Conclusie
1.Inleiding
(i) ten aanzien van de in Leaseovereenkomst 2 opgenomen optieconstructie het beroep van de Afnemer op dwaling verworpen en geoordeeld dat Dexia niet onrechtmatig heeft gehandeld door de overeenkomst uit te voeren (rov. 4.3-4.5);
(ii) ter zake van Leaseovereenkomst 2 geoordeeld dat de fictieve restschuld niet voor vergoeding in aanmerking komt (rov. 4.7-4.8);
(iii) overwogen dat de grieven van Dexia gedeeltelijk slagen en de grieven van de Afnemer falen (rov. 4.11), dat partijen in staat zijn om op basis van de overwegingen van het hof zelf hun betalingsverplichtingen over en weer te berekenen (rov. 4.9) en zijn dictum dienovereenkomstig vormgegeven.
3.Bespreking van het principale cassatieberoep
onderdeel 1over het oordeel in rov. 4.7 over de fictieve restschuld en in
onderdeel 2over het oordeel in rov. 4.5 over de uitvoering van de optieconstructie door Dexia. Het middel bevat voorts een voortbouwklacht.
De Hoge Raad heeft geoordeeld dat het hof heeft mogen en kunnen uitgaan van de restschuld die de afnemer feitelijk had na de beëindiging van de overeenkomst. [8] Hieruit volgt dat voor de bepaling van de restschuld kan worden uitgegaan van het moment van beëindiging en afwikkeling van de overeenkomst.
Voorts kan worden opgemerkt dat de term gerealiseerde restschuld hier is gebruikt in de betekenis van een restschuld die is ontstaan omdat Dexia de geleasete effecten heeft verkocht, en dat de term is niet bedoeld als tegenstelling tot een ‘fictieve restschuld’ zoals in deze zaak aan de orde is. [9]
. [10] Dit nadeel wordt in de rechtspraak aangeduid als ‘fictieve restschuld’.” [11]
Het hof oordeelt vervolgens dat dit nadeel niet kan worden
toegerekendin de zin van 6:98 BW aan enige gedraging van Dexia, maar volledig voortvloeit uit de keuze van de Afnemer om de effecten over te nemen (en dus niet uit het aangaan van de overeenkomst), welk besluit voor risico komt van de Afnemer. Daarom laat het hof Leaseovereenkomst 2 buiten beschouwing.
(i) De aanbieder van het effectenleaseproduct was verplicht de afnemer (dat wil zeggen de particuliere belegger) te waarschuwen voor het restschuldrisico. Deze plicht strekt ertoe de potentiële particuliere wederpartij te informeren over, en hem te waarschuwen tegen, het lichtvaardig op zich nemen van onnodige risico’s, of van risico’s die hij redelijkerwijs niet kan dragen (zie hiervoor in 3.2.1).
(ii) Het aangaan van de overeenkomst kan (behoudens door de aanbieder te leveren tegenbewijs) aan de aanbieder worden toegerekend in de zin van art. 6:98 BW Pro, zodat de aanbieder in beginsel als schade dient te vergoeden de nadelige financiële gevolgen voor de afnemer van het aangaan van de overeenkomst, waaronder in ieder geval een restschuld (zie hiervoor in 3.2.2).
(iii) Voor de begroting van de omvang van schade geldt als uitgangspunt dat de benadeelde zoveel mogelijk in de toestand moet worden gebracht waarin hij zou hebben verkeerd indien de schadeveroorzakende gebeurtenis zou zijn uitgebleven. Dat brengt mee dat de omvang van de schade wordt bepaald door een vergelijking van de toestand zoals deze in werkelijkheid is met de toestand zoals die (vermoedelijk) zou zijn geweest indien het schadeveroorzakende feit niet zou hebben plaatsgevonden. [19] (iv) Of de afnemer schade heeft geleden in de vorm van een restschuld, wordt bepaald op het moment van beëindiging en afwikkeling van de overeenkomst. Op dat moment verkoopt Dexia de geleasete effecten en verrekent zij de opbrengst daarvan met de schuld die de afnemer aan haar heeft (zie hiervoor in 3.4.2). Hetzelfde peilmoment geldt voor de begroting van het nadeel in de vorm van een ‘fictieve restschuld’, indien moet worden geoordeeld dat deze voor vergoeding in aanmerking komt (zie hiervoor in 3.5.4).
(v) Op basis van art. 6:101 BW Pro blijft in beginsel 1/3 deel van de restschuld voor rekening van de afnemer (zie hiervoor in 3.2.1). Er is geen grond om anders te oordelen indien het gaat om een ‘fictieve restschuld’, indien moet worden geoordeeld dat deze voor vergoeding in aanmerking komt. [20]
onderdeel 1richt tegen rov. 4.7.
subonderdelen 1.1 tot en met 1.7.
Subonderdeel 1.8bevat een samenvattende conclusie en wordt hierna niet afzonderlijk besproken. Ik vat de klachten hierna samen.
onderdeel 1op
p. 4van de procesinleiding). Deze klachten worden uitgewerkt in de
subonderdelen 1.1 tot en met 1.5. Daarin wordt, samengevat, onder meer aangevoerd dat de keuze van de Afnemer om effecten door Dexia te laten leveren en de uitstaande koopsom geheel uit eigen middelen aan Dexia te betalen, voor de schade niets uitmaakt. Het financiële nadeel aan het einde van de overeenkomst blijft bepaalbaar op het verschil tussen de koopsom van de effecten en hun waarde op het moment van eindigen van de effectenleaseovereenkomst (
subonderdeel 1.1). De beslissing om de effecten over te nemen maakt voor de omvang van de restschuld niet uit (
subonderdeel 1.2). Het (in
subonderdeel 1.3weergegeven) standpunt van het hof Amsterdam wijkt af van dat van de andere hoven (zoals weergegeven in
subonderdeel 1.5). Dit standpunt is onhoudbaar, omdat daaraan ten onrechte de gedachte ten grondslag ligt dat de afnemer de schade niet al lijdt als de overeenkomst met Dexia eindigt en hij met Dexia afrekent, maar pas als hij de effecten te gelde maakt (
subonderdeel 1.4).
subonderdeel 1.4op
p. 9-10van de procesinleiding; zie ook
subonderdeel 1.6op
p. 14van de procesinleiding).
subonderdeel 1.4op
p. 10-11van de procesinleiding).
subonderdeel 1.4(op
p. 11van de procesinleiding) dat het hof in geen geval heeft kunnen uitsluiten dat de Afnemer schade heeft geleden, zodat het hof in elk geval – dus zelfs als de stijging van de waarde van de effecten voor de begroting van de schade van de Afnemer relevant zou zijn – de schade van de Afnemer had moeten schatten althans partijen naar de schadestaatprocedure had moeten verwijzen.
Subonderdeel 1.6betoogt (op
p. 15van de procesinleiding) dat omdat bestaan en omvang van de schade vaststaan, althans het hof niet heeft kunnen uitsluiten dat de Afnemer schade heeft geleden, het hof de schade had moeten begroten, althans had moeten schatten of partijen naar de schadestaat had moeten verwijzen.
onderdeel 1op p. 4 van de procesinleiding). Door dit schadebedrag niet aan de Afnemer toe te wijzen en (in rov. 4.7) te oordelen dat Dexia ter zake van Leaseovereenkomst 2
in het geheelniet schadeplichtig is, is het hof buiten de grenzen van de rechtsstrijd getreden. Ook als zou worden aangenomen dat Dexia rechtens niet aansprakelijk is voor de fictieve restschuld van de Afnemer, geeft rov. 4.7 blijk van een onjuiste rechtsopvatting, omdat onder 'fictieve restschuld' blijkens HR 2 september 2016, ECLI:NL:HR:2016:2012, NJ 2017/9, rov. 6.2.2, niet de bij vooruitbetaling betaalde rente valt. Zonder nadere (maar ontbrekende) motivering is in ieder geval onbegrijpelijk waarom de Afnemer dan niettemin bij het einde van de effectenleaseovereenkomst geen recht zou hebben op een vergoeding ter hoogte van 2/3-deel van die vooruitbetaalde rente (
subonderdeel 1.7).
3.15 onder (i) bedoelde klachtenfalen naar mijn mening bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij berusten op een onjuiste lezing van het arrest. [21] De klachten gaan er terecht vanuit dat de Afnemer zijn schade laatstelijk heeft geleden toen zijn effectenleaseovereenkomst met Dexia eindigde en partijen deze afwikkelden. Naar mijn mening is onjuist het standpunt van Dexia (schriftelijke toelichting nrs. 24-25 onder verwijzing naar de memorie van grieven nr. 18) dat voor de vraag of de Afnemer schade heeft geleden inzicht in de waardeontwikkeling van de aandelen – dat wil zeggen:
nade overdracht daarvan aan de Afnemer na beëindiging van de overeenkomst – noodzakelijk is om eventuele schade te kunnen begroten of schatten.
Het hof heeft echter, anders dan de klachten tot uitgangspunt nemen, niet geoordeeld dat de restschuld die de Afnemer voor zijn rekening moet nemen, geen schade zou zijn of dat deze schade na het moment van beëindiging en na afrekening zou zijn ontstaan (zie hiervoor in 3.7.2). Het hof heeft de schade benoemt als een ‘fictieve restschuld’ en geoordeeld dat de “
schade bestaande uit deze restschuld” niet voor vergoeding in aanmerking komt, omdat die niet kan worden toegerekend aan een gedraging van Dexia, maar volledig voortvloeit uit de keuze van de Afnemer om de aandelen over te nemen, welk besluit voor risico komt van de Afnemer.
3.15 onder (ii) bedoelde klachtenslagen naar mijn mening. Het onderdeel klaagt [22] terecht dat de schade op de (af)leveringsdatum van de effecten aan de cliënt is ontstaan, dat diens verlies in een oorzakelijk verband (ook in de zin van art. 6:98 BW Pro) staat met de onrechtmatige daad van Dexia ten tijde van het sluiten van de effectenleaseovereenkomst en dat daaraan niet afdoet dat de cliënt zich de effecten laat leveren (zie hiervoor 3.13.1-3.13.4).
3.15 onder (iii) bedoelde klachtenfalen naar mijn mening bij gebrek aan feitelijke grondslag, omdat zij berusten op een onjuiste lezing van het arrest. Naar mijn mening heeft hof onderkend dat de schade in de vorm van de ‘fictieve restschuld’ is geleden ten tijde van de beëindiging en afwikkeling van de effectenleaseovereenkomst, maar het hof heeft geoordeeld dat deze schade niet in causaal verband in de zin van art. 6:98 BW Pro staat met de zorgplichtschending van Dexia. Het hof heeft, anders dan deze klachten veronderstellen, geen toepassing gegeven aan art. 6:100 BW Pro.
3.15 onder (iv) bedoelde klachtenfalen naar mijn mening. Voor zover zij voortbouwen op de hiervoor in
3.15 onder (iii) bedoelde klachtenfalen zij in het voetspoor daarvan. Voor het overige falen zij bij gebrek aan feitelijke grondslag.
Het hof is uitgegaan van de door de rechtbank in haar vonnis van 29 oktober 2008 vastgestelde feiten (rov. 3) en dus ook van diens vaststelling dat de Afnemer na het einde van de looptijd van Leaseovereenkomst 2 de onderliggende aandelen die op dat moment een waarde vertegenwoordigden van € 8.034,00 heeft overgenomen voor een bedrag van € 23.370,00. Dit impliceert in beginsel een ‘fictieve restschuld’ van € 23.370,00 - € 8.034,00 = € 15.345,00. [23] Het hof is echter niet toegekomen aan een uitdrukkelijk oordeel over de omvang van de schade bestaande uit de ‘fictieve restschuld’. Er was om deze redenen voor het hof geen aanleiding de schade van de Afnemer te begroten, te schatten dan wel partijen naar de schadestaatprocedure te verwijzen. Zou het hof anders hebben geoordeeld over de vergoedbaarheid van de ‘fictieve restschuld’ dan zou dit gegeven zijn meegenomen in de door het incidentele middel bestreden rov. 4.9 en het daarop toegesneden dictum.
3.15 onder (v) bedoelde klachtenslagen naar mijn mening ook. Het onderdeel wijst er terecht op dat Dexia heeft erkend dat Leaseovereenkomst 2 voor de Afnemer een onaanvaardbaar financiële last meebracht. Hiervan is ook het hof uitgegaan blijkens zijn rov. 1.
De schriftelijke toelichting namens Dexia nrs. 22 en 26 bestrijdt het standpunt in de procesinleiding onder verwijzing naar de memorie van grieven. Dit betoog gaat niet op. Inderdaad heeft Dexia in de memorie van grieven nr. 21 nog betoogd dat de uitkomst van het hofmodel is dat Dexia de overeenkomst niet behoorde te ontraden zodat (ook) de rente niet voor vergoeding in aanmerking komt, maar in haar memorie van antwoord in incidenteel appel nr. 39 is zij expliciet van dit standpunt teruggekomen en heeft zij erkend dat ook met betrekking tot Leaseovereenkomst 2 sprake is van een onaanvaardbaar zware financiële last. Het standpunt in de memorie van grieven nr. 18, dat de latere waardeontwikkeling van de aandelen mogelijk meebrengt dat in het geheel geen schade is geleden, is, zoals reeds aan de orde kwam (hiervoor in 3.16), naar mijn mening onjuist.
Ook in de redenering van het hof zou, als ik het goed zie, een deel van de reeds betaalde rente voor vergoeding in aanmerking komen. [24] Het hof heeft overwogen dat een ‘fictieve restschuld’ niet voor vergoeding in aanmerking komt op de grond dat deze niet meer als schade aan het onrechtmatig handelen van Dexia kan worden toegerekend in de zin van art. 6:98 BW Pro. Die redenering staat los van de vergoedbaarheid van de reeds betaalde rente.
Door in het geheel niet in te gaan op de betaalde rente geeft rov. 4.7 hetzij blijk van een onjuiste rechtsopvatting ten aanzien van de uitgangspunten voor de schadevergoeding in een geval als het onderhavige, hetzij is het oordeel van hof op dit punt ontoereikend gemotiveerd.
onderdeel 1gedeeltelijk slaagt.
subonderdeel 2.5, dat hierna aan bod komt. De overige subonderdelen bevatten een inleiding (
subonderdeel 2.1), een weergave van de stellingen van partijen (
subonderdelen 2.2, 2.3 en 2.4) en een conclusie (
subonderdeel 2.6), maar geen klachten.
in de eerste plaats, voorop dat het hof kennelijk de door Dexia onweersproken stellingen van de Afnemer aanvaardt, dat Dexia de schade van de Afnemer had kunnen beperken als zij de callopties niet had uitgeoefend maar had laten verlopen en zij de effecten niet, dan wel tegen de actuele marktprijs had aangeschaft, en daarmee dat Dexia de overeenkomst heeft uitgevoerd tegen het gerechtvaardigde belang van [eiser] bij schadebeperking in.
in de tweede plaats, de klachten dat rov. 4.5 blijk geeft van een onjuiste rechtsopvatting met betrekking tot (i) art. 149 lid 1 Rv Pro als het hof heeft gemeend dat de onweersproken stellingen van de Afnemer meer motivering behoefden, (ii) art. 6:162 BW Pro als het hof heeft gemeend dat in de onweersproken stellingen van de Afnemer geen onrechtmatige daad van Dexia jegens de Afnemer besloten ligt, en (iii) art. 6:248 lid 1 jo Pro. art. 6:74 BW Pro, aan de hand waarvan het hof de vordering van de Afnemer ambtshalve had te beoordelen (art. 25 Rv Pro), als het hof heeft gemeend dat de onweersproken stellingen van de Afnemer niet tot aansprakelijkheid van Dexia kunnen leiden.
In cassatie staat vast dat de overeenkomst voor de Afnemer risico’s bevatte, waaronder het risico dat de vooraf bepaalde koopprijs door een waardedaling van de effecten zou kunnen afwijken van de werkelijke koopprijs van de aandelen bij aankoop, en dat niet kan worden gezegd dat Dexia is tekortgeschoten in een op haar rustende mededelingsplicht en dat afnemer daardoor deze leaseovereenkomst is aangegaan onder invloed van een onjuiste voorstelling van zaken (rov. 4.4.). Dexia heeft deze overeenkomst conform de afgesproken voorwaarden uitgevoerd.
Het Nederlandse recht bevat naar mijn oordeel geen algemene rechtsregel waaruit volgt dat Dexia verplicht is om de optieconstructie in de effectenleaseovereenkomst – tegen de contractuele afspraken in – niet uit te voeren, althans niet uit te voeren zonder nader overleg daarover met de Afnemer op initiatief van Dexia, op de enkele grond dat een aan de optieconstructie verbonden risico, dat aan de Afnemer is medegedeeld, zich blijkt te hebben verwezenlijkt. Dat volgens de stellingen van de Afnemer sprake was van een substantiële waardedaling van de effecten, de Afnemer een gerechtvaardigd belang heeft om niet nodeloos substantiële schade te lijden en Dexia een maatschappelijke rol bekleedt, maakt dat mijns inziens niet zonder meer anders. Dit sluit niet uit dat hierover wellicht in bijzondere gevallen anders geoordeeld moet worden, maar op dat punt ontbreken nadere stellingen van de Afnemer.
Het oordeel in rov. 4.5 dat Afnemer zijn standpunt niet voldoende geconcretiseerd, geeft daarom naar mijn mening, anders dan het subonderdeel betoogt, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting.
in de derde plaats, dat als het hof is uitgegaan van de juiste rechtsopvatting(en), rov. 4.7 overweging onbegrijpelijk is.
p. 21) brengt, zo begrijp ik, het slagen van het middel mee dat de rov. 4.11 en 4.12 niet in stand kunnen blijven. Het hof overwoog daarin:
onderdeel 1(gedeeltelijk) slaagt zodat rov. 4.7 niet in stand kan blijven. Ook zonder de voortbouwklacht zal de verwijzingsrechter niet gebonden zijn aan de rov. 4.11 en 4.12, voor zover deze voortbouwen op of onverbrekelijk samenhangen met de overwegingen die met rov. 4.7. [26] De voortbouwklacht geeft aanleiding te bezien in hoeverre dat het geval is. De voortbouwklacht voert in dit verband drie punten aan.
Het oordeel over de proceskosten in incidenteel appel berust op de verwerping van de incidentele grieven en staat dus los van het in cassatie met succes bestreden oordeel in rov. 4.7.
p. 20-21van de procesinleiding) dat de Hoge Raad de zaak zelf kan afdoen. Mede gezien de wijze van afdoening die het hof heeft gekozen (en waarover het incidentele middel klaagt) komt mij deze wijze van afdoening in dit geval niet opportuun voor.
4.Bespreking van het middel in het incidentele cassatieberoep
De door het hof bedoelde veroordeling van Dexia betreft het bedrag van de eventuele schadevergoeding op grond van onrechtmatig handelen, dat zij op basis van het voorgaande aan de Afnemer verschuldigd is. Weliswaar heeft de Afnemer ook andere vorderingen ingesteld, maar die zijn niet toegewezen.
De door het hof bedoelde veroordeling van de Afnemer betreft het bedrag van de eventuele resterende verplichtingen van de Afnemer uit hoofde van (een van) de Leaseovereenkomsten. Dit betreft, ook volgens de Afnemer [27] en Dexia, [28] een nakomingsvordering.
In de schriftelijke toelichting namens de Afnemer nr. 2.6 wordt in dit verband opgemerkt:
Ter toelichting wordt aangevoerd dat het hof dit heeft miskend in rov. 4.9 en het daarop berustende dictum waarbij het hof partijen “het bos heeft ingestuurd” met de opdracht “om de te betalen schadevergoeding zelf maar uit te rekenen”.
De voor de beoordeling van effectenleasezaken ontwikkelde kaders (zie hiervoor in 3.2.1-3.3) bieden een basis voor de door het hof gekozen wijze van afdoening. Er is naar mijn mening geen aanleiding om te veronderstellen dat partijen en hun rechtsbijstandsverleners in een geval als het onderhavige [33] niet in staat zouden zijn te berekenen waartoe zij jegens elkaar gehouden zijn nadat de rechter de daarvoor benodigde feitelijke en juridische uitgangspunten heeft vastgesteld. [34] Aan het kunnen aanmerken van het arrest als executoriale titel voor de betalingsverplichtingen van partijen doet deze wijze van afdoening ook niet af, omdat daarvoor voldoende is dat de te executeren vorderingen (in dit geval: de door het hof bedoelde betalingsverplichtingen) met voldoende bepaaldheid zijn omschreven, waaraan ook voldaan kan worden door de wijze te vermelden waarop de omvang van de vordering moet worden vastgesteld. [35]
Het hof heeft niet benoemd om welk overzicht het gaat. Indien het hof doelt op (i) het schematisch overzicht met o.a. betaalde leasetermijnen, betaalde schuld en dividenden in totalen en (ii) een dividendspecificatie, die zijn verstrekt bij de comparitie op 30 mei 2008, dan kan aan de hand daarvan niet de in het arrest van de Hoge Raad voorgeschreven exercitie (voordeelstoerekening; plv.) worden doorlopen, zij het alleen nog maar omdat daarop de transacties niet zijn uitgesplitst en niet inzichtelijk is gemaakt op welke data de verschillende termijnbedragen verschuldigd zijn geworden.
Dexia heeft in hoger beroep een “Financieel Overzicht” overgelegd (productie 10 bij memorie van grieven wordt zo genoemd op de laatse pagina van de memorie van grieven). Zij vermeldt: “
Alle relevante data, bedragen en betaaldata, inclusief de uitbetaalde bedragen vanwege dividenden en/of claimuitkeringen zijn in dit overzicht opgenomen.” (memorie van grieven nr. 5). [36] Vergelijkbare stukken als de stukken die door Dexia zijn verstrekt ten behoeve van de comparitie op 30 mei 2008 zijn onderdeel van het in productie 10 overgelegde “Financieel Overzicht”. Dexia heeft voorts een berekening volgens het hofmodel overgelegd (productie 11) met een uitleg (productie 12), zo vermeldt de memorie van grieven nr. 14. Productie 12 bevat een beoordeling onaanvaardbaar zware last.
Hieruit volgt dat de klacht feitelijke grondslag mist voor zover daarin wordt verondersteld dat onduidelijk is op welk overzicht het hof doelt of dat het hof de stukken bedoeld die zijn verstrekt ten behoeve van de comparitie op 30 mei 2008. Voor het overige maakt de klacht niet duidelijk op welke gronden het oordeel in rov. 4.9 onbegrijpelijk zou zijn of partijen niet in staat zou stellen de door het hof bedoelde berekening uit te voeren. De klacht
onder 1.2slaagt daarom niet.