Conclusie
1.Inleiding en overzicht
onderdeel 2van de feiten, het procesverloop en de oordelen van de feitenrechters is in hoofdzaak beperkt tot gegevens die relevant zijn voor beantwoording van die vraag. In
onderdeel 3ga ik in op beschermingsbewind in het civiele recht. Vervolgens komt in
onderdeel 4beschermingsbewind in het fiscale bestuursrecht aan bod, waarbij ik inga op zowel vertegenwoordiging ‘buiten rechte’ als vertegenwoordiging ‘in rechte’. In
onderdeel 5volgt mijn beschouwing.
onderdeel 6volgt de beoordeling van de klachten in cassatie.
Klacht Ibetreffende de niet-ontvankelijkverklaring van het incidenteel hoger beroep leidt tot cassatie gelet op mijn beschouwing. Het gaat daarbij om het onderdeel van de klacht wat betreft art. 8:21 Awb Pro (6.1). Aan het onderdeel van de klacht inhoudende dat de brief van 15 januari 2025 naar de gemachtigde had moet worden gezonden op grond van art. 6:17 Awb Pro, besteed ik nauwelijks aandacht, omdat het lot van die klacht nauw samenhangt met de vraag of art. 8:21 Awb Pro van toepassing is (6.2-6.5).
Klacht IIslaagt, omdat het Hof heeft verzuimd te beslissen op het verzoek om vergoeding van wettelijke rente over de proceskostenvergoeding in hoger beroep.
onderdeel 7ga ik in op de afdoening van de zaak ná cassatie. Wat betreft de kwestie waarop de slagende klacht II betrekking heeft, kan de Hoge Raad naar mijn mening de zaak zelf afdoen (7.1). Dat laatste lijkt voorshands niet voor de hand te liggen wat betreft het incidenteel hoger beroep, aangezien het Hof aan de beoordeling daarvan niet was toegekomen. Ik meen echter dat het mogelijk is voor de Hoge Raad om binnen het kader van art. 29e(2) AWR de twee grieven van het incidentele hoger beroep te beoordelen, mede omdat daarvoor geen feitenonderzoek nodig is (7.2-7.5). De
eerste griefis gericht tegen de door Rechtbank gehanteerde wegingsfactor van 0,5 bij het vaststellen van de proceskostenvergoeding. Voordat ik deze grief in concreto beoordeel, veroorloof ik me een uitweiding naar de intensiteit van toetsing van een oordeel van een rechtbank over de wegingsfactor van een zaak. Dat doe ik mede naar aanleiding van een relatief recente, principiële, uitspraak van gerechtshof Arnhem-Leeuwarden, waarin dat hof heeft geoordeeld dat het ten volle toetst of de rechtbank de juiste wegingsfactor heeft toegepast. Ik meen dat dit hof als uitgangspunt gelijk heeft dat een gerechtshof de juistheid van een oordeel over de wegingsfactor volledig kan toetsen op grond van een eigen waardering, maar ik meen ook dat met enige praktische wijsheid invulling kan worden gegeven aan die volle toets. Meer in het bijzonder staat niets een gerechtshof eraan in de weg om bij die toets enige terughoudendheid te betrachten. Bij de eigen waardering kan een gerechtshof namelijk er rekening mee houden dat de rechter die de zaak zelf heeft behandeld in de desbetreffende instantie, als uitgangspunt in de beste positie is om het gewicht van de zaak te bepalen (7.6-7.8). Voor het onderhavige geval meen ik dat, gelet op enerzijds de factoren die het gewicht van een zaak bepalen en anderzijds de gegevens in het dossier, er geen aanleiding is om – uitgaande van een eigen waardering door de Hoge Raad – het ‘beter te weten’ dan de Rechtbank wat betreft de wegingsfactor van 0,5 (7.9). Ik zet daarbij uiteen dat dit naar mijn mening bovendien niet onverenigbaar is met de gebruikelijke handelwijze van de Hoge Raad om een wegingsfactor 1 (of 1,5) te hanteren indien hij de proceskostenvergoeding voor eerdere instanties vaststelt ná cassatie (7.10). Ook de
tweede griefmoet mijns inziens worden verworpen. Anders dan de tweede grief betoogt, heeft de Rechtbank niet nagelaten te beslissen op het verzoek om de heffingsambtenaar te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over zowel het griffierecht als de proceskostenvergoeding (7.12).
2.De feiten, procesverloop tot cassatie, en het geding in cassatie
Inleiding
3.Beschermingsbewind in het burgerlijk recht
Vraag 2.In een geding met betrekking tot een onder bewind gesteld goed dient de bewindvoerder, en dus niet de rechthebbende, in rechte te worden betrokken. Indien een wederpartij die niet met het bewind bekend was of had behoren te zijn, echter een geding tegen de rechthebbende zelf aanhangig heeft gemaakt, kan de bewindvoerder in rechte verschijnen om dit als formele procespartij over te nemen. Daarvoor zijn geen bijzondere formaliteiten vereist; een daartoe strekkende brief aan de wederpartij en de rechter volstaat. Indien een rechtsmiddel wordt aangewend tegen een rechterlijke uitspraak in een geding waarin de bewindvoerder niet optrad als formele procespartij maar waarin de rechthebbende zelf partij was, dient dit (eveneens) te geschieden door of tegen de bewindvoerder. Wordt het rechtsmiddel aangewend door of tegen de rechthebbende zelf, dan is het vorenstaande overeenkomstig van toepassing.
4.Beschermingsbewind in het fiscale bestuursrecht
5.Beschouwing
eerstebenadering is dat een onder bewind gesteld persoon als zodanig (volledig) binnen het toepassingsbereik van art. 8:21(1) Awb valt, en dat het tweede lid zo wordt uitgelegd dat een dergelijk persoon in elk geval tot redelijke waardering van zijn belangen in staat wordt geacht indien het gaat om aangelegenheden die niet onder de taak van de bewindvoerder vallen.
tweedebenadering is dat een onder bewind gesteld persoon niet zonder meer (volledig) binnen het toepassingsbereik van art. 8:21(1) Awb valt, maar alleen indien het gaat om een geding dat een aangelegenheid betreft die onder de taak van de bewindvoerder valt. In deze benadering is het afhankelijk van de aard van het geding in het licht van de taak van de bewindvoerder of art. 8:21(1) Awb van toepassing. Bij deze benadering wordt de zinsnede ‘onbekwaam om in rechte te staan’ in het eerste lid dus geding-afhankelijk toegepast. Ik meen dat de tekst van deze zinsnede ruimte biedt voor een daartoe strekkende uitleg – de zinsnede wordt dan in het kader van bewind gelezen als procesonbevoegd naar civielrechtelijke maatstaven.
aan de bewindvoerder, vloeit mijns inziens rechtstreeks voort uit art. 8:21(1) Awb. Uit die bepaling volgt immers dat de bewindvoerder ‘de formele procespartij’ is.
6.Beoordeling van de klachten
Klacht I
7.Afdoening van de zaak na cassatie
Verzoek vergoeding wettelijke rente (klacht II)
klacht IIbetrekking heeft, kan de Hoge Raad naar mijn mening de zaak zelf afdoen door te beslissen dat, indien de proceskostenvergoeding voor het hoger beroep niet tijdig is voldaan, [89] de wettelijke rente daarover is gaan lopen vier weken na de datum waarop het Hof zijn uitspraak heeft gedaan. [90]
klacht Ibetrekking heeft, lijkt het op het eerst gezicht in de rede te liggen om de zaak te verwijzen naar een ander gerechtshof voor een inhoudelijke behandeling van het incidentele hoger beroep, omdat het Hof aan die behandeling niet was toegekomen. Hoewel ik daar geen onderzoek naar heb gedaan, is mijn indruk dat doorgaans verwijzing volgt in het geval een gerechtshof het (incidenteel) hoger beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zie ik het echter goed, dan is ook in een dergelijk geval niet ten principale uitgesloten dat de Hoge Raad de zaak zelf afdoet op grond van art. 29e(2) AWR. [91] Of het opportuun is voor de Hoge Raad om de zaak in een dergelijk geval zelf af te doen hangt naar mijn mening ervan af (i) of de zaak zich daarvoor leent in het licht van het in art. 29e(2) AWR gegeven kader, en (ii) of er eerder een (in procedureel opzicht) voldragen debat voor het gerechtshof heeft plaatsgevonden.