Conclusie
[bestuurder/CEO])
1.Nexperia Holding B.V. (hierna: Nexperia Holding)
Nexperia, in vrouwelijk enkelvoud)
Yuching)
[verweerder 4])
OR)
de Staatof
EZ)
1.Inleiding en samenvatting
OK) op grond van het enquêterecht bij Nexperia, twee Nederlandse vennootschappen die een multinationale onderneming drijven in de halfgeleider- en chipindustrie. De zaak speelt tegen de achtergrond van economische en geopolitieke belangen van China, Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie (hierna: de
EU), en de Verenigde Staten (hierna: de
VS). Op de keper beschouwd, is het echter ‘gewoon’ een enquêteprocedure (primair) gericht op het belang van Nexperia.
ex parte, totdat na een op 6 oktober 2025 te houden mondelinge behandeling op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zal zijn beslist, [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia geschorst. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden met gesloten deuren en de OK heeft het partijen, belanghebbenden en anderen die kennis hebben of zullen krijgen van de procedure verboden aan derden mededelingen omtrent de procedure te doen.
ex partetotdat na de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zal zijn beslist, overgedragen ten titel beheer, welke voorziening vervolgens voor de duur van de procedure minus één aandeel is gehandhaafd. De cassatieklachten van Yuching overlappen grotendeels met het onderhavige cassatieberoep van [bestuurder/CEO] . Het cassatieberoep van Yuching betreft de samenhangende zaak 25/04297. Daarin concludeer ik vandaag eveneens, kort gezegd, tot verwerping van het cassatieberoep.
2.Feiten
spin-offsvan NXP). [7] Wereldwijd zijn bij Nexperia ongeveer 12.500 mensen werkzaam, van wie ongeveer 400 in Nederland. Sinds 2016 worden de aandelen in Nexperia (middellijk) gehouden door een Chinese partij. [8] Eind 2023 heeft Nexperia contact opgenomen met EZ om steun te zoeken en volledig erkend te worden als Nederlands/Europees halfgeleiderbedrijf. Achtergrond is dat haar onderneming belemmeringen ervoer door de omstandigheid dat de enig aandeelhouder van Nexperia Holding, Yuching, een Chinese vennootschap is. Sinds 2024 is Nexperia daartoe in overleg met EZ over bepaalde herzieningen in de governance. Aan toezeggingen die Nexperia in dat verband aan EZ heeft gedaan, heeft zij weinig opvolging gegeven. Met ingang van 31 december 2024 is [A] Co., Ltd. (hierna:
[A]), de indirecte Chinese aandeelhouder van Nexperia, door de VS op de zogeheten
U.S. Entity Listgeplaatst, met als gevolg dat [A] is onderworpen aan bepaalde verstrekkende handelsbeperkingen. Sinds juni 2025 was Nexperia op de hoogte van het risico dat ook zijzelf zou worden onderworpen aan Amerikaanse handelssancties op grond van de zogenoemde
50%-rule, die kort gezegd inhoudt dat genoemde handelsbeperkingen ook gelden voor vennootschappen waarvan de aandelen voor 50% of meer worden gehouden door (rechts)personen op de
U.S. Entity List. Op 30 september 2025 is de
50%-rulegepubliceerd en op Nexperia van toepassing verklaard, met als gevolg dat zij in beginsel na 60 dagen zal zijn onderworpen aan Amerikaanse handelsbeperkingen. Op dezelfde dag heeft de minister van (toen nog) Economische Zaken (hierna: de
minister) op grond van de Wet beschikbaarheid goederen (hierna: de
Wbg) een besluit genomen, bevattende een tot Nexperia gericht bevel tot behoud van haar onderneming en productiemiddelen (hierna: het
bevel).
50%-rule. Verder wordt geklaagd over tegenstrijdigbelangtransacties die zouden zijn aangegaan op instructie van [bestuurder/CEO] , bestuurder van Nexperia en indirect (via [A] ) controlerend aandeelhouder van Yuching, en over onverhoedse wijzigingen in het management en het plotseling intrekken van bankvolmachten. De OR wijst onder meer op schending van het adviesrecht op grond van de Wet op de ondernemingsraden (hierna: de
WOR) met betrekking tot het aangekondigde ontslag van bestuurder [verweerder 4] .
wafers(zogeheten
wafer fabs). Een
waferis een dunne schijf van halfgeleidermateriaal, meestal silicium, die wordt gebruikt als basis voor het vervaardigen van micro-elektronische componenten. De
back end-activiteiten van Nexperia, dat wil zeggen de assemblage en het testen van de producten, vindt plaats in fabrieken in Dongguan (China), Cabuyao (de Filipijnen) en Seremban (Maleisië). De
front end-productie van Nexperia voor onder meer de Chinese markt is ondergebracht bij Shanghai Jiangzin Technology Co., Ltd (hierna:
WSS). In Nederland ontwerpt, ontwikkelt en verbetert Nexperia de chips en machines voor de afwerking van die chips. Nexperia heeft R&D-centra (
research & development) in onder meer Nederland (Delft), Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, de VS, China, Maleisië, de Filipijnen en Japan.
one tier board). [bestuurder/CEO] is niet-uitvoerende bestuurder en voorzitter van het bestuur van Nexperia Holding, [verweerder 4] is uitvoerende bestuurder van Nexperia Holding. Nexperia Holding is enig aandeelhouder van Nexperia B.V., opgericht op 20 juni 2016. Het bestuur van Nexperia B.V. bestaat uit [bestuurder/CEO] (uitvoerende bestuurder; CEO) en [verweerder 4] (uitvoerende bestuurder; CLO).
bestuursreglement Nexperia B.V.). Hierin staat onder meer:
Chinese Securities Regulatory Commission(hierna: de
CSRC). [bestuurder/CEO] houdt (indirect) ongeveer 15% van de aandelen in [A] en geldt als controlerend aandeelhouder. 30% van de aandelen in [A] wordt gehouden door Chinese landelijke en regionale overheden en gelieerde investeringsfondsen. De overige aandelen in [A] betreffen
free float.
wafers, waar inmiddels een gedeelte van de
front end-productie van Nexperia is ondergebracht. Daartoe hebben WSS en Nexperia B.V. op 4 april 2023 een
Foundry Services Agreementgetekend (hierna: de
FSA).
Corporate Affairsvan Nexperia, (hierna:
[betrokkene 2]) een brief aan EZ gezonden waarin zij uiteenzetten welke afspraken met EZ zijn gemaakt om het ‘perceptieprobleem’ aan te pakken. Dit zijn de volgende:
reserved matters, dat wil zeggen besluiten van Nexperia Holding die zouden worden onderworpen aan goedkeuring door de raad van commissarissen. De lijst van
reserved matterswas afgestemd met [bestuurder/CEO] , die zelf niet aanwezig kon zijn, en kwam neer op de volgende:
Head of Legalbij [A] , (hierna:
[betrokkene 3]) en [verweerder 4] over een door Fangda Partners opgestelde vragenlijst met betrekking tot de governanceherziening en gesprekken met EZ. In een e-mail van 30 augustus 2024 schreef [betrokkene 3] onder meer:
reserved matters.
Bureau of Industry and Security(onderdeel van het Amerikaanse Ministerie van Handel) op de zogeheten
U.S. Entity Listwas gezet. Gevolg hiervan was dat [A] werd blootgesteld aan verstrekkende handelsbeperkingen. [A] heeft vervolgens besloten om haar divisie
Original Design Manufacturingaf te stoten en zich uitsluitend nog te richten op halfgeleideractiviteiten.
U.S. Entity Listvan groter belang werd en dat die steun “
unequivocalmeasures to be
developed, adopted and implementedby Nexperia” vereiste, waarbij de afspraken tussen EZ en Nexperia nog eens werden samengevat. Verder werd namens de minister geschreven:
50%-ruledie ook voor Nexperia tot directe handelsbeperkingen zou kunnen leiden. In deze e-mail staat onder meer:
BZ) gesproken met het
Bureau of International Security and Nonproliferationvan de VS. In het gespreksverslag staat onder andere dat voor de VS een belangrijk punt is:
entity list.”
waferorders bij WSS. Deze orders werden geplaatst op basis van het raamwerk dat in de FSA was overeengekomen. WSS bevond zich in 2025 in een lastige financiële positie.
[betrokkene 4]), tevens lid van het
Enterprise Management Team(hierna ook: het
EMT), en die van de
Group Treasurer. In hun plaats werd een bankvolmacht verleend aan drie personen zonder bijzondere financiële ervaring. Onder hen is een persoon die geen werknemer van Nexperia is en een medewerker met een ESG-achtergrond. In reactie hierop heeft [betrokkene 4] ervoor gewaarschuwd dat dit zou leiden tot “significant operational impact”. [betrokkene 4] heeft gewezen op de fiscale gevolgen, de gevolgen voor het
cash management,
hedgingrisico’s en het risico op fouten en vertragingen indien het financiële beheer in handen zou komen van personen zonder financiële ervaring.
[betrokkene 5]). [verweerder 4] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] zijn niet akkoord gegaan met de aan hen aangeboden vaststellingsovereenkomsten.
Global Head Financena 39 jaar bij (de voorlopers van) Nexperia ontslag genomen. In zijn ontslagbrief schrijft hij onder meer:
50%-rulegepubliceerd op basis waarvan entiteiten die (direct of indirect) voor 50% of meer in handen zijn van een entiteit op de
U.S. Entity Listzijn onderworpen aan dezelfde exportcontrolevereisten als de entiteiten op de
U.S. Entity List. Als gevolg hiervan dient iedere partij die enig product of enige technologie waarop exportcontrolerestricties van toepassing zijn, wil uitvoeren naar of overdragen aan Nexperia, hiervoor een vergunning van het
U.S. Bureau of Industry and Securityte verkrijgen, waarbij als uitgangspunt geldt dat de vergunning wordt geweigerd. De productie- en R&D-locaties van Nexperia in China, Maleisië en de Filipijnen vallen met onmiddellijke ingang onder deze nieuwe regels, terwijl de regels voor Nexperia pas na 60 dagen zullen gelden (dat wil zeggen met ingang van 28 november 2025). Deze regels kunnen aanzienlijke gevolgen hebben voor de R&D-inspanningen in de VS die waarschijnlijk aan dezelfde restricties onderhevig zullen zijn.
back end-productieorganisatie van Nexperia.
3.Procesverloop
De ex parte-beschikking
ex parte-beschikking) [9] heeft de OK, kort samengevat:
ex parte-beschikking als volgt overwogen:
ex parteop de voet van artikel 2:349a lid 3 BW te beslissen op - een deel van - de verzochte voorzieningen.
ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen per direct op te heffen en het verzoek om onmiddellijke voorzieningen van Nexperia af te wijzen. Voor zover de OK onmiddellijke voorzieningen treft, verzoekt Yuching [verweerder 4] te schorsen als bestuurder en een onafhankelijke bestuurder te benoemen die (namens [bestuurder/CEO] ) het concernbelang behartigt en bepaalde instructies ten aanzien van het bevel te verstrekken. [bestuurder/CEO] heeft eveneens als voorwaardelijk tegenverzoek schorsing van [verweerder 4] verzocht. Bij mondeling verweer ter zitting heeft de OR steun uitgesproken voor het verzoek van Nexperia.
kop-staart-beschikking) [10] heeft de OK, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover relevant:
ex parte-beschikking als bedoeld onder 3.2 sub b en c hiervoor gehandhaafd;
ex parte-beschikking als bedoeld onder 3.2 sub d (i) t/m (iii) hiervoor verlengd tot vooralsnog de duur van de procedure, met dien verstande dat de onmiddellijke voorziening onder (iii) betrekking heeft op alle aandelen
minus éénin Nexperia Holding;
OK-bestuurder);
ex parte-beschikking als bedoeld onder 3.2 sub b hiervoor en gehandhaafd in de kop-staart-beschikking, namelijk voor zover dit in het kader van diplomatieke contacten (in het belang van de onderneming) nodig is. Bij e-mail van de OK van 7 oktober 2025 zijn partijen in staat gesteld uiterlijk 8 oktober 2025 om 10:00 uur op het verzoek van EZ te reageren. De OR en Nexperia hebben het verzoek van EZ gesteund. [bestuurder/CEO] en Yuching hebben per e-mail om uitstel gevraagd, waarna de OK uitstel heeft verleend tot 8 oktober 2025 om 12:00 uur. Bij e-mails van 8 oktober 2025 (respectievelijk 11:59 uur en 12:12 uur) hebben [bestuurder/CEO] en Yuching bezwaar gemaakt tegen het verzoek van EZ.
opheffingsbeschikking I) [11] heeft de OK, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat het verbod tot het doen van mededelingen aan derden omtrent deze procedure gedeeltelijk wordt opgeheven, namelijk voor zover die mededelingen worden gedaan door of namens EZ in het kader van diplomatiek overleg met betrekking tot Nexperia in verband met deze zaak. Verder heeft de OK A.R.J. Croiset van Uchelen aangewezen als beheerder van de aandelen als bedoeld in de kop-staart-beschikking (hierna ook: de
OK-beheerder).
opheffingsbeschikking II) [12] heeft de OK, uitvoerbaar bij voorraad, het mededelingenverbod geheel opgeheven.
uitgewerkte beschikking) [13] heeft de OK een nadere uitwerking gegeven van de kop-staart-beschikking en de opheffingsbeschikking I. De OK heeft eerst onder het opschrift “Rechtsmacht van de Nederlandse rechter” overwogen waarom zij de bevoegdheid heeft van de verzoeken van Nexperia kennis te nemen (rov. 3.1-3.5), en vervolgens onder het opschrift “Ontvankelijkheid” waarom Nexperia in haar verzoek kan worden ontvangen (rov. 3.6-3.10). Het beroep van Yuching en [bestuurder/CEO] op strijd met de goede procesorde en/of het bepaalde in art. 6 EVRM Pro heeft de OK in de uitgewerkte beschikking met de volgende motivering verworpen:
equality of armsen een redelijke mogelijkheid tot het voeren van verweer. Aan Yuching en [bestuurder/CEO] kan worden toegegeven dat de gang van zaken zeer ongebruikelijk is, omdat (i) de Ondernemingskamer enkele uren na ontvangst van het verzoek
ex parteenige ingrijpende onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen, (ii) de Ondernemingskamer binnen drie werkdagen (vijf dagen) een zitting heeft georganiseerd, terwijl (iii) het gaat om een complexe zaak en (iv) Yuching en [bestuurder/CEO] in deze periode ook nog op zoek moesten naar een advocaat, (v) op een moment waarop in China belangrijke feestdagen worden gevierd.
ex partegegeven in het licht van het onderbouwde beroep door Nexperia en de Staat dat zich bij Nexperia een acute noodsituatie voordeed. Zoals de Staat ter zitting heeft toegelicht, was het bevel in voorbereiding op het moment waarop de Staat werd overvallen door de vervroegde invoering van de
50%-rule, welke vervroeging was ingegeven door de sluiting van de federale overheid in de Verenigde Staten. Zoals in het verzoekschrift is onderbouwd, leidde de samenval van de
50%-ruleen het bevel tot een onhoudbare situatie bij Nexperia, nu daarmee haar bedrijfsvoering mogelijk zou kunnen stilvallen.
ex partebeslist tot het treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen, waarmee werd beoogd de situatie te bevriezen tot het verzoek inhoudelijk zou zijn behandeld en om te voorkomen dat in de periode tot aan de inhoudelijke behandeling Nexperia en haar onderneming onherstelbare schade zou worden berokkend.
50%-ruleen dat in de gesprekken van Nexperia, respectievelijk de Staat met de Amerikaanse autoriteiten van groot belang is dat aan die tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde komt. Om die reden heeft de Ondernemingskamer niet bewilligd in het verzoek van Yuching en [bestuurder/CEO] tot uitstel van de mondelinge behandeling.
Gegronde redenen om aan een juist beleid en juiste gang van zaken te twijfelen
wafersdie door WSS zouden worden geproduceerd en aan Nexperia zouden worden geleverd. Nexperia heeft uitvoerig onderbouwd dat in 2025 zeer grote orders bij WSS werden geplaatst, in een omvang die Nexperia niet nodig heeft en die zelfs - volgens medewerkers van Nexperia - werden geplaatst
for scrap(voor vernietiging). Volgens een interne inschatting van 8 mei 2025 zou het bedrijfsonderdeel
Metal-Oxide-Semiconductorin 25Q2, 25Q3 en 25Q4 in totaal 98.400
wafersnodig hebben. [bestuurder/CEO] drong er evenwel op aan dat Nexperia voor dit bedrijfsonderdeel 215.000
wafersbij WSS zou bestellen. Terwijl bedrijfsonderdeel
Logicverwachtte maandelijks 400
wafersnodig te hebben, wilde [bestuurder/CEO] dat maandelijks 5.000
wafersbij WSS zouden worden besteld. De door [bestuurder/CEO] gewenste orders bij WSS voor 2025 kwamen daarmee uit op US$ 200 miljoen, terwijl de behoefte van de
businesszou leiden tot orders ter grootte van US$ 70-80 miljoen. Volgens interne berichten zou dit betekenen dat de door WSS te leveren
wafersniet verwerkt zullen worden, maar zolang op voorraad zullen worden gehouden dat ze verouderd zijn voordat ze gebruikt kunnen worden, zodat Nexperia de orders feitelijk
for scrapzou plaatsen. De Ondernemingskamer is niet gebleken dat bij het plaatsen van de orders de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht is genomen om te waarborgen dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden en zakelijk verantwoord is. Integendeel, Nexperia heeft voldoende onderbouwd dat betwijfeld kan worden dat [bestuurder/CEO] bij het plaatsen van deze orders uitsluitend het belang van Nexperia voor ogen heeft gehad en niet met name ook dat van WSS. Het gaat daarbij niet om geringe bedragen: volgens Nexperia had zij in 2025 behoefte aan
wafersvoor een totaalbedrag van US$ 70-80 miljoen, terwijl voor US$ 200 miljoen aan orders is geplaatst. Bij dit alles moet worden bedacht dat de FSA op aandringen van [bestuurder/CEO] met ingang van 1 januari 2025 aldus is gewijzigd, dat zij bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet betalen.
US Entity Listwerd geplaatst en werd nog urgenter toen Nexperia op 5 juni 2025 en nadien door BZ en EZK erover is geïnformeerd dat de
50%-rulemogelijk zou worden ingevoerd. Voor alle betrokkenen was duidelijk dat de
50%-ruleeen grote negatieve impact op Nexperia en haar onderneming zou kunnen hebben.
Entity Listis geplaatst moet het voor [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia duidelijk zijn geweest dat implementatie van de in overleg met EZK afgestemde maatregelen nodig was om te voorkomen dat Nexperia en haar onderneming in toenemende mate de nadelige gevolgen zouden ondervinden van de gepercipieerde invloed van haar Chinese aandeelhouder. Desondanks zijn geen stappen gezet om in het belang van Nexperia en haar onderneming tot aanpassing van de governance te komen. Ook niet toen in juni 2025 duidelijk werd dat er een aanzienlijke kans was dat de
50%-rulezou worden ingevoerd, waardoor Nexperia ook direct door handelsbeperkingen uit de Verenigde Staten zou worden geraakt. Vanaf dat moment lag het op de weg van [bestuurder/CEO] om maatregelen te treffen om de kans te minimaliseren dat Nexperia door de
50%-rulezou worden geraakt. Nakoming van de eerdere toezeggingen tot wijziging van de governance werd zeker vanaf dat moment evident in het belang van Nexperia, omdat BZ en/of EZK daarmee een argument kon worden verschaft jegens de autoriteiten in de Verenigde Staten om de
50%-ruleniet ook op Nexperia van toepassing te verklaren. De Ondernemingskamer heeft niet kunnen vaststellen dat behoudens het terugtreden van diens zuster als bestuurder zijdens [bestuurder/CEO] enige maatregel is getroffen om de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan.
50%-rulezonder overleg of ruggenspraak over te gaan tot het ontslag van deze drie sleutelfunctionarissen in de Nederlandse organisatie van Nexperia bevreemdt te meer nu ook [bestuurder/CEO] in de gesprekken met EZK onderschreef dat het voor Nexperia van belang was het Nederlandse karakter van de onderneming te waarborgen.
Onmiddellijke voorzieningen
Entity Listwerd geplaatst en in het zicht van de
50%-ruletreft zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder als Yuching als aandeelhouder. Tegen deze achtergrond acht de Ondernemingskamer een schorsing van [bestuurder/CEO] en het onder beheer plaatsen van alle aandelen minus één aandeel noodzakelijk, en proportioneel met het oog op het belang van de vennootschap, haar onderneming en de daarbij betrokkenen.
ex parte-beschikking, de kop-staart-beschikking, de opheffingsbeschikking I, de opheffingsbeschikking II en de uitgewerkte beschikking. [bestuurder/CEO] heeft Yuchings verzoek om spoedbehandeling [15] ondersteund. Omdat de grond voor een spoedbehandeling in strikte zin door de ontwikkelingen is achterhaald (zie met name onder 3.22-3.23 hierna), heeft de rolraadsheer dit verzoek afgewezen, waarbij overigens wel is toegezegd dat ernaar wordt gestreefd de zaak met voortvarendheid te behandelen.
eerstefasebeschikking) [16] heeft de OK vastgesteld dat er gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, en een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van deze vennootschappen over de periode vanaf 1 december 2023 tot de datum van de beschikking als omschreven in rov. 3.35 (hierna geciteerd). De OK heeft de bij de kop-staart-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen in de eerstefasebeschikking gehandhaafd. Hoewel het onderhavige cassatieberoep van [bestuurder/CEO] niet is gericht tegen de eerstefasebeschikking, komt het mij dienstig voor enkele overwegingen uit die beschikking uit te lichten.
De Staat als belanghebbende
ex parte-beschikking, A-G] heeft de Ondernemingskamer de Staat aangemerkt als belanghebbende. Yuching stelt die hoedanigheid ter discussie. Volgens Yuching komt de Staat in deze procedure op ter handhaving van het bevel. Handhaving van het bevel is echter geen eigen belang waarin de Staat door de uitkomst van deze procedure geraakt kan worden, zodat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang. Indien het openbare belang moet worden behartigd door middel van een enquêteprocedure, is dit volgens Yuching op grond van de wet exclusief voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Verder levert de uitoefening door de Staat van eventuele privaatrechtelijke bevoegdheden als belanghebbende in deze procedure volgens Yuching een onaanvaardbare doorkruising op van de handhavingsbevoegdheden krachtens de Wbg en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waaruit volgt dat het bevel slechts via het bestuursrecht kan worden gehandhaafd. Daarbij komt dat de Staat kennelijk beoogt om via het enquêterecht preventief handhavend op te treden, terwijl hij die bevoegdheid op grond van de Wbg en de Awb niet heeft, aldus telkens Yuching.
SNS; HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600,
SNS).
Scheipar-beschikking (HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440). Volgens de Hoge Raad zal daarbij een rol spelen (i) in hoeverre de Staat door de uitkomst van (…) deze procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of (ii) in hoeverre de Staat anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.
SMHHC).
deposit agreementen de discussie over het ter beschikking stellen van machines en van IE-rechten aan WSS;
listingvan [A] en de dreigende toepassing van de
50%-ruleop Nexperia. Daarbij dient het onderzoek in het bijzonder betrekking te hebben op de gang van zaken in relatie tot EZ en andere Nederlandse overheidsorganen. Verder dient aandacht te worden besteed aan de strategische keuzes die daarbij zijn gemaakt, hoe deze zich verhouden tot de gesprekken met EZ en in hoeverre deze berusten op deugdelijke en collegiale besluitvorming binnen het statutair bestuur en het EMT. Daarbij kan, zoals subsidiair en voorwaardelijk door Yuching is verzocht, ook aandacht worden besteed aan het optreden van de CLO, CFO en COO in dat kader;
4.Bespreking van het cassatiemiddel
Onderdeel 1klaagt in de kern dat de OK [bestuurder/CEO] recht op een eerlijk proces heeft geschonden (art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro), met name hoor/wederhoor en
equality of arms. [20]
Onderdeel 2komt erop neer dat de OK EZ ten onrechte heeft aangemerkt als belanghebbende dan wel dat bij het optreden van EZ als belanghebbende sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrechtelijke kader. [21]
Onderdeel 3komt op tegen het voorlopige oordeel van de OK dat sprake is van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. [22]
Onderdeel 4betoogt dat de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen niet voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit. [23]
Onderdeel 5, ten slotte, klaagt over het door de OK opgelegde mededelingenverbod van art. 28 Rv Pro. [24]
ex parte-beschikking, de kop-staart-beschikking en de uitgewerkte beschikking kwalificeren als zodanig. Dat geldt
nietvoor de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II voor zover die verband houden met art. 28 Rv Pro. In art. 28 lid 2 Rv Pro is geregeld dat de rechter het mededelingenverbod als bedoeld in lid 1 van de bepaling op verzoek van een van de partijen geheel of gedeeltelijk kan opheffen. Eerst heeft EZ op de voet van art. 28 lid 2 Rv Pro [32] verzocht om gedeeltelijke opheffing van het verbod, welk verzoek is toegewezen in de opheffingsbeschikking I. Vervolgens heeft EZ op diezelfde voet verzocht om het verbod geheel op te heffen, [33] welk verzoek is toegewezen in de opheffingsbeschikking II. In art. 28 Rv Pro is niet uitgemaakt of tegen de beslissing op het verzoek als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv Pro een voorziening openstaat. [34] Op het eerste gezicht lijkt het gebruik van de woorden “op verzoek” in art. 28 lid 2 Rv Pro te wijzen op toepasselijkheid van de regels voor de verzoekschriftprocedure (art. 261 e.v. Rv), waaruit dan zou kunnen worden afgeleid dat tegen een opheffingsbeschikking een rechtsmiddel (in dit geval cassatieberoep) openstaat. [35] Het gebruik van de wettelijke term “op verzoek” impliceert echter niet altijd dat de regels voor de verzoekschriftprocedure van toepassing zijn. [36] Volgens Lock lijkt voor art. 28 lid 2 Rv Pro ook veeleer aannemelijk dat de wetgever het oog heeft gehad op de informelere ‘procedure op verlangen’. [37] Dat ook op informele wijze (niet bij verzoekschrift, maar bijvoorbeeld per gewone brief) om opheffing kan worden verzocht, [38] betekent echter niet zonder meer dat tegen een beschikking waarin op een dergelijk verzoek is beslist geen rechtsmiddel openstaat. Volgens Tjong Tjin Tai is de beslissing op het verzoek tot gehele of gedeeltelijke opheffing als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv Pro een eindbeschikking waar
geenrechtsmiddel tegen openstaat. [39] Daarvan uitgaande, geldt het volgende.
equality of arms. Als ik het goed zie, richt [bestuurder/CEO] zijn pijlen in dit onderdeel echter niet op de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II. [42] Dat bij deze opheffingsbeslissingen essentiële vormen zouden zijn verzuimd, valt overigens ook niet in te zien. Uit de opheffingsbeschikking I blijkt immers dat de OK het uitgestelde verweer van [bestuurder/CEO] en Yuching tegen de gedeeltelijke opheffing van het verbod in de beoordeling heeft betrokken, [43] en uit de opheffingsbeschikking II blijkt dat [bestuurder/CEO] en Yuching tijdig te kennen hebben gegeven dat zij zich refereren aan het oordeel van de OK over de gehele opheffing van het verbod. [44] Deze beschikkingen dateren ook van na de mondelinge behandeling op 6 oktober 2025.
ex parte-beschikking, rov. 2.2. Dat een van de redenen voor het
opleggenvan het verbod in de opheffingsbeschikking II, rov. 2.1 nog eens wordt herhaald, levert geen grond op voor cassatie(beroep) van de beslissing in de opheffingsbeschikking II om het verbod geheel
op te heffen.
ex parte-beschikking als belanghebbende is aangemerkt, heeft de OK de motivering voor de toelating van EZ als belanghebbende pas in de eerstefasebeschikking gegeven (rov. 3.1-3.4). Deze motivering (geciteerd onder 3.22 hiervoor) kan dan volgens mij wel bij de beoordeling van [bestuurder/CEO] onderdeel 2 worden betrokken, overigens met de kanttekening dat hij hier, gelet op de volgorde van/het tijdsverloop tussen de PI en de eerstefasebeschikking, nog geen rekening heeft kunnen houden met deze motivering. Eenzelfde dynamiek speelt in het kader van [bestuurder/CEO] onderdeel 4 over de getroffen onmiddellijke voorzieningen van onder meer de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder en benoeming van G.R.C. Dierick als niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia, en de overdracht ten titel van beheer van Yuchings aandelen minus één. In de eerstefasebeschikking heeft de OK toegelicht waarom voor deze onmiddellijke voorzieningen is gekozen (rov. 3.39-3.40, ook geciteerd onder 3.22 hiervoor). Wel is het zo dat de OK in de uitgewerkte beschikking (rov. 3.24) hierover ook al enig licht laat schijnen.
geenverband houdt met de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen. Dit onderdeel heeft betrekking op de reikwijdte van het door de OK in verband met art. 28 lid 1 Rv Pro in de
ex parte-beschikking opgelegde en in de kop-staart-beschikking gehandhaafde mededelingenverbod. Onderdeel 5 klaagt dat de OK met dit verbod in verschillende opzichten de grenzen van art. 28 Rv Pro heeft miskend. Wordt aangenomen dat geen cassatieberoep openstaat van de beslissingen op het verzoek als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv Pro om het verbod eerst gedeeltelijk (opheffingsbeschikking I) en daarna geheel (opheffingsbeschikking II)
op te heffen, dan laat dit onverlet dat in het onderhavige cassatieberoep wel erover geklaagd kan worden dat de OK bij het opgelegde verbod buiten het toepassingsgebied van art. 28 Rv Pro zou zijn getreden. Zie vanaf 4.142 hierna.
ex parte-beschikking, de kop-staart-beschikking en de uitgewerkte beschikking), in zijn cassatieberoep kan worden ontvangen.
PI 52), te gelden heeft dat het daarin door [bestuurder/CEO] gedane beroep op de ‘doorkruisingsleer’ in ieder geval faalt, nog los van het voorgaande. Zie vanaf 4.73 hierna.
PI 3) klaagt in de kern dat de OK met de procesgang voorafgaand aan de
ex parte-beschikking en daarna, uitmondend in de kop-staart-beschikking en de uitgewerkte beschikking, [bestuurder/CEO] door art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling van de zaak heeft geschonden. Volgens het onderdeel heeft de OK ten onrechte onmiddellijke voorzieningen getroffen en deze vervolgens gehandhaafd, zonder dat [bestuurder/CEO] (voldoende) in de gelegenheid is gesteld zich daartegen te verweren. Het onderdeel bevat drie subonderdelen (
PI 4).
subonderdeel 1.1 [49] (
PI 5) bestaat, kort samengevat, geen uitdrukkelijke wettelijke grondslag voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen in een enquêteprocedure zonder dat de daardoor direct geraakte belanghebbenden van tevoren worden gehoord en de mogelijkheid hebben om verweer te voeren. Het subonderdeel bevat een rechtsklacht (toegelicht in
PI 6-18) en een motiveringsklacht (toegelicht in
PI 19-21).
equality of arms, wordt wel beschouwd als het meest fundamentele beginsel van het (burgerlijk) procesrecht. [50] Hoewel het naar de letter gaat om een recht van partijen, is het ook toepasselijk op belanghebbenden in een verzoekschriftprocedure. [51] Art. 6 EVRM Pro kan eveneens spelen bij de behandeling van een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen in de zin van art. 2:349a BW als door die onmiddellijke voorzieningen, die kunnen worden beschouwd als zogenoemde
interim measures, burgerlijke rechten en verplichtingen worden vastgesteld. [52] Toch is het niet zo dat de OK in verband met het bepaalde in art. 19 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro nimmer mag beslissen op een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zonder belanghebbenden, zoals hier [bestuurder/CEO] , in de gelegenheid te hebben gesteld zich over dat verzoek uit te laten. Een dergelijke absolute gelding hebben die bepalingen niet. [53]
interim measuresuitdrukkelijk de mogelijkheid open dat in uitzonderlijke (spoedeisende) gevallen burgerlijke rechten en verplichtingen kunnen worden vastgesteld zonder dat onmiddellijk aan alle vereisten van art. 6 EVRM Pro wordt voldaan. [54] En zo biedt art. 19 lid 1 Rv Pro uitdrukkelijk de ruimte voor uitzonderingen, want “een en ander tenzij uit de wet anders voortvloeit”. [55] Een bekend voorbeeld van dit laatste is het verzoek tot verlof voor het leggen van conservatoir beslag waarop de voorzieningenrechter na summier onderzoek en meestal [56] beslist zonder de aspirant-beslagene vooraf te hebben gehoord (zie art. 700 Rv Pro). [57] Daarnaast zijn ook gevallen uit de rechtspraak bekend waarin een partij afstand heeft gedaan van de in het beginsel van hoor/wederhoor gelegen bescherming, of waarin een partij geen belang heeft bij hoor/wederhoor over een bepaald stuk. [58]
als zodanigzo’n wettelijke basis biedt, laat zich ook onderbouwen door een parallel te trekken met onmiddellijke voorzieningen in kort geding (art. 254 Rv Pro). [69] In kort geding bestaat de mogelijkheid tot het treffen van een zogenoemde
freezing order, [70] waarmee in dit verband onder meer wordt bedoeld dat de voorzieningenrechter voorafgaand aan de mondelinge behandeling een voorlopige voorziening treft met gelding tot aan de mondelinge behandeling. Daarbij dient de voorzieningenrechter in beginsel eerst gelegenheid te geven aan de gedaagde op zeer korte termijn summierlijk zijn standpunt te delen, maar de voorzieningenrechter wordt ook bevoegd geacht in uitzonderlijke gevallen waarin zelfs dat verweer niet kan worden afgewacht zo’n
freezing orderte geven zonder de gedaagde te horen (dus
ex parte). [71] Zo’n
freezing orderkan worden gegeven zodra het kort geding aanhangig is. [72] De grondslag voor deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter wordt niet gevonden in (overeenkomstige toepassing van) art. 223 Rv Pro, maar in art. 254 Rv Pro als zodanig, dat immers al de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen geeft. [73]
freezing ordervoorafgaand aan de mondelinge behandeling in een enquêteprocedure volgt immers al uit art. 2:349a BW. In lid 2 daarvan is bepaald dat een onmiddellijke voorziening “in elke stand van het geding” kan worden getroffen, wat dus betekent vanaf het moment dat een enquêteverzoek in de zin van art. 2:345 lid 1 BW Pro is ingediend. In art. 2:349a lid 3 BW wordt nog eens uitdrukkelijk bevestigd dat onmiddellijke voorzieningen kunnen worden getroffen voorafgaand aan de beslissing op het enquêteverzoek (“[i]ngeval nog geen onderzoek is gelast”). Uit de aard van de in de
ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen en uit de motivering in met name de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13 maak ik overigens op dat het de OK ook te doen was om
het tijdelijk bevriezen van de bestaande situatietot de mondelinge behandeling ter voorkoming van onherstelbare schade aan Nexperia en de met haar verbonden onderneming, dus met inachtneming van de economische werkelijkheid in dit concrete geval. [74] , [75]
freezing orderop de voet van art. 254 Rv Pro in een kort geding, [77] en bovendien uitdrukkelijk in uitzonderlijke (spoedeisende) gevallen is toegelaten door het EHRM, [78] niet mogelijk zou (moeten) zijn in het kader van het treffen van onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a lid 2-3 BW. Daarop stuit de rechtsklacht in het subonderdeel af. Kort en goed, voor zover al een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is vereist voor
ex parteonmiddellijke voorzieningen is die er hier, te weten art. 2:349a lid 2-3 BW. Ik licht dit hierna verder toe voor zover nodig, onder verwijzing naar relevante randnummers in de PI.
PI 6dat de uitdrukkelijke wettelijke grondslag niet kan worden gevonden in art. 279 Rv Pro kan [bestuurder/CEO] niet baten, nu, voor zover nodig, in dit geval art. 2:349a BW een toereikende wettelijke basis in de zin van art. 19 lid 1 Rv Pro biedt, zoals overigens uitdrukkelijk door de OK is overwogen in de
ex parte-beschikking, rov. 2.3 (“
ex parteop de voet van artikel 2:349a lid 3 BW te beslissen op - een deel van - de verzochte voorzieningen”). De
ex parte-beschikking biedt geen enkel aanknopingspunt voor de lezing dat de OK haar bevoegdheid
ex parteonmiddellijke voorzieningen te treffen mede zou hebben ontleend aan art. 279 Rv Pro.
PI 7wordt de onder 4.18.4 hiervoor bedoelde Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007 verkeerd gelezen, voor zover tot uitgangspunt wordt genomen dat de Hoge Raad in die uitspraak geen wettelijke basis als bedoeld in art. 19 lid 1 Rv Pro heeft aangewezen. De wettelijke basis die in die uitspraak wordt genoemd is immers art. 2:298 lid 2 BW Pro.
PI 8ligt het in de rede dat
ex partebeslissingen in verzoekschriftprocedures:
ex parte-beschikking, rov. 2.3 blijkt dat de OK “in de bijzondere aard van het verzoek en de grote spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen” aanleiding heeft gezien
ex parteop de voet van art. 2:349a lid 3 BW te beslissen op een deel van de verzochte voorzieningen. Dat sprake was van een bijzonder spoedeisend geval blijkt ook uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13, waarin de OK onder meer heeft overwogen dat de
ex partevoorzieningen zijn gegeven “in het licht van het onderbouwde beroep door Nexperia en de Staat dat zich bij Nexperia een acute noodsituatie voordeed”. De onevenredige en onherstelbare schade die voor Nexperia zou ontstaan als niet onmiddellijk door de OK werd ingegrepen, is eveneens toegelicht in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13, waarin onder meer wordt gewezen op “een onhoudbare situatie bij Nexperia” (rov. 3.12), op “een bedreiging voor de continuïteit van de onderneming en daarmee voor de economische veiligheid van Nederland en Europa” (rov. 3.13), en op het “voorkomen dat in de periode tot aan de inhoudelijke behandeling Nexperia en haar onderneming onherstelbare schade zou worden berokkend” (rov. 3.13). Verder geldt dat de onmiddellijke voorzieningen die
ex partedoor de OK zijn getroffen slechts een conserverend, niet-ingrijpend karakter hadden. Volgens de OK is in die rov. 3.13 onder de aldaar genoemde uitzonderlijke omstandigheden
ex partebeslist tot het treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen “waarmee werd beoogd de situatie te bevriezen tot het verzoek inhoudelijk zou zijn behandeld (…)”, ofwel een zo kort mogelijke “eenzijdige bevriezing van de situatie” (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14). Dat slechts sprake was van een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie, ofwel een zuiver conserverende maatregel, blijkt ook uit de in de
ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen. Tijdelijk, vooralsnog totdat na de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 op het verzoek werd beslist, werd uitsluitend: [bestuurder/CEO] geschorst als bestuurder van Nexperia; de werking van art. 3 bestuursreglement Pro Nexperia B.V. geschorst; en bepaald dat de aandelen van Yuching in Nexperia Holding ten titel van beheer werden overgedragen. De OK-bestuurder en de OK-beheerder zijn pas later, na gelegenheid tot hoor/wederhoor van [bestuurder/CEO] en Yuching op de mondelinge behandeling en bij verweerschrift, aangewezen, respectievelijk in de kop-staart-beschikking (van 7 oktober 2025) en de opheffingsbeschikking I (van 8 oktober 2025). Dat de toepasselijke wettelijke regeling, art. 2:349a BW, zich niet verzet tegen het
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen kwam al aan de orde: zie mede onder 4.18.6-4.18.8 hiervoor. Dat bepalingen zoals art. 700 lid Pro 3, 809 lid 3 en 1019e lid 1 Rv een uitdrukkelijke wettelijke grondslag bieden om geen wederhoor toe te passen, zoals
PI 8aanvoert, betekent ook niet dat
a contrariode bevoegdheid om
ex parteonmiddellijke voorzieningen te kunnen treffen niet aan art. 2:349a BW kan worden ontleend. Hierbij is niet een vergelijking met de hiervoor genoemde Rv-bepalingen leidend, maar laat zich, zoals gezegd, een parallel trekken met bijvoorbeeld art. 254 Rv Pro op grond waarvan in kort geding zo nodig
ex parteeen
freezing orderkan worden opgelegd. [79] Zie nader onder 4.18.6-4.18.8 hiervoor.
PI 10wordt aangevoerd dat de inrichting van de enquêteprocedure en de daarin verplichte belangenafweging voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen zich, zeker als dat berust op een louter voorlopig oordeel ex art. 2:349a lid 3 BW, verzet tegen het
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen. Dit argument stuit ook reeds af op die parallel met het treffen van onmiddellijke voorzieningen in kort geding op de voet van art. 254 Rv Pro.
PI 11kort samengevat aanvoert, de OK sinds haar instelling in 1971 voor zover bekend uit de gepubliceerde rechtspraak niet eerder in een enquêteprocedure
ex parteonmiddellijke voorzieningen heeft getroffen, laat, ook indien juist, [80] eveneens onverlet dat die mogelijkheid in genoemde uitzonderlijke gevallen als de onderhavige wel op grond van art. 2:349a BW toelaatbaar is (nog daargelaten dat de bevoegdheid van de OK tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen niet al sinds 1971, maar pas veel later, sinds 1 januari 1994, in de wet (art. 2:349a BW) is opgenomen). [81] Iets anders is dat de OK in het verleden ook wel op andere wijze rekening heeft gehouden met de bijzonderheden van het concrete geval waar het ging om het beslissen op een verzoek tot (onder meer) het treffen van onmiddellijke voorzieningen. Ik denk bijvoorbeeld aan:
ex parte, te beslissen. Hierbij heeft de OK de procedurele waarborgen die volgen uit de onder 4.18.4-4.18.5 hiervoor bedoelde Hoge Raad-uitspraken van 14 december 2018 en 20 april 2007 in acht genomen. Ter mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 uitmondend in de kop-staart-beschikking is heroverwogen, rekening houdend met het verweer van [bestuurder/CEO] en Yuching, of de onmiddellijke voorzieningen gehandhaafd dienden te worden, welk antwoord naar het oordeel van de OK bevestigend luidde, met de kanttekening dat de overdracht van Yuchings aandelen ten titel van beheer werd gewijzigd in de zin dat Yuching één aandeel niet hoefde over te dragen aan de OK-beheerder (zie onder meer de kop-staart-beschikking, rov. 3.3, 3.6). En in de uitgewerkte beschikking (rov. 3.23-3.25) heeft de OK de getroffen onmiddellijke voorzieningen nader gemotiveerd, waarbij uitdrukkelijk rekening is gehouden met wat [bestuurder/CEO] en Yuching ter zitting en als verweer hebben aangevoerd. Dat is dus geheel volgens het spoorboekje dat door de Hoge Raad is uiteengezet in voornoemde uitspraken van 14 december 2018 en 20 april 2007.
PI 12-13wordt onderkend, dit oordeel betrekking heeft op een heel ander verzoek dan het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, zou hieruit bij wijze van analogie kunnen worden afgeleid dat het beginsel van hoor/wederhoor een verplichting tot oproeping van [bestuurder/CEO] met zich brengt met betrekking tot het verzoek tot het treffen van de onmiddellijke voorziening van schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia, nu [bestuurder/CEO] met betrekking tot dat verzoek immers rechtstreeks in zijn belang kan worden geschaad. Die
KPNQwest-uitspraak onderstreept met andere woorden in algemene zin dat het beginsel van hoor/wederhoor in de enquêteprocedure moet worden gerespecteerd. Die uitspraak doet echter niet af aan een (op de voet van art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro) toegelaten uitzondering op dat beginsel bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW in bijzondere situaties, in lijn met voornoemde Hoge Raad-uitspraken van 14 december 2018 en 20 april 2007, en naar analogie van een
freezing orderin kort geding op de voet van art. 254 Rv Pro. Zie onder 4.18.1-4.18.8 hiervoor. Voor de goede orde benadruk ik nog een keer dat die wettelijke basis hier niet bestaat in art. 279 Rv Pro (of art. 223 Rv Pro dan wel art. 254 Rv Pro), maar in art. 2:349a BW.
NJ1997, 188). De ondernemingskamer moet daarbij zowel op de belangen van verzoekers tot een enquête letten als op die van andere bij de (onderneming van de) rechtspersoon betrokken belanghebbenden. Daarbij staat het belang van de rechtspersoon voorop.
NJ2003, 486). Daarbij zal de ondernemingskamer, in verband met het voorschrift van art. 24 Rv Pro., geen beslissing mogen geven waarop de betrokken partijen, gelet op het verloop van het geding en het processuele debat, niet bedacht behoefden te zijn en over de consequenties waarvan zij zich niet hebben kunnen uitlaten. Het staat de ondernemingskamer dan ook niet vrij beslissingen te geven of voorzieningen te treffen die niet stroken met de strekking van het ingediende verzoek of die aan de kenbare bedoeling van verzoekers zodanig afbreuk doen dat moet worden aangenomen dat zij het verzoek, als daaraan op deze wijze uitvoering wordt gegeven, niet zouden hebben gehandhaafd.”
ex parteandere onmiddellijke voorzieningen getroffen dan waar door Nexperia om is verzocht. Dat enkele voorzieningen reeds
ex partezijn getroffen, lijkt mij ook geen verrassingsbeslissing als bedoeld in
ATR Leasing, nu die beslissing strookt met de strekking van het ingediende verzoek althans geen afbreuk doet aan de kenbare bedoeling van verzoekers. Nexperia heeft immers, daarin gesteund door EZ, verzocht om de zaak “met bijzondere spoed” te behandelen. [91] Dat zij daarbij niet uitdrukkelijk heeft verzocht om
ex parteonmiddellijke voorzieningen te treffen, [92] is te verklaren door het feit dat de OK hiertoe, voor zover mij bekend, niet eerder is overgegaan. Zie ook onder 4.19.5 hiervoor. In dit verband acht ik tevens van belang dat het
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen volgens mij niet als een afzonderlijk incident onder overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv Pro moet worden beschouwd, maar als een bevoegdheid die rechtstreeks zijn grondslag vindt in art. 2:349a BW. Zie ook onder 4.18.6 en 4.18.8 hiervoor. De OK heeft met andere woorden in de
ex parte-beschikking niet ambtshalve, zonder dat daaraan een verzoek op de voet van art. 2:349a BW ten grondslag ligt, beslist tot het
ex partetreffen van enkele onmiddellijke voorzieningen. Ik merk verder op dat wat betreft
het moment waarophet treffen van een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon (of in het belang van het onderzoek) aan de OK een grote mate van vrijheid toekomt, die voortvloeit uit het karakter van onmiddellijke voorzieningen als ordemaatregel en besloten ligt in de discretionaire bevoegdheid van de OK in het kader van art. 2:349a lid 2-3 BW. [93]
PI 14wordt een beroep gedaan op de aard en doeleinden van de enquêteprocedure, welk beroep overigens slechts wordt toegelicht onder verwijzing naar delen van de tekst van art. 2:349a BW. Ik zie niet in dat de OK met het
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen de aard of doeleinden van de enquêteprocedure zou hebben miskend. Wat de aard van de enquêteprocedure betreft, kan bijvoorbeeld worden gewezen op de onder 4.19.8 hiervoor geciteerde rechtsoverweging uit
ATR Leasing, waaruit onder meer blijkt dat de enquêteprocedure een op een spoedige beslissing gerichte procedure is waarin het belang van de rechtspersoon vooropstaat. [94] In de aard van de enquêteprocedure in het algemeen en de aard van onmiddellijke voorzieningen in het bijzonder [95] ligt juist een rechtvaardiging besloten voor het
onmiddellijk(zo nodig
ex parte) moeten kunnen ingrijpen door de OK indien de toestand van de rechtspersoon (of het belang van het onderzoek) dat vergt. Evenmin valt in te zien dat het
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen niet zou stroken met de doeleinden van het enquêterecht, waartoe immers onder meer behoort de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van organisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon. [96]
PI 14aanvoert dat art. 2:349a BW geen grondslag biedt voor het
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen, ziet het verder voorbij aan het volgende. Art. 2:349a lid 1, eerste zin BW bepaalt dat de OK het verzoek “met de meeste spoed” behandelt. Dit heeft overigens niet alleen betrekking op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, maar ook op het enquêteverzoek in de zin van art. 2:345 lid 1 BW Pro zelf. [97] Uit het vervolg van art. 2:349a lid 1 BW [98] blijkt dat de wetgever daarbij een (mondelinge) behandeling van het verzoek voor ogen heeft gestaan, waarbij belanghebbenden voorafgaand aan de aanvang van de behandeling tot een bepaald door de OK te bepalen tijdstip een verweerschrift kunnen indienen, verzoekers en de rechtspersoon hetzij bij advocaat hetzij bijgestaan door hun advocaten verschijnen, en de OK ook ambtshalve getuigen en deskundigen kan horen alvorens te beslissen op het verzoek. Het wettelijke uitgangspunt is dus dat na een mondelinge behandeling tegelijk wordt beslist op het enquêteverzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen voor zover ook om dat laatste is verzocht. Uit het vervolg van art. 2:349a BW blijkt echter dat beide verzoeken los van elkaar kunnen worden behandeld. Volgens art. 2:349a lid 2 BW kan het treffen van onmiddellijke voorzieningen immers “in elke stand van het geding” geschieden, [99] en art. 2:349a lid 3 BW bepaalt uitdrukkelijk dat en onder welke voorwaarden dat kan ingeval “nog geen onderzoek is gelast”. Een onmiddellijke voorziening kan dus worden getroffen vanaf het moment dat een enquêteverzoek (met tevens een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen) is ingediend; anders gezegd, het geding vangt aan met het indienen van het verzoekschrift als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW Pro. [100] Voor die tijd, wanneer nog geen enquêteverzoek is ingediend, is men voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen aangewezen op de voorzieningenrechter, die dan terughoudend moet optreden. [101]
PI 15wordt aangevoerd dat een parallel met het
ex parteleggen van conservatoir beslag op grond van een geïnstitutionaliseerde wettelijke grondslag (“art. 700 jo Pro 705 Rv”) niet opgaat. Het belang van het wijzen op verschillen tussen het
ex partekunnen (geven van verlof voor het) leggen van conservatoir beslag en het al dan niet
ex partekunnen treffen van onmiddellijke voorzieningen ontgaat mij. Het bestreden oordeel van de OK is trouwens ook niet (mede) ingestoken op enige parallel met het
ex partekunnen (geven van verlof voor het) leggen van conservatoir beslag. Waar het om gaat, is immers of er, voor zover nodig, een toereikende wettelijke basis in de zin van art. 19 lid 1 Rv Pro is voor de door de OK gemaakte uitzondering op het beginsel van hoor/wederhoor. En die basis in de wet is er, te weten art. 2:349a BW. Het gaat met andere woorden om een
anderebasis in de wet dan die in Rv waarop
PI 15is geënt. [102]
PI 16wordt in twijfel getrokken of die uitspraak van Hoge Raad van 20 april 2007 in overeenstemming is met de wet. Daarmee wordt kennelijk bedoeld dat de Hoge Raad in die uitspraak geen wettelijke basis in de zin van art. 19 lid 1 Rv Pro voor de uitzondering op het beginsel van hoor/wederhoor zou hebben aangewezen. Dat berust als gezegd op een verkeerde lezing van die uitspraak, nu de door de Hoge Raad aangewezen wettelijke basis in die uitspraak art. 2:298 lid 2 BW Pro betreft. In
PI 18wordt bij herhaling opgemerkt dat in het onderhavige geval een deugdelijke wettelijke basis zoals vereist in art. 19 lid 1 Rv Pro zou ontbreken. Deze basis kan in het onderhavige geval evenwel worden gevonden in art. 2:349a BW, zoals overigens ook uitdrukkelijk door de OK is overwogen in de
ex parte-beschikking, rov. 2.3 (“
ex parteop de voet van artikel 2:349a lid 3 BW te beslissen op - een deel van - de verzochte voorzieningen”).
KPNQwesten
ATR Leasinghebben de Hoge Raad-uitspraken inzake
DSM, [103] Versatel [104] en
SkyGate, [105] waarop in
PI 16-17beroep wordt gedaan, wel specifiek betrekking op het door de OK treffen van onmiddellijke voorzieningen. Ik citeer uit
DSM: [106]
NJ2002, 92). Een en ander brengt mee dat van de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen voordat een onderzoek wordt gelast, slechts gebruik kan worden gemaakt indien daartoe in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek voldoende zwaarwegende redenen bestaan.”
PI 17wordt op zichzelf terecht uit deze rechtsoverweging afgeleid dat van de mogelijkheid om onmiddellijke voorzieningen te treffen voordat op het verzoek tot het instellen van een onderzoek is beslist met terughoudendheid en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel gebruik moet worden gemaakt. De te betrachten terughoudendheid heeft de OK hier echter niet miskend bij het
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen, waaronder de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia en de overdracht ten titel van beheer van de aandelen van Yuching. Het ging immers slechts om een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie aan de hand van toewijzing van slechts een deel van de verzochte onmiddellijke voorzieningen, die bovendien kort heeft geduurd (van 1 oktober 2025 tot 6 althans 7 oktober 2025) en waarvoor naar het oordeel van de OK in verband met de toestand van de rechtspersoon voldoende zwaarwegende redenen bestonden. Het
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen is ook niet onverenigbaar met de belangenafweging die de OK behoort te maken (het evenredigheidsbeginsel), zoals in onder meer
PI 16wordt gesteld. Het is waar dat de OK zich niet kan beperken tot een afweging van de belangen van Nexperia (in hoedanigheid van verzoekster en verweerster), maar dat ook moet worden gelet op de belangen van onder meer [bestuurder/CEO] die als bestuurder van Nexperia door de onmiddellijke voorziening direct kan worden geraakt. Volgens
PI 16kan deze belangenafweging niet (naar behoren) worden gemaakt als geen verweer is of kan worden gevoerd. De overweging uit
DSMhieromtrent is ontleend aan
SkyGate, [108] waarnaar ook wordt verwezen in
Versatel. [109] In
SkyGateklinkt op dit punt een parallel met rechtspraak over onmiddellijke voorzieningen in kort geding door. [110] In kort geding laat deze rechtspraak onverlet dat de voorzieningenrechter bevoegd is, zo nodig
ex parte, een
freezing orderte treffen. Zie onder 4.18.7 hiervoor. Ik zie niet in dat dit op de voet van art. 2:349a BW anders zou (moeten) zijn. De
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen hadden immers geen onomkeerbare gevolgen voor [bestuurder/CEO] (of Yuching). De OK-bestuurder is pas op 7 oktober 2025 aangesteld (de OK-beheerder pas op 8 oktober 2025), dus na de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, waarbij (zie ook de kop-staart-beschikking, rov. 3.2-3.3, 3.6 en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23-3.24) wel hoor/wederhoor is toegepast ofwel rekening is gehouden met het verweer van [bestuurder/CEO] (en Yuching). Dat de OK aldus onvoldoende heeft verantwoord welke belangen dienaangaande zijn afgewogen, en hoe, valt - anders dan wordt gesuggereerd in
PI 16- niet in te zien.
PI 17wordt verder betoogd dat de OK in de bestreden beschikkingen niet heeft gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn een definitieve beslissing volgt op het enquêteverzoek. Dat betreft kennelijk een verwijzing naar het vereiste van art. 2:349a lid 3, laatste zin BW. [111] In de wetsgeschiedenis wordt toegelicht dat ervan wordt uitgegaan dat in de regel binnen enkele maanden na het treffen van de onmiddellijke voorzieningen op het enquêteverzoek kan worden beslist, maar dat deze termijn in bijzondere omstandigheden langer kan zijn. [112] De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.27 in lijn met dit vereiste vermeld dat binnen een redelijke termijn een zitting zal worden bepaald om het enquêteverzoek ten gronde te behandelen. Deze mondelinge behandeling heeft na overleg met partijen plaatsgevonden op 14 januari 2026, [113] waarna op het enquêteverzoek is beslist bij eerstefasebeschikking (van 11 februari 2026). De OK heeft de redelijke termijn in de zin van art. 2:349a lid 3 BW dus wel degelijk onder ogen gezien in de uitgewerkte beschikking en inmiddels is gebleken dat de beslissing op het enquêteverzoek ook daadwerkelijk is genomen binnen enkele maanden na het treffen van de onmiddellijke voorzieningen in oktober 2025. Zie ook onder 3.22-3.23 hiervoor.
PI 18ben ik onder 4.19.12 hiervoor al ten dele ingegaan In
PI 18wordt in het verlengde daarvan nog opgemerkt dat “enige grond in (consistente) rechtspraak in het verleden” op dit punt zou ontbreken. Voor zover daarmee weer wordt bedoeld, kort samengevat, dat de OK sinds haar instelling in 1971 voor zover bekend uit de gepubliceerde rechtspraak niet eerder
ex parteonmiddellijke voorzieningen zou hebben getroffen, verwijs ik naar 4.19.5 hiervoor. Verder geldt dat er weliswaar niet veel rechtspraak is over
ex parte-beslissingen op verzoeken tot het treffen van voorlopige of onmiddellijke voorzieningen, maar mij niet is gebleken van inconsistentie in de rechtspraak dienaangaande. Dat er ter zake niet veel rechtspraak voorhanden is, is weinig verwonderlijk nu het gaat om situaties die zich slechts bij
hoge uitzonderingvoordoen. Voornoemde uitspraak van 20 april 2007 staat in elk geval niet op zichzelf, want de daarin door de Hoge Raad uitgezette lijn is nadien, in voornoemde uitspraak van 14 december 2018, door de Hoge Raad juist bevestigd. Ook in de feitenrechtspraak wordt een enkele keer een
ex parte-beslissing tot het treffen van een voorlopige voorziening genomen. [114] Verder memoreer ik dat de EHRM-rechtspraak over art. 6 EVRM Pro hiertoe ook ruimte laat, zie onder 4.18.2 hiervoor.
PI 18op EHRM-rechtspraak voor zover daaruit voortvloeit dat de noodzaak om te zorgen voor procedurele waarborgen groter wordt naarmate de gevolgen van de getroffen maatregelen voor de betrokkene ingrijpender zijn, ziet eraan voorbij dat in de korte periode dat de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia
ex partevan toepassing is geweest (van 1 oktober 2025 tot 6 althans 7 oktober 2025) slechts sprake was van een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie ofwel een zuiver conserverende maatregel, in welke periode ook nog geen OK-bestuurder was aangesteld (zie ook onder 4.19.3 hiervoor). Voor zover in
PI 18wordt betoogd dat het treffen van de onmiddellijke voorzieningen niet
ex partetoelaatbaar is vanwege de mogelijk blijvende gevolgen faalt dat eveneens. Op zichzelf is het waar dat in een enquêteprocedure getroffen onmiddellijke voorzieningen tot onomkeerbare gevolgen kunnen leiden. [115] In de korte periode dat de onmiddellijke voorzieningen
ex partevan toepassing zijn geweest (van 1 oktober 2025 tot 6 althans 7 oktober 2025), was echter hoe dan ook nog slechts sprake van een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie ofwel een zuiver conserverende maatregel, nu de OK-beheerder pas in de opheffingsbeschikking I (van 8 oktober 2025) is aangewezen en ook de andere in de
ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen, de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia en schorsing van de werking van art. 3 bestuursreglement Pro Nexperia B.V., niet verder gingen dan tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie. De OK-bestuurder is immers ook pas aangewezen in de kop-staart-beschikking (van 7 oktober 2025). Verder verdient in dit verband opmerking dat de Hoge Raad in voornoemde uitspraak van 20 april 2007 de
ex partebenoeming, bij wijze van voorlopige voorziening op de voet van art. 2:298 lid 2 BW Pro, van een tijdelijke bestuurder bij een stichting heeft toegelaten en dat een dergelijke benoeming in wezen niet verschilt van een OK-bestuurder die is aangesteld bij wijze van onmiddellijke voorziening op de voet van art. 2:349a BW. Voor een OK-bestuurder geldt eveneens dat die besluiten kan nemen of andere bestuurshandelingen kan verrichten waarvan de gevolgen onomkeerbaar zijn. Het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt voor een tijdelijke bestuurder op de voet van art. 2:298 lid 2 BW Pro van een zekere terughoudendheid bij het uitoefenen van de bevoegdheden [116] lijkt mij overigens evenzeer te gelden voor een OK-functionaris, zoals een OK-bestuurder of een OK-beheerder, met de kanttekening dat dit uitgangspunt niet eraan in de weg staat dat een dergelijke OK-functionaris soms zeer ingrijpende beslissingen (met onomkeerbare gevolgen) moet (kunnen) nemen. [117] In de
ex parte-periode was er in het onderhavige geval echter als gezegd nog geen OK-bestuurder of OK-beheerder aangewezen.
PI 19-21een motiveringsklacht, die inhoudt dat ontoereikend is gemotiveerd het oordeel van de OK in de
ex parte-beschikking en de uitgewerkte beschikking dat in de gegeven omstandigheden een voldoende grondslag en rechtvaardiging bestond om [bestuurder/CEO] niet voorafgaand aan het treffen van onmiddellijke voorzieningen te horen. Deze klacht treft evenmin doel. Ik leg uit waarom.
PI 20. De OK heeft het uitgangspunt dat een rechterlijke beslissing in een
ex parte-procedure hooguit een conserverend, niet ingrijpend karakter kan hebben met de
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen immers niet miskend. Met de
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen, die slechts enkele dagen van kracht zijn geweest, heeft de OK een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie bewerkstelligd, zoals is gemotiveerd in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.13-3.14. De OK heeft niet nagelaten duidelijk te maken op welke wettelijke grondslag zij de mogelijkheid baseert om
ex parteonmiddellijke voorzieningen toe te wijzen. De wettelijke grondslag die de OK daartoe - gelet op ook het falen van de rechtsklacht in dit subonderdeel: niet ten onrechte - heeft gebruikt, is art. 2:349a BW, zoals uitdrukkelijk blijkt uit de
ex parte-beschikking, rov. 2.3. Verder heeft de OK afdoende gemotiveerd, kenbaar met oog voor en onder afweging van de betrokken belangen, dat het recht om gehoord te worden niet kon worden toegepast zonder onnodig afbreuk te doen aan de verwezenlijking van de met de desbetreffende onmiddellijke voorzieningen nagestreefde doelstellingen. Die motivering blijkt onder meer uit de
ex parte-beschikking, rov. 2.3, 2.5 en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13.
PI 21 onder a t/m daangevoerde kan evenmin tot cassatie leiden. Ik leg uit.
ex parte-beschikking. Hierbij wordt echter selectief uit de brief van Nexperia geciteerd, nu op p. 1 van die brief wordt verwezen naar de ruimere toelichting op p. 4 waarin Nexperia de OK in algemene zin heeft verzocht “deze zaak met bijzondere spoed te behandelen”. Bovendien wordt voorbijgezien aan de brief van EZ van later diezelfde dag waarin de OK “met klem” wordt verzocht de zaak zo spoedig mogelijk te behandelen. [119] Voor zover de OK niet een discretionaire bevoegdheid zou hebben om het moment waarop op het treffen van onmiddellijke voorzieningen moet worden beslist (zie ook onder 4.19.8 hiervoor), is ook niet onbegrijpelijk dat de OK het verzoek van Nexperia, mede in het licht van de aanvullende brief van dezelfde datum van EZ, heeft verstaan als een verzoek tot het
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen. Deze uitleg van de gedingstukken is verder voorbehouden aan de OK als feitenrechter.
ex parte-beschikking nog geen OK-beheerder heeft aangewezen en dat in de beperkte periode dat deze voorziening
ex parteheeft gegolden de OK-beheerder dus hoe dan ook nog geen actieve handelingen kon verrichten.
ex parte-beschikking, rov. 2.3 en in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13 ontoereikend heeft gemotiveerd dat sprake was van een acute noodsituatie die een vergaande inbreuk op art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro rechtvaardigt, te meer/althans omdat naleving van het bevel al was gewaarborgd via publiekrechtelijke handhavingsinstrumenten (“zie subonderdeel 2.2”) en het aan spoedeisendheid ten grondslag gelegde belang van EZ geen belang is dat door de OK mocht worden betrokken in de rechtvaardiging voor een afwijking van art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro (“zie subonderdeel 2.1”). Hiermee wordt miskend dat de OK met de gestelde acute noodsituatie in de eerste plaats heeft bedoeld dat het
ex partetreffen van enkele onmiddellijke voorzieningen ter tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie was vereist gelet op het belang van Nexperia (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12: “dat zich bij Nexperia een acute noodsituatie voordeed”; “onhoudbare situatie bij Nexperia”; en rov. 3.13: “een bedreiging voor de continuïteit van de onderneming”; “te voorkomen dat in de periode tot aan de inhoudelijke behandeling Nexperia en haar onderneming onherstelbare schade zou worden berokkend”). Verder blijkt dat de OK bij de beslissing om onmiddellijk
ex partein te grijpen het belang van EZ, althans een algemeen, openbaar of maatschappelijk belang heeft meegewogen (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.13: “Verder is van belang dat de Staat heeft betoogd dat de door Nexperia gedreven onderneming van essentieel belang is voor de economische veiligheid van Nederland en Europa, terwijl op heel korte termijn cruciale bedrijfsprocessen, goederen en kennis verloren dreigden te gaan door verplaatsing naar locaties buiten Europa”; “daarmee voor de economische veiligheid van Nederland en Europa”). Dat is niet onterecht. [121] Voor zover de klacht hier voortbouwt op onderdeel 2, dat faalt, verwijs ik naar de bespreking van dat onderdeel vanaf 4.52 hierna.
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen niet is te reduceren tot het bevel en de gronden waarop het berust.
onder daangevoerde is gebaseerd op subonderdeel 1.2.4 en veronderstelt, kort samengevat, een substantiële voorbereidingstijd van het verzoek van Nexperia. Onder 4.18.8 en 4.19.10 hiervoor is aan de orde gekomen dat een geding bij de OK aanhangig moet zijn voordat, zo nodig
ex parte, onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW kunnen worden getroffen. [122] De enquêteprocedure is aanhangig vanaf het moment dat het verzoekschrift als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW Pro bij de OK is ingediend. Het is daarmee een gegeven dat het enige voorbereidingstijd kost voordat, zo nodig
ex parte, onmiddellijke voorzieningen kunnen worden (verzocht en) getroffen. Dat het voorbereiden van zo’n verzoekschrift de nodige tijd heeft gekost, maakte de acute noodsituatie die naar het oordeel van de OK op 1 oktober 2025 onmiddellijk -
ex parte- ingrijpen noodzakelijk maakte in het belang van Nexperia niet minder acuut. Uit de motivering van de OK blijkt eerder dat het tegendeel het geval was (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.13: “Iedere dag dat deze situatie zou voortduren”, etc.). Overigens is gesteld noch gebleken dat Nexperia zou hebben getalmd met het indienen van het enquêteverzoek. Voor zover de klacht hier voortbouwt op subonderdeel 1.2.4, dat faalt, verwijs ik naar de bespreking van dat subonderdeel vanaf 4.46 hierna.
ex parteonmiddellijke voorzieningen treffen ter tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie (
freezing order). Dit levert geen schending op van art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro. En dat de OK daartoe in het onderhavige bijzondere geval is overgegaan, is niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
PI 4, 22-23) klaagt dat [bestuurder/CEO] onvoldoende gelegenheid is geboden zijn verweer tegen het verzoekschrift en de
ex parte-beschikking voor te bereiden, waarmee de procesgang als geheel oneerlijk is. Volgens het subonderdeel is, kort samengevat, het recht geschonden (art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro) en/of een onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd oordeel gegeven, doordat de datum voor het verweerschrift en voor de mondelinge behandeling op de (te) korte termijn van 6 oktober 2025 (09:00 uur respectievelijk 13:00 uur) is bepaald, in weerwil van het verweer van [bestuurder/CEO] [124] dat de gang van zaken in strijd is met fundamentele beginselen van een goede procesorde en het bepaalde in art. 6 EVRM Pro. Deze algemene rechts- en motiveringsklacht is uitgewerkt in vier sub(sub)onderdelen: 1.2.1 t/m 1.2.4.
PI 24) is gericht tegen een van de twee in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 gegeven redenen waarom de OK niet heeft bewilligd in het verzoek van Yuching tot uitstel van de mondelinge behandeling, namelijk de eerste reden, die inhoudt dat juist uit oogpunt van hoor/wederhoor is besloten de eenzijdige bevriezing van de situatie zo kort mogelijk te doen voortduren en is besloten op zeer korte termijn een inhoudelijke behandeling te gelasten. Daarmee zou de OK art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro hebben geschonden, althans een onbegrijpelijk oordeel hebben gegeven. Dit werkt het subonderdeel uit langs drie routes.
PI 25), heeft de OK hiermee miskend dat het fundamentele recht op een eerlijk proces (art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro) juist het (proces)belang van [bestuurder/CEO] als belanghebbende en subject van de
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen beogen te beschermen, en de OK gelet op deze strekking het beginsel van hoor/wederhoor niet aan [bestuurder/CEO] had kunnen tegenwerpen. Toen [bestuurder/CEO] op deze korte termijn niet (afdoende) bleek te kunnen reageren op het verzoekschrift en de gronden van de
ex parte-beschikking door tijdig voor de mondelinge behandeling een verweerschrift in te dienen, had de OK de mondelinge behandeling en het verweerschrift moeten uitstellen om [bestuurder/CEO] een voldoende mogelijkheid tot het voorbereiden van zijn verweer te geven.
ex parte-beschikking, rov. 2.1 en dictum). Dat is dus op een termijn van vijf dagen na indiening van het verzoekschrift van Nexperia op 1 oktober 2025. De OK heeft partijen (Nexperia) en belanghebbenden ( [bestuurder/CEO] , Yuching, [verweerder 4] , de OR en EZ) voor deze mondelinge behandeling opgeroepen. [130] Op de voet van art. 2:349a lid 1 BW geldt hierbij voor Nexperia een verplichte procesvertegenwoordiging (verschijnen bij advocaat of bijgestaan door een advocaat).
vier uurvoorafgaand aan de mondelinge behandeling, dus de mogelijkheid tot indiening van een verweerschrift door belanghebbenden tot 6 oktober 2025 om 09:00 uur (zie de oproepingsbrief van de OK van 1 oktober 2025 en ook de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15). De OK heeft bovendien toegelaten dat tijdens de mondelinge behandeling aanvullend verweer is gevoerd door [bestuurder/CEO] en Yuching en dat door [bestuurder/CEO] een voorwaardelijk tegenverzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen is gedaan, in lijn met het voorwaardelijke tegenverzoek in het tijdig ontvangen verweerschrift van Yuching. [135] Op dit punt heeft de OK dus voor [bestuurder/CEO] en Yuching, ten opzichte van de belangen van de overige belanghebbenden en de vennootschap, coulance betracht. [136] Hier staat tegenover dat Yuching de OK bij brief van 3 oktober 2025 had verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025 in verband met onvoldoende voorbereidingstijd om zich te kunnen verweren, op welk verzoek Nexperia dezelfde dag afwijzend heeft gereageerd en welk verzoek door de OK bij e-mail van 3 oktober 2025 niet is ingewilligd.
recht op aanhoudingwordt door de Hoge Raad slechts erkend in specifieke omstandigheden waarin de rechter de behandeling moet uitstellen met het oog op het mede door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde beginsel van hoor/wederhoor. [138] Dit is in lijn met de benadering van de OK die de mondelinge behandeling niet snel wenst uit te stellen, [139] waarbij soms wel wordt toegelaten dat tot zeer kort voor de mondelinge behandeling een verweerschrift kan worden ingediend. [140]
ex parte) tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie zo kort mogelijk te laten voortduren. Zie onder 4.25 hiervoor. Op zichzelf is dat nog niet een sluitende redenering om het verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025 af te wijzen. Wel is het zo dat
ex partebeslissingen niet eindeloos mogen voortduren en dat wel wordt aangenomen dat belanghebbenden in ieder geval binnen een termijn van twee weken moeten worden gehoord. [141] Vanuit het oogpunt van hoor/wederhoor was er zo bezien geen beletsel tegen het bieden van uitstel van de mondelinge behandeling tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025. Die datum benaderde anders gezegd het
uiterste momentwaarop vanuit een oogpunt van hoor/wederhoor een mondelinge behandeling had moeten plaatsvinden.
ex parteonmiddellijke voorzieningen een einde komt.
ex parteonmiddellijke voorzieningen, die Yuching zou respecteren, iets langer (tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025) zouden voortduren. [142] Nexperia heeft hier in haar brief van dezelfde datum op gereageerd door gemotiveerd uiteen te zetten waarom zij er belang bij heeft dat de mondelinge behandeling niet wordt uitgesteld. [143] Daarop is die tweede reden van de OK gebaseerd en dat was de doorslaggevende reden waarom de OK niet heeft bewilligd in uitstel van de mondelinge behandeling, nu de eerste reden slechts inhield dat hoe dan ook op korte termijn een mondelinge behandeling moest worden gehouden.
voldoenderecht gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en is de
redelijkemogelijkheid geboden tot het voeren van verweer. De OK heeft daarbij uitdrukkelijk onder ogen gezien dat [bestuurder/CEO] niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen.
PI 26), is doorslaggevend althans bovenal of mede relevant, en had de OK zelfs ambtshalve erop moeten toezien, dat aan de eis van hoor/wederhoor is voldaan en dat aan [bestuurder/CEO] de tijd en gelegenheid voor behoorlijke kennisneming en deugdelijke voorbereiding van zijn verweer wordt geboden. Dit heeft de OK klaarblijkelijk miskend, omdat uit de
ex parte-beschikking, rov. 2.1 en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 niet kenbaar is dat zij dat heeft onderzocht en beoordeeld.
ex parte-beschikking, rov. 2.1 heeft de OK slechts overwogen dat zij partijen zal oproepen voor een op 6 oktober 2025 om 13:00 uur te houden mondelinge behandeling over uitsluitend het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen. Dit is gebeurd in de oproepingsbrief van diezelfde datum, waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 6 oktober 2025 om 13:00 uur en waarin is vermeld dat partijen en belanghebbenden tot uiterlijk 6 oktober 2025 om 09:00 uur een verweerschrift kunnen indienen. Daarin ligt besloten dat de OK op dat moment (1 oktober 2025) ambtshalve van oordeel was dat een mondelinge behandeling vijf dagen later met de mogelijkheid tot indiening van een verweerschrift uiterlijk vier uur voor de mondelinge behandeling belanghebbenden voldoende tijd en gelegenheid bood voor kennisneming van de stukken en voor deugdelijke voorbereiding van het verweer. Op dat moment was er geen aanleiding voor de OK om dat ambtshalve oordeel te motiveren.
PI 26), maar zonder vrucht, dat in de
ex parte-beschikking en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 niet wordt ingegaan op de relevante omstandigheden van het geval. [145] In rov. 3.15, waarin de OK heeft gemotiveerd waarom in de gegeven omstandigheden
voldoenderecht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de
redelijkemogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, heeft de OK deze omstandigheden ook kenbaar (“tegen de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak”), en gelet op rov. 3.11 en 3.14: afdoende toegelicht, in de beoordeling betrokken. In de
ex parte-beschikking bestond er als gezegd geen aanleiding voor de OK om haar desbetreffende ambtshalve oordeel te motiveren.
PI 27), is het bestreden oordeel (dus de eerste in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden) onbegrijpelijk, omdat de OK niet heeft gemotiveerd waarom het belang de
ex parteopgelegde bevriezing zo kort mogelijk te laten voortduren moest prevaleren boven het belang van [bestuurder/CEO] bij een adequate voorbereiding van verweer en waarom aan het eerstgenoemde belang niet voldoende tegemoet zou (kunnen) worden gekomen indien het verweerschrift en de mondelinge behandeling zouden worden uitgesteld. Zonder nadere motivering valt niet in te zien dat in deze zaak sprake zou zijn van zulke bijzondere omstandigheden dat de inhoudelijke behandeling al op 6 oktober 2025 moest plaatsvinden, en niet enige tijd kon worden uitgesteld opdat [bestuurder/CEO] zich adequaat kon verweren.
PI 28) is gericht tegen de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 gegeven reden waarom de OK niet heeft bewilligd in het verzoek van Yuching tot uitstel van de mondelinge behandeling, namelijk de onderkenning dat Nexperia op korte termijn dreigde te worden getroffen door de maatregelen uit hoofde van de
50%-ruleen dat in de gesprekken van Nexperia respectievelijk de Staat met de Amerikaanse autoriteiten van groot belang was dat aan die tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde zou komen. Dat oordeel zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn. Dit werkt het subonderdeel uit langs drie routes.
PI 29), heeft de OK hiermee miskend dat voor de beoordeling of met het vasthouden aan de mondelinge behandeling op 6 oktober 2025 voldoende recht wordt gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor, doorslaggevend althans bovenal of mede relevant is of [bestuurder/CEO] met de door hem geboden (minder dan) drie werkdagen (vijf dagen) in staat zou zijn zich voldoende te verweren tegen het verzoekschrift en de
ex parte-beschikking. Die tweede reden van de OK gaat hier immers niet op.
voldoenderecht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de
redelijkemogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Hierop stuit deze klacht af.
PI 30-32), is het bestreden oordeel (dus de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden) onbegrijpelijk, omdat niet duidelijk is wat de OK met deze overweging heeft bedoeld. De klacht noemt twee mogelijke lezingen. De OK zou bedoeld kunnen hebben dat de
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen worden opgeheven. In die lezing zou het oordeel onbegrijpelijk zijn in het licht van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19, 3.20 en 3.24, waarin de OK juist tot uitgangspunt heeft genomen dat (dreiging van) toepasselijkheid van de
50%-ruleop Nexperia is ingegeven door kort gezegd (de perceptie van) de invloed van haar Chinese aandeelhouder, [A] (
PI 30). De OK zou ook bedoeld kunnen hebben dat het algemeen belang van de beschikbaarheid van chips en chipproductie voor Nederland en de EU zwaarder weegt dan [bestuurder/CEO] belang om zich adequaat te kunnen verweren. In die lezing zou het oordeel blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting (
PI 31-32).
50%-ruleen dat in gesprekken van Nexperia, respectievelijk de Staat met de Amerikaanse autoriteiten van groot belang is dat aan die tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde komt.” Het ging erom dat de
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen (de tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie) zo snel mogelijk zouden worden opgeheven en worden vervangen door onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding, zodat Nexperia bij de Amerikaanse overheid kon aanvoeren dat de
50%-ruleniet (langer) van toepassing zou moeten zijn. Die duurzamere onmiddellijke voorzieningen zijn dan ook wel degelijk verenigbaar met de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19, 3.20 en 3.24.
50%-ruleniet te lezen dat de OK het algemeen belang zou hebben laten prevaleren boven [bestuurder/CEO] belang om zich adequaat te kunnen verweren. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt immers dat de OK van oordeel is dat in de gegeven omstandigheden
voldoenderecht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de
redelijkemogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer.
PI 33), is het bestreden oordeel (dus de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden) onbegrijpelijk, omdat de OK niet heeft gemotiveerd waarom het belang als bedoeld in die tweede reden moest prevaleren boven het belang van [bestuurder/CEO] bij een adequate voorbereiding van zijn verweer en waarom aan eerstgenoemd belang niet voldoende tegemoet zou (kunnen) worden gekomen indien de mondelinge behandeling en het nemen van verweerschrift zou worden uitgesteld tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025. De klacht beroept zich daartoe verder op de omstandigheden a) dat Yuching in haar uitstelverzoek (p. 2) te kennen heeft gegeven de
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen te zullen respecteren, b) dat de OK heeft nagelaten kenbaar acht te slaan op de omstandigheden van het geval (genoemd in
PI 23), en c) dat de OK niet heeft toegelicht waarom het van belang was dat aan de tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde zou komen, hetgeen te meer klemt omdat de
50%-rulepas eind november 2025 van kracht zou worden en de dreiging om door die regel te worden getroffen feitelijk al beperkt was met de
ex parte-beschikking.
voldoenderecht gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de
redelijkemogelijkheid geboden tot het voeren van verweer.
onder a)betreft, verwijs ik naar 4.26.7-4.26.12 hiervoor. Dat Yuching de
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen zou respecteren, zou relevant kunnen zijn in het kader van de eerste in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden, maar niet in het kader van de tweede aldaar genoemde - doorslaggevende - reden voor afwijzing van het uitstelverzoek.
onder b)mist feitelijke grondslag. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt immers dat de OK wel degelijk acht heeft geslagen op de omstandigheden van het geval. Om herhaling te voorkomen, verwijs ik naar 4.27.1-4.27.3 hiervoor.
onder c)ziet er in de eerste plaats aan voorbij dat de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden moet worden begrepen in het licht van de reactie van Nexperia op het uitstelverzoek van Yuching. Op dit punt verwijs ik om herhaling te voorkomen naar 4.32.1-4.32.4 hiervoor.
onder c)dat de
50%-rulepas eind november 2025 van kracht zou worden, verwijst de klacht niet naar een vindplaats in de gedingstukken bij de OK. De OK kon in het licht van de vaststaande feiten oordelen dat Nexperia “op korte termijn” dreigt te worden getroffen door de maatregelen uit hoofde van de
50%-rule. In de uitgewerkte beschikking, rov. 2.28 heeft de OK immers vastgesteld dat Nexperia pas na 60 dagen (per 28 november 2025) aan de handelsbeperkingen zal worden onderworpen, maar ook dat productie- en R&D-locaties van Nexperia in China, Maleisië en de Filipijnen
met onmiddellijke ingangonder de nieuwe handelsbeperkende maatregelen van de VS vielen (zie ook de uitgewerkte beschikking, rov. 2.1: “in beginsel na zestig dagen”).
onder c)nog aangevoerd dat de dreiging om door de
50%-rulete worden getroffen feitelijk al beperkt was met de
ex parte-beschikking. Dit laatste ziet eraan voorbij dat, zoals de OK heeft overwogen met de eerste in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden, de eenzijdige (
ex parte) tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie hoe dan ook niet lang kon voortduren, waarmee de OK bedoelde dat juist vanuit een oogpunt van hoor/wederhoor niet lang (zie onder 4.26.8 hiervoor over een maximale termijn van twee weken) kon worden gewacht met het houden van een mondelinge behandeling.
PI 34) is gericht tegen het oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 dat in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor, dat tegen de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak en de hoge spoedeisendheid voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, en dat het beroep op strijd met de goede procesorde en het bepaalde in art. 6 EVRM Pro daarom wordt verworpen. Deze oordelen zouden blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn. Dit werkt het subonderdeel uit langs drie routes.
PI 35), kunnen deze oordelen reeds geen standhouden voor zover zij voortbouwen op wat is overwogen in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14, gelet op de klachten in de subonderdelen 1.2.1-1.2.2.
PI 36), heeft de OK een onjuiste maatstaf aangelegd voor zover zij voldoende heeft geacht dat in de gegeven omstandigheden
zo veel mogelijkrecht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor, althans is het oordeel onbegrijpelijk omdat daaruit niet volgt dat [bestuurder/CEO] daartoe
voldoendein de gelegenheid is gesteld.
nietde maatstaf is die de OK heeft aangelegd in het kader van de beoordeling van het beroep van [bestuurder/CEO] en Yuching op strijd met de goede procesorde en het bepaalde in art. 6 EVRM Pro. Dat beroep is door de OK verworpen, omdat in de gegeven omstandigheden [149] voldoenderecht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de
redelijkemogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Deze klacht berust dus op een verkeerde lezing van die rov. 3.15 en strandt daarmee op een gebrek aan feitelijke grondslag.
PI 37-44), kan dat wat de OK heeft overwogen in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, zonder nadere motivering, niet de conclusie dragen dat het recht van [bestuurder/CEO] op een eerlijk proces en in het bijzonder zijn recht op hoor/wederhoor en
equality of arms(in voldoende mate) is gerespecteerd om recht te doen aan art. 19 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro.
PI 38wordt aangevoerd dat [bestuurder/CEO] , ook volgens de OK, niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen en dat het tijdgebrek bij [bestuurder/CEO] daadwerkelijk nadelige gevolgen heeft gehad omdat [bestuurder/CEO] geen tijd had om een weerlegging voor te bereiden van datgene dat Nexperia had aangevoerd over onder meer het vermeende belangenconflict en de herziening van de governance, terwijl dit juist de gronden zijn waarop de OK blijkens de uitgewerkte beschikking, rov. 3.16 e.v. het handhaven van de
ex parteopgelegde onmiddellijke voorzieningen heeft gebaseerd.
Mrs. Vader en Meijer van Gelderendelen mede dat zij onvoldoende gelegenheid hebben gehad om tijdig een verweerschrift in te dienen. Zij voeren daarom nu mondeling verweer namens [bestuurder/CEO] en dragen daartoe hun pleitaantekeningen voor, waaraan een verklaring van [bestuurder/CEO] zelf is gehecht. (…).”
voldoenderecht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de
redelijkemogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer.
PI 39-40wordt betoogd dat de omstandigheden genoemd in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, vierde en vijfde zin dat [bestuurder/CEO] , die niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen, op zitting extra tijd heeft gekregen zijn positie toe te lichten en dat de behandeling op zitting meermalen is geschorst opdat de advocaten van [bestuurder/CEO] en Yuching in de gelegenheid werden gesteld telefonisch overleg te plegen met hun cliënten, geen toereikende grond kunnen opleveren voor de conclusie dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer.
PI 39verder nog opgemerkt dat [bestuurder/CEO] maar 40 minuten had gekregen, die hij zo nodig zou moeten delen met Yuching. Uit de e-mail van de OK van 5 oktober 2025 blijkt dat Yuching en [bestuurder/CEO] respectievelijk 20 en 40 minuten spreektijd toegekend hebben gekregen (dus per ‘cluster’ in totaal 60 minuten), die zij eventueel in onderling overleg anders konden verdelen. Dit is langer dan gebruikelijk en ook langer dan het ‘cluster’ Nexperia, EZ en de OR. [151] Het subonderdeel verwijst niet naar een vindplaats in de gedingstukken bij de OK waaruit blijkt dat [bestuurder/CEO] bezwaar had tegen deze verdeling en uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (p. 6) blijkt niet dat de toegekende spreektijd onvoldoende was om zijn spreekaantekeningen geheel voor te dragen. Van onvoldoende spreektijd voor [bestuurder/CEO] is aldus niet gebleken.
PI 39wordt verder aangevoerd dat [bestuurder/CEO] noch een vertegenwoordiger van hem bij de mondelinge behandeling aanwezig kon zijn. Een vindplaats in de gedingstukken bij de OK waar staat dat/waarom (een vertegenwoordiger van) [bestuurder/CEO] niet aanwezig kon(den) zijn, heb ik in het middel niet aangetroffen. [152] Het uitgangspunt in verzoekschriftprocedures is dat de opgeroepene in persoon of bij een gemachtigde verschijnt (art. 279 lid 3 Rv Pro). In de enquêteprocedure geldt op grond van art. 2:349a lid 1 BW voor verzoekers en de rechtspersoon (dus in beginsel niet voor belanghebbenden) verplichte procesvertegenwoordiging. Verweerschriften van belanghebbenden moeten overigens wel door een advocaat worden ingediend. Uit de oproepingsbrief van 1 oktober 2025 van de OK blijkt dat zowel [bestuurder/CEO] als Yuching als belanghebbende is opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling kan worden afgeleid dat die oproeping deugdelijk is geweest, [153] nu zowel [bestuurder/CEO] als Yuching ter zitting is verschenen. Zij zijn niet in persoon verschenen, maar bij advocaat. [154] Nadat ter zitting was geconstateerd dat [bestuurder/CEO] en Yuching als belanghebbenden waren verschenen, hoefde de OK geen onderzoek in te stellen naar de redenen waarom zij niet in persoon, maar bij advocaat waren verschenen. Er kon bij deze stand van zaken immers redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat de oproep door hen was ontvangen en verschijning in persoon is in het kader van hoor/wederhoor geen vereiste.
PI 40- dat telefonisch overleg kunnen plegen tussen [bestuurder/CEO] en Yuching (in China) en hun advocaten (ter zitting aanwezig) tijdens door de OK toegelaten schorsingen van de zitting
second bestis in vergelijking met de situatie dat (een vertegenwoordiger van) [bestuurder/CEO] en/of Yuching in persoon aanwezig waren/was geweest ter zitting. Dit maakt echter geenszins onbegrijpelijk dat de OK deze schorsingen voor telefonisch overleg wel als omstandigheid, dus als deel van de hier in totaliteit door de OK in aanmerking genomen omstandigheden (ten dele dus onbestreden), heeft kunnen betrekken bij het oordeel dat
voldoenderecht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de
redelijkemogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Die omstandigheid draagt immers naar de aard bij aan dit laatste oordeel.
PI 41-43wordt gesteld, onder verwijzing naar de uitgewerkte beschikking, dat onbegrijpelijk is hoe “de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak” (rov. 3.15, zesde zin) en “de gegeven omstandigheden” (rov. 3.15, eerste zin) bijdragen aan de conclusie dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Deze klacht is uitgewerkt met twee mogelijke lezingen: een voor het geval (zie
PI 42) de OK hiermee onder meer zou hebben gedoeld op de dreiging dat Nexperia door de
50%-rulewordt getroffen als bedoeld in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 (naast andere overwegingen, in rov. 3.12-3.13 van die beschikking), en een voor zover (zie
PI 43) de OK hiermee zou hebben gedoeld op de in rov. 3.11 van die beschikking weergegeven omstandigheden.
50%-rulezou worden getroffen als bedoeld in rov. 3.14 van die beschikking. Het oordeel van de OK in rov. 3.15 houdt in dat in deze omstandigheden of tegen deze ongebruikelijke achtergrond voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, gelet op de in rov. 3.15, tweede t/m vijfde zin bedoelde omstandigheden (ten dele onbestreden en voor het overige ook niet onbegrijpelijk).
PI 44wordt, ten slotte, betoogd dat zonder nadere motivering “de hoge spoedeisendheid” in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, zesde zin evenmin de conclusie van de OK kan dragen dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer.
PI 45-46) klaagt dat het voorgaande te meer klemt omdat Nexperia haar enquêteverzoek klaarblijkelijk ruim van te voren heeft voorbereid en op enig moment heeft afgestemd met EZ, waarmee tevens sprake is van een met art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro onverenigbare schending van het beginsel van
equality of arms. Volgens het subonderdeel is er sprake van een wanverhouding met de tijd die Nexperia heeft gehad ter voorbereiding van haar enquêteverzoek en maakt dat, samen met de voorafgaande kennisneming door EZ, het des te bezwaarlijker dat aan [bestuurder/CEO] niet de mogelijkheid is geboden om adequaat verweer te voeren.
PI 45) mist echter feitelijke grondslag. [157] De relevantie van de stelling dat EZ door voorafgaande kennisneming daarvan niet is overvallen door het verzoekschrift van Nexperia zie ik ook niet. Daaruit kan in ieder geval niet
a contrarioworden afgeleid dat [bestuurder/CEO] (en Yuching) wél zouden zijn overvallen door het verzoekschrift. Ik wijs daartoe op het vereiste van art. 2:349 lid 1 BW Pro. [158]
equality of arms. Het is immers vaste EHRM-rechtspraak dat
equality of armsin dit verband inhoudt dat [159] “each party must be afforded a
reasonableopportunity to present his case - including his evidence - under conditions that do not place him at a
substantialdisadvantage vis-à-vis his opponent.” [160] , [161] Dit gaat dus niet zo ver dat een
exactevenwicht in voorbereidingstijd tussen verschillende partijen en belanghebbenden moet worden bereikt.
PI 47) bevat deels een herhaling van zetten en loopt deels vooruit op onderdeel 3. De herhaling van zetten houdt in dat uit de subonderdelen 1.1 en 1.2 zou volgen dat [bestuurder/CEO] onvoldoende in de gelegenheid is gesteld verweer te voeren tegen het verzoekschrift van Nexperia en de
ex parte-beschikking. Het vooruitlopen op onderdeel 3 houdt in dat voor zover de OK met de door dat onderdeel bestreden oordelen (de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 en 3.21) [bestuurder/CEO] heeft tegengeworpen dat hij de desbetreffende stellingen van Nexperia niet of onvoldoende heeft betwist, de OK heeft miskend dat, gelet op de buitengewone procesgang en de buitengewoon korte voorbereidingstijd, geen hoge eisen mochten worden gesteld aan de motivering van de betwisting door [bestuurder/CEO] van de stellingen van Nexperia, EZ en de OR, en redelijkerwijs niet meer van [bestuurder/CEO] kon worden verwacht dan een verweer op hoofdlijnen en, op punten, een blote ontkenning.
voorshandsis geoordeeld dat sprake is van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia als bedoeld in art. 2:349a lid 3 BW. Met dat voorlopige oordeel op die onderdelen (tegenstrijdig belang, de governance, de ontslagen van senior management en de intrekking van de bankvolmachten) heeft de OK [bestuurder/CEO] niet tegengeworpen dat hij de desbetreffende stellingen van Nexperia onvoldoende heeft betwist en heeft de OK evenmin te hoge eisen gesteld aan de motivering van de betwisting van die stellingen door [bestuurder/CEO] . Overigens faalt onderdeel 3, zoals blijkt uit de bespreking daarvan vanaf 4.85 hierna.
PI 49-51) klaagt in de kern dat de OK blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans een onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd oordeel heeft gegeven door EZ als belanghebbende toe te laten in deze enquêteprocedure. Volgens subonderdeel 2.2 (
PI 52-62) volgt uit de ‘doorkruisingsleer’ dat bij het optreden van EZ als belanghebbende sprake is van onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrechtelijke kader.
PI 49-50) is dat de OK ten onrechte niet aan de hand van deze maatstaf heeft beoordeeld of EZ als belanghebbende kon worden toegelaten en voor zover zij dat wel heeft gedaan, dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat niet valt in te zien dat EZ een eigen belang heeft bij deze procedure. De vraag naar ontvankelijkheid van EZ als belanghebbende moest volgens de klacht ambtshalve door de OK worden beoordeeld. Hierbij dient volgens de klacht tot uitgangspunt dat EZ niet behoort tot de kring van partijen die krachtens wet of statuten bij de organisatie van Nexperia zijn betrokken. [165] Volgens de klacht heeft EZ niet gesteld dat zij een
eigen belanghad bij de procedure en heeft EZ in haar verweerschrift volstaan met de mededeling dat zij “mede vanwege het gegeven Bevel” een belang zou hebben om in de procedure te verschijnen en kon de OK uit het bevel niet afleiden dat daarin ook een
eigenbelang van EZ is gelegen om in de procedure te verschijnen.
Scheipar-uitspraak van de Hoge Raad was de vraag aan de orde of een voormalig bestuurder van de vennootschap terecht door de OK was aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 282 lid 1 Rv Pro in de eerste fase van de enquêteprocedure. De Hoge Raad overwoog over de toe te passen maatstaf: [166]
NJ1992, 149). [167] Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang [ook wel aangeduid als de ‘eerste kring’, A-G] of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen [ook wel aangeduid als de ‘tweede kring’, A-G].” [168]
Scheipar-uitspraak het doel van de enquêteprocedure [174] mede wordt betrokken bij de vraag of EZ als belanghebbende kan worden aangemerkt. Tot de doeleinden van een enquête behoort onder meer de opening van zaken. [175] Mede gelet op de feitelijke betrokkenheid van EZ bij de governance-afspraken met Nexperia (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.1, 2.7 e.v.) moet EZ worden geacht betekenisvol aan dit doel te kunnen bijdragen. [176] In de bestreden beschikkingen is nog niet beslist over de vraag of een enquête moet worden bevolen (dat is in de eerstefasebeschikking gebeurd), maar in het kader van de vraag of onmiddellijke voorzieningen moeten worden getroffen kan de inbreng van EZ hierover eveneens relevant zijn, omdat in dat kader ex art. 2:349a lid 3 BW door de OK moet worden beoordeeld of er naar haar voorlopig oordeel gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken bij Nexperia te twijfelen.
Scheipar-maatstaf. Daartoe bestond echter geen aanleiding. De klacht wijst ook niet op vindplaatsen in de gedingstukken bij de OK waaruit blijkt dat [bestuurder/CEO] het toelaten van EZ als belanghebbende heeft weersproken. De bestreden beschikkingen waarin EZ als belanghebbende is aangemerkt, laten zich aldus verstaan dat de OK - kennelijk - van oordeel is dat aan de
Scheipar-maatstaf werd voldaan. [177] De OK heeft met andere woorden al in de
ex parte-beschikking, waarin EZ voor het eerst als belanghebbende is aangemerkt, getoetst of EZ aan de
Scheipar-maatstaf voldoet. Het is, gelet ook op wat ik onder 4.56-4.59 hiervoor opmerkte, niet onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat de OK EZ als belanghebbende heeft aangemerkt. Op het moment dat Yuching de toelating van EZ als belanghebbende ter discussie is gaan stellen, [178] heeft de OK haar oordeel dienaangaande trouwens ook (en toereikend) gemotiveerd. [179] Hierop strandt het beroep van de klacht (
PI 49) op ambtshalve beoordeling van de ontvankelijkheid van EZ als belanghebbende.
PI 50) geponeerde uitgangspunt, zo al juist, dat EZ niet behoort tot de kring van partijen die krachtens wet of statuten bij de organisatie van Nexperia zijn betrokken (“vgl. art. 2:8 BW Pro”) [180] en door de OK als belanghebbenden worden aangemerkt. Daarbij zij bedacht dat de potentiële kring van belanghebbenden bij toepassing van de
Scheipar-maatstaf niet beperkt is tot die van voornoemde partijen.
Scheipar-maatstaf en is niet ontoereikend gemotiveerd.
PI 51) voert aan dat indien de OK op basis van het bevel, dat inhoudt dat daarmee een groot “openbaar belang” [181] wordt gediend, heeft geoordeeld dat EZ kon opkomen voor een algemeen belang (zoals de Nederlandse en Europese economische veiligheid), dat oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. Volgens de klacht miskent de OK in dat geval dat het openbaar ministerie de wettelijke taak heeft om het algemeen belang te vertegenwoordigen in een enquêteprocedure. De klacht wijst erop dat de taak om het algemeen belang binnen het rechtspersonenrecht te beschermen exclusief is toebedeeld aan het openbaar ministerie (art. 124 RO Pro) en dat deze taak krachtens art. 2:345 lid Pro 2, 2:349a en 2:355 lid 1 BW berust bij de advocaat-generaal bij het ressortsparket. Anderen dan de A-G bij het ressortsparket mogen volgens de klacht in enquêteprocedures niet optreden in het algemeen belang en EZ mocht dus op grond van een door haar behartigd algemeen belang niet als belanghebbende worden toegelaten tot de enquêteprocedure. [182]
om redenen van openbaar belang(art. 2:345 lid 2 BW Pro). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze wettelijke clausulering van de bevoegdheid van de A-G bij het ressortsparket (“om redenen van openbaar belang”) is toegevoegd om te benadrukken dat deze bevoegdheid niet is gegeven “om zuiver particuliere belangen te dienen”. [184] Dit vormde een reactie op het rapport van de commissie-Verdam waarin een ruimere bevoegdheid voor de A-G bij het ressortsparket (toen nog geheten procureur-generaal bij het gerechtshof te Amsterdam) tot het doen van een enquêteverzoek werd voorgesteld, namelijk niet alleen “wanneer de openbare orde en het algemene belang een zodanig onderzoek eisen”, maar ook in gevallen waarin wordt opgetreden “op verzoek van personen, die niet zó nauw bij de gang van zaken in de onderneming zijn betrokken, dat hun een eigen bevoegdheid tot het uitlokken van een onderzoek kan worden toegekend”. [185] Het gevolg van de wettelijke clausulering is dat een betrokkene die zelf op de voet van art. 2:346 en Pro 2:347 BW geen toegang heeft tot het enquêterecht zich alleen dan (succesvol) tot de A-G bij het ressortsparket kan wenden als het openbaar belang in het geding is. [186]
Scheipar-maatstaf. Art. 124 RO Pro en art. 2:345 lid 2 BW Pro brengen geen beperking aan op de toepassing van deze maatstaf, in de zin, kort gezegd, dat slechts de A-G bij het ressortsparket hoeder van het algemeen belang in een enquêteprocedure kan zijn en andere onderdelen van de Staat of andere overheidsinstanties per definitie geen belanghebbende in de zin van de
Scheipar-maatstaf kunnen zijn. Aan art. 2:349a en 2:355 BW komt in dit verband geen betekenis toe. Deze bepalingen bevatten ook geen bevoegdheden die slechts zouden toekomen aan de A-G bij het ressortsparket als bedoeld in art. 2:345 lid 2 BW Pro. [187]
Scheipar-maatstaf, aan de hand van welke maatstaf de kring van belanghebbenden ruimer wordt getrokken dan de enquêtegerechtigden in art. 2:345 lid 2 en Pro 2:346-347 BW. [188] Dat de enquêtegerechtigden nauwkeurig in de wet zijn afgebakend en de belanghebbenden niet, laat zich mede verklaren doordat het indienen van een enquêteverzoek “een zeer bijzondere bevoegdheid [is], welke, indien verkeerd toegepast, voor de vennootschap uiterst nadelige gevolgen kan hebben”. [189] Een belanghebbende die niet enquêtegerechtigd is, heeft in een reeds geëntameerde enquêteprocedure de bevoegdheid om zijn of haar standpunt kenbaar te maken tijdens de mondelinge behandeling waarvoor belanghebbenden eveneens moeten worden opgeroepen (art. 279 Rv Pro) en bij verweerschrift (art. 282 lid 1 Rv Pro), welk verweerschrift overigens wel op de voet van art. 282 lid 4 Rv Pro een zelfstandig verzoek - ook wel tegenverzoek - kan bevatten, [190] waaronder in beginsel ook een verzoek tot het treffen van een onmiddellijke voorziening als bedoeld in art. 2:349a BW valt. [191] Een belanghebbende die zelf niet enquêtegerechtigd is, heeft deze procesrechtelijke bevoegdheden, die met waarborgen zijn omkleed, dus pas
nadat(al dan niet om redenen van openbaar belang) bevoegd een enquêteverzoek is ingediend. [192]
Scheipar-maatstaf [197] wel als tweede kring-belanghebbende [198] aangemerkt en kon dus worden ontvangen in het verzoek op de voet van art. 282 lid 4 Rv Pro in verbinding met art. 2:349a BW tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen. [199]
Scheipar-maatstaf, zoals in dit voorbeeld het geval was bij de toenmalige Inspectie voor de Gezondheidszorg en in de onderhavige zaak het geval is bij EZ. [203] Het behoeft geen betoog dat een dergelijke overheidsinstantie in beginsel - dus ook als belanghebbende in het enquêterecht - handelt ter uitvoering van haar publieke taak, in de terminologie van art. 2:345 lid 2 BW Pro: “om redenen van openbaar belang”. [204] Dát is echter niet het criterium om te bepalen of de desbetreffende overheidsinstantie is aan te merken als een belanghebbende in een enquêteprocedure. Dat moet immers worden bepaald aan de hand van de
Scheipar-maatstaf. Zie ook mijn bespreking van de eerste klacht in het subonderdeel, onder 4.55-4.62 hiervoor.
Fortis. [205] In deze enquêteprocedure is een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Fortis N.V. De Staat is in deze zaak juist toegelaten als belanghebbende in de eerste fase van de enquêteprocedure. [206] In de beschikking waaruit de klacht citeert, gaat het echter om een ander -
beperkter- belanghebbendebegrip, namelijk of de Staat als belanghebbende in de zin van art. 2:353 lid 2 BW Pro de bijlagen bij het onderzoekverslag, waarvoor de OK bij beschikking van 10 juni 2010 [207] had bepaald dat die niet voor een ieder ter inzage liggen maar slechts voor ‘belanghebbenden’, mag inzien. In de beschikking van 25 augustus 2010 oordeelde de OK dat de Staat (die aan de hand van de
Scheipar-maatstaf was toegelaten als belanghebbende als bedoeld in art. 279 lid 1 en Pro 282 lid 1 Rv)
nietals belanghebbende in deze engere zin kan worden aangemerkt. [208] De klacht beroept zich specifiek op de volgende overweging uit de beschikking van 25 augustus 2010: [209]
“vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het algemeen belang en het Nederlandse financiële systeem als geheel”geroepen voelde tot deze verwerving, is de Staat daarmee nog geen belanghebbende als bedoeld in het dictum van de beschikking van 16 juni 2010.”
Scheipar-maatstaf, geldt volgens mij evenzeer voor laatstgenoemd belanghebbendebegrip (dus als bedoeld in art. 279 lid 1 en Pro 282 lid 1 Rv) dat een dergelijk algemeen belang zonder meer niet voldoende zou zijn voor toelating als belanghebbende. Daarvoor moet immers worden voldaan aan de
Scheipar-maatstaf. Kortom, ook het beroep op de OK-beschikking inzake
Fortiskan [bestuurder/CEO] niet baten.
PI 52). Deze algemene rechtsklacht is uitgewerkt in twee subklachten (
PI 53-62), [213] die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.
PI 57wordt er terecht op gewezen dat bestuursrechtelijke maatregelen die gericht zijn op herstel slechts in beperkte mate preventief kunnen worden gebruikt. Zo volgt uit art. 5:7 Awb Pro dat een herstelsanctie kan worden opgelegd “zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt”. In
PI 58wordt er eveneens terecht op gewezen dat uit de stellingen van EZ blijkt dat een dergelijke situatie zich niet voordeed. Anders dan in
PI 56en
58wordt opgemerkt, heeft EZ wel meer gesteld dan dat “niet zeker” is dat het bevel zal worden nageleefd. Zo heeft EZ in haar verweerschrift opgemerkt dat “[z]onder ingrijpen van uw Ondernemingskamer de ontstane machtsstrijd tussen de bestuurder/aandeelhouder en andere bestuurder (zie in het bijzonder bijlagen 062 en 063 bij het verzoekschrift) [zal] oplaaien en
vermoedelijk[zal] leiden tot gevallen van niet-naleving van het Bevel (…)” [cursivering toegevoegd, A-G]. [222] Er was dus in dit geval in het publiekrecht (bestuursrecht en strafrecht) geen mogelijkheid een preventieve maatregel op te leggen ter bevordering van de naleving het bevel. Het privaatrecht (enquêterecht) werd, anders gezegd, gebruikt ter aanvulling op een in het publiekrecht ontbrekende regeling, zodat een leemte aldus werd opgevuld. [223] Of nog weer anders gezegd: met het publiekrechtrechtelijke instrumentarium (gericht op herstel) kon niet een vergelijkbaar resultaat worden bereikt als met het enquêterechtelijke instrumentarium (preventie). [224] Van een (onaanvaardbare) doorkruising van het publiekrecht was aldus geen sprake.
PI 56 en 58) tot uitgangspunt neemt dat het optreden van EZ als belanghebbende in de enquêteprocedure
enkelis gericht op het bevorderen van de naleving van het bevel. Onder 4.58-4.59 hiervoor kwam al aan de orde dat het optreden van EZ als belanghebbende
medeis ingegeven door het bevel en dat EZ ook los van het bevel zo nauw is betrokken bij een van de onderwerpen die in de enquêteprocedure worden behandeld (de afspraken met EZ over herziening van de governance van Nexperia) dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. Hierop stuit het beroep op de doorkruisingsrechtspraak ook reeds af. [225]
Windmill-uitspraak heeft de Hoge Raad die bevoegdheden van de overheid omschreven als: [226]
PI 53) ofwel “te verzoeken om toewijzing van de verzochte onmiddellijke voorzieningen” (
PI 62) een dergelijke privaatrechtelijke bevoegdheid betreft. Hiermee wordt miskend dat EZ
geenzelfstandig verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen (art. 282 lid 4 Rv Pro in verbinding met art. 2:349a BW) heeft gedaan. [227] Zij heeft aldus geen enquêterechtelijke (privaatrechtelijke) bevoegdheden gebruikt, maar slechts de procesrechtelijke bevoegdheden van een belanghebbende in een enquêteprocedure (zie ook
PI 52). Hierop loopt het beroep op de doorkruisingsrechtspraak ook spaak. [228]
PI 53wordt tot uitgangspunt genomen dat de OK op basis van het verweer van [bestuurder/CEO] en Yuching [229] althans ambtshalve had moeten onderzoeken en beoordelen of sprake was van een onaanvaardbare doorkruising van het publiekrechtelijke handhavingskader.
de factodoet. Zij bevriest in een keer, zonder grondslag, de volledige bedrijfsvoering en beperkt het bestuur op een zodanige wijze dat de onderneming in feite vleugellam is gemaakt. Dat is ongekend voor Nederland. Dit zou men enkel in dictatoriale regimes verwachten. Het druist in ieder geval in tegen de autonomie van ondernemingen en hun bestuur. Dit terwijl [bestuurder/CEO] heeft bewezen dat de strategie van Nexperia juist zeer goed is, reden waarom zij ook een belangrijke positie in de halfgeleidersbranche heeft vergaard.
103. Uit alles blijkt dat de nieuwe regelgeving uit de VS de werkelijke aanleiding is voor de handelwijze van Nexperia en de Nederlandse Staat. Louter externe en geopolitieke factoren dus, die niet aan [bestuurder/CEO] zijn te weten. Ook het Bevel van de Minister EZ is daarop gebaseerd. Dit Bevel - en daarmee de Wet beschikbaar goederen (“
Wbg”) - is er echter bij de haren bijgetrokken.
noodzaakvan een maatregel ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op
noodsituaties. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat sprake moet zijn van de “
voorbereiding op crises”, waaronder “
situaties van schaarste”. Daarbij is evenwel vereist dat het treffen van een maatregel
noodzakelijkis ter voorbereiding op zo een crisis, waarbij ook de beginselen van proportionaliteit en geschiktheid relevant zijn. Het is dus in beginsel mogelijk dat de Minister een maatregel treft voordat het risico rondom beschikbaarheid zich voordoet, maar dan moet wel überhaupt sprake zijn van een voldoende concreet en actueel risico op onbeschikbaarheid. Dat is niet het geval.
noodzakelijkzou zijn, is helemaal geen sprake.
timingvan het Bevel. Het bevel is genomen op 30 september 2025. Precies op de dag dat de
50%-rulein werking trad. Klaarblijkelijk bestond er hiervoor ook geen aanleiding om dergelijke vergaande maatregelen te treffen. Er waren ook nog gesprekken gaande over governance herzieningen. Op de dag dat de
50%-rulein werking trad, is echter plotseling (en pas voor het eerst) sprake van een dreiging op een crisis vanwege schaarste aan halfgeleiders en wordt op diezelfde dag een verstrekkend overheidsbevel uitgevaardigd.
front-enddiensten bevinden zich binnen Europa. Van een vermeende verplaatsing van productiecapaciteiten naar buiten de EU - zoals de Minister bloot stelt - kan dan ook geen sprake zijn. De Minister maakt dan ook oneigenlijk gebruik en zelfs misbruik van zijn bevoegdheid door het Bevel op te leggen voor een ander doel dan waarvoor het is toegestaan: namelijk het uitdrijven van de CEO.
geenbelang heeft bij deze procedure bij de OK. Als het Nexperia en de Minister inderdaad te doen is om de beschikbaarheid van de halfgeleiders van Nexperia, is dat doel nu al bereikt. Er is daar bovenop geen reden meer om [bestuurder/CEO] óók nog als bestuurder van Nexperia te schorsen omdat wordt gevreesd dat anders niet aan het Bevel zou worden [vol]daan. Dat is nergens op gebaseerd en is dus uit de lucht ge[grep]en.
ex parte-beschikking heeft beoordeeld of EZ kan worden toegelaten als belanghebbende. Voor zover de OK bij die beoordeling ambtshalve de doorkruisingsrechtspraak had moeten betrekken (waarom sprake zou zijn van een kwestie van openbaar belang wordt overigens niet verder onderbouwd met vindplaatsen), stuit dat ook af op hetgeen ik opmerkte onder 4.75-4.78 hiervoor.
PI 63).
Subonderdeel 3.1(
PI 64-74) bevat rechts- en motiveringsklachten over de wijze waarop de OK de rechtsregels over tegenstrijdig belang die zijn uiteengezet in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.17 toepast in rov. 3.18 van die beschikking.
Subonderdeel 3.2(
PI 75-89) is met rechts- en motiveringsklachten gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20, waarin de OK naar voorlopig oordeel het niet opvolgen van toezeggingen aan de Staat om de governance van Nexperia te wijzigen als gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia heeft aangemerkt; en bevat motiveringsklachten gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21, waarin de OK het voorlopige oordeel om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia heeft gegrond op overige omstandigheden.
naar het voorlopig oordeel van de OK gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. Het laatste gedeelte van dit vereiste, gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen, is ontleend aan het wettelijke criterium voor toewijzing van het enquêteverzoek (art. 2:350 lid 1 BW Pro). Het oordeel in de zin van art. 2:350 lid 1 BW Pro dat blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen, is een voorlopig oordeel. [232] In art. 2:349a lid 3, eerste zin BW is dus sprake van een voorlopig oordeel over een voorlopig oordeel. [233] De ratio hiervan is dat bij de beslissing over het treffen van onmiddellijke voorzieningen in geval nog geen onderzoek is gelast de toets van art. 2:350 lid 1 BW Pro niet geheel wordt losgelaten. [234] Een voorlopig oordeel over het criterium van art. 2:350 lid 1 BW Pro (dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken) werd vóór de invoering van art. 2:349a lid 3 BW per 1 januari 2013 [235] voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen voordat op het verzoek tot het instellen van het onderzoek was beslist, al vereist in de
DSM-uitspraak van de Hoge Raad uit 2007. [236] De codificatie van dit punt in art. 2:349a lid 3 BW betrof met andere woorden een “verduidelijking”. [237]
op basis waarvande OK tot het desbetreffende voorlopige oordeel kan komen in het geval de OK het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen behandelt voordat het enquêteverzoek inhoudelijk wordt behandeld (en er in dat stadium dus nog niet wordt getoetst aan art. 2:350 lid 1 BW Pro). [238] Hierop is niet een glashelder antwoord gegeven. [239] Uit de
DSM-uitspraak blijkt dat deze voorlopige beoordeling “aan de hand van een beperkt partijdebat” plaatsvindt. [240] Om meer licht op deze vraag te werpen, ga ik nader in op de beoordeling of sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken in de zin van art. 2:350 lid 1 BW Pro. Nog altijd lezenswaardig is wat A-G Van Soest hierover ruim vijftig jaar geleden heeft geschreven, in zijn conclusie voor de
HVA-uitspraak van de Hoge Raad: [241]
hoede OK de voor dat voorlopige oordeel relevante feiten en omstandigheden uit die beschikbare gegevens moet afleiden, of specifieker: in hoeverre de OK daarbij gebonden is aan de wettelijke bewijsregels van art. 149 e.v. Rv (afdeling 9 Titel 2 Rv). In de literatuur wordt aangenomen dat de OK in de eerste fase van de enquêteprocedure, waaronder bij de behandeling van een verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen, gelet op het spoedeisende karakter, niet hoeft in te gaan op een aanbod tot leveren van (tegen)bewijs, een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor of een inzageverzoek ex art. 194 e.v. Rv. [247] Art. 284 lid 1 Rv Pro, op grond waarvan afdeling 9 Titel 2 Rv van overeenkomstige toepassing is op verzoekschriftprocedures (zoals de enquêteprocedure)
tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet, biedt hiervoor ruimte. Voor de tweede fase van de enquêteprocedure heeft de Hoge Raad al eens beslist dat de aard van de zaak meebrengt dat een uitzondering moet worden gemaakt op de hoofdregel van art. 284 lid 1 Rv Pro. [248]
voldoende aannemelijkzijn geworden op grond van hetgeen
beide partijennaar voren hebben gebracht en met bewijsmateriaal onderbouwd. De vraag onder welke omstandigheden sprake is van voldoende aannemelijkheid kan niet in algemene zin worden beantwoord. Dat hangt af van een waardering van de stellingen en verweren van de partijen en de overtuigingskracht van het reeds overgelegde bewijsmateriaal. De kortgedingrechter is vrij in de beoordeling hiervan. (…).”
voorlopigeoordeel stoelt dat sprake is van gegronde redenen om te
twijfelenaan een juist beleid of juiste gang van zaken, niet overeenkomstig de voorschriften van afdeling 9 Titel 2 Rv hoeven te zijn komen vast te staan. [250] Dat zou immers betekenen dat feiten die door verzoeker zijn gesteld en door verweerder of een belanghebbende voldoende zijn betwist, pas als vaststaand kunnen worden beschouwd als die door verzoeker zijn bewezen in de zin van afdeling 9 Titel 2 Rv. En voor een dergelijke bewijslevering leent de enquêteprocedure zich, mede gelet op het spoedeisende karakter (art. 2:349a lid 1 BW), niet. Of de twijfel aan een juist beleid of juiste gang van zaken gegrond is, zal (als het zover komt) het onderzoek (de enquête) moeten uitwijzen. Daarom geldt evenals in kort geding dat de feiten die relevant zijn voor het voorlopige oordeel dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken
voldoende aannemelijkmoeten zijn geworden op grond van hetgeen partijen én belanghebbenden naar voren hebben gebracht en met bewijsmateriaal hebben onderbouwd.
PI 64) en bevat vier klachten, vervat in drie sub(sub)onderdelen: 3.1.1 t/m 3.1.3. Ik loop deze hierna langs, uitgaande van die klachten.
PI 65-67) [252] richt het subonderdeel een rechtsklacht tegen rov. 3.18 (subonderdeel 3.1.1). De klacht houdt in dat de OK in rov. 3.18 de in rov. 3.17 beschreven rechtsregels met betrekking tot tegenstrijdig belang ten onrechte niet heeft toegepast. Volgens de klacht vergen deze regels een beoordeling van het gedrag van de geconflicteerde bestuurder ( [bestuurder/CEO] ) en ontbreekt die beoordeling, waardoor een essentiële schakel in de redenering van de OK ontbreekt. Ten aanzien van de wettelijke onthoudingsregel (art. 2:239 lid 6 BW Pro) geldt dat uit rov. 3.18 niet blijkt of beraadslaging en besluitvorming heeft plaatsgevonden. [253] Ten aanzien van de zogenoemde
Linders/Hofstee-regels [254] geldt dat de OK niet heeft beoordeeld of [bestuurder/CEO] de verschillende belangen voldoende gescheiden heeft gehouden, of [bestuurder/CEO] ten aanzien daarvan voldoende openheid heeft betracht, en/of of de inschakeling van een deskundige in de gegeven omstandigheid was aangewezen.
Linders/Hofstee-regels heeft gedragen. [256] Het ontbreken van een essentiële schakel in de redenering van de OK doet zich dus in werkelijkheid niet voor. De klacht faalt daarmee bij gebrek aan feitelijke grondslag.
eerste route(
PI 69) is dat het oordeel van de OK in rov. 3.18 onvoldoende is gemotiveerd, omdat de OK niet kenbaar heeft beoordeeld hoe [bestuurder/CEO] heeft gehandeld in het kader van het aangenomen tegenstrijdig belang en hoe dit zich verhoudt tot de onthoudingsregel (art. 2:239 lid 6 BW Pro) en/of de
Linders/Hofstee-regels. [258] De klacht verwijst naar de overweging van de OK in rov. 3.18 dat [bestuurder/CEO] erop zou hebben aangedrongen en zou hebben gewild dat bepaalde aantallen
wafersbesteld zouden worden en voert vervolgens aan dat de OK niet toelicht waaruit zou blijken hoe [bestuurder/CEO] op de bestellingen heeft aangedrongen en/of dat [bestuurder/CEO] deze zou hebben gewild. Hier lijkt zich volgens de klacht, onder verwijzing naar onderdeel 1, te wreken dat de OK-beschikkingen in allerijl zijn gegeven en niet zijn gebaseerd op een voldragen partijdebat.
Linders/Hofstee-regels heeft gedragen bij het plaatsen van de grote aantallen
wafers. Dat [bestuurder/CEO] erop zou hebben aangedrongen en zou hebben gewild dat bepaalde (grote) aantallen
wafersbij WSS besteld zouden worden, heeft de OK voldoende aannemelijk geacht op grond van het verzoekschrift van Nexperia (met producties). [259] Dat de OK niet is gebleken dat bij het plaatsen van de orders de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht is genomen om te waarborgen dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden en zakelijk verantwoord is, berust eveneens op de (onvoldoende weersproken) stellingen van Nexperia. [260] Van een ontoereikend gemotiveerd of onbegrijpelijk oordeel is dan ook geen sprake. Overigens is de OK ook nadien, in de eerstefasebeschikking, niet gebleken dat de vereiste verhoogde zorgvuldigheid in verband met het tegenstrijdig belang van [bestuurder/CEO] in acht is genomen. [261] De klacht voert op zichzelf terecht nog aan dat het bestreden oordeel niet is gebaseerd op een “voldragen partijdebat”. Dat is echter inherent aan dit stadium van de enquêteprocedure waarin de (dubbel) voorlopige beoordeling, zoals de Hoge Raad het in de
DSM-uitspraak heeft uitgedrukt, plaatsvindt “aan de hand van een beperkt partijdebat” (zie onder 4.86.2 hiervoor). Voor zover de klacht in dit verband voortbouwt op onderdeel 1, dat dus faalt, deelt de klacht bovendien in dit lot. Op dit alles stuit de klacht af.
tweede route(
PI 70-71) is dat het oordeel in rov. 3.18 dat volgens medewerkers van Nexperia orders
for scrapwerden geplaatst, ontoereikend is gemotiveerd in het licht van volgens de klacht essentiële stellingen van “ [bestuurder/CEO] ”. [262] Volgens het subonderdeel volgt uit dit verweer dat geen sprake was van onzakelijke transacties, maar van transacties die dienstig waren aan het langetermijnplan van Nexperia en niet op onzakelijke voorwaarden waren aangegaan, waarbij vrees voor verspilling onterecht was. Het oordeel van de OK is zonder nadere motivering onbegrijpelijk, omdat daaruit niet blijkt dat dit verweer van “Yuching/ [bestuurder/CEO] ” in de beoordeling is betrokken, laat staan dat daarop gemotiveerd is beslist, wat gelet op de ernstige beperkingen in de aan “Yuching” geboden wederhoor juist wel had gemoeten (“zie ook subonderdeel 1.3”).
Nexperiavoldoende aannemelijk heeft geacht. [264] Aan dit een en ander doet begrijpelijkerwijs niet af dat volgens [bestuurder/CEO] in diens spreekaantekeningen, onder verwijzing naar een Amerikaanse nieuwssite, er wereldwijd een sterk groeiende vraag naar chips was (nr. 70), hij daarop inspeelde door de productie te vergroten (nr. 71), en er aan de orders een valide langetermijnstrategie en -visie ten grondslag lag (nr. 72).
derde route(
PI 72) is eveneens gericht tegen het oordeel in rov. 3.18 dat volgens medewerkers van Nexperia orders
for scrapwerden geplaatst. De klacht houdt in dat dit oordeel onbegrijpelijk is in het licht van de desbetreffende stellingen van Nexperia. [265] Volgens de klacht is dit terug te voeren op twee zinnen, in een anoniem bericht, van de strekking dat een deel van de
wafersmisschien niet gebruikt wordt als de vraag zodanig laag is dat de
wafersin een periode van negen jaar niet gebruikt worden, en kunnen deze twee zinnen de conclusies die de OK aan de ‘interne berichten’ verbindt niet dragen.
ookuit de onderstaande anonieme interne berichten tussen werknemers van Nexperia” [266] [onderstreping toegevoegd, A-G] volgt dat Nexperia dergelijke orders niet nodig heeft en er in feite zelfs
for scrapwordt geproduceerd. Niet relevant is in hoeverre uit de desbetreffende interne berichten kan worden afgeleid dat de orders in feite zelfs
for scrapwerden geproduceerd. Beslissend is immers het voorlopige oordeel dat Nexperia dergelijke grote orders niet nodig heeft, hetgeen niet alleen is gestoeld op de desbetreffende anonieme interne berichten, [267] en dat de OK niet is gebleken dat bij het plaatsen van de orders de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht is genomen om te waarborgen dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden en zakelijk verantwoord is (zie onder 4.90.3 hiervoor). Verder geldt dat de uitleg van de gedingstukken is voorbehouden aan de OK als feitenrechter, en dat het in het licht van het beperkte partijdebat in dit stadium van het geding niet onbegrijpelijk is dat de OK de desbetreffende stelling van Nexperia in nr. 94 van haar verzoekschrift voldoende aannemelijk heeft geacht.
PI 73) [268] richt het subonderdeel vanuit twee invalshoeken een motiveringsklacht tegen de slotzin van rov. 3.18, waarin de OK heeft overwogen dat bij dit alles moet worden bedacht dat de (tussen WSS en Nexperia B.V. gesloten) FSA op aandringen van [bestuurder/CEO] met ingang van 1 januari 2025 is gewijzigd in de zin dat bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet worden betaald (subonderdeel 3.1.3).
prepayment agreementdaarin te verwerken. Sindsdien bevat de FSA voorwaarden die materieel afwijken van de marktpraktijk. Dit geldt in het bijzonder voor de bepaling op grond waarvan Nexperia, kort gezegd, bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet betalen aan WSS.” [volgt een citaat van art. 6 waarin Pro de
prepayment agreementis geregeld, A-G]
deposit agreementmet voorfinanciering van WSS door Nexperia voor USD 10 miljoen). Deze randnummers zien derhalve op een ander punt en doen dus hoe dan ook niet af aan de begrijpelijkheid van het bestreden oordeel.
depositvan USD 10 miljoen voor WSS ook dat die in de eerste plaats het belang van WSS diende (“to keep them ‘healthy’”, “to support them”). [betrokkene 5] spreekt daarin ook van “fair legal concerns”, maar hij was desondanks - “Considering the business aspect for NEX in the case WSS struggles the 10 mio $ are peanuts” - “totally fine to sign the agreement”. [271] Die aanvullende
deposit agreementis uiteindelijk echter niet tot stand gekomen. [272]
Ten slotte(
PI 74) bevat het subonderdeel een motiveringsklacht, indien en voor zover de OK in de uitgewerkte beschikking het aangaan van de FSA (op 4 april 2023) als zodanig (mede) heeft aangemerkt als grond om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia (eveneens subonderdeel 3.1.3).
Subonderdeel 3.2 [273] is gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 waarin de OK kort gezegd het niet opvolgen van toezeggingen aan EZ om de governance van Nexperia te wijzigen (in het bijzonder ten aanzien van de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten) naar haar voorlopig oordeel heeft aangemerkt als gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Het subonderdeel klaagt dat deze overwegingen onjuist zijn, omdat wordt miskend hoe het vennootschappelijk belang van Nexperia dient te worden vastgesteld en/of dat het Nederlandse vennootschapsrecht uitgaat van vrijheid van inrichting, althans onvoldoende (begrijpelijk) zijn gemotiveerd. Deze algemene rechts- en motiveringsklacht (
PI 75) is uitgewerkt in drie sub(sub)onderdelen: 3.2.1 t/m 3.2.3. Het subonderdeel bevat ten slotte in sub(sub)onderdeel 3.2.4 een motiveringsklacht over overige door de OK bij het voorlopige oordeel betrokken omstandigheden in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21.
Subonderdeel 3.2.1 [274] (
PI 76-78) bevat rechtsklachten over het vennootschappelijk belang van Nexperia, die neerkomen op het volgende.
PI 76).
stakeholders, onder wie aandeelhouders zoals hier Yuching, in acht dienen te nemen (
PI 77).
PI 78).
PI 76gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden oordeel. De uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 bevatten immers geen enkele aanwijzing voor de lezing dat de OK aldaar niet het vennootschapsbelang van Nexperia (dus: het belang van Nexperia en de met haar verbonden onderneming), maar het algemeen belang centraal heeft gesteld of dat algemeen belang van (doorslaggevende) betekenis heeft geacht voor de bepaling van het vennootschapsbelang van Nexperia. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 schrijft de OK bij herhaling “Nexperia en haar onderneming”, en in rov. 3.20 verder ook uitdrukkelijk “in het belang van Nexperia en haar onderneming” en “evident in het belang van Nexperia”. Dit strookt met wat ik schreef onder 4.106.1 hiervoor. Het door de klacht bedoelde algemeen belang komt in die overwegingen niet voor. De klacht ontbeert dus feitelijke grondslag in de uitgewerkte beschikking en loopt reeds daarop vast. [276]
PI 76wordt op zichzelf terecht aangevoerd dat, wat betreft de inhoud van het vennootschapsbelang van Nexperia (als vennootschap waaraan een onderneming is verbonden), dit belang het bevorderen van het bestendige succes van de met Nexperia verbonden onderneming “is” (of beter gezegd: daardoor in de regel vooral wordt bepaald). [277] Zie ook onder 4.106.1 hiervoor.
50%-rulewaarvan duidelijk was dat die een grote negatieve impact op Nexperia en haar onderneming zou kunnen hebben. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 heeft de OK tegen deze achtergrond onder meer geoordeeld dat (behoudens het terugtreden van de zuster van [bestuurder/CEO] als bestuurder) geen stappen zijn gezet om in het belang van Nexperia en haar onderneming tot aanpassing van de governance te komen. Het voorlopige oordeel van de OK dat sprake is van twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia omdat onvoldoende opvolging is gegeven aan de met EZ afgestemde governancewijzigingen, laat zich aldus in de sleutel van het vennootschapsbelang verstaan dat de OK het op basis van de haar op het moment van de uitgewerkte beschikking ter beschikking staande gegevens voldoende aannemelijk heeft geacht dat met het gebrek aan voortvarendheid van Nexperia op dit punt het bestendige succes van de met Nexperia verbonden onderneming niet werd bevorderd. Dat sterk feitelijke oordeel is niet onjuist (en behoefde in dit stadium van het geding ook geen nadere motivering). Op zichzelf is denkbaar dat aan het talmen met de governancewijzigingen wel een andere afweging van het bestuur van Nexperia in het vennootschapsbelang ten grondslag heeft gelegen, maar dat is vooralsnog niet gebleken. [278]
PI 77wil, niet dat de OK aldus oordelend in de uitgewerkte beschikking, rov. (3.19 en) 3.20 een te beperkte opvatting van het vennootschapsbelang van Nexperia huldigt. In
PI 77wordt op zichzelf terecht aangevoerd: [279]
PI 78wil, evenmin dat het vennootschapsbelang van Nexperia ook wordt bepaald door belangen als de bestuurbaarheid van de [A] -groep als geheel, waarvan Nexperia onderdeel vormt, en het (voor de [A] -groep) voorkomen van (potentiële) sancties van de CSRC. Het gaat hier in wezen [284] om het belang van de [A] -groep, welk concernbelang uiteraard wel relevant is voor Nexperia, als onderdeel van de belangen van al degenen die bij Nexperia en haar onderneming zijn betrokken, maar niet een onderdeel is van het eigen vennootschapsbelang van Nexperia: het belang van Nexperia en de met haar verbonden onderneming. Anders gezegd: het gaat hier om verwante, maar te onderscheiden belangensferen. [285] Hieraan ziet de OK niet voorbij in het bestreden oordeel. Ook hier geldt dus: de in de klacht bedoelde miskenning door de OK doet zich in werkelijkheid niet voor.
Subonderdeel 3.2.2 [286] vervolgt in
PI 79-82met een rechtsklacht over de vrijheid van inrichting. Volgens de klacht komt het oordeel van de OK er in essentie op neer dat Nexperia een (niet verplichte) raad van commissarissen met vergaande goedkeuringsbevoegdheden had moeten invoeren om het hoofd te bieden aan de negatieve gevolgen van de perceptie van de invloed van haar Chinese aandeelhouder en de dreigende handelsbeperkingen met de mogelijke invoering van de
50%-rule. De klacht is dat de OK daarmee ten onrechte in de beleidsvrijheid van het bestuur van Nexperia is getreden en dat zij ten onrechte de strategische beleidsbeslissingen van Nexperia “vol” - op de merites van de beslissingen - heeft getoetst (
PI 81). Het voorgaande wordt niet anders door de toezegging van Nexperia de governance te wijzigen. De klacht wijst erop dat gesprekken met EZ vrijblijvend waren en op initiatief van Nexperia werden gevoerd [287] en dat het Nexperia vrijstond ervoor te kiezen bepaalde governancewijzigingen niet (direct) door te voeren, ook als deze zouden zijn toegezegd, wat volgens de klacht niet geval is (“zie ook randnummer 83 hierna”). [288] Volgens de klacht weegt de vrijheid van inrichting zwaar en kan die niet zomaar worden ingeperkt of gedicteerd door een toezegging van de vennootschap aan een derde, laat staan door een door EZ gewenste aanpassing in het licht van geopolitieke spanningen (
PI 82).
governanceaan te passen overeenkomstig de wensen van EZ. Dat betekent ook dat het enkele feit dat Nexperia is teruggekomen van eerdere toezeggingen aan EZ om haar
governanceanders in te richten, op zichzelf geen gegronde reden oplevert voor twijfel aan een juist beleid of een juiste gang van zaken. Verder stelt de Ondernemingskamer voorop dat de vrijheid van ondernemerschap mede inhoudt de vrijheid van het bestuur om de strategie van de vennootschap vast te stellen of te wijzigen. Bij de beoordeling van de door het bestuur bepaalde strategie stelt de Ondernemingskamer zich terughoudend op. Zij treedt in beginsel niet in de merites van die beslissing zolang daaraan een gedegen en collegiaal besluitvormingsproces ten grondslag ligt met een behoorlijke afweging van de voor- en nadelen en alle in aanmerking komende belangen en risico’s.”
had moeten invoeren, maar, kort en goed, dat de wijze waarop het traject met EZ is verlopen (“Tegen deze achtergrond roept het gebrek aan voortvarendheid waarmee Nexperia uitvoering heeft gegeven aan de met EZK afgestemde governance wijzigingen de nodige vragen op”) naar haar voorlopig oordeel een gegronde reden oplevert om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. [289] De klacht ontbeert dus feitelijke grondslag.
tweedegrond (kort gezegd: de governance) om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia en de
eerstegrond om daaraan te twijfelen (kort gezegd: het tegenstrijdig belang) dat voorlopige oordeel zelfstandig kan dragen.
PI 83(“zie ook randnummer 83 hierna”), die faalt, deelt de klacht in dit lot.
compliantzou vinden.
50%-rulegepubliceerd zou worden, hetgeen op 30 september 2025 is gebeurd, waarna op 1 oktober 2025 het enquêteverzoek is ingediend.
PI 84) is dat het in het licht van deze stellingen onbegrijpelijk is dat de OK heeft geoordeeld dat Nexperia met een gebrek aan voortvarendheid uitvoering heeft gegeven aan de met EZ afgestemde governancewijzigingen en dat de OK niet heeft kunnen vaststellen dat behoudens het terugtreden van de zus van [bestuurder/CEO] als bestuurder enige maatregel is getroffen om de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan.
PI 85) dat het bestreden oordeel verder onbegrijpelijk is, omdat juist geen sprake was van afgestemde governancewijzingen ten aanzien van het openstaande punt van de invoering van de raad van commissarissen met specifieke goedkeuringsrechten (“[z]ie nr. 83”) en niet valt in te zien hoe de implementatie van dergelijke governancewijzigingen de dreigende handelsbeperkingen met de mogelijke invoering van de
50%-rulehad kunnen tegengaan.
PI 84stuit af op het volgende.
PI 83bedoelde stellingen is het voorlopige oordeel van de OK dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia in verband met een gebrek aan voortvarendheid bij Nexperia met betrekking tot de governancewijzigingen. Dat dat gebrek aan voortvarendheid voldoende aannemelijk is geworden, is door de OK in het bestreden oordeel toereikend gemotiveerd. Dit gebrek aan voortvarendheid vindt overigens ook bevestiging in de eerstefasebeschikking. [292]
PI 83bedoelde stellingen is de slotzin van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20:
unequivocalmeasures to be
developed, adopted and implementedby Nexperia” vereist.
governancemaatregelen. Ofwel: de OK heeft niet kunnen vaststellen dat behoudens het terugtreden van de zuster van [bestuurder/CEO] enige
governancemaatregel is getroffen.
PI 85boekt evenmin succes. Wat het punt van het gebrek aan voortvarendheid met betrekking tot de invoering van een raad van commissarissen
met specifieke goedkeuringsrechtenbetreft, geldt het volgende.
reserved matters) van de in te stellen raad van commissarissen. Uit de door de OK vastgestelde feiten blijkt ook dat de OK heeft onderkend dat en waarom Nexperia moeite had met dit aspect van de invoering van een raad van commissarissen (zie onder 2.15 en 2.18 hiervoor). Aan de begrijpelijkheid van het oordeel van de OK over een gebrek aan voortvarendheid met betrekking tot de governancewijziging doet dat echter niet af. Dit voorlopige oordeel van de OK vindt inmiddels ook bevestiging in de eerstefasebeschikking. [296] Bovendien ziet dit oordeel van de OK niet uitsluitend op de invoering van de raad van commissarissen, maar heeft de OK in bredere zin geoordeeld dat sprake was van een gebrek aan voortvarendheid met betrekking tot de governancewijzigingen.
PI 85wordt verder nog betoogd dat niet valt in te zien hoe de implementatie van dergelijke governancewijzigingen de dreigende handelsbeperkingen met de mogelijke invoering van de
50%-rulehad kunnen tegengaan. Deze klacht berust op het uitgangspunt dat de
50%-ruleniet ziet op zeggenschap of toezicht, maar uitsluitend op indirecte eigendom waardoor de toekomstige, nadelige gevolgen van de
50%-ruleniet konden worden tegengegaan met wijzigingen in de governance.
kans te minimaliserendat Nexperia door de
50%-rulezou worden geraakt” en dat met deze maatregelen aan BZ en/of EZ “
een argument kon worden verschaftjegens de autoriteiten in de Verenigde Staten om de
50%-ruleniet ook op Nexperia van toepassing te verklaren”. [onderstreping toegevoegd, A-G] In het kader van de mogelijke effectiviteit van de maatregelen in verband met de
50%-ruleis bovendien van belang dat de OK heeft onderkend dat de maatregelen niet beperkt waren tot de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten, maar dat het in bredere zin ging om maatregelen die erop waren gericht, zoals de OK in rov. 3.20 heeft overwogen, “de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan”. Die maatregelen konden dus wel degelijk relevant zijn in verband met de invoering van de
50%-rule. Dit een en ander moet dus worden gelezen in het licht van hetgeen ik samenvatte onder 4.106.4 hiervoor.
PI 83geldt dat de OK kennelijk en niet onbegrijpelijk de standpunten van Nexperia en EZ ter zake voldoende aannemelijk heeft geacht. Met betrekking tot de stelling dat uit de gesprekken met EZ niet bleek dat sprake was van urgentie of haast bij de Staat ten aanzien van de noodzaak van een raad van commissarissen met bijzondere goedkeuringsrechten, wijs ik ter illustratie op de spreekaantekeningen van EZ, nrs. 5, 7:
Subonderdeel 3.2.4 [297] richt zich met drie klachten tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 (vanaf “Een paar dagen later”, etc.). Ik loop de klachten hierna langs.
In de eerste plaatsklaagt het subonderdeel (
PI 87) dat het in
PI 86weergegeven oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 over het ontslag van [verweerder 4] en twee sleutelfunctionarissen uit het EMT onvoldoende is gemotiveerd, omdat [bestuurder/CEO] als verweer tegen dit verwijt van Nexperia heeft gesteld dat het ontslag van de drie functionarissen was ingegeven door legitieme, zakelijke redenen: de tegenwerking van de managers bij het realiseren van de strategische doelstellingen van Nexperia. [298] Een dergelijke keuze bevreemdt niet, in het licht van de plaatsing van [A] op de
U.S. Entity Listen de mogelijke toepassing van de
50%-rule, omdat het juist dan van belang is dat het hogere senior management op één lijn zit, wat niet het geval was (achteraf is gebleken dat deze managers klaarblijkelijk hebben samengewerkt met EZ om [bestuurder/CEO] en Yuching buitenspel te zetten). De OK heeft dit niet (kenbaar) in de beoordeling betrokken en daarop in ieder geval niet gemotiveerd gerespondeerd. Daarbij is onbegrijpelijk dat de OK [bestuurder/CEO] tegenwerpt dat geen ruggenspraak of overleg plaatsvond over het ontslag van de drie managers, terwijl over het bevel en de daarmee gecoördineerde indiening van het verzoekschrift evenmin overleg plaatsvond met Yuching en [bestuurder/CEO] (sterker nog: dat is bewust al die tijd verzwegen).
50%-ruleop Nexperia met de consequenties van dien. [301] Voornoemde redenen, wat daarvan verder zij, laten die door de OK betrokken omstandigheden onverlet. Bij deze stand van zaken behoefde de OK niet nog weer nader te responderen op het desbetreffende verweer van [bestuurder/CEO] (dat de OK dit verweer van [bestuurder/CEO] is ontgaan, blijkt nergens uit).
In de tweede plaatsklaagt het subonderdeel (
PI 88) dat het in
PI 86weergegeven oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 dat de OR niet tijdig was geïnformeerd en in strijd met art. 30 WOR Pro niet om advies was gevraagd, zonder nadere motivering onvoldoende is om te kunnen concluderen dat (naar voorlopig oordeel) sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Voorts/althans is deze omstandigheid onvoldoende voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen.
In de derde plaatsklaagt het subonderdeel (
PI 89), voortbouwend op de vorige klacht, dat “dat” evenmin geldt voor het (niet in
PI 86weergegeven) oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 dat de betalingsbevoegdheden van de CFO en twee andere financiële sleutelfunctionarissen werden ingetrokken en een bankvolmacht werd verleend aan personen zonder financiële ervaring. Zelfs indien dit naar het oordeel van de OK zou grenzen aan roekeloosheid, betreft het een
eenmaligehandeling die als zodanig niet (zelfstandig, zonder meer) grond geeft te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken. Voorts/althans is deze omstandigheid onvoldoende voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen.
PI 90) is dat dit oordeel onjuist is, omdat het de juiste maatstaf miskend dan wel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd in het licht van essentiële stellingen van [bestuurder/CEO] (en Yuching). Het onderdeel is uitgewerkt in drie subonderdelen.
Subonderdeel 4.1 [307] (
PI 91-96) bevat een rechtsklacht die niet is beperkt tot de onmiddellijke voorzieningen die [bestuurder/CEO] betreffen, maar geldt voor (het samenstel van) alle getroffen onmiddellijke voorzieningen (
PI 91). De klacht (
PI 93) is dat het bestreden oordeel (weergegeven in
PI 91-92) blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting en is uitgewerkt langs twee routes.
eerste plaats(
PI 94) wordt aangevoerd dat de OK heeft miskend dat op grond van art. 2:349a lid 2 BW een
noodzaakvoor het treffen van onmiddellijke voorziening moet bestaan. De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23 slechts geoordeeld dat de toestand van Nexperia “het nodig maakt” de desbetreffende onmiddellijke voorzieningen te treffen, wat volgens de klacht een wezenlijk ander criterium is.
tweede plaats(
PI 95-96) wordt betoogd dat de OK, hoewel zij in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 lijkt te onderkennen dat onmiddellijke voorzieningen dienen te voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit, niet heeft onderzocht of de voorzieningen niet verder ingrijpen dan noodzakelijk en of hetzelfde doel niet met minder ingrijpende voorzieningen kan worden bereikt. De OK herhaalt slechts de redenen die ten grondslag zijn gelegd aan de onmiddellijke voorzieningen zelf en tracht daarmee de zwaarte van de maatregelen te rechtvaardigen met de zwaarte van de voorlopig aangenomen gegronde redenen. Dat zegt volgens de klacht niets over proportionaliteit en subsidiariteit. [308]
noodzakelijkmaakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen”. [onderstreping toegevoegd, A-G] In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23 e.v., onder het opschrift “Onmiddellijke voorzieningen”, heeft de OK dit oordeel nader uitgewerkt. Die uitwerking begint in rov. 3.23, eerste zin met het bestreden oordeel dat “de toestand van Nexperia, zoals die blijkt uit het voorgaande het
nodigmaakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen”. [onderstreping toegevoegd, A-G] Deze beide overwegingen kunnen redelijkerwijs niet anders worden verstaan dan als een parafrasering van het wettelijke criterium van art. 2:349a lid 2 BW dat “een onmiddellijke voorziening
vereistis in verband met de toestand van de rechtspersoon”. [onderstreping toegevoegd, A-G] Daar komt nog bij dat “noodzakelijk” niet een (wezenlijk) andere taalkundige betekenis heeft dan “nodig” of “vereist”. [309] Het voorgaande vindt bovendien nog een keer bevestiging in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24, waarin de OK heeft overwogen dat de schorsing van [bestuurder/CEO] en het onder beheer plaatsen van alle aandelen van Yuching minus één “
noodzakelijk, en proportioneel met het oog op het belang van de vennootschap, haar onderneming en de daarbij betrokkenen” is. [310] [onderstreping toegevoegd, A-G] De OK heeft dus de juiste maatstaf toegepast. Hierop loopt de eerste route spaak.
het aandeel vanzowel [bestuurder/CEO] als bestuurder (“illustreert zijn handelwijze ten aanzien van”, etc.) als Yuching als aandeelhouder (“Het bezwaar (…) treft zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder als Yuching als aandeelhouder”) in de door de OK in de daaraan voorafgaande overwegingen (rov. 3.16 e.v.) besproken gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, noodzakelijk en proportioneel worden geacht. Dat is dus niet slechts een herhaling van de gegronde redenen of een rechtvaardiging van de zwaarte van de getroffen voorzieningen met de zwaarte van de gegronde redenen. Hierop loopt ook de tweede route vast.
Subonderdeel 4.2 [311] klaagt dat voor zover het bestreden oordeel geen blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting, het onbegrijpelijk is geformuleerd omdat de OK niet (kenbaar) heeft onderzocht of de te treffen voorzieningen voldoen aan de vereisten van proportionaliteit en subsidiariteit (
PI 97). Het subonderdeel doet daartoe een beroep op de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nrs. 120, 126 (
PI 98-99) en het verweerschrift van Yuching, nr. 226 (
PI 100). Volgens de klacht (
PI 101) heeft de OK niet onderzocht of de schorsing van [bestuurder/CEO] noodzakelijk was gelet op de toestand van Nexperia en of er minder vergaande voorzieningen getroffen konden worden. De OK (nog steeds volgens
PI 101) heeft, ondanks de daartoe gedane suggesties van [bestuurder/CEO] en Yuching, niet kenbaar de door hen aangedragen minder vergaande alternatieven onderzocht en daarmee is het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
wafersbij WSS een tegenstrijdig belang en is niet gebleken dat de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig in acht werd genomen (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 en 3.24). En in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 merkt de OK de handelwijze van [bestuurder/CEO] met betrekking tot de betalingsbevoegdheden van Nexperia zelfs aan als grenzend aan roekeloosheid voor een onderneming van de orde van grootte van Nexperia. Dat duidt dus bepaald niet op een behoorlijk financieel beleid of ondernemingsbeleid. Onder 4.130.2 hiervoor merkte ik al op dat de OK het aandeel van [bestuurder/CEO] en Yuching in de gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia heeft betrokken in het oordeel over proportionaliteit en subsidiariteit in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24. Hierop loopt het beroep op de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nr. 120 (
PI 98) spaak.
PI 99naar wordt verwezen: [verweerder 4] (en het EMT) kunnen, in de woorden van Eikelboom, “de dagelijkse gang van zaken [blijven] runnen”. [314] Uit die rov. 3.24 blijkt ook afdoende waarom de OK van oordeel was dat [bestuurder/CEO] niet (ook) als bestuurder kon aanblijven: “Wat [bestuurder/CEO] als bestuurder betreft, illustreert zijn handelwijze ten aanzien van onderwerpen waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft, dat hij zich niet uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming, maar mogelijk zijn belangen in WSS de doorslag heeft doen geven ten koste van die van Nexperia”. Ik merkte onder 4.133.3 hiervoor ook al op dat uit het oordeel van de OK blijkt dat het tussen [bestuurder/CEO] en [verweerder 4] , die samen het bestuur van Nexperia vormden en waarvan het blijkens die rov. 3.25 in het belang van Nexperia werd geacht dat [verweerder 4] aanbleef, niet meer boterde. In de overweging in die rov. 3.24 dat op zitting uitvoerig met partijen is besproken of minder vergaande voorzieningen mogelijk waren, welke vraag door de OK ontkennend is beantwoord, ligt ook besloten dat de OK daarbij mede het oog had op de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nr. 126. Die zijn immers, zoals ook blijkt uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 (p. 6) en de uitgewerkte beschikking, rov. 1.5, voorgedragen. Het beroep op de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nr. 126 (
PI 99) slaagt daarmee evenmin.
de factoeen ‘enkelvoudig machtscentrum’ creëert dat noodzakelijk noch proportioneel is en dat Yuching uitdrukkelijk op een even effectieve, minder vergaande ingreep heeft gewezen: “een tijdelijk, onafhankelijk toezichthouder of board observer zonder beslissende stem of zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid, met een strikt afgebakende opdracht en looptijd, gericht op monitoring van compliance met het Bevel en op signalering van eventuele tegenstrijdige belangen”. Dit wordt een herhaling van zetten. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 blijkt afdoende dat de OK ook dit betoog van Yuching heeft beoordeeld en verworpen. Een dergelijke toezichthouder met beperkte bevoegdheden of
board observerzou immers niet effectief kunnen optreden tegen de handelwijze van [bestuurder/CEO] ten aanzien van onderwerpen waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft en zich niet uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming, en mogelijk zijn belangen in WSS de doorslag heeft doen geven ten koste van die van Nexperia. Dat de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen
de factoeen enkelvoudig machtscentrum zouden creëren, valt ook niet in te zien. Eerder het tegendeel is het geval, namelijk dat de OK het enkelvoudige machtscentrum van [bestuurder/CEO] als bestuurder en indirect controlerend aandeelhouder van Nexperia heeft doorbroken met zijn schorsing en de benoeming van een OK-bestuurder en daarnaast de benoeming van een OK-beheerder van Yuchings aandelen minus één. Ook binnen het bestuur verdient het creëren van een enkelvoudig machtscentrum door de benoeming van een tijdelijke bestuurder met beslissende stem en zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid overigens relativering, nu als gezegd [verweerder 4] als bestuurder is aangebleven. Het beroep op het verweerschrift van Yuching, nr. 226 (
PI 100) kan [bestuurder/CEO] hier dus ook niet baten.
PI 101.
PI 102) dat indien naar het oordeel van de OK een minder ingrijpende maatregel niet effectief zou zijn, geldt dat de noodzaak van de zwaardere maatregel, en de met het oog op de gevolgen ervan gemaakte billijke afweging, voldoende uit de uitspraak moet blijken. Volgens het subonderdeel zijn de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23-3.24 onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, omdat die in het geheel geen blijk geven van de vereiste belangenafweging. Volgens het subonderdeel valt uit de uitgewerkte beschikking evenmin af te leiden waarom de toestand van Nexperia een onverwijlde schorsing van [bestuurder/CEO] noodzakelijk maakte (
PI 104).
Entity Listwerd geplaatst en in het zicht van de
50%-ruletreft zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder als Yuching als aandeelhouder. Tegen deze achtergrond acht de Ondernemingskamer een schorsing van [bestuurder/CEO] en het onder beheer plaatsen van alle aandelen minus één aandeel noodzakelijk, en proportioneel met het oog op het belang van de vennootschap, haar onderneming en de daarbij betrokkenen.”
PI 102-104. Kort en goed: de daarin bedoelde miskenning door althans onvoldoende (begrijpelijke) motivering van de OK doet zich in werkelijkheid niet voor
PI 105-106 [318] met een motiveringsklacht gericht tegen het oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 dat bij de keuze om [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia te schorsen meeweegt dat geen uitvoering is gegeven aan eerdere toezeggingen betreffende de wijziging van de governance nadat [A] op de
U.S. Entity Listwerd geplaatst in het zicht van de
50%-rule, welk bezwaar zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder als Yuching als aandeelhouder treft. De klacht is dat dit oordeel onbegrijpelijk is, omdat [bestuurder/CEO] de invoering van een raad van commissarissen met specifieke goedkeuringsrechten simpelweg niet kon doorvoeren. Dit is volgens het subonderdeel een bevoegdheid van de algemene vergadering (art. 2:231 lid 1 BW Pro in verbinding met art. 2:250 lid 1 BW Pro). Uit het bestreden oordeel volgt niet (begrijpelijk) waarom dit bezwaar ook [bestuurder/CEO] als bestuurder treft.
ex parte-beschikking opgelegde en in de kop-staart-beschikking gehandhaafde verbod aan verzoeksters, verweersters, belanghebbenden en alle overige (rechts)personen die kennis hebben of op enig moment zullen krijgen van deze procedure om aan derden mededelingen te doen omtrent de procedure, om de redenen vermeld in de
ex parte-beschikking, rov. 2.2 en zoals is herhaald in de opheffingsbeschikking II, rov. 2.1. Dit een en ander zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting althans ontoereikend zijn gemotiveerd (
PI 107). Dit werkt het onderdeel uit langs drie routes.
opleggenvan een verbod ex art. 28 Rv Pro geldt ook geen rechtsmiddelenverbod (vergelijk met betrekking tot het
opheffenvan een verbod ex art. 28 Rv Pro onder 4.4 hiervoor). Bovendien klaagt [bestuurder/CEO] dat de OK bij het opgelegde verbod in verschillende opzichten buiten de grenzen van art. 28 Rv Pro is getreden. Dat [bestuurder/CEO] ter zitting bij de OK op 6 oktober 2025 geen verweer heeft gevoerd tegen de reikwijdte van het desbetreffende verbod maakt het voorgaande ook niet anders. Het verbod was immers al opgelegd in de
ex parte-beschikking en op of voor 6 oktober 2025 was er ook nog geen nieuwsbericht van een entiteit van de [A] -groep gepubliceerd (zie ook de opheffingsbeschikking II, rov 1.3). Het bericht dat door [A] in China zou zijn gepubliceerd, dateert van 12 oktober 2025. [323]
Ten eersteklaagt het onderdeel (
PI 108-111) dat de OK heeft miskend dat art. 28 Rv Pro geen grond biedt om aan derden te verbieden mededelingen te doen “omtrent een procedure” in algemene (categorische) zin. De klacht verwijst naar wetsgeschiedenis [324] en stelt dat in het licht daarvan het van een onjuiste rechtsopvatting getuigt dat de OK in algemene zin heeft verboden mededelingen te doen “omtrent deze procedure”. Het verbod ziet onder meer op het aanhangig zijn van de procedure, de inzet ervan en het feit dat een beschikking is gegeven en wat de inhoud daarvan is, en gaat aldus de grenzen van art. 28 Rv Pro te buiten. Het verbod is zo ruim dat niet alleen de in art. 28 lid 1 Rv Pro specifiek vermelde gegevens daaronder vallen, maar kennelijk alle informatie die aan de OK is voorgelegd, zonder specificering en beperking, en óók informatie die niet valt onder de specifiek in art. 28 lid 1 Rv Pro vermelde categorieën. Ook dit gaat de grenzen van art. 28 Rv Pro te buiten.
ex parte-beschikking, rov. 2.1-2.2 geoordeeld dat de zitting van 6 oktober 2025 op de voet van art. 27 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv (dat wil zeggen: in het belang van de veiligheid van de Staat) met gesloten deuren plaatsvindt, waarmee het verbod van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder a Rv is geactiveerd. De vertrouwelijkheid op grond van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder a Rv is, met andere woorden, het gevolg van de beslissing van de OK tot sluiting van de deuren op de voet van art. 27 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv. [325]
ex parte-beschikking nog niet) ter zitting is behandeld (art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv).
ex parte-beschikking, los van de procedure als zodanig, mede het verzoekschrift met bijlagen van Nexperia van 1 oktober 2025 en de brief van EZ van dezelfde datum en vervolgens ook de voorafgaand aan de zitting van 6 oktober 2025 ingediende stukken met bijlagen: het verweerschrift van EZ van 5 oktober 2025 en het verweerschrift van Yuching van 6 oktober 2025. Dit blijkt als het dictum wordt gelezen in het licht van de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. In de
ex parte-beschikking, rov. 2.2 heeft de OK overwogen dat voor de redenen waarom het partijen en belanghebbenden wordt verboden aan derden mededelingen te doen omtrent de procedure wordt verwezen naar paragraaf 1 van het verzoekschrift van Nexperia van 1 oktober 2025 [328] en naar p. 2 (onder “Vertrouwelijkheid”) van de brief van EZ van dezelfde datum. [329]
ex parte-beschikking, rov. 2.6 heeft de OK overwogen (iii) dat zij “de zaak niet [zal] opnemen in openbare overzichten van aanhangige zaken en geen mededelingen aan derden over deze zaak [zal] doen”. Dit laatste berust niet op art. 28 lid 1 Rv Pro, want betreft (de griffie van) de OK zelf.
ex parte-beschikking, rov. 2.2, eerste zin) is het onderdeel niet gekant. Ook de
ex parte-beschikking, rov. 2.6, ofwel trap (iii), is in cassatie onbestreden.
Ten tweedeklaagt het onderdeel (
PI 112-114) dat het oordeel van de OK van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, omdat de wens om publiciteit buiten de deur te houden, die blijkens de
ex parte-beschikking, rov. 2.2 en de opheffingsbeschikking II, rov. 2.1 ten grondslag ligt aan het opgelegde verbod, geen toereikende omstandigheid kan zijn om het bestaan van de procedure als zodanig, de inzet ervan en de gegeven beslissingen en/of wat in dat kader aan de rechter bekend is gemaakt, geheim te verklaren, althans dat het oordeel ontoereikend is gemotiveerd. De OK had, in het bijzonder vanwege het door de wetgever nadrukkelijk vooropgestelde uitgangspunt van openbaarheid van rechtspraak, inzichtelijk moeten maken waarom een dermate verstrekkende geheimhoudingsplicht nodig was. De klacht wijst er nog op (i) dat “[d]aarbij is te bedenken” dat een beursvennootschap zoals [A] op grond van regelgeving onderhevig is aan meldingsplichten, en (ii) dat “[h]et voorgaande eens temeer [klemt]” omdat het opgelegde verbod verder gaat dan is verzocht door Nexperia en ondersteund door EZ. [341]
ex parte-beschikking, rov. 2.2, waarin de OK voor deze redenen verwijst naar paragraaf 1 van het verzoekschrift van Nexperia van 1 oktober 2025 en p. 2 van de brief van EZ van dezelfde datum (onder “Vertrouwelijkheid”). De OK heeft aldaar overwogen dat het verbod voor partijen en belanghebbenden om aan derden mededelingen te doen omtrent deze procedure “om dezelfde redenen” wordt toegewezen als het verzoek om de zitting met gesloten deuren te houden. Dat is dus (i) het belang van de veiligheid van de Staat en (ii) het belang van Nexperia en haar onderneming. Ter illustratie van belang (ii) dient het volgende citaat uit het verzoekschrift van Nexperia, nr. 6:
ex parte-beschikking, rov. 2.2.
Ten derdeklaagt het onderdeel (
PI 115-117) dat de OK heeft miskend dat art. 28 Rv Pro geen grondslag biedt voor een zo ruim mededelingenverbod als “alle overige (rechts)personen die kennis hebben of op enig moment zullen krijgen van deze procedure”. [343] De klacht beroept zich wederom op het uitgangspunt van openbaarheid van rechtspraak en de uitzondering die art. 28 Rv Pro hierop vormt, en voorts op de omstandigheid dat schenden van het verbod ex art. 28 Rv Pro op basis van art. 272 Sr Pro strafrechtelijk is gesanctioneerd. Voor zover het wel mogelijk is het verbod tot anderen dan partijen of belanghebbenden te richten, is het oordeel ontoereikend gemotiveerd in het licht van die omstandigheden en de omstandigheid dat niet is verzocht om een dergelijk verstrekkend verbod althans Nexperia en de Staat niet hebben toegelicht waarom zo’n verbod nodig zou zijn.
en eventuele derdenmededeling doen van vertrouwelijke gegevens. [347] Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat de formulering van art. 28 Rv Pro voor een deel is ontleend aan art. 2:353 lid 3 BW Pro, de bepaling uit het enquêterecht op grond waarvan de OK kort gezegd aan
anderen dan de rechtspersoon(dus ook een ruime formulering) kan verbieden mededelingen te doen uit het onderzoekverslag. [348]
ex parte-beschikking. Dat ligt ook voor de hand, nu het - ik wees daarop al - naar vaste rechtspraak uitgangspunt is bij de toepassing van het enquêterecht dat het uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid. Zie onder 4.18.8 en 4.106.1 hiervoor. De OK heeft, anders en kort gezegd, bij de formulering van de reikwijdte van het mededelingenverbod rekening willen houden met het feit dat sprake is van een organisatorisch verband van (rechts)personen in de [A] -groep, waartoe ook Nexperia behoort. Een mededelingenverbod waarbij niet met deze groepsrealiteit rekening gehouden zou worden (ofwel enkel gericht tot de opzichzelfstaande, enkelvoudige (rechts)personen die behoren tot de verzoeksters, verweersters en belanghebbenden), zou immers weinig effectief zijn nu andere (rechts)personen die onderdeel zijn van de [A] -groep dan niet onder de reikwijdte van het verbod zouden vallen.