte.
Dit heeft ertoe geleid dat de artikelen 41 tot en met 46 AWR intact worden gelaten en de artikelen 8:21 tot en met 8:25 Awb ingevolge artikel 27 (nieuw) AWR in de beroepsfase toepassing zullen vinden. Voor alle duidelijkheid wordt in de titel van afdeling 1 van hoofdstuk VIII van de AWR nu wel tot uitdrukking gebracht dat de hier gestelde regels betrekking hebben op de vertegenwoordiging buiten rechte en derhalve niet van toepassing zijn in het bestuursprocesrecht.”
4.21
In de memorie van toelichting is opgemerkt dat art. 8:21 Awb Pro “qua strekking overeen[komt] met artikel 2, derde lid, en (gedeeltelijk) artikel 13, eerste lid, WARB”. [63]
4.22
Art. 13(1) WARB is op deze plaats niet van belang. Art. 2(3) WARB luidde vlak voor de intrekking van de WARB als volgt: [64]
“3. Een minderjarige, een onder curatele gestelde, iemand die in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van wie de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is, of wiens vermogen onder bewind is gesteld, kunnen worden vertegenwoordigd door hun wettelijke vertegenwoordiger, curator en bewindvoerder.”
4.23
Aangezien (i) de memorie van toelichting vermeldt dat art. 8:21 Awb Pro qua strekking overeenkomt met art 2(3) Awb, en (ii) art. 2(3) WARB wél met zoveel woorden noemt een persoon wiens vermogen onder bewind is gesteld, is hierin een aanvullende aanwijzing gelegen dat art. 8:21 Awb Pro ook betrekking heeft op personen van wie het vermogen onder bewind is gesteld.
4.24
De opmerking in de memorie van toelichting dat art. 8:21 Awb Pro qua strekking overeenkomt met art. 2(3) WARB, lijkt op het eerste gezicht opvallend omdat art. 2(3) WARB een ‘kunnen’-formulering kent net zoals art. 43 AWR Pro (waarop art. 2(3) WARB is gebaseerd [65] ). Die formulering brengt in het kader van art. 43 AWR Pro mee dat dat een persoon die naar burgerlijk recht (verplicht) wordt vertegenwoordigd, wél ook zelf mag handelen (vgl. ‎4.8). Ook in het kader van art. 2(3) WARB werd ervan uitgegaan dat de formulering impliceert dat een dergelijk persoon zelf in rechte mag staan. [66] Art. 8:21(1) Awb is daarentegen dwingend geformuleerd: de regel is dat de vertegenwoordiger naar burgerlijk recht de door hem vertegenwoordigde vertegenwoordigt in het geding voor de bestuursrechter. Zo bezien lijkt er sprake te zijn van een wezenlijk verschil tussen art. 8:21 Awb Pro en art. 2(3) WARB. Dat niettemin volgens de memorie van toelichting art. 8:21 Awb Pro qua strekking overeenkomt met art. 2(3) WARB, is denkelijk gebaseerd op de combinatie van het eerste lid en het tweede lid van art. 8:21 Awb Pro. [67] In dat tweede lid is immers neergelegd dat de in het eerste lid bedoelde personen zelf in het geding kunnen optreden, indien zij tot redelijke waardering van hun belangen in staat kunnen worden geacht. Ook de Commissie ter bestudering van de betekenis van de Algemene wet bestuursrecht voor het fiscale procesrecht, op wier rapport veelvuldig wordt ingegaan in de memorie van toelichting, was van opvatting dat gelet op het samenstel van beide leden art. 8:21 Awb Pro qua strekking niet afwijkt van art. 2(3) WARB. [68]
Conclusie
4.25
Een persoon van wie het vermogen onder bewind is gesteld kan, gelet op art. 43 AWR Pro, als uitgangspunt zelfstandig bezwaar maken in belastingzaken. Het bestuursorgaan hoeft niet te controleren of de onder bewind gestelde toestemming heeft van zijn bewindvoerder voor het maken van het bezwaar. De vraag stelt zich wel of – naar analogie van art. 8:21(2) Awb – de bevoegdheid om zelf bezwaar te maken (of zelf een gemachtigde in te schakelen) niettemin in die zin is beperkt dat deze bevoegdheid slechts bestaat indien de persoon tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat kan worden geacht. [69]
4.26
Een en ander ligt als uitgangspunt anders voor het aanwenden van een rechtsmiddel bij de bestuursrechter. Op grond van art. 8:21(1) Awb geldt namelijk als hoofdregel dat de bewindvoerder de onder bewind gestelde vertegenwoordigt in het geding. Art. 8:21(2) Awb voorziet evenwel in de mogelijkheid van afwijking van de hoofdregel: de onder bewind gestelde kan zelf in het geding optreden, indien hij tot redelijke waardering van zijn belangen in staat kan worden geacht. Ik schreef zojuist ‘als uitgangspunt’, want ik kom erop terug (zie ‎5.10 e.v.) wat de reikwijdte van art. 8:21 Awb Pro is bij beschermingsbewind.

5.Beschouwing

5.1
In dit onderdeel geef ik een beschouwing in verband met onderdeel I van klacht I dat in de kern inhoudt dat het Hof de brief van 15 januari 2025 naar de bewindvoerder had moeten sturen, nu de bewindvoerder als formele procespartij optreedt in (ook) het geding voor het Hof.
Eerste opmerkingen bij de uitspraak van het Hof
Benadering door het Hof
5.2
Het Hof heeft het betoog van belanghebbende dat de brief van 15 januari 2025 naar de bewindvoerder had moeten worden gestuurd (in plaats van naar belanghebbende zelf), behandeld in rov. 5.1.4 en 5.1.5. Deze overwegingen zijn geciteerd in ‎2.14. Uit deze overwegingen volgt dat het Hof het betoog als volgt heeft benaderd. Het Hof heeft eerst in rov. 5.1.4 op basis van civielrechtelijke normen beoordeeld of het Hof de brief van 15 januari 2025 had moeten sturen naar de bewindvoerder. [70] Het Hof heeft daarna in rov. 5.1.4 de stelling behandeld dat belanghebbende als gevolg van bewind onbekwaam is om in rechte te staan als bedoeld in art. 8:21(1) Awb.
5.3
Deze benadering komt mij niet logisch voor. Naar mijn mening moet eerst worden beoordeeld of belanghebbende onder het toepassingsbereik van art. 8:21(1) Awb valt, en pas daarna of de brief van 15 januari 2025 naar de bewindvoerder had moeten worden gestuurd. De eerstgenoemde beoordeling kan namelijk van invloed zijn op de laatstgenoemde beoordeling. Immers, als art. 8:21(1) Awb wel van toepassing is, moet worden bezien wat daarvan de betekenis is voor de vraag aan wie het Hof de stukken van het geding moet versturen.
5.4
Daarbij komt dat niet direct duidelijk is waarom hetgeen in rov. 5.1.4 is overwogen kennelijk voor het Hof in rov. 5.1.5 reeds concludent [71] is voor beantwoording van de vraag of belanghebbende onbekwaam is om in rechte te staan als bedoeld in art. 8:21(1) Awb. Ik zie niet direct in waarom de conclusie – op basis van civielrechtelijke maatstaven – dat het versturen van post door het Hof niet onder de reikwijdte van het bewind valt, meebrengt dat die vraag negatief moet worden beantwoord. Mogelijk is de crux gelegen in het element van de redenering in rov. 5.1.4 dat “deze procedure ook geen goederenrechtelijk geschil betreft”.
Verhouding met rov. 5.1.7?
5.5
Gegeven dat het Hof in rov. 5.1.5 de stelling verwerpt dat belanghebbende als gevolg van bewind onbekwaam is om in rechte te staan als bedoeld in art. 8:21(1) Awb, zou men wellicht verwachten dat het Hof de bewindvoerder (en daarmee de door hem ingeschakelde gemachtigde) niet bevoegd acht om proceshandelingen voor het Hof te verrichten (zonder machtiging van belanghebbende zelf). Uit rov. 5.1.7 volgt evenwel dat het Hof de bewindvoerder wel als procespartij aanmerkt, te weten vanaf het moment dat hij in rechte is verschenen. Dit lijkt tegenstrijdig met rov. 5.1.5. Een verklaring zou mogelijk kunnen zijn dat het Hof de bevoegdheid van de bewindvoerder om als procespartij op te treden niet baseert op art. 8:21(1) Awb, maar op het civiele recht, gelet op zijn verwijzing naar HR NJ 2015/69 (hier aangehaald in ‎3.14). Uitgaande van die verklaring rijst dan wel weer de vraag hoe rov. 5.1.7 zich verhoudt tot rov. 5.1.4, nu die rechtsoverweging erop lijkt te duiden dat het Hof van opvatting is dat de onderhavige procedure niet onder bewind valt, omdat deze procedure “geen goederenrechtelijk geschil betreft”.
5.6
De zojuist bedoelde verklaring zou wellicht ook een verklaring kunnen zijn waarom het Hof niet ambtshalve heeft beoordeeld of het beroep bij de Rechtbank wel bevoegdelijk is ingesteld, [72] hoewel (i) het Hof van oordeel is dat art. 8:21(1) Awb niet van toepassing is en (ii) de gemachtigde het beroep heeft ingesteld met volmacht van de bewindvoerder (zie ‎2.5).
Ziet art. 8:21(1) Awb ook op onder bewind gestelden?
5.7
In aanmerking genomen dat in rov. 5.1.5 niet naar specifieke omstandigheden van belanghebbende wordt gewezen, begrijp ik deze overweging zo dat het Hof uitgaat van de rechtsopvatting dat (i) aangezien bewind niet eraan afdoet dat een onder bewind gestelde handelingsbekwaam is/blijft, (ii) een onder bewind gestelde niet kan worden aangemerkt als een natuurlijk persoon die onbekwaam is om in rechte te staan als bedoeld in art. 8:21(1) Awb.
5.8
Element (i) van deze opvatting is op zichzelf juist (zie ‎3.8). Ik meen echter dat de gevolgtrekking – element (ii) van deze rechtsopvatting – onjuist is. Voor de vraag of een natuurlijk persoon onbekwaam is om in rechte te staan als bedoeld in art. 8:21(1) Awb, is niet enkel maatgevend of de persoon naar maatstaven van het burgerlijk recht handelingsonbekwaam is. Uit de wetsgeschiedenis volgt namelijk dat ook personen van wie het vermogen onder bewind is gesteld, onder het toepassingsbereik van art. 8:21(1) Awb vallen. Rechtspraak en literatuur gaan daar ook van uit. Zie nader ‎4.14 met verdere verwijzingen. Onbekwaamheid (om in rechte te staan) in de zin van art. 8:21 Awb Pro moet dus worden onderscheiden van handelingsonbekwaamheid volgens het burgerlijke recht (‎4.16).
5.9
Opmerking verdient dat het voorgaande naar mijn mening ook geldt ten aanzien van personen die onder schuldenbewind staan, zoals belanghebbende, niettegenstaande dat de figuur van schuldenbewind is ingevoerd ná de invoering van art. 8:21 Awb Pro (zie ‎4.15).
Een geding-afhankelijke toepassing van art. 8:21(1) Awb ten aanzien van een onder bewind gestelde?
5.1
Hoewel art. 8:21 Awb Pro ook ziet op onder bewind gestelde personen, niettegenstaande dat dergelijke personen niet handelingsonbekwaam zijn, stelt zich wel de vraag in hoeverre art. 8:21(1) Awb op dergelijke personen ziet, gegeven dát zij niet handelingsonbekwaam zijn maar ‘slechts’ (beperkt) handelingsonbevoegd. Heeft art. 8:21(1) Awb een geding-afhankelijke reikwijdte waar het gaat om een onder bewind gesteld persoon, of valt een onder bewind gesteld persoon als zodanig binnen het toepassingsbereik van art. 8:21 Awb Pro net zoals – als uitgangspunt – een minderjarige en een onder curatele gesteld?
5.11
De vraag stelt zich mede in het licht van het burgerlijk recht, waarbij geldt dat de procesbevoegdheid van een onder bewind gestelde afhangt van de reikwijdte van de taak van de bewindvoerder (‎3.12-‎3.13). Met dat laatste zou sporen dat (ook) in het bestuursprocesrecht de procesbevoegdheid van een onder bewind gestelde persoon wordt gespiegeld aan de taak van de bewindvoerder.
5.12
Twee benaderingen van art. 8:21 Awb Pro zijn grofweg mogelijk. De
eerstebenadering is dat een onder bewind gesteld persoon als zodanig (volledig) binnen het toepassingsbereik van art. 8:21(1) Awb valt, en dat het tweede lid zo wordt uitgelegd dat een dergelijk persoon in elk geval tot redelijke waardering van zijn belangen in staat wordt geacht indien het gaat om aangelegenheden die niet onder de taak van de bewindvoerder vallen.
5.13
De
tweedebenadering is dat een onder bewind gesteld persoon niet zonder meer (volledig) binnen het toepassingsbereik van art. 8:21(1) Awb valt, maar alleen indien het gaat om een geding dat een aangelegenheid betreft die onder de taak van de bewindvoerder valt. In deze benadering is het afhankelijk van de aard van het geding in het licht van de taak van de bewindvoerder of art. 8:21(1) Awb van toepassing. Bij deze benadering wordt de zinsnede ‘onbekwaam om in rechte te staan’ in het eerste lid dus geding-afhankelijk toegepast. Ik meen dat de tekst van deze zinsnede ruimte biedt voor een daartoe strekkende uitleg – de zinsnede wordt dan in het kader van bewind gelezen als procesonbevoegd naar civielrechtelijke maatstaven.
5.14
Ik meen dat de tweede benadering de voorkeur heeft. De eerste benadering heeft namelijk als nadeel dat art. 8:21(1) Awb een ruimere reikwijdte heeft dan het bewind rechtvaardigt. Aangezien een onderbewindstelling toch al een inbreuk maakt op de autonomie van de onder bewind gestelde, [73] is dat mijns inziens onwenselijk. Art. 8:21(1) Awb zou naar mijn mening geen bevoegdheid aan de bewindvoerder mogen verlenen buiten gevallen waarin de uitoefening van de bevoegdheid tot de taak van de bewindvoerder zou behoren.
Toepassing van de geding-afhankelijke benadering op een geval als dit
5.15
Wat brengt de geding-afhankelijke benadering van art. 8:21(1) Awb mee voor een geval als dit? Dit geval kenmerkt zich erdoor dat (i) het beschermingsbewind betrekking heeft op de (toekomstige) goederen van belanghebbende (en dus niet beperkt is tot een of meer bepaalde goederen), en (ii) dat het voorwerp van het geding in hoger beroep een belastingaanslag is, i.c. een naheffingsaanslag parkeerbelasting.
5.16
Het Hof lijkt in rov. 5.1.4 van oordeel te zijn dat de onderhavige procedure niet onder bewind valt. Het neemt daarbij in aanmerking dat deze procedure “geen goederenrechtelijk geschil betreft”. Ik meen dat het Hof daarmee blijk geeft van een te beperkte opvatting van de taak van de bewindvoerder. Zoals eerder opgemerkt in ‎3.13 leid ik uit bijvoorbeeld HR NJ 2025/183 af dat die taak betrekkelijk ruim is: “Tot de taak van de bewindvoerder behoren blijkens art. 1:441 lid 1 BW Pro alle handelingen die aan een goed bewind bijdragen. Hieronder zijn begrepen handelingen die kunnen bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van de rechthebbende.” In dat arrest is vervolgens geoordeeld dat het indienen van een verzoek tot vaststelling van kinderalimentatie als zo’n handeling moet worden aangemerkt.
5.17
Aangezien een belastingaanslag het vermogen van een belastingplichtige aantast, kan het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een belastingaanslag bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van een onder bewind gestelde. Ik meen daarom dat het aanwenden van rechtsmiddelen tegen een belastingaanslag tot de taak van de bewindvoerder kan behoren. Dat geldt ook voor het voeren van verweer (in hoger beroep of in cassatie) in een door het fiscale bestuursorgaan aanhangig gemaakt geding voor de bestuursrechter.
5.18
Dit een en ander is naar mijn niet anders indien het gaat om een belastingaanslag van een bedrag dat in absolute zin beperkt van omvang is, zoals in het geval van een naheffingsaanslag parkeerbelasting. Kleine beetjes kunnen immers ook bijdragen aan het stabiliseren van de financiële situatie van een onder bewind gestelde. Bovendien kan een bedrag dat in absolute zin beperkt van omvang is, nog wel relatief hoog zijn in het licht van de financiële situatie van een onder bewind gestelde.
5.19
Ik meen dus dat in een geval als dit geen andere conclusie mogelijk is dan dat art. 8:21(1) Awb van toepassing is.
En het tweede lid van art. 8:21 Awb Pro?
5.2
In het verweerschrift in cassatie (p. 2) stelt het College dat in het oordeel van het Hof in rov. 5.1.5 dat belanghebbende niet onbekwaam is om in rechte te staan, besloten ligt dat belanghebbende tot redelijke waardering van zijn belangen in staat kan worden geacht als bedoeld in art. 8:21(2) Awb. Volgens het College is dat laatste “juist en begrijpelijk”.
5.21
Dit betoog kan het College niet baten. Rechtsoverweging 5.1.5 kan niet anders worden begrepen dan dat het Hof geoordeeld heeft dat in dit geval art. 8:21(1) Awb niet van toepassing is omdat er geen sprake is van onbekwaamheid als bedoeld in dat eerste lid. Aangezien aldus naar het oordeel van het Hof art. 8:21 Awb Pro niet van toepassing is, kan in dat oordeel geen toepassing van art. 8:21(2) Awb besloten liggen.
5.22
Het betoog kan het College ook om een andere reden niet baten. Indien een persoon die onder het toepassingsbereik van art. 8:21(1) Awb valt, tot redelijke waardering van zijn belangen in staat kan worden geacht als bedoeld in art. 8:21(2) Awb, brengt dat weliswaar mee dat die persoon zelf in het geding kan optreden, maar het betekent niet dat de in het eerste lid genoemde vertegenwoordiger niet meer bevoegd is. Noch de tekst noch de systematiek van art. 8:21 Awb Pro noch de parlementaire geschiedenis (‎4.17) biedt daarvoor een aanknopingspunt.
Gevolgen voor de verzending van stukken
5.23
Indien art. 8:21(1) Awb van toepassing is op een onder bewind gestelde, wordt deze in het geding vertegenwoordigd door zijn bewindvoerder. In navolging van de terminologie in het burgerlijk recht (zie ‎3.14-‎3.15), wordt zowel in de bestuursrechtelijke jurisprudentie [74] als in de literatuur [75] de bewindvoerder wel aangeduid als ‘de formele procespartij’. Ook ik hanteer die term hierna.
5.24
Dat de bewindvoerder de onder bewind gestelde vertegenwoordigt in het geding, betekent dat de bewindvoerder bevoegd is om alle proceshandelingen te verrichten. In een geval als dit, waarin het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld, is de bewindvoerder dus bevoegd om bijvoorbeeld een verweerschrift in te dienen en incidenteel hoger beroep in te stellen.
5.25
Net zoals de bestuursrechter stukken betreffende het geding moet verzenden aan de bewindvoerder in het geval de bewindvoerder (namens de onder bewind gestelde) (hoger) beroep heeft ingesteld, meen ik dat de bestuursrechter stukken betreffende het geding moet verzenden aan de bewindvoerder in het geval het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld. Hierover lijkt in de literatuur ook wel anders te worden gedacht. [76]
5.26
Deze verplichting om stukken te verzenden
aan de bewindvoerder, vloeit mijns inziens rechtstreeks voort uit art. 8:21(1) Awb. Uit die bepaling volgt immers dat de bewindvoerder ‘de formele procespartij’ is.
5.27
Zo nodig – maar mijns inziens is dat niet nodig – kan de verplichting nog worden gebaseerd op een van-overeenkomstige-toepassing van art. 6:17 Awb Pro. Deze bepaling ziet op gevallen waarin iemand zich laat vertegenwoordigen. Als in zo’n geval van (vrijwillige) vertegenwoordiging een verzendplicht aan de vertegenwoordiger geldt, meen ik dat in het geval van verplichte vertegenwoordiging zeker een verzendplicht aan de vertegenwoordiger heeft te gelden. Dat spoort ook met de strekking van art. 6:17 Awb Pro, te weten de bescherming van de procedurele belangen van een belanghebbende die wordt vertegenwoordigd. [77]
5.28
Ik meen dat er twee uitzonderingsgevallen zijn waarin stukken niet behoeven te worden verzonden aan de bewindvoerder. Het eerste geval is dat de onder bewind gestelde zelf in het geding optreedt op grond van art. 8:21(2) Awb – in dat geval moeten de stukken worden verzonden aan de onder bewind gestelde. Het tweede geval is dat de bewindvoerder zich laat vertegenwoordigen als bedoeld in art. 6:17 Awb Pro – in dat geval moeten de stukken (op grond van art. 6:17 Awb Pro) worden verzonden aan in elk geval de desbetreffende vertegenwoordiger.
5.29
In een geval als dit, waarin het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld, kan de vraag rijzen aan wie de stukken van het geding – met name de kennisgeving van het hoger beroep en het hogerberoepschrift – moeten worden verstuurd, omdat nog niet bekend is of de bewindvoerder dan wel de onder bewind gestelde zelf in het geding in hoger beroep optreedt als formele procespartij. Ik meen dat als uitgangspunt heeft te gelden dat degene die in eerste aanleg bij de rechtbank als formele procespartij heeft opgetreden, ook de formele procespartij in hoger beroep is. In het geval de bewindvoerder de formele procespartij was, moet de hogerberoepsrechter de stukken als uitgangspunt [78] naar (de gemachtigde van) de bewindvoerder sturen. In het geval de onder bewind gestelde zelf in het geding voor de rechtbank is opgetreden (en dus formele procespartij was), moeten de stukken (in elk geval ook) naar de onder bewind gestelde worden gestuurd. In dat laatste geval laat de toezending van de stukken aan de onder bewind gestelde trouwens onverlet dat de hogerberoepsrechter op enig moment tijdens de procedure tot de bevinding kan komen dat de onder bewind gestelde niet tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is en dat er daarom grond is om alsnog de bewindvoerder bij het geding te betrekken als formele procespartij.
5.3
Het voorgaande betekent voor deze zaak het volgende. Aangezien art. 8:21(1) Awb van toepassing is, had het Hof als uitgangspunt de stukken van het geding, waaronder de brief van 15 januari 2025, aan de bewindvoerder moeten sturen. Er is in dit geval geen grond om van dat uitgangspunt af te wijken. Het uitzonderingsgeval dat de onder bewind gestelde zelf in het geding optreedt, doet zich hier niet voor. De bewindvoerder is immers voor de Rechtbank als formele procespartij opgetreden (zie ‎2.5). Zo het Hof erover twijfelde of het vermogen van belanghebbende nog steeds onder bewind stond, had het Hof het openbare CCBR kunnen raadplegen. Wel had sprake kunnen zijn van het uitzonderingsgeval dat het Hof de brief van 15 januari 2025 naar de gemachtigde had verstuurd met toepassing van art. 6:17 Awb Pro, aangezien de bewindvoerder zich in het geding voor de Rechtbank heeft laten vertegenwoordigen door de gemachtigde. Dit uitzonderingsgeval doet zich echter niet voor: het Hof heeft juist bewust om redenen, die zijn vermeld in rov. 5.1.3, de brief van 15 januari 2025 niet aan de gemachtigde gestuurd. [79] Uitgaande daarvan had het Hof de brief dan wél aan de bewindvoerder moeten versturen.
5.31
Conclusie op dit punt is dat het Hof de brief van 15 januari 2025 ten onrechte niet naar de bewindvoerder heeft gestuurd.
Gevolgen verzuim om de brief van 15 januari 2025 aan de bewindvoerder te sturen
5.32
Art. 8:110(2) Awb bepaalt dat het incidenteel hoger beroep wordt ingesteld binnen zes weken nadat de hogerberoepsrechter de gronden van het hoger beroep aan de desbetreffende partij heeft verzonden. In dit geval zijn de gronden van het hoger beroep bij de brief van 15 januari 2025 verzonden aan belanghebbende (zelf). Die brief had echter naar de bewindvoerder moeten worden verstuurd, omdat de bewindvoerder de formele procespartij is. Dit betekent dat de zeswekentermijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep niet is aangevangen met de verzending van de brief van 15 januari 2025. Ik merk daarbij op dat met ‘de desbetreffende partij’ in art. 8:110(2) Awb naar mijn mening de formele procespartij wordt bedoeld, nu het om een procedurele bepaling gaat.
5.33
Overeenkomstige toepassing van de jurisprudentie over de aanvang van een rechtsmiddeltermijn indien een uitspraak of besluit niet op de voorgeschreven wijze is bekendgemaakt [80] brengt dan mee dat de zeswekentermijn is aangevangen op de dag waarop de bewindvoerder (de brief met) de gronden van het hoger beroep onder ogen heeft gekregen.
5.34
Ik meen dat zowel de stellingen voor het Hof als de feitenvaststelling door het Hof (in rov. 1.5) voldoende basis bieden om ervan te kunnen uitgaan dat de gemachtigde in elk geval niet eerder dan 5 maart 2025 (maar denkelijk pas enig moment daarna) de gronden van het hoger beroep onder ogen heeft gekregen. Het zou in theorie denkbaar zijn dat de bewindvoerder op een eerder moment dan 5 maart 2025 de gronden onder ogen heeft gekregen doordat belanghebbende hem de gronden heeft doen toekomen. Gegeven dat dit dossier ademt dat belanghebbende niet in staat is om adequaat post te verwerken, [81] lijkt mij deze theoretische mogelijkheid volstrekt denkbeeldig. Verwijzing voor onderzoek op dit punt lijkt mij dan ook een verspilling van tijd en kosten. Ik zou daarom als uitgangspunt willen nemen dat de bewindvoerder de gronden in elk geval niet eerder dan 5 maart 2025 onder ogen heeft gezien (in de vorm van kennisneming door zijn gemachtigde). Processueel is dat te rechtvaardigen op de grond dat de Heffingsambtenaar het tegendeel niet heeft gesteld als verweer tegen het betoog van de gemachtigde voor het Hof dat het incidenteel hoger beroep ontvankelijk is.
5.35
Voormeld uitgangspunt brengt mee dat de zeswekentermijn niet eerder is aangevangen dan op 5 maart 2025. Aangezien dat moment gelegen is binnen zes weken voordat het incidenteel hoger beroep is ingesteld op 4 april 2025 (zie ‎2.11), is het dat beroep tijdig ingesteld. Het incidenteel hoger beroep is daarom ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.
Tot slot: praktische complicaties
5.36
Ik realiseer me dat de in ‎5.23-‎5.29 geschetste consequentie van bewind voor de verzending van stukken praktisch lastig kan liggen. Uit mijn onderzoek voor een eerdere conclusie van 16 januari 2026 [82] weet ik dat het gangbare praktijk bij de gerechtshoven is dat in het geval het bestuursorgaan hoger beroep instelt, de kennisgeving van het hoger beroep wordt verstuurd naar de belanghebbende zelf, ook indien de belanghebbende zich in vorige instantie heeft laten vertegenwoordigen. Uit wat in ‎5.29 is vermeld volgt echter dat indien een bewindvoerder de formele procespartij is geweest in vorige instantie, de stukken van het geding – waaronder de kennisgeving – naar de bewindvoerder moeten worden verstuurd en niet enkel naar de (onder bewind gestelde) belanghebbende. Dat lijkt dan te impliceren dat de gangbare praktijk moet worden aangepast voor situaties van bewind.
5.37
Complicatie daarbij is bovendien dat het doorgaans [83] een bestudering van de uitspraak van de rechtbank en/of andere stukken in het dossier vergt om te weten óf er sprake is van bewind en zo ja óf de bewindvoerder als formele procespartij is opgetreden in het geding voor de rechtbank. Deze zaak is daarvoor illustratief: dat sprake is van bewind valt wellicht nog wel uit de uitspraak op te maken (vgl. ‎2.5), maar dat de bewindvoerder de formele procespartij is wordt pas duidelijk uit andere stukken (vgl. ‎2.7). Een dergelijke bestudering past denkelijk niet goed in het (massale) zaakverwerkingsproces van de griffie en sluit mogelijk ook niet (steeds) goed aan bij de competenties van administratief medewerkers van de griffie. Bedacht dient daarbij ook te worden dat een dergelijke bestudering nodig kan zijn in alle zaken waarin het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld, terwijl vermoedelijk slechts in een (zeer) beperkt aantal zaken sprake zal blijken te zijn van een situatie van bewind.
5.38
In het geval het praktisch niet haalbaar is om de werkwijze op de griffie aan te passen bij de eerste verzending van stukken, zal niettemin in een later stadium in het proces – waarbij dan wellicht een juridisch medewerker en/of een raadsheer erbij betrokken wordt – moeten worden geborgd dat in gevallen waarin blijkt dat een bewindvoerder de formele procespartij is, de stukken alsnog aan de bewindvoerder worden verstuurd. En in dat geval zal dan moeten worden aanvaard dat vertraging in de procedure optreedt omdat bepaalde termijnen (zoals die voor verweer en die voor incidenteel hoger beroep) nog niet zijn aangevangen.

6.Beoordeling van de klachten

Klacht I

Onderdeel I in samenhang met onderdeel III
6.1
Onderdeel I (in samenhang met onderdeel III) klaagt over de oordelen in rov. 5.1.4-5.1.6 over de gevolgen die het niet-toezenden van de brief van 15 januari 2025 aan de bewindvoerder heeft voor de ontvankelijkheid van het incidentele hoger beroep. Gelet op de uiteenzetting in onderdeel ‎5 slaagt deze klacht en leidt zij tot cassatie.
Onderdeel II in samenhang met onderdeel III
6.2
Onderdeel II (in samenhang met onderdeel III) klaagt over de oordelen in rov. 5.1.2, 5.1.3 en 5.1.6 over de gevolgen die het niet-toezenden van de brief van 15 januari 2025 aan de gemachtigde heeft voor de ontvankelijkheid van het incidentele hoger beroep.
6.3
Deze klacht steunt op het uitgangspunt dat art. 6:17 Awb Pro meebrengt dat de brief van 15 januari 2025 aan de gemachtigde had moeten worden verstuurd.
6.4
Ik ben eerder in mijn conclusie van 16 januari 2026 ingegaan op de vraag hoe art. 6:17 Awb Pro moet worden toegepast in het geval het bestuursorgaan hoger beroep heeft ingesteld en de belanghebbende zich voor de rechtbank heeft laten vertegenwoordigen door een gemachtigde. [84] Ik verwijs naar die conclusie voor de verschillende mogelijke benaderingen die ik heb onderscheiden en voor mijn juridische appreciatie daarvan. [85] De Hoge Raad heeft onlangs arrest gewezen in de desbetreffende zaak, maar is om redenen van proceseconomie niet toegekomen aan de (ontvankelijkheids)kwestie waarin de voornoemde vraag was opgekomen. [86]
6.5
De onderhavige zaak wijkt in die zin af van het geval dat ik in mijn conclusie van 16 januari 2026 heb besproken dat in het geding voor de rechtbank de gemachtigde de vertegenwoordiger is van de bewindvoerder en niet van de belanghebbende zelf. Het lot van de klacht van onderdeel II is daarom nauw verbonden met de kwestie of art. 8:21(1) Awb van toepassing is:
- De klacht behoeft geen behandeling indien de klacht over onderdeel I slaagt.
- Indien evenwel de klacht van onderdeel I niet slaagt, dan faalt ook de klacht van onderdeel II. Een verplichting op grond van art. 6:17 Awb Pro om de brief van 15 januari 2025 aan de gemachtigde te versturen, kan immers alleen bestaan indien de bewindvoerder de vertegenwoordiger van belanghebbende in het geding voor het Hof is, aangezien de gemachtigde de vertegenwoordiger van de bewindvoerder is.
Onderdeel III
6.6
Onderdeel III moet naar mijn mening worden behandeld in samenhang met onderdeel I onderscheidenlijk onderdeel II. Het behoeft voor het overige geen zelfstandige behandeling.
6.7
Ik merk in dat verband voor de goede orde op dat het onderdeel niet klaagt over het oordeel van het Hof dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is. Het klaagt juist alleen erover dát het Hof de stellingen van belanghebbende heeft behandeld in het kader van de vraag of de termijnoverschrijding verschoonbaar is (in plaats van in het kader van de vraag óf de termijn is overschreden).
6.8
Ik veroorloof me niettemin de opmerking dat art. 6:11 Awb Pro naar mijn mening meer ruimte biedt om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten dan waarvan het Hof lijkt uit te gaan. In de omstandigheden van dit geval (een belanghebbende die onder schuldenbewind staat en die in de procedure voor de Rechtbank is vertegenwoordigd door de gemachtigde van de bewindvoerder; de keuze van het Hof om de brief van 15 januari 2025 enkel aan belanghebbende te sturen, zonder kopie daarvan naar de gemachtigde of de bewindvoerder; objectieve aanwijzingen dat belanghebbende niet goed in staat is tot adequate postverwerking) zou het mijn inziens niet van een onjuiste rechtsopvatting getuigen als zou worden geoordeeld dat sprake is van een geringe verwijtbaarheid met betrekking tot de (veronderstelde) termijnoverschrijding. [87]
Klacht II
6.9
In rov. 4.3 van het Hof is vermeld dat belanghebbende heeft verzocht om vergoeding van wettelijke rente over de proceskostenvergoeding. Dat is in cassatie niet in geschil. Verder staat vast dat het Hof een proceskostenvergoeding heeft toegekend. Het Hof had dan ook moeten beslissen op het verzoek, [88] maar heeft verzuimd om dat te doen. Klacht II slaagt daarom.

7.Afdoening van de zaak na cassatie

Verzoek vergoeding wettelijke rente (klacht II)

7.1
Wat betreft de kwestie waarop de slagende
klacht IIbetrekking heeft, kan de Hoge Raad naar mijn mening de zaak zelf afdoen door te beslissen dat, indien de proceskostenvergoeding voor het hoger beroep niet tijdig is voldaan, [89] de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop het Hof zijn uitspraak heeft gedaan. [90]
Zelf afdoen incidenteel hoger beroep?
7.2
Gelet op de kwestie waarop de slagende
klacht Ibetrekking heeft, lijkt het op het eerst gezicht in de rede te liggen om de zaak te verwijzen naar een ander gerechtshof voor een inhoudelijke behandeling van het incidentele hoger beroep, omdat het Hof aan die behandeling niet was toegekomen. Hoewel ik daar geen onderzoek naar heb gedaan, is mijn indruk dat doorgaans verwijzing volgt in het geval een gerechtshof het (incidenteel) hoger beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zie ik het echter goed, dan is ook in een dergelijk geval niet ten principale uitgesloten dat de Hoge Raad de zaak zelf afdoet op grond van art. 29e(2) AWR. [91] Of het opportuun is voor de Hoge Raad om de zaak in een dergelijk geval zelf af te doen hangt naar mijn mening ervan af (i) of de zaak zich daarvoor leent in het licht van het in art. 29e(2) AWR gegeven kader, en (ii) of er eerder een (in procedureel opzicht) voldragen debat voor het gerechtshof heeft plaatsgevonden.
7.3
Wat het laatste betreft: uit het dossier volgt dat daarvan in dit geval sprake is. Belanghebbende heeft de gronden van het incidenteel hoger beroep aangevoerd, en de Heffingsambtenaar heeft daarop gereageerd bij brief van 28 augustus 2025.
7.4
Wat het eerste betreft merk ik op dat het incidenteel hoger beroep twee grieven omvat. De eerste grief is gericht tegen de wegingsfactor van 0,5 die de Rechtbank heeft gehanteerd bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding. De tweede grief houdt in dat de Rechtbank ten onrechte heeft nagelaten te beslissen op het verzoek om de Heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over zowel het griffierecht als de proceskostenvergoeding. Voor de beoordeling van beide grieven is geen nader feitenonderzoek nodig. Het past daarom binnen het kader van art. 29e(2) AWR om deze grieven zelf af te doen. Daaraan staat naar mijn mening niet in de weg dat de beoordeling van de eerste grief een waarderingskwestie betreft. Het gaat naar mijn mening om een punt van ondergeschikte aard. Bedacht dient daarbij ook te worden dat het staande praktijk is dat als de Hoge Raad een zaak zelf afdoet, hij – indien nodig – ook nevenbeslissingen neemt, waaronder beslissingen over de proceskosten bij de feitenrechters. [92] Een bijzonderheid is hier wel dat een beslissing van de Rechtbank over de wegingsfactor ter toets voorligt. Dat maakt het wellicht wat ‘ongemakkelijker’ voor de Hoge Raad om als feitenrechter op te treden, maar het maakt mijns inziens niet dat de Hoge Raad niet zelf de zaak op (ook) dit punt kan afdoen.
7.5
Ik geef daarom de Hoge Raad in overweging om gebruik te maken van zijn discretionaire bevoegdheid [93] om het incidenteel hoger beroep zelf af te doen. Daarvoor pleit ook de proceseconomie, de hoofdregel van art. 29e(2) AWR dat de Hoge Raad een zaak zelf afdoet na cassatie, en de in art. 8:41a Awb opgenomen opdracht aan de bestuursrechter om een geschil zoveel mogelijk definitief te beslechten.
Eerste grief incidenteel hoger beroep: wegingsfactor zaak in eerste aanleg
7.6
Aan de concrete beoordeling van de eerste grief gaat vooraf de vraag naar de intensiteit van toetsing van een oordeel van de rechtbank over de wegingsfactor van een zaak. Zou dat oordeel in cassatie voorliggen, dan zou dat oordeel slecht beperkt toetsbaar zijn. [94] Dit houdt verband met de in art. 79 Wet Pro RO besloten liggende beperkingen aan de beoordeling in cassatie. Hier gaat het echter om een toets door de Hoge Raad ná cassatie, dus om een toets als feitenrechter. Relevant in dat verband is dat gerechtshof Arnhem-Leeuwarden in een principiële, discursief gemotiveerde uitspraak heeft geoordeeld dat (i) het geen aanleiding ziet om de toetsing van een door de rechtbank toegekende proceskostenvergoeding met terughoudendheid uit te voeren, en (ii) het daarom ten volle toetst of de rechtbank de juiste wegingsfactor heeft toegepast. [95] Deze uitspraak is kritisch becommentarieerd. [96] Saillant is dat het gerechtshof vervolgens bij zijn volle toets van de wegingsfactor de Richtsnoer proceskostenvergoeding belastingkamers gerechtshoven 2024 (de Richtsnoer) tot uitgangspunt neemt. Hoewel daar zeker een logica in zit, is dat saillant omdat dit de facto meebrengt dat de rechtbanken in het ressort van dat hof aan de Richtsnoer zijn gebonden, terwijl de Hoge Raad eerder met betrekking tot een eerdere richtlijn van een gerechtshof heeft geoordeeld dat een rechtbank daaraan niet gebonden is. [97] Voor zover mij bekend hebben de andere gerechtshoven de lijn van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden (nog?) niet met zoveel woorden gevolgd. Daarmee is overigens niet gezegd dat de andere gerechtshoven marginaal toetsen. Kanttekening is bovendien dat het lastig is vast te stellen hoe indringend de andere gerechtshoven toetsen, omdat dit doorgaans niet wordt geëxpliciteerd. [98] Bovendien zijn variaties in intensiteit denkbaar in de wijze waarop een volle toets wordt uitgevoerd. Zelfs als een gerechtshof termen gebruikt die op een volle toets duiden (zoals ‘juist’ of ‘onjuist’) dan nog is het goed mogelijk dat de toets op juistheid met een zekere terughoudendheid wordt uitgevoerd.
7.7
Ik meen dat gerechtshof Arnhem-Leeuwarden als uitgangspunt gelijk heeft dat indien het oordeel van een rechtbank over de wegingsfactor in hoger beroep wordt bestreden, het gerechtshof de juistheid van dat oordeel volledig kan toetsen, en dat dit een zelfstandige beoordeling behelst, dat wil zeggen een beoordeling op grond van een eigen waardering. Met het gerechtshof meen ik dat daarvoor steun kan worden gevonden in het arrest HR BNB 2013/264, [99] ook al gaat het in dat arrest over de toets door de rechter van de door het bestuursorgaan toegekende kostenvergoeding in de bezwaarfase.
7.8
Dit neemt echter niet weg dat met enige praktische wijsheid invulling kan worden gegeven aan de volle toets. Niets staat een gerechtshof eraan in de weg om bij die toets enige terughoudendheid te betrachten. [100] Dat is niet strijdig met de hiervoor genoemde eigen waardering. Bij die waardering kan een gerechtshof namelijk er rekening mee houden dat de rechter die de zaak zelf heeft behandeld in de desbetreffende instantie, als uitgangspunt in de beste positie is om het gewicht van de zaak te bepalen, in aanmerking genomen dat het gewicht van de zaak mede wordt bepaald door de complexiteit daarvan. Het gerechtshof bevindt zich doorgaans in die zin in een minder goede positie dan de rechtbank om de complexiteit van de zaak in de fase voor de rechtbank te bepalen, omdat de zaak zich voor het gerechtshof inmiddels verder ontwikkeld zal hebben. De rechtbank daarentegen heeft juist wel de zaak behandeld naar de stand van de zaak waarvan het gewicht moet worden bepaald; de rechtbank heeft de mate van complexiteit dan ook zelf ‘ervaren’. Nu kan worden tegengeworpen dat hetzelfde geldt als de rechtbank de door het bestuursorgaan vastgestelde wegingsfactor in het kader van de berekening van de vergoeding van de kosten voor de bezwaarfase moet beoordelen. Dat is op zichzelf juist, maar een verschil is dat de rechtbank geen partij bij de proceskostenvergoeding is, terwijl het bestuursorgaan dat wel is bij de door hem vastgestelde kostenvergoeding.
7.9
Terug naar deze zaak. Het gewicht van een zaak wordt bepaald door zowel de “bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting van de rechtsbijstandverlener” als “het – al dan niet in geld uit te drukken – belang” dat met het aanwenden van het rechtsmiddel was gemoeid. [101] In het licht van deze factoren en gelet op de gegevens in het dossier meen ik dat er geen aanleiding is om – uitgaande van een eigen waardering door de Hoge Raad – het ‘beter te weten’ dan de Rechtbank dat de wegingsfactor van de zaak in eerste aanleg 0,5 bedraagt. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat het hier niet gaat om een ‘standaard’ parkeerbelastingzaak, [102] maar gelet op de inhoud van het beroepschrift meen ik dat, in eerste aanleg, de bewerkelijkheid en de gecompliceerdheid van de zaak en de daarmee verband houdende werkbelasting niet zodanig zijn dat 0,5 geen gepaste factor is. Daaraan doet niet af dat het Hof bij de toekenning van een proceskostenvergoeding in hoger beroep in verband met het ongegronde hoger beroep van de Heffingsambtenaar is uitgegaan van een hogere wegingsfactor, te weten factor 1. De zaak heeft in hoger beroep duidelijk aan zwaarte gewonnen in termen van bewerkelijkheid en complexiteit, mede door de gronden van het hoger beroep. Dit zwaardere gewicht komt ook tot uitdrukking in de werkbelasting voor de gemachtigde zoals die blijkt uit het (uitgebreid gemotiveerde) verweerschrift in hoger beroep van belanghebbende.
7.1
Ik realiseer me dat in het geval de Hoge Raad na cassatie zelf de proceskostenvergoedingen voor de feitelijke instanties vaststelt, de handelwijze van de Hoge Raad doorgaans is om daarbij uit te gaan van dezelfde wegingsfactor als die voor de proceskostenvergoeding in cassatie. [103] Aangezien de Hoge Raad voor de proceskostenvergoeding in cassatie doorgaans een wegingsfactor 1 hanteert (dan wel een wegingsfactor 1,5 in een zaak waarin een conclusie is genomen), [104] lijkt wellicht met de zojuist bedoelde handelwijze niet te stroken dat de Hoge Raad in deze zaak een gewichtsfactor van 0,5 voor het beroep zou sanctioneren. Toch is dit laatste naar mijn mening niet onverenigbaar met die handelwijze. De gedachtegang achter die handelwijze lijkt mij namelijk te zijn dat indien een zaak voor de Hoge Raad tot cassatie leidt, die zaak geacht kan worden zodanig complex te zijn dat eenzelfde wegingsfactor aangewezen is voor eerdere instanties als de wegingsfactor in cassatie. Die gedachtegang gaat in deze procedure niet op. De hoofdzaak in deze procedure (de naheffingsaanslag) is immers geen onderwerp van geschil in cassatie geweest.
7.11
Kortom, ik meen dat de eerste grief moet worden verworpen.
Tweede grief incidenteel hoger beroep: verzoek vergoeding wettelijke rente
7.12
Ik meen dat ook de tweede grief moet worden verworpen. Niet in geschil is dat de Rechtbank in haar dictum heeft bepaald “dat de termijn voor vergoeding van wettelijke rente gaat lopen vanaf vier weken na de datum van deze uitspraak”. Anders dan de grief betoogt, meen ik dat hieruit volgt dat belanghebbende aanspraak heeft op wettelijke rente indien tijdige betaling, te weten binnen de bedoelde vier weken, uitblijft. Evenmin treft doel de klacht dat de Rechtbank niet heeft gespecificeerd dat de wettelijke rente betrekking heeft op de proceskostenvergoeding en de vergoeding van het griffierecht. Aan belanghebbende kan worden toegegeven dat het met het oog op duidelijkheid en het voorkomen van executieproblemen wenselijk is dat expliciet uit het dictum volgt waarop de beslissing over de wettelijke rente betrekking heeft. Hoewel dat in dit geval niet is gebeurd, meen ik dat uit de beslissing duidelijk volgt dat de beslissing over de wettelijke rente betrekking heeft op zowel de proceskostenvergoeding als de vergoeding van het griffierecht. Dat volgt namelijk uit de opbouw van de beslissing in samenhang bezien met de omstandigheid dat de beslissing over de wettelijke rente niet expliciet vermeldt waarop de wettelijke rente betrekking heeft. Zo er al twijfel is, kan de beslissing bovendien in haar context worden uitgelegd. Daartoe behoren (i) het petitum in het beroepschrift dat onder meer inhoudt dat de Heffingsambtenaar wordt veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over het griffierecht en de proceskostenvergoeding, en (ii) de overwegingen van de Rechtbank, die geen betrekking hebben op de wettelijke rente en die dus geen enkel aanknopingspunt bevatten dat de Rechtbank ter zake van de wettelijke rente is afgeweken van het verzoek/petitum.
7.13
Naar mijn oordeel is het incidentele hoger beroep dus ongegrond.

8.Conclusie

Ik geef de Hoge Raad in overweging om het beroep in cassatie van belanghebbende gegrond te verklaren en om de zaak zelf af te doen.
De Procureur-Generaal bij de
Hoge Raad der Nederlanden
Advocaat-Generaal

Voetnoten

1.Uitgangspunt bij de weergave is de feitenvaststelling door het Hof in onderdeel 1 en 2 van zijn uitspraak. Waar ik feiten vermeld die niet in die onderdelen zijn opgenomen, vermeld ik de bron in de voetnoot.
2.Gebaseerd op de beschikking, waarvan een kopie is gevoegd als bijlage bij het beroepschrift dat is ingediend bij de Rechtbank.
3.Dit register is te vinden op https://ccbr.rechtspraak.nl/#!/.
4.Een kopie van het bezwaarschrift (dat ogenschijnlijk een uitdraai is van de gegevens die zijn ingevuld in een digitaal ingediend bezwaarformulier) is onderdeel van bijlage 1 van het verweerschrift voor de Rechtbank. De gegevens van dat bezwaarschrift doen vermoeden dat het bezwaarschrift is ingediend door de bewindvoerder, gelet op het opgegeven e-mailadres. Dit is evenwel niet met zoveel woorden vastgesteld door het Hof en is een twistpunt tussen partijen in cassatie.
5.Rechtbank Den Haag 25 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:19479, Belastingblad 2025/149, met noot Noordegraaf.
6.Gerechtshof Den Haag 30 september 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:2274, NTFR 2026/67, met noot van de redactie.
7.Vgl. Hof, rov. 1.4, met dien verstande dat ik ten opzichte van de weergave door het Hof een paar kleine aanpassingen heb gedaan, omdat raadpleging van het dossier leerde dat die weergave niet helemaal zuiver was.
8.Dit heeft het Hof niet met zoveel woorden vastgesteld, maar ligt wel besloten in rov. 1.4. Het vindt ook steun in het dossier.
9.Zie Hof, rov. 1.4 voor dit een en ander.
10.Het bericht vermeldt dat de gemachtigde dit vernomen heeft van de Heffingsambtenaar.
11.Zie Hof, rov. 1.5 voor dit een en ander.
12.Stcrt. 2022, nr. 3694.
13.Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2026/690.
14.Conclusie A-G De Bock 13 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:252. Zie ook haar conclusie van 1 april 2021, ECLI:NL:PHR:2021:324. Een kernachtig overzicht is ook te vinden in de conclusie A-G Wesseling-van Gent 5 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:366, onderdeel 3.8-3.14.
15.Conclusie A-G De Bock 13 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:252, onderdeel 2.1.
16.Zie conclusie A-G De Bock 13 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:252, onderdeel 2.2.
17.Zie Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2026/649 over de opkomst van andere beschermingsmaatregelen dan curatele.
18.Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2026/696.
19.Zie bijv. HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, NJ 2015/69.
20.Bijv. conclusie A-G Coenraad 7 maart 2025, ECLI:NL:PHR:2025:285, onderdeel 3.4.
21.Dit is ook in het civiele recht niet ongebruikelijk; zie bijv. A-G Wesseling-van Gent 5 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:366, onderdeel 3.12. Vgl. conclusie A-G De Bock 11 november 2022, ECLI:NL:PHR:2022:1045, onderdeel 6.16 (‘de onderbewindgestelde rechthebbende’).
22.Ter Haar, in: T&C BW, commentaar op art. 1:438 BW Pro (actueel t/m 01-03-2026), aant. 2.
23.Vgl. voor dit een en ander Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2026/691 en 2026/730, en Ter Haar, in: T&C BW, commentaar op titel 19 Boek 1 BW (“actueel t/m 01-03-2026”), aant. 4, onder b.
24.Zie voor dit een en ander Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2026/731 en Ter Haar, in: T&C BW, commentaar op art. 1:438 BW Pro (actueel t/m 01-03-2026), aant. 1.
25.Zie ook https://www.rechtspraak.nl/registers/centraal-curatele--en-bewindregister.
26.HR 17 maart 2023, ECLI:NL:HR:2023:429.
27.Conclusie A-G De Bock 13 maart 2026, ECLI:NL:PHR:2026:252, onderdeel 2.7.
28.Bijv. HR 20 juni 2025, ECLI:NL:HR:2025:979, NJ 2025/183, rov. 3.1.2.
29.HR 7 maart 2014, ECLI:NL:HR:2014:525, NJ 2015/69.
30.Zie de voorafgaande conclusie A-G Wesseling-van Gent 3 januari 2014, ECLI:NL:PHR:2014:105, punt 2.35.
31.H.B. Krans in NJ 2015/69, onderdeel 10. Zie in gelijke zin P.C. van Es, Inschrijfbaarheid van meerderjarigenbewind en derdenbescherming, WPNR 2015/7064.
32.Via art. 231 Gemeentewet Pro is art. 43 AWR Pro van overeenkomstige toepassing verklaard bij de heffing van gemeentelijke belastingen, zoals de parkeerbelasting.
33.Daarbij geldt de nuancering dat in art. 45 AWR Pro is bepaald dat de inspecteur om geldige redenen vertegenwoordiging in de nakoming van een verplichting van hem die zelf tot die nakoming in staat is, kan uitsluiten.
34.Stb. 1959, 301.
35.Zie Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 2, p. 5.
36.Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 3, p. 22. Zie ook op p. 21: “In deze afdeling vinden de volgende categorieën een regeling: (…) wettelijke bewindvoerders met generale beheersbevoegdheid (artikel 41).”
37.Met het element persoonlijk optreden wordt verwezen naar de passage kort daarvoor: “In de eerste plaats is het ter verzekering van de behoorlijke naleving van het materiële recht geboden, de gehoudenheid van het belastingsubject tot persoonlijk optreden op de voorgrond te stellen” (Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 3, p. 20).
38.Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 3, p. 21.
39.Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 3, p. 22.
40.Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 3, p. 21.
41.Kamerstukken II 1954/55, 4080, nr. 3, p. 21-22.
42.Vgl. M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht (Fiscale handboeken nr. 9), Kluwer: Deventer 2007, par. 11.3.4.5 (op p. 56): “Naar burgerlijk recht kan alleen de wettelijk vertegenwoordiger optreden. De AWR (art. 43) is soepeler: de betrokkene mag ook zelf zijn fiscale zaken behartigen.”
43.In dezelfde zin bijv. S.C.W. Douma e.a., Algemene wet inzake rijksbelastingen (Fed Fiscale Studieserie), Deventer: Wolters Kluwer 2025, par. 3.10.1 (op p. 94).
44.HR 14 mei 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO9503, BNB 2004/245. Vgl. ook eerder HR 24 februari 1999, ECLI:NL:HR:1999:AA2681, BNB 1999/269, rov. 3: “Anders dan de Staatssecretaris meent, is in belastingzaken voor de ontvankelijkheid van het beroep niet vereist dat de curator in een faillissement de failliet machtigt om beroep in cassatie in te stellen”. Dit gaat weliswaar over vertegenwoordiging in rechte, maar het arrest is gewezen toen art. 2(3) Wet administratieve rechtspraak belastingzaken nog van toepassing was, en die bepaling kende – net als thans art. 43 AWR Pro – een ‘kan’-formulering; zie nader punt 2-3 van de noot van Feteris in BNB 1999/269.
45.CRvB 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3480, rov. 4.1-4.6 inzake de bevoegdheid om bezwaar te maken tegen een besluit betreffende een Wajong-uitkering. De CRvB komt tot het oordeel dat de bewindvoerder en niet de onderbewindgestelde belanghebbende bevoegd is om bezwaar te maken tegen het besluit, omdat uitkeringsaanspraken vermogensrechten zijn en daarmee onder het bewind vallen.
46.Tekst van het artikel zoals het luidt na de laatste wijziging ervan op 1 januari 2013. De geciteerde tekst is afkomstig van wetten.overheid.nl.
47.Vgl. R.C. Stam, in: Module Algemeen bestuursrecht, art. 8:21 Awb Pro aant. 2.1.2 (“actueel t/m 30-03-2026”)), met verwijzing naar rechtbank Gelderland 5 juni 2013, ECLI:NL:RBGEL:2013:1011 en rechtbank Zeeland-West-Brabant 1 augustus 2024, ECLI:NL:RBZWB:2024:5408.
48.Wet van 4 juni 1992, Stb. 1992, 315.
49.De Wet van 16 december 1993, Stb. 1993, 650, onderdeel 2, art. I(N) voorziet in invoeging van hoofdstuk 8 – waaronder art. 8:21 (p. 12) – in de Awb. In het wetsvoorstel (Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 2). was art. 8:21 nog Pro genummerd art. 8.1.5.1. De inwerkingtreding per 1 januari 1994 is geregeld bij besluit van 23 december 1993, Stb. 1993, 693, dat ook voorziet in de inwerkingtreding van diverse andere wetten per die datum waaronder de Awb zelf. Vervolgens is op grond van een beschikking van de Minister van Justitie van 29 december 1993 de uiteindelijke tekst van de Awb geplaatst in Stb. 1994, 1.
50.Wet van 20 december 2012, Stb. 2012, 682, deel A, art. I(JJ); inwerkingtreding geregeld bij besluit van 20 december 2012, Stb. 2012, 684.
51.Minderjarigen zijn volgens art. 1:234(1) BW handelingsonbekwaam, tenzij zij toestemming hebben van hun wettelijke vertegenwoordiger (ouder of voogd).
52.Zie bijvoorbeeld ABRvS 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3829, rov. 2.4.
53.Zie bijvoorbeeld T.C. Borman, in: T&C Awb, art. 8:21 Awb Pro, aant. 2 (“actueel t/m 28-05-2026”) en R.C. Stam, in: Module Algemeen bestuursrecht, art. 8:21 Awb Pro, aant. 2.2.1.1 (“actueel t/m 30-03-2026”) en aant. 2.2.1.4 (“actueel t/m 30-03-2026”). Zie ook bijv. E.B. Pechler, Belastingprocesrecht (Fiscale monografieën nr. 107), Deventer: Kluwer 2009, par. 1.4.2.2 (p. 32); Van Wijk/Konijnenbelt & Van Male, Hoofdstukken van bestuursrecht, Deventer: Kluwer 2014, p. 577-578; R.H. Happé e.a., Algemeen fiscaal bestuursrecht, Deventer: Wolters Kluwer 2017, par. 9.9.4 (p. 294), M. Schreuder-Vlasblom, Rechtsbescherming en bestuurlijke voorprocedure (Recht en Praktijk nr. SB3), Deventer: Wolters Kluwer 2017, par. 4.4.3 (op p. 834-835); Vakstudie Algemeen Deel, art. 8:21 Awb Pro, aant. 2.1 (Actueel t/m 19-06-2025); Michiel Hennevelt in NL Fiscaal artikelsgewijs commentaar op art. 8:21 Awb Pro (“Bijgewerkt tot en met 15 april 2026”).
54.Vgl. conclusie A-G Wesseling-van Gent 5 april 2024, ECLI:NL:PHR:2024:366, onderdeel 3.13 in het kader van art. 1:441 BW Pro”: “De rechthebbende mist derhalve in zoverre ook procesbevoegdheid”, met daarbij in een voetnoot wel de opmerking: “Procesbevoegdheid en procesbekwaamheid worden in de literatuur door elkaar gebruikt.”
55.Kamerstukken II 1991/92, 22 495, nr. 3, p. 116.
56.Zo luidt art. 27(1) Ambtenarenwet (Wet van 12 december 1929, Stb. 1929, 530, (met de tekst van art. 27 op Pro p. 10): “Natuurlijke personen, onbekwaam om in rechte te staan, worden vertegenwoordigd door hunne vertegenwoordigers naar burgerlijk recht”. Art. 31(1) Wet Arbo (Wet van 16 september 1954, Stb. 1954, 416) luidt nagenoeg hetzelfde. Dat geldt ook voor art. 44(1) Beroepswet (Wet van 2 februari 1955, Stb. 1955, 47), met dien verstande dat dit artikel tevens regelt door wie rechtspersonen worden vertegenwoordigd.
57.Zie voor art. 44(1) Beroepswet: Kamerstukken II 1953/54, 3349, nr. 3, p. 17-18; zie voor art. 31(1) Wet Arbo: Kamerstukken II 1951/52, 2493, nr. 3, p. 11 (waarbij ik opmerk dat het artikel in het wetsvoorstel nog was opgenomen als art. 20; zie Kamerstukken II 1951/52, 2493, nr. 2, p. 3); zie voor art. 27(1) Ambtenarenwet: Kamerstukken II 1927/28, 392, nr. 3, p. 19 en 22.
58.Wet van 8 december 1902 tot uitvoering van artikel 75 der Pro Ongevallenwet 1901, Stb. 1902, 208 (met op p. 16 de tekst van art. 54); de citeertitel ‘Beroepswet’ volgt uit art. 142.
59.In het ontwerp van wet was art. 54 nog Pro genummerd art. 40 (zie Kamerstukken II 1900/01, 236, nr. 2, p. 5). De memorie van toelichting op dit art. 40 vermeldt Pro: “Welke personen onbekwaam zijn om in rechte te staan, moet uit het civiele recht blijken” (Kamerstukken II 1900/01, 236, nr. 3, p. 21).
60.Wet van 29 oktober 1998, Stb. 1998, 621. Zie besluit van 17 juni 1999, Stb. 1999, 265 voor de inwerkingtreding.
61.Wet van 17 mei 1956, Stb. 1956, 323. De intrekking van de WARB is geregeld in de Wet van 29 oktober 1998, Stb. 1998, 621, art. IV.
62.Kamerstukken II 1996/97, 25 175, nr. 3, p. 27.
63.Kamerstukken II 1996/97, 25 175, nr. 3, p. 12.
64.Tekst vanaf 1 december 1998; de geciteerde tekst is afkomstig van InView Essential. Art. 2(3) WARB maakte onderdeel uit van de WARB vanaf het moment van invoering van die wet (zie de Wet van 17 mei 1956, Stb. 1956, 323). De bepaling maakte nog geen onderdeel uit van het oorspronkelijke wetsontwerp (Kamerstukken II 1954/55, 3704, nr. 2, p. 1). Zij is in het wetsontwerp gekomen bij nota van wijzigingen (Kamerstukken II 1955/56, 3704, nr. 7, p. 1). De toelichting op deze wijziging is te vinden in de memorie van antwoord (Kamerstukken II 1955/56, 3704, nr. 5, p. 4), waaruit volgt dat het ontwerp op dit punt in overeenstemming is gebracht met de bepaling over vertegenwoordiging in het wetsontwerp voor de AWR, dat destijds ook aanhangig was.
65.Vgl. Kamerstukken II 1955/56, 3704, nr. 5, p. 4.
66.Bijv. P. Meyjes e.a., Fiscaal Procesrecht (Fiscale Handboeken nr. 6), Deventer: Kluwer 1997, p. 33.
67.Vgl. ook E.B. Pechler, Belastingprocesrecht (Fiscale monografieën nr. 107), Deventer: Kluwer 2009, par. 1.4.2.2 (p. 32): “Voor zover ik kan zien bestaat er in feite niet zoveel verschil met art. 2, derde lid, Wet ARB”.
68.Rapport van de Commissie ter bestudering van de betekenis van de Algemene wet bestuursrecht voor het fiscale procesrecht, De invloed van de Awb op het fiscale procesrecht, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap no. 193, Deventer: Kluwer 1993, p. 19.
69.Een bevestigend antwoord lijkt te worden voorgestaan door M.W.C. Feteris, Formeel belastingrecht (Fiscale handboeken nr. 9), Kluwer: Deventer 2007, par. 11.3.4.5, voetnoot 226 (op p. 56), alsmede – zij het in het kader van het toenmalige art. 2(3) WARB – Rapport van de Commissie ter bestudering van vertegenwoordiging in het belastingrecht, Vertegenwoordiging in het belastingrecht, Geschriften van de Vereniging voor Belastingwetenschap no. 206, Deventer: Kluwer 1997, p. 25.
70.Overigens heeft het Hof bij die overwegingen, gelet op de inhoud daarvan, mogelijk HR 26 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL5555, BNB 2010/36 in gedachten gehad. Dit arrest zag op de bekendmaking van een belastingaanslag en de Hoge Raad heeft geoordeeld dat de bekendmaking ook rechtsgeldig aan de curator kan plaatsvinden vanwege bijzondere bepalingen over post in de Faillisementswet. Ik merk op dat dit arrest zag op een situatie buiten rechte, dus op een situatie die buiten het toepassingsbereik van art. 8:21 Awb Pro valt.
71.Het Hof overweegt in de eerste zin van rov. 5.1.5 immers: “De stelling dat belanghebbende als gevolg van het bewind onbekwaam is om in rechte te staan zoals bedoeld in artikel 8:21, lid 1, Awb, moet daarom eveneens worden verworpen.” Gelet op ‘daarom’ volgt de reden voor verwerping kennelijk al uit de voorafgaande rov. 5.1.4.
72.Een bestuursrechter mag weliswaar niet meer ambtshalve de tijdigheid van een bezwaar of beroep in vorige instantie beoordelen (HR 16 juli 2021, ECLI:NL:HR:2021:1153), maar een bestuursrechter moet nog wel ambtshalve beoordelen of degene die een bezwaar- of beroepschrift in vorige instantie heeft ingediend daartoe bevoegd was (vgl. HR 6 september 2024, ECLI:NL:HR:2024:1080, rov. 4.3).
73.Vgl. over de mensenrechtelijke aspecten van (onder meer) beschermingsbewind Asser/Kolkman & Salomons 1-I 2026/650, met verdere verwijzingen. Overigens is het uitgangspunt dat een minderjarige die niet tot een redelijke waardering van zijn belangen in staat is, niet zelfstandig beroep mag instellen niet in strijd met het EVRM geacht door CRvB 22 mei 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BW6529, AB 2012/272 (vgl. ook ABRvS 23 februari 2011, ECLI:NL:RVS:2011:BP5457, AB 2011/97).
74.Bijv. CRvB 7 november 2018, ECLI:NL:CRVB:2018:3480, rov. 4.6.2 en 4.6.3. Vgl. ABRvS 13 november 2019, ECLI:NL:RVS:2019:3829, rov. 2.4: “[wederpartij] is (…) in zijn hoedanigheid als bewindvoerder partij in het geding”.
75.Bijv. R.C. Stam, in: Module Algemeen bestuursrecht, art. 8:21 Awb Pro, aant. 2.2.1.1 (“actueel t/m 30-03-2026”) en aant. 2.2.1.4 (“actueel t/m 30-03-2026”).
76.Zie R.C. Stam, in: Module Algemeen bestuursrecht, art. 8:21 Awb Pro, aant. 2.2.1.4 (“actueel t/m 30-03-2026”), aangezien daarin wordt opgemerkt, onder verwijzing naar uitspraak van het Hof, “dat de kennisgeving van het hoger beroep tegen de uitspraak waarbij een parkeerbelasting is herroepen aan de rechthebbende wordt gericht (en niet aan de bewindvoerder) en de termijn voor het instellen van incidenteel hoger beroep met die kennisgeving een aanvang neemt”.
77.Vgl. HR 25 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:969, BNB 2014/27, rov. 3.3.5. Zie daarover ook mijn conclusie van 16 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:86.
78.‘Als uitgangspunt’, want het is anders indien het bewind inmiddels is beëindigd.
79.Dit is trouwens de gangbare wijze van handelen bij de gerechtshoven. Zie mijn conclusie van 16 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:86, onderdeel 6. Ik heb in die conclusie deze handelwijze als uitgangspunt aanvaardbaar geacht, mits zij wordt gekoppeld aan een onderzoeksplicht voor het gerechtshof in het geval belanghebbende geen verweerschrift indient (zie onderdelen 8.17-8.20 van die conclusie).
80.HR 17 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:960, BNB 2015/32, rov. 2.3.1. Zie meer recent bijv. HR 21 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1728, rov. 3.4.3.
81.Zie ik het goed dan is niet alleen de aangetekend verstuurde brief van 15 januari 2026 retour gekomen, maar ook bijvoorbeeld het aangetekend verstuurde proces-verbaal van de rechtbank.
82.Conclusie 16 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:86, onderdeel 6.
83.Dat is anders indien het bestuursorgaan of de rechtbank het gerechtshof erover informeert dat de procedure wordt gevoerd door een bewindvoerder.
84.Conclusie 16 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:86, onderdeel 8.
85.Zie vooral onderdelen 8.11-8.20 van de conclusie 16 januari 2026, ECLI:NL:PHR:2026:86,
86.Hoge Raad 26 juni 2026, ECLI:NL:HR:2026:958.
87.Zie HR 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:625, BNB 2024/61 voor de opening om een termijnoverschrijding verschoonbaar te achten bij ‘geringe verwijtbaarheid’.
88.Vgl. HR 3 december 2021, ECLI:NL:HR:2021:1707, rov. 3.1.2.
89.Dat is trouwens het geval gelet op wat het College schrijft in het verweerschrift in cassatie, p. 2.
90.Vgl. het dictum in HR 28 februari 2020, ECLI:NL:HR:2020:334.
91.Ook M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, par. 13.4.4.2 maakt daarvan geen melding.
92.Zie M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, par. 13.4.4.2, onder d.
93.Zie M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, par. 13.4.4.2, onder b (p. 379).
94.HR 12 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:572, BNB 2024/59, rov. 2.3.
95.Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden 4 november 2025, ECLI:NL:GHARL:2025:6995, rov. 2.6-2.10.
96.Zie redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2026/11.16 en E.J.M. Bohnen in NTFR 2025/1939.
97.HR 14 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:703, BNB 2024/83, rov. 4.3.2.
98.Al wijst redactie Vakstudie Nieuws in V-N 2026/11.16 wel op Gerechtshof Den Haag 16 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1086, waarin is overwogen in rov. 5.6: “Indien, zoals in dit geval, in hoger beroep wordt geklaagd over de door de Rechtbank toegepaste wegingsfactor, is de beoordelingsmaatstaf voor het Hof dan ook niet of de Rechtbank het richtsnoer juist heeft toegepast. Het gaat erom of de Rechtbank – met haar eigen waardering (…) – de regels uit het Bpb omtrent het gewicht van de zaak juist heeft toegepast.” Dit is een duidelijke andere benadering dan die van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden.
99.HR 18 oktober 2013, ECLI:NL:HR:2013:915, rov. 3.3.3.
100.Vgl. de benadering van gerechtshof Den Haag 16 april 2025, ECLI:NL:GHDHA:2025:1086, rov. 5.6.
101.Zie HR 9 september 2022, ECLI:NL:HR:2022:1162, BNB 2022/128, rov. 3.3.
102.Vgl. de brief van 4 april 2025 (met het verweerschrift en het incidenteel hoger beroep), p. 5.
103.Zie bijv. Hoge Raad 19 december 2025, ECLI:NL:HR:2025:1823, rov. 2.4 waarin de Hoge Raad uitgaat van een factor 1,5 wegens het gewicht van de zaak in beroep en hoger beroep vanwege de omstandigheid dat in de desbetreffende zaak een conclusie is genomen.
104.Zie M.W.C. Feteris, Beroep in cassatie in belastingzaken (Fiscale Monografieën nr. 142), Deventer: Kluwer 2014, par. 13.4.5.3, onder a (op p. 394).