ECLI:NL:PHR:2026:584

Parket bij de Hoge Raad

Datum uitspraak
12 juni 2026
Publicatiedatum
11 juni 2026
Zaaknummer
25/04297
Type
Conclusie
Uitkomst
Afwijzend
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 2:345 BWArt. 2:346 BWArt. 2:347 BWArt. 2:349a BWArt. 2:350 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Hoge Raad bevestigt rechtmatigheid en proportionaliteit van Ondernemingskamermaatregelen bij Nexperia-enquête

Deze zaak betreft het cassatieberoep van Yuching tegen vijf Ondernemingskamerbeschikkingen in een enquêteprocedure over het beleid en de gang van zaken bij Nexperia, een multinational in de halfgeleiderindustrie met Chinese aandeelhouders. De Ondernemingskamer had onder meer onmiddellijke voorzieningen getroffen, zoals de schorsing van de CEO en de overdracht van aandelen ten titel van beheer aan een beheerder, en een mededelingenverbod opgelegd.

Yuching klaagde over schending van het recht op een eerlijk proces, de toelating van de Staat als belanghebbende, het voorlopige oordeel van de Ondernemingskamer over gegronde redenen om te twijfelen aan het beleid, de proportionaliteit van de overdracht van aandelen en de reikwijdte van het mededelingenverbod. De Hoge Raad oordeelt dat de Ondernemingskamer in spoedeisende omstandigheden terecht voorlopige voorzieningen mocht treffen zonder voorafgaand verhoor, mits daarna hoor en wederhoor mogelijk werd gemaakt. De toelating van de Staat als belanghebbende is gegrond op diens nauwe betrokkenheid bij het onderwerp. Het voorlopige oordeel over wanbeleid is gebaseerd op voldoende feiten en omstandigheden, waaronder tegenstrijdig belang en nalatigheid in governance.

De overdracht van aandelen ten titel van beheer is een tijdelijke, proportionele maatregel gericht op herstel van gezonde verhoudingen binnen Nexperia. Het mededelingenverbod is gegrond op wettelijke bepalingen en noodzakelijk geacht ter bescherming van vertrouwelijke informatie en het belang van de onderneming. Het cassatieberoep wordt verworpen, deels wegens niet-ontvankelijkheid en deels wegens gebrek aan gegronde gronden.

Uitkomst: Het cassatieberoep van Yuching wordt verworpen en de Ondernemingskamerbeschikkingen blijven in stand.

Conclusie

PROCUREUR-GENERAAL
BIJ DE
HOGE RAAD DER NEDERLANDEN
Nummer25/04297
Zitting12 juni 2026
CONCLUSIE
B.F. Assink
In de zaak
Yuching Holding Limited (hierna:
Yuching)
tegen

1.Nexperia Holding B.V. (hierna: Nexperia Holding)

2. Nexperia B.V. (Nexperia Holding en Nexperia B.V. gezamenlijk hierna:
Nexperia, in vrouwelijk enkelvoud)
3. [bestuurder/CEO] (hierna:
[bestuurder/CEO])
4. [verweerder 4] (hierna:
[verweerder 4])
5. De ondernemingsraad van Nexperia B.V. (hierna: de
OR)
6. De Staat der Nederlanden, Ministerie van Economische Zaken en Klimaat (hierna: de
Staatof
EZ)

1.Inleiding en samenvatting

1.1
Deze zaak betreft het ingrijpen van de ondernemingskamer van het gerechtshof Amsterdam (hierna: de
OK) op grond van het enquêterecht bij Nexperia, twee Nederlandse vennootschappen die een multinationale onderneming drijven in de halfgeleider- en chipindustrie. De zaak speelt tegen de achtergrond van economische en geopolitieke belangen van China, Nederland en andere lidstaten van de Europese Unie (hierna: de
EU), en de Verenigde Staten (hierna: de
VS). Op de keper beschouwd, is het echter ‘gewoon’ een enquêteprocedure (primair) gericht op het belang van Nexperia.
1.2
In korte tijd heeft de OK in deze zaak, desverzocht en kort gezegd, de volgende vijf beschikkingen gegeven.
- Bij beschikking van 1 oktober 2025 [1] heeft de OK onder meer bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog
ex parte, totdat na een op 6 oktober 2025 te houden mondelinge behandeling op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zal zijn beslist, bepaald dat alle aandelen van de Chinese vennootschap Yuching in Nexperia Holding ten titel van beheer zijn overgedragen aan een beheerder. De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden met gesloten deuren en de OK heeft het partijen, belanghebbenden en anderen die kennis hebben of zullen krijgen van de procedure verboden aan derden mededelingen omtrent de procedure te doen.
- Bij kop-staart-beschikking van 7 oktober 2025 [2] heeft de OK onder meer bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van de procedure bepaald dat alle aandelen van Yuching minus één ten titel van beheer zijn overgedragen aan een beheerder. De OK heeft het mededelingenverbod gehandhaafd.
- Bij beschikking van 8 oktober 2025 [3] heeft de OK het mededelingenverbod gedeeltelijk opgeheven en een persoon als beheerder van de aandelen aangewezen.
- Bij beschikking van 13 oktober 2025 [4] heeft de OK het mededelingenverbod geheel opgeheven.
- Bij beschikking van eveneens 13 oktober 2025 [5] heeft de OK de beschikkingen van 7 en 8 oktober 2025 nader uitgewerkt.
1.3
Yuching heeft cassatieberoep ingesteld van deze vijf OK-beschikkingen. Daarop ziet deze conclusie. Yuching klaagt, m.i. tevergeefs, over schending van haar recht op een eerlijk proces (onderdeel 1), over de toelating van EZ als belanghebbende (onderdeel 2), over het voorlopig oordeel dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia (onderdeel 3), over de ten laste van haar getroffen onmiddellijke voorziening van overdracht ten titel van beheer van alle aandelen (minus één) in Nexperia Holding (onderdeel 4), en over de reikwijdte van het mededelingenverbod (onderdeel 5).
1.4
[bestuurder/CEO] , bestuurder van Nexperia en indirect controlerend aandeelhouder van Yuching, heeft eveneens cassatieberoep ingesteld van deze vijf OK-beschikkingen. [bestuurder/CEO] is door de OK bij wijze van onmiddellijke voorziening, aanvankelijk ook
ex partetotdat na de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zal zijn beslist en vervolgens voor de duur van de procedure, geschorst als bestuurder van Nexperia. De cassatieklachten van [bestuurder/CEO] overlappen grotendeels met het onderhavige cassatieberoep van Yuching. Het cassatieberoep van [bestuurder/CEO] betreft de samenhangende zaak 26/0005. Daarin concludeer ik vandaag eveneens, kort gezegd, tot verwerping van het cassatieberoep.
1.5
Yuching en [bestuurder/CEO] hebben ook ieder cassatieberoep ingesteld van twee nadere OK-beschikkingen in de onderhavige enquêteprocedure, waarbij (i) de OK een onderzoek heeft bevolen naar het beleid en de gang van zaken bij Nexperia en (ii) vervolgens twee onderzoekers heeft aangewezen. Over die cassatieberoepen gaan de onderhavige conclusie en voornoemde conclusie in de samenhangende zaak 26/0005 niet.

2.Feiten

In cassatie kan worden uitgegaan van de volgende feiten, ontleend aan rov. 2.1-2.29 van de OK-beschikking van 13 oktober 2025 met de nadere uitwerking van de OK-beschikkingen van 7 en 8 oktober 2025. [6]
2.1
Deze zaak gaat over Nexperia, twee Nederlandse vennootschappen (Nexperia Holding en Nexperia B.V.) die actief zijn in de halfgeleider- en chipindustrie (
spin-offsvan NXP). [7] Wereldwijd zijn bij Nexperia ongeveer 12.500 mensen werkzaam, van wie ongeveer 400 in Nederland. Sinds 2016 worden de aandelen in Nexperia (middellijk) gehouden door een Chinese partij. [8] Eind 2023 heeft Nexperia contact opgenomen met EZ om steun te zoeken en volledig erkend te worden als Nederlands/Europees halfgeleiderbedrijf. Achtergrond is dat haar onderneming belemmeringen ervoer door de omstandigheid dat de enig aandeelhouder van Nexperia Holding, Yuching, een Chinese vennootschap is. Sinds 2024 is Nexperia daartoe in overleg met EZ over bepaalde herzieningen in de governance. Aan toezeggingen die Nexperia in dat verband aan EZ heeft gedaan, heeft zij weinig opvolging gegeven. Met ingang van 31 december 2024 is [A] Co., Ltd. (hierna:
[A]), de indirecte Chinese aandeelhouder van Nexperia, door de VS op de zogeheten
U.S. Entity Listgeplaatst, met als gevolg dat [A] is onderworpen aan bepaalde verstrekkende handelsbeperkingen. Sinds juni 2025 was Nexperia op de hoogte van het risico dat ook zijzelf zou worden onderworpen aan Amerikaanse handelssancties op grond van de zogenoemde
50%-rule, die kort gezegd inhoudt dat genoemde handelsbeperkingen ook gelden voor vennootschappen waarvan de aandelen voor 50% of meer worden gehouden door (rechts)personen op de
U.S. Entity List. Op 30 september 2025 is de
50%-rulegepubliceerd en op Nexperia van toepassing verklaard, met als gevolg dat zij in beginsel na 60 dagen zal zijn onderworpen aan Amerikaanse handelsbeperkingen. Op dezelfde dag heeft de minister van (toen nog) Economische Zaken (hierna: de
minister) op grond van de Wet beschikbaarheid goederen (hierna: de
Wbg) een besluit genomen, bevattende een tot Nexperia gericht bevel tot behoud van haar onderneming en productiemiddelen (hierna: het
bevel).
2.2
In deze enquêteprocedure betoogt Nexperia, bij monde van haar bestuurder [verweerder 4] , dat gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. De desbetreffende klachten hebben onder meer betrekking op de implementatie van de afspraken met EZ tegen de achtergrond van de groeiende risico’s dat Nexperia zou worden onderworpen aan de
50%-rule. Verder wordt geklaagd over tegenstrijdigbelangtransacties die zouden zijn aangegaan op instructie van [bestuurder/CEO] , bestuurder van Nexperia en indirect (via [A] ) controlerend aandeelhouder van Yuching, en over onverhoedse wijzigingen in het management en het plotseling intrekken van bankvolmachten. De OR wijst onder meer op schending van het adviesrecht op grond van de Wet op de ondernemingsraden (hierna: de
WOR) met betrekking tot het aangekondigde ontslag van bestuurder [verweerder 4] .
2.3
Nexperia drijft een wereldwijd opererend halfgeleiderbedrijf met hoofdkantoor in Nijmegen. Nexperia heeft verschillende dochterondernemingen. Zo heeft zij in Manchester en in Hamburg productiefaciliteiten voor
wafers(zogeheten
wafer fabs). Een
waferis een dunne schijf van halfgeleidermateriaal, meestal silicium, die wordt gebruikt als basis voor het vervaardigen van micro-elektronische componenten. De
back end-activiteiten van Nexperia, dat wil zeggen de assemblage en het testen van de producten, vindt plaats in fabrieken in Dongguan (China), Cabuyao (de Filipijnen) en Seremban (Maleisië). De
front end-productie van Nexperia voor onder meer de Chinese markt is ondergebracht bij Shanghai Jiangzin Technology Co., Ltd (hierna:
WSS). In Nederland ontwerpt, ontwikkelt en verbetert Nexperia de chips en machines voor de afwerking van die chips. Nexperia heeft R&D-centra (
research & development) in onder meer Nederland (Delft), Duitsland, het Verenigd Koninkrijk, de VS, China, Maleisië, de Filipijnen en Japan.
2.4
Nexperia Holding is opgericht op 6 december 2016 en heeft een monistisch bestuur (
one tier board). [bestuurder/CEO] is niet-uitvoerende bestuurder en voorzitter van het bestuur van Nexperia Holding, [verweerder 4] is uitvoerende bestuurder van Nexperia Holding. Nexperia Holding is enig aandeelhouder van Nexperia B.V., opgericht op 20 juni 2016. Het bestuur van Nexperia B.V. bestaat uit [bestuurder/CEO] (uitvoerende bestuurder; CEO) en [verweerder 4] (uitvoerende bestuurder; CLO).
2.5
Op 21 maart 2021 is voor Nexperia B.V. een concept-bestuursreglement opgesteld dat feitelijk geldt als bestuursreglement (hierna: het
bestuursreglement Nexperia B.V.). Hierin staat onder meer:
“3.1. The CEO is entrusted with all of the Board’s powers, authorities and discretions (including the power to sub-delegate) other than the powers explicitly retained by the Board or the Board Committees. Matters not expressly included in [article], 1.2 and[/] or in the Board Committee charters shall be validly resolved upon by the CEO and no further resolutions, approvals or other involvement of the Board shall be required.
3.2.
Subject to the limitations in these Board Rules, the CEO is entrusted with all the Board’s powers, authorities and discretions (including the power to sub-delegate) in relation to the operational running of the Company, particularly such matters as: (i) the operational running of the Nexperia Group, (ii) profit responsibility of the Nexperia Group, and (iii) managing business performance.”
2.6
Yuching, een rechtspersoon naar het recht van Hong Kong, is enig aandeelhouder van Nexperia Holding. [bestuurder/CEO] en zijn echtgenote zijn bestuurder van Yuching. Alle aandelen in Yuching worden indirect gehouden door [A] . [A] is genoteerd aan de Shanghai Stock Exchange en wordt gereguleerd door de
Chinese Securities Regulatory Commission(hierna: de
CSRC). [bestuurder/CEO] houdt (indirect) ongeveer 15% van de aandelen in [A] en geldt als controlerend aandeelhouder. 30% van de aandelen in [A] wordt gehouden door Chinese landelijke en regionale overheden en gelieerde investeringsfondsen. De overige aandelen in [A] betreffen
free float.
2.7
In 2020 heeft [bestuurder/CEO] WSS opgericht. WSS is gevestigd te Shanghai en exploiteert een productiefaciliteit voor
wafers, waar inmiddels een gedeelte van de
front end-productie van Nexperia is ondergebracht. Daartoe hebben WSS en Nexperia B.V. op 4 april 2023 een
Foundry Services Agreementgetekend (hierna: de
FSA).
2.8
In de afgelopen jaren is het publieke sentiment rondom de (Chinese) eigendomsstructuur van Nexperia negatiever geworden. De bedrijfsvoering van Nexperia ondervindt hiervan negatieve gevolgen, in het bijzonder in Europa en in de VS. Eind 2023 heeft Nexperia daarom contact opgenomen met EZ en verzocht om hulp bij de erkenning van Nexperia als Nederlands (Europees) halfgeleiderbedrijf. In januari 2024 zijn in dit kader gesprekken opgestart tussen EZ en Nexperia.
2.9
In 2024 heeft [betrokkene 1] , op dat moment bestuurder en CLO bij Nexperia, Nexperia verlaten. In zijn plaats is [verweerder 4] als bestuurder en CLO van Nexperia benoemd. Na contact met EZ is de zus van [bestuurder/CEO] teruggetreden als bestuurder van Nexperia.
2.1
Op 17 april 2024 hebben [bestuurder/CEO] en [betrokkene 2] , hoofd
Corporate Affairsvan Nexperia, (hierna:
[betrokkene 2]) een brief aan EZ gezonden waarin zij uiteenzetten welke afspraken met EZ zijn gemaakt om het ‘perceptieprobleem’ aan te pakken. Dit zijn de volgende:
“1. Het aantal statutaire directeuren van Nexperia Holding B.V. en Nexperia B.V. is nu teruggebracht van drie naar twee, te weten [ [bestuurder/CEO] ], CEO, en [ [verweerder 4] ], Chief Legal Officer.
2. De installatie van een Raad van Commissarissen (RvC) op het niveau van Nexperia Holding B.V., de moedermaatschappij van de Nexperia-groep. Het belangrijkste doel van deze RvC is te zorgen voor goed toezicht en controles op het gebied van:
a. Bescherming van technologie en intellectuele eigendom;
b. Bescherming van gevoelige gegevens; en
c. Bescherming van de IT-infrastructuur van Nexperia.
3. De verdere versterking van ons informatiebeveiligingsbeleid door de implementatie van een robuuste organisatie die voldoet aan onze eisen en die van uw ministerie. De organisatie omvat de benoeming van een Information Security Committee onder leiding van een Chief Security Officer.”
Verder schrijven zij in deze brief:
“Deze maatregelen hebben een forse en onomkeerbare impact op de manier waarop we ons bedrijf voeren en illustreren onze bereidheid om het huidige perceptieprobleem aan te pakken. Wij zijn blij met het bericht van uw ministerie dat deze maatregelen zullen leiden tot het wegnemen van de zorgen en daarmee samenhangende beperkingen waarmee Nexperia zowel in Nederland als in andere westerse landen wordt geconfronteerd, en tot de erkenning en ondersteuning van Nexperia als gewaardeerde investeerder in de Nederlandse economie.”
2.11
Op 30 april 2024 heeft Nexperia een uitwerking van deze afspraken aan EZ gepresenteerd. Onderdeel daarvan zou zijn het afsplitsen van de Nederlandse activiteiten en werknemers naar een nieuwe structuurvennootschap. Verder stelde Nexperia een diversificatie van het aandeelhoudersbestand voor, erop neerkomend dat eerst een ‘westerse’ minderheidsaandeelhouder een belang zou verwerven, gevolgd door een beursgang. Op het niveau van Nexperia Holding zou in 2024 een raad van commissarissen worden geïntroduceerd. Belangrijk onderdeel van de voorstellen waren de zogeheten
reserved matters, dat wil zeggen besluiten van Nexperia Holding die zouden worden onderworpen aan goedkeuring door de raad van commissarissen. De lijst van
reserved matterswas afgestemd met [bestuurder/CEO] , die zelf niet aanwezig kon zijn, en kwam neer op de volgende:
2.12
In vervolg op deze bijeenkomst hebben Nexperia en EZ conceptdocumentatie gedeeld ter implementatie van deze plannen. Nexperia heeft drie kandidaat-commissarissen geselecteerd die konden rekenen op de goedkeuring van EZ.
2.13
Bij brief van 19 augustus 2024 heeft de minister bevestigd dat de zorgen die leven in het bedrijfsleven, bij overheden en bij kennisinstellingen adequaat worden aangepakt met behulp van de overeengekomen maatregelen. De minister schrijft onder meer:
“Nexperia heeft een belangrijke positie in het Nederlandse en Europese ecosysteem van de halfgeleiderindustrie. Wij onderschrijven uw inzet om als Nederlandse onderneming door te groeien en zich zowel in marktsegmenten en technologie door te ontwikkelen. De strategische visie van uw bestuur en de bereidheid om de dialoog verder voort te zetten geven hier blijk van. In combinatie met de hierboven genoemde maatregelen vormt dit een vertrouwenwekkende basis voor onze verdere samenwerking. Daarmee beschouw ik Nexperia Holding B.V., en de dochtermaatschappijen van deze groep, als een volwaardige onderneming binnen de Nederlandse halfgeleiderindustrie. Waar nodig zal het ministerie dit ook kenbaar maken aan relevante partijen zoals andere overheden, kennisinstellingen en bedrijfsleven. In voorkomend geval kunt u ook verwijzen naar mijn ambtenaren indien derden om een nadere toelichting van deze brief vragen.”
2.14
[bestuurder/CEO] heeft een (Chinees) advocatenkantoor, Fangda Partners, ingeschakeld om te adviseren over de voorgenomen herziene governance. Tussen 30 augustus en 6 september 2024 is er e-mailcontact geweest tussen [betrokkene 3] , destijds
Head of Legalbij [A] , (hierna:
[betrokkene 3]) en [verweerder 4] over een door Fangda Partners opgestelde vragenlijst met betrekking tot de governanceherziening en gesprekken met EZ. In een e-mail van 30 augustus 2024 schreef [betrokkene 3] onder meer:
“the current proposal of Supervisory board requires quite some changes as the current one will be difficult to implement given the impact it will have on Nexperia company operation and also shareholder control.”
2.15
Op 28 september 2024 heeft een bespreking plaatsgevonden bij Nexperia waarbij het hoger management en [betrokkene 3] aanwezig waren. EZ was hierbij niet aanwezig. Tijdens deze bespreking is geconcludeerd dat de voorliggende governanceherziening niet acceptabel was. [verweerder 4] is vervolgens geïnstrueerd om met EZ te onderhandelen over het achterwege laten van de
reserved matters.
2.16
Begin december 2024 werd bekend dat [A] met ingang van 31 december 2024 door het
Bureau of Industry and Security(onderdeel van het Amerikaanse Ministerie van Handel) op de zogeheten
U.S. Entity Listwas gezet. Gevolg hiervan was dat [A] werd blootgesteld aan verstrekkende handelsbeperkingen. [A] heeft vervolgens besloten om haar divisie
Original Design Manufacturingaf te stoten en zich uitsluitend nog te richten op halfgeleideractiviteiten.
2.17
Bij e-mail van 20 december 2024 heeft een ambtenaar van EZ aan onder anderen [betrokkene 2] en [verweerder 4] geschreven dat de steun van de Nederlandse overheid in het licht van de plaatsing van [A] op de
U.S. Entity Listvan groter belang werd en dat die steun “
unequivocalmeasures to be
developed, adopted and implementedby Nexperia” vereiste, waarbij de afspraken tussen EZ en Nexperia nog eens werden samengevat. Verder werd namens de minister geschreven:
“Key is the notion that the Nexperia group has an operational independence from its listed shareholder, has an effective and coherent security and information policy both regarding cyber security as well as insider threats and finally has some form of internal supervision which provides for effective protection of these aspects. These measures should be in line with and build upon the measures the Dutch authorities already indicated in its letter of August 2024.”
2.18
Bij e-mail van 28 maart 2025 heeft [verweerder 4] aan EZ onder meer geschreven:
“A clear/unconditional guarantee in relation to the Dutch/European identity/presence cannot be given since this would restrict the shareholder’s control rights too much as well as would also limit the company’s flexibility in relation to its business needs/plans in an unreasonable manner.”
2.19
Namens EZ is hierop bij e-mail van 28 april 2025 geantwoord dat:
“it is essential that the company and its CEO clearly choose to maintain its European and Dutch footprint. (…) For further assistance and help from our side there must be more sufficient assurance by the company and its CEO. This needs to be clarified as well as a clear engagement to implement the broader measures as discussed.”
2.2
In gesprekken en e-mails van onder meer 5 juni 2025 heeft EZ Nexperia geïnformeerd over de mogelijk op korte termijn door de VS in te voeren
50%-ruledie ook voor Nexperia tot directe handelsbeperkingen zou kunnen leiden. In deze e-mail staat onder meer:
“Mocht Nijmegen een ontheffingsverzoek indienen, dan heeft VS aangegeven dat het met name zal kijken naar (1) de mitigatiemaatregelen om de overdracht van US IP, technologie, kennis en capaciteiten naar het land van zorgen te beperken (...).”
2.21
Op (onder meer) 12 juni 2025 heeft het Ministerie van Buitenlandse Zaken (hierna:
BZ) gesproken met het
Bureau of International Security and Nonproliferationvan de VS. In het gespreksverslag staat onder andere dat voor de VS een belangrijk punt is:
“dat aan de buitenkant geen zichtbare maatregelen zijn genomen. Dat een divestment tijd kost is begrijpelijk (...) maar dat de CEO van het bedrijf nog steeds diezelfde Chinese eigenaar is, is problematisch. Gesprekspartner en team herhalen meermaals het punt van de CEO. (...) Het is vrijwel zeker dat de CEO zal moeten worden vervangen om in aanmerking te komen voor de uitzondering op de
entity list.”
2.22
In lijn met de strategie om te (kunnen) produceren in zowel Europa als in China, plaatste Nexperia geregeld
waferorders bij WSS. Deze orders werden geplaatst op basis van het raamwerk dat in de FSA was overeengekomen. WSS bevond zich in 2025 in een lastige financiële positie.
2.23
Op 4 september 2025 heeft [betrokkene 3] op instructie van [bestuurder/CEO] medegedeeld dat de bankvolmachten van drie financiële functionarissen waren ingetrokken, onder wie die van CFO [betrokkene 4] (hierna:
[betrokkene 4]), tevens lid van het
Enterprise Management Team(hierna ook: het
EMT), en die van de
Group Treasurer. In hun plaats werd een bankvolmacht verleend aan drie personen zonder bijzondere financiële ervaring. Onder hen is een persoon die geen werknemer van Nexperia is en een medewerker met een ESG-achtergrond. In reactie hierop heeft [betrokkene 4] ervoor gewaarschuwd dat dit zou leiden tot “significant operational impact”. [betrokkene 4] heeft gewezen op de fiscale gevolgen, de gevolgen voor het
cash management,
hedgingrisico’s en het risico op fouten en vertragingen indien het financiële beheer in handen zou komen van personen zonder financiële ervaring.
2.24
Naar aanleiding van het intrekken van de bankvolmachten heeft [verweerder 4] bij e-mail van 5 september 2025 aan onder anderen [bestuurder/CEO] en [betrokkene 3] geschreven:
“I am deeply concerned about the developments and interactions on this topic and believe that these do not reflect good governance and are not in the best interests of Nexperia. In my role as Chief Legal Officer and member of the board, it is my duty to advise on this to ensure we all act in the interest of Nexperia and, for board members specifically, to act in line with their fiduciary duties to Nexperia.
My key concern is that, in the context of a meaningful project on enhancing controls and decision making with the treasury team, a request is made to change the authorizations for banking transactions to individuals that have no clear role, no responsibility and, at least to my knowledge, no proper background in Nexperia’s treasury operations. This request is further made without explanation as to the reason why this change is needed. The input that was subsequently provided in response to [betrokkene 4] ’s [ [betrokkene 4] , A-G] questions and remarks does not convince and leaves unanswered why this change to become signatories is suggested and how this is embedded in the organization (chain of command/ lines of responsibility). From a governance and control perspective, I believe these to be fundamental points to be addressed.
These banking authorizations are key to a properly functioning treasury operation and changes to that should be made carefully and with involvement of the CFO and the head of treasury. Within our organization, they bear responsibility for the treasury function. Moving away their authority to enter into banking transactions is a fundamental change that should carefully be considered. These changes therefore warrant robust argumentation and decision making.
[betrokkene 4] has clearly indicated his concerns and demonstrated that this change is not in the interest of Nexperia and conflicts with his (...) responsibilities and duties as CFO and head of treasury respectively. I agree with those concerns.”
2.25
Op 9 september 2025 heeft [bestuurder/CEO] aan [verweerder 4] geschreven:
“As you are aware, the Nexperia Group is undergoing a period of significant transition. (...) Only with a shared vision and unity in execution can we implement the necessary changes effectively and ensure the organization is futureproof.
As part of this strategic reorientation, we have also assessed the extent to which key individuals are aligned with the strategic direction of the organization. In your case, we have observed that your approach diverges from the course envisioned by the Board on several key points.
It is our conclusion that your current role is no longer aligned with the requirements of this phase of transition and commercial focus. (...) We therefore aim to terminate your employment agreement and statutory positions.”
2.26
De OR is niet in kennis gesteld van het voorgenomen ontslag van [verweerder 4] als bestuurder van Nexperia.
2.27
Op 11 september 2025 heeft [bestuurder/CEO] brieven met vergelijkbare inhoud verzonden aan [betrokkene 4] en [betrokkene 5] (COO, lid van het EMT) (hierna:
[betrokkene 5]). [verweerder 4] , [betrokkene 4] en [betrokkene 5] zijn niet akkoord gegaan met de aan hen aangeboden vaststellingsovereenkomsten.
2.28
In september 2025 heeft het
Global Head Financena 39 jaar bij (de voorlopers van) Nexperia ontslag genomen. In zijn ontslagbrief schrijft hij onder meer:
“Given the recent decisions to replace a Key Number of European EMT Members, I feel the Mgt Culture but also the Company is now a purely Chinese Company where (executive) leaders are expected to literally execute top-down decisions in a micro managed way. This Style of Mgt may be common in Local Chinese Companies but surely is not in Global companies.”
2.29
Bij besluit van 30 september 2025 heeft de minister het bevel op grond van de Wbg aan Nexperia gegeven.
2.3
Op 30 september 2025 heeft de Amerikaanse overheid de
50%-rulegepubliceerd op basis waarvan entiteiten die (direct of indirect) voor 50% of meer in handen zijn van een entiteit op de
U.S. Entity Listzijn onderworpen aan dezelfde exportcontrolevereisten als de entiteiten op de
U.S. Entity List. Als gevolg hiervan dient iedere partij die enig product of enige technologie waarop exportcontrolerestricties van toepassing zijn, wil uitvoeren naar of overdragen aan Nexperia, hiervoor een vergunning van het
U.S. Bureau of Industry and Securityte verkrijgen, waarbij als uitgangspunt geldt dat de vergunning wordt geweigerd. De productie- en R&D-locaties van Nexperia in China, Maleisië en de Filipijnen vallen met onmiddellijke ingang onder deze nieuwe regels, terwijl de regels voor Nexperia pas na 60 dagen zullen gelden (dat wil zeggen met ingang van 28 november 2025). Deze regels kunnen aanzienlijke gevolgen hebben voor de R&D-inspanningen in de VS die waarschijnlijk aan dezelfde restricties onderhevig zullen zijn.
2.31
Op 4 oktober 2025 heeft de Chinese overheid exportrestricties opgelegd aan onderaannemers van Nexperia, alsmede aan de Chinese
back end-productieorganisatie van Nexperia.

3.Procesverloop

De ex parte-beschikking

3.1
Bij verzoekschrift van 1 oktober 2025 heeft Nexperia de OK, kort samengevat, verzocht een onderzoek te bevelen naar het beleid en de gang van zaken van Nexperia en voor de duur van de procedure enkele onmiddellijke voorzieningen te treffen, waaronder de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia, het buiten toepassing verklaren van art. 3 bestuursreglement Pro Nexperia B.V., de benoeming van een onafhankelijke niet-uitvoerende bestuurder met beslissende stem en zelfstandige vertegenwoordigingsbevoegdheid, en de overdracht van de door Yuching gehouden aandelen in Nexperia Holding aan een door de OK te benoemen beheerder. Nexperia heeft de OK verder verzocht het verzoek te behandelen met gesloten deuren, de zaak niet op te nemen in openbare overzichten van aanhangige zaken, geen mededelingen van de griffie aan derden over deze zaak te doen, partijen op de voet van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv te verbieden aan derden mededelingen te doen omtrent deze procedure, en geen vertrouwelijke informatie op te nemen in de beschikking dan wel vertrouwelijke informatie weg te laten in de publicatieversie van de beschikking of aan derden te vertrekken. Bij brief van later die dag, 1 oktober 2025, heeft EZ het verzoek van Nexperia ondersteund en de OK met klem verzocht om het verzoek op de kortst mogelijke termijn toe te wijzen.
3.2
Bij beschikking van (eveneens) 1 oktober 2025 (hierna ook: de
ex parte-beschikking) [9] heeft de OK, kort samengevat:
a. bepaald dat het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen op maandag 6 oktober 2025 met gesloten deuren zal worden behandeld;
b. verzoeksters, verweersters, belanghebbenden en alle overige (rechts)personen die kennis hebben of op enig moment zullen krijgen van deze procedure verboden aan derden mededelingen te doen omtrent de procedure;
c. verstaan dat naar voorlopig oordeel gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken bij Nexperia;
d. bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog totdat na de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 op het verzoek onmiddellijke voorzieningen te treffen zal zijn beslist met ingang van heden:
(i) [bestuurder/CEO] als uitvoerende bestuurder van Nexperia Holding en als niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia B.V. geschorst;
(ii) de werking van art. 3 bestuursreglement Pro Nexperia B.V. geschorst;
(iii) bepaald dat alle aandelen in Nexperia Holding ten titel van beheer zijn overgedragen aan een nader aan te wijzen en aan partijen bekend te maken persoon;
e. iedere verdere beslissing aangehouden.
3.3
De OK heeft daartoe in de
ex parte-beschikking als volgt overwogen:
“2.1 De Ondernemingskamer zal partijen oproepen voor een op 6 oktober 2025 te 13:00 uur te houden mondelinge behandeling van, vooralsnog, uitsluitend het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen.
2.2
Om redenen vermeld in paragraaf 1 van het verzoekschrift en in de brief van de Staat (p. 2 onder ‘Vertrouwelijkheid’) zal de Ondernemingskamer op de voet van art. 27 lid Pro 1, aanhef en onder b, Rv bepalen dat het verzoek alsdan zal worden behandeld met gesloten deuren. De Ondernemingskamer zal om dezelfde redenen partijen en belanghebbenden verbieden aan derden mededelingen te doen omtrent deze procedure.
2.3
De Ondernemingskamer ziet in de bijzondere aard van het verzoek en de grote spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen aanleiding reeds thans, voorafgaand aan de op maandag 6 oktober 2025, te 13:00 te houden mondelinge behandeling, en dus
ex parteop de voet van artikel 2:349a lid 3 BW te beslissen op - een deel van - de verzochte voorzieningen.
2.4
Naar het voorlopig oordeel van de Ondernemingskamer zijn er gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Nexperia c.s. (vgl. art. 2:349a lid 3 BW). De Ondernemingskamer verwijst ter nadere motivering naar hetgeen Nexperia c.s. daarover in hun verzoekschrift in paragraaf 2 (randnummer 9 tot en met 16) hebben vermeld, zoals uitgewerkt in het vervolg van het verzoekschrift en hetgeen is vermeld in het bevel van de minister van Economische Zaken van 30 september 2025 (bijlage 1 bij het verzoekschrift).
2.5
Wat betreft de spoedeisendheid verwijst de Ondernemingskamer naar hetgeen is vermeld in de brief van mr. Van der Schrie[c]k [advocaat van Nexperia, A-G] van 1 oktober 2025, p. 1 tot en met 5, eerste alinea. Op de gronden vermeld in het verzoekschrift, paragraaf 6 en 7 zal het verzoek worden toegewezen als in het dictum vermeld.
2.6
De Ondernemingskamer zal de zaak niet opnemen in openbare overzichten van aanhangige zaken en zal geen mededelingen aan derden over deze zaak doen.”
De kop-staart-beschikking
3.4
Bij verweerschrift van 5 oktober 2025 heeft EZ zich achter het verzoek van Nexperia geschaard. Bij verweerschrift van 6 oktober 2025 respectievelijk mondeling verweer ter zitting hebben Yuching en [bestuurder/CEO] de internationale bevoegdheid van de OK betwist. Subsidiair hebben zij verzocht om, kort samengevat, Nexperia niet-ontvankelijk te verklaren in haar verzoek althans het verzoek af te wijzen, de in de
ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen per direct op te heffen en het verzoek om onmiddellijke voorzieningen van Nexperia af te wijzen. Voor zover de OK onmiddellijke voorzieningen treft, verzoekt Yuching [verweerder 4] te schorsen als bestuurder en een onafhankelijke bestuurder te benoemen die (namens [bestuurder/CEO] ) het concernbelang behartigt en bepaalde instructies ten aanzien van het bevel te verstrekken. [bestuurder/CEO] heeft eveneens als voorwaardelijk tegenverzoek schorsing van [verweerder 4] verzocht. Bij mondeling verweer ter zitting heeft de OR steun uitgesproken voor het verzoek van Nexperia.
3.5
Van het verhandelde ter zitting van de OK van 6 oktober 2025 is proces-verbaal opgemaakt. Aan het slot van de mondelinge behandeling heeft de OK medegedeeld dat op 7 oktober 2025 een verkorte beschikking zal worden gegeven en dat de nadere uitwerking daarvan zo spoedig mogelijk op schrift zal worden gesteld.
3.6
Bij beschikking van 7 oktober 2025 (hierna ook: de
kop-staart-beschikking) [10] heeft de OK, uitvoerbaar bij voorraad en voor zover relevant:
- de beslissingen in de
ex parte-beschikking als bedoeld onder 3.2 sub b en c hiervoor gehandhaafd;
- de onmiddellijke voorzieningen in de
ex parte-beschikking als bedoeld onder 3.2 sub d (i) t/m (iii) hiervoor verlengd tot vooralsnog de duur van de procedure, met dien verstande dat de onmiddellijke voorziening onder (iii) betrekking heeft op alle aandelen
minus éénin Nexperia Holding;
- bij wijze van onmiddellijke voorziening met onmiddellijke ingang, vooralsnog ook voor de duur van de procedure en voor zover nodig in afwijking van de statuten, G.R.C. Dierick benoemd tot niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia met beslissende stem en bepaald dat deze bestuurder zelfstandig bevoegd is Nexperia te vertegenwoordigen (hierna ook: de
OK-bestuurder);
- de verzoeken van Yuching en [bestuurder/CEO] afgewezen;
- iedere verdere beslissing aangehouden.
3.7
De OK heeft daartoe in de kop-staart-beschikking onder meer als volgt overwogen:
“3.1 De Ondernemingskamer is internationaal bevoegd kennis te nemen van het verzoek. Nexperia c.s. zijn ontvankelijk in hun verzoek.
3.2
Naar voorlopig oordeel van de Ondernemingskamer is sprake van gegronde redenen om aan een juist beleid en juiste gang van zaken te twijfelen, zoals bedoeld in artikel 2:349a lid 3 BW.
3.3
De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Nexperia c.s. het noodzakelijk maakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen.
3.4
De Ondernemingskamer zal bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van de procedure [bestuurder/CEO] schorsen als niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia Holding en als uitvoerende bestuurder van Nexperia B.V.
3.5
De Ondernemingskamer zal de hierna te noemen persoon benoemen tot tijdelijk niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia c.s. aan wie in het bestuur van Nexperia c.s. - voor zover nodig in afwijking van de statuten - een beslissende stem toekomt, wat betekent dat overeenkomstig die stem wordt besloten, ook als die stem afwijkt van de meerderheid van de uitgebrachte stemmen en die zelfstandig bevoegd is Nexperia c.s. te vertegenwoordigen.
3.6
Ook acht de Ondernemingskamer het noodzakelijk om bij wijze van onmiddellijke voorziening
en vooralsnog voor de duur van de procedure, de door Yuchin[g] Holding gehouden aandelen in Nexperia Holding, minus één aandeel, ten titel van beheer over te dragen aan nader te noemen beheerder van aandelen.
(…)
3.8
Verder acht de Ondernemingskamer het noodzakelijk om bij wijze van onmiddellijke voorziening en vooralsnog voor de duur van de procedure de werking van artikel 3 van Pro het bestuursreglement van Nexperia B.V. te schorsen, voor zover dit reglement van kracht is.
3.9
Voor het treffen van andere onmiddellijke voorzieningen ziet de Ondernemingskamer vooralsnog geen aanleiding.
(…).”
De opheffingsbeschikking I
3.8
Bij brief van 7 oktober 2025 heeft EZ op de voet van art. 28 lid 2 Rv Pro verzocht om gedeeltelijke opheffing van het mededelingenverbod, vervat in de beslissing in de
ex parte-beschikking als bedoeld onder 3.2 sub b hiervoor en gehandhaafd in de kop-staart-beschikking, namelijk voor zover dit in het kader van diplomatieke contacten (in het belang van de onderneming) nodig is. Bij e-mail van de OK van 7 oktober 2025 zijn partijen in staat gesteld uiterlijk 8 oktober 2025 om 10:00 uur op het verzoek van EZ te reageren. De OR en Nexperia hebben het verzoek van EZ gesteund. [bestuurder/CEO] en Yuching hebben per e-mail om uitstel gevraagd, waarna de OK uitstel heeft verleend tot 8 oktober 2025 om 12:00 uur. Bij e-mails van 8 oktober 2025 (respectievelijk 11:59 uur en 12:12 uur) hebben [bestuurder/CEO] en Yuching bezwaar gemaakt tegen het verzoek van EZ.
3.9
Bij beschikking van 8 oktober 2025 (hierna ook: de
opheffingsbeschikking I) [11] heeft de OK, uitvoerbaar bij voorraad, bepaald dat het verbod tot het doen van mededelingen aan derden omtrent deze procedure gedeeltelijk wordt opgeheven, namelijk voor zover die mededelingen worden gedaan door of namens EZ in het kader van diplomatiek overleg met betrekking tot Nexperia in verband met deze zaak. Verder heeft de OK A.R.J. Croiset van Uchelen aangewezen als beheerder van de aandelen als bedoeld in de kop-staart-beschikking (hierna ook: de
OK-beheerder).
3.1
De OK heeft daartoe in de opheffingsbeschikking I als volgt overwogen:
“2.1 De Ondernemingskamer stelt vast dat, gegeven de aan het enquêteverzoek ten grondslag liggende internationale problematiek en de positie waarin Nexperia c.s. zich thans bevinden, het voor Nexperia c.s. van groot belang is dat er op zo kort mogelijke termijn diplomatiek overleg kan plaatsvinden teneinde handelsbelemmeringen voor Nexperia c.s. zoveel mogelijk te voorkomen. Daarbij is noodzakelijk dat zijdens de Minister mededelingen gedaan kunnen worden over de stand van zaken in deze procedure en de gevolgen die dat heeft en mogelijk zal hebben voor de governance van Nexperia c.s. De Ondernemingskamer weegt daarbij mee dat Nexperia c.s. de noodzaak van diplomatiek overleg onderschrijven en dat zijdens de Minister van Economische Zaken is toegezegd dat hij alle ontvangers van informatie over onderhavige procedure zal wijzen op het verbod op het doen van mededelingen en hen zal verzoeken zich hieraan te houden. De Ondernemingskamer zal het verzoek van de Staat daarom toewijzen in die zin dat het verbod om mededelingen over deze procedure zal worden opgeheven voor zover die mededelingen worden gedaan door of namens de Staat (de Minister van Economische Zaken) in het kader van diplomatieke contacten met betrekking tot Nexperia c.s. in verband met deze zaak.
2.2
De Ondernemingskamer zal verder de hierna te vermelden persoon aanwijzen als beheerder van aandelen, één en ander zoals bedoeld in haar beschikking van 7 oktober 2025.”
De opheffingsbeschikking II
3.11
Bij brief van 13 oktober 2025 heeft EZ verzocht het voornoemde mededelingenverbod geheel op te heffen, onder verwijzing naar een bijgevoegd bericht dat door [A] in China zou zijn gepubliceerd. De OK-beheerder, Yuching en [bestuurder/CEO] hebben zich gerefereerd aan het oordeel van de OK. Nexperia heeft het verzoek van EZ gesteund.
3.12
Bij beschikking van 13 oktober 2025 (hierna ook: de
opheffingsbeschikking II) [12] heeft de OK, uitvoerbaar bij voorraad, het mededelingenverbod geheel opgeheven.
3.13
De OK heeft daartoe in de opheffingsbeschikking II als volgt overwogen:
“2.1 Bij beschikkingen van 1 en 7 oktober 2025 heeft de Ondernemingskamer het verbod om mededelingen te doen over deze procedure opgelegd. Het verbod is opgelegd om de betrokken partijen de gelegenheid te bieden om zonder de externe druk die van eventuele publiciteit zou kunnen uitgaan in het belang van Nexperia en haar onderneming tot een werkbare oplossing van de ontstane situatie te komen. Met de publicatie van het bericht door Win[g]tech en de daarop gevolgde nieuwsberichten dient verdere geheimhouding geen redelijk doel meer. De Staat en Nexperia onderschrijven dat. Yuching Holding, [bestuurder/CEO] en de OK-beheerder hebben zich gerefereerd aan het oordeel van de Ondernemingskamer. De Ondernemingskamer zal daarom het verbod opheffen.”
De uitgewerkte beschikking
3.14
Bij beschikking van eveneens 13 oktober 2025 (hierna ook: de
uitgewerkte beschikking) [13] heeft de OK een nadere uitwerking gegeven van de kop-staart-beschikking en de opheffingsbeschikking I. De OK heeft eerst onder het opschrift “Rechtsmacht van de Nederlandse rechter” overwogen waarom zij de bevoegdheid heeft van de verzoeken van Nexperia kennis te nemen (rov. 3.1-3.5), en vervolgens onder het opschrift “Ontvankelijkheid” waarom Nexperia in haar verzoek kan worden ontvangen (rov. 3.6-3.10). Het beroep van Yuching en [bestuurder/CEO] op strijd met de goede procesorde en/of het bepaalde in art. 6 EVRM Pro heeft de OK in de uitgewerkte beschikking met de volgende motivering verworpen:

Strijd met goede procesorde en/of artikel 6 EVRM Pro
3.11
Yuching en [bestuurder/CEO] voeren tot hun verweer verder aan dat de gang van zaken in deze procedure in strijd is met fundamentele beginselen van een goede procesorde en met het bepaalde in artikel 6 EVRM Pro, waaronder het recht op
equality of armsen een redelijke mogelijkheid tot het voeren van verweer. Aan Yuching en [bestuurder/CEO] kan worden toegegeven dat de gang van zaken zeer ongebruikelijk is, omdat (i) de Ondernemingskamer enkele uren na ontvangst van het verzoek
ex parteenige ingrijpende onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen, (ii) de Ondernemingskamer binnen drie werkdagen (vijf dagen) een zitting heeft georganiseerd, terwijl (iii) het gaat om een complexe zaak en (iv) Yuching en [bestuurder/CEO] in deze periode ook nog op zoek moesten naar een advocaat, (v) op een moment waarop in China belangrijke feestdagen worden gevierd.
3.12
De eerste beschikking is
ex partegegeven in het licht van het onderbouwde beroep door Nexperia en de Staat dat zich bij Nexperia een acute noodsituatie voordeed. Zoals de Staat ter zitting heeft toegelicht, was het bevel in voorbereiding op het moment waarop de Staat werd overvallen door de vervroegde invoering van de
50%-rule, welke vervroeging was ingegeven door de sluiting van de federale overheid in de Verenigde Staten. Zoals in het verzoekschrift is onderbouwd, leidde de samenval van de
50%-ruleen het bevel tot een onhoudbare situatie bij Nexperia, nu daarmee haar bedrijfsvoering mogelijk zou kunnen stilvallen.
3.13
Verder is van belang dat de Staat heeft betoogd dat de door Nexperia gedreven onderneming van essentieel belang is voor de economische veiligheid van Nederland en Europa, terwijl op heel korte termijn cruciale bedrijfsprocessen, goederen en kennis verloren dreigden te gaan door verplaatsing naar locaties buiten Europa. De Staat heeft daarbij de vrees uitgesproken dat overtreding van het bevel zeer waarschijnlijk zou leiden tot een feitelijk onomkeerbare situatie. Iedere dag dat deze situatie zou voortduren, zo heeft de Staat betoogd, vormde een bedreiging voor de continuïteit van de onderneming en daarmee voor de economische veiligheid van Nederland en Europa. Onder deze uitzonderlijke omstandigheden is
ex partebeslist tot het treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen, waarmee werd beoogd de situatie te bevriezen tot het verzoek inhoudelijk zou zijn behandeld en om te voorkomen dat in de periode tot aan de inhoudelijke behandeling Nexperia en haar onderneming onherstelbare schade zou worden berokkend.
3.14
Juist uit oogpunt van hoor en wederhoor is besloten deze eenzijdige bevriezing van de situatie zo kort mogelijk te doen voortduren en is op zeer korte termijn een inhoudelijke behandeling gelast. Een tweede reden voor het plannen van een zitting binnen enkele dagen was gelegen in de onderkenning dat Nexperia op korte termijn dreigt te worden getroffen door de maatregelen uit hoofde van de
50%-ruleen dat in de gesprekken van Nexperia, respectievelijk de Staat met de Amerikaanse autoriteiten van groot belang is dat aan die tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde komt. Om die reden heeft de Ondernemingskamer niet bewilligd in het verzoek van Yuching en [bestuurder/CEO] tot uitstel van de mondelinge behandeling.
3.15
Intussen is in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor. Belanghebbenden is tot 9.00 uur op 6 oktober 2025 (maandagochtend), vier uur voor de mondelinge behandeling, gelegenheid gegeven een verweerschrift in te dienen. Yuching heeft een volwaardig verweerschrift ingediend en haar verweer op zitting nader aangevuld. [bestuurder/CEO] - die niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen - heeft op zitting extra tijd gekregen [zijn] positie toe te lichten. De behandeling op zitting is vervolgens meermalen geschorst, opdat de advocaten van [bestuurder/CEO] en Yuching in de gelegenheid werden gesteld telefonisch overleg te plegen met hun cliënten. Aldus is tegen de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak en de hoge spoedeisendheid voldoende recht gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor en de redelijke mogelijkheid geboden tot het voeren van verweer. Het beroep op strijd met de goede procesorde en het bepaalde in artikel 6 EVRM Pro wordt daarom verworpen.”
3.15
Naar voorlopig oordeel van de OK zijn er gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, die geen verband houden met het bevel maar onder meer betrekking hebben op een tegenstrijdig belang van [bestuurder/CEO] , op het niet opvolgen van toezeggingen aan EZ om de governance van Nexperia te wijzigen, op het verlenen van een bankvolmacht aan personen zonder financiële ervaring, en op de ontslagaanzegging van [verweerder 4] en enkele sleutelfunctionarissen uit het EMT:

Gegronde redenen om aan een juist beleid en juiste gang van zaken te twijfelen
3.16
Naar voorlopig oordeel van de Ondernemingskamer zijn gegronde redenen aanwezig om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Dit voorlopig oordeel steunt niet op het bevel en de gronden waarop het bevel berust. Het bevel heeft nog geen formele rechtskracht en er moet rekening mee worden gehouden dat bezwaar en beroep tegen het besluit waarbij het bevel is gegeven zal worden ingesteld. Nu het voorlopig oordeel niet steunt op het bevel, behoeft de Ondernemingskamer verder niet te treden in de uitspraak die in dat kader van de bestuursrechter mag worden verwacht (vgl. HR 24 april 2015, ECLI:NL:HR:2015:1128).
3.17
Het voorlopig oordeel heeft in de eerste plaats betrekking op tegenstrijdig belang. In dit verband memoreert de Ondernemingskamer dat een tegenstrijdig belang als bedoeld in artikel 2:239 lid 6 BW Pro zich voordoet indien een bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming (vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, Bruil). De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Bij aanwezigheid van een tegenstrijdig belang is een hogere mate van zorgvuldigheid vereist in de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de transactie. Daarbij moeten de te onderscheiden belangen op zorgvuldige wijze gescheiden worden gehouden en dient een zo groot mogelijke openheid te worden betracht. De verhoogde zorgvuldigheid dient in beginsel erop te zijn gericht dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden zodat deze zakelijk verantwoord is. Daartoe kan inschakeling van deskundige derden gewenst en onder omstandigheden geboden zijn. Indien in het bestuur beraadslaging en/of besluitvorming plaatsvindt waarbij een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft, dient deze zich op de voet van artikel 2:239 lid 6 BW Pro van deelname te onthouden.
3.18
[bestuurder/CEO] heeft een indirect belang in Nexperia van ongeveer 15%. Tegelijk heeft hij een controlerend belang in WSS. Dat betekent dat [bestuurder/CEO] ten aanzien van transacties tussen Nexperia en WSS te maken heeft met onverenigbare belangen waarbij, zeker nu de financiële positie van WSS slecht is, in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen als bestuurder van Nexperia uitsluitend laat leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming. Tussen Nexperia en WSS zijn in de FSA afspraken gemaakt over
wafersdie door WSS zouden worden geproduceerd en aan Nexperia zouden worden geleverd. Nexperia heeft uitvoerig onderbouwd dat in 2025 zeer grote orders bij WSS werden geplaatst, in een omvang die Nexperia niet nodig heeft en die zelfs - volgens medewerkers van Nexperia - werden geplaatst
for scrap(voor vernietiging). Volgens een interne inschatting van 8 mei 2025 zou het bedrijfsonderdeel
Metal-Oxide-Semiconductorin 25Q2, 25Q3 en 25Q4 in totaal 98.400
wafersnodig hebben. [bestuurder/CEO] drong er evenwel op aan dat Nexperia voor dit bedrijfsonderdeel 215.000
wafersbij WSS zou bestellen. Terwijl bedrijfsonderdeel
Logicverwachtte maandelijks 400
wafersnodig te hebben, wilde [bestuurder/CEO] dat maandelijks 5.000
wafersbij WSS zouden worden besteld. De door [bestuurder/CEO] gewenste orders bij WSS voor 2025 kwamen daarmee uit op US$ 200 miljoen, terwijl de behoefte van de
businesszou leiden tot orders ter grootte van US$ 70-80 miljoen. Volgens interne berichten zou dit betekenen dat de door WSS te leveren
wafersniet verwerkt zullen worden, maar zolang op voorraad zullen worden gehouden dat ze verouderd zijn voordat ze gebruikt kunnen worden, zodat Nexperia de orders feitelijk
for scrapzou plaatsen. De Ondernemingskamer is niet gebleken dat bij het plaatsen van de orders de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht is genomen om te waarborgen dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden en zakelijk verantwoord is. Integendeel, Nexperia heeft voldoende onderbouwd dat betwijfeld kan worden dat [bestuurder/CEO] bij het plaatsen van deze orders uitsluitend het belang van Nexperia voor ogen heeft gehad en niet met name ook dat van WSS. Het gaat daarbij niet om geringe bedragen: volgens Nexperia had zij in 2025 behoefte aan
wafersvoor een totaalbedrag van US$ 70-80 miljoen, terwijl voor US$ 200 miljoen aan orders is geplaatst. Bij dit alles moet worden bedacht dat de FSA op aandringen van [bestuurder/CEO] met ingang van 1 januari 2025 aldus is gewijzigd, dat zij bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet betalen.
3.19
Een tweede grond voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken is gelegen in het niet opvolgen van toezeggingen aan de Staat om de governance van Nexperia te wijzigen - in het bijzonder ten aanzien van de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten. Daarbij moet worden bedacht dat het Nexperia was die in verband met de negatieve gevolgen van de perceptie van de invloed van haar Chinese aandeelhouder contact heeft gezocht met EZK en heeft gevraagd om steun voor haar als Nederlandse onderneming. Het voorgaande ging te meer klemmen toen [A] op de
US Entity Listwerd geplaatst en werd nog urgenter toen Nexperia op 5 juni 2025 en nadien door BZ en EZK erover is geïnformeerd dat de
50%-rulemogelijk zou worden ingevoerd. Voor alle betrokkenen was duidelijk dat de
50%-ruleeen grote negatieve impact op Nexperia en haar onderneming zou kunnen hebben.
3.2
Tegen deze achtergrond roept het gebrek aan voortvarendheid waarmee Nexperia uitvoering heeft gegeven aan de met EZK afgestemde governance wijzigingen de nodige vragen op. Zeker vanaf het moment dat [A] op de
Entity Listis geplaatst moet het voor [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia duidelijk zijn geweest dat implementatie van de in overleg met EZK afgestemde maatregelen nodig was om te voorkomen dat Nexperia en haar onderneming in toenemende mate de nadelige gevolgen zouden ondervinden van de gepercipieerde invloed van haar Chinese aandeelhouder. Desondanks zijn geen stappen gezet om in het belang van Nexperia en haar onderneming tot aanpassing van de governance te komen. Ook niet toen in juni 2025 duidelijk werd dat er een aanzienlijke kans was dat de
50%-rulezou worden ingevoerd, waardoor Nexperia ook direct door handelsbeperkingen uit de Verenigde Staten zou worden geraakt. Vanaf dat moment lag het op de weg van [bestuurder/CEO] om maatregelen te treffen om de kans te minimaliseren dat Nexperia door de
50%-rulezou worden geraakt. Nakoming van de eerdere toezeggingen tot wijziging van de governance werd zeker vanaf dat moment evident in het belang van Nexperia, omdat BZ en/of EZK daarmee een argument kon worden verschaft jegens de autoriteiten in de Verenigde Staten om de
50%-ruleniet ook op Nexperia van toepassing te verklaren. De Ondernemingskamer heeft niet kunnen vaststellen dat behoudens het terugtreden van diens zuster als bestuurder zijdens [bestuurder/CEO] enige maatregel is getroffen om de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan.
3.21
Vanaf september 2025 wees het optreden van [bestuurder/CEO] zelfs eerder in de tegengestelde richting. Zonder zakelijke toelichting werden de betalingsbevoegdheden van de CFO en twee andere financiële sleutelfunctionarissen ingetrokken. In plaats daarvan werd een bankvolmacht verleend aan personen zonder financiële ervaring. Voor een onderneming van de orde van grootte van Nexperia grenst een dergelijke handelwijze aan roekeloosheid. Een paar dagen later kregen [verweerder 4] en enkele sleutelfunctionarissen uit het EMT ontslag aangezegd. De gebruikte woorden ‘We therefore aim to terminate your employment agreement and statutory positions’ maken ondubbelzinnig duidelijk dat het ontslagbesluit al vast stond. De ondernemingsraad was over dit alles niet geïnformeerd, laat staan dat hij op de voet van artikel 30 WOR Pro tijdig om advies was gevraagd over een voorgenomen ontslag van [verweerder 4] als statutair bestuurder. De keuze om in het licht van de nakende toepassing van de
50%-rulezonder overleg of ruggenspraak over te gaan tot het ontslag van deze drie sleutelfunctionarissen in de Nederlandse organisatie van Nexperia bevreemdt te meer nu ook [bestuurder/CEO] in de gesprekken met EZK onderschreef dat het voor Nexperia van belang was het Nederlandse karakter van de onderneming te waarborgen.
3.22
De Ondernemingskamer is reeds gelet op het voorgaande voorshands van oordeel dat gegronde redenen bestaan voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken van Nexperia Holding en Nexperia BV. De overige aangevoerde gronden behoeven daarmee op dit moment geen behandeling.”
3.16
Over de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen is in de uitgewerkte beschikking het volgende overwogen:

Onmiddellijke voorzieningen
3.23
De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Nexperia, zoals die blijkt uit het voorgaande het nodig maakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen. Zij zal [bestuurder/CEO] schorsen als bestuurder van Nexperia en in zijn plaats G.R.C. Dierick tot niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia benoemen. Deze bestuurder heeft in het bestuur een beslissende stem, wat betekent dat overeenkomstig die stem wordt besloten, ook als die stem afwijkt van de meerderheid van de uitgebrachte stemmen. Deze bestuurder zal zich bij de uitoefening van zijn bestuurstaak naar eigen inzicht kunnen doen bijstaan door [bestuurder/CEO] op door hem te bepalen, nader te stellen voorwaarden. De Ondernemingskamer ziet ook aanleiding om de aandelen in Nexperia Holding met uitzondering van één aandeel ten titel van beheer over te dragen aan mr. drs. A.R.J. Croiset van Uchelen. Tot slot ziet de Ondernemingskamer aanleiding de werking van artikel 3 van Pro het Bestuursreglement te schorsen voor zover dit niet reeds strijdig is met dwingend recht.
3.24
Op zitting is uitvoerig met partijen besproken of minder vergaande voorzieningen uit oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit de voorkeur verdienen. De Ondernemingskamer beantwoordt die vraag ontkennend. Wat [bestuurder/CEO] als bestuurder betreft, illustreert zijn handelwijze ten aanzien van onderwerpen waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft, dat hij zich niet uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming, maar mogelijk zijn belangen in WSS de doorslag heeft doen geven ten koste van die van Nexperia. Het bezwaar dat geen uitvoering is gegeven aan eerdere toezeggingen betreffende de wijziging van de governance nadat [A] op de
Entity Listwerd geplaatst en in het zicht van de
50%-ruletreft zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder als Yuching als aandeelhouder. Tegen deze achtergrond acht de Ondernemingskamer een schorsing van [bestuurder/CEO] en het onder beheer plaatsen van alle aandelen minus één aandeel noodzakelijk, en proportioneel met het oog op het belang van de vennootschap, haar onderneming en de daarbij betrokkenen.
3.25
De Ondernemingskamer ziet geen aanleiding [verweerder 4] te schorsen als bestuurder en evenmin om bij onmiddellijke voorziening te verbieden dat hij wordt geschorst of ontslagen. Het is [op] dit moment veeleer in het belang van Nexperia en (de continuïteit van) haar onderneming dat [verweerder 4] en het EMT in staat worden gesteld de uitdagende omstandigheden het hoofd te bieden. De Ondernemingskamer ziet evenmin aanleiding instructie(s) aan de bestuurder te geven; deze dient naar eigen inzicht het belang van Nexperia te dienen. Of dat belang meebrengt dat bezwaar wordt gemaakt tegen het besluit waarbij het bevel is gegeven, is aan het bestuur van Nexperia.”
3.17
Over het door de OK opgelegde mededelingenverbod is in de uitgewerkte beschikking het volgende overwogen:
“3.26 In de kop-staart beschikking van 7 oktober 2025 heeft de Ondernemingskamer partijen verboden (…) mededelingen te doen over deze procedure. Bij beschikkingen van 8 en 13 oktober 2025 is dit verbod gedeeltelijk en vervolgens geheel opgeheven. Om die reden zal hierover in het dictum niets meer worden vermeld.”
3.18
Verder heeft de OK in de uitgewerkte beschikking nog onder meer overwogen:
“3.27 De Ondernemingskamer zal binnen redelijke termijn een zitting bepalen om het enquêteverzoek ten gronde te behandelen.”
Cassatieberoep
3.19
Bij procesinleiding [14] van 26 november 2025 heeft Yuching (tijdig) cassatieberoep ingesteld van de
ex parte-beschikking, de kop-staart-beschikking, de opheffingsbeschikking I, de opheffingsbeschikking II en de uitgewerkte beschikking. Yuching heeft daarbij verzocht om een spoedbehandeling. [15] Omdat de grond voor een spoedbehandeling in strikte zin door de ontwikkelingen is achterhaald (zie met name onder 3.22-3.23 hierna), heeft de rolraadsheer dit verzoek afgewezen, waarbij overigens wel is toegezegd dat ernaar wordt gestreefd de zaak met voortvarendheid te behandelen.
3.2
Door Nexperia, EZ en de OR zijn verweerschriften ingediend.
Ontwikkelingen nadien
3.21
[bestuurder/CEO] heeft eveneens cassatieberoep ingesteld van de vijf onder 3.19 hiervoor genoemde OK-beschikkingen. De cassatieklachten van [bestuurder/CEO] overlappen grotendeels met die van Yuching en in deze samenhangende zaak, die bij de Hoge Raad aanhangig is onder zaaknummer 26/00005, wordt ook door dezelfde partijen verweer gevoerd. Ik neem vandaag in de zaak 26/00005 een afzonderlijke conclusie. Hoewel de cassatieklachten een grote inhoudelijke overlap vertonen, bespreek ik de cassatieklachten in beide conclusies volledig.
3.22
Bij beschikking van 11 februari 2026 (hierna ook: de
eerstefasebeschikking) [16] heeft de OK vastgesteld dat er gegronde redenen bestaan om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, en een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van deze vennootschappen over de periode vanaf 1 december 2023 tot de datum van de beschikking als omschreven in rov. 3.35 (hierna geciteerd). De OK heeft de bij de kop-staart-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen in de eerstefasebeschikking gehandhaafd. Hoewel het onderhavige cassatieberoep van Yuching niet is gericht tegen de eerstefasebeschikking, komt het mij dienstig voor enkele overwegingen uit die beschikking uit te lichten.

De Staat als belanghebbende
3.1
In beschikking 1 [de
ex parte-beschikking, A-G] heeft de Ondernemingskamer de Staat aangemerkt als belanghebbende. Yuching stelt die hoedanigheid ter discussie. Volgens Yuching komt de Staat in deze procedure op ter handhaving van het bevel. Handhaving van het bevel is echter geen eigen belang waarin de Staat door de uitkomst van deze procedure geraakt kan worden, zodat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang. Indien het openbare belang moet worden behartigd door middel van een enquêteprocedure, is dit volgens Yuching op grond van de wet exclusief voorbehouden aan het Openbaar Ministerie. Verder levert de uitoefening door de Staat van eventuele privaatrechtelijke bevoegdheden als belanghebbende in deze procedure volgens Yuching een onaanvaardbare doorkruising op van de handhavingsbevoegdheden krachtens de Wbg en de Algemene wet bestuursrecht (Awb), waaruit volgt dat het bevel slechts via het bestuursrecht kan worden gehandhaafd. Daarbij komt dat de Staat kennelijk beoogt om via het enquêterecht preventief handhavend op te treden, terwijl hij die bevoegdheid op grond van de Wbg en de Awb niet heeft, aldus telkens Yuching.
3.2
De Ondernemingskamer verwerpt dit betoog. Het feit dat het Openbaar Ministerie ingevolge artikel 124 Wet Pro RO is belast met de strafrechtelijke handhaving en andere bij wet vastgestelde taken staat niet eraan in de weg dat de Staat in een enquêteprocedure optreedt als belanghebbende. Ook de bevoegdheden die in de artikelen 2:345 lid 2, 2:349 lid 1 en 2:355 lid 1 BW zijn toegekend aan de advocaat-generaal bij het ressortsparket Amsterdam staan hieraan niet in de weg (vgl. o.a. HR 4 november 2016, ECLI:NL:HR:2016:2456,
SNS; HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:600,
SNS).
3.3
De vraag of de Staat belanghebbende is, moet worden beoordeeld op basis van de maatstaf die de Hoge Raad heeft geformuleerd in de
Scheipar-beschikking (HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440). Volgens de Hoge Raad zal daarbij een rol spelen (i) in hoeverre de Staat door de uitkomst van (…) deze procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat hij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of (ii) in hoeverre de Staat anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.
3.4
De Ondernemingskamer merkt de Staat reeds op de tweede grond aan als belanghebbende. Een belangrijk onderwerp dat in deze procedure wordt behandeld is het beleid en de gang van zaken bij Nexperia in relatie tot de met EZ vanaf 2023 gevoerde gesprekken. Nexperia heeft uit eigen beweging steun bij EZ gezocht om te worden erkend als Nederlands (Europees) halfgeleiderbedrijf. In het enquêteverzoek en in de verschillende verweerschriften komt onder meer aan de orde de vraag welke voorwaarden EZ heeft gesteld aan het verlenen van steun, welke toezeggingen Nexperia in dit verband heeft gedaan, of zij van bepaalde toezeggingen is teruggekomen en of (en zo ja: hoe) zij aan toezeggingen aan EZ uitvoering heeft gegeven. Reeds in deze betrokkenheid van EZ is een voldoende belang gelegen voor de Staat om in de procedure als belanghebbende te verschijnen. Daarom kan in het midden blijven of de Staat in de procedure (slechts) beoogt het bevel te handhaven en of daarmee de uitoefening door de Staat van zijn publiekrechtelijke bevoegdheden uit hoofde van de Wbg en Awb op onaanvaardbare wijze wordt doorkruist.
(…)
Belangenafweging en onderzoek
3.32
Yuching en [bestuurder/CEO] hebben betoogd dat het verzoek - ook bij gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken - op grond van een belangenafweging moet worden afgewezen. Zij voeren aan dat de enquêteprocedure heeft geleid tot aanzienlijke schade voor Nexperia, zowel operationeel als financieel. Tegelijk moet worden erkend, zo betogen Yuching en [bestuurder/CEO] , dat een onderzoek geen oplossing kan bieden voor de problematiek die Nexperia aan de orde stelt, noch voor de huidige crisis, nu deze in de kern het gevolg is van de gewijzigde geopolitieke verhoudingen en het optreden van de Minister. Een onderzoek zal de onderneming van Nexperia juist nog verder belasten, zo betogen zij. Ook kan het onderzoek niet het publieke belang dienen nu de enquêteprocedure niet geschikt is om de ‘economische veiligheid’ in Nederland en Europa te waarborgen. Het verkrijgen van openheid van zaken en het vaststellen bij wie de verantwoordelijkheid berust voor mogelijk blijkend wanbeleid had volgens hen ook op andere wijze kunnen worden gerealiseerd. Er is bovendien een gerede kans dat er aan het eind van een eventueel onderzoek geen aan Nexperia verbonden onderneming meer zal bestaan. Daarbij wijzen zij op het vertrek van werknemers en klanten. Maatregelen van reorganisatorische aard kunnen in dit geval geen soelaas bieden. Het enige wat resteert is een schadevergoedingsvordering tegen de Nederlandse staat, zo betogen Yuching en [bestuurder/CEO] .
3.33
De Ondernemingskamer stelt voorop dat de bevoegdheid een enquête te bevelen indien er gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of een juiste gang van zaken te twijfelen, een discretionaire is. Bij de uitoefening van die bevoegdheid dient een afweging van de betrokken belangen plaats te vinden. De belangenafweging moet steunen op de feiten en omstandigheden van het concrete geval, waarbij naast de doeleinden van het enquêterecht mede moeten worden betrokken de aard van het tussen de verzoeker en de rechtspersoon bestaande geschil en de bezwaren tegen een ruime toepassing van het middel van enquête. De regeling van het enquêterecht is gericht op het belang van de rechtspersoon en bij de belangenafweging staat dat belang daarom voorop (HR, 18 november 2022, ECLI:NL:HR:2022:1705,
SMHHC).
3.34
In de belangenafweging spelen het bevel, de opschorting daarvan en de beweegredenen die aan die besluiten ten grondslag liggen geen rol; de Ondernemingskamer treedt niet in deze onderwerpen die zich bevinden buiten het bereik van het enquêterecht. Uit het voorgaande is gebleken dat op belangrijke onderdelen van het vennootschapsrechtelijke en ondernemingsbeleid twijfel is gerezen. Het betreft onder meer kernelementen van goed bestuur, waaronder de naleving van vennootschapsrechtelijke regels bij tegenstrijdig belang en het functioneren van collegiaal bestuur, onder meer bij de vaststelling van de strategie. Die twijfel over het interne functioneren van het bestuur werkt ook door naar het ondernemingsbeleid - zie bijvoorbeeld de gang van zaken bij het intrekken van de bankvolmachten ondanks principiële bezwaren van een van de twee statutaire bestuurders. Een te gelasten onderzoek kan over de oorzaken van dit alles meer duidelijkheid geven en daarmee handvatten bieden voor het treffen van maatregelen om de rust binnen de onderneming te herstellen en in het belang van Nexperia herhaling te voorkomen. De Ondernemingskamer heeft er oog voor dat Nexperia onderdeel is van een internationaal concern met een wereldwijd vertakte onderneming en een Chinese aandeelhouder. Ook onderkent zij dat Nexperia als gevolg van geopolitieke ontwikkelingen werd geplaatst voor ingewikkelde dilemma’s. Dat alles brengt echter niet mee dat in dit geval een onderzoek achterwege dient te blijven.
3.35
De Ondernemingskamer zal een onderzoek gelasten naar het beleid en de gang van zaken van Nexperia vanaf eind 2023, toen Nexperia voor het eerst contact zocht met EZ. Gelet op het voorgaande dient het onderzoek zich in het bijzonder toe te spitsen op:
a. de wijze waarop Nexperia is omgegaan met tegenstrijdig belang. Naast de onderwerpen die onder 3.9-3.15 aan de orde zijn gekomen, kan de onderzoeker ook andere onderwerpen die betrekking hebben op tegenstrijdig belang in zijn onderzoek betrekken. Daarbij valt te denken aan de
deposit agreementen de discussie over het ter beschikking stellen van machines en van IE-rechten aan WSS;
b. de wijze waarop Nexperia heeft geacteerd in het licht van de
listingvan [A] en de dreigende toepassing van de
50%-ruleop Nexperia. Daarbij dient het onderzoek in het bijzonder betrekking te hebben op de gang van zaken in relatie tot EZ en andere Nederlandse overheidsorganen. Verder dient aandacht te worden besteed aan de strategische keuzes die daarbij zijn gemaakt, hoe deze zich verhouden tot de gesprekken met EZ en in hoeverre deze berusten op deugdelijke en collegiale besluitvorming binnen het statutair bestuur en het EMT. Daarbij kan, zoals subsidiair en voorwaardelijk door Yuching is verzocht, ook aandacht worden besteed aan het optreden van de CLO, CFO en COO in dat kader;
c. de gang van zaken rondom de intrekking van de bankvolmachten en de ontslagaanzegging van de CLO, CFO en COO. Desgewenst kan onderzoeker deze onderwerpen behandelen als onderdeel van het onder b bedoelde onderwerp;
d. de gang van zaken na de beschikking van 1 oktober 2025 tot heden, in het bijzonder omtrent het schisma tussen Nexperia enerzijds en [bestuurder/CEO] , [A] , Yuching en Nexperia China anderzijds.
(…)
Onmiddellijke voorzieningen
3.38
De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Nexperia, zoals die blijkt uit het voorgaande het nodig maakt dat de eerder getroffen onmiddellijke voorzieningen worden gehandhaafd. De toestand van Nexperia vraagt nu in de eerste plaats om rust zodat zij in staat gesteld wordt de gezonde interne verhoudingen, haar productieketen en de levering aan haar klanten wereldwijd te herstellen. Dat vereist een bestuur dat in zijn functioneren niet belemmerd wordt door het geschil tussen de verschillende onderdelen van de multinationale onderneming van Nexperia en/of haar aandeelhouder. Daarnaast heeft Nexperia nog steeds het hoofd te bieden aan de geopolitieke omstandigheden en de beperkingen die dat meebrengt voor het functioneren van haar wereldwijde onderneming. Handhaving van de onmiddellijke voorzieningen stelt Nexperia in staat om daarvoor een oplossing te vinden.
3.39
De Ondernemingskamer zal in de eerste plaats de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia en de benoeming van G.R.C. Dierick tot niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia met beslissende stem handhaven. De Ondernemingskamer onderkent dat de schorsing voor [bestuurder/CEO] om diverse (door [bestuurder/CEO] in zijn verweerschrift uiteengezette) gronden bezwaarlijk kan zijn, maar deze bezwaren wegen gelet op de gegronde redenen voor twijfel aan het beleid en de gang van zaken niet op tegen het belang van Nexperia bij rust en het herstel van gezonde verhoudingen.
3.4
De Ondernemingskamer ziet ook aanleiding om de overdracht van de aandelen in Nexperia Holding met uitzondering van één aandeel ten titel van beheer aan A.R.J. Croiset van Uchelen te handhaven. Naar het oordeel van de Ondernemingskamer kan het in het belang van Nexperia noodzakelijke herstel van gezonde verhoudingen alleen worden bereikt als de daarvoor nodige besluitvorming binnen de algemene vergadering onbelemmerd kan plaatsvinden. De toestand van de vennootschap vereist daarom dat de tijdelijke overdracht ten titel van beheer van alle aandelen minus één, in stand blijft. De keuze om één aandeel in Nexperia Holding bij Yuching te laten is gemaakt om te waarborgen dat Yuching toegang houdt tot de algemene vergadering van Nexperia Holding en de in dat kader aan de aandeelhouders te verstrekken informatie. De Ondernemingskamer merkt daarbij op dat de overdracht ten titel van beheer betekent dat de aan de aandelen verbonden vennootschapsrechtelijke bevoegdheden (waaronder het vergaderrecht en het stemrecht) tijdelijk zijn overgedragen aan de OK-beheerder, maar dat de overige (economische) aandeelhoudersrechten - waaronder het recht op dividend, voorkeursrechten en rechten in het kader van de geschillenregeling en de uitkoopprocedure - bij de aandeelhouder blijven. De door de Ondernemingskamer benoemde beheerder van aandelen is dan ook niet bevoegd om over de aan hem in beheer gegeven aandelen te beschikken; die bevoegdheid blijft bij de aandeelhouder (vgl. OK 30 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1535).
(…).”
3.23
Bij beschikking van 17 februari 2026 [17] heeft de OK M. Bijkerk en R.J.W. Analbers aangewezen als onderzoekers.
3.24
Het is mij ambtshalve bekend dat Yuching en [bestuurder/CEO] inmiddels ook, op 8 mei 2026 respectievelijk 11 mei 2026, cassatieberoep hebben ingesteld van de eerstefasebeschikking en de OK-beschikking van 17 februari 2026. Deze cassatieberoepen zijn bij de Hoge Raad aanhangig onder zaaknummer 26/01783 (Yuching) en zaaknummer 26/01817 ( [bestuurder/CEO] ). Voor de goede orde: op deze cassatieberoepen ziet de onderhavige conclusie niet.

4.Bespreking van het cassatiemiddel

4.1
Het cassatiemiddel van Yuching beslaat ruim 70 pagina’s. Het middel vangt aan met een inleiding zonder klacht [18] en bevat vervolgens vijf onderdelen, die ik kort samenvat.
-
Onderdeel 1klaagt in de kern dat de OK Yuchings recht op een eerlijk proces (art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro), met name hoor/wederhoor en
equality of arms, en daarmee ook het recht op eigendom in de zin van art. 1 Eerste Pro Protocol bij het EVRM (hierna: het
EP EVRM), heeft geschonden. [19]
-
Onderdeel 2komt erop neer dat de OK EZ ten onrechte heeft aangemerkt als belanghebbende dan wel dat bij het optreden van EZ als belanghebbende sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrechtelijke kader. [20]
-
Onderdeel 3komt op tegen het voorlopige oordeel van de OK dat sprake is van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. [21]
-
Onderdeel 4komt op tegen de door de OK ten laste van Yuching getroffen onmiddellijke voorziening van overdracht ten titel van beheer van alle aandelen (minus één). [22]
-
Onderdeel 5, ten slotte, klaagt dat de OK bij het opgelegde mededelingenverbod in verschillende opzichten de grenzen van art. 28 Rv Pro heeft miskend. [23]
Vooraf: iets over ontvankelijkheid en belang
4.2
Het cassatiemiddel van Yuching geeft mij aanleiding tot de volgende prealabele opmerkingen over ontvankelijkheid en belang.
4.3
Doorgaans wordt in enquêteprocedures onderscheid gemaakt tussen twee fasen. [24] De eerste fase begint met het indienen van het enquêteverzoek als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW Pro en eindigt in geval van toewijzing in beginsel met de deponering van het onderzoekverslag ter griffie van de OK (art. 2:353 lid 1 BW Pro). In onze zaak is de eerste fase dus gestart op 1 oktober 2025 (zie onder 3.1 hiervoor) en loopt die fase, gelet op het in de eerstefasebeschikking bevolen onderzoek gevolgd door de aanwijzing van twee onderzoekers, in beginsel nog door tot de deponering van het onderzoekverslag ter griffie van de OK. Indien het tot een tweede fase komt, neemt die eerst een aanvang met het indienen van een verzoek tot het vaststellen van wanbeleid als bedoeld in art. 2:355 lid 1 BW Pro. [25] Het is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat de beide fasen als twee afzonderlijke procedures worden beschouwd. [26] De eerstefasebeschikking is met andere woorden een eindbeschikking waarvan cassatieberoep openstaat. [27] Zowel in de eerste fase als in de tweede fase kan de OK onmiddellijke voorzieningen treffen als bedoeld in art. 2:349a BW [28] (voor de tweede fase in verbinding met art. 2:355 lid 3 BW Pro). Onmiddellijke voorzieningen zijn voorlopige voorzieningen als bedoeld in art. 401a lid 1 Rv en met betrekking tot een OK-beschikking waarin onmiddellijke voorzieningen zijn getroffen, bestaat dus in beginsel een keuze om dadelijk cassatieberoep in te stellen van die beschikking (art. 401a lid 1 Rv in verbinding met art. 426 Rv Pro) of dat tegelijk te doen met het cassatieberoep van de desbetreffende eindbeschikking (in dit geval zou dat dus tegelijk met het cassatieberoep van de eerstefasebeschikking zijn). [29]
4.4
Yuching heeft met het instellen van het onderhavige cassatieberoep niet gewacht tot het instellen van cassatieberoep van de eerstefasebeschikking. [30] Niet alle vijf bestreden OK-beschikkingen zijn echter uitspraken waarbij een voorlopige voorziening wordt toegestaan of geweigerd als bedoeld in art. 401a lid 1 Rv in verbinding met art. 426 Rv Pro. Alleen de
ex parte-beschikking, de kop-staart-beschikking en de uitgewerkte beschikking kwalificeren als zodanig. Dat geldt
nietvoor de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II voor zover die verband houden met art. 28 Rv Pro. In art. 28 lid 2 Rv Pro is geregeld dat de rechter het mededelingenverbod als bedoeld in lid 1 van de bepaling op verzoek van een van de partijen geheel of gedeeltelijk kan opheffen. Eerst heeft EZ op de voet van art. 28 lid 2 Rv Pro [31] verzocht om gedeeltelijke opheffing van het verbod, welk verzoek is toegewezen in de opheffingsbeschikking I. Vervolgens heeft EZ op diezelfde voet verzocht om het verbod geheel op te heffen, [32] welk verzoek is toegewezen in de opheffingsbeschikking II. In art. 28 Rv Pro is niet uitgemaakt of tegen de beslissing op het verzoek als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv Pro een voorziening openstaat. [33] Op het eerste gezicht lijkt het gebruik van de woorden “op verzoek” in art. 28 lid 2 Rv Pro te wijzen op toepasselijkheid van de regels voor de verzoekschriftprocedure (art. 261 e.v. Rv), waaruit dan zou kunnen worden afgeleid dat tegen een opheffingsbeschikking een rechtsmiddel (in dit geval cassatieberoep) openstaat. [34] Het gebruik van de wettelijke term “op verzoek” impliceert echter niet altijd dat de regels voor de verzoekschriftprocedure van toepassing zijn. [35] Volgens Lock lijkt voor art. 28 lid 2 Rv Pro ook veeleer aannemelijk dat de wetgever het oog heeft gehad op de informelere ‘procedure op verlangen’. [36] Dat ook op informele wijze (niet bij verzoekschrift, maar bijvoorbeeld per gewone brief) om opheffing kan worden verzocht, [37] betekent echter niet zonder meer dat tegen een beschikking waarin op een dergelijk verzoek is beslist geen rechtsmiddel openstaat. Volgens Tjong Tjin Tai is de beslissing op het verzoek tot gehele of gedeeltelijke opheffing als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv Pro een eindbeschikking waar
geenrechtsmiddel tegen openstaat. [38] Daarvan uitgaande, geldt het volgende.
4.5
Yuching is dan in beginsel niet-ontvankelijk in haar cassatieberoep voor zover dat is gericht tegen de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II. Voor de opheffingsbeschikking I plaats ik daarbij de kanttekening dat Yuching wél in haar cassatieberoep van deze beschikking kan worden ontvangen voor zover het de beslissing tot aanwijzing van de OK-beheerder betreft (zie rov. 2.2 en dictum). [39] Dit laatste staat immers niet in de sleutel van art. 28 lid 2 Rv Pro, maar van art. 2:349a lid 3 BW. En daartegen kan Yuching als gezegd, gelet op art. 401a lid 1 Rv in verbinding met art. 426 Rv Pro, in cassatie wél (dadelijk) opkomen.
4.6
Bij het voorgaande dient verder de mogelijkheid van een doorbrekingsgrond onder ogen te worden gezien. Zo is vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat bij veronachtzaming van een zo fundamenteel beginsel van behoorlijke rechtspleging, zoals het beginsel van hoor/wederhoor, niet meer kan worden gesproken van een eerlijke en onpartijdige behandeling van de zaak en grond bestaat voor doorbreking van een rechtsmiddelenverbod. [40]
4.7
Volgens Yuchings onderdeel 1 is sprake van schending van haar recht op een eerlijk proces, met name hoor/wederhoor en
equality of arms. Als ik het goed zie, richt Yuching haar pijlen in dit onderdeel echter niet op de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II. [41] Dat bij deze opheffingsbeslissingen essentiële vormen zouden zijn verzuimd, valt overigens ook niet in te zien. Uit de opheffingsbeschikking I blijkt immers dat de OK het uitgestelde verweer van Yuching en [bestuurder/CEO] tegen de gedeeltelijke opheffing van het verbod in de beoordeling heeft betrokken, [42] en uit de opheffingsbeschikking II blijkt dat Yuching en [bestuurder/CEO] tijdig te kennen hebben gegeven dat zij zich refereren aan het oordeel van de OK over de gehele opheffing van het verbod. [43] Deze beschikkingen dateren ook van na de mondelinge behandeling op 6 oktober 2025.
4.8
In Yuchings onderdeel 2 zou wellicht een beroep op een andere mogelijke doorbrekingsgrond gelezen kunnen worden, namelijk dat de OK buiten het toepassingsgebied van art. 28 Rv Pro is getreden in de opheffingsbeschikking I, bij het verzoek van EZ (belanghebbende) tot gedeeltelijke opheffing van het verbod op de voet van art. 28 lid 2 Rv Pro. [44] Een dergelijk verzoek kan volgens de wettekst alleen worden gedaan door “een der partijen”, welk partijbegrip blijkens de wetsgeschiedenis ruim moet worden uitgelegd en in een verzoekschriftprocedure ook een belanghebbende omvat. [45] Volgens onderdeel 2 is EZ ten onrechte als belanghebbende aangemerkt. [46] Dat zou kunnen worden verstaan als het buiten het toepassingsgebied van art. 28 Rv Pro treden, in de zin dat het verzoek dan niet door een der partijen als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv Pro is gedaan, namelijk volgens dit onderdeel door een niet-belanghebbende. Hoe dit ook zij, onderdeel 2 is alleen gericht tegen de opheffingsbeschikking I en laat dus onbestreden de opheffingsbeschikking II waarin eveneens op verzoek van EZ het desbetreffende verbod geheel is opgeheven, zodat al geen belang bestaat bij cassatieberoep van de opheffingbeschikking I in verband met EZ als belanghebbende.
4.9
In Yuchings onderdeel 5 komt de opheffingsbeschikking II nog wel aan de orde. Dit onderdeel is onder meer gericht tegen rov. 2.1 van deze beschikking voor zover de OK daarin heeft overwogen wat de reden voor het opleggen van het verbod is geweest, te weten om de betrokken partijen de gelegenheid te bieden zonder de externe druk die van eventuele publiciteit zou kunnen uitgaan in het belang van Nexperia en haar onderneming tot een werkbare oplossing van de ontstane situatie te komen. [47] De motivering voor het opleggen van het verbod blijkt echter al uit de
ex parte-beschikking, rov. 2.2. Dat een van de redenen voor het
opleggenvan het verbod in de opheffingsbeschikking II, rov. 2.1 nog eens wordt herhaald, levert geen grond op voor cassatie(beroep) van de beslissing in de opheffingsbeschikking II om het verbod geheel
op te heffen.
4.1
Hoewel EZ reeds in de
ex parte-beschikking als belanghebbende is aangemerkt, heeft de OK de motivering voor de toelating van EZ als belanghebbende pas in de eerstefasebeschikking gegeven (rov. 3.1-3.4). Deze motivering (geciteerd onder 3.22 hiervoor) kan dan volgens mij wel bij de beoordeling van Yuchings onderdeel 2 worden betrokken, overigens met de kanttekening dat zij hier, gelet op de volgorde van/het tijdsverloop tussen de PI en de eerstefasebeschikking, nog geen rekening heeft kunnen houden met deze motivering. Eenzelfde dynamiek speelt in het kader van Yuchings onderdeel 4 over de getroffen onmiddellijke voorziening van overdracht ten titel van beheer van alle aandelen minus één. In de eerstefasebeschikking heeft de OK toegelicht waarom voor deze onmiddellijke voorziening is gekozen (rov. 3.40, ook geciteerd onder 3.22 hiervoor). Wel is het zo dat de OK in de uitgewerkte beschikking (rov. 3.24) hierover ook al enig licht laat schijnen.
4.11
Verder merk ik nog op dat Yuchings onderdeel 5, anders dan de onderdelen 1 t/m 4,
geenverband houdt met de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen. Dit onderdeel heeft betrekking op de reikwijdte van het door de OK in verband met art. 28 lid 1 Rv Pro in de
ex parte-beschikking opgelegde en in de kop-staart-beschikking gehandhaafde mededelingenverbod. Onderdeel 5 klaagt dat de OK met dit verbod in verschillende opzichten de grenzen van art. 28 Rv Pro heeft miskend. Wordt aangenomen dat geen cassatieberoep openstaat van de beslissingen op het verzoek als bedoeld in art. 28 lid 2 Rv Pro om het verbod eerst gedeeltelijk (opheffingsbeschikking I) en daarna geheel (opheffingsbeschikking II)
op te heffen, dan laat dit onverlet dat in het onderhavige cassatieberoep wel erover geklaagd kan worden dat de OK bij het opgelegde verbod buiten het toepassingsgebied van art. 28 Rv Pro zou zijn getreden. Zie vanaf 4.149 hierna.
4.12
Resumerend concludeer ik, uitgaande van de hiervoor geschetste lijn, tot niet-ontvankelijkheid van Yuching in haar cassatieberoep betreffende de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II voor zover daarin beslissingen op de voet van art. 28 lid 2 Rv Pro zijn gegeven. Dit met de kanttekening dat voor zover de opheffingsbeschikking I verband houdt met het treffen van onmiddellijke voorzieningen (dat wil hier dus zeggen: de beslissing over de aanwijzing van de OK-beheerder als bedoeld in de kop-staart-beschikking) Yuching wél, evenals bij de andere drie beschikkingen (de
ex parte-beschikking, de kop-staart-beschikking en de uitgewerkte beschikking), in haar cassatieberoep kan worden ontvangen.
4.13
Voor zover wel een rechtsmiddel zou openstaan tegen de beslissingen op de voet van art. 28 lid 2 Rv Pro in de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II merk ik op dat Yuching, gelet ook op de feitelijke gang van zaken en haar uiteindelijke opstelling ter zake bij de OK (zie nader onder 3.13 en 4.7 hiervoor), ook geen belang heeft bij vernietiging van deze opheffingsbeslissingen en het cassatieberoep voor zover het is gericht tegen deze opheffingsbeslissingen dus hoe dan ook dient te worden afgewezen (verworpen). Overigens verdient nog opmerking dat voor zover de opheffingsbeschikking I wordt betrokken in subonderdeel 2.2 (zie
PI 105), te gelden heeft dat het daarin door Yuching gedane beroep op de ‘doorkruisingsleer’ in ieder geval faalt, nog los van het voorgaande. Zie vanaf 4.75 hierna.
Nu naar de inhoud
4.14
Daarmee kom ik toe aan de inhoudelijke bespreking van Yuchings cassatieklachten.
Onderdeel 1(“Schending van Yuchings recht op een eerlijk proces, met name hoor en wederhoor en equality of arms. Daarmee ook schending van het recht op eigendom in de zin van art. 1 Eerste Pro Protocol EVRM”)
4.15
Onderdeel 1 (
PI 38) klaagt in de kern dat de OK met de procesgang voorafgaand aan de
ex parte-beschikking en daarna, uitmondend in de kop-staart-beschikking en de uitgewerkte beschikking, Yuchings door art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro gewaarborgde recht op een eerlijke behandeling van de zaak heeft geschonden. Volgens het onderdeel heeft de OK ten onrechte onmiddellijke voorzieningen getroffen, met name de overdracht van Yuchings aandelen ten titel van beheer, en deze vervolgens (minus één aandeel) gehandhaafd, zonder Yuching voldoende in de gelegenheid te stellen zich daartegen te verweren. Deze schendingen van het recht op een eerlijk proces maken tevens dat de
ex parte-beschikking, de kop-staart-beschikking en de uitgewerkte beschikking tezamen strijdig zijn met art. 1 EP Pro EVRM. Het onderdeel is uitgewerkt in drie subonderdelen. [48]
4.16
Volgens
subonderdeel 1.1 [49] (
PI 39, 40) bestaat, kort samengevat, geen voldoende wettelijke grondslag voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen in een enquêteprocedure, althans voor de overdracht van Yuchings aandelen ten titel van beheer, zonder dat de daardoor direct geraakte belanghebbenden van tevoren worden gehoord en de mogelijkheid hebben om verweer te voeren. Het subonderdeel bevat een rechtsklacht (toegelicht in
PI 41-58) en een motiveringsklacht (toegelicht in
PI 59-61).
Behandeling
4.17
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.18
Onder 4.18.1-4.18.8 hierna maak ik enkele inleidende opmerkingen. Onder 4.19 hierna keer ik terug naar het subonderdeel, te beginnen met de rechtsklacht.
4.18.1
Het recht op rechterlijk gehoor en het daarmee samenhangende recht op hoor/wederhoor (art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro), waaronder
equality of arms, wordt wel beschouwd als het meest fundamentele beginsel van het (burgerlijk) procesrecht. [50] Hoewel het naar de letter gaat om een recht van partijen, is het ook toepasselijk op belanghebbenden in een verzoekschriftprocedure. [51] Art. 6 EVRM Pro kan eveneens spelen bij de behandeling van een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen in de zin van art. 2:349a BW als door die onmiddellijke voorzieningen, die kunnen worden beschouwd als zogenoemde
interim measures, burgerlijke rechten en verplichtingen worden vastgesteld. [52] Toch is het niet zo dat de OK in verband met het bepaalde in art. 19 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro nimmer mag beslissen op een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen zonder belanghebbenden, zoals hier Yuching, in de gelegenheid te hebben gesteld zich over dat verzoek uit te laten. Een dergelijke absolute gelding hebben die bepalingen niet. [53]
4.18.2
Zo laat de EHRM-rechtspraak over
interim measuresuitdrukkelijk de mogelijkheid open dat in uitzonderlijke (spoedeisende) gevallen burgerlijke rechten en verplichtingen kunnen worden vastgesteld zonder dat onmiddellijk aan alle vereisten van art. 6 EVRM Pro wordt voldaan. [54] En zo biedt art. 19 lid 1 Rv Pro uitdrukkelijk de ruimte voor uitzonderingen, want “een en ander tenzij uit de wet anders voortvloeit”. [55] Een bekend voorbeeld van dit laatste is het verzoek tot verlof voor het leggen van conservatoir beslag waarop de voorzieningenrechter na summier onderzoek en meestal [56] beslist zonder de aspirant-beslagene vooraf te hebben gehoord (zie art. 700 Rv Pro). [57] Daarnaast zijn ook gevallen uit de rechtspraak bekend waarin een partij afstand heeft gedaan van de in het beginsel van hoor/wederhoor gelegen bescherming, of waarin een partij geen belang heeft bij hoor/wederhoor over een bepaald stuk. [58]
4.18.3
Het is verder vaste rechtspraak van de Hoge Raad dat, hoewel de rechter in verband met het bepaalde in art. 19 Rv Pro of art. 6 EVRM Pro in het algemeen niet op een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening mag beslissen zonder de belanghebbende(n) in de gelegenheid te hebben gesteld zich over dat verzoek uit te laten, de omstandigheden van het concrete geval zodanig bijzonder kunnen zijn dat de rechter met spoed voorlopig op dat verzoek beslist zonder de belanghebbende(n) te horen. [59] Geen wet van Meden en Perzen derhalve.
4.18.4
Illustratief is de volgende passage uit een Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007: [60]
“(…) Voorzover het onderdeel berust op de opvatting dat een verzoek ingevolge art. 2:298 lid 2 BW Pro tot het treffen van voorlopige voorzieningen als de onderhavige nimmer kan worden toegewezen zonder dat de betrokken bestuurder vooraf is gehoord, faalt het omdat die opvatting in haar algemeenheid onjuist is. In het algemeen dient de rechter niet te beslissen zonder een dergelijk verhoor vooraf. Het bepaalde in art. 19 Rv Pro. of art. 6 EVRM Pro staat echter niet eraan in de weg dat de rechter met het oog op de ernst van de aan het verzoek tot schorsing van een bestuurder en benoeming van een tijdelijk bestuurder ten grondslag gelegde feiten of de spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen, tot het treffen daarvan overgaat zonder de betrokken bestuurder vooraf te horen. Bij de verdere behandeling van het verzoek tot ontslag van de voorlopig geschorste bestuurder dient de rechter dan, eventueel na een verzoek tot vervroegde mondelinge behandeling, te beoordelen of de gronden tot het treffen van de voorlopige voorzieningen en de noodzaak tot het handhaven daarvan nog steeds bestaan, en zijn oordeel dienaangaande, indien hetgeen de geschorste bestuurder in dat verband aanvoert daartoe aanleiding geeft, nader te motiveren.”
4.18.5
Hierop bouwde de Hoge Raad op 14 december 2018 als volgt voort, inzake een beslissing tot schorsing van een schriftelijke aanwijzing op de voet van art. 1:264 lid Pro 1, laatste zin BW (waarop de algemene bepaling inzake voorlopige voorzieningen van art. 223 Rv Pro van overeenkomstige toepassing is): [61]
“Hoewel de rechter in verband met het bepaalde in art. 19 Rv Pro of art. 6 EVRM Pro in het algemeen niet op een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening mag beslissen zonder de belanghebbenden in de gelegenheid te hebben gesteld zich over dat verzoek uit te laten, kan dat anders zijn bij een verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening als hier aan de orde. Genoemde bepalingen staan niet eraan in de weg dat de kinderrechter met het oog op de spoedeisendheid van het verzoek tot schorsing van een schriftelijke aanwijzing, mede gelet op de ernst van de eraan ten grondslag gelegde feiten, met spoed voorlopig op dat verzoek beslist zonder de belanghebbenden te horen. Het is aan de kinderrechter overgelaten of hij daartoe overgaat. Beslist de kinderrechter met spoed voorlopig en zonder de belanghebbenden te horen op het schorsingsverzoek, dan dient hij bij de verdere behandeling van het verzoek tot vervallenverklaring, eventueel na een verzoek tot vervroegde mondelinge behandeling, het schorsingsverzoek nader te beoordelen en zijn oordeel dienaangaande zo nodig te heroverwegen of nader te motiveren mede in het licht van hetgeen de belanghebbenden in dat verband aanvoeren (vgl. HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324).”
4.18.6
Waar de omstandigheden van het concrete geval de rechter aanleiding geven met spoed voorlopig op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening te beslissen zonder de belanghebbende(n) te horen, kan, voor zover dan nodig, de wettelijke basis voor een uitzondering in de zin van art. 19 lid 1 Rv Pro gevonden worden: in de algemene regeling inzake voorlopige voorzieningen van art. 223 Rv Pro, waar deze zich leent voor overeenkomstige toepassing in de desbetreffende verzoekschriftprocedure; [62] of in een bijzondere regeling inzake voorlopige voorzieningen, zoals in Boek 2 BW te vinden is in het stichtingenrecht (art. 2:298 lid 2 BW Pro) [63] , [64] en in het enquêterecht (art. 2:349a lid 2-3 BW), [65] waarbij aan overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv Pro niet wordt toegekomen. [66] Ik schrijf “voor zover dan nodig”, nu in de literatuur wel lijkt te worden aangenomen dat een dergelijk spoedeisend geval een afzonderlijke categorie betreft, naast het geval waarin een (uitdrukkelijke) wettelijke basis voor een uitzondering in zin van art. 19 lid 1 Rv Pro is vereist en bestaat, zoals het reeds genoemde art. 700 Rv Pro. [67] De rechtspraak van het EHRM biedt hiertoe trouwens ook een aanknopingspunt. [68]
4.18.7
In de onderhavige zaak gaat het om een enquêteprocedure. Dat daarin, voor zover nodig, art. 2:349a lid 2-3 BW
als zodanigzo’n wettelijke basis biedt, laat zich ook onderbouwen door een parallel te trekken met onmiddellijke voorzieningen in kort geding (art. 254 Rv Pro). [69] In kort geding bestaat de mogelijkheid tot het treffen van een zogenoemde
freezing order, [70] waarmee in dit verband onder meer wordt bedoeld dat de voorzieningenrechter voorafgaand aan de mondelinge behandeling een voorlopige voorziening treft met gelding tot aan de mondelinge behandeling. Daarbij dient de voorzieningenrechter in beginsel eerst gelegenheid te geven aan de gedaagde op zeer korte termijn summierlijk zijn standpunt te delen, maar de voorzieningenrechter wordt ook bevoegd geacht in uitzonderlijke gevallen waarin zelfs dat verweer niet kan worden afgewacht zo’n
freezing orderte geven zonder de gedaagde te horen (dus
ex parte). [71] Zo’n
freezing orderkan worden gegeven zodra het kort geding aanhangig is. [72] De grondslag voor deze bevoegdheid van de voorzieningenrechter wordt niet gevonden in (overeenkomstige toepassing van) art. 223 Rv Pro, maar in art. 254 Rv Pro als zodanig, dat immers al de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen geeft. [73]
4.18.8
Deze redenering laat zich naar mijn idee doortrekken naar art. 2:349a lid 2-3 BW, aldus dat deze bijzondere regeling (overeenkomstige toepassing van) art. 223 Rv Pro, of art. 254 Rv Pro, hier overbodig maakt: de bevoegdheid van de OK tot het treffen van een
freezing ordervoorafgaand aan de mondelinge behandeling in een enquêteprocedure volgt immers al uit art. 2:349a BW. In lid 2 daarvan is bepaald dat een onmiddellijke voorziening “in elke stand van het geding” kan worden getroffen, wat dus betekent vanaf het moment dat een enquêteverzoek in de zin van art. 2:345 lid 1 BW Pro is ingediend. In art. 2:349a lid 3 BW wordt nog eens uitdrukkelijk bevestigd dat onmiddellijke voorzieningen kunnen worden getroffen voorafgaand aan de beslissing op het enquêteverzoek (“[i]ngeval nog geen onderzoek is gelast”). Uit de aard van de in de
ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen en uit de motivering in met name de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13 maak ik overigens op dat het de OK ook te doen was om
het tijdelijk bevriezen van de bestaande situatietot de mondelinge behandeling ter voorkoming van onherstelbare schade aan Nexperia en de met haar verbonden onderneming, dus met inachtneming van de economische werkelijkheid in dit concrete geval. [74] , [75]
4.19
Bezien tegen deze achtergrond voert het subonderdeel m.i. geen overtuigende redenen aan waarom hetgeen in het kader van het treffen van voorlopige voorzieningen als bijvoorbeeld bedoeld in art. 223 Rv Pro en art. 2:298 lid 2 BW Pro door de Hoge Raad is goedgekeurd, [76] en mogelijk wordt geacht als
freezing orderop de voet van art. 254 Rv Pro in een kort geding, [77] en bovendien uitdrukkelijk in uitzonderlijke (spoedeisende) gevallen is toegelaten door het EHRM, [78] niet mogelijk zou (moeten) zijn in het kader van het treffen van onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a lid 2-3 BW. Kort en goed, voor zover al een uitdrukkelijke wettelijke grondslag is vereist voor
ex parteonmiddellijke voorzieningen is die er hier, te weten art. 2:349a lid 2-3 BW. Daarop stuit de rechtsklacht in het subonderdeel af. Ik licht dit hierna verder toe voor zover nodig, onder verwijzing naar relevante randnummers in de PI.
4.19.1
In
PI 45wordt de onder 4.18.4 hiervoor bedoelde Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007 verkeerd gelezen, voor zover tot uitgangspunt wordt genomen dat de Hoge Raad in die uitspraak geen wettelijke basis als bedoeld in art. 19 lid 1 Rv Pro heeft aangewezen. De wettelijke basis die in die uitspraak wordt genoemd is immers art. 2:298 lid 2 BW Pro. Voor zover wordt aangevoerd dat de vereiste wettelijke basis in het onderhavige geval niet kan worden gevonden in art. 279 Rv Pro of art. 223 Rv Pro kan dat Yuching evenmin baten, nu, voor zover nodig, art. 2:349a BW een toereikende wettelijke basis in de zin van art. 19 lid 1 Rv Pro biedt. Anders dan in
PI 46-48wordt gesuggereerd, blijkt nergens uit dat de OK het (zeer) uitzonderlijke karakter van de
ex parte-beslissing over het hoofd zou hebben gezien. In de
ex parte-beschikking, rov. 2.3 heeft de OK het
ex partebeslissen op een deel van de verzochte onmiddellijke voorzieningen immers gemotiveerd aan de hand van “de bijzondere aard van het verzoek en de grote spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen” (en zie ook de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13 over een “acute noodsituatie”).
4.19.2
Voor zover in
PI 46-48wordt betoogd dat het treffen van
dezeonmiddellijke voorziening, de overdracht van de aandelen van Yuching ten titel van beheer, niet
ex partetoelaatbaar is vanwege de mogelijk ingrijpende consequenties van deze voorziening, faalt dat eveneens. Op zichzelf is het waar dat in een enquêteprocedure getroffen onmiddellijke voorzieningen tot onomkeerbare gevolgen kunnen leiden. [79] In de korte periode dat deze onmiddellijke voorziening
ex partevan toepassing is geweest (van 1 oktober 2025 tot 6 althans 7 oktober 2025), was echter hoe dan ook nog slechts sprake van een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie ofwel een zuiver conserverende maatregel, nu de OK-beheerder pas in de opheffingsbeschikking I (van 8 oktober 2025) is aangewezen en ook de andere in de
ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen (schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia en schorsing van de werking van art. 3 bestuursreglement Pro Nexperia B.V.) niet verder gingen dan tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie. De OK-bestuurder is ook pas aangewezen in de kop-staart-beschikking (van 7 oktober 2025). Verder verdient in dit verband opmerking dat de Hoge Raad in voornoemde uitspraak van 20 april 2007 de
ex partebenoeming, bij wijze van voorlopige voorziening op de voet van art. 2:298 lid 2 BW Pro, van een tijdelijke bestuurder bij een stichting heeft toegelaten en dat een dergelijke benoeming in wezen niet verschilt van een OK-bestuurder die is aangesteld bij wijze van onmiddellijke voorziening op de voet van art. 2:349a BW. Voor een OK-bestuurder geldt eveneens dat die besluiten kan nemen of andere bestuurshandelingen kan verrichten waarvan de gevolgen onomkeerbaar zijn. Het door de Hoge Raad geformuleerde uitgangspunt voor een tijdelijke bestuurder op de voet van art. 2:298 lid 2 BW Pro van een zekere terughoudendheid bij het uitoefenen van de bevoegdheden [80] lijkt mij overigens evenzeer te gelden voor een OK-functionaris, zoals een OK-bestuurder of een OK-beheerder, met de kanttekening dat dit uitgangspunt niet eraan in de weg staat dat een dergelijke OK-functionaris soms zeer ingrijpende beslissingen (met onomkeerbare gevolgen) moet (kunnen) nemen. [81] In de
ex parte-periode was er in het onderhavige geval echter als gezegd nog geen OK-beheerder of OK-bestuurder aangewezen.
4.19.3
Dat, zoals
PI 49kort samengevat aanvoert, de OK sinds haar instelling in 1971 voor zover bekend uit de gepubliceerde rechtspraak niet eerder in een enquêteprocedure
ex parteonmiddellijke voorzieningen heeft getroffen, laat, ook indien juist, [82] eveneens onverlet dat die mogelijkheid in genoemde uitzonderlijke gevallen als de onderhavige wel op grond van art. 2:349a BW toelaatbaar is (nog daargelaten dat de bevoegdheid van de OK tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen niet al sinds 1971, maar pas veel later, sinds 1 januari 1994, in de wet (art. 2:349a BW) is opgenomen). [83] Iets anders is dat de OK in het verleden ook wel op andere wijze rekening heeft gehouden met de bijzonderheden van het concrete geval waar het ging om het beslissen op een verzoek tot (onder meer) het treffen van onmiddellijke voorzieningen. Ik denk bijvoorbeeld aan:
- het treffen van onmiddellijke voorzieningen zonder voorafgaande mondelinge behandeling, maar wel met mogelijkheid tot schriftelijk verweer; [84] , [85]
- het houden van een mondelinge behandeling op een (zeer) korte termijn. [86]
Dit laatste, het houden van een mondelinge behandeling binnen een of enkele dagen na indiening van het verzoekschrift met zo mogelijk direct uitspraak, lijkt ook de route te zijn die Nexperia aanvankelijk voor ogen had. [87] Later die dag, 1 oktober 2025, werd het spoedverzoek nog kracht bijgezet door de brief van EZ. [88] Daarin heeft de OK - kennelijk en niet onbegrijpelijk - aanleiding gezien om met de beslissing tot het treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen die de bestaande situatie bij Nexperia tijdelijk zouden bevriezen niet nog enkele dagen, tot (na) de op 6 oktober 2025 geplande mondelinge behandeling, te wachten, maar hierop onmiddellijk,
ex parte, te beslissen. Hierbij heeft de OK de procedurele waarborgen die volgen uit de onder 4.18.4-4.18.5 hiervoor bedoelde Hoge Raad-uitspraken van 14 december 2018 en 20 april 2007 in acht genomen. Ter mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 uitmondend in de kop-staart-beschikking is heroverwogen, rekening houdend met het verweer van Yuching en [bestuurder/CEO] , of de onmiddellijke voorzieningen gehandhaafd dienden te worden, welk antwoord naar het oordeel van de OK bevestigend luidde, met de kanttekening dat de overdracht van Yuchings aandelen ten titel van beheer werd gewijzigd in de zin dat Yuching één aandeel niet hoefde over te dragen aan de OK-beheerder (zie onder meer de kop-staart-beschikking, rov. 3.3, 3.6). En in de uitgewerkte beschikking (rov. 3.23-3.25) heeft de OK de getroffen onmiddellijke voorzieningen nader gemotiveerd, waarbij uitdrukkelijk rekening is gehouden met wat Yuching en [bestuurder/CEO] ter zitting en als verweer hebben aangevoerd. Dat is dus geheel volgens het spoorboekje dat door de Hoge Raad is uiteengezet in voornoemde uitspraken van 14 december 2018 en 20 april 2007.
4.19.4
Wat die Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007 betreft, wordt in
PI 55in twijfel getrokken of die uitspraak in overeenstemming is met de wet. Daarmee wordt kennelijk bedoeld dat de Hoge Raad in die uitspraak geen wettelijke basis in de zin van art. 19 lid 1 Rv Pro voor de uitzondering op het beginsel van hoor/wederhoor zou hebben aangewezen. Dat berust als gezegd op een verkeerde lezing van die uitspraak, nu de door de Hoge Raad aangewezen wettelijke basis in die uitspraak art. 2:298 lid 2 BW Pro betreft. In
PI 58wordt bij herhaling opgemerkt dat in het onderhavige geval een deugdelijke wettelijke basis zoals vereist in art. 19 lid 1 Rv Pro zou ontbreken. Deze basis kan in het onderhavige geval evenwel worden gevonden in art. 2:349a BW, zoals overigens ook uitdrukkelijk door de OK is overwogen in de
ex parte-beschikking, rov. 2.3 (“
ex parteop de voet van artikel 2:349a lid 3 BW te beslissen op - een deel van - de verzochte voorzieningen”). In
PI 58wordt in het verlengde daarvan nog opgemerkt dat “enige grond in (consistente) rechtspraak in het verleden” op dit punt zou ontbreken. Voor zover daarmee weer wordt bedoeld, kort samengevat, dat de OK sinds haar instelling in 1971 voor zover bekend uit de gepubliceerde rechtspraak niet eerder
ex parteonmiddellijke voorzieningen zou hebben getroffen, verwijs ik naar 4.19.3 hiervoor. Verder geldt dat er weliswaar niet veel rechtspraak is over
ex parte-beslissingen op verzoeken tot het treffen van voorlopige of onmiddellijke voorzieningen, maar mij niet is gebleken van inconsistentie in de rechtspraak dienaangaande. Dat er ter zake niet veel rechtspraak voorhanden is, is weinig verwonderlijk nu het gaat om situaties die zich slechts bij
hoge uitzonderingvoordoen. Voornoemde uitspraak van 20 april 2007 staat in elk geval niet op zichzelf, want de daarin door de Hoge Raad uitgezette lijn is nadien, in voornoemde uitspraak van 14 december 2018, door de Hoge Raad juist bevestigd. Ook in de feitenrechtspraak wordt een enkele keer een
ex parte-beslissing tot het treffen van een voorlopige voorziening genomen. [89] Verder memoreer ik dat de EHRM-rechtspraak over art. 6 EVRM Pro hiertoe ook ruimte laat, zie onder 4.18.2 hiervoor.
4.19.5
Het beroep in
PI 50-52op de Hoge Raad-uitspraken inzake
KPNQwest [90] en
ATR Leasing [91] treft evenmin doel. Ik licht toe.
4.19.6
In
KPNQwestheeft de Hoge Raad overwogen: [92]
“De voorzitter van de ondernemingskamer [thans de raadsheer-commissaris als bedoeld in art. 2:350 lid 4 BW Pro, A-G] heeft voorts de vrijheid op de voet van art. 279 lid 1 Rv Pro. het verzoek [als bedoeld in art. 2:352 lid 1 BW Pro, dat wil zeggen een verzoek van de onderzoeker(s) tot het geven van bevelen ter handhaving van de in art. 2:351 BW Pro aan de onderzoeker(s) ter vervulling van diens/hun onderzoekstaak verleende rechten en bevoegdheden, A-G] onmiddellijk toe te wijzen als hij van oordeel is dat het verzochte bevel op de wet is gegrond en aanstonds kan worden verleend en hij zal alleen het oproepen van belanghebbenden moeten bevelen als de mogelijkheid bestaat dat het bevel niet of niet geheel dan wel niet op de gevraagde wijze toewijsbaar is in verband met de rechten of belangen van anderen. Daarbij zal, gelet op de aard van het bevel, meestal uitsluitend aan de orde zijn of de rechtspersoon grond kan hebben de door de onderzoeker(s) verlangde medewerking te weigeren.
Het bevel is immers in de eerste plaats gericht tot de te onderzoeken rechtspersoon, die de wettelijke verplichting heeft aan het onderzoek medewerking te verlenen. Het beginsel van hoor en wederhoor brengt alleen dan een verplichting tot oproeping van andere belanghebbenden mee als aannemelijk is dat dezen door het geven van het bevel rechtstreeks in hun belangen kunnen worden geschaad. Hieruit volgt dat onderdeel 4 wat de in 3.3.2 onder c en d bedoelde klachten betreft, berust op de onjuiste rechtsopvatting dat altijd alle bekende belanghebbenden moeten worden opgeroepen om ter terechtzitting te worden gehoord.”
Hoewel, zoals in
PI 52wordt onderkend, dit oordeel betrekking heeft op een heel ander verzoek dan het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, zou hieruit bij wijze van analogie kunnen worden afgeleid dat het beginsel van hoor/wederhoor een verplichting tot oproeping van Yuching met zich brengt met betrekking tot het verzoek tot het treffen van de onmiddellijke voorziening van overdracht van Yuchings aandelen ten titel van beheer, nu Yuching met betrekking tot dat verzoek immers rechtstreeks in haar belang kan worden geschaad. Die
KPNQwest-uitspraak onderstreept met andere woorden in algemene zin dat het beginsel van hoor/wederhoor in de enquêteprocedure moet worden gerespecteerd. Die uitspraak doet echter niet af aan een (op de voet van art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro) toegelaten uitzondering op dat beginsel bij het treffen van onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW in bijzondere situaties, in lijn met voornoemde Hoge Raad-uitspraken van 14 december 2018 en 20 april 2007, en naar analogie van een
freezing orderin kort geding op de voet van art. 254 Rv Pro. Zie onder 4.18.1-4.18.8 hiervoor. Voor de goede orde benadruk ik nog een keer dat die wettelijke basis hier niet bestaat in art. 279 Rv Pro (of art. 223 Rv Pro dan wel art. 254 Rv Pro), maar in art. 2:349a BW.
4.19.7
Wat betreft het beroep op
ATR Leasingneem ik aan (in
PI 50-52wordt niet verwezen naar een specifieke rechtsoverweging uit die uitspraak) dat wordt gedoeld op het volgende oordeel van de Hoge Raad: [93]
“Bij de beoordeling van het middel moet het volgende worden vooropgesteld. De ondernemingskamer mag een onderzoek als bedoeld in art. 2:345 BW Pro niet bevelen zonder dat daaraan een daartoe strekkend verzoek ten grondslag ligt, doch als zij gebruik maakt van haar wettelijke bevoegdheden heeft de ondernemingskamer een ruime mate van vrijheid in haar beoordeling. Het is in beginsel aan het oordeel van de ondernemingskamer overgelaten het verzoek tot een enquête al dan niet toe te wijzen, met dien verstande dat ingevolge art. 2:350 BW Pro het verzoek slechts toewijsbaar is wanneer blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid van de betrokken rechtspersoon te twijfelen (HR 20 november 1996, nr. OK55,
NJ1997, 188). De ondernemingskamer moet daarbij zowel op de belangen van verzoekers tot een enquête letten als op die van andere bij de (onderneming van de) rechtspersoon betrokken belanghebbenden. Daarbij staat het belang van de rechtspersoon voorop.
Met het oog hierop en gelet op de aard van deze op een spoedige beslissing gerichte procedure, past het niet de eis te stellen dat de ondernemingskamer slechts kan beslissen binnen de strikte grenzen van het verzoek zoals verzoekers dit hebben ingekleed. Deze beoordelingsvrijheid brengt mee dat belanghebbenden, ook indien zij niet de bevoegdheid hebben een verzoek tot het bevelen van een onderzoek in te dienen, over alle aspecten van het (verzoek tot het bevelen van een) onderzoek hun standpunt mogen kenbaar maken, dus niet alleen over de al dan niet toewijsbaarheid van het verzoek, maar ook over de aard en omvang van het eventueel door de ondernemingskamer te bevelen onderzoek, waaronder begrepen de periode waarover het zich moet uitstrekken. Als de ondernemingskamer vervolgens van oordeel is dat het verzoek toewijsbaar is, zal zij de omvang van het onderzoek, en daarmee dus eveneens de periode waarover dat zich moet uitstrekken, alsmede van de daartoe noodzakelijke voorzieningen dienen te bepalen. Haar komt daarbij een grote mate van vrijheid toe (HR 6 juni 2003, nr. R02/078,
NJ2003, 486). Daarbij zal de ondernemingskamer, in verband met het voorschrift van art. 24 Rv Pro., geen beslissing mogen geven waarop de betrokken partijen, gelet op het verloop van het geding en het processuele debat, niet bedacht behoefden te zijn en over de consequenties waarvan zij zich niet hebben kunnen uitlaten. Het staat de ondernemingskamer dan ook niet vrij beslissingen te geven of voorzieningen te treffen die niet stroken met de strekking van het ingediende verzoek of die aan de kenbare bedoeling van verzoekers zodanig afbreuk doen dat moet worden aangenomen dat zij het verzoek, als daaraan op deze wijze uitvoering wordt gegeven, niet zouden hebben gehandhaafd.”
Hieruit blijkt dat die uitspraak niet zozeer betrekking heeft op de beslissing op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, als wel op de beslissing op het verzoek tot het bevelen van een onderzoek. Overigens heeft de OK in de onderhavige zaak niet
ex parteandere onmiddellijke voorzieningen getroffen dan waar door Nexperia om is verzocht. Dat enkele voorzieningen reeds
ex partezijn getroffen, lijkt mij ook geen verrassingsbeslissing als bedoeld in
ATR Leasing, nu die beslissing strookt met de strekking van het ingediende verzoek althans geen afbreuk doet aan de kenbare bedoeling van verzoekers. Nexperia heeft immers, daarin gesteund door EZ, verzocht om de zaak “met bijzondere spoed” te behandelen. [94] Dat zij daarbij niet uitdrukkelijk heeft verzocht om
ex parteonmiddellijke voorzieningen te treffen, [95] is te verklaren door het feit dat de OK hiertoe, voor zover mij bekend, niet eerder is overgegaan. Zie ook onder 4.19.3 hiervoor. In dit verband acht ik tevens van belang dat het
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen volgens mij niet als een afzonderlijk incident onder overeenkomstige toepassing van art. 223 Rv Pro moet worden beschouwd, maar als een bevoegdheid die rechtstreeks zijn grondslag vindt in art. 2:349a BW. Zie ook onder 4.18.6 en 4.18.8 hiervoor. De OK heeft met andere woorden in de
ex parte-beschikking niet ambtshalve, zonder dat daaraan een verzoek op de voet van art. 2:349a BW ten grondslag ligt, beslist tot het
ex partetreffen van enkele onmiddellijke voorzieningen. Ik merk verder op dat wat betreft
het moment waarophet treffen van een onmiddellijke voorziening vereist is in verband met de toestand van de rechtspersoon (of in het belang van het onderzoek) aan de OK een grote mate van vrijheid toekomt, die voortvloeit uit het karakter van onmiddellijke voorzieningen als ordemaatregel en besloten ligt in de discretionaire bevoegdheid van de OK in het kader van art. 2:349a lid 2-3 BW. [96]
4.19.8
In
PI 53wordt een beroep gedaan op de aard en doeleinden van de enquêteprocedure, welk beroep overigens slechts wordt toegelicht onder verwijzing naar delen van de tekst van art. 2:349a BW. Ik zie niet in dat de OK met het
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen de aard of doeleinden van de enquêteprocedure zou hebben miskend. Wat de aard van de enquêteprocedure betreft, kan bijvoorbeeld worden gewezen op de onder 4.19.7 hiervoor geciteerde rechtsoverweging uit
ATR Leasing, waaruit onder meer blijkt dat de enquêteprocedure een op een spoedige beslissing gerichte procedure is waarin het belang van de rechtspersoon vooropstaat. [97] In de aard van de enquêteprocedure in het algemeen en de aard van onmiddellijke voorzieningen in het bijzonder [98] ligt juist een rechtvaardiging besloten voor het
onmiddellijk(zo nodig
ex parte) moeten kunnen ingrijpen door de OK indien de toestand van de rechtspersoon (of het belang van het onderzoek) dat vergt. Evenmin valt in te zien dat het
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen niet zou stroken met de doeleinden van het enquêterecht, waartoe immers onder meer behoort de sanering van en het herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van organisatorische aard binnen de onderneming van de betrokken rechtspersoon. [99]
4.19.9
Voor zover
PI 53aanvoert dat art. 2:349a BW geen grondslag biedt voor het
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen, ziet het verder voorbij aan het volgende. Art. 2:349a lid 1, eerste zin BW bepaalt dat de OK het verzoek “met de meeste spoed” behandelt. Dit heeft overigens niet alleen betrekking op het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen, maar ook op het enquêteverzoek in de zin van art. 2:345 lid 1 BW Pro zelf. [100] Uit het vervolg van art. 2:349a lid 1 BW [101] blijkt dat de wetgever daarbij een (mondelinge) behandeling van het verzoek voor ogen heeft gestaan, waarbij belanghebbenden voorafgaand aan de aanvang van de behandeling tot een bepaald door de OK te bepalen tijdstip een verweerschrift kunnen indienen, verzoekers en de rechtspersoon hetzij bij advocaat hetzij bijgestaan door hun advocaten verschijnen, en de OK ook ambtshalve getuigen en deskundigen kan horen alvorens te beslissen op het verzoek. Het wettelijke uitgangspunt is dus dat na een mondelinge behandeling tegelijk wordt beslist op het enquêteverzoek en het treffen van onmiddellijke voorzieningen voor zover ook om dat laatste is verzocht. Uit het vervolg van art. 2:349a BW blijkt echter dat beide verzoeken los van elkaar kunnen worden behandeld. Volgens art. 2:349a lid 2 BW kan het treffen van onmiddellijke voorzieningen immers “in elke stand van het geding” geschieden, [102] en art. 2:349a lid 3 BW bepaalt uitdrukkelijk dat en onder welke voorwaarden dat kan ingeval “nog geen onderzoek is gelast”. Een onmiddellijke voorziening kan dus worden getroffen vanaf het moment dat een enquêteverzoek (met tevens een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen) is ingediend; anders gezegd, het geding vangt aan met het indienen van het verzoekschrift als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW Pro. [103] Voor die tijd, wanneer nog geen enquêteverzoek is ingediend, is men voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen aangewezen op de voorzieningenrechter, die dan terughoudend moet optreden. [104]
4.19.10
In
PI 54wordt aangevoerd dat een parallel met het
ex parteleggen van conservatoir beslag op grond van een geïnstitutionaliseerde wettelijke grondslag (“art. 700 jo Pro 705 Rv”) niet opgaat. Het belang van het wijzen op verschillen tussen het
ex partekunnen (geven van verlof voor het) leggen van conservatoir beslag en het al dan niet
ex partekunnen treffen van onmiddellijke voorzieningen ontgaat mij. Het bestreden oordeel van de OK is trouwens ook niet (mede) ingestoken op enige parallel met het
ex partekunnen (geven van verlof voor het) leggen van conservatoir beslag. Waar het om gaat, is immers of er, voor zover nodig, een toereikende wettelijke basis in de zin van art. 19 lid 1 Rv Pro is voor de door de OK gemaakte uitzondering op het beginsel van hoor/wederhoor. En die basis in de wet is er, te weten art. 2:349a BW. Het gaat met andere woorden om een
anderebasis in de wet dan die in Rv waarop
PI 54is geënt. [105]
4.19.11
Anders dan de hiervoor besproken Hoge Raad-uitspraken inzake
KPNQwesten
ATR Leasinghebben de Hoge Raad-uitspraken inzake
DSM, [106] Versatel [107] en
SkyGate, [108] waarop in
PI 55-58beroep wordt gedaan, wel specifiek betrekking op het door de OK treffen van onmiddellijke voorzieningen. Ik citeer uit
DSM: [109]
“(…) De wetgever heeft (…) niet uitgesloten dat de ondernemingskamer van deze bevoegdheid gebruik maakt voordat zij op het verzoek tot het instellen van een onderzoek heeft beslist, en dus vooruitlopend op een definitief oordeel daarover. Niettemin zal in dit stadium van die bevoegdheid slechts een terughoudend gebruik kunnen worden gemaakt. In dit stadium kan immers slechts aan de hand van een beperkt partijdebat voorlopig worden beoordeeld of gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid te twijfelen. Voorts dient ook in dit stadium van het geding in het oog te worden gehouden dat te zijner tijd, afhankelijk van de uitkomsten van een eventueel in te stellen onderzoek, voor het treffen van voorzieningen als bedoeld in art. 2:356 BW Pro slechts plaats is indien dit gerechtvaardigd is met het oog op de met de regeling van het enquêterecht beoogde sanering en herstel van gezonde verhoudingen door maatregelen van reorganisatorische aard binnen de onderneming van de rechtspersoon. In elk geval zal de ondernemingskamer bij de uitoefening van haar bevoegdheid voldoende rekening moeten houden met, en een billijke afweging moeten maken van, de belangen van betrokken partijen (HR 19 oktober 2001, nr. OK85,
NJ2002, 92). Een en ander brengt mee dat van de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen voordat een onderzoek wordt gelast, slechts gebruik kan worden gemaakt indien daartoe in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek voldoende zwaarwegende redenen bestaan.”
4.19.12
Deze rechtsoverweging is per 1 januari 2013 gecodificeerd in art. 2:349a lid 2-3 BW. [110] In
PI 56-57wordt op zichzelf terecht uit deze rechtsoverweging afgeleid dat van de mogelijkheid om onmiddellijke voorzieningen te treffen voordat op het verzoek tot het instellen van een onderzoek is beslist met terughoudendheid en met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel gebruik moet worden gemaakt. De te betrachten terughoudendheid heeft de OK hier echter niet miskend bij het
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen, waaronder de overdracht ten titel van beheer van de aandelen van Yuching. Het ging immers slechts om een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie aan de hand van toewijzing van slechts een deel van de verzochte onmiddellijke voorzieningen, die bovendien kort heeft geduurd (van 1 oktober 2025 tot 6 althans 7 oktober 2025) en waarvoor naar het oordeel van de OK in verband met de toestand van de rechtspersoon voldoende zwaarwegende redenen bestonden. Het
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen waaronder de overdracht ten titel van beheer van de aandelen van Yuching is ook niet onverenigbaar met de belangenafweging die de OK behoort te maken (het evenredigheidsbeginsel), zoals in
PI 55en
PI 57wordt gesteld. Het is waar dat de OK zich niet kan beperken tot een afweging van de belangen van Nexperia (in hoedanigheid van verzoekster en verweerster), maar dat ook moet worden gelet op de belangen van onder meer Yuching die als (middellijk) aandeelhouder in Nexperia door de onmiddellijke voorziening direct kan worden geraakt. Volgens
PI 55kan deze belangenafweging niet (naar behoren) worden gemaakt als geen verweer is of kan worden gevoerd. De overweging uit
DSMhieromtrent is ontleend aan
SkyGate, [111] waarnaar ook wordt verwezen in
Versatel. [112] In
SkyGateklinkt op dit punt een parallel met rechtspraak over onmiddellijke voorzieningen in kort geding door. [113] In kort geding laat deze rechtspraak onverlet dat de voorzieningenrechter bevoegd is, zo nodig
ex parte, een
freezing orderte treffen. Zie onder 4.18.7 hiervoor. Ik zie niet in dat dit op de voet van art. 2:349a BW anders zou (moeten) zijn. De
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen hadden immers geen onomkeerbare gevolgen voor Yuching (of [bestuurder/CEO] ). De OK-beheerder is pas op 8 oktober 2025 aangesteld (de OK-bestuurder pas op 7 oktober 2025), dus na de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, waarbij (zie ook de kop-staart-beschikking, rov. 3.2-3.3, 3.6 en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23-3.24) wel hoor/wederhoor is toegepast ofwel rekening is gehouden met het verweer van Yuching (en [bestuurder/CEO] ). Dat de OK aldus onvoldoende heeft verantwoord welke belangen dienaangaande zijn afgewogen, en hoe, valt - anders dan wordt gesuggereerd in
PI 55- niet in te zien.
4.19.13
In
PI 57wordt verder betoogd dat de OK in de bestreden beschikkingen niet heeft gewaarborgd dat binnen een redelijke termijn een definitieve beslissing volgt op het enquêteverzoek. Dat betreft kennelijk een verwijzing naar het vereiste van art. 2:349a lid 3, laatste zin BW. [114] In de wetsgeschiedenis wordt toegelicht dat ervan wordt uitgegaan dat in de regel binnen enkele maanden na het treffen van de onmiddellijke voorzieningen op het enquêteverzoek kan worden beslist, maar dat deze termijn in bijzondere omstandigheden langer kan zijn. [115] De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.27 in lijn met dit vereiste vermeld dat binnen een redelijke termijn een zitting zal worden bepaald om het enquêteverzoek ten gronde te behandelen. Deze mondelinge behandeling heeft na overleg met partijen plaatsgevonden op 14 januari 2026, [116] waarna op het enquêteverzoek is beslist bij eerstefasebeschikking (van 11 februari 2026). De OK heeft de redelijke termijn in de zin van art. 2:349a lid 3 BW dus wel degelijk onder ogen gezien in de uitgewerkte beschikking en inmiddels is gebleken dat de beslissing op het enquêteverzoek ook daadwerkelijk is genomen binnen enkele maanden na het treffen van de onmiddellijke voorzieningen in oktober 2025. Zie ook onder 3.22-3.23 hiervoor.
4.19.14
Op
PI 58ben ik onder 4.19.4 hiervoor al ten dele ingegaan. Verder wordt in
PI 58aangevoerd dat de OK door
ex parteonmiddellijke voorzieningen ten laste van Yuching te treffen niet alleen art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro heeft geschonden, maar daarmee ook de in art. 1 EP Pro EVRM besloten liggende procedurele waarborgen, waarbij het subonderdeel uit vaste EHRM-rechtspraak afleidt dat als de gevolgen voor de betrokkene ingrijpender zijn (in dit geval de gevolgen van de
ex partegetroffen onmiddellijke voorziening van overdracht van de aandelen ten titel beheer voor Yuching), des te groter de noodzaak wordt om te zorgen voor procedurele waarborgen (in dit geval het horen van Yuching, wat bij de
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen niet is gebeurd). [117]
4.19.15
Deze klacht neemt op zichzelf terecht tot uitgangspunt dat ook uit art. 1 EP Pro EVRM procedurele waarborgen, zoals het horen van belanghebbenden, kunnen worden afgeleid. [118] De verhouding tussen art. 6 EVRM Pro en uit art. 1 EP Pro EVRM voortvloeiende procedurele waarborgen wordt in de literatuur gekenschetst als “soms niet geheel helder” [119] en ronduit “weinig consistent”. [120] Bij het onder omstandigheden horen van belanghebbenden is echter duidelijk dat het hier niet gaat om een (ten opzichte van art. 6 EVRM Pro) aanvullende procedurele waarborg van art. 1 EP Pro EVRM, maar om de incorporatie in art. 1 EP Pro EVRM van een art. 6 EVRM Pro-eis. [121] De toetsing aan art. 1 EP Pro EVRM heeft ten aanzien van dit aspect (het niet-horen van Yuching bij de
ex partegetroffen onmiddellijke voorziening van overdracht van zijn aandelen ten titel van beheer) ten opzichte van de toetsing aan art. 6 EVRM Pro dan ook geen zelfstandige betekenis. De klacht beroept zich ook niet op
aanvullendeprocedurele waarborgen van art. 1 EP Pro EVRM, die niet reeds voortvloeien uit art. 6 EVRM Pro. [122] Bij de stand van zaken dat het
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen in de gegeven (spoedeisende) omstandigheden niet strijdig is met art. 6 EVRM Pro (zie mede onder 4.18.2, 4.19, 4.19.4 en 4.19.6 hiervoor), strandt
daarmeedus ook al het beroep van Yuching op art. 1 EP Pro EVRM. Dat het beroep op art. 1 EP Pro EVRM in dit geval ook geen doel treft, vindt overigens bevestiging in de EHRM-rechtspraak waarop het subonderdeel zich beroept. [123] Het beroep op EHRM-rechtspraak voor zover daaruit voortvloeit dat de noodzaak om te zorgen voor procedurele waarborgen groter wordt naarmate de gevolgen van de getroffen maatregelen voor de betrokkene ingrijpender zijn, ziet er bovendien aan voorbij dat in de korte periode dat overdracht van Yuchings aandelen ten titel van beheer
ex partevan toepassing is geweest (van 1 oktober 2025 tot 6 althans 7 oktober 2025) slechts sprake was van een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie ofwel een zuiver conserverende maatregel, in welke periode ook nog geen OK-beheerder was aangesteld (zie ook onder 4.19.2 hiervoor). Op dit alles strandt het beroep op procedurele waarborgen uit art. 1 EP Pro EVRM.
4.2
Daarmee is het lot van de rechtsklacht in het subonderdeel bezegeld.
4.21
Het subonderdeel bevat daarnaast in
PI 59-61een motiveringsklacht, die inhoudt dat ontoereikend is gemotiveerd het oordeel van de OK in de
ex parte-beschikking en de uitgewerkte beschikking dat in de gegeven omstandigheden een voldoende grondslag en rechtvaardiging bestond om Yuching niet voorafgaand aan het treffen van onmiddellijke voorzieningen te horen. Deze klacht treft evenmin doel. Ik leg uit waarom.
4.21.1
De klacht faalt al bij gebrek aan feitelijke grondslag voor zover die berust op de uitgangspunten uiteengezet in
PI 60. De OK heeft het uitgangspunt dat een rechterlijke beslissing in een
ex parte-procedure hooguit een conserverend, niet ingrijpend karakter kan hebben met de
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen immers niet miskend. Met de
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen, die slechts enkele dagen van kracht zijn geweest, heeft de OK een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie bewerkstelligd, zoals is gemotiveerd in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.13-3.14. De OK heeft niet nagelaten duidelijk te maken op welke wettelijke grondslag zij de mogelijkheid baseert om
ex parteonmiddellijke voorzieningen toe te wijzen. De wettelijke grondslag die de OK daartoe - gelet op ook het falen van de rechtsklacht in dit subonderdeel: niet ten onrechte - heeft gebruikt, is art. 2:349a BW, zoals uitdrukkelijk blijkt uit de
ex parte-beschikking, rov. 2.3. Verder heeft de OK afdoende gemotiveerd, kenbaar met oog voor en onder afweging van de betrokken belangen, dat het recht om gehoord te worden niet kon worden toegepast zonder onnodig afbreuk te doen aan de verwezenlijking van de met de desbetreffende onmiddellijke voorzieningen nagestreefde doelstellingen. Die motivering blijkt onder meer uit de
ex parte-beschikking, rov. 2.3, 2.5 en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13.
4.21.2
Het in
PI 61 onder a t/m daangevoerde kan evenmin tot cassatie leiden. Ik leg uit.
4.21.3
Onder awordt tot uitgangpunt genomen dat de OK zelfstandig, in afwijking van het verzoek van Nexperia, [124] en daarmee uit eigen beweging is overgegaan tot het geven van een
ex parte-beschikking. Hierbij wordt echter selectief uit de brief van Nexperia geciteerd, nu op p. 1 van die brief wordt verwezen naar de ruimere toelichting op p. 4 waarin Nexperia de OK in algemene zin heeft verzocht “deze zaak met bijzondere spoed te behandelen”. Bovendien wordt voorbijgezien aan de brief van EZ van later diezelfde dag waarin de OK “met klem” wordt verzocht de zaak zo spoedig mogelijk te behandelen. [125] Voor zover de OK niet een discretionaire bevoegdheid zou hebben om het moment waarop op het treffen van onmiddellijke voorzieningen moet worden beslist (zie ook onder 4.19.7 hiervoor), is ook niet onbegrijpelijk dat de OK het verzoek van Nexperia, mede in het licht van de aanvullende brief van dezelfde datum van EZ, heeft verstaan als een verzoek tot het
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen. Deze uitleg van de gedingstukken is verder voorbehouden aan de OK als feitenrechter.
4.21.4
Onder bwordt tot uitgangspunt genomen dat overdracht van Yuchings aandelen ten titel van beheer in de gegeven omstandigheden niet was gericht op louter neutrale tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie, omdat Nexperia’s verzoek mede was gericht op het uitlokken van actieve handelingen van de OK-beheerder [126] en de OK geen beperkingen heeft opgelegd aan de OK-beheerder in de uitvoering van zijn taak. [127] Dit ziet eraan voorbij dat de OK in de
ex parte-beschikking nog geen OK-beheerder heeft aangewezen en dat in de beperkte periode dat deze voorziening
ex parteheeft gegolden de OK-beheerder dus hoe dan ook nog geen actieve handelingen kon verrichten. Voor zover de klacht hier voortbouwt op onderdeel 4, dat faalt, verwijs ik naar de bespreking van dat onderdeel vanaf 4.120 hierna.
4.21.5
Onder cwordt vooreerst betoogd, kort samengevat, dat de OK in de
ex parte-beschikking, rov. 2.3 en in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12-3.13 ontoereikend heeft gemotiveerd dat sprake was van een acute noodsituatie die een vergaande inbreuk op art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro rechtvaardigt, te meer/althans omdat naleving van het bevel al was gewaarborgd via publiekrechtelijke handhavingsinstrumenten (“zie subonderdeel 2.2”) en het aan spoedeisendheid ten grondslag gelegde belang van EZ geen belang is dat door de OK mocht worden betrokken in de rechtvaardiging voor een afwijking van art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro (“zie subonderdeel 2.1”). Hiermee wordt miskend dat de OK met de gestelde acute noodsituatie in de eerste plaats heeft bedoeld dat het
ex partetreffen van enkele onmiddellijke voorzieningen ter tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie was vereist gelet op het belang van Nexperia (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12: “dat zich bij Nexperia een acute noodsituatie voordeed”; “onhoudbare situatie bij Nexperia”; en rov. 3.13: “een bedreiging voor de continuïteit van de onderneming”; “te voorkomen dat in de periode tot aan de inhoudelijke behandeling Nexperia en haar onderneming onherstelbare schade zou worden berokkend”). Verder blijkt dat de OK bij de beslissing om onmiddellijk
ex partein te grijpen het belang van EZ, althans een algemeen, openbaar of maatschappelijk belang, heeft meegewogen (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.13: “Verder is van belang dat de Staat heeft betoogd dat de door Nexperia gedreven onderneming van essentieel belang is voor de economische veiligheid van Nederland en Europa, terwijl op heel korte termijn cruciale bedrijfsprocessen, goederen en kennis verloren dreigden te gaan door verplaatsing naar locaties buiten Europa”; “daarmee voor de economische veiligheid van Nederland en Europa”). Dat is niet onterecht. [128] Voor zover de klacht hier voortbouwt op onderdeel 2, dat faalt, verwijs ik naar de bespreking van dat onderdeel vanaf 4.53 hierna.
4.21.6
Onder cwordt voorts uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.16 afgeleid dat de gestelde acute noodsituatie geen grondslag vormt voor de gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, en dus ook geen ingrijpende beperking van het recht op hoor/wederhoor kan rechtvaardigen. In die rov. 3.16 is overwogen dat het voorlopige oordeel dat er gegronde redenen zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia niet steunt op het bevel en de gronden waarop het bevel berust. Dit deel van de klacht stuit er reeds op af dat, gezien ook de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12, de acute noodsituatie bij Nexperia die de OK aanleiding gaf tot het
ex partetreffen van onmiddellijke voorzieningen niet is te reduceren tot het bevel en de gronden waarop het berust.
4.21.7
Het
onder daangevoerde is gebaseerd op subonderdeel 1.2.4 en veronderstelt, kort samengevat, een substantiële voorbereidingstijd van het verzoek van Nexperia. Onder 4.18.8 en 4.19.9 hiervoor is aan de orde gekomen dat een geding bij de OK aanhangig moet zijn voordat, zo nodig
ex parte, onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW kunnen worden getroffen. [129] De enquêteprocedure is aanhangig vanaf het moment dat het verzoekschrift als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW Pro bij de OK is ingediend. Het is daarmee een gegeven dat het enige voorbereidingstijd kost voordat, zo nodig
ex parte, onmiddellijke voorzieningen kunnen worden (verzocht en) getroffen. Dat het voorbereiden van zo’n verzoekschrift de nodige tijd heeft gekost, maakte de acute noodsituatie die naar het oordeel van de OK op 1 oktober 2025 onmiddellijk -
ex parte- ingrijpen noodzakelijk maakte in het belang van Nexperia niet minder acuut. Uit de motivering van de OK blijkt eerder dat het tegendeel het geval was (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.13: “Iedere dag dat deze situatie zou voortduren”, etc.). Overigens is gesteld noch gebleken dat Nexperia zou hebben getalmd met het indienen van het enquêteverzoek. Voor zover de klacht hier voortbouwt op subonderdeel 1.2.4, dat faalt, verwijs ik naar de bespreking van dat subonderdeel vanaf 4.47 hierna.
4.22
Subonderdeel 1.1 is aldus ongegrond. Kort en goed: de OK kan desverzocht, in bijzonder spoedeisende gevallen als hier aan de orde, op de voet van art. 2:349a BW
ex parteonmiddellijke voorzieningen treffen ter tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie (
freezing order). Dit levert geen schending op van art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro en daarmee ook niet van procedurele waarborgen uit art. 1 EP Pro EVRM. En dat de OK daartoe in het onderhavige bijzondere geval is overgegaan, is niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
4.23
Subonderdeel 1.2 [130] (
PI 39, 62-65) klaagt dat Yuching onvoldoende gelegenheid is geboden haar verweer tegen het verzoekschrift en de
ex parte-beschikking voor te bereiden, waarmee de procesgang als geheel oneerlijk is. Volgens het subonderdeel is, kort samengevat, het recht geschonden (art. 19 lid 1 Rv Pro, art. 6 EVRM Pro en art. 1 EP Pro EVRM) en/of een onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd oordeel gegeven, doordat de datum voor het verweerschrift en voor de mondelinge behandeling op de (te) korte termijn van 6 oktober 2025 (09:00 uur respectievelijk 13:00 uur) is bepaald, in weerwil van het bezwaar hiertegen van Yuching waaronder haar verzoek bij brief van 3 oktober 2025 om uitstel van de mondelinge behandeling tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025. Deze algemene rechts- en motiveringsklacht is uitgewerkt in vier sub(sub)onderdelen: 1.2.1 t/m 1.2.4.
Behandeling
4.24
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.25
Subonderdeel 1.2.1 [131] (
PI 66) is gericht tegen een van de twee in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 gegeven redenen waarom de OK niet heeft bewilligd in het verzoek van Yuching tot uitstel van de mondelinge behandeling, namelijk de eerste reden, die inhoudt dat juist uit oogpunt van hoor/wederhoor is besloten de eenzijdige bevriezing van de situatie zo kort mogelijk te doen voortduren en is besloten op zeer korte termijn een inhoudelijke behandeling te gelasten. Daarmee zou de OK art. 19 lid 1 Rv Pro, art. 6 EVRM Pro en art. 1 EP Pro EVRM hebben geschonden, althans een onbegrijpelijk oordeel hebben gegeven. Dit werkt het subonderdeel uit langs drie routes.
4.26
In de eerste plaats, aldus het subonderdeel (
PI 67-68), heeft de OK hiermee miskend dat het fundamentele recht op een eerlijke proces (art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro) en de
fair balanceen het recht op een
effective remedy(art. 1 EP Pro EVRM) juist het (proces)belang van Yuching als belanghebbende en subject van de
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen beogen te beschermen, en de OK gelet op deze strekking het beginsel van hoor/wederhoor niet aan Yuching had kunnen tegenwerpen. Toen Yuching op deze korte termijn niet (afdoende) bleek te kunnen reageren op het verzoekschrift en de gronden van de
ex parte-beschikking, had de OK de mondelinge behandeling en het verweerschrift moeten uitstellen om Yuching een voldoende mogelijkheid tot het voorbereiden van haar verweer te geven.
4.26.1
Deze klacht mist doel. Ik licht toe.
4.26.2
Naar luid van art. 279 lid 1 Rv Pro bepaalt de rechter onverwijld dag en uur waarop de (mondelinge) behandeling plaatsvindt. [132] De wet bevat in art. 279 lid 1 Rv Pro geen termijn die de rechter bij de dagbepaling van de mondelinge behandeling in acht moet nemen, maar een nadere invulling van die termijn kan wel in bijzondere wetsbepalingen zijn geregeld. [133] Voor het enquêterecht is dat sinds jaar en dag [134] het geval met het voorschrift (thans opgenomen in art. 2:349a lid 1 BW) dat de OK het verzoek “met de meeste spoed” behandelt. Dat geeft de OK de ruimte om indien nodig met zeer veel spoed op een verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen te beslissen, bijvoorbeeld door een mondelinge behandeling te gelasten een of enkele dagen na indiening van het enquêteverzoek. [135]
4.26.3
In het onderhavige geval heeft de OK een mondelinge behandeling bepaald op 6 oktober 2025 om 13:00 uur (uitsluitend) over het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen (zie de
ex parte-beschikking, rov. 2.1 en dictum). Dat is dus op een termijn van vijf dagen na indiening van het verzoekschrift van Nexperia op 1 oktober 2025. De OK heeft partijen (Nexperia) en belanghebbenden (Yuching, [bestuurder/CEO] , [verweerder 4] , de OR en EZ) voor deze mondelinge behandeling opgeroepen. [136] Op de voet van art. 2:349a lid 1 BW geldt hierbij voor Nexperia een verplichte procesvertegenwoordiging (verschijnen bij advocaat of bijgestaan door een advocaat).
4.26.4
Noch art. 279 lid 1 Rv Pro noch art. 2:349a lid 1 BW geeft een aanwijzing hoeveel tijd de vennootschap en overige belanghebbenden redelijkerwijs moet worden gegund om kennis te nemen van het verzoekschrift en producties en om hun verweer voor te bereiden. [137] Dit is door de wetgever onder ogen gezien. [138] In art. 2:349a lid 1 BW is daartoe (met het oog op voldoende voorbereidingstijd), in afwijking van art. 282 lid 1 Rv Pro, [139] opgenomen dat de OK moet bepalen tot welk tijdstip voorafgaand aan de mondelinge behandeling belanghebbenden een verweerschrift kunnen indienen. Een termijn van een week voorafgaand aan de mondelinge behandeling wordt blijkens de wetsgeschiedenis in beginsel geacht voldoende voorbereidingstijd op te leveren, waarbij de OK uitdrukkelijk de mogelijkheid wordt geboden in spoedeisende gevallen een kortere termijn te hanteren. [140]
4.26.5
In het onderhavige - bijzonder spoedeisende - geval heeft de OK de termijn als bedoeld in art. 2:349a lid 1 BW gesteld op
vier uurvoorafgaand aan de mondelinge behandeling, dus de mogelijkheid tot indiening van een verweerschrift door belanghebbenden tot 6 oktober 2025 om 09:00 uur (zie de oproepingsbrief van de OK van 1 oktober 2025 en ook de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15). De OK heeft bovendien toegelaten dat tijdens de mondelinge behandeling aanvullend verweer is gevoerd door Yuching en [bestuurder/CEO] en dat door [bestuurder/CEO] een voorwaardelijk tegenverzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen is gedaan, in lijn met het voorwaardelijke tegenverzoek in het tijdig ontvangen verweerschrift van Yuching. [141] Op dit punt heeft de OK dus voor Yuching en [bestuurder/CEO] , ten opzichte van de belangen van de overige belanghebbenden en de vennootschap, coulance betracht. [142] Hier staat tegenover dat Yuching de OK bij brief van 3 oktober 2025 had verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025 in verband met onvoldoende voorbereidingstijd om zich te kunnen verweren, op welk verzoek Nexperia dezelfde dag afwijzend heeft gereageerd en welk verzoek door de OK bij e-mail van 3 oktober 2025 niet is ingewilligd.
4.26.6
Dit roept de vraag op wanneer de OK gehouden is de mondelinge behandeling uit te stellen. Uitgangspunt is dat het aan het beleid van de feitenrechter is overgelaten of hij - indien hij een daartoe strekkend verzoek heeft ontvangen - de zaak aanhoudt of niet en dat de rechter zijn beslissing dienaangaande niet hoeft te motiveren. [143] Een
recht op aanhoudingwordt door de Hoge Raad slechts erkend in specifieke omstandigheden waarin de rechter de behandeling moet uitstellen met het oog op het mede door art. 6 EVRM Pro gewaarborgde beginsel van hoor/wederhoor. [144] Dit is in lijn met de benadering van de OK die de mondelinge behandeling niet snel wenst uit te stellen, [145] waarbij soms wel wordt toegelaten dat tot zeer kort voor de mondelinge behandeling een verweerschrift kan worden ingediend. [146]
4.26.7
Ik keer terug naar het subonderdeel.
4.26.8
Dat bestrijdt als gezegd de eerste door de OK gegeven reden voor afwijzing van het uitstelverzoek van Yuching, namelijk om juist vanuit een oogpunt van hoor/wederhoor de eenzijdige (
ex parte) tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie zo kort mogelijk te laten voortduren. Zie onder 4.25 hiervoor. Op zichzelf is dat nog niet een sluitende redenering om het verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025 af te wijzen. Wel is het zo dat
ex partebeslissingen niet eindeloos mogen voortduren en dat wel wordt aangenomen dat belanghebbenden in ieder geval binnen een termijn van twee weken moeten worden gehoord. [147] Vanuit het oogpunt van hoor/wederhoor was er zo bezien geen beletsel tegen het bieden van uitstel van de mondelinge behandeling tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025. Die datum benaderde anders gezegd het
uiterste momentwaarop vanuit een oogpunt van hoor/wederhoor een mondelinge behandeling had moeten plaatsvinden.
4.26.9
Met die eerste door de OK genoemde reden voor afwijzing van het uitstelverzoek heeft zij dan ook niet ten onrechte het beginsel van hoor/wederhoor aan Yuching tegengeworpen, maar tot uitdrukking willen brengen dat de OK juist vanuit een oogpunt van hoor/wederhoor gehouden was op korte termijn een mondelinge behandeling te houden. De dragende reden waarom dat niet later kon dan 6 oktober 2025 is dan ook gelegen in de tweede door de OK in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 aangevoerde reden, namelijk dat voor Nexperia van groot belang is dat zo snel mogelijk aan de tijdelijke bevriezing aan de hand van de
ex parteonmiddellijke voorzieningen een einde komt.
4.26.10
Yuching had er in haar brief van 3 oktober 2025 op gewezen dat het belang van Nexperia niet in het gedrang zou komen als de
ex parteonmiddellijke voorzieningen, die Yuching zou respecteren, iets langer (tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025) zouden voortduren. [148] Nexperia heeft hier in haar brief van dezelfde datum op gereageerd door gemotiveerd uiteen te zetten waarom zij er belang bij heeft dat de mondelinge behandeling niet wordt uitgesteld. [149] Daarop is die tweede reden van de OK gebaseerd en dat was de doorslaggevende reden waarom de OK niet heeft bewilligd in uitstel van de mondelinge behandeling, nu de eerste reden slechts inhield dat hoe dan ook op korte termijn een mondelinge behandeling moest worden gehouden.
4.26.11
Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt vervolgens waarom de OK van oordeel is dat desondanks het recht op een eerlijk proces van Yuching en [bestuurder/CEO] niet is geschonden. In de aldaar genoemde omstandigheden is naar het oordeel van de OK
voldoenderecht gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en is de
redelijkemogelijkheid geboden tot het voeren van verweer.
4.26.12
De klacht ziet er dus aan voorbij dat de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 en 3.15 in onderling verband en samenhang moeten worden gelezen. De klacht is alleen gericht tegen de eerste in rov. 3.14 genoemde reden waarom de OK niet tot uitstel is overgegaan. De klacht faalt reeds omdat, zoals hiervoor bleek, dit niet de dragende reden is voor het door de OK niet bewilligen in Yuchings verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling.
4.27
In de tweede plaats, aldus het subonderdeel (
PI 69-70), is doorslaggevend althans bovenal of mede relevant, en had de OK zelfs ambtshalve erop moeten toezien, dat aan de eis van hoor/wederhoor is voldaan en dat aan Yuching de tijd en gelegenheid voor behoorlijke kennisneming en deugdelijke voorbereiding van haar verweer wordt geboden. Dit heeft de OK klaarblijkelijk miskend, omdat uit de
ex parte-beschikking, rov. 2.1, de e-mail van de OK van 3 oktober 2025 en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 niet kenbaar is dat zij dat heeft onderzocht en beoordeeld toen zij besliste op het verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling.
4.27.1
Deze klacht treft evenmin doel, omdat de daarin veronderstelde miskenning door de OK zich in werkelijkheid niet voordoet. Dat zit zo.
4.27.2
In de
ex parte-beschikking, rov. 2.1 heeft de OK slechts overwogen dat zij partijen zal oproepen voor een op 6 oktober 2025 om 13:00 uur te houden mondelinge behandeling over uitsluitend het verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen. Dit is gebeurd in de oproepingsbrief van diezelfde datum, waarin de mondelinge behandeling is bepaald op 6 oktober 2025 om 13:00 uur en waarin is vermeld dat partijen en belanghebbenden tot uiterlijk 6 oktober 2025 om 09:00 uur een verweerschrift kunnen indienen. Daarin ligt besloten dat de OK op dat moment (1 oktober 2025) ambtshalve van oordeel was dat een mondelinge behandeling vijf dagen later met de mogelijkheid tot indiening van een verweerschrift uiterlijk vier uur voor de mondelinge behandeling belanghebbenden voldoende tijd en gelegenheid bood voor kennisneming van de stukken en voor deugdelijke voorbereiding van het verweer. Op dat moment was er geen aanleiding voor de OK om dat ambtshalve oordeel te motiveren.
4.27.3
Bij brief van 3 oktober 2025 heeft Yuching vervolgens verzocht om uitstel van de mondelinge behandeling. De OK heeft daarop nog diezelfde dag afwijzend beslist, kenbaar uit de e-mail van de OK van 3 oktober 2025. [150] Er is geen rechtsregel die meebrengt dat de OK die beslissing al in de e-mail van 3 oktober 2025 had moeten motiveren. Die motivering blijkt uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 en 3.15 die als gezegd in onderling verband en samenhang moeten worden gelezen. Dat, zoals de klacht (
PI 70) aanvoert, in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 niet wordt ingegaan op de omstandigheden waarop Yuching in het kader van haar verzoek om uitstel in de brief van 3 oktober 2025 een beroep heeft gedaan, kan dan ook niet tot cassatie leiden. De OK heeft deze omstandigheden, zoals ook wordt onderkend in
PI 70, weergegeven in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.11. [151] In rov. 3.15, waarin de OK heeft gemotiveerd waarom in de gegeven omstandigheden
voldoenderecht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de
redelijkemogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, heeft de OK deze omstandigheden ook kenbaar (“tegen de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak”), en gelet op rov. 3.11 en 3.14: afdoende toegelicht, in de beoordeling betrokken.
4.28
In de derde plaats, aldus het subonderdeel (
PI 71), is het bestreden oordeel (dus de eerste in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden) onbegrijpelijk, omdat de OK niet heeft gemotiveerd waarom het belang de
ex parteopgelegde bevriezing zo kort mogelijk te laten voortduren moest prevaleren boven het belang van Yuching bij een adequate voorbereiding van verweer (schriftelijk en mondeling) en waarom aan het eerstgenoemde belang niet voldoende tegemoet zou (kunnen) worden gekomen indien het verweerschrift en de mondelinge behandeling zouden worden uitgesteld, tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025. Het subonderdeel betrekt daarbij de in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.11 weergegeven omstandigheden en verder ook dat Yuching in haar brief van 3 oktober 2025 (p. 2) te kennen heeft gegeven de inmiddels
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen te zullen respecteren en ook het bevel te zullen respecteren.
4.28.1
Ook deze klacht is ongegrond. Om herhaling te voorkomen, verwijs ik naar 4.26.7-4.26.12 en 4.27.1-4.27.3 hiervoor. Overigens mist de klacht feitelijke grondslag voor zover wordt aangevoerd dat Yuching in de brief van 3 oktober 2025 ook te kennen heeft gegeven het bevel te zullen respecteren. [152]
4.29
Voor zover het subonderdeel mede een beroep doet op schending van procedurele waarborgen van art. 1 EP Pro EVRM (
PI 66,67) merk ik nog op dat het subonderdeel in zoverre faalt op vergelijkbare gronden als uiteengezet onder 4.19.14-4.19.15 hiervoor.
4.3
Daarmee valt het doek voor subonderdeel 1.2.1.
4.31
Subonderdeel 1.2.2 [153] (
PI 72) is gericht tegen de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 gegeven reden waarom de OK niet heeft bewilligd in het verzoek van Yuching tot uitstel van de mondelinge behandeling, namelijk de onderkenning dat Nexperia op korte termijn dreigde te worden getroffen door de maatregelen uit hoofde van de
50%-ruleen dat in de gesprekken van Nexperia respectievelijk de Staat met de Amerikaanse autoriteiten van groot belang was dat aan die tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde zou komen. Dat oordeel zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn. Dit werkt het subonderdeel uit langs drie routes.
4.32
In de eerste plaats, aldus het subonderdeel (
PI 73), heeft de OK hiermee miskend dat voor de beoordeling of met het vasthouden aan de mondelinge behandeling op 6 oktober 2025 voldoende recht wordt gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor, doorslaggevend althans bovenal of mede relevant is of Yuching met de door haar geboden (minder dan) drie werkdagen (vijf dagen) in staat zou zijn zich voldoende te verweren tegen het verzoekschrift en de
ex parte-beschikking. Die tweede reden van de OK gaat hier immers niet op.
4.32.1
Deze klacht boekt geen succes.
4.32.2
De relevantie van de omstandigheid of Yuching in de korte tijd tot de mondelinge behandeling in staat zou zijn zich voldoende te verweren heeft de OK met het noemen van de tweede reden in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 niet miskend. Met die tweede reden heeft de OK gemotiveerd waarom het in het belang van Nexperia was om niet later dan op 6 oktober 2025 een mondelinge behandeling te houden. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 heeft de OK vervolgens gemotiveerd waarom in de gegeven omstandigheden
voldoenderecht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de
redelijkemogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Hierop stuit deze klacht af.
4.33
In de tweede plaats, aldus het subonderdeel (
PI 74-76), is het bestreden oordeel (dus de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden) onbegrijpelijk, omdat niet duidelijk is wat de OK met deze overweging heeft bedoeld. De klacht noemt twee mogelijke lezingen. De OK zou bedoeld kunnen hebben dat de
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen worden opgeheven. In die lezing zou het oordeel onbegrijpelijk zijn in het licht van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19, 3.20 en 3.24, waarin de OK juist tot uitgangspunt heeft genomen dat (dreiging van) toepasselijkheid van de
50%-ruleop Nexperia is ingegeven door kort gezegd (de perceptie van) de invloed van haar Chinese aandeelhouder, [A] (
PI 74). De OK zou ook bedoeld kunnen hebben dat het algemeen belang van de beschikbaarheid van chips en chipproductie voor Nederland en de EU zwaarder weegt dan Yuchings belang om zich adequaat te kunnen verweren. In die lezing zou het oordeel blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting (
PI 75-76).
4.33.1
Ook deze klacht boekt geen succes.
4.33.2
Onder 4.26.9-4.26.10 hiervoor heb ik al opgemerkt dat de OK met de tweede reden in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 heeft gerefereerd aan de reactie van Nexperia op het uitstelverzoek van Yuching. [154]
4.33.3
Tegen die achtergrond is het niet onbegrijpelijk wat de OK heeft bedoeld met de “onderkenning dat Nexperia op korte termijn dreigt te worden getroffen door de maatregelen uit hoofde van de
50%-ruleen dat in gesprekken van Nexperia, respectievelijk de Staat met de Amerikaanse autoriteiten van groot belang is dat aan die tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde komt.” Het ging erom dat de
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen (de tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie) zo snel mogelijk zouden worden opgeheven en worden vervangen door onmiddellijke voorzieningen voor de duur van het geding, zodat Nexperia bij de Amerikaanse overheid kon aanvoeren dat de
50%-ruleniet (langer) van toepassing zou moeten zijn. Die duurzamere onmiddellijke voorzieningen zijn dan ook wel degelijk verenigbaar met de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19, 3.20 en 3.24.
4.33.4
Voor zover de klacht meer of anders leest in die tweede reden faalt zij bij gebrek aan feitelijke grondslag. In ieder geval valt in de verwijzing naar de
50%-ruleniet te lezen dat de OK het algemeen belang zou hebben laten prevaleren boven Yuchings belang om zich adequaat te kunnen verweren. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt immers dat de OK van oordeel is dat in de gegeven omstandigheden
voldoenderecht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de
redelijkemogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer.
4.34
In de derde plaats, aldus het subonderdeel (
PI 77), is het bestreden oordeel (dus de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden) onbegrijpelijk, omdat de OK niet heeft gemotiveerd waarom het belang als bedoeld in die tweede reden moest prevaleren boven het belang van Yuching bij een adequate voorbereiding van haar verweer en waarom aan eerstgenoemd belang niet voldoende tegemoet zou (kunnen) worden gekomen indien de mondelinge behandeling en het nemen van verweerschrift zou worden uitgesteld tot bijvoorbeeld 14 oktober 2025. De klacht beroept zich daartoe verder op de omstandigheden a) dat Yuching in haar uitstelverzoek (p. 2) te kennen heeft gegeven de
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen te zullen respecteren, b) dat de OK heeft nagelaten kenbaar acht te slaan op de omstandigheden als bedoeld in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.11, en c) dat de OK niet heeft toegelicht waarom het van belang was dat aan de tijdelijke bevriezing zo snel mogelijk een einde zou komen, hetgeen te meer klemt omdat de
50%-rulepas eind november 2025 van kracht zou worden en de dreiging om door die regel te worden getroffen feitelijk al beperkt was met de
ex parte-beschikking.
4.34.1
Deze klacht boekt evenmin succes.
4.34.2
De klacht gaat uit van een valse tegenstelling tussen enerzijds het belang van Nexperia als bedoeld in de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden en anderzijds het procesbelang van Yuching. De OK heeft in werkelijkheid het eerste belang niet laten prevaleren boven het laatste belang. Met die tweede reden heeft de OK gemotiveerd waarom een zitting niet later dan 6 oktober 2025 voor Nexperia van belang was. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 heeft de OK gemotiveerd waarom dit niet op ontoelaatbare wijze ten koste ging van het procesbelang van Yuching: er is in de gegeven omstandigheden
voldoenderecht gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de
redelijkemogelijkheid geboden tot het voeren van verweer.
4.34.3
De omstandigheden onder a) t/m c) maken het bestreden oordeel evenmin onbegrijpelijk. Ik leg uit.
4.34.4
Wat de omstandigheid
onder a)betreft, verwijs ik naar 4.26.7-4.26.12 hiervoor. Dat Yuching de
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen zou respecteren, zou relevant kunnen zijn in het kader van de eerste in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden, maar niet in het kader van de tweede aldaar genoemde - doorslaggevende - reden voor afwijzing van het uitstelverzoek.
4.34.5
De omstandigheid
onder b)mist feitelijke grondslag. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt immers dat de OK wel degelijk acht heeft geslagen op deze omstandigheden. Om herhaling te voorkomen, verwijs ik naar 4.27.1-4.27.3 hiervoor.
4.34.6
De omstandigheid
onder c)ziet er in de eerste plaats aan voorbij dat de tweede in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden moet worden begrepen in het licht van de reactie van Nexperia op het uitstelverzoek van Yuching. Op dit punt verwijs ik om herhaling te voorkomen naar 4.33.1-4.33.4 hiervoor.
4.34.7
Voor de stelling
onder c)dat de
50%-rulepas eind november 2025 van kracht zou worden, verwijst de klacht niet naar een vindplaats in de gedingstukken bij de OK. De OK kon in het licht van de vaststaande feiten oordelen dat Nexperia “op korte termijn” dreigt te worden getroffen door de maatregelen uit hoofde van de
50%-rule. In de uitgewerkte beschikking, rov. 2.28 heeft de OK immers vastgesteld dat Nexperia pas na 60 dagen (per 28 november 2025) aan de handelsbeperkingen zal worden onderworpen, maar ook dat productie- en R&D-locaties van Nexperia in China, Maleisië en de Filipijnen
met onmiddellijke ingangonder de nieuwe handelsbeperkende maatregelen van de VS vielen (zie ook de uitgewerkte beschikking, rov. 2.1: “in beginsel na zestig dagen”).
4.34.8
Ten slotte wordt
onder c)nog aangevoerd dat de dreiging om door de
50%-rulete worden getroffen feitelijk al beperkt was met de
ex parte-beschikking. Dit laatste ziet eraan voorbij dat, zoals de OK heeft overwogen met de eerste in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 genoemde reden, de eenzijdige (
ex parte) tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie hoe dan ook niet lang kon voortduren, waarmee de OK bedoelde dat juist vanuit een oogpunt van hoor/wederhoor niet lang (zie onder 4.26.8 hiervoor over een maximale termijn van twee weken) kon worden gewacht met het houden van een mondelinge behandeling.
4.35
Dit betekent dat subonderdeel 1.2.2 strandt.
4.36
Subonderdeel 1.2.3 [155] (
PI 78) is gericht tegen het oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 dat intussen in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor, dat tegen de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak en de hoge spoedeisendheid voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, en dat het beroep op strijd met de goede procesorde en het bepaalde in art. 6 EVRM Pro daarom wordt verworpen. Deze oordelen zouden blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting, althans onbegrijpelijk zijn. Dit werkt het subonderdeel uit langs drie routes.
4.37
In de eerste plaats, aldus het subonderdeel (
PI 79), kunnen deze oordelen reeds geen standhouden voor zover zij voortbouwen op wat is overwogen in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14, gelet op de klachten in de subonderdelen 1.2.1-1.2.2.
4.37.1
Deze klacht bouwt voort op en deelt daarmee in het lot van de subonderdelen 1.2.1-1.2.2, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.38
In de tweede plaats, aldus het subonderdeel (
PI 80), heeft de OK een onjuiste maatstaf aangelegd voor zover zij voldoende heeft geacht dat in de gegeven omstandigheden
zo veel mogelijkrecht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor, althans is het oordeel onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd nu daaruit nog niet volgt dat Yuching daartoe
voldoendein de gelegenheid is gesteld.
4.38.1
Deze klacht loopt vast op het volgende. De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, eerste zin overwogen dat in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor. Uit het vervolg van die rov. 3.15 blijkt echter dat dat
nietde maatstaf is die de OK heeft aangelegd in het kader van de beoordeling van het beroep van Yuching en [bestuurder/CEO] op strijd met de goede procesorde en het bepaalde in art. 6 EVRM Pro. Dat beroep is door de OK verworpen, omdat in de gegeven omstandigheden [156] voldoenderecht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de
redelijkemogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Deze klacht berust dus op een verkeerde lezing van die rov. 3.15 en strandt daarmee op een gebrek aan feitelijke grondslag.
4.39
In de derde plaats, aldus het subonderdeel (
PI 81-88), kan dat wat de OK heeft overwogen in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, zonder nadere motivering, niet de conclusie dragen dat het recht van Yuching op een eerlijk proces en in het bijzonder haar recht op hoor/wederhoor en
equality of arms(in voldoende mate) is gerespecteerd om recht te doen aan art. 19 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro en art. 1 EP Pro EVRM.
4.4
Deze klacht richt pijlen tegen enkele van de door de OK in die rov. 3.15 genoemde omstandigheden. Geen van deze pijlen treft doel.
4.41
Ik stel het volgende voorop. De klacht komt niet op tegen de eerste door de OK genoemde omstandigheid in rov. 3.15, tweede zin, te weten dat belanghebbenden tot zeer kort, vier uur, voor de mondelinge behandeling gelegenheid is gegeven een verweerschrift in te dienen. Voor de relevantie van deze omstandigheid verwijs ik naar 4.26.5 hiervoor. De relevantie van deze omstandigheid wordt (ook) niet bestreden. Evenmin bestreden is de omstandigheid in rov. 3.15, vierde zin dat [bestuurder/CEO] , die niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen, op zitting extra tijd heeft gekregen diens positie toe te lichten. Voor zover de klacht mede een beroep doet op art. 1 EP Pro EVRM verwijs ik naar 4.19.14-4.19.15 en 4.29 hiervoor.
4.42
In
PI 82wordt aangevoerd dat onbegrijpelijk is dat Yuching een
volwaardigverweerschrift heeft ingediend. Uit het verweerschrift (nr. 12) [157] en de spreekaantekeningen van Yuching (nr. 6) [158] blijkt dat gelet op het zeer korte tijdsbestek een
beperktverweerschrift op hoofdlijnen is ingediend. Dat heeft volgens de klacht ook daadwerkelijk nadelige gevolgen gehad, nu Yuching uit tijdsgebrek relevante punten (gelet op de uitgewerkte beschikking, rov. 3.16 e.v.), zoals hetgeen Nexperia had aangevoerd over onder meer het vermeend belangenconflict en de herziening van de governance, niet heeft kunnen weerleggen.
4.42.1
Dit loopt vast.
4.42.2
Met de overweging in rov. 3.15, derde zin dat Yuching een volwaardig verweerschrift heeft ingediend, heeft de OK niet miskend dat het een ‘beperkt verweerschrift op hoofdlijnen’ betrof. Een volwaardig verweerschrift wil zeggen een verweerschrift dat voldoet aan de (processuele) vereisten van art. 282 Rv Pro, [159] wat dus onder meer inhoudt dat het is ingediend door een advocaat, met een omschrijving van het verweer en de gronden waarop het berust. [160] Het verweerschrift gaat verder gepaard met zes overgelegde bescheiden (producties) en bevat een voorwaardelijk verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen (vergelijk art. 282 lid 4 Rv Pro). [161] Dat de OK heeft onderkend dat het (inhoudelijk) een verweerschrift op hoofdlijnen betrof, blijkt ook uit de vaststelling in het vervolg van rov. 3.15, derde zin dat Yuching “haar verweer op zitting nader [heeft] aangevuld”.
4.42.3
Het is dus niet onbegrijpelijk dat de OK het verweerschrift als volwaardig in de hiervoor bedoelde zin heeft aangemerkt, en evenmin onbegrijpelijk dat de OK de omstandigheid dat Yuching ondanks het korte tijdsbestek in staat is geweest een volwaardig verweerschrift in te dienen van belang heeft geacht in het kader van de vraag of de redelijke mogelijkheid is geboden tot verweer. Wat de inhoud van het verweerschrift betreft, merk ik verder nog op dat de OK in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.16 e.v. heeft geoordeeld over de vraag of naar voorlopig oordeel gegronde redenen aanwezig zijn om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, en dat Yuching wel degelijk inhoudelijk op dit punt is ingegaan in haar verweerschrift. [162]
4.43
In
PI 83-84wordt betoogd dat de omstandigheden genoemd in rov. 3.15, derde en vijfde zin, dat Yuching haar verweer op zitting nader heeft aangevuld en dat de behandeling op zitting meermalen is geschorst opdat de advocaten van [bestuurder/CEO] en Yuching in de gelegenheid werden gesteld telefonisch overleg te plegen met hun cliënten, geen toereikende grond kunnen opleveren voor de conclusie dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer.
4.43.1
Ook dit loopt vast.
4.43.2
Voor zover de klacht hier bedoelt dat de OK heeft geoordeeld dat deze omstandigheden op zichzelf een toereikende grond opleveren voor de conclusie dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, berust dat op een te geïsoleerde lezing, nu dit slechts een deel betreft van de hier in totaliteit door de OK in aanmerking genomen omstandigheden (ten dele dus onbestreden) waarop die conclusie van de OK rust. Voor zover de klacht hier bedoelt dat onbegrijpelijk is hoe deze omstandigheden bijdragen aan de door de OK bereikte conclusie, wijs ik op het volgende. Dat de OK heeft toegelaten dat Yuching haar verweer ter zitting mocht aanvullen, is ter mitigering van de omstandigheid dat Yuching een ‘beperkt verweerschrift op hoofdlijnen’ heeft ingediend (zie ook onder 4.26.5 en 4.42.2 hiervoor).
4.43.3
Over de spreektijd wordt in
PI 83verder nog opgemerkt dat Yuching maar 20 minuten had gekregen, die zij zo nodig zou moeten delen met [bestuurder/CEO] . Uit de e-mail van de OK van 5 oktober 2025 blijkt dat Yuching en [bestuurder/CEO] respectievelijk 20 en 40 minuten spreektijd toegekend hebben gekregen (dus per ‘cluster’ in totaal 60 minuten), die zij eventueel in onderling overleg anders konden verdelen. Dit is langer dan gebruikelijk en ook langer dan het ‘cluster’ Nexperia, EZ en de OR. [163] Uit de e-mail van dezelfde datum van Yuching blijkt niet duidelijk dat zij bezwaar had tegen deze verdeling [164] en uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling (p. 5-6) blijkt niet dat de toegekende spreektijd onvoldoende was om haar spreekaantekeningen geheel voor te dragen. Van onvoldoende spreektijd voor Yuching is aldus niet gebleken.
4.43.4
In
PI 83wordt verder opgemerkt dat het verweer ter zitting al vier uur na indiening van het verweerschrift moest worden gevoerd, waardoor ook bij de voorbereiding daarvan tijdgebrek bestond. Yuching heeft haar verweerschrift zelf gedateerd op 5 oktober 2025 en uit haar spreekaantekeningen (nr. 6) [165] blijkt dat zij het in de nacht van 5 op 6 oktober 2025 heeft ingediend (“vannacht”), wat dus in elk geval eerder was dan de uiterste termijn van vier uur voor de mondelinge behandeling op 6 oktober 2025 om 13:00 uur (dus uiterlijk 09:00 uur). Dat Yuching nog tot zo kort voor de mondelinge behandeling gelegenheid werd gegeven een verweerschrift in te dienen, toont juist coulance in de richting van Yuching en maakt de tijd voor Nexperia en (andere) belanghebbenden om kennis te nemen van het verweerschrift van Yuching juist korter (zie ook onder 4.26.5 hiervoor). De relevantie van deze omstandigheid (rov. 3.15, tweede zin) wordt in cassatie als gezegd ook niet bestreden. Het valt overigens niet in te zien dat Yuching pas met de voorbereiding van de mondelinge behandeling kon beginnen op het moment dat zij haar verweerschrift daadwerkelijk had ingediend. Voorbereiding van een verweerschrift en voorbereiding van een mondelinge behandeling met de mogelijkheid tot aanvullend verweer kunnen immers in de tijd naast elkaar bestaan.
4.43.5
In
PI 83wordt ten slotte nog aangevoerd dat geen vertegenwoordiger van Yuching (en [bestuurder/CEO] evenmin) bij de mondelinge behandeling aanwezig kon(den) zijn. Een vindplaats in de gedingstukken bij de OK waar staat dat/waarom (een vertegenwoordiger van) Yuching (en [bestuurder/CEO] ) niet aanwezig kon(den) zijn, heb ik in het middel niet aangetroffen. [166] Het uitgangspunt in verzoekschriftprocedures is dat de opgeroepene in persoon of bij een gemachtigde verschijnt (art. 279 lid 3 Rv Pro). In de enquêteprocedure geldt op grond van art. 2:349a lid 1 BW voor verzoekers en de rechtspersoon (dus in beginsel niet voor belanghebbenden) verplichte procesvertegenwoordiging. Verweerschriften van belanghebbenden moeten overigens wel door een advocaat worden ingediend. Uit de oproepingsbrief van 1 oktober 2025 van de OK blijkt dat zowel Yuching als [bestuurder/CEO] als belanghebbende is opgeroepen voor de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025. Uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling kan worden afgeleid dat die oproeping deugdelijk is geweest, [167] nu zowel Yuching als [bestuurder/CEO] ter zitting is verschenen. Zij zijn niet in persoon verschenen, maar bij advocaat. [168] Nadat ter zitting was geconstateerd dat Yuching en [bestuurder/CEO] als belanghebbenden waren verschenen, hoefde de OK geen onderzoek in te stellen naar de redenen waarom Yuching en [bestuurder/CEO] niet in persoon, maar bij advocaat waren verschenen. Er kon bij deze stand van zaken immers redelijkerwijs geen twijfel over bestaan dat de oproep door hen was ontvangen en verschijning in persoon is in het kader van hoor/wederhoor geen vereiste.
4.43.6
Op zichzelf is waar - dit valt toe te geven aan
PI 84- dat telefonisch overleg kunnen plegen tussen Yuching en [bestuurder/CEO] (in China) en hun advocaten (ter zitting aanwezig) tijdens door de OK toegelaten schorsingen van de zitting
second bestis in vergelijking met de situatie dat (een vertegenwoordiger van) Yuching en/of [bestuurder/CEO] in persoon aanwezig waren/was geweest ter zitting. Dit maakt echter geenszins onbegrijpelijk dat de OK deze schorsingen voor telefonisch overleg wel als omstandigheid, dus als deel van de hier in totaliteit door de OK in aanmerking genomen omstandigheden (ten dele dus onbestreden), heeft kunnen betrekken bij het oordeel dat
voldoenderecht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de
redelijkemogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Die omstandigheid draagt immers naar de aard bij aan dit laatste oordeel.
4.44
In
PI 85-87wordt gesteld, onder verwijzing naar de uitgewerkte beschikking, dat onbegrijpelijk is hoe “de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak” (rov. 3.15, zesde zin) en “de gegeven omstandigheden” (rov. 3.15, eerste zin) bijdragen aan de conclusie dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Deze klacht is uitgewerkt met twee mogelijke lezingen: een voor het geval (zie
PI 86) de OK hiermee onder meer zou hebben gedoeld op de dreiging dat Nexperia door de
50%-rulewordt getroffen als bedoeld in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.14 (naast andere overwegingen, in rov. 3.12-3.13 van die beschikking), en een voor zover (zie
PI 87) de OK hiermee zou hebben gedoeld op de in rov. 3.11 van die beschikking weergegeven omstandigheden.
4.44.1
Dit loopt eveneens vast.
4.44.2
De klacht strandt hier reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag, omdat de OK niet aan de hand van de bestreden zinsneden uit rov. 3.15 tot de conclusie is gekomen dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Met “de gegeven omstandigheden” en “de ongebruikelijke achtergrond van de zaak” verwijst de OK terug naar hetgeen aan rov. 3.15 voorafgaat, waaronder de omstandigheden genoemd in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.11 en de dreiging dat Nexperia door de
50%-rulezou worden getroffen als bedoeld in rov. 3.14 van die beschikking. Het oordeel van de OK in rov. 3.15 houdt in dat in deze omstandigheden of tegen deze ongebruikelijke achtergrond voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer, gelet op de in rov. 3.15, tweede t/m vijfde zin bedoelde omstandigheden (ten dele onbestreden en voor het overige ook niet onbegrijpelijk).
4.45
In
PI 88wordt, ten slotte, betoogd dat zonder nadere motivering “de hoge spoedeisendheid” in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15, zesde zin evenmin de conclusie van de OK kan dragen dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer.
4.45.1
Wederom: dit loopt vast, nog daargelaten dat deze omstandigheid niet zelfstandig dragend is voor het oordeel van de OK dat voldoende recht is gedaan aan het beginsel van hoor/wederhoor en de redelijke mogelijkheid is geboden tot het voeren van verweer. Want de OK hoefde in rov. 3.15 niet nader uit te leggen waarom de hoge spoedeisendheid van de zaak relevant was bij dit oordeel, nu deze relevantie van die omstandigheid, als deel van de hier in totaliteit door de OK in aanmerking genomen omstandigheden (ten dele dus onbestreden), die dit oordeel kunnen dragen, evident is. [169]
4.46
Subonderdeel 1.2.3 mislukt dus.
4.47
Subonderdeel 1.2.4 [170] (
PI 89-90) klaagt dat het voorgaande te meer klemt omdat Nexperia haar enquêteverzoek klaarblijkelijk ruim van te voren heeft voorbereid en op enig moment heeft afgestemd met EZ, waarmee tevens sprake is van een met art. 19 lid 1 Rv Pro en art. 6 EVRM Pro onverenigbare schending van het beginsel van
equality of arms. Volgens het subonderdeel is er sprake van een wanverhouding met de tijd die Nexperia heeft gehad ter voorbereiding van haar enquêteverzoek en maakt dat, samen met de voorafgaande kennisneming door EZ, het des te bezwaarlijker dat aan Yuching niet de mogelijkheid is geboden om adequaat verweer te voeren.
4.48
Ook hiermee boekt Yuching geen succes.
4.48.1
Het lijkt mij een gegeven dat het voorbereiden van een enquêteverzoek ex art. 2:345 lid 1 BW Pro van ruim 80 pagina’s met 64 producties enige voorbereidingstijd aan de zijde van Nexperia heeft gekost. Dat sprake is geweest van een “substantiële” (
PI 89) dan wel “geruime” (
PI 90) voorbereidingstijd mist echter feitelijke grondslag. [171] De relevantie van de stelling dat EZ door voorafgaande kennisneming daarvan niet is overvallen door het verzoekschrift van Nexperia zie ik ook niet. Daaruit kan in ieder geval niet
a contrarioworden afgeleid dat Yuching (en [bestuurder/CEO] ) wél zouden zijn overvallen door het verzoekschrift. Ik wijs daartoe op het vereiste van art. 2:349 lid 1 BW Pro. [172]
4.48.2
Niet valt uit te sluiten dat Nexperia (en wellicht EZ) zich langer heeft (hebben) kunnen voorbereiden op de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025 dan Yuching (en [bestuurder/CEO] ). Als dat al zo zou zijn, levert dat op zichzelf nog geen schending op van het beginsel van
equality of arms. Het is immers vaste EHRM-rechtspraak dat
equality of armsin dit verband inhoudt dat [173] “each party must be afforded a
reasonableopportunity to present his case - including his evidence - under conditions that do not place him at a
substantialdisadvantage vis-à-vis his opponent.” [174] , [175] Dit gaat dus niet zo ver dat een
exactevenwicht in voorbereidingstijd tussen verschillende partijen en belanghebbenden moet worden bereikt.
4.48.3
Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.15 blijkt dat de OK binnen dit kader is gebleven.
4.48.4
Hierop stuit het subonderdeel af.
4.49
Dit bezegelt het lot van subonderdeel 1.2.
4.5
Subonderdeel 1.3 [176] (
PI 91) bevat deels een herhaling van zetten en loopt deels vooruit op de subonderdelen 3.2-3.3. De herhaling van zetten houdt in dat uit het voorgaande volgt dat Yuching onvoldoende in de gelegenheid is gesteld verweer te voeren, onder verwijzing naar Yuchings verweerschrift (nr. 12) [177] en spreekaantekeningen (nr. 6). [178] Het vooruitlopen op de subonderdelen 3.2-3.3 houdt in dat voor zover de OK met de door die subonderdelen bestreden oordelen (de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 en 3.21) Yuching heeft tegengeworpen dat zij de desbetreffende stellingen van Nexperia niet of onvoldoende heeft betwist, de OK heeft miskend dat, gelet op de buitengewone procesgang en de buitengewoon korte voorbereidingstijd, geen hoge eisen mochten worden gesteld aan de motivering van de betwisting door Yuching van de stellingen van Nexperia, EZ en de OR, en redelijkerwijs niet meer van Yuching kon worden verwacht dan een verweer op hoofdlijnen en, op punten, een blote ontkenning.
Behandeling
4.51
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.51.1
Voor zover het subonderdeel een herhaling van zetten bevat op basis van “het voorgaande”, deelt het in het lot van de voorgaande subonderdelen, die dus falen. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.51.2
Voor zover het subonderdeel vooruitloopt op de subonderdelen 3.2-3.3, strandt het reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag. De OK heeft immers in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 en 3.21 slechts enkele onderdelen genoemd op grond waarvan
voorshandsis geoordeeld dat sprake is van gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia als bedoeld in art. 2:349a lid 3 BW. Met dat voorlopige oordeel op die onderdelen (tegenstrijdig belang, de governance, de ontslagen van senior management en de intrekking van de bankvolmachten) heeft de OK Yuching niet tegengeworpen dat zij de desbetreffende stellingen van Nexperia onvoldoende heeft betwist en heeft de OK evenmin te hoge eisen gesteld aan de motivering van de betwisting van die stellingen door Yuching. Overigens falen de subonderdelen 3.2-3.3, zoals blijkt uit de bespreking daarvan vanaf 4.101 hierna.
4.52
Daarmee is gegeven dat onderdeel 1 faalt.
Onderdeel 2(“Oneigenlijk gebruik van enquêterecht door de Nederlandse Staat”)
4.53
Onderdeel 2 is uitgewerkt in twee subonderdelen. Subonderdeel 2.1 (
PI 92-104) klaagt in de kern dat de OK blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans een onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd oordeel heeft gegeven door EZ als belanghebbende toe te laten in deze enquêteprocedure. Volgens subonderdeel 2.2 (
PI 105-118) volgt uit de ‘doorkruisingsleer’ dat bij het optreden van EZ als belanghebbende sprake is van onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrechtelijke kader.
4.54
Subonderdeel 2.1 [179] neemt tot uitgangspunt dat de maatstaf voor toelating als belanghebbende van EZ is of zij zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat zij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of in hoeverre zij anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. [180] Het subonderdeel bevat in de kern twee klachten.
4.55
De eerste klachtin het subonderdeel (
PI 92-98) [181] is dat de OK ten onrechte niet kenbaar aan deze maatstaf heeft getoetst en voor zover zij dat wel heeft gedaan, dit oordeel onvoldoende (begrijpelijk) is gemotiveerd, omdat niet valt in te zien dat EZ een eigen belang heeft bij deze procedure. Het vereiste om aan genoemde maatstaf te toetsen, geldt volgens de klacht ook indien geen van de andere partijen het verzoek om te worden toegelaten als belanghebbende heeft weersproken en ook indien het gegeven oordeel niet wordt gemotiveerd. Voor zover de OK impliciet heeft beslist dat EZ als belanghebbende kon worden toegelaten, is dit oordeel rechtens onjuist althans onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Volgens de klacht heeft EZ in haar verweerschrift volstaan met de mededeling dat zij “mede vanwege het gegeven Bevel” een belang zou hebben om in de procedure te verschijnen en kon de OK daaruit niet afleiden dat EZ zodanig in een
eigenbelang kan worden getroffen dat zij daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang of dat EZ anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen.
Behandeling
4.56
In zoverre faalt het subonderdeel, gelet op het volgende.
4.57
De klacht gaat uit van de juiste maatstaf voor de beoordeling of EZ belanghebbende is in de onderhavige enquêteprocedure. In de
Scheipar-uitspraak van de Hoge Raad was de vraag aan de orde of een voormalig bestuurder van de vennootschap terecht door de OK was aangemerkt als belanghebbende in de zin van art. 282 lid 1 Rv Pro in de eerste fase van de enquêteprocedure. De Hoge Raad overwoog over de toe te passen maatstaf: [182]
“Bij de beoordeling van het onderdeel moet worden vooropgesteld dat in art. 282 lid 1 niet Pro in het algemeen is aangegeven wie tot de belanghebbenden in de zin van deze bepaling zijn te rekenen, en dat dit uit de aard van de procedure en de daarmee verband houdende wetsbepalingen moet worden afgeleid (vgl. HR 25 oktober 1991, rek. nr. 7932,
NJ1992, 149). [183] Bij de beantwoording van de vraag of iemand belanghebbende is, zal een rol spelen in hoeverre deze door de uitkomst van de desbetreffende procedure zodanig in een eigen belang kan worden getroffen dat deze daarin behoort te mogen opkomen ter bescherming van dat belang [ook wel aangeduid als de ‘eerste kring’, A-G] of in hoeverre deze anderszins zo nauw betrokken is of is geweest bij het onderwerp dat in de procedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen [ook wel aangeduid als de ‘tweede kring’, A-G].” [184]
4.58
In het onderhavige geval kan in het midden blijven in hoeverre EZ tot de ‘eerste kring’ behoort of kan behoren, nu zij in ieder geval tot de ‘tweede kring’ van belanghebbenden behoort, ofwel: EZ is anderszins zo nauw betrokken bij het onderwerp dat in de enquêteprocedure wordt behandeld, dat daarin een belang is gelegen om als belanghebbende in de procedure te verschijnen. Dat laat zich toelichten aan de hand van hetgeen EZ in haar verweerschrift heeft aangevoerd.
4.59
Volgens de klacht heeft EZ in dit verband volstaan met de stelling dat zij “mede vanwege het gegeven Bevel” als belanghebbende kan worden aangemerkt. [185] De formulering (“mede”) doet al vermoeden dat EZ zich in het verweerschrift op dit punt niet uitsluitend op het bevel heeft gebaseerd. Dat blijkt inderdaad het geval. [186] Zo heeft EZ in het verweerschrift verder gewezen op de gesprekken die de minister gedurende anderhalf jaar met Nexperia heeft gevoerd over een herziening van de governance, en aangevoerd dat Nexperia om onduidelijke redenen geen gevolg heeft gegeven aan concrete afspraken met de minister over een herziening van de governance. [187] Dit onderwerp is door Nexperia ten grondslag gelegd aan haar enquêteverzoek als een gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. [188] De OK heeft het niet opvolgen van toezeggingen aan EZ om de governance van Nexperia te wijzigen, in het bijzonder ten aanzien van het instellen van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten, in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.21 aangemerkt als een van de redenen op grond waarvan zij voorshands van oordeel is dat gegronde redenen bestaan voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia.
4.6
Hieruit blijkt dat EZ anderszins (dus: niet als eerste kring-, wel als tweede kring-belanghebbende) zo nauw betrokken is (geweest) bij het onderwerp dat in deze enquêteprocedure wordt behandeld dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. [189] Dat niet valt in te zien dat EZ een eigen belang heeft bij deze procedure (de ‘eerste kring’), zoals de klacht aanvoert, kan dan ook niet tot cassatie leiden. Dat wordt niet anders als conform de
Scheipar-uitspraak het doel van de enquêteprocedure [190] mede wordt betrokken bij de vraag of EZ als belanghebbende kan worden aangemerkt. Tot de doeleinden van een enquête behoort onder meer de opening van zaken. [191] Mede gelet op de feitelijke betrokkenheid van EZ bij de governance-afspraken met Nexperia (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.1, 2.7 e.v.) moet EZ worden geacht betekenisvol aan dit doel te kunnen bijdragen. [192] In de bestreden beschikkingen is nog niet beslist over de vraag of een enquête moet worden bevolen (dat is in de eerstefasebeschikking gebeurd), maar in het kader van de vraag of onmiddellijke voorzieningen moeten worden getroffen kan de inbreng van EZ hierover eveneens relevant zijn, omdat in dat kader ex art. 2:349a lid 3 BW door de OK moet worden beoordeeld of er naar haar voorlopig oordeel gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken bij Nexperia te twijfelen.
4.61
De klacht signaleert hier terecht dat de OK in de bestreden beschikkingen, waarin EZ in de kop consequent als belanghebbende is aangemerkt, niet kenbaar (expliciet) heeft getoetst aan de
Scheipar-maatstaf. Daartoe bestond echter geen aanleiding. De klacht wijst ook niet op vindplaatsen in de gedingstukken bij de OK waaruit blijkt dat Yuching het toelaten van EZ als belanghebbende heeft weersproken. De bestreden beschikkingen waarin EZ als belanghebbende is aangemerkt, laten zich aldus verstaan dat de OK - kennelijk - van oordeel is dat aan de
Scheipar-maatstaf werd voldaan. [193] De OK heeft met andere woorden al in de
ex parte-beschikking, waarin EZ voor het eerst als belanghebbende is aangemerkt, getoetst of EZ aan de
Scheipar-maatstaf voldoet. Het is, gelet ook op wat ik onder 4.57-4.60 hiervoor opmerkte, niet onjuist of onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd dat de OK EZ als belanghebbende heeft aangemerkt. Op het moment dat Yuching de toelating van EZ als belanghebbende ter discussie is gaan stellen, [194] heeft de OK haar oordeel dienaangaande trouwens ook (en toereikend) gemotiveerd. [195]
4.62
Het voorgaande wordt naar de aard niet anders door het in de klacht (
PI 97) geponeerde uitgangspunt, zo al juist, dat EZ niet behoort tot de kring van partijen die krachtens wet of statuten bij de organisatie van Nexperia zijn betrokken (“vgl. art. 2:8 BW Pro”) [196] en door de OK als belanghebbenden worden aangemerkt. Daarbij zij bedacht dat de potentiële kring van belanghebbenden bij toepassing van de
Scheipar-maatstaf niet beperkt is tot die van voornoemde partijen.
4.63
Tot slot: voor zover de klacht (
PI 98) voortbouwt (over de band van “een bestuursrechtelijk handhavingskader” dat EZ “tot haar beschikking [heeft]”) op subonderdeel 2.2, dat faalt, deelt de klacht in dit lot. Zie nader mijn bespreking van subonderdeel 2.2 vanaf 4.75 hierna.
4.64
De klacht behoeft voor het overige geen bespreking, gegeven 4.57-4.63 hiervoor. Kort en goed: de toelating door de OK van EZ als belanghebbende tot de enquêteprocedure geeft geen blijk van miskenning van de
Scheipar-maatstaf en is niet ontoereikend gemotiveerd.
4.65
De tweede klachtin het subonderdeel (
PI 93, uitgewerkt in
PI 99-104) [197] voert aan dat voor zover de OK heeft geoordeeld dat EZ kan opkomen voor een algemeen belang, dat oordeel berust op een onjuiste rechtsopvatting. Daarbij is volgens de klacht van belang dat gezien art. 124 RO Pro het openbaar ministerie, belast met (strafrechtelijke en) civielrechtelijke handhaving van de rechtsorde, is aangewezen als hoeder van het algemeen belang in het rechtspersonenrecht, hier specifiek het enquêterecht. De taak en bevoegdheid om het algemeen belang in enquêteprocedures te vertegenwoordigen, berusten op grond van art. 2:345 lid Pro 2, 2:349a en 2:355 lid 1 BW bij de advocaat-generaal bij het ressortsparket. De klacht wijst er verder op dat de wetgever de toezichthouders DNB, AFM en ECB bijzondere taken en bevoegdheden (art. 2:348 en Pro 2:355 lid 4 BW) heeft gegeven om het algemeen belang specifiek gericht op het financiële toezichtrecht te dienen. De portee van deze klacht is dat de wetgever de bescherming van het algemeen belang binnen het enquêterecht bewust heeft toebedeeld aan een beperkt aantal publiekrechtelijke rechtspersonen, en dat andere(n) dan die rechtspersonen slechts de mogelijkheid hebben om in een enquêteprocedure als belanghebbende in de zin van art. 282 Rv Pro op te komen. Dit is volgens de klacht consistent met de OK-beschikking van 25 augustus 2013 inzake
Fortis, “waarin een algemeen belang werd afgewezen als een voldoende eigen belang van de Staat”. [198]
Behandeling
4.66
Ook in zoverre faalt het subonderdeel, gelet op het volgende.
4.67
Op grond van art. 124 RO Pro is het openbaar ministerie belast met de strafrechtelijke handhaving van de rechtsorde en met andere bij de wet vastgestelde taken. Een van deze andere bij de wet vastgestelde taken is de civielrechtelijke bevoegdheid van het openbaar ministerie [199] - de advocaat-generaal bij het ressortsparket (gerechtshof Amsterdam) - om een verzoek te doen tot het instellen van een enquête als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW Pro
om redenen van openbaar belang(art. 2:345 lid 2 BW Pro). Uit de wetsgeschiedenis blijkt dat deze wettelijke clausulering van de bevoegdheid van de A-G bij het ressortsparket (“om redenen van openbaar belang”) is toegevoegd om te benadrukken dat deze bevoegdheid niet is gegeven “om zuiver particuliere belangen te dienen”. [200] Dit vormde een reactie op het rapport van de commissie-Verdam waarin een ruimere bevoegdheid voor de A-G bij het ressortsparket (toen nog geheten procureur-generaal bij het gerechtshof te Amsterdam) tot het doen van een enquêteverzoek werd voorgesteld, namelijk niet alleen “wanneer de openbare orde en het algemene belang een zodanig onderzoek eisen”, maar ook in gevallen waarin wordt opgetreden “op verzoek van personen, die niet zó nauw bij de gang van zaken in de onderneming zijn betrokken, dat hun een eigen bevoegdheid tot het uitlokken van een onderzoek kan worden toegekend”. [201] Het gevolg van de wettelijke clausulering is dat een betrokkene die zelf op de voet van art. 2:346 en Pro 2:347 BW geen toegang heeft tot het enquêterecht zich alleen dan (succesvol) tot de A-G bij het ressortsparket kan wenden als het openbaar belang in het geding is. [202]
4.68
In het onderhavige geval is geen sprake van een enquête om redenen van openbaar belang. Het enquêteverzoek is niet ingediend door de A-G bij het ressortsparket (op de voet van art. 2:345 lid 2 BW Pro), maar door Nexperia (de rechtspersoon als bedoeld in art. 2:344 BW Pro in de zin van art. 2:346 lid Pro 1, aanhef en onder d BW). Dit betekent voor de onderhavige procedure uiteraard niet dat het openbaar belang hier geen enkele rol kan spelen, en evenmin dat als het openbaar belang wel mede in het geding is het openbaar ministerie exclusief is aangewezen als de hoeder van dat openbaar belang. De bevoegdheid om een enquêteverzoek om redenen van openbaar belang in te dienen, berust exclusief bij de A-G bij het ressortsparket. Voor de vraag wie belanghebbende is, geldt als gezegd de
Scheipar-maatstaf. Art. 124 RO Pro en art. 2:345 lid 2 BW Pro brengen geen beperking aan op de toepassing van deze maatstaf, in de zin, kort gezegd, dat slechts de A-G bij het ressortsparket hoeder van het algemeen belang in een enquêteprocedure kan zijn en andere onderdelen van de Staat of andere overheidsinstanties per definitie geen belanghebbende in de zin van de
Scheipar-maatstaf kunnen zijn. Aan art. 2:349a en 2:355 BW komt in dit verband geen betekenis toe. Deze bepalingen bevatten ook geen bevoegdheden die slechts zouden toekomen aan de A-G bij het ressortsparket als bedoeld in art. 2:345 lid 2 BW Pro. [203]
4.69
Het enquêterecht bevat in art. 2:345 lid 2 en Pro 2:346-347 BW een limitatief bedoelde opsomming van degenen die bevoegd zijn tot het indienen van een enquêteverzoek als bedoeld in art. 2:345 lid 1 BW Pro. De vraag wie als belanghebbende in het enquêterecht kan worden aangemerkt, is echter niet zoals de kring van enquêtegerechtigden in art. 2:345 lid 2 en Pro 2:346-347 BW bewust zo nauwkeurig mogelijk in de wet afgebakend, maar maatwerk via de open geformuleerde
Scheipar-maatstaf, aan de hand van welke maatstaf de kring van belanghebbenden ruimer wordt getrokken dan de enquêtegerechtigden in art. 2:345 lid 2 en Pro 2:346-347 BW. [204] Dat de enquêtegerechtigden nauwkeurig in de wet zijn afgebakend en de belanghebbenden niet, laat zich mede verklaren doordat het indienen van een enquêteverzoek “een zeer bijzondere bevoegdheid [is], welke, indien verkeerd toegepast, voor de vennootschap uiterst nadelige gevolgen kan hebben”. [205] Een belanghebbende die niet enquêtegerechtigd is, heeft in een reeds geëntameerde enquêteprocedure de bevoegdheid om zijn of haar standpunt kenbaar te maken tijdens de mondelinge behandeling waarvoor belanghebbenden eveneens moeten worden opgeroepen (art. 279 Rv Pro) en bij verweerschrift (art. 282 lid 1 Rv Pro), welk verweerschrift overigens wel op de voet van art. 282 lid 4 Rv Pro een zelfstandig verzoek - ook wel tegenverzoek - kan bevatten, [206] waaronder in beginsel ook een verzoek tot het treffen van een onmiddellijke voorziening als bedoeld in art. 2:349a BW valt. [207] Een belanghebbende die zelf niet enquêtegerechtigd is, heeft deze procesrechtelijke bevoegdheden, die met waarborgen zijn omkleed, dus pas
nadat(al dan niet om redenen van openbaar belang) bevoegd een enquêteverzoek is ingediend. [208]
4.7
Ik geef een voorbeeld van het voorgaande uit de OK-rechtspraak. [209] De Inspectie voor de Gezondheidszorg (thans Inspectie Gezondheidszorg en Jeugd) was een onderdeel van het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en daarmee van de Staat. Deze overheidsinstantie had bij verweerschrift in een enquêteprocedure met betrekking tot een stichting die diensten verleende aan oudere doven verzocht om een onderzoek naar het beleid en de gang van zaken van de stichting en om het treffen van onmiddellijke voorzieningen. [210] In eerstbedoeld verzoek werd zij door de OK niet-ontvankelijk verklaard, omdat zij niet enquêtegerechtigd als bedoeld in art. 2:345 lid 2 en Pro 2:346-347 BW was. [211] Er was in deze zaak al een enquêteverzoek ingediend door een (wel) enquêtegerechtigde. [212] Als dat niet het geval was geweest, had de toezichthouder zich nog slechts kunnen wenden tot de A-G bij het ressortsparket om op de voet van art. 2:345 lid 2 BW Pro een enquête in het openbaar belang te bewerkstelligen. [213] De toezichthouder werd door de OK op grond van de
Scheipar-maatstaf [214] wel als tweede kring-belanghebbende [215] aangemerkt en kon dus worden ontvangen in het verzoek op de voet van art. 282 lid 4 Rv Pro in verbinding met art. 2:349a BW tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen. [216]
4.71
Het was in deze zaak dus, evenals in de onderhavige zaak, niet direct nodig dat de A-G bij het ressortsparket een enquêteverzoek indiende. [217] Dit voorbeeld uit de OK-rechtspraak toont verder dat bij niet-financiële instellingen (zoals de desbetreffende stichting, maar ook Nexperia), waarvoor de wettelijke regeling van het enquêterecht geen specifieke bepalingen bevat zoals art. 2:348 BW Pro (afschrift van het verzoekschrift tot het instellen van een onderzoek voor de toezichthouder) [218] en art. 2:355 lid 4 BW Pro (hoorrecht voor de toezichthouder in de tweede fase van de enquêteprocedure), [219] niet specifiek in deze wettelijke bepalingen genoemde onderdelen van de overheid eveneens als belanghebbende kunnen worden aangemerkt als de desbetreffende overheidsinstantie voldoet aan de
Scheipar-maatstaf, zoals in dit voorbeeld het geval was bij de toenmalige Inspectie voor de Gezondheidszorg en in de onderhavige zaak het geval is bij EZ. [220] Het behoeft geen betoog dat een dergelijke overheidsinstantie in beginsel - dus ook als belanghebbende in het enquêterecht - handelt ter uitvoering van haar publieke taak, in de terminologie van art. 2:345 lid 2 BW Pro: “om redenen van openbaar belang”. [221] Dát is echter niet het criterium om te bepalen of de desbetreffende overheidsinstantie is aan te merken als een belanghebbende in een enquêteprocedure. Dat moet immers worden bepaald aan de hand van de
Scheipar-maatstaf. Zie ook mijn bespreking van de eerste klacht in het subonderdeel, onder 4.56-4.64 hiervoor.
4.72
Ten slotte het beroep van de klacht op een OK-beschikking inzake
Fortis. [222] In deze enquêteprocedure is een onderzoek bevolen naar het beleid en de gang van zaken van Fortis N.V. De Staat is in deze zaak juist toegelaten als belanghebbende in de eerste fase van de enquêteprocedure. [223] In de beschikking waaruit de klacht citeert, gaat het echter om een ander -
beperkter- belanghebbendebegrip, namelijk of de Staat als belanghebbende in de zin van art. 2:353 lid 2 BW Pro de bijlagen bij het onderzoekverslag, waarvoor de OK bij beschikking van 10 juni 2010 [224] had bepaald dat die niet voor een ieder ter inzage liggen maar slechts voor ‘belanghebbenden’, mag inzien. In de beschikking van 25 augustus 2010 oordeelde de OK dat de Staat (die aan de hand van de
Scheipar-maatstaf was toegelaten als belanghebbende als bedoeld in art. 279 lid 1 en Pro 282 lid 1 Rv)
nietals belanghebbende in deze engere zin kan worden aangemerkt. [225] De klacht beroept zich specifiek op de volgende overweging uit de beschikking van 25 augustus 2010: [226]
“Ook indien, zoals de Staat stelt, hij zich
“vanuit zijn verantwoordelijkheid voor het algemeen belang en het Nederlandse financiële systeem als geheel”geroepen voelde tot deze verwerving, is de Staat daarmee nog geen belanghebbende als bedoeld in het dictum van de beschikking van 16 juni 2010.”
Nog daargelaten dat deze overweging dus niet in de sleutel staat van het belanghebbendebegrip volgens de
Scheipar-maatstaf, geldt volgens mij evenzeer voor laatstgenoemd belanghebbendebegrip (dus als bedoeld in art. 279 lid 1 en Pro 282 lid 1 Rv) dat een dergelijk algemeen belang zonder meer niet voldoende zou zijn voor toelating als belanghebbende. Daarvoor moet immers worden voldaan aan de
Scheipar-maatstaf. Kortom, ook het beroep op de OK-beschikking inzake
Fortiskan Yuching niet baten.
4.73
Hierop stuit de klacht af.
4.74
Daarmee is subonderdeel 2.1 van tafel.
4.75
Subonderdeel 2.2 [227] beroept zich op de zogenoemde doorkruisingsrechtspraak. [228] De klacht houdt in dat de OK door EZ aan te merken als belanghebbende en betekenis toe te kennen aan hetgeen EZ als belanghebbende in de enquêteprocedure heeft gesteld, blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting in het licht van deze rechtspraak (
PI 105). Deze algemene rechtsklacht is uitgewerkt in twee subklachten (
PI 106-118), [229] die zich lenen voor gezamenlijke bespreking.
Behandeling
4.76
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.77
Het beroep op de zogenoemde doorkruisingsrechtspraak ligt op zichzelf in het logische verlengde van subonderdeel 2.1. [230] Over de vraag wanneer sprake is van een onaanvaardbare doorkruising van een publiekrechtelijke regeling heeft A-G Snijders vrij recent het volgende opgemerkt: [231]
“3.3 De overheid is rechtssubject in het privaatrecht en kan dus gebruikmaken van privaatrechtrechtelijke bevoegdheden. Dat geldt uiteraard ook als de overheid met die bevoegdheden publieke belangen wil dienen. De overheid handelt immers altijd ter uitoefening van haar publieke taak, ook in het privaatrecht. Het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden voor de behartiging van publieke belangen is de overheid dan ook toegestaan.
Dat is anders als de wet het gebruik van die bevoegdheden uitsluit of dat gebruik een onaanvaardbare doorkruising vormt van het relevante publiekrecht. Onder het eerste geval - van een wettelijke uitsluiting - valt zowel een uitdrukkelijk wettelijk verbod, als een wettelijke regeling die een impliciet verbod bevat, welk verbod eventueel uit de regeling als geheel valt af te leiden, mede gelet op de aard of inhoud ervan.
3.4
Dat het gebruik van het privaatrecht ook is uitgesloten als dat gebruik een onaanvaardbare doorkruising vormt van het relevante publiekrecht, is voor het eerst uitgesproken in het (…) Windmill-arrest (…). Over het met dat arrest in het leven geroepen leerstuk van de onaanvaardbare doorkruising zijn inmiddels vele arresten gewezen. Die wijzen erop dat het bij dit leerstuk in feite gaat om een variant van een van de regels van samenloop, namelijk die van de exclusiviteit. Volgens de regels van samenloop is een regel of bevoegdheid onder meer exclusief van toepassing te achten als de toepasselijkheid van andere - in beginsel ook van toepassing zijnde - regels of bevoegdheden tot onaanvaardbare resultaten zou leiden. Die onaanvaardbaarheid zal allereerst moeten worden bepaald aan de hand van onder meer het doel, de strekking, de achtergrond en bijzondere waarborgen van de aan de orde zijnde regels of bevoegdheden: vraagt de desbetreffende regel of bevoegdheid in de betrokken gevallen om exclusiviteit of brengt deze in de betrokken gevallen exclusiviteit mee? Ook de criteria van het Windmill-arrest - die onmiskenbaar slechts gezichtspunten voor rechtsvinding zijn en geen rechtsregels, waarvoor ze soms wel worden aangezien - komen daarop neer, blijkens de rechtspraak. De beantwoording van genoemde vraag is - evenals de beantwoording van de vraag of sprake is van een wettelijk verbod op het gebruik van privaatrecht - uiteindelijk een kwestie van wetsuitleg. (…).”
4.78
Eerst iets over het relevante publiekrecht in de onderhavige zaak. Het bevel is gegeven op grond van de Wbg. [232] De Wbg bevat bestuursrechtelijke (art. 8, last onder dwangsom) [233] en strafrechtelijke (art. 9, strafbaarstelling) sanctioneringsmechanismen in verband met de naleving van het bevel. [234] Zoals de naam van de wet al doet vermoeden, gaat het in de Wbg om het beschikbaar blijven van goederen. [235] In de wetsgeschiedenis van de Wbg is met betrekking tot het nemen van maatregelen tegen overtreding van een bevel het volgende opgemerkt: [236]
“Bij overtreding van een bevel, dat bij of krachtens artikel 2 is Pro gegeven, zal de eerste zorg van de Regering zijn de goederen terug te brengen in de vereiste toestand. Vóórdat tot een strafrechtelijke opsporing wordt overgegaan of tegelijk daarmede, zal het goed met behulp van de overtreder in de vereiste hoedanigheid moeten worden teruggebracht.” [237]
4.79
De tekst van de Wbg en de wetsgeschiedenis ervan gaan niet expliciet in op het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden ten aanzien van een bevel. Uit de wetgeschiedenis maak ik op dat eerst en vooral moet worden voorkomen dat goederen waarop een bevel betrekking heeft, ‘verdwijnen’ (preventie), en dat voor zover dat toch is gebeurd die goederen moeten worden ‘teruggebracht’ (herstel). Indien het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden kan bijdragen aan het beschikbaar blijven van de goederen (preventie) lijkt op basis van wetsuitleg dan ook niet snel sprake te zijn van onaanvaardbare doorkruising. In
PI 114wordt er terecht op gewezen dat bestuursrechtelijke maatregelen die gericht zijn op herstel slechts in beperkte mate preventief kunnen worden gebruikt. Zo volgt uit art. 5:7 Awb Pro dat een herstelsanctie kan worden opgelegd “zodra het gevaar voor de overtreding klaarblijkelijk dreigt”. In
PI 115wordt er eveneens terecht op gewezen dat uit de stellingen van EZ blijkt dat een dergelijke situatie zich niet voordeed. Anders dan in
PI 113en
115wordt opgemerkt, heeft EZ wel meer gesteld dan dat “niet zeker” is dat het bevel zal worden nageleefd. Zo heeft EZ in haar verweerschrift opgemerkt dat “[z]onder ingrijpen van uw Ondernemingskamer de ontstane machtsstrijd tussen de bestuurder/aandeelhouder en andere bestuurder (zie in het bijzonder bijlagen 062 en 063 bij het verzoekschrift) [zal] oplaaien en
vermoedelijk[zal] leiden tot gevallen van niet-naleving van het Bevel (…)” [cursivering toegevoegd, A-G]. [238] Er was dus in dit geval in het publiekrecht (bestuursrecht en strafrecht) geen mogelijkheid een preventieve maatregel op te leggen ter bevordering van de naleving het bevel. Het privaatrecht (enquêterecht) werd, anders gezegd, gebruikt ter aanvulling op een in het publiekrecht ontbrekende regeling, zodat een leemte aldus werd opgevuld. [239] Of nog weer anders gezegd: met het publiekrechtrechtelijke instrumentarium (gericht op herstel) kon niet een vergelijkbaar resultaat worden bereikt als met het enquêterechtelijke instrumentarium (preventie). [240] Van een (onaanvaardbare) doorkruising van het publiekrecht was aldus geen sprake.
4.8
Hier komt nog bij dat het subonderdeel ten onrechte (onder meer in
PI 106en
115) tot uitgangspunt neemt dat het optreden van EZ als belanghebbende in de enquêteprocedure
enkelis gericht op het bevorderen van de naleving van het bevel. Onder 4.57-4.60 hiervoor kwam al aan de orde dat het optreden van EZ als belanghebbende
medeis ingegeven door het bevel en dat EZ ook los van het bevel zo nauw is betrokken bij een van de onderwerpen die in de enquêteprocedure worden behandeld (de afspraken met EZ over herziening van de governance van Nexperia) dat daarin een belang is gelegen om in de procedure te verschijnen. Hierop stuit het beroep op de doorkruisingsrechtspraak ook reeds af. [241]
4.81
Dan nog iets over het gebruik van privaatrechtelijke bevoegdheden door de overheid waarop de doorkruisingsrechtspraak ziet. In de
Windmill-uitspraak heeft de Hoge Raad die bevoegdheden van de overheid omschreven als: [242]
“in beginsel krachtens het privaatrecht toekomende bevoegdheden, zoals aan het eigendomsrecht ontleende bevoegdheden, de bevoegdheid overeenkomsten naar burgerlijk recht te sluiten of de bevoegdheid een vordering op grond van een jegens haar gepleegde onrechtmatige daad bij de burgerlijke rechter in te stellen.”
Het subonderdeel neemt tot uitgangspunt dat het optreden door EZ als belanghebbende en “het verzoek om toewijzing van verzochte voorlopige voorzieningen” (
PI 106) ofwel “het krachtens art. 2:349a BW optreden als belanghebbende” (
PI 109) ofwel “te verzoeken om toewijzing van de verzochte onmiddellijke voorzieningen” (
PI 118) een dergelijke privaatrechtelijke bevoegdheid betreft. Hiermee wordt miskend dat EZ
geenzelfstandig verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen (art. 282 lid 4 Rv Pro in verbinding met art. 2:349a BW) heeft gedaan. [243] Zij heeft aldus geen enquêterechtelijke (privaatrechtelijke) bevoegdheden gebruikt, maar slechts de procesrechtelijke bevoegdheden van een belanghebbende in een enquêteprocedure (zie ook
PI 105). Hierop loopt het beroep op de doorkruisingsrechtspraak ook spaak. [244]
4.82
Het subonderdeel strandt verder nog op de volgende klip. In
PI 107wordt tot uitgangspunt genomen dat Yuching in haar spreekaantekeningen bij de OK een beroep op de doorkruisingsrechtspraak heeft gedaan, althans dat de OK op de voet van art. 25 Rv Pro de rechtsgronden had moeten aanvullen door te onderzoeken of sprake was van een onaanvaardbare doorkruising van het publiekrechtelijke handhavingskader althans dat de OK dit ambtshalve had moeten beoordelen omdat het de ontvankelijkheid van EZ als belanghebbende betreft en het om een kwestie van openbare orde gaat.
4.83
In de desbetreffende randnummers in de spreekaantekeningen van Yuching staat onder het opschrift “Verweerschrift Minister ondersteunt verweer Yuching” het volgende: [245]
“8. Nu Yuching verwijst naar de schriftelijke verweren, staat zij vandaag nog kort stil bij het nagekomen verweerschrift van de Minister. Het verweerschrift bevestigt dat de overval van Verzoeksters en de Minister, waar deze enquêteprocedure onlosmakelijk deel van uitmaakt, direct verband houdt met de oplegging van het Bevel en publicatie van de 50%-rule, en het voorportaal betreft van een uiteindelijke onteigening van Yuching. Kortom: Yuching heeft in haar eigen verweerschrift de vinger precies op de zere plek gelegd.
9. Ondanks dat de Minister met het Bevel Nexperia heeft gereduceerd tot
de factostaatsonderneming, en ondanks dat hem het volledige handhavingsapparaat van het [de, A-G] Nederlandse Staat ten dienst[e] staat, trekt de Minister ten overstaan van de Ondernemingskamer een kleine broek aan. “
Naleving van het Bevel is geen gegeven”, aldus de Minister, en “
Ingrijpen door uw Ondernemingskamer draagt bij aan de naleving door Nexperia c.s.”. Dat is een wat Yuching betreft uiterst merkwaardige positie voor een vertegenwoordiger van de Nederlandse Staat, die bij uitstek beschikt over een uitgebreid administratief en strafrechtelijk handhavingsapparaat. Yuching heeft in haar verweerschrift toegelicht dat de zaken in werkelijkheid anders liggen, waardoor de Ondernemingskamer op het verkeerde been wordt gezet.
10. De werkelijke achtergrond van het enquêteverzoek is gelegen in de uiterst dunne en gebrekkige motivering van het Bevel en de noodzaak van de inzet van een - zachtst gezegd - obscure wet als de Wbg. Verzoeksters en de Minister lijken er belang bij te hebben om te voorkomen dat een onafhankelijke bestuursrechter zich over het Bevel zal buigen. Door de enquêteprocedure en de genomen maatregelen te ondersteunen, wordt kennelijk gepoogd te voorkomen dat Nexperia de bezwaar- en beroepsmogelijkheden tegen het bevel zal benutten.
11. Verzoeksters maken op nog een ander punt oneigenlijk gebruik van de enquêteprocedure, en ook hier springt de Minister voor hen in de bres. Via de zelf bij Nexperia gecreëerde noodsituatie sturen Verzoeksters en de Minister klaarblijkelijk aan op definitieve onteigening van Yuching en het buiten spel zetten van de concernleiding. Daarbij gebruiken Verzoekers de recentelijk door de Amerikaanse overheid opgelegde
50%-ruleals onterechte legitimering om over te gaan tot ontmanteling van het concern van Nexperia. Yuching heeft in haar verweerschrift toegelicht dat Verzoeksters met betrekking tot de
50%-ruleeen onvolledig en onjuist beeld aan de Ondernemingskamer presenteren.
(…)
18. Het voorgaande legt in ieder geval bloot wat de eigenlijke insteek van deze enquêteprocedure is. Verzoeksters en de Minister hebben - op oneigenlijke gronden - een keer op keer vertraagde en naar haar aard tijdelijke handelsrestrictie van een buitenlandse overheid aangegrepen om een coup te plegen bij een internationaal concern.”
4.84
Het lijkt mij al niet onbegrijpelijk dat de OK, de feitenrechter aan wie de uitleg van de gedingstukken is voorbehouden, hierin geen beroep op de doorkruisingsrechtspraak heeft gelezen. Voor zover wel aanleiding bestond de rechtsgronden op dit punt ex art. 25 Rv Pro aan te vullen, bieden deze stellingen bovendien geen enkel feitelijk aanknopingspunt voor toewijzing van het (alsdan) beroep op de doorkruisingsrechtspraak. [246] Het subonderdeel neemt op zichzelf terecht tot uitgangspunt dat de OK ambtshalve de ontvankelijkheid van een belanghebbende moet beoordelen. Onder 4.61 hiervoor kwam aan de orde dat de OK al in de
ex parte-beschikking heeft beoordeeld of EZ kan worden toegelaten als belanghebbende. Voor zover de OK bij die beoordeling ambtshalve de doorkruisingsrechtspraak had moeten betrekken (waarom sprake zou zijn van een kwestie van openbaar belang wordt overigens niet verder onderbouwd met vindplaatsen), stuit dat ook af op hetgeen ik opmerkte onder 4.77-4.80 hiervoor.
4.85
Dit een en ander betekent reeds dat subonderdeel 2.2 op verschillende gronden niet tot cassatie kan leiden. Het subonderdeel behoeft geen verdere bespreking.
4.86
Daarmee is gegeven dat onderdeel 2 faalt.
Onderdeel 3(“Oordeel omtrent gegronde redenen is rechtens onjuist althans onbegrijpelijk”)
4.87
Onderdeel 3 bestrijdt de verschillende gronden waarop de OK in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.17-3.21 het voorlopige oordeel dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia heeft gebaseerd. Het onderdeel bevat drie subonderdelen.
Subonderdeel 3.1(
PI 120-138) is met rechts- en motiveringsklachten gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 waarin de OK naar voorlopig oordeel het niet opvolgen van toezeggingen aan de Staat om de governance van Nexperia te wijzigen als gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia heeft aangemerkt.
Subonderdeel 3.2(
PI 139-143) is met motiveringsklachten gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 over het voorlopige oordeel van de OK dat een tegenstrijdig belang bij [bestuurder/CEO] een gegronde reden vormt om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia.
Subonderdeel 3.3(
PI 144-147) is met motiveringsklachten gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 waarin de OK het voorlopige oordeel om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia heeft gegrond op overige omstandigheden. Het onderdeel bouwt ten dele voort op onderdeel 1, in het bijzonder subonderdeel 1.3, door te klagen dat de OK gelet op het verloop van de procedure en in het bijzonder de (te) korte tijd die Yuching is gegund om haar verweer voor te bereiden geen hoge eisen mocht stellen aan de motivering van de betwisting door Yuching van de stellingen van Nexperia, EZ en de OR (
PI 119).
4.88
Ik begin met enkele inleidende opmerkingen. Onder 4.89 hierna keer ik terug naar de klachten, te beginnen met
PI 119.
4.88.1
Op grond van art. 2:349a lid 3, eerste zin BW wordt, in geval nog geen onderzoek is gelast, een onmiddellijke voorziening slechts getroffen indien er
naar het voorlopig oordeel van de OK gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen. Het laatste gedeelte van dit vereiste, gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen, is ontleend aan het wettelijke criterium voor toewijzing van het enquêteverzoek (art. 2:350 lid 1 BW Pro). Het oordeel in de zin van art. 2:350 lid 1 BW Pro dat blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen, is een voorlopig oordeel. [247] In art. 2:349a lid 3, eerste zin BW is dus sprake van een voorlopig oordeel over een voorlopig oordeel. [248] De ratio hiervan is dat bij de beslissing over het treffen van onmiddellijke voorzieningen in geval nog geen onderzoek is gelast de toets van art. 2:350 lid 1 BW Pro niet geheel wordt losgelaten. [249] Een voorlopig oordeel over het criterium van art. 2:350 lid 1 BW Pro (dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken) werd vóór de invoering van art. 2:349a lid 3 BW per 1 januari 2013 [250] voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen voordat op het verzoek tot het instellen van het onderzoek was beslist, al vereist in de
DSM-uitspraak van de Hoge Raad uit 2007. [251] De codificatie van dit punt in art. 2:349a lid 3 BW betrof met andere woorden een “verduidelijking”. [252]
4.88.2
In het kader van de invoering van art. 2:349a lid 3 BW is in de wetsgeschiedenis ook de vraag gesteld
op basis waarvande OK tot het desbetreffende voorlopige oordeel kan komen in het geval de OK het verzoek tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen behandelt voordat het enquêteverzoek inhoudelijk wordt behandeld (en er in dat stadium dus nog niet wordt getoetst aan art. 2:350 lid 1 BW Pro). [253] Hierop is niet een glashelder antwoord gegeven. [254] Uit de
DSM-uitspraak blijkt dat deze voorlopige beoordeling “aan de hand van een beperkt partijdebat” plaatsvindt. [255] Om meer licht op deze vraag te werpen, ga ik nader in op de beoordeling of sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken in de zin van art. 2:350 lid 1 BW Pro. Nog altijd lezenswaardig is wat A-G Van Soest hierover ruim vijftig jaar geleden heeft geschreven, in zijn conclusie voor de
HVA-uitspraak van de Hoge Raad: [256]
“De wettelijke eis voor het bevelen van een enqu[ê]te is derhalve [257] in twee opzichten lichter dan voor het treffen van voorzieningen [als bedoeld in thans art. 2:356 BW Pro waarvoor op grond van art. 2:355 lid 1 BW Pro is vereist dat uit het onderzoeksverslag is gebleken van wanbeleid, A-G]:
a. het verkeerde beleid behoeft niet gebleken te zijn; vereist is slechts gegronde twijfel daaromtrent;
b. het gaat om niet meer dan verkeerd beleid; voor het treffen van voorzieningen moet het beleid in zeer ernstige mate verkeerd zijn. [258]
Ad a. Het is mogelijk de eis, dat ‘blijkt van gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen’ zeer licht op te vatten (…) Het aldus nagenoeg weggeredeneerde vereiste kan in (…) [thans art. 2:350 lid 1 BW Pro, A-G] niet bedoeld zijn, aangezien het enqu[ê]tes onder alle omstandigheden in alle vennootschappen mogelijk zou maken. Veeleer moet men aannemen, dat ‘gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen’ zijn: feiten die tezamen een behoorlijke kans inhouden, dat het beleid bij nader onderzoek onjuist blijkt.
Deze feiten moeten ‘blijken’ (verg. de MvT, blz. 13, linkerkolom, 4e al.: ‘de verzoekers behoeven niet te bewijzen dat het ondernemersbeleid faalt, doch dat er gegronde redenen zijn voor twijfel aan de juistheid van het beleid’), [259] d.w.z. ‘de rechter (moeten) zodanige gronden voor zekerheid (verschaft worden), als hij behoeft, om de aan die feiten door het recht verbonden rechtsgevolgen toe te wijzen’ (Asser-Anema-Verdam, 5e druk, 1953, blz. 35 v.; Veegens-Wiersma, Het nieuwe bewijsrecht in burgerlijke zaken I, 1973, blz. 47). De rechter moet dus de overtuiging krijgen, dat er een behoorlijke kans bestaat, dat een enqu[ê]te een onjuist beleid uitwijst. De vraag, of hij in een concrete situatie deze overtuiging al dan niet gekregen heeft, is een feitelijke vraag waarop het antwoord zich bezwaarlijk leent voor toetsing in cassatie. [260] (…).”
4.88.3
Het voorlopige oordeel als bedoeld in art. 2:349a lid 3, eerste zin BW is tegen deze achtergrond, en ook gelet op de plaats van deze bepaling in de wet, te beschouwen als een tussenstap in de eerste fase van de enquêteprocedure tussen de (subjectieve) bezwaren tegen het beleid of de gang van zaken als bedoeld in art. 2:349 lid 1 BW Pro en de (objectieve) blijk van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken als bedoeld in art. 2:350 lid 1 BW Pro. Het voorlopige oordeel van art. 2:349a lid 3, eerste zin BW moet worden afgeleid uit de op dat moment beschikbare gegevens. Dat zijn ten tijde van de uitgewerkte beschikking met name het verzoekschrift van Nexperia (met producties), de verweerschriften van belanghebbenden onder wie Yuching (met producties) en de spreekaantekeningen en uitingen van de rechtspersoon en belanghebbenden op de mondelinge behandeling. [261] Dit roept vervolgens de vraag op
hoede OK de voor dat voorlopige oordeel relevante feiten en omstandigheden uit die beschikbare gegevens moet afleiden, of specifieker: in hoeverre de OK daarbij gebonden is aan de wettelijke bewijsregels van art. 149 e.v. Rv (afdeling 9 Titel 2 Rv). In de literatuur wordt aangenomen dat de OK in de eerste fase van de enquêteprocedure, waaronder bij de behandeling van een verzoek om onmiddellijke voorzieningen te treffen, gelet op het spoedeisende karakter, niet hoeft in te gaan op een aanbod tot leveren van (tegen)bewijs, een verzoek om een voorlopig getuigenverhoor of een inzageverzoek ex art. 194 e.v. Rv. [262] Art. 284 lid 1 Rv Pro, op grond waarvan afdeling 9 Titel 2 Rv van overeenkomstige toepassing is op verzoekschriftprocedures (zoals de enquêteprocedure)
tenzij de aard van de zaak zich hiertegen verzet, biedt hiervoor ruimte. Voor de tweede fase van de enquêteprocedure heeft de Hoge Raad al eens beslist dat de aard van de zaak meebrengt dat een uitzondering moet worden gemaakt op de hoofdregel van art. 284 lid 1 Rv Pro. [263]
4.88.4
Een verwante kwestie is in hoeverre de OK in het kader van de voorlopige beoordeling ex art. 2:349a lid 3 BW is gebonden aan de regels van stelplicht en bewijslast. Boonekamp schrijft met betrekking tot de kortgedingprocedure onder het opschrift “fundamenteel andere benadering dan via stelplicht en bewijslast” onder meer het volgende: [264]
“De aard en de functie van het kort geding brengen met zich dat de beoordeling fundamenteel anders plaatsvindt dan via toepassing van de regels van stelplicht en bewijslast. Er zal steeds moeten worden beslist aan de hand van een beoordeling van hetgeen door beide partijen naar voren is gebracht en (summierlijk) met bewijsmateriaal is onderbouwd. In kort gedingen strekkende tot opheffing van een conservatoir beslag is dit herhaaldelijk met zoveel woorden door de Hoge Raad uitgesproken, maar het moet worden beschouwd als een algemene norm die voor elk kort geding geldt. (…) Bepalend in kort geding is steeds of feiten die relevant zijn voor de toewijsbaarheid van het gevorderde
voldoende aannemelijkzijn geworden op grond van hetgeen
beide partijennaar voren hebben gebracht en met bewijsmateriaal onderbouwd. De vraag onder welke omstandigheden sprake is van voldoende aannemelijkheid kan niet in algemene zin worden beantwoord. Dat hangt af van een waardering van de stellingen en verweren van de partijen en de overtuigingskracht van het reeds overgelegde bewijsmateriaal. De kortgedingrechter is vrij in de beoordeling hiervan. (…).”
4.88.5
Onder 4.18.7-4.18.8 hiervoor heb ik al gewezen op de verwantschap van het treffen van onmiddellijke voorzieningen met het treffen van voorlopige voorzieningen in kort geding. Deze parallel laat zich volgens mij ook doortrekken wat betreft de gebondenheid aan regels van stelplicht en bewijslast. Zeker voor de (dubbel) voorlopige beoordeling ex art. 2:349a lid 3, eerste zin BW betekent dit dat de feiten en omstandigheden waarop de OK het
voorlopigeoordeel stoelt dat sprake is van gegronde redenen om te
twijfelenaan een juist beleid of juiste gang van zaken, niet overeenkomstig de voorschriften van afdeling 9 Titel 2 Rv hoeven te zijn komen vast te staan. [265] Dat zou immers betekenen dat feiten die door verzoeker zijn gesteld en door verweerder of een belanghebbende voldoende zijn betwist, pas als vaststaand kunnen worden beschouwd als die door verzoeker zijn bewezen in de zin van afdeling 9 Titel 2 Rv. En voor een dergelijke bewijslevering leent de enquêteprocedure zich, mede gelet op het spoedeisende karakter (art. 2:349a lid 1 BW), niet. Of de twijfel aan een juist beleid of juiste gang van zaken gegrond is, zal (als het zover komt) het onderzoek (de enquête) moeten uitwijzen. Daarom geldt evenals in kort geding dat de feiten die relevant zijn voor het voorlopige oordeel dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid of juiste gang van zaken
voldoende aannemelijkmoeten zijn geworden op grond van hetgeen partijen én belanghebbenden naar voren hebben gebracht en met bewijsmateriaal hebben onderbouwd.
4.89
Tegen deze achtergrond bezien, faalt de klacht in
PI 119. De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.17-3.21 immers geen hoge eisen gesteld aan de motivering van de betwisting door Yuching van stellingen van Nexperia, EZ en de OR, maar op grond van aan de in dit stadium van het geding beschikbare gegevens van partijen en belanghebbenden ontleende feiten en omstandigheden geoordeeld dat er naar haar voorlopig oordeel sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Deze klacht mist derhalve feitelijke grondslag en deelt daarmee in het lot van subonderdeel 1.3 (dat dus faalt), waarop de klacht voortbouwt. Zie onder 4.50-4.51.2 hiervoor.
4.9
Subonderdeel 3.1 [266] is gericht tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 waarin de OK kort gezegd het niet opvolgen van toezeggingen aan EZ om de governance van Nexperia te wijzigen (in het bijzonder ten aanzien van de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten) naar haar voorlopig oordeel heeft aangemerkt als gegronde reden om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Het subonderdeel klaagt dat deze overwegingen onjuist zijn, althans zonder nadere motivering onbegrijpelijk zijn in het licht van door Yuching en [bestuurder/CEO] aangevoerde stellingen. Deze algemene rechts- en motiveringsklacht (
PI 120) is uitgewerkt in drie sub(sub)onderdelen: 3.1.1 t/m 3.1.3.
Behandeling
4.91
Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.92
Subonderdeel 3.1.1 [267] (
PI 121-130) bevat rechtsklachten over het vennootschappelijk belang van Nexperia, die ik kort samenvat.
4.92.1
De OK heeft blijk gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover zij met haar bestreden oordelen niet het vennootschappelijk belang van Nexperia, maar het algemeen belang (van (behoud van) beschikbaarheid van chips en chipproductie in Nederland en de EU) centraal heeft gesteld in haar beoordeling, althans dat algemeen belang relevant of zelfs bepalend heeft geacht voor de bepaling van het vennootschappelijk belang van Nexperia (
PI 123).
4.92.2
Voor zover de OK niet heeft miskend dat zij Nexperia’s vennootschappelijk belang tot uitgangspunt moest nemen, heeft zij in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 een te beperkte opvatting van het vennootschappelijk belang gehuldigd. De OK heeft in het bijzonder miskend dat Nexperia een zelfstandig belang erbij heeft dat normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW Pro op juiste wijze zijn of worden nageleefd, en dat ook in aanmerking dient te worden genomen dat bestuurders van een vennootschap bij de vervulling van hun taak een zorgvuldigheidsnorm tegenover stakeholders, onder wie aandeelhouders zoals Yuching, in acht dienen te nemen en dat de belangen van een aandeelhouder zoals Yuching niet onnodig of onevenredig mogen worden getroffen of onder omstandigheden niet (noemenswaardig) mogen worden geschaad (
PI 124).
4.92.3
Verder heeft de OK miskend dat het vennootschappelijk belang (dus: van Nexperia) ook wordt bepaald door de bestuurbaarheid van de [A] -groep als geheel, waarvan Nexperia onderdeel vormt, en het belang van de [A] -groep bij het voorkomen van (potentiële) sancties van de CSRC. “Bij al het voorgaande” is ook relevant dat op voorhand twijfelachtig was of de door EZ beoogde governancewijziging (het risico van) toepasselijkheid van de
50%-ruleop Nexperia zou kunnen voorkomen of beperken. De OK heeft klaarblijkelijk miskend dat dit rechtens relevante gezichtspunten zijn bij de beantwoording van de vraag wat het vennootschappelijk belang van Nexperia was en de OK heeft deze omstandigheden ten onrechte niet in haar beoordeling betrokken (
PI 125).
4.92.4
De overige randnummers (
PI 121-122, 126-130) bevatten verder geen zelfstandige klachten, maar een inleiding op of uitwerking van het voorgaande. Daarom geef ik die randnummers hier niet weer.
4.93
Deze klachten boeken geen succes.
4.93.1
Ik stel het volgende voorop. De regeling van het enquêterecht is gericht op het belang van de rechtspersoon (in dit geval dus van Nexperia). In het enquêterecht staat dit belang voorop. Daarnaast behoren bij de toepassing van die regeling ook de belangen van de verzoeker en van alle bij de rechtspersoon betrokkenen in aanmerking te worden genomen. Uitgangspunt bij die toepassing is dat het uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid. Wat het belang van de rechtspersoon inhoudt, hangt af van de omstandigheden van het geval. Indien aan een rechtspersoon een onderneming is verbonden (zoals het geval is bij Nexperia), wordt het belang van de rechtspersoon in de regel vooral bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van deze onderneming. De rechtspersoon heeft bovendien een zelfstandig belang erbij dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW Pro, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd. Bestuurders (en commissarissen) van een (N.V.) of B.V. richten zich bij hun taakvervulling naar het vennootschapsbelang. Bij die taakvervulling dienen zij (ook) zorgvuldigheid te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken. [268] Ik lees in het bestreden oordeel niet een andersluidende opvatting van de OK.
4.93.2
De klacht in
PI 123gaat uit van een onjuiste lezing van het bestreden oordeel. De uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 bevatten immers geen enkele aanwijzing voor de lezing dat de OK aldaar niet het vennootschapsbelang van Nexperia (dus: het belang van Nexperia en de met haar verbonden onderneming), maar het algemeen belang centraal heeft gesteld of dat algemeen belang relevant of zelfs bepalend heeft geacht voor de bepaling van het vennootschapsbelang van Nexperia. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 schrijft de OK bij herhaling “Nexperia en haar onderneming”, en in rov. 3.20 verder ook uitdrukkelijk “in het belang van Nexperia en haar onderneming” en “evident in het belang van Nexperia”. Dit strookt met wat ik schreef onder 4.93.1 hiervoor. Het door de klacht bedoelde algemeen belang komt in die overwegingen niet voor. De klacht ontbeert dus feitelijke grondslag in de uitgewerkte beschikking en loopt reeds daarop vast. [269]
4.93.3
In
PI 123wordt op zichzelf terecht aangevoerd dat, wat betreft de inhoud van het vennootschapsbelang van Nexperia (als vennootschap waaraan een onderneming is verbonden), dit belang in de regel vooral wordt bepaald door het bevorderen van het bestendige succes van de met Nexperia verbonden onderneming. [270] Zie ook onder 4.93.1 hiervoor.
4.93.4
Maar daaraan ziet de OK niet voorbij in de bestreden oordelen. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19 blijkt onder meer dat Nexperia en haar onderneming in toenemende mate nadelige gevolgen ondervonden van de gepercipieerde invloed van haar Chinese aandeelhouder, dat Nexperia in verband daarmee contact heeft gezocht met EZ en heeft gevraagd om steun voor haar als Nederlandse onderneming, dat toezeggingen aan EZ zijn gedaan om de governance van Nexperia te wijzigen (waaronder in het bijzonder de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten), en dat EZ en BZ Nexperia hebben geïnformeerd over de mogelijke invoering van de
50%-rulewaarvan duidelijk was dat die een grote negatieve impact op Nexperia en haar onderneming zou kunnen hebben. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 heeft de OK tegen deze achtergrond onder meer geoordeeld dat (behoudens het terugtreden van de zuster van [bestuurder/CEO] als bestuurder) geen stappen zijn gezet om in het belang van Nexperia en haar onderneming tot aanpassing van de governance te komen. Het voorlopige oordeel van de OK dat sprake is van twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia omdat onvoldoende opvolging is gegeven aan de met EZ afgestemde governancewijzigingen, laat zich aldus in de sleutel van het vennootschapsbelang verstaan dat de OK het op basis van de haar op het moment van de uitgewerkte beschikking ter beschikking staande gegevens voldoende aannemelijk heeft geacht dat met het gebrek aan voortvarendheid van Nexperia op dit punt het bestendige succes van de met Nexperia verbonden onderneming niet werd bevorderd. Dat sterk feitelijke oordeel is niet onjuist (en behoefde in dit stadium van het geding ook geen nadere motivering). Op zichzelf is denkbaar dat aan het talmen met de governancewijzigingen wel een andere afweging van het bestuur van Nexperia in het vennootschapsbelang ten grondslag heeft gelegen, maar dat is vooralsnog niet gebleken. [271]
4.93.5
Ik zie, anders dan de klacht in
PI 124wil, niet dat de OK aldus oordelend in de uitgewerkte beschikking, rov. (3.19 en) 3.20 een te beperkte opvatting van het vennootschapsbelang van Nexperia huldigt. In
PI 124wordt op zichzelf terecht aangevoerd: [272]
a. dat een rechtspersoon bovendien een zelfstandig belang erbij heeft dat wettelijke en statutaire normen of normen die mede voortvloeien uit de redelijkheid en billijkheid van art. 2:8 BW Pro, waaronder begrepen procedurele normen die noodzakelijk zijn voor een goede besluitvorming, op juiste wijze zijn of worden nageleefd; [273]
b. dat bij de vervulling van hun taak bestuurders - mede op grond van het bepaalde in art. 2:8 BW Pro - zorgvuldigheid dienen te betrachten met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, welke zorgvuldigheidsverplichting kan meebrengen dat bestuurders bij het dienen van het vennootschapsbelang ervoor zorgen dat daardoor de belangen van al degenen die bij de vennootschap of haar onderneming zijn betrokken niet onnodig of onevenredig worden geschaad, [274] of onder omstandigheden zelfs: niet (noemenswaardig) worden geschaad. [275]
Zie ook onder 4.93.1 hiervoor.
4.93.6
Toch baat dit de klacht niet. Met hetgeen ik samenvat(te) onder 4.93.4 hiervoor en 4.93.8 hierna bestrijkt de OK de in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 voorliggende kwestie, [276] waarbij het draait om de vraag hoe het voornoemde gebrek aan voortvarendheid van Nexperia zich verhield tot het vennootschapsbelang van Nexperia (het belang van Nexperia en de met haar verbonden onderneming), specifiek betrokken op de ‘in de regel vooral’-bepaling van dit vennootschapsbelang door het bevorderen van het bestendige succes van de met Nexperia verbonden onderneming. Er is geen rechtsregel die de OK belette zich zo te richten op het vennootschapsbelang zonder daarbij a en/of b te betrekken, daarbij niet ontkennend dat a en b ook deel uitmaken van het rechtspersonenrecht, wel onderkennend dat waar het aldus bepaalde vennootschapsbelang wordt bezien dit niet betekent dat ‘dus’ ook a en/of b in aanmerking moet(en) worden genomen. In dit verband verdient nog opmerking: dat a wel ziet op een bepaald zelfstandig belang van de rechtspersoon, maar niet hetzelfde is (“bovendien”, etc.) als het vennootschapsbelang (het belang van de vennootschap en de met haar verbonden onderneming) waarop de OK zich richt in het bestreden oordeel, dus specifiek betrokken op de ‘in de regel vooral’-bepaling van dit vennootschapsbelang door het bevorderen van het bestendig succes van de met de vennootschap verbonden onderneming. En verder dat b evenmin hetzelfde is als dit vennootschapsbelang, want ziet op iets anders: de onder b bedoelde zorgvuldigheidsverplichting van de bestuurders van de vennootschap met betrekking tot de belangen van al degenen die bij de vennootschap en haar onderneming zijn betrokken, dus andere belangen dan het vennootschapsbelang waarop de OK zich richt in het bestreden oordeel.
4.93.7
In lijn daarmee zie ik, anders dan de klacht in
PI 125wil, evenmin dat het vennootschapsbelang van Nexperia ook wordt bepaald door de bestuurbaarheid van de [A] -groep als geheel, waarvan Nexperia onderdeel vormt, en het belang van de [A] -groep bij het voorkomen van (potentiële) sancties van de CSRC. Het gaat hier in wezen [277] om het belang van de [A] -groep, welk concernbelang uiteraard wel relevant is voor Nexperia, als onderdeel van de belangen van al degenen die bij Nexperia en haar onderneming zijn betrokken, maar niet een onderdeel is van het eigen vennootschapsbelang van Nexperia: het belang van Nexperia en de met haar verbonden onderneming. Anders gezegd: het gaat hier om verwante, maar te onderscheiden belangensferen. [278] Hieraan ziet de OK niet voorbij in het bestreden oordeel. Ook hier geldt dus: de in de klacht bedoelde miskenning door de OK doet zich in werkelijkheid niet voor.
4.93.8
Dan resteert de opmerking in
PI 125dat “[b]ij al het voorgaande” ook relevant is dat op voorhand twijfelachtig was of de door EZ beoogde governancewijziging (het risico van) toepasselijkheid van de
50%-ruleop Nexperia zou kunnen voorkomen of beperken. Dit biedt Yuching evenmin soelaas. Want dat
niet zekerwas of de door EZ beoogde governancewijziging ertoe zou leiden dat Nexperia niet onder de
50%-rulezou vallen, heeft de OK ook niet miskend. In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 heeft de OK immers overwogen dat het ging om “maatregelen te treffen om de
kans te minimaliserendat Nexperia door de
50%-rulezou worden geraakt” en dat met deze maatregelen aan BZ en/of EZ “
een argument kon worden verschaftjegens de autoriteiten in de Verenigde Staten om de
50%-ruleniet ook op Nexperia van toepassing te verklaren”. [onderstreping toegevoegd, A-G] In het kader van de gestelde twijfelachtige effectiviteit van de maatregelen in verband met de
50%-ruleis bovendien van belang dat de OK heeft onderkend dat de maatregelen niet beperkt waren tot de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten, maar dat het in bredere zin ging om maatregelen die erop waren gericht, zoals de OK in rov. 3.20 heeft overwogen, “de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan”. Die maatregelen konden dus wel degelijk relevant zijn in verband met de invoering van de
50%-rule. Dit een en ander moet dus worden gelezen in het licht van hetgeen ik samenvatte onder 4.93.4 hiervoor.
4.94
Daarmee ontvalt reeds de bodem aan subonderdeel 3.1.1. Het subonderdeel behoeft geen verdere bespreking.
4.95
Subonderdeel 3.1.2 [279] vervolgt in
PI 131met een motiveringsklacht die inhoudt dat voor zover de OK geen verkeerde maatstaf heeft aangelegd bij de beoordeling wat het vennootschappelijk belang van Nexperia inhield, haar bestreden oordelen in ieder geval onvoldoende zijn gemotiveerd, omdat zij heeft nagelaten te responderen op essentiële stellingen. Deze volgens het subonderdeel essentiële stellingen worden, onder verwijzing naar vindplaatsen in de gedingstukken bij de OK, [280] uiteengezet in
PI 132-135. Onder verwijzing naar subonderdeel 3.1.1 wordt in
PI 136nogmaals betoogd dat de OK deze omstandigheden ten onrechte niet in de beoordeling heeft betrokken. De OK heeft daarom hetzij een verkeerde maatstaf aangelegd, hetzij een onvoldoende gemotiveerd oordeel gegeven. Tot slot wordt in
PI 137geklaagd dat de bestreden oordelen evenmin worden gedragen door de omstandigheid dat het Nexperia was die in verband met de negatieve gevolgen van de perceptie van de invloed van haar Chinese aandeelhouder contact heeft gezocht met EZ (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19). Het is rechtens aan Nexperia zelf om te bepalen wat in haar vennootschappelijk belang is, mede gelet op het feit dat zij onderdeel is van de [A] -groep, en zonder nadere motivering valt niet in te zien dat de enkele omstandigheid dat Nexperia het initiatief heeft genomen richting EZ ertoe leidt dat zij gehouden zou zijn om akkoord te gaan met de door EZ gestelde governance-eisen en dit ook in het vennootschappelijk belang zou zijn.
4.96
Deze klachten boeken evenmin succes.
4.96.1
De rechtsklacht in
PI 136berust op een herhaling van zetten in subonderdeel 3.1.1, dat dus faalt. De klacht hoeft hier derhalve niet opnieuw te worden besproken.
4.96.2
Ook de motiveringsklacht in
PI 131-136strandt. Vooropgesteld: de OK heeft in de bestreden oordelen de precieze inhoud van het vennootschapsbelang van Nexperia niet vastgesteld en was daartoe in dit stadium van het geding ook niet gehouden. De OK heeft in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20, met inachtneming van het partijdebat, een gebrek aan voortvarendheid geconstateerd in de uitvoering door Nexperia van de met EZ afgestemde governancewijzigingen, en dit talmen naar haar voorlopig oordeel in de gegeven omstandigheden aangemerkt als een gegronde reden voor twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Zie nader onder 4.93-4.94 hiervoor. Dit een en ander is onjuist noch onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd, ook niet als daarbij wordt betrokken wat Yuching en [bestuurder/CEO] bij de OK hebben aangevoerd over de gesprekken met EZ en de
50%-rule, in het bijzonder de stellingen waarop de klacht wijst met vindplaatsen in de gedingstukken (
PI 132, 134). De stellingen over de gesprekken met EZ komen erop neer (zie ook het verweerschrift in cassatie van Nexperia, nr. 146) dat er geen sprake was van urgentie of haast bij de Staat ten aanzien van de noodzaak van een raad van commissarissen met bijzondere goedkeuringsrechten. Het is niet onbegrijpelijk dat de OK op dit punt de stellingen van Nexperia en EZ voldoende aannemelijk heeft geacht. Illustratief zijn de spreekaantekeningen van EZ, nr. 5 (“Het was ‘pappen en nathouden’ (…)”) en nr. 7 (“Tijdens het gesprek in september 2025 bleek wederom dat Nexperia geen enkele vooruitgang had geboekt en ook geen concrete toezeggingen kon doen, ondanks de urgentie van de dreigende Amerikaanse maatregelen. (…)”). De stellingen over de
50%-rulekomen erop neer (zie ook het verweerschrift in cassatie van Nexperia, nr. 150) dat onzeker was of de
50%-rulezou worden ingevoerd en, indien deze zou worden ingevoerd, het hoogst onzeker was of de invoering van een raad van commissarissen toepassing van de de
50%-ruleop Nexperia had kunnen voorkomen. Deze stellingen stuiten af op 4.93.8 hiervoor.
4.96.3
Tot slot de klacht in
PI 137. Deze mist feitelijke grondslag. De enkele omstandigheid dat Nexperia zelf contact heeft gezocht met EZ heeft de OK in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19 (“Daarbij moet worden bedacht”, etc.) en rov. 3.20 (“Tegen deze achtergrond”, etc.) slechts als een van de relevante omstandigheden bij de beoordeling betrokken, niet als zelfstandig dragende omstandigheid voor de bestreden oordelen althans voor een oordeel dat Nexperia gehouden was om akkoord te gaan met de door EZ gestelde governance-eisen en dit ook in het vennootschapsbelang was.
4.97
Daarmee valt het doek voor subonderdeel 3.1.2.
4.98
Subonderdeel 3.1.3 [281] richt een motiveringsklacht tegen de slotzin van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20, waaruit blijkt dat volgens de OK behoudens het terugtreden van de zuster van [bestuurder/CEO] niet enige maatregel is getroffen om de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan. Volgens het subonderdeel hebben Yuching en [bestuurder/CEO] dit gemotiveerd betwist, onder verwijzing naar stellingen bij de OK dat een groot deel van de in april 2024 besproken governancewijzigingen wel degelijk was geïmplementeerd (in het bijzonder: het vernieuwde informatieveiligheidsbeleid en het bedrijfsgeheimen- en IP-veiligheidsbeleid) [282] (
PI 138).
4.99
Hier geldt hetzelfde: deze klacht boekt geen succes.
4.99.1
De OK heeft in de slotzin van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 overwogen dat zij:
“niet [heeft] kunnen vaststellen dat behoudens het terugtreden van diens zuster als bestuurder zijdens [bestuurder/CEO] enige maatregel is getroffen om de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan.”
4.99.2
In het verweerschrift van Yuching, nr. 51 wordt een beroep gedaan op een e-mail van [verweerder 4] van 20 februari 2025, overgelegd als productie 20 bij het verzoekschrift van Nexperia, over “(i) een voorstel voor een RvC, (ii) een nieuw informatieveiligheidsbeleid, (iii) een nieuw bedrijfsgeheimenbeleid en (iv) een IP-veiligheidsbeleid”. [283]
4.99.3
Deze e-mail was een reactie op de e-mail van 20 december 2024 van EZ aan onder anderen [verweerder 4] , ook deel uitmakend van genoemde productie 20, waaruit de OK heeft geciteerd in de uitgewerkte beschikking, rov. 2.16. In laatstgenoemde e-mail werden “
unequivocalmeasures to be
developed, adopted and implementedby Nexperia” vereist.
4.99.4
In deze e-mail van 20 december 2024 werd een onderscheid gemaakt tussen governancemaatregelen en beleidsmaatregelen: “Those measures relate to some aspects of its governance as well as its security and information policy including the protection of IP and sensitive data”. In de daaropvolgende e-mailcorrespondentie, ook onderdeel van genoemde productie 20, wordt dit onderscheid steeds opnieuw gemaakt. [284]
4.99.5
In het licht van de gedingstukken bij de OK is dus duidelijk - het volgt ook uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19-3.20 in totaliteit bezien - dat de OK in de slotzin van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20 met maatregelen om de nadelige gevolgen van de gepercipieerde invloed van de Chinese aandeelhouder op Nexperia en haar onderneming tegen te gaan, doelde op de
governancemaatregelen. Ofwel: de OK heeft niet kunnen vaststellen dat behoudens het terugtreden van de zuster van [bestuurder/CEO] enige
governancemaatregel is getroffen.
4.99.6
Dit oordeel is niet onvoldoende (begrijpelijk) gemotiveerd.
4.99.7
Immers, gezien het voorgaande is prima te volgen dat de OK de stellingen van Yuching en [bestuurder/CEO] waarop de klacht een beroep doet (dus inzake de implementatie van het vernieuwde informatieveiligheidsbeleid en het bedrijfsgeheimen- en IP-veiligheidsbeleid) plaatst in de sleutel van beleidsmaatregelen, niet van governancemaatregelen. Die stellingen, wat daarvan verder zij, betekenen derhalve niet dat ook naast het terugtreden van de zuster van [bestuurder/CEO] enige governancemaatregel is geïmplementeerd.
4.99.8
Hierop ketst de klacht af.
4.100 Dit betekent dat subonderdeel 3.1 vastloopt.
4.101
Subonderdeel 3.2 [285] bevat drie klachten, gericht tegen de uitgewerkte beschikking (de eerste twee specifiek tegen rov. 3.18, vanaf “dat [bestuurder/CEO] ten aanzien van transacties tussen Nexperia en WSS”, etc.). Ik loop de klachten hierna langs.
Behandeling
4.102 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.103
Ten eerstericht het subonderdeel een motiveringsklacht tegen de in
PI 139geciteerde overwegingen uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18, waarin de OK als voorlopig oordeel om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia heeft gewezen op een tegenstrijdig belang van [bestuurder/CEO] bij het door Nexperia in 2025 plaatsen van grote orders
wafersbij WSS, waarbij de OK niet is gebleken dat [bestuurder/CEO] de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht heeft genomen om te waarborgen dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden en zakelijk verantwoord is. [286] De klacht houdt in dat het bestreden oordeel ontoereikend gemotiveerd is, in het licht van het verweer van [bestuurder/CEO] in de spreekaantekeningen, nrs. 70-72 (
PI 140). Volgens het subonderdeel volgt uit dit verweer dat geen sprake was van onzakelijke transacties, maar van transacties die dienstig waren voor het langetermijnplan van Nexperia en niet op onzakelijke voorwaarden waren aangegaan, waarbij vrees voor verspilling onterecht was. Het oordeel van de OK is zonder nadere motivering onbegrijpelijk, omdat daaruit niet blijkt dat dit verweer in de beoordeling is betrokken, laat staan dat daarop gemotiveerd is beslist, wat gelet op de ernstige beperkingen in de aan Yuching geboden wederhoor juist wel had gemoeten (“zie ook subonderdeel 1.3”) (
PI 141).
4.104 Deze klacht is ongegrond.
4.104.1 Vooropgesteld: voor zover de klacht voortbouwt op subonderdeel 1.3, dat dus faalt, deelt de klacht in dit lot. Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.104.2 [bestuurder/CEO] heeft in diens spreekaantekeningen, nrs. 70-72, kort samengevat, slechts betoogd dat geen sprake was van te grote orders van Nexperia bij WSS. [bestuurder/CEO] heeft aldaar althans niet aangevoerd, laat staan onderbouwd, dat en op welke wijze hij de door de OK vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht heeft genomen [287] (dat van tegenstrijdig belang bij [bestuurder/CEO] geen sprake was, valt in dit verweer niet te lezen). Dit verweer van [bestuurder/CEO] doet aldus niet af aan het oordeel van de OK dat ter zake sprake was van een tegenstrijdig belang bij [bestuurder/CEO] en dat niet gebleken is dat [bestuurder/CEO] bij het plaatsen van de orders de vereiste verhoogde zorgvuldigheid bij tegenstrijdig belang in acht heeft genomen.
4.104.3 Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 blijkt verder duidelijk waarom de OK (ook) wat betreft de omvang van de orders van Nexperia bij WSS het standpunt van
Nexperiaaannemelijk heeft geacht. [288] Aan dit een en ander doet begrijpelijkerwijs niet af dat volgens [bestuurder/CEO] in diens spreekaantekeningen, onder verwijzing naar een Amerikaanse nieuwssite, er wereldwijd een sterk groeiende vraag naar chips was (nr. 70), hij daarop inspeelde door de productie te vergroten (nr. 71), en er aan de orders een valide langetermijnstrategie en -visie ten grondslag lag (nr. 72).
4.104.4 Naar hieruit volgt, heeft de OK in het bestreden oordeel dit verweer van [bestuurder/CEO] niet uit het oog verloren, maar met kracht van argumenten verworpen. Dat behoefde, gezien het voorgaande en gegeven de stand van het geding, geen nadere motivering door de OK.
4.104.5 Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht.
4.105
Ten tweedericht het subonderdeel vanuit twee invalshoeken een motiveringsklacht tegen de slotzin van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18, waarin de OK heeft overwogen dat bij dit alles moet worden bedacht dat de (tussen WSS en Nexperia B.V. gesloten) FSA op aandringen van [bestuurder/CEO] met ingang van 1 januari 2025 is gewijzigd in de zin dat bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet worden betaald (
PI 142).
4.106 Ook deze klacht is ongegrond.
4.106.1 De eerste invalshoek komt erop neer dat “[t]egen de achtergrond van het voorgaande” (ik begrijp: de vorige klacht) het bestreden oordeel evenmin kan bijdragen aan het oordeel dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Want gegeven de stelling dat de orders niet onzakelijk waren, valt niet in te zien dat de vooruitbetalingsverplichting als zodanig aan (wijziging van) de FSA een onzakelijk of anderszins met Nexperia’s vennootschappelijk belang strijdig karakter zou verlenen. De overwegingen van de OK geven er evenwel geen blijk van dat dit verweer in de beoordeling is betrokken, laat staan dat daarop gemotiveerd is beslist.
4.106.2 Dit ziet eraan voorbij dat de OK die stelling (dit verweer) van [bestuurder/CEO] gemotiveerd heeft verworpen, zoals uiteengezet bij de bespreking van de eerste klacht, die dus faalt. Dat bezegelt in zoverre reeds het lot van de onderhavige klacht, die als gezegd voortbouwt op de eerste klacht.
4.106.3 De tweede invalshoek komt erop neer dat “[d]it” (ik begrijp: de klacht vanuit die eerste invalshoek) te meer klemt, gelet op stellingen van [bestuurder/CEO] in diens spreekaantekeningen, nrs. 73-76. Daarmee zou, aldus de klacht, [bestuurder/CEO] gemotiveerd hebben betwist dat de 70%-vooruitbetaling onzakelijk was of anderszins niet in redelijkheid in het belang van Nexperia kon worden geacht. De overwegingen van de OK geven er evenwel geen blijk van dat dit verweer in de beoordeling is betrokken, laat staan dat daarop gemotiveerd is beslist.
4.106.4 Dit ziet vooreerst eraan voorbij dat de klacht vanuit die eerste invalshoek dus geen effect sorteert.
4.106.5 Dit ziet bovendien eraan voorbij dat de OK ter zake, kort samengevat, afdoende gemotiveerd is meegegaan in het standpunt van Nexperia zoals mede blijkend uit haar verzoekschrift, nr. 99:
“Na aandringen van [bestuurder/CEO] is op 1 januari 2025 de FSA gewijzigd op voorstel van WSS, door middels een addendum, de zogeheten
prepayment agreementdaarin te verwerken. Sindsdien bevat de FSA voorwaarden die materieel afwijken van de marktpraktijk. Dit geldt in het bijzonder voor de bepaling op grond waarvan Nexperia, kort gezegd, bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet betalen aan WSS.” [volgt een citaat van art. 6 waarin Pro de
prepayment agreementis geregeld, A-G]
Ik licht toe.
4.106.6 [bestuurder/CEO] heeft in diens spreekaantekeningen, nrs. 73-74 art. 6 (“[d]e afgesproken 70% vooruitbetaling”) niet weersproken, maar een beroep gedaan op enkele andere bepalingen uit de per 1 januari 2025 gewijzigde FSA die in het belang van Nexperia zouden zijn. Dat is in diens spreekaantekeningen, nr. 73: art. 2, waarin volgens [bestuurder/CEO] is bepaald dat de gewijzigde FSA “conform de eisen van Nexperia, een looptijd [heeft] van slechts één jaar en Nexperia het contract op ieder moment tussentijds [kan] opzeggen”. En in diens spreekaantekeningen, nr. 74: art. 11, dat een met de afgesproken 70%-vooruitbetaling “corresponderende korting op de productprijzen [bevat]”, wat volgens [bestuurder/CEO] “dus een belangrijk voordeel voor Nexperia op[levert]”.
4.106.7 Deze veronderstelde voordelen van de gewijzigde FSA nemen niet weg, zoals de OK in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 heeft overwogen, en geenszins onbegrijpelijk: [289]
- dat Nexperia voldoende heeft onderbouwd dat betwijfeld kan worden dat [bestuurder/CEO] bij het plaatsen van de orders van Nexperia bij WSS uitsluitend het belang van Nexperia voor ogen heeft gehad en niet met name ook dat van WSS;
- dat het daarbij niet gaat om geringe bedragen;
- dat bij dit alles zij bedacht dat de FSA op aandringen van [bestuurder/CEO] met ingang van 1 januari 2025 aldus is gewijzigd dat Nexperia bij elke bestelling 70% van de koopprijs vooraf moet betalen.
4.106.8 Naar hieruit volgt, heeft de OK (mede) in het bestreden oordeel dit als verweer aangevoerde beroep van [bestuurder/CEO] op die veronderstelde voordelen niet uit het oog verloren, maar - uiteraard bezien in samenhang met het voorafgaande in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.18 [290] - met kracht van argumenten verworpen. Dat behoefde, gezien het voorgaande en gegeven de stand van het geding, geen nadere motivering door de OK.
4.106.9 Voor zover de klacht nog doelt op [bestuurder/CEO] spreekaantekeningen, nrs. 75-76, geldt dat deze randnummers geen betrekking hebben op de afgesproken 70%-vooruitbetaling, maar zien op een andere nadien voorgestelde wijziging van de FSA (een aanvullende
deposit agreementmet voorfinanciering van WSS door Nexperia voor USD 10 miljoen). Deze randnummers zien derhalve op een ander punt en doen dus hoe dan ook niet af aan de begrijpelijkheid van het bestreden oordeel.
4.106.10 Overigens blijkt uit de in [bestuurder/CEO] spreekaantekeningen, nr. 75 geciteerde opmerking van [betrokkene 5] , de COO, over die aanvullende
depositvan USD 10 miljoen voor WSS ook dat die in de eerste plaats het belang van WSS diende (“to keep them ‘healthy’”, “to support them”). [betrokkene 5] spreekt daarin ook van “fair legal concerns”, maar hij was desondanks - “Considering the business aspect for NEX in the case WSS struggles the 10 mio $ are peanuts” - “totally fine to sign the agreement”. [291] Die aanvullende
deposit agreementis uiteindelijk echter niet tot stand gekomen. [292]
4.107
Ten derdebevat het subonderdeel een motiveringsklacht, indien en voor zover de OK in de uitgewerkte beschikking het aangaan van de FSA (op 4 april 2023) als zodanig (mede) heeft aangemerkt als grond om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia (
PI 143).
4.108 Deze klacht is evenmin gegrond.
4.108.1 Zij neemt terecht tot uitgangspunt dat de OK in de uitgewerkte beschikking het aangaan van de FSA (op 4 april 2023) “kennelijk niet” als zodanig (mede) heeft aangemerkt als grond om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Kort en goed: dat de OK dit wel doet, lees ik nergens in de uitgewerkte beschikking, ook niet in rov. 3.18.
4.108.2 De klacht, die is voorgesteld indien en voor zover de OK dit wel doet in de uitgewerkte beschikking, strandt dus reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag. Zij behoeft geen verdere bespreking.
4.109 Aldus vindt subonderdeel 3.2 zijn Waterloo.
4.11
Subonderdeel 3.3 [293] richt zich met drie klachten tegen de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 (vanaf “Een paar dagen later”, etc.). Ik loop de klachten hierna langs.
Behandeling
4.111 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.112
In de eerste plaatsklaagt het subonderdeel (
PI 145) dat het in
PI 144weergegeven oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 over het ontslag van [verweerder 4] en twee sleutelfunctionarissen uit het EMT onvoldoende is gemotiveerd, omdat [bestuurder/CEO] als verweer tegen dit verwijt van Nexperia heeft gesteld dat het ontslag van de drie functionarissen was ingegeven door legitieme, zakelijke redenen: de tegenwerking van de managers bij het realiseren van de strategische doelstellingen van Nexperia. [294] Een dergelijke keuze bevreemdt niet, in het licht van de plaatsing van [A] op de
U.S. Entity Listen de mogelijke toepassing van de
50%-rule, omdat het juist dan van belang is dat het hogere senior management op één lijn zit, wat niet het geval was (achteraf is gebleken dat deze managers klaarblijkelijk hebben samengewerkt met EZ om Yuching en [bestuurder/CEO] buitenspel te zetten). De OK heeft dit niet (kenbaar) in de beoordeling betrokken en daarop in ieder geval niet gemotiveerd gerespondeerd. Daarbij is onbegrijpelijk dat de OK Yuching tegenwerpt dat geen ruggenspraak of overleg plaatsvond over het ontslag van de drie managers, terwijl over het bevel en de daarmee gecoördineerde indiening van het verzoekschrift evenmin overleg plaatsvond met Yuching en [bestuurder/CEO] (sterker nog: dat is bewust al die tijd verzwegen).
4.113 Deze klacht strandt.
4.113.1 De redenen voor het ontslag van de drie sleutelfunctionarissen in de Nederlandse organisatie van Nexperia ( [verweerder 4] , statutair bestuurder, en twee sleutelfunctionarissen uit het EMT: [betrokkene 4] en [betrokkene 5] ) kunnen niet afdoen aan de begrijpelijkheid van het bestreden oordeel. Daarbij wijst de OK immers in het bijzonder op de gebrekkigheid van de gevolgde procedure [295] en op het (ook door [bestuurder/CEO] in gesprekken met EZ onderschreven) belang voor Nexperia van het waarborgen van het Nederlandse karakter van de onderneming van Nexperia, [296] dit een en ander in verbinding met de nakende toepassing van de
50%-ruleop Nexperia met de consequenties van dien. [297] Voornoemde redenen, wat daarvan verder zij, laten die door de OK betrokken omstandigheden onverlet. Bij deze stand van zaken behoefde de OK niet nog weer nader te responderen op het desbetreffende verweer van [bestuurder/CEO] (dat de OK dit verweer van [bestuurder/CEO] is ontgaan, blijkt nergens uit).
4.113.2 Het beroep op het gebrek aan overleg over het bevel en de indiening van het verzoekschrift stuit reeds erop af dat het bestreden oordeel ziet op het aangezegde ontslag van die drie sleutelfunctionarissen in de Nederlandse organisatie van Nexperia, dat betrekking heeft op een eerder moment in de tijd dan het bevel en de indiening van het verzoekschrift. [298] De ontslagaanzegging van [verweerder 4] dateert van 9 september 2025 (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.24), en die van [betrokkene 4] en [betrokkene 5] van 11 september 2025 (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.25), terwijl het bevel eerst bij besluit van 30 september 2025 is gegeven (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.27) en het verzoekschrift van Nexperia pas daarna is ingediend, op 1 oktober 2025 (zie onder 3.1 hiervoor).
4.113.3 Overigens volgt uit de aard van het bevel al dat daarover geen voorafgaand overleg plaatsvindt. Dat de indiening van het verzoekschrift tot het moment van indiening is verzwegen, mist bovendien feitelijke grondslag. [299] Voor het indienen van het verzoekschrift is dus door [verweerder 4] , in tegenstelling tot de gang van zaken bij het ontslag van [verweerder 4] , wel de juiste procedurele weg bewandeld. Zelfs als dat niet het geval zou zijn, zou dat het voorlopige oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 ook nog niet onbegrijpelijk maken, nu de OK geen verband behoefde te leggen tussen deze twee verschillende onderwerpen.
4.114
In de tweede plaatsklaagt het subonderdeel (
PI 146) dat het in
PI 144weergegeven oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 dat de OR niet tijdig was geïnformeerd en in strijd met art. 30 WOR Pro niet om advies was gevraagd, zonder nadere motivering onvoldoende is om te kunnen concluderen dat (naar voorlopig oordeel) sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia. Voorts/althans is deze omstandigheid onvoldoende voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen en al helemaal het bevelen van een overdracht ten titel van beheer van de aandelen van Yuching.
4.115 Ook deze klacht strandt.
4.115.1 Zij leest het bestreden oordeel (veel) te geïsoleerd. Het is niet relevant of de in de klacht centraal gestelde omstandigheid van voldoende gewicht is voor het voorlopige oordeel van de OK dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia (als vereist door art. 2:349a lid 3 BW voor het hier treffen van onmiddellijke voorzieningen), of voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen. De feiten en omstandigheden die de OK aan die oordelen ten grondslag heeft gelegd, moeten ten minste in onderling verband en samenhang bezien van voldoende gewicht zijn om die oordelen te kunnen dragen (zie mede onder 4.88.2 hiervoor).
4.115.2 Voornoemde omstandigheid is slechts een van de feiten en omstandigheden die de OK in totaliteit betrekt in de uitgewerkte beschikking, zie in het bijzonder rov. 3.16-3.22 (inzake die gegronde redenen) en rov. 3.23-3.26 (inzake die onmiddellijke voorzieningen, waarbij de OK blijkens rov. 3.23, eerste zin mede voortbouwt op rov. 3.16-3.22).
- Zo wijst de OK eerder in rov. 3.21 erop dat zonder zakelijke toelichting de betalingsbevoegdheden van de CFO en twee andere financiële sleutelfunctionarissen werden ingetrokken en in plaats daarvan een bankvolmacht werd verleend aan personen zonder financiële ervaring, welke handelwijze voor een onderneming van de orde van grootte van Nexperia grenst aan roekeloosheid.
- En zo kan rov. 3.21 niet los worden gezien van hetgeen daaraan voorafgaat in de uitgewerkte beschikking, in het bijzonder de kwestie van het niet opvolgen van toezeggingen aan de Staat om de governance van Nexperia te wijzigen (zie rov. 3.19-3.20). [300]
- Daarvóór heeft de OK dan al gewezen op de kwestie van het tegenstrijdig belang van [bestuurder/CEO] (zie rov. 3.17-3.18).
- Daarbij komt dan dus nog het vervolg in rov. 3.21, vanaf “Een paar dagen later”, etc.
4.115.3 De klacht is terecht niet dat dit alles tezamen van onvoldoende gewicht is voor de door de OK getrokken conclusie dat (naar voorlopig oordeel) sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia, en voor de door de OK getroffen onmiddellijke voorzieningen. Voor zover de klacht nog wil betogen - zoiets staat er niet - dat de daarin centraal gestelde omstandigheid zelfs niet kan bijdragen aan die oordelen van de OK, omdat het “hier naar zijn aard [gaat] om een eenmalige gebeurtenis, die niet tot schade heeft geleid”, vindt dat geen steun in het recht. Het is evident dat een gebeurtenis niet een structureel karakter moet hebben en/of tot schade moet hebben geleid wil deze gebeurtenis een voor die oordelen relevante omstandigheid kunnen zijn.
4.116
In de derde plaatsklaagt het subonderdeel (
PI 147), voortbouwend op de vorige klacht, dat “dat” evenmin geldt voor het (niet in
PI 144weergegeven) oordeel in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 dat de betalingsbevoegdheden van de CFO en twee andere financiële sleutelfunctionarissen werden ingetrokken en een bankvolmacht werd verleend aan personen zonder financiële ervaring. Zelfs indien dit naar het oordeel van de OK zou grenzen aan roekeloosheid, betreft het een
eenmaligehandeling die als zodanig niet (zelfstandig, zonder meer) grond geeft te twijfelen aan een juist beleid of een juiste gang van zaken. Voorts/althans is deze omstandigheid onvoldoende voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen en al helemaal het bevelen van een overdracht ten titel van beheer van de aandelen van Yuching.
4.117 Deze klacht strandt eveneens.
4.117.1 Zij loopt vast in het voetspoor van de vorige klacht, waarop de klacht ook voortbouwt. Dit behoeft geen verdere toelichting. Wel wijs ik er nog op dat het hier volgens de OK gaat om meer dan een enkele handeling, [301] welke handelwijze, die voor een onderneming van de orde van grootte van Nexperia grenst aan roekeloosheid, naar de aard (een serieus risico op) nadelige gevolgen voor Nexperia meebrengt. [302]
4.118 Dit betekent dat subonderdeel 3.3 onderuit gaat.
4.119 Daarmee is gegeven dat onderdeel 3 faalt.
Onderdeel 4(“Onmiddellijke voorziening van overdracht ten titel van beheer; onjuiste maatstaf, geen adequate, gemotiveerde belangenafweging en schending art. 1 EP Pro”)
4.120 Onderdeel 4 richt zich met rechts- en motiveringsklachten tegen de onmiddellijke voorziening van overdracht van alle aandelen van Yuching in Nexperia Holding ten titel van beheer als vervat in de
ex parte-beschikking, dictum onder f (gemotiveerd in de
ex parte-beschikking, rov. 2.3), zoals gehandhaafd minus één aandeel in de kop-staart-beschikking, dictum (gemotiveerd in de kop-staart-beschikking, rov. 3.6 en de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23-3.24), en de aanwijzing in de opheffingsbeschikking I van de beheerder van de aandelen, ofwel de OK-beheerder (
PI 148). De teneur van het onderdeel is dat de OK art. 1 EP Pro EVRM heeft geschonden door te bepalen dat alle aandelen minus één aandeel in Nexperia Holding zijn overgedragen ten titel van beheer, voorts/althans dat de OK blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting althans haar oordeel onvoldoende heeft gemotiveerd (
PI 149). Het onderdeel is uitgewerkt in drie subonderdelen.
4.121
Subonderdeel 4.1 [303] klaagt dat de OK art. 1 EP Pro EVRM heeft geschonden met de onmiddellijke voorziening dat alle aandelen minus één aandeel in Nexperia Holding zijn overgedragen ten titel van beheer (
PI 156). Dit wordt voorafgegaan door een uiteenzetting van algemene uitgangspunten over art. 1 EP Pro EVRM (
PI 150-155) en gevolgd door een, in het licht van die uiteenzetting te lezen, opsomming van vermeende schendingen door de OK van die bepaling (
PI 157-161).
Behandeling
4.122 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.123 Als ik het subonderdeel goed begrijp, doet het een beroep op zowel schending van
procedurelewaarborgen uit art. 1 EP Pro EVRM als op een
materiëleinbreuk van art. 1 EP Pro EVRM.
4.124 Wat het eerste betreft, het beroep op de procedurele waarborgen uit art. 1 EP Pro EVRM, is sprake van een herhaling van zetten van de subonderdelen 1.1-1.2. Voor zover het subonderdeel in zoverre voortbouwt op de subonderdelen 1.1-1.2 (
PI 157), die dus falen, deelt het subonderdeel in dit lot (zie met name onder 4.19.14-4.19.15 en 4.29 hiervoor). Dit behoeft geen verdere toelichting.
4.125 Ook overigens, wat betreft het beroep op een
materiëleinbreuk van art. 1 EP Pro EVRM, loopt het subonderdeel vast.
4.126 In
PI 152wordt terecht tot uitgangspunt genomen dat het EHRM aan de hand van drie stappen toetst of een inbreuk op het recht op ongestoord genot van eigendom in de zin van art. 1 EP Pro EVRM kan worden gerechtvaardigd, kort gezegd: (i) wordt de inbreuk gemaakt op grond van een voldoende deugdelijke wettelijke basis? (de
legal certainty-test); (ii) heeft de inbreuk een legitieme doelstelling in het algemeen belang? (de
public interest-test); en (iii) is voldaan aan de eisen van proportionaliteit? (de
fair balance-test). [304] De insteek van het subonderdeel is dat niet wordt voldaan aan het derde vereiste, de
fair balance-test (
PI 158-161). Vereiste (i) en (ii) staan in cassatie - overigens terecht [305] - niet ter discussie.
4.127 De
fair balance-test is een proportionaliteitstoets, waaraan is voldaan als er een
fair balancebestaat tussen het algemene belang dat de Staat tracht te verwezenlijken en de mate waarin inbreuk wordt gemaakt op eigendomsrechten. [306] Bij de beoordeling wat in het algemeen belang is en bij de keuze van de middelen om dit belang te dienen, laat het EHRM de verdragstaten een
wide margin of appreciation, die bovendien groter is bij regulering van eigendom dan bij ontneming van eigendom. [307] Bij aandelenoverdracht ten titel van beheer geldt in beginsel niet de ontnemingsregel dat een volledige vergoeding moet zijn geboden (waarover
PI 152).
4.128 Een voorvraag is of, en zo ja op welk moment, voor de OK aanleiding bestond om te toetsen aan het
fair balance-vereiste van art. 1 EP Pro EVRM. Het EVRM wordt immers in beginsel
nietambtshalve door de rechter toegepast. Een partij die meent dat zijn rechten op ongestoord genot van zijn eigendom uit hoofde van art. 1 EP Pro EVRM worden geschonden, moet zich daarop voldoende duidelijk in rechte beroepen. [308] Een dergelijk beroep kan in beginsel niet voor het eerst in cassatie aan de orde worden gesteld. [309]
4.129 Een bijzonderheid van de
ex parte-beschikking is dat voor de op dat moment getroffen onmiddellijke voorzieningen, waaronder de tijdelijke overdracht van Yuchings aandelen ten titel beheer, uit de aard van die beschikking (
ex parte) volgt dat Yuching nog geen beroep op art. 1 EP Pro EVRM
kondoen. Voor zover dat gegeven al met zich brengt dat de OK in de
ex parte-beschikking
ambtshalvemoest toetsen aan art. 1 EP Pro EVRM ligt in de aard van de in die beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen, die - het zij gememoreerd - slechts een tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie tot aan de enkele dagen daarna geplande mondelinge behandeling behelzen en die bovendien voldoen aan de vereisten van art. 2:349a BW en art. 6 EVRM Pro, besloten dat die niet strijdig zijn met het
fair balance-vereiste van art. 1 EP Pro EVRM. Dat de OK bij de
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen niet is voorgelicht over Yuchings belangen betekent nog niet dat de proportionaliteitstoets van art. 1 EP Pro EVRM door de OK niet kon plaatsvinden omdat sprake zou zijn van een eenzijdige voorlichting van Nexperia en EZ (
PI 158).
4.130 Hier komt bij dat Yuching in het vervolg van de procedure bij de OK - in haar verweerschrift en op de mondelinge behandeling - voldoende gelegenheid heeft gehad zich te beroepen op schending van art. 1 EP Pro EVRM bij de
ex parteen later getroffen onmiddellijke voorzieningen. Het subonderdeel verwijst naar twee vindplaatsen in de gedingstukken van Yuching bij de OK waaruit dat beroep zou moeten blijken. [310] , [311] Dit betreft twee passages uit de paragraaf van het verweerschrift van Yuching waarin zij, voor zover relevant, heeft betoogd dat de verzochte onmiddellijke voorzieningen moeten worden afgewezen, omdat die “in strijd zijn met de proportionaliteit en subsidiariteit, en toewijzing tot een onevenredige uitkomst in de vereiste belangenafweging leidt. Yuching licht dit als volgt toe”. [312]
4.130.1 Onder het opschrift “Strijd proportionaliteit en subsidiariteit” is, voor zover relevant, de volgende toelichting gegeven:
“217. Voorts geldt dat om meerdere redenen niet is voldaan aan het vereiste van proportionaliteit en subsidiariteit bij de verzochte - en reeds toegestane - onmiddellijke voorzieningen. Yuching wijst erop dat in randnummer 194 van het verzoekschrift steeds wordt benadrukt wat de daadwerkelijke ‘redenen’ zijn voor de onmiddellijke voorzieningen, namelijk (i) naleving van het Bevel en (ii) de van toepassing verklaring van de Amerikaanse exportbeperkingen op Nexperia. Het enige dat Verzoeksters vervolgens in het kader van proportionaliteit en subsidiariteit aandragen, is dat mogelijke overlap tussen de onmiddellijke voorzieningen en het Bevel enig ingrijpen op governance-niveau niet zou moeten belemmeren en dat het hoger management - [verweerder 4] c.s. - de “crisissituatie” het hoofd moeten kunnen bieden: [hier volgt een citaat uit het verzoekschrift van Nexperia, nr. 195, A-G]
218. Van belang is dat onmiddellijke voorzieningen slechts een ultimum remedium zijn, en dat deze uitsluitend aangewezen zijn indien en voor zover minder ingrijpende middelen tekortschieten. Die drempel is hier bij lange na niet gehaald. Verzoeksters hebben dit ook niet gesteld. Overigens is het niet toevallig dat Verzoeksters juist in het kader van de proportionaliteit en subsidiariteit reppen over mogelijke overlap tussen het Bevel en de onmiddellijke voorzieningen en de gepretendeerde “crisissituatie” (…). Dit is namelijk juist de
kernwaarom niet aan de vereiste proportionaliteit en subsidiariteit is voldaan. Yuching vraagt nadrukkelijk hiervoor voldoende oog te houden.
219. Het bevel van 30 september 2025 is recent en duidelijk. Nexperia is van plan zich hieraan te houden. Dat betekent concreet dat de gedrags- en organisatiebeperkingen die Verzoeksters met onmiddellijke voorzieningen willen forceren, reeds via het publiekrechtelijk kader kunnen en zullen worden geëffectueerd. Voor zover de verzoeken samenlopen met het Bevel - denk aan de borging van continuïteit door het schorsen van [bestuurder/CEO] en de bescherming van ‘sleutelfiguren’ als [verweerder 4] - voegen zij niets toe aan de nalevingspraktijk, maar tasten zij wel diepgaand de vennootschappelijke verhoudingen aan. Proportionaliteit en subsidiariteit verzetten zich tegen zulke dubbele/parallelle acties, waar een ander instrument dan de onmiddellijke voorzieningen al effectief wordt toegepast en de beoogde doelen reeds worden bereikt.”
4.130.2 En onder het opschrift “Onevenredige uitkomst in belangenafweging” (zonder noot uit het origineel):
“229. Redengevend daartoe [het verzoek van Yuching om de onmiddellijke voorzieningen ook omwille van een belangenafweging op te heffen, althans de gevolgen daarvan te beperken, A-G] is dat het enquêteverzoek en de gevraagde en reeds getroffen onmiddellijke voorzieningen niet bijdragen aan een oplossing van de huidige problematiek die daadwerkelijk ten grondslag ligt aan deze kwestie. Die problematiek hangt immers direct samen met geopolitieke spanningen, waarvan het Bevel en de
50%-ruleeen uitvloeisel zijn. Het enquêteverzoek en de reeds getroffen maatregelen dreigen verdere escalatie binnen het concern van Nexperia juist in de hand te werken.
230. Voor wat betreft de jegens Yuching opgelegde maatregel, de overdracht [van] alle aandelen in het kapitaal van Nexperia Holding B.V. ten titel van beheer, geldt dat door Verzoeksters niet is onderbouwd dat deze uiterst ingrijpende maatregel bijdraagt aan een oplossing voor de hiervoor besproken problematiek (en wordt de
50%-rule, zoals hiervoor toegelicht, ogenschijnlijk als gelegenheidsargument en opmaat voor de politiek gemotiveerde onteigening gebruikt).”
4.131 De OK heeft hierin [313] kennelijk niet een voldoende duidelijk beroep op het
fair balance-vereiste van art. 1 EP Pro EVRM gelezen. Deze uitleg van de gedingstukken, die is voorbehouden aan de OK als feitenrechter, acht ik niet onbegrijpelijk. Daarbij betrek ik ook dat de vraag of sprake zou zijn van strijd met proportionaliteit en subsidiariteit en/of een onevenredige uitkomst in de vereiste belangenafweging al deel uitmaakt van het toetsingskader van art. 2:349a BW. [314] Voor zover toetsing aan het
fair balance-vereiste van art. 1 EP Pro EVRM al iets zou toevoegen ten opzichte van de door art. 2:349a BW vereiste belangenafweging, [315] had Yuching op het moment dat zij daartoe bij de OK in de gelegenheid was, dus in het verweerschrift en/of ter mondelinge behandeling, een voldoende duidelijk beroep moeten doen. Nu dat kennelijk, en gelet op het voorgaande: niet onbegrijpelijk, niet is gebeurd, bestond toen voor de OK ook geen verplichting deze bepaling (art. 1 EP Pro EVRM) op de voet van art. 25 Rv Pro in verbinding met art. 24 Rv Pro bij te brengen.
4.132 Hierop loopt het beroep op een materiële inbreuk op art. 1 EP Pro EVRM in verband met het
fair balance-vereiste (
PI 158-161) reeds vast. Overigens valt, mede gelet op het navolgende, zonder meer ook niet in te zien dát hier sprake zou zijn van een dergelijke inbreuk.
4.133 Subonderdeel 4.1 kan dus niet tot cassatie leiden.
4.134
Subonderdeel 4.2 [316] (
PI 162-164) is in het bijzonder gericht tegen de verwijzing door de OK naar “de bijzondere aard van het verzoek” (zie de
ex parte-beschikking, rov. 2.3), naar (het belang van) het uitvoeren van de toezeggingen aan EZ betreffende de wijziging van de governance (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.19, 3.20, 3.24), en naar de toestand van Nexperia (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23). Het subonderdeel klaagt (
PI 162) dat de OK hiermee blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting voor zover zij hiermee de overdracht van de aandelen ten titel van beheer (mede) heeft gebaseerd op het algemeen belang van de naleving van het bevel en/of van het behoud van chips en chipproductie in Nederland en de EU. De OK had geen betekenis mogen toekennen aan het (voormelde) algemeen belang althans heeft de mogelijkheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen gebruikt om een ander belang te dienen dan de belangen die het enquêterecht behoort te beschermen. Volgens het subonderdeel (
PI 164) kan een grond voor het treffen van onmiddellijke voorzieningen uitsluitend zijn gelegen in het belang van de rechtspersoon en degenen die bij zijn organisatie zijn betrokken, en niet (tenzij sprake is van een door de A-G bij het ressortsparket geëntameerde enquête) in het algemeen belang. Het zou ook misbruik zijn, of minst genomen oneigenlijk gebruik, om onmiddellijke voorzieningen te gebruiken met als doel daarmee het voormelde algemeen belang (dus van de naleving van het bevel en/of van het behoud van chips en chipproductie in Nederland en de EU) te dienen.
Behandeling
4.135 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.136 Het subonderdeel merkt terecht op (in
PI 163, dat neerkomt op een juridisch kader(tje)) dat uit art. 2:349a (lid 2) BW volgt dat de OK onmiddellijke voorzieningen kan treffen indien dit, gelet op de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, is vereist in verband met de toestand van de rechtspersoon of in het belang van het onderzoek. Noch uit de
ex parte-beschikking noch uit de uitgewerkte beschikking noch uit enige andere bestreden beschikking blijkt echter dat de OK dit heeft miskend, ook niet waar zij onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen op de voet van art. 2:349a lid 3 BW.
4.137 Ik licht toe.
4.137.1 In de
ex parte-beschikking, rov. 2.3 heeft de OK overwogen dat zij in de bijzondere aard van het verzoek en de grote spoedeisendheid van de verzochte voorzieningen aanleiding ziet om reeds
ex parteop de voet van art. 2:349a lid 3 BW te beslissen op een deel van de verzochte voorzieningen. Voor zover de OK met de bijzondere aard van het verzoek al mede doelde op het belang van naleving van het bevel en/of van het behoud van chips en chipproductie in Nederland en de EU, heeft de OK zo’n algemeen belang niet ten grondslag gelegd aan de
ex partetoewijzing van een deel van de verzochte voorzieningen. De
ex parte-beschikking, rov. 2.3 betreft immers slechts de motivering voor het
momentvan toewijzing van een deel van de verzochte voorzieningen (
ex parte).
4.137.2 Dat onmiddellijke toewijzing van een deel van de verzochte voorzieningen is vereist gelet op de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken, blijkt uit de
ex parte-beschikking, rov. 2.4-2.5 waarin de OK hiertoe (in zoverre onbestreden in cassatie) heeft verwezen naar paragrafen uit het verzoekschrift van Nexperia.
4.137.3 In de kop-staart-beschikking, rov. 3.3 heeft de OK, wederom geheel conform art. 2:349a (lid 2) BW, overwogen dat zij van oordeel is dat de toestand van Nexperia het noodzakelijk maakt de desbetreffende onmiddellijke voorzieningen te treffen.
4.137.4 In de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23 heeft de OK overwogen dat zij van oordeel is dat de toestand van Nexperia zoals die blijkt uit de daaraan voorafgaande overwegingen het nodig (dus: noodzakelijk) maakt de desbetreffende onmiddellijke voorzieningen te treffen. De daaraan voorafgaande overwegingen, waaronder ook uitdrukkelijk rov. 3.19 (zie de slotzin: “een grote negatieve impact op Nexperia en haar onderneming”) en rov. 3.20 (zie onder meer: “Nexperia en haar onderneming” en “in het belang van Nexperia”), staan in de sleutel van het belang van Nexperia en de met haar verbonden onderneming. De OK komt dan in rov. 3.24 tot de slotsom dat een schorsing van [bestuurder/CEO] en het onder beheer plaatsen van alle aandelen minus één in Nexperia Holding noodzakelijk en proportioneel is met het oog op het belang van Nexperia, haar onderneming en de daarbij betrokkenen.
4.138 Hieruit volgt dat de OK in de onderhavige zaak niet op grond van het algemeen belang onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen. Waar het subonderdeel van het tegendeel uitgaat (zie specifiek
PI 162, 164), loopt het daarom reeds vast op een gebrek aan feitelijke grondslag.
4.139 Het subonderdeel strandt ook voor zover het poneert (specifiek in
PI 162)dat de OK bij de beoordeling of onmiddellijke voorzieningen zijn vereist gelet op de belangen van de rechtspersoon en degenen die krachtens de wet en de statuten bij zijn organisatie zijn betrokken in het geheel geen acht mocht slaan op het algemeen belang, omdat aan dit belang hier “geen betekenis toe[komt]”. Deze opvatting is te categorisch en vindt daarmee geen steun in het recht. Zie reeds onder 4.21.5 en 4.93.2 hiervoor. Dit is al fataal.
4.140 Dat de OK blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting door de mogelijkheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen hier te gebruiken om een ander belang te dienen dan de belangen die het enquêterecht behoort te beschermen, valt, anders dan het subonderdeel wil (specifiek in
PI 162), tegen deze achtergrond evenmin in te zien.
4.141 Daarmee ontvalt, tot slot, ook de bodem aan het subonderdeel voor zover daarin nog wordt gesuggereerd (specifiek in
PI 164) dat de OK oneigenlijk gebruik of zelfs misbruik van het enquêterecht heeft gemaakt, en zodoende blijk heeft gegeven van een onjuiste rechtsopvatting, door onmiddellijke voorzieningen te gebruiken met als doel daarmee het algemeen belang van de naleving van het bevel en/of van het behoud van chips en chipproductie in Nederland en de EU te dienen.
4.142 Kortom, subonderdeel 4.2 sneeft.
4.143
Subonderdeel 4.3 [317] klaagt vooreerst (
PI 165-167) dat de OK heeft miskend dat zij slechts onmiddellijke voorzieningen mag treffen mits met het oog op de gevolgen ervan een billijke afweging van de belangen van partijen heeft plaatsgevonden en de noodzaak van de voorziening voldoende is gebleken, althans dat onvoldoende is gemotiveerd waarom het belang van
Nexperiaen degenen die krachtens de wet en de statuten bij haar organisatie zijn betrokken,
vereistdat de aandelen ten titel van beheer worden overgedragen. De OK heeft hier welbeschouwd geen specifieke motivering aan gewijd, waarbij deugdelijk gemotiveerd verantwoording is afgelegd van de proportionaliteit en subsidiariteit van deze onmiddellijke voorzieningen. [318] Daarmee zijn deze oordelen onvoldoende om de beslissing controleerbaar en aanvaardbaar te maken voor Yuching. Volgens het subonderdeel heeft de OK in wezen alleen geconstateerd dat sprake is van gegronde redenen om te twijfelen aan een juist beleid en een juiste gang van zaken (met de overweging dat het verwijt inzake de (niet-)wijziging van de governance Yuching raakt), en is de gevergde belangenafweging daarmee dus niet gemaakt, althans niet kenbaar en in ieder geval niet gemotiveerd, zodat het oordeel onbegrijpelijk is. Daarnaast klaagt het subonderdeel (
PI 167) dat de OK geen (kenbare) motivering heeft gewijd aan alternatieven voor de overdracht van de aandelen ten titel van beheer en de mate waarin het bevel al beperkingen oplegde aan handelingen die Nexperia mocht doen (“(zie nr. 158)”). En ten slotte (
PI 168) dat de OK in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 klaarblijkelijk tot uitgangspunt heeft genomen dat het in het zicht van de
50%-rulenodig of wenselijk is dat een overdracht van de aandelen ten titel van beheer plaatsvindt, terwijl de toepasselijkheid van die regel afhangt van het (indirect) aandeelhouderschap van [A] en dat nu juist niet wordt geraakt door de overdracht ten titel van beheer, in welk licht dan ook niet valt in te zien dat de overdracht ten titel van beheer van de aandelen
vereistis gelet op het belang van
Nexperiaen mede in aanmerking genomen
het belang van Yuchingals aandeelhouder die door de onmiddellijke voorziening wordt getroffen.
Behandeling
4.144 Het subonderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.145 Eerst iets over de rechtsfiguur van de onmiddellijke voorziening van overdracht van aandelen ten titel van beheer. Onder 4.146 hierna keer ik terug naar het subonderdeel.
4.145.1 De overdracht van aandelen ten titel van beheer wordt door de OK met regelmaat als onmiddellijke voorziening getroffen. In de periode 2008-2020 werd in 40% van de zaken waarin onmiddellijke voorzieningen werden getroffen door de OK gekozen voor een overdracht van de aandelen ten titel van beheer (soms in combinatie met andere onmiddellijke voorzieningen, zoals ook in de onderhavige zaak). [319]
4.145.2 De overdracht van de aandelen ten titel van beheer is, aldus de OK, in de context van het enquêterecht een rechtsfiguur
sui generis: [320]
“(…) De voorziening overdracht van aandelen ten titel van beheer brengt niet mee dat de aandelen in goederenrechtelijke zin tot het vermogen van de beheerder gaan behoren. Het gaat in de context van het enquêterecht om een rechtsfiguur
sui generis, die, mede in het licht van het bepaalde in artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, geen verdergaande gevolgen heeft dan noodzakelijk is voor het daarmee beoogde doel, te weten (in het onderhavige geval) het bevorderen van sanering en herstel van gezonde verhoudingen binnen de vennootschap. Dit betekent dat de voorziening overdracht van aandelen ten titel van beheer bewerkstelligt dat de aan de aandelen verbonden vennootschapsrechtelijke bevoegdheden (waaronder het vergaderrecht en het stemrecht) tijdelijk zijn overgedragen aan de beheerder, maar dat de overige aandeelhoudersrechten (waaronder het recht op dividend, voorkeursrechten en rechten in het kader van de geschillenregeling en de uitkoopprocedure) bij de aandeelhouder blijven. De door de Ondernemingskamer benoemde beheerder van aandelen is dan ook niet bevoegd om over de aan hem in beheer gegeven aandelen te beschikken; die bevoegdheid blijft bij de aandeelhouder. Opmerking verdient nog dat beslag, executie, bezwaring en vervreemding van de aandelen het beheer niet raken.
Ten slotte merkt de Ondernemingskamer op dat voor zover eerdere uitspraken blijk gaven van een andere opvatting omtrent de reikwijdte van de voorziening overdracht van aandelen ten titel van beheer, zij hiervan terugkomt, en dat het voorgaande zowel geldt voor op de voet van artikel 2:349a BW als voor op de voet van artikel 2:356 BW Pro getroffen voorzieningen van overdracht van aandelen ten titel van beheer. Het voorgaande laat overigens onverlet dat de Ondernemingskamer zo nodig de (vennootschapsrechtelijke) gevolgen van een door haar getroffen voorziening van overdracht van aandelen ten titel van beheer nader kan regelen (met (analoge) toepassing van artikel 2:357 lid 2 BW Pro).”
4.145.3 De overdracht van de aandelen ten titel van beheer is in de kern een middel om een ander doel te bereiken, te weten (in het onderhavige geval) het bevorderen van sanering en herstel van gezonde verhoudingen binnen de vennootschap en de met haar verbonden onderneming. [321] Om dat doel te bereiken, zijn de vennootschapsrechtelijke bevoegdheden van Yuching (kort gezegd: vergaderrecht en stemrecht) overgedragen aan de OK-beheerder, maar blijven de overige (economisch georiënteerde) aandeelhoudersrechten (zoals het recht op dividend) bij Yuching. Doordat de getroffen onmiddellijke voorziening betrekking heeft op alle aandelen
minus één(be)houdt Yuching ook toegang tot de algemene vergadering van Nexperia Holding en de daarmee gepaard gaande informatierechten als aandeelhouder. [322]
4.146 Tegen deze achtergrond keer ik terug naar het subonderdeel.
4.146.1 Dit ziet vooreerst eraan voorbij dat de OK wel degelijk voldoende specifieke overwegingen heeft gewijd aan de noodzakelijkheid en de proportionaliteit van de getroffen onmiddellijke voorzieningen, zowel voor de
ex parte-periode als voor de periode daarna.
4.146.2 Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.12 blijkt immers dat zich een acute noodsituatie voordeed bij Nexperia, en uit rov. 3.13 dat met de in de
ex parte-beschikking getroffen onmiddellijke voorzieningen werd beoogd de bestaande situatie tijdelijk te bevriezen tot het verzoek inhoudelijk zou zijn behandeld en om te voorkomen dat in de periode tot aan de inhoudelijke behandeling Nexperia en haar onderneming onherstelbare schade zou worden berokkend. De OK is in deze motivering niet afzonderlijk ingegaan op de noodzaak en de proportionaliteit van de overdracht van de aandelen ten titel beheer, maar heeft daarbij de
ex partegetroffen onmiddellijke voorzieningen samengenomen (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 3.13: “het treffen van enkele onmiddellijke voorzieningen, waarmee werd beoogd”, etc.). De noodzaak en de proportionaliteit van de overdracht van Yuchings aandelen ten titel van beheer ligt daarin evenwel onmiskenbaar besloten. De gelet op de acute noodsituatie noodzakelijk geachte tijdelijke bevriezing van de bestaande situatie kon immers niet worden bereikt door alleen schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder van Nexperia, gelet op het feit dat [bestuurder/CEO] tevens indirect controlerend aandeelhouder was van Yuching, de enig aandeelhouder van Nexperia Holding (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.1 en 2.5).
4.146.3 Voor de periode daarna wijst het subonderdeel terecht op de uitgewerkte beschikking, rov. 3.23-3.24, waarin echter meer staat dan het subonderdeel doet voorkomen:
“3.23 De Ondernemingskamer is van oordeel dat de toestand van Nexperia, zoals die blijkt uit het
voorgaande het nodig maakt de navolgende onmiddellijke voorzieningen te treffen. Zij zal [bestuurder/CEO] schorsen als bestuurder van Nexperia en in zijn plaats G.R.C. Dierick tot niet-uitvoerende bestuurder van Nexperia benoemen. (…) De Ondernemingskamer ziet ook aanleiding om de aandelen in Nexperia Holding met uitzondering van één aandeel ten titel van beheer over te dragen aan mr. drs. A.R.J. Croiset van Uchelen. (…).
3.24
Op zitting is uitvoerig met partijen besproken of minder vergaande voorzieningen uit oogpunt van proportionaliteit en subsidiariteit de voorkeur verdienen. De Ondernemingskamer beantwoordt die vraag ontkennend. Wat [bestuurder/CEO] als bestuurder betreft, illustreert zijn handelwijze ten aanzien van onderwerpen waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft, dat hij zich niet uitsluitend heeft laten leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming, maar mogelijk zijn belangen in WSS de doorslag heeft doen geven ten koste van die van Nexperia. Het bezwaar dat geen uitvoering is gegeven aan eerdere toezeggingen betreffende de wijziging van de governance nadat [A] op de
Entity Listwerd geplaatst en in het zicht van de
50%-ruletreft zowel [bestuurder/CEO] als bestuurder als Yuching als aandeelhouder. Tegen deze achtergrond acht de Ondernemingskamer een schorsing van [bestuurder/CEO] en het onder beheer plaatsen van alle aandelen minus één aandeel noodzakelijk, en proportioneel met het oog op het belang van de vennootschap, haar onderneming en de daarbij betrokkenen.”
4.146.4 Met “de toestand van Nexperia, zoals die blijkt uit het voorgaande” in rov. 3.23 heeft de OK kennelijk en niet onbegrijpelijk [323] het oog gehad op de acute noodsituatie als bedoeld in voornoemde rov. 3.12-3.13, en op de uitgewerkte beschikking, rov. 3.16-3.22 waarin de OK niet alleen heeft geconstateerd dat toezeggingen aan de Staat om de governance van Nexperia te wijzigen niet werden opgevolgd, maar ook met betrekking tot Nexperia heeft gewezen - kort gezegd - op: de handelwijze van [bestuurder/CEO] aangaande orders waarbij hij een tegenstrijdig belang heeft; het geven van betalingsbevoegdheden aan personen zonder financiële ervaring; en het ontslag van drie sleutelfunctionarissen. Uit de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 blijkt vervolgens uitdrukkelijk dat de OK de “proportionaliteit en subsidiariteit” (zie ook: “noodzakelijk, en proportioneel”) van de onmiddellijke voorzieningen heeft beoordeeld. Onder verwijzing naar het verhandelde ter zitting is de OK van oordeel dat minder vergaande voorzieningen in dit geval niet mogelijk zijn (waarop ook de separate klacht in
PI 167onder verwijzing naar “nr. 158” strandt), in welk verband de OK ook uitdrukkelijk de belangen van [bestuurder/CEO] als bestuurder en Yuching als aandeelhouder in de beoordeling heeft betrokken. Deze feitelijke beoordeling, die zich in cassatie niet op juistheid laat toetsen, is voldoende (begrijpelijk) gemotiveerd. Wat dit laatste betreft merk ik nog op dat de OK ook hier de overdracht van Yuchings aandelen ten titel van beheer in samenhang heeft beoordeeld met de schorsing van [bestuurder/CEO] als bestuurder en de aanstelling van een tijdelijke bestuurder in [bestuurder/CEO] plaats. Dat is ook alleszins begrijpelijk gelet op het al gememoreerde feit dat [bestuurder/CEO] tevens indirect controlerend aandeelhouder was van Yuching, de enig aandeelhouder van Nexperia Holding. Het hoeft immers geen betoog dat de noodzakelijk geachte bevordering van sanering en herstel van gezonde verhoudingen binnen een vennootschap en haar onderneming niet uitsluitend via het bestuur kan worden bereikt, indien de geschorste bestuurder tevens (indirect) controlerende aandeelhouder van de vennootschap is.
4.146.5 Hierop stuit het subonderdeel al af wat betreft de klachten in
PI 165-167. Kort en goed: de daarin bedoelde miskenning door althans onvoldoende (begrijpelijke) motivering van de OK doet zich in werkelijkheid niet voor.
4.146.6 Dan resteert de klacht in
PI 168. Deze berust op een onjuiste lezing van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.24 en ontbeert dus feitelijke grondslag. De klacht maakt een koppeling tussen (ontkomen aan) de toepasselijkheid van de
50%-ruleen de getroffen onmiddellijke voorziening van overdracht van de aandelen ten titel van beheer, welke koppeling de OK met de overweging “
in het zicht van de 50%-rule” niet heeft gemaakt.
4.147 Dit betekent dat subonderdeel 4.3 geen succes boekt.
4.148 Daarmee is gegeven dat onderdeel 4 faalt.
Onderdeel 5(“De door de Ondernemingskamer opgelegde geheimhoudingsplicht ex art. 28 Rv Pro is rechtens onjuist of althans ontoereikend gemotiveerd”)
4.149 Onderdeel 5 is gericht tegen het in de
ex parte-beschikking opgelegde en in de kop-staart-beschikking gehandhaafde verbod aan verzoeksters, verweersters, belanghebbenden en alle overige (rechts)personen die kennis hebben of op enig moment zullen krijgen van deze procedure om aan derden mededelingen te doen omtrent de procedure, om de redenen vermeld in de
ex parte-beschikking, rov. 2.
2en zoals is herhaald in de opheffingsbeschikking II, rov. 2.1. Dit een en ander zou blijk geven van een onjuiste rechtsopvatting althans ontoereikend zijn gemotiveerd (
PI 169). Dit werkt het onderdeel uit langs drie routes.
Behandeling
4.150 Het onderdeel faalt, gelet op het volgende.
4.151 Vanaf 4.152 hierna ga ik nader in op die drie routes. Ik begin met een opmaat over het belang van Yuching bij de klachten in het onderdeel. [324]
4.151.1 Op grond van art. 399 Rv Pro, voor de verzoekschriftprocedure in samenhang met art. 426 lid 4 Rv Pro, staat geen cassatieberoep open indien men zijn of haar bezwaren kan doen herstellen door dezelfde rechter bij wie de zaak heeft gediend. De (voor het eerst in dit middel tot uiting gebrachte) bezwaren van Yuching tegen het desbetreffende verbod komen erop neer dat de OK het verbod in verschillende opzichten te ruim heeft geformuleerd. Art. 28 lid 2 Rv Pro opent de mogelijkheid om op een later tijdstip - in de lopende procedure, maar ook nog, bij apart verzoekschrift, na afloop van die procedure - aan het gerecht dat het desbetreffende verbod heeft opgelegd te verzoeken om dit geheel of gedeeltelijk op te heffen. [325] Van die mogelijkheid bij de OK heeft Yuching geen gebruik gemaakt. Zij heeft zich aanvankelijk juist verweerd tegen het verzoek van EZ tot gedeeltelijke opheffing van het verbod, en zich vervolgens bij het verzoek van EZ het verbod geheel op te heffen gerefereerd aan het oordeel van de OK. De OK heeft die verzoeken van EZ in de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II toegewezen.
4.151.2 De opheffing van het verbod neemt niet weg dat het verbod vanaf het moment dat het is opgelegd (op 1 oktober 2025) heeft gegolden tot het moment dat het is opgeheven (gedeeltelijk op 8 oktober 2025 en geheel op 13 oktober 2025). In dat tijdsbestek was het op grond van het door de OK opgelegde verbod voor de door de OK genoemde partijen op de voet van het klachtdelict van art. 272 Sr Pro [326] strafbaar om mededelingen aan derden te doen omtrent de procedure. De beslissing op een verzoek om opheffing op de voet van art. 28 lid 2 Rv Pro heeft geen terugwerkende kracht, maar werkt vanaf het moment dat door het desbetreffende gerecht op dat verzoek wordt beslist (zoals de gedeeltelijke opheffing per 8 oktober 2025 en de gehele opheffing per 13 oktober 2025). [327] In het tijdsbestek tussen opleggen en eerst gedeeltelijk en dan geheel opheffen van het verbod, is het verbod (in zoverre) dus van kracht gebleven. Het slagen van een of meer klachten in het onderdeel zou het effect kunnen sorteren dat het verbod voor de periode tussen 1 oktober en 13 oktober 2025 wordt vernietigd.
4.151.3 Dit effect kan niet via een verzoek aan de OK op de voet van art. 28 lid 2 Rv Pro worden bereikt, zodat art. 399 Rv Pro in verbinding met art. 426 lid 4 Rv Pro hier niet geldt. Met betrekking tot het oordeel over het
opleggenvan een verbod ex art. 28 Rv Pro geldt ook geen rechtsmiddelenverbod (vergelijk met betrekking tot het
opheffenvan een verbod ex art. 28 Rv Pro onder 4.4 hiervoor). Bovendien klaagt Yuching dat de OK bij het opgelegde verbod in verschillende opzichten buiten de grenzen van art. 28 Rv Pro is getreden. Dat Yuching bij de OK, in haar verweerschrift en ter zitting bij de OK op 6 oktober 2025, geen verweer heeft gevoerd tegen de reikwijdte van het desbetreffende verbod maakt het voorgaande ook niet anders. Het verbod was immers al opgelegd in de
ex parte-beschikking en op of voor 6 oktober 2025 was er ook nog geen nieuwsbericht van een entiteit van de [A] -groep gepubliceerd (zie ook de opheffingsbeschikking II, rov 1.3). Het bericht dat door [A] in China zou zijn gepubliceerd, dateert van 12 oktober 2025. [328]
4.151.4 In zoverre heeft Yuching m.i. dan ook belang bij de klachten in het onderdeel.
4.152 Daarmee kom ik toe aan de inhoudelijke bespreking van het onderdeel, te beginnen met de eerste van voornoemde drie routes.
4.153
Ten eersteklaagt het onderdeel (
PI 170-171) dat de OK heeft miskend dat art. 28 Rv Pro geen grond biedt om aan derden te verbieden mededelingen te doen “omtrent een procedure” in algemene (categorische) zin. De klacht verwijst naar wetsgeschiedenis [329] en voorbeelden uit feitenrechtspraak, [330] en stelt dat in het licht daarvan het van een onjuiste rechtsopvatting getuigt, en van miskenning van het fundamentele beginsel van openbare rechtspraak, [331] dat de OK in algemene zin heeft verboden mededelingen te doen “omtrent deze procedure”. Het verbod ziet onder meer op het aanhangig zijn van de procedure, de inzet ervan en het feit dat een beschikking is gegeven en wat de inhoud daarvan is, en gaat aldus de grenzen van art. 28 Rv Pro te buiten. Het verbod is zo ruim dat niet alleen de in art. 28 lid 1 Rv Pro specifiek vermelde gegevens daaronder vallen, maar kennelijk alle informatie die aan de OK is voorgelegd, zonder specificering en beperking, en óók informatie die niet valt onder de specifiek in art. 28 lid 1 Rv Pro vermelde categorieën.
4.154 Ik zie deze klacht niet slagen.
4.154.1 Art. 28 lid 1 Rv Pro bevat drie categorieën gevallen waarvoor geldt dat het partijen verboden is mededelingen te doen.
4.154.2 Art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder a Rv bevat een mededelingenverbod voor het verhandelde op een zitting met gesloten deuren. Deze eerste categorie is aan de orde in onze zaak. De OK heeft in de
ex parte-beschikking, rov. 2.1-2.2 geoordeeld dat de zitting van 6 oktober 2025 op de voet van art. 27 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv (dat wil zeggen: in het belang van de veiligheid van de Staat) met gesloten deuren plaatsvindt, waarmee het verbod van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder a Rv is geactiveerd. De vertrouwelijkheid op grond van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder a Rv is, met andere woorden, het gevolg van de beslissing van de OK tot sluiting van de deuren op de voet van art. 27 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv. [332]
4.154.3 De OK heeft het verbod ruimer getrokken door eveneens toepassing te geven aan art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv, de tweede categorie. Die bepaling biedt de grondslag voor de rechter om een geheimhoudingsplicht op te leggen voor andere, niet ter zitting behandelde, informatie. In de wetsgeschiedenis is hierover onder meer het volgende vermeld: [333]
“De rechter kan ook een geheimhoudingsplicht opleggen voor andere, niet ter terechtzitting behandelde, informatie (eerste lid, onder b). Daaraan kan - op voormelde gronden - evenzeer behoefte bestaan, ook als geen sprake is van een niet of slechts gedeeltelijk openbare terechtzitting. Zo is denkbaar dat onder omstandigheden een geheimhoudingsplicht wordt gevraagd ten aanzien van gegevens die in een conclusie van antwoord zijn opgenomen, of gegevens die op een rechterlijk bevel ingevolge artikel 1.3.4 [art. 22 Rv Pro, A-G] worden overgelegd. Ook kan gedacht worden aan vertrouwelijke gegevens die wel in de processtukken zijn vermeld, maar niet op een terechtzitting aan de orde zijn geweest. In dergelijke gevallen kan de partij die daarbij belang heeft aan de rechter verzoeken een geheimhoudingsplicht op te leggen.”
4.154.4 Art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder c Rv bevat sinds 1 januari 2025 [334] een specifieke categorie van gevallen waarin vertrouwelijke gegevens zijn verstrekt op grond van bepalingen zoals art. 22 Rv Pro of art. 195 Rv Pro die ik hier verder kan laten rusten, omdat die derde categorie in onze zaak niet aan de orde is.
4.154.5 Het door de OK opgelegde verbod mededelingen te doen “omtrent deze procedure” betreft dus een combinatie van:
- het verhandelde ter zitting met gesloten deuren (art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder a Rv), en
- andere informatie die niet (of ten tijde van de
ex parte-beschikking nog niet) ter zitting is behandeld (art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv).
4.154.6 Laatstbedoelde informatie betreft ten tijde van de
ex parte-beschikking, los van de procedure als zodanig, mede het verzoekschrift met bijlagen van Nexperia van 1 oktober 2025 en de brief van EZ van dezelfde datum en vervolgens ook de voorafgaand aan de zitting van 6 oktober 2025 ingediende stukken met bijlagen: het verweerschrift van EZ van 5 oktober 2025 en het verweerschrift van Yuching van 6 oktober 2025. Dit blijkt als het dictum wordt gelezen in het licht van de overwegingen die daaraan ten grondslag liggen. In de
ex parte-beschikking, rov. 2.2 heeft de OK overwogen dat voor de redenen waarom het partijen en belanghebbenden wordt verboden aan derden mededelingen te doen omtrent de procedure wordt verwezen naar paragraaf 1 van het verzoekschrift van Nexperia van 1 oktober 2025 [335] en naar p. 2 (onder “Vertrouwelijkheid”) van de brief van EZ van dezelfde datum. [336]
4.154.7 Na de zitting met gesloten deuren van 6 oktober 2025 geldt ook het verbod van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder a BW. In de wetsgeschiedenis staat hierover bijvoorbeeld: [337]
“Als de rechter (…) van de in artikel 1.3.9 geboden mogelijkheid [bedoeld is de mogelijkheid van art. 27 lid 1 Rv Pro, zoals een zitting met gesloten deuren, A-G] gebruik heeft gemaakt, dient de vertrouwelijkheid ook na afloop van de zitting te zijn gewaarborgd en behoort het verhandelde ter terechtzitting ook niet later door partijen zelf «aan de grote klok» te worden gehangen. Om dat te
bereiken, verbiedt het eerste lid, onder a, aan partijen om daarover aan derden mededelingen te doen.”
4.154.8 Na afloop van de zitting van 6 oktober 2025 geldt het verbod in de zin van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv dus nog voor andere informatie die niet reeds wordt gedekt door het verbod van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder a Rv met betrekking tot het verhandelde ter zitting met gesloten deuren. Een combinatie van een verbod als bedoeld in art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder a Rv [338] en een verbod als bedoeld in art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv [339] is in het systeem van art. 28 Rv Pro niet uitgesloten. Een zitting met gesloten deuren waarvan de vertrouwelijkheid van het verhandelde op grond van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder a Rv wordt gewaarborgd, zou immers weinig effectief zijn als partijen en belanghebbenden andere, niet ter zitting met gesloten deuren behandelde, vertrouwelijke informatie wel aan de grote klok zouden mogen hangen. Het aanvullende verbod van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv dient nu juist om dat laatste te voorkomen.
4.154.9 Van belang is verder dat de OK aan (i) de behandeling met gesloten deuren op de voet van art. 27 lid Pro 1, tweede zin en onder b Rv, met het daaraan gekoppelde mededelingenverbod van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder a Rv, en (ii) het mededelingenverbod van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv nog een derde trap heeft toegevoegd. In de
ex parte-beschikking, rov. 2.6 heeft de OK overwogen (iii) dat zij “de zaak niet [zal] opnemen in openbare overzichten van aanhangige zaken en geen mededelingen aan derden over deze zaak [zal] doen”. Dit laatste berust niet op art. 28 lid 1 Rv Pro, want betreft (de griffie van) de OK zelf.
4.154.10 Trap (iii) begrijp ik zo dat de OK daarmee tevens te kennen geeft dat zolang de bij trap (i) en (ii) bedoelde verboden gelden, een eventueel verzoek van een derde op de voet van art. 29 lid 2 Rv Pro om verstrekking van een afschrift van een beschikking in de onderhavige procedure zal worden geweigerd door (de griffie van) de OK gegeven de hier spelende zwaarwegende belangen, in het bijzonder van Nexperia en haar onderneming. De wetsgeschiedenis van art. 29 Rv Pro bevestigt dat ook bij in het openbaar uitgesproken beslissingen [340] verstrekking van een afschrift aan derden kan worden geweigerd (niet slechts door anonimisering beperkt wordt) in verband met zwaarwegende belangen van anderen, waaronder die van partijen. [341]
4.154.11 Het gecombineerde effect van deze drietrapsraket (dus (i) t/m (iii)) is een volledig vertrouwelijke behandeling van de onderhavige zaak. Dit strookt ook met de opheffingbeschikking II, rov. 2.1. Daaruit blijkt dat het opgelegde verbod om mededelingen te doen over deze procedure door de OK, in haar korte samenvatting:
“is opgelegd om de betrokken partijen de gelegenheid te bieden om zonder de externe druk die van eventuele publiciteit zou kunnen uitgaan in het belang van Nexperia en haar onderneming tot een werkbare oplossing van de ontstane situatie te komen.”
Zo’n volledig vertrouwelijke behandeling van de onderhavige zaak was ook - naar het niet onbegrijpelijke oordeel van de OK - de strekking van paragraaf 1 van het verzoekschrift van Nexperia van 1 oktober 2025, zoals gesteund door EZ blijkens p. 2 van de brief van dezelfde datum (onder “Vertrouwelijkheid”): dit een en ander ademt de noodzaak van een zo maximaal mogelijke vertrouwelijkheid ter zake. Zie onder 4.154.6 hiervoor.
4.154.12 Van deze drietrapsraket wordt in het onderdeel uitsluitend kenbaar geklaagd over het mededelingenverbod op de voet van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv, dus trap (ii). Het mededelingenverbod op de voet van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder a Rv bij trap (i) vloeit immers automatisch voort uit de beslissing tot het houden van een zitting met gesloten deuren, en tegen die beslissing op de voet van art. 27 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv (zie de
ex parte-beschikking, rov. 2.2, eerste zin) is het onderdeel niet gekant. Ook de
ex parte-beschikking, rov. 2.6, ofwel trap (iii), is in cassatie onbestreden.
4.154.13 Tegen deze achtergrond bezie ik nu de deelaspecten van de klacht nader.
4.154.14 De klacht beroept zich onder meer op de volgende passages uit de wetsgeschiedenis van art. 28 Rv Pro: [342]
“(…)
Aldus biedt het eerste lid [gedoeld wordt op wat thans is bepaald in art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder a en b Rv, A-G] niet alleen bescherming aan partijen, maar schept het ook een voorwaarde voor een meer onbevangen, en daardoor mogelijk vruchtbaarder, waarheidsvinding. (…)
Openbaarheid van de rechtspleging blijft zoals gezegd de hoofdregel. Er is geen reden een geheimhoudingsplicht te creëren voor alle gegevens die partijen in een procedure verkrijgen. Als gegevens ter openbare terechtzitting zijn behandeld of als zij blijken uit een in het openbaar uitgesproken beslissing, zijn zij reeds uit dien hoofde openbaar. Daarbij past geen geheimhoudingsplicht. Vertrouwelijkheid volgens het eerste lid is steeds het gevolg van een rechterlijke beslissing: sluiting van de deuren, beperking van de toegang tot een terechtzitting, dan wel een uitdrukkelijke vertrouwelijk-verklaring.
(…).”
4.154.15 Deze passages baten de klacht niet. Dat het bepaalde in art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder (a en) b Rv “ook een voorwaarde [schept] voor een meer onbevangen, en daardoor mogelijk vruchtbaarder, waarheidsvinding”, wil niet zeggen dat de OK ‘dus’ niet kon overgaan tot het mededelingenverbod op de voet van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv ter bescherming van betrokken belangen zoals zij heeft gedaan bij trap (ii). Dit laatste volgt evenmin uit het vervolg, vanaf “Openbaarheid”, etc. Lezen we dat deel van het citaat als geheel, dan is de bedoeling ervan duidelijk: die openbaarheid van de rechtspleging is het uitgangspunt (“de hoofdregel”), zo’n geheimhoudingsplicht is dus geen automatisme. Ofwel: een beperking van die openbaarheid, het gelden van zo’n geheimhoudingsplicht, behelst een uitzondering en vergt daarom telkens een daartoe strekkende rechterlijke beslissing (“is steeds het gevolg van een rechterlijke beslissing”). [343] Ook hieraan ziet de OK dus niet voorbij met het opgelegde mededelingenverbod op de voet van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv bij trap (ii). Ik lees in deze passages, die dus geen kenbare grens stellen aan wat de rechter - zoals hier de OK - in een concreet geval vermag in het kader van art. 28 lid 1 Rv Pro, ook niet dat art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder (a en) b Rv louter in functie staat van de waarheidsplicht van art. 21 Rv Pro: de beschermingsstrekking van art. 28 lid 1 Rv Pro heeft ook los daarvan betekenis. [344]
4.154.16 Daarop strandt eveneens de opmerking in de klacht dat art. 28 Rv Pro volgens de wetgever een uitzondering is op het uitgangspunt van “openbaarheid van procedurele gegevens”. [345] Daaraan ziet de OK dus niet voorbij met het opgelegde mededelingenverbod op de voet van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv bij trap (ii). Aldus heeft de OK, anders dan de klacht wil, evenmin het fundamentele beginsel van de openbaarheid van rechtspraak miskend. Dit beginsel draagt immers geen absoluut karakter, zo volgt ook al direct uit art. 28 lid 1 Rv Pro. [346] Illustratief is de Hoge Raad-uitspraak van 21 april 2023 waarop de klacht zich beroept. In die uitspraak wordt onder meer en kortweg de mogelijkheid genoemd dat de rechter, om te voorkomen dat vertrouwelijke gegevens worden geopenbaard, op de voet van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv kan verbieden dat partijen omtrent bepaalde gegevens uit de procedure mededelingen doen aan derden. [347]
4.154.17 In het licht hiervan mist de klacht ook doel, voor zover daarin wordt geponeerd dat uit het citaat onder 4.154.14 hiervoor (specifiek de zin: “Er is geen reden een geheimhoudingsplicht te creëren voor alle gegevens die partijen in een procedure verkrijgen”) een kenbare begrenzing zou volgen van wat de rechter - zoals hier de OK - in een concreet geval vermag in het kader van art. 28 lid 1 Rv Pro. Zo’n begrenzing valt daaruit niet op te maken. Anders dan de klacht suggereert, volgt zo’n begrenzing evenmin daaruit dat in de wetsgeschiedenis van art. 28 lid 1 Rv Pro voorbeelden worden genoemd van toepassing van voornoemde geheimhoudingsplicht. [348] Het gaat hier niet om een uitputtende opsomming, maar slechts om illustraties van die toepassing. Iets anders lees ik niet in voornoemde Hoge Raad-uitspraak van 21 april 2023.
4.154.18 Voor zover de klacht aanvoert dat gelet op de onder 4.154.17 hiervoor genoemde wetsgeschiedenis de rechter moet specificeren waarop voornoemde geheimhoudingsplicht ziet, en dit betekent dat een mededelingenverbod op de voet van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv slechts kan zien op specifieke documenten of uitlatingen in een procedure, mist dit eveneens doel. Zo’n begrenzing van art. 28 lid 1 Rv Pro valt niet te lezen in de desbetreffende passages, noch in de door de klacht aangehaalde gevallen uit de feitenrechtspraak (geen enquêteprocedures), [349] noch in voornoemde Hoge Raad-uitspraak van 21 april 2023. Overigens onderkent de klacht dat in de onderhavige zaak duidelijk is wat de OK heeft beoogd met het opgelegde verbod, zie onder 4.153 hiervoor.
4.154.19 Daarbij betrek ik ook het citaat onder 4.154.3 hiervoor, in welk licht de tekst van art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv valt te verstaan. Dit laat zien dat blijkens de wetsgeschiedenis de door de bepaling geboden mogelijkheid potentieel zeer ruim is:
“De rechter kan ook een geheimhoudingsplicht opleggen voor andere, niet ter terechtzitting behandelde, informatie (eerste lid, onder b). Daaraan kan - op voormelde gronden - evenzeer behoefte bestaan, ook als geen sprake is van een niet of slechts gedeeltelijk openbare terechtzitting.”
Wat daarop volgt in het citaat betreft, zoals gezegd, illustraties van de toepassing van de bepaling. Kortom, er is gekozen voor een open formulering van wat de rechter op grond van de bepaling kan en mag in een concreet geval. [350] Naar volgt uit al het voorgaande is de OK met toepassing daarvan in de onderhavige, uitzonderlijke zaak niet voorbij de spankracht van de bepaling gegaan.
4.154.20 Daarmee ontvalt reeds de bodem aan de klacht. Kort en goed: de daarin bedoelde miskenning door de OK van art. 28 Rv Pro doet zich in werkelijkheid niet voor.
4.155
Ten tweedeklaagt het onderdeel (
PI 172-173) dat de motivering van het oordeel van de OK ontoereikend is, zelfs als art. 28 Rv Pro de mogelijkheid biedt om een ruim verbod tot het doen van mededelingen omtrent een procedure op te leggen. “De wens om publiciteit buiten de deur te houden”, die blijkens de
ex parte-beschikking, rov. 2.2 en de opheffingsbeschikking II, rov. 2.1 ten grondslag ligt aan het opgelegde verbod, kan in het kader van art. 28 Rv Pro geen toereikende omstandigheid zijn voor het opgelegde verbod. Gelet op het uitgangspunt van openbaarheid van rechtspraak had de OK inzichtelijk moeten maken waarom een dermate verstrekkende geheimhoudingsplicht nodig was. De klacht wijst er nog op (i) dat “[d]aarbij is te bedenken” dat een beursvennootschap zoals [A] op grond van regelgeving onderhevig is aan meldingsplichten, en (ii) dat “[h]et voorgaande eens temeer [klemt]” omdat het opgelegde verbod verder gaat dan is verzocht door Nexperia en ondersteund door EZ. [351]
4.156 Ik zie ook deze klacht niet slagen.
4.156.1 De klacht strandt reeds op een gebrek aan feitelijke grondslag, nu zij veronderstelt dat de OK slechts “[d]e wens om publiciteit buiten de deur te houden” ten grondslag heeft gelegd aan het opgelegde verbod. Het gaat in werkelijkheid evenwel om meerdere redenen.
4.156.2 Dat blijkt al uit de
ex parte-beschikking, rov. 2.2, waarin de OK voor deze redenen verwijst naar paragraaf 1 van het verzoekschrift van Nexperia van 1 oktober 2025 en p. 2 van de brief van EZ van dezelfde datum (onder “Vertrouwelijkheid”). De OK heeft aldaar overwogen dat het verbod voor partijen en belanghebbenden om aan derden mededelingen te doen omtrent deze procedure “om dezelfde redenen” wordt toegewezen als het verzoek om de zitting met gesloten deuren te houden. Dat is dus (i) het belang van de veiligheid van de Staat en (ii) het belang van Nexperia en haar onderneming. Ter illustratie van belang (ii) dient het volgende citaat uit het verzoekschrift van Nexperia, nr. 6:
“(…) Ingeval de onderhavige kwestie in het openbaar zou worden behandeld, dreigt Nexperia schade te lijden die enkel ongemak te boven gaat, omdat tot dan toe onbekende gegevens over haar en haar onderneming naar buiten zullen komen. (…) Als de inhoud van deze maatregel [het bevel, A-G] openbaar zou worden door openbare behandeling van deze zaak, zal het functioneren van Nexperia ernstig worden bemoeilijkt en haar bedrijfseconomische positie in gevaar komen. (…) De ontstane [geopolitieke, A-G] situatie brengt de continuïteit van Nexperia in gevaar. (…) Daar komt bij dat in deze procedure - en in dit verzoekschrift - commercieel- en concurrentiegevoelige informatie over Nexperia aan de orde komt. (…).”
4.156.3 In de opheffingsbeschikking II, rov. 2.1 vat de OK deze redenen aldus samen dat het verbod:
“is opgelegd om de betrokken partijen de gelegenheid te bieden om zonder externe druk die van eventuele publiciteit zou kunnen uitgaan in het belang van Nexperia en haar onderneming tot een werkbare oplossing van de ontstane situatie te komen.”
De OK plaatst het verbod hier dus uitdrukkelijk ook in de sleutel van (ii) het belang van Nexperia en haar onderneming, nog daargelaten dat dit slechts één van de redenen is die blijken uit de
ex parte-beschikking, rov. 2.2.
4.156.4 Daarmee ontvalt ook al de bodem aan (i) en (ii) in de klacht, waarbij immers wordt voortgebouwd op voornoemde onjuiste veronderstelling. Bij (i) geldt nog dat de klacht niet uiteenzet om welke regelgeving dit dan meer precies zou gaan, laat staan dat daarop door Yuching (bij wege van verweer) bij de OK een beroep is gedaan, zodat de klacht in zoverre hoe dan ook niet voldoet aan de eisen van art. 426a lid 2 Rv. Bij (ii) geldt nog dat dit hoe dan ook voorbijziet aan hetgeen ik uiteenzette onder 4.154.6 en 4.154.11 hiervoor.
4.156.5 Overigens acht ik die motivering van de OK toereikend. Daarbij zie ik geen grond voor het aannemen van een verzwaarde motiveringsplicht van de rechter in het geval hij een verplichting tot geheimhouding oplegt. [352]
4.157
Ten derdeklaagt het onderdeel (
PI 174-175) dat de OK heeft miskend dat art. 28 Rv Pro geen grondslag biedt voor een zo ruim mededelingenverbod als “alle overige (rechts)personen die kennis hebben of op enig moment zullen krijgen van deze procedure”. [353] De klacht beroept zich wederom op het uitgangspunt van openbaarheid van rechtspraak en de uitzondering die art. 28 Rv Pro hierop vormt, en voorts op de omstandigheid dat schenden van het verbod ex art. 28 Rv Pro op basis van art. 272 Sr Pro strafrechtelijk is gesanctioneerd. Voor zover het wel mogelijk is het verbod tot anderen dan partijen of belanghebbenden te richten, is het oordeel ontoereikend gemotiveerd in het licht van die omstandigheden en de omstandigheid dat niet is verzocht om een dergelijk verstrekkend verbod althans Nexperia en de Staat niet hebben toegelicht waarom zo’n verbod nodig zou zijn.
4.158 Ik zie deze klacht evenmin slagen.
4.158.1 Uit de wettekst van art. 28 lid 1 Rv Pro volgt dat een verbod op grond van deze bepaling is gericht tot “partijen”. Uit de wetsgeschiedenis van de bepaling blijkt dat het partijbegrip ruim moet worden uitgelegd. Behalve eiser en gedaagde en eventuele derden-partijen in een dagvaardingsprocedure zijn daaronder ook verzoeker(s) en belanghebbende(n) in een verzoekschriftprocedure begrepen. [354] In de literatuur wordt aangenomen dat het verbod zich ook kan uitstrekken tot eventuele derden die geen partij zijn, zoals deskundigen of getuigen. [355] In lijn hiermee heeft de Hoge Raad al eens beslist dat art. 28 Rv Pro ten aanzien van deskundigen van overeenkomstige toepassing is. [356] Dit sluit aan bij de ratio van de bepaling, die beoogt te voorkomen dat partijen
en eventuele derdenmededeling doen van vertrouwelijke gegevens. [357] Uit de wetsgeschiedenis blijkt verder dat de formulering van art. 28 Rv Pro voor een deel is ontleend aan art. 2:353 lid 3 BW Pro, de bepaling uit het enquêterecht op grond waarvan de OK kort gezegd aan
anderen dan de rechtspersoon(dus ook een ruime formulering) kan verbieden mededelingen te doen uit het onderzoekverslag. [358]
4.158.2 In verschillende rechtspraakcommentaren bij de bestreden OK-beschikkingen is opgemerkt dat de OK mogelijk te ver is gegaan door het mededelingenverbod mede te richten tot “alle overige (rechts)personen die kennis hebben of op enig moment zullen krijgen van deze procedure”. [359] Ik zie dat anders. Deze passage moet volgens mij niet geïsoleerd worden gelezen in de betekenis van “iedereen”, maar worden verstaan in samenhang met de daaraan voorafgaande door de OK genoemde partijen en belanghebbenden tot wie het mededelingenverbod is gericht: verzoeksters en verweersters (Nexperia) en belanghebbenden (Yuching, [bestuurder/CEO] , [verweerder 4] , de OR en EZ). Hieruit blijkt dat Nexperia (Nexperia Holding en Nexperia B.V.) niet een opzichzelfstaande (enkelvoudige) rechtspersoon is. Zij heeft verschillende dochterondernemingen (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.2). De aandelen in Nexperia Holding worden indirect, via Yuching, gehouden door [A] , wier aandelen zijn genoteerd aan de Shanghai Stock Exchange onder toezicht van de CSRC (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.5), waarbij [bestuurder/CEO] geldt als (indirect) controlerende aandeelhouder van Yuching en [A] (zie de uitgewerkte beschikking, rov. 2.1, 2.5). In de PI wordt in dit verband gesproken van het feit dat Nexperia onderdeel is van de [A] -groep. [360]
4.158.3 Met deze economische werkelijkheid, als onderdeel van de omstandigheden van het geval, heeft de OK kennelijk rekening gehouden bij de formulering van de reikwijdte van het mededelingenverbod in de
ex parte-beschikking. Dat ligt ook voor de hand, nu het - ik wees daarop al - naar vaste rechtspraak uitgangspunt is bij de toepassing van het enquêterecht dat het uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid. Zie onder 4.18.8 en 4.93.1 hiervoor. De OK heeft, anders en kort gezegd, bij de formulering van de reikwijdte van het mededelingenverbod rekening willen houden met het feit dat sprake is van een organisatorisch verband van (rechts)personen in de [A] -groep, waartoe ook Nexperia behoort. Een mededelingenverbod waarbij niet met deze groepsrealiteit rekening gehouden zou worden (ofwel enkel gericht tot de opzichzelfstaande, enkelvoudige (rechts)personen die behoren tot de verzoeksters, verweersters en belanghebbenden), zou immers weinig effectief zijn nu andere (rechts)personen die onderdeel zijn van de [A] -groep dan niet onder de reikwijdte van het verbod zouden vallen.
4.158.3 De wettelijke grondslag voor een mededelingenverbod met een dergelijke ruime personele reikwijdte kan, voor een geval als het onderhavige, worden gevonden in art. 28 lid 1 Rv Pro. Voor bepalingen in Boek 2 BW die de opzichzelfstaande (enkelvoudige) rechtspersoon tot uitgangspunt nemen, heeft de Hoge Raad een paar jaar geleden in een enquêterechtelijke zaak aanvaard dat bij de uitleg van dergelijke bepalingen en de toepassing daarvan in een concreet geval van belang kan zijn dat sprake is van een organisatorisch verband van rechtspersonen. In die zaak leidde het op deze wijze rekening houden met de economische werkelijkheid, als onderdeel van de omstandigheden van het geval, tot een ruime personele reikwijdte van art. 2:8 lid 1 BW Pro in de zin dat tot degenen die krachtens de wet en de statuten bij de organisatie van de rechtspersoon zijn betrokken als bedoeld in die bepaling (bijvoorbeeld) ook een middellijk aandeelhouder van die rechtspersoon kan behoren. [361] Ik zie niet in waarom deze redenering niet ook kan worden toegepast in een enquêterechtelijke zaak met betrekking tot een bepaling als art. 28 lid 1 Rv Pro.
4.158.5 Voor een dergelijke ruime uitleg van “partijen” als bedoeld in art. 28 lid 1 Rv Pro is te meer aanleiding gelet op hetgeen ik onder 4.158.1 hiervoor opmerkte over de ratio en ontstaansgeschiedenis van de bepaling, die ten dele is ontleend aan het enquêterecht. Voor de goede orde merk ik nog op dat de juridische techniek hier geen ‘overeenkomstige’ toepassing van art. 28 lid 1 Rv Pro op overige (rechts)personen is: [362] deze overige (rechts)personen (lees: in de [A] -groep) vallen hier, gezien de economische werkelijkheid van dit geval, onder het ruim uit te leggen partijbegrip van art. 28 lid 1 Rv Pro. [363] Zo bezien is het opgelegde mededelingenverbod ook niet ruimer dan verzocht, nu de OK aldus binnen de grenzen van art. 28 lid 1 Rv Pro is gebleven. Het verbod is aldus ook niet tot anderen dan de in art. 28 lid 1 Rv Pro genoemde “partijen” gericht. Tot onaanvaardbare uitkomsten, mede gelet op de strafrechtelijke sanctionering in art. 272 Sr Pro, leidt een dergelijke ruime uitleg van het partijbegrip in art. 28 lid 1 Rv Pro evenmin. [364]
4.158.6 Gelet op het voorgaande valt, anders de klacht voorstaat, niet in te zien dat de OK wat betreft de personele reikwijdte van het opgelegde mededelingenverbod art. 28 Rv Pro heeft miskend of haar oordeel dienaangaande onvoldoende (begrijpelijk) heeft gemotiveerd. Hierop stuit de klacht reeds af.
4.159 Daarmee is gegeven dat ook onderdeel 5 faalt.
Slotsom
4.160 Het cassatiemiddel van Yuching is derhalve vergeefs voorgesteld.

5.Conclusie

De conclusie strekt tot verwerping van het cassatieberoep, althans voor wat betreft de opheffingsbeschikking I en de opheffingsbeschikking II mede tot niet-ontvankelijkheid zoals uiteengezet onder 4.12 hiervoor.

Voetnoten

1.Zie Hof Amsterdam (OK) 1 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2738.
2.Zie Hof Amsterdam (OK) 7 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2739.
3.Zie Hof Amsterdam (OK) 8 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2740.
4.Zie Hof Amsterdam (OK) 13 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2742.
5.Zie Hof Amsterdam (OK) 13 oktober 2025, ECLI:NL:GHAMS:2025:2752.
6.Zie de vorige noot.
7.Toevoeging A-G: bedoeld is NXP Semiconductors N.V., dat weer is afgesplitst van Koninklijke Philips N.V. Zie ook het verzoekschrift van Nexperia, nr. 23 en het verweerschrift van Yuching, nr. 16.
8.Toevoeging A-G: aanvankelijk JAB Capital, uiteindelijk het hierna te noemen [A] (via Yuching). [bestuurder/CEO] houdt (indirect) ongeveer 15% van de aandelen in [A] en geldt als controlerend aandeelhouder. Zie ook het verzoekschrift van Nexperia, nr. 23 en het verweerschrift van Yuching, nr. 16.
9.Zie noot 1 hiervoor.
10.Zie noot 2 hiervoor.
11.Zie noot 3 hiervoor.
12.Zie noot 4 hiervoor.
13.Zie noot 5 hiervoor.
14.Hierna ook wel afgekort als: de
15.Zie art. 3.2.17.1 Procesreglement HR.
16.Zie Hof Amsterdam (OK) 11 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:318.
17.Zie Hof Amsterdam (OK) 17 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:508.
18.Zie de PI, nrs. 1-37.
19.Zie de PI, nrs. 38-91.
20.Zie de PI, nrs. 92-118.
21.Zie de PI, nrs. 119-147.
22.Zie de PI, nrs. 148-168.
23.Zie de PI, nrs. 169-175.
24.Zie bijv. C.D.J. Bulten e.a., ‘Inleiding’, in:
25.Zie bijv. Bulten e.a. 2022, p. 10.
26.Zie bijv. HR 27 september 2000, ECLI:NL:HR:2000:AA7245,
27.Zie bijv. HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1233,
28.In onze zaak heeft de OK onmiddellijke voorzieningen getroffen voordat (in de eerstefasebeschikking) een onderzoek werd gelast. Art. 2:349a lid 3 BW biedt daarvoor de grondslag indien er naar het voorlopig oordeel van de OK gegronde redenen zijn om aan een juist beleid of juiste gang van zaken te twijfelen (zie voor dat laatste de
29.Zie bijv. F.E. Vermeulen & G.P. Oosterhoff, ‘Toetsing in cassatie’, in:
30.Van de eerstefasebeschikking en de beschikking van 17 februari 2026 heeft zowel Yuching als [bestuurder/CEO] inmiddels ook afzonderlijk cassatieberoep ingesteld. Zie onder 3.24 hiervoor.
31.Zie de opheffingsbeschikking I, rov. 1.3.
32.Zie de opheffingsbeschikking II, rov. 1.3.
33.Vgl. bijv. art. 31 lid 4 Rv Pro (“Tegen de verbetering of weigering daarvan staat geen voorziening open”) en art. 32 lid 3 Rv Pro (“Tegen de weigering van de aanvulling staat geen voorziening open”).
34.Zie bijv. F.J.P. Lock,
35.Zie bijv. A.I.M. van Mierlo,
36.Zie Lock 2026, art. 28 Rv Pro, aant. 4.
37.Dat is overigens in dit geval ook gebeurd. Zie de opheffingsbeschikking I, rov. 1.3 en de opheffingsbeschikking II, rov. 1.3.
38.Zie T.F.E. Tjong Tjin Tai,
39.Ik neem aan dat in de uitgewerkte beschikking de nadere uitwerking van de opheffingsbeschikking I ook op dit aspect betrekking heeft.
40.Zie bijv. F.J.P. Lock,
41.Zie de PI, nr. 38 (“(…) met de procesgang voorafgaand aan de Ex Parte Beschikking en daarna, uitmondend in de Verkorte [kop-staart, A-G] Beschikking en Uitgewerkte Beschikking, (…).” Zie nog wel subonderdeel 1.2 (“procesgang als geheel is oneerlijk”), maar in dat verband wordt ook weer uitsluitend verwezen naar beslissingen in de
42.Zie de opheffingsbeschikking I, rov. 1.6-1.8.
43.Zie de opheffingsbeschikking II, rov. 1.5-1.6.
44.Zie de PI, nr. 105 (“De Ondernemingskamer heeft blijkens de Ex Parte Beschikking, de Verkorte Beschikking, de Opheffingsbeschikking 1 en de Uitgewerkte Beschikking EZ aangemerkt als belanghebbende, die als zodanig alle procedurele rechten van een belanghebbende kan uitoefenen, waaronder mede begrepen het indienen van een verweerschrift, het gehoord worden en het kunnen doen van een verzoek ex art. 28 lid 2 Rv Pro. (…)”).
45.Zie bijv.
46.Zie bijv. de PI, nr. 105.
47.Zie de PI, nrs. 169, 171-172.
48.Volgens de PI, nr. 39 is sprake van twee subonderdelen. Zie echter de PI, nr. 91 voor subonderdeel 1.3.
49.Met als opschrift: “Geen wettelijke grondslag voor Ex Parte Beschikking en de daarin getroffen en vervolgens door de Ondernemingskamer gehandhaafde onmiddellijke voorzieningen”.
50.Zie bijv.
51.Illustratief is HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321,
52.Zie bijv. B. Winters, ‘De verzoekschriftprocedure’, in:
53.Zie bijv. Lock 2026, art. 19 Rv Pro, aant. 3 onder a en Tjong Tjin Tai 2026, art. 19 Rv Pro, aant. 3.
54.Zie bijv. EHRM 15 oktober 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:1015JUD001705606,
55.Zie bijv. A-G Timmerman in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2007:AZ9324) voor HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324,
56.Zie voor een uitzondering waarin vooraf wordt gehoord, althans daartoe gelegenheid wordt gegeven: art. 720, laatste zin Rv.
57.Iets anders is dat de mogelijkheid van desgevorderde opheffing van het gelegde beslag in kort geding bestaat, zie art. 705 Rv Pro.
58.Zie bijv. Tjong Tjin Tai 2026, art. 19 Rv Pro, aant. 3.
59.Zie bijv. HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321,
60.Zie HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324,
61.Zie HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321,
62.Zie bijv. HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321,
63.Zie bijv. HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324,
64.A-G Timmerman noemt in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2007:AZ9324) voor HR 20 april 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ9324,
65.Tussen voorlopige voorzieningen als bedoeld in art. 223 Rv Pro en art. 2:298 BW Pro en onmiddellijke voorzieningen als bedoeld in art. 2:349a BW bestaat een sterke gelijkenis. Zie over die gelijkenis bij art. 223 Rv Pro en art. 2:349a BW bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.12, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337. Zie over die gelijkenis bij art. 2:298 BW Pro en art. 2:349a BW bijv. de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2010:BK5989) voor HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5989,
66.Zie bijv. HR 31 augustus 2018, ECLI:NL:HR:2018:1414,
67.Zie bijv. O.J.W. Schotel in
68.Zie bijv. EHRM 15 oktober 2009, ECLI:CE:ECHR:2009:1015JUD001705606,
69.Zie over de verwantschap tussen het treffen van onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW en in de kortgedingprocedure op de voet van art. 254 Rv Pro ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.4, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337. Zie algemener over enquêterecht en kort geding bijv. A. Hammerstein, ‘Enquêterecht en kort geding’, in:
70.Zie over deze term bijv. E. Gras, R.G. Hendrikse & A.W. Jongbloed,
71.Zie bijv. Asser Procesrecht/R.J.B. Boonekamp,
72.Zie bijv. Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 83.
73.Zie bijv. Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nrs. 82, 106, onder verwijzing naar T.A.W. Sterk, ‘Goede orde in het kort geding’, in:
74.Zie in dit verband voor kort geding bijv. ook Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 82.
75.Naar vaste rechtspraak is uitgangspunt bij de toepassing van het enquêterecht, welke regeling is gericht op het belang van de rechtspersoon, dat het uiteindelijk vooral aankomt op de economische werkelijkheid. Zie bijv. HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1283,
76.Zie dus bijv. HR 14 december 2018, ECLI:NL:HR:2018:2321,
77.Zie dus onder 4.18.7 hiervoor.
78.Zie dus onder 4.18.2 hiervoor.
79.Zie hierover bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.3-3.4, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337. Zie ook R.G.J. de Haan, ‘Onmiddellijke voorzieningen’, in:
80.Zie HR 19 februari 2010, ECLI:NL:HR:2010:BK5989,
81.Zo bijv. ook T. Salemink & M.P. Nieuwe Weme, ‘De OK-bestuurder en de OK-commissaris’, in:
82.De OK heeft, voor zover mij bekend, niet eerder in een enquêteprocedure
83.Zie de Wet van 8 november 1993 tot wijziging en aanvulling van de regeling van het recht van enquête,
84.Een voorbeeld daarvan, dat ook wordt genoemd in de PI, nr. 49, is de
85.Een ander voorbeeld daarvan is de
86.Een voorbeeld daarvan is de
87.Zie de brief van Nexperia van 1 oktober 2025, p. 1 (“Zoals nader toegelicht op pagina 4 e.v. van deze brief, wordt de Ondernemingskamer verzocht
88.Zie de brief van EZ van 1 oktober 2025, p. 1-2 (onder “Spoedeisendheid”), waar onder meer staat: “(…) Kortom, iedere dag dat deze situatie voortduurt, vormt een bedreiging voor de continuïteit van de onderneming en daarmee voor de economische veiligheid van Nederland en Europa. Een spoedig optreden van de Ondernemingskamer kan dat voorkomen. De Minister steunt de verzoeken van Nexperia c.s. dan ook en verzoekt de Ondernemingskamer met klem deze zo spoedig mogelijk te behandelen en op de kortst mogelijke termijn op de verzoeken te beslissen.”
89.Dit wordt nota bene onderkend in de PI, noot 40, onder verwijzing naar Rb. Amsterdam 28 april 2022, ECLI:NL:RBAMS:2022:2315. Zie rov. 4.4.3: “Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt de ernst van de aan de verzoeken ten grondslag gelegde feiten en de spoedeisendheid dat zij bij wijze van ordemaatregel de verzoeken tot schorsing van [belanghebbende 1] en [belanghebbende 2] voorlopig toewijst zonder hen vooraf te horen.” Dit betrof een geval in navolging van voornoemde Hoge Raad-uitspraak van 20 april 2007 (in het kader van art. 2:298 BW Pro). Zie in het kader van Boek 1 BW bijv. W.S. Maas-van Weert, ‘De spoedwijzigingsbeslissing van art. 1:265g lid 1 BW’,
90.Zie HR 20 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7322,
91.Zie HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8210,
92.Zie HR 20 november 2009, ECLI:NL:HR:2009:BJ7322,
93.Zie HR 30 maart 2007, ECLI:NL:HR:2007:AZ8210,
94.Zie de noten 87-88 hiervoor.
95.Zie bijv. ook Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 83: “De eiser kan hetzij in de conceptdagvaarding, hetzij nader per brief aan de voorzieningenrechter een voorlopig ge- of verbod vragen.”
96.Zie hierover ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.4, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337.
97.Zie over dit laatste bijv. ook HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199,
98.Zie bijv.
99.Zie reeds HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234,
100.Zie bijv. de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2010:BL6182) voor HR 16 april 2010, ECLI:NL:HR:2010:BL6182,
101.Dus: “In afwijking van artikel 282 lid 1 Wetboek Pro van Burgerlijke Rechtsvordering kan iedere belanghebbende een verweerschrift indienen tot een door de ondernemingskamer bepaald tijdstip voorafgaand aan de aanvang van de behandeling. De verzoekers en de rechtspersoon verschijnen hetzij bij advocaat, hetzij bijgestaan door hun advocaten. Alvorens te beslissen kan de ondernemingskamer ook ambtshalve getuigen en deskundigen horen.”
102.In de wetsgeschiedenis zijn hieraan niet veel woorden gewijd. Zie bijv.
103.Zie hierover bijv. ook P.G.F.A. Geerts,
104.Zie bijv.
105.Uit de in de PI, noot 61 aangehaalde bronnen blijkt ook niet iets anders. Zie Lock 2026, art. 19 Rv Pro, aant. 3 onder a en P. Smits,
106.Zie HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3523,
107.Zie HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4887,
108.Zie HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5138,
109.Zie HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3523,
110.Zie hierover nader mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.4, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337.
111.Zie HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5138,
112.Zie HR 14 september 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA4887,
113.Zie hierover ook plv. P-G Mok in zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2001:AD5138) voor HR 19 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5138,
114.Dus: “De ondernemingskamer beslist daarna binnen een redelijke termijn op het verzoek als bedoeld in artikel 345.”
115.Zie
116.Zie Hof Amsterdam (OK) 11 februari 2026, ECLI:NL:GHAMS:2026:318, rov. 1.3, 1.7.
117.Met verwijzing in de PI, noot 67 naar EHRM 24 november 2005, ECLI:CE:ECHR:2005:1124JUD004942999,
118.Zie bijv. De Jong 2017, p. 230-231, en verder T. Barkhuysen & M.L. van Emmerik,
119.Zie A.J.P. Schild,
120.Zie De Jong 2017, p. 248.
121.Zie bijv. De Jong 2017, p. 229-230.
122.Zie ook reeds het opschrift van onderdeel 1 (“Daarmee ook schending”, etc.) en de PI, nr. 38 (“Deze schendingen van het recht op een eerlijke behandeling van de zaak maken tevens”, etc.).
123.Zie bijv. EHRM 24 november 2005, ECLI:CE:ECHR:2005:1124JUD004942999,
124.Onder verwijzing naar de volgende passage uit de brief van Nexperia van 1 oktober 2025, p. 1: “op zo kort mogelijke termijn (binnen enkele dagen) een mondelinge behandeling te bepalen.”
125.Zie de noten 87-88 hiervoor.
126.Onder verwijzing naar het verzoekschrift van Nexperia, nr. 194. Het betreft kennelijk de passage onder (iii): “De Ondernemingskamer wordt verzocht (…) om voor de duur van het geding de door Yuching Holding gehouden aandelen in Nexperia Holding ten titel van beheer over te dragen aan een onafhankelijke derde, zodat wordt voorkomen dat [bestuurder/CEO] langs deze weg alsnog invloed kan uitoefenen en [bestuurder/CEO] ook de benodigde herziening van de governance niet langer kan frustreren.”
127.Onder verwijzing naar onderdeel 4.
128.Zie voor het kort geding bijv. Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 138. Een algemeen, openbaar of maatschappelijk belang zoals de economische veiligheid van Nederland en Europa kan overigens ook over de band van het belang van de rechtspersoon en de met hem verbonden onderneming in de afweging worden betrokken. Zie daarover verder bijv. K. Spruitenburg, ‘De enquêtebevoegdheid van de advocaat-generaal’, in:
129.Zie voor het kort geding bijv. Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 83: “Buiten het kader van een aanhangig kort geding is de voorzieningenrechter niet bevoegd, al dan niet
130.Met als opschrift: “Yuching is onvoldoende gelegenheid geboden haar verweer tegen het Verzoekschrift en de Ex Parte Beschikking voor te bereiden: procesgang als geheel is oneerlijk”.
131.Met als opschrift: “Ten onrechte heeft de Ondernemingskamer het beginsel van hoor en wederhoor tegen Yuching gekeerd en niet getoetst of Yuching zich voldoende adequaat zou kunnen verweren”.
132.Zie hierover bijv. Winters 2022, p. 103, waaruit blijkt dat dit ook in het enquêterecht geldt.
133.Zie bijv. A.I.M. van Mierlo,
134.Zie noot 100 hiervoor.
135.Zie bijv. Geerts 2022, art. 2:349a BW, aant. 2. In noot 86 hiervoor gaf ik hiervan een voorbeeld. Zie voor meer voorbeelden bijv. F. Veenstra,
136.Zie de oproepingsbrief van de OK van 1 oktober 2025.
137.Zie bijv. ook Veenstra 2010, p. 134.
138.Zie bijv.
139.In het bijzonder: “Iedere belanghebbende kan tot de aanvang van de behandeling of, indien de rechter dit toestaat, in de loop van de behandeling een verweerschrift indienen. (…).”
140.Zie bijv.
141.Zie de kop-staart-beschikking, rov. 1.4.
142.Zie bijv. ook
143.Zie bijv. de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2004:AO2327) voor HR 23 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2327,
144.Zie voor het eerst HR 23 april 2004, ECLI:NL:HR:2004:AO2327,
145.Aldus bijv. Veenstra 2010, p. 139.
146.Zie bijv. Hof Amsterdam (OK) 19 december 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:5338, in de
147.Zie noot 89 hiervoor.
148.Zie de brief van Yuching van 3 oktober 2025, p. 2 (“Yuching benadrukt volledigheidshalve dat de gepretendeerde belangen van Verzoekers bij toewijzing van dit verzoek [om de mondelinge behandeling te laten plaatsvinden op een latere datum, bijvoorbeeld op 14 oktober 2025, A-G] niet in het gedrang komen, nu de Ondernemingskamer reeds ingrijpende voorlopige voorzieningen heeft getroffen. Yuching zal de onmiddellijk getroffen voorlopige voorzieningen vanzelfsprekend respecteren, in afwachting van de nadere beslissing van de Ondernemingskamer, nadat de - uitgestelde - mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden”).
149.Zie de brief van Nexperia van 3 oktober 2025, p. 1-2 (“Waar is geconcludeerd dat (verdergaande) ingrepen in de Nexperia-organisatie en de relatie met WSS nodig zijn, wordt dit thans geïnventariseerd en voorbereid, maar zijn de statutair bestuurder, CFO en COO - vooralsnog - voornemens tot implementatie daarvan over te gaan na de bestendiging c.q. aanvulling van de onmiddellijke voorzieningen op een
150.Ik citeer: “De Ondernemingskamer heeft kennisgenomen van het namens Yuching Holding Ltd gedane verzoek tot uitstel van de mondelinge behandeling in bovengenoemde zaak, alsmede de reactie van Nexperia Holding B.V. c.s. en de Staat der Nederlanden. De Ondernemingskamer bewilligt niet in het verzoek van Yuching Holding Ltd. De mondelinge behandeling zal plaatsvinden op
151.Ik citeer: “Aan Yuching en [bestuurder/CEO] kan worden toegegeven dat de gang van zaken zeer ongebruikelijk is, omdat (i) de Ondernemingskamer enkele uren na ontvangst van het verzoek ex parte enige ingrijpende onmiddellijke voorzieningen heeft getroffen, (ii) de Ondernemingskamer binnen drie werkdagen (vijf dagen) een zitting heeft georganiseerd, terwijl (iii) het gaat om een complexe zaak en (iv) Yuching en [bestuurder/CEO] in deze periode ook nog op zoek moesten naar een advocaat, (v) op een moment waarop in China belangrijke feestdagen worden gevierd.”
152.Zie noot 148 hiervoor.
153.Met als opschrift: “De dreiging van de 50% Regel en het belang van Nexperia (en de Staat) dat de eenzijdigheid van de bevriezing zo snel mogelijk eindigt, is niet rechtens relevant”.
154.Zie het citaat uit de brief van Nexperia van 3 oktober 2025 in noot 149 hiervoor.
155.Met als opschrift: “Ten onrechte overweegt de Ondernemingskamer dat intussen in de gegeven omstandigheden zo veel mogelijk recht is gedaan aan het beginsel van hoor en wederhoor”.
156.Dat zijn de volgende: “Belanghebbenden is tot 9.00 uur op 6 oktober 2025 (maandagochtend), vier uur voor de mondelinge behandeling, gelegenheid gegeven een verweerschrift in te dienen. Yuching heeft een volwaardig verweerschrift ingediend en haar verweer op zitting nader aangevuld. [bestuurder/CEO] - die niet in de gelegenheid is geweest tijdig een verweerschrift in te dienen - heeft op zitting extra tijd gekregen haar positie toe te lichten. De behandeling op zitting is vervolgens meermalen geschorst, opdat de advocaten van [bestuurder/CEO] en Yuching in de gelegenheid werden gesteld telefonisch overleg te plegen met hun cliënten. Aldus is tegen de ongebruikelijke achtergrond van deze zaak en de hoge spoedeisendheid (…).”
157.Ik citeer: “Dit verweerschrift dient dan ook uitdrukkelijk te worden beschouwd als een beperkt verweerschrift op hoofdlijnen ten behoeve van de mondelinge behandeling d.d. 6 oktober 2025 die, conform de Beschikking “
158.Ik citeer: “Binnen de zeer beperkte tijd die Yuching beschikbaar heeft gehad, heeft zij schriftelijk verweer gevoerd door middel van een verweerschrift dat vannacht is ingediend. Dit betreft uitdrukkelijk een verweer op hoofdlijnen, nu Yuching, in tegenstelling tot de minutieus op dit scenario voorbereide Verzoeksters, amper tijd is gegund om haar verweer voor te bereiden.”
159.Zie bijv. Winters 2022, p. 105-106. Zie over de eisen die worden gesteld aan het indienen van een verweerschrift ook de oproepingsbrief van de OK van 1 oktober 2025, p. 2.
160.Zie ook de spreekaantekeningen van Yuching, nr. 7: “Yuching heeft niettemin een gelaagd verweer gevoerd tegen het enquêteverzoek en de daarbij verzochte en reeds getroffen onmiddellijke voorzieningen. Ondanks de beperkte tijd legt dit verweer reeds bloot dat het enquêteverzoek niet-ontvankelijk en ongegrond is.”
161.Zie ook de kop-staart-beschikking, rov. 1.4.
162.Zie met name het verweerschrift van Yuching, nrs. 207-216 (onder het opschrift: “Geen gegronde redenen om aan een juist beleid te twijfelen”).
163.Zie ook de oproepingsbrief van de OK van 1 oktober 2025: “Bij de mondelinge behandeling geldt een maximale spreektijd van
164.Ik citeer: “Er wordt uiteraard gestreefd naar efficiënte procesvoering. Ik weet echter niet of deze zaak zich aan deze zijde leent voor clustering en beperking in spreektijd (mede met het oog op een eerlijk proces), gezien de vergaande (ex parte) onmiddellijke voorzieningen op basis van een omvangrijk verzoekschrift, het zeer korte tijdsbestek, de complexiteit en uiteenlopende belangen.”
165.Zie noot 158 hiervoor.
166.Kennelijk hield dat verband met Chinese feestdagen. Vgl. de spreekaantekeningen van Yuching, nr. 1 (“Vandaag staan wij voor u op Zhongqiu Jie (wat betekent ‘vrolijk Midherfstfestival’), een feestdag in verband met hereniging van Chinese families. De afsluiting van de Gouden Week. Cliënte is er daarom vandaag niet om zich te verweren tegen de wensen van Verzoeksters”). Zie ook het verweerschrift van Yuching, nr. 9. Voor de goede orde: hierop wordt in cassatie dus
167.Vgl. voor een geval van een door de OK
168.Zie het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, p. 4: “Ter terechtzitting zijn aanwezig: (…) - Mrs. Polkerman en De Ruijter voormeld namens Yuching Holding Limited (hierna: Yuching). - Mrs. Vader en Meijer van Gelderen voormeld namens [bestuurder/CEO] (hierna: [bestuurder/CEO] ). (…).”
169.Zie bijv. de noten 54 en 146 hiervoor.
170.Met als opschrift: “Het voorgaande klemt te meer/althans, omdat Nexperia haar enquêteverzoek klaarblijkelijk ruim van tevoren heeft voorbereid en op enig moment heeft afgestemd met EZ. Hiermee is tevens sprake van schending van het beginsel van equality of arms”.
171.Zie het verzoekschrift van Nexperia, nr. 202 (“[D]doordat het voornemen daartoe [indiening van het verzoekschrift ex art. 2:345 lid 1 BW Pro, A-G] pas in een laat stadium is geconcretiseerd”). Dit strookt ook met de door de OK vastgestelde feiten, waaruit blijkt dat de situatie bij Nexperia in de loop van september 2025 is geëscaleerd.
172.Ik citeer: “(…) In dat geval [een verzoek ex art. 2:345 lid 1 BW Pro gedaan door de rechtspersoon, zoals hier aan de orde, A-G] worden de raad van commissarissen [niet aanwezig bij Nexperia, A-G] onderscheidenlijk het bestuur en de ondernemingsraad zo spoedig mogelijk op de hoogte gesteld van het voornemen om het verzoek in te dienen onderscheidenlijk het indienen van het verzoek. (…).” Zie ook het verzoekschrift van Nexperia, nr. 202: “Zoals vereist op grond van art. 2:349 lid 1 BW Pro, heeft [verweerder 4] de andere bestuurder van Nexperia Holding en Nexperia B.V. ( [bestuurder/CEO] ) op de hoogte gesteld van het voornemen om dit enquêteverzoek in te dienen. (…).” Overigens is niet gesteld of gebleken dat Yuching (via haar bestuurder en indirect controlerende aandeelhouder [bestuurder/CEO] ) niet op de hoogte is geraakt van het voornemen van [verweerder 4] (Nexperia) om het enquêteverzoek in te dienen.
173.Zie EHRM 27 oktober 1993, ECLI:CE:ECHR:1993:1027JUD001444888,
174.De cursivering voegde ik toe.
175.Zie voor latere EHRM-rechtspraak van deze strekking bijv. de PI, noot 74 en mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:104) voor HR 19 april 2024, ECLI:NL:HR:2024:628,
176.Met als opschrift: “Gebrek aan hoor en wederhoor; aan Yuching valt in elk geval niet tegen te werpen dat zij bepaalde stellingen onvoldoende gemotiveerd heeft betwist”.
177.Zie noot 157 hiervoor.
178.Zie noot 158 hiervoor.
179.Met als opschrift: “EZ is ten onrechte aangemerkt als belanghebbende”.
180.Onder verwijzing naar HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440,
181.De PI, nrs. 94-98 hebben als opschrift: “EZ heeft rechtens geen eigen belang waarvoor zij in deze enquêteprocedure kan opkomen”.
182.Zie HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440,
183.Toevoeging A-G: dit laatste ziet op HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387,
184.Toevoeging A-G: zie voor een voorbeeld van toepassing van de
185.Een vindplaats in het verweerschrift van EZ wordt in de PI, nr. 97 overigens niet vermeld bij dat citaat. Kennelijk (zie ook het citaat in het verweerschrift in cassatie van EZ, nr. 3.9) gaat het om de volgende passage in nr. 5.2.1 van dat verweerschrift: “De Minister mengt zich in beginsel niet in vennootschappelijke verhoudingen en stelt zich ten aanzien van geschillen hierover terughoudend op.
186.Zie ook het verweerschrift in cassatie van EZ, nr. 2.20.
187.Zie het verweerschrift van EZ, nr. 1.4 (ook opgenomen in het verweerschrift in cassatie van EZ, nr. 3.9): “Ingrijpen door uw Ondernemingskamer is voorts in het belang van Nexperia c.s. - en daarmee in het belang van de Nederlandse economische veiligheid - omdat dit de onderneming in staat zal stellen om zonder belangenconflicten haar strategie verder te ontwikkelen en de huidige geopolitieke uitdagingen het hoofd te bieden. De Minister heeft in de gesprekken die hij gedurende de afgelopen 1,5 jaar met Nexperia c.s. heeft gevoerd inmiddels ervaren dat zonder uw ingrijpen twijfelachtig is of de onderneming daartoe in staat is c.q. wordt gesteld. Zo heeft Nexperia c.s. om onduidelijke redenen geen gevolg gegeven aan concrete afspraken met de Minister over een herziening van de governance die (ook) door haarzelf van strategisch belang werd geacht, met als (voorspelbaar) gevolg dat Nexperia c.s. inmiddels is getroffen door Amerikaanse zware exportcontroleregels en daardoor hard zal worden geraakt.”
188.Zie bijv. de uitgewerkte beschikking, rov. 2.1: “De klachten hebben onder meer betrekking op de implementatie van de afspraken met EZ tegen de achtergrond van de groeiende risico’s dat Nexperia zou worden onderworpen aan de
189.Zie in deze zin inmiddels eveneens de eerstefasebeschikking, rov. 3.4, waaruit kort gezegd blijkt dat de OK ook van oordeel is dat EZ gelet op het onderwerp van de gesprekken van Nexperia met EZ vanaf eind 2023 over herziening van de governance van Nexperia in ieder geval als ‘tweede kring’-belanghebbende is aan te merken.
190.Zie HR 6 juni 2003, ECLI:NL:HR:2003:AF9440,
191.Zie bijv. HR 10 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC1234,
192.Zie ook het verweerschrift in cassatie van EZ, nrs. 2.31-2.32.
193.Zie bijv. ook B.J. Blok & G.C. Makkink, ‘Belanghebbendenbegrip’, in:
194.Zie de eerstefasebeschikking, rov. 3.1: “In beschikking 1 [de
195.Zie voor die motivering met name de eerstefasebeschikking, rov. 3.4.
196.Daarbij wordt - in de PI, noot 102 - via “Vgl.” verwezen naar HR 25 oktober 1991, ECLI:NL:HR:1991:ZC0387,
197.De PI, nrs. 99-104 hebben als opschrift: “EZ kan rechtens in de enquêteprocedure niet opkomen voor een algemeen belang”.
198.Zie Hof Amsterdam (OK) 25 augustus 2010 (op rechtspraak.nl volgens mij abusievelijk gedateerd op 25 augustus 2013), ECLI:NL:GHAMS:2013:4742, rov. 2.4.
199.Zie hierover in algemene zin bijv. M.E. de Meijer,
200.Zie
201.Zie P.J. Verdam e.a.,
202.Zie bijv.
203.Zie voor 2:349a BW ook onder 4.69-4.70 hierna. Art. 2:355 BW Pro betreft de bevoegdheid van de oorspronkelijke verzoekers en andere enquêtegerechtigden (onder wie, maar niet beperkt tot, de A-G bij het ressortsparket) om in de tweede fase van de enquêteprocedure eindvoorzieningen (als bedoeld in art. 2:356 BW Pro) te verzoeken indien uit het onderzoeksverslag is gebleken van wanbeleid. Zie over art. 2:349a en 2:355 BW in dit verband ook de eerstefasebeschikking, rov. 3.2.
204.Zie over dat laatste bijv. ook de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2019:1058) voor HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:479,
205.Zie
206.Zie bijv. ook de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2019:1058) voor HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:479,
207.Zie bijv. HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1056,
208.Zie bijv. de conclusie van A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2019:1058) voor HR 3 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:479,
209.Zie ook het verweerschrift in cassatie van EZ, nr. 2.37, met in noot 51 aldaar verwijzing naar Blok & Makkink 2022, p. 386.
210.Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, rov. 1.5.
211.Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, rov. 3.5.
212.Op de voet van art. 2:346 lid Pro 1, aanhef en onder d BW in verbinding met art. 2:346 lid 2 BW Pro door de raad van toezicht van de stichting. Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, rov. 1.2.
213.Overigens zijn in de literatuur wel voorstellen gedaan om de kring van enquêtegerechtigden uit te breiden tot organisaties die opkomen voor bepaalde collectieve of maatschappelijke belangen. Zie bijv. in deze richting met een concreet voorstel voor een nieuw art. 2:347a BW K.A.M. van Vught, ‘De maatschappelijke enquête herrezen. Over een enquêtebevoegdheid voor maatschappelijke organisaties’,
214.Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, rov. 3.2.
215.Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, rov. 3.3.-3.4.
216.Zie Hof Amsterdam (OK) 4 juli 2016, ECLI:NL:GHAMS:2016:2716, rov. 3.5, onder verwijzing naar HR 23 maart 2012, ECLI:NL:HR:2012:BV1056,
217.Zie bijv. ook
218.Ik citeer: “Indien de rechtspersoon wegens het bedrijf dat hij uitoefent, is onderworpen aan het toezicht van De Nederlandsche Bank N.V., de Stichting Autoriteit Financiële Markten of de Europese Centrale Bank, doet de griffier een afschrift van het verzoekschrift ook aan de toezichthoudende instelling toekomen.”
219.Ik citeer: “In het geval, bedoeld in artikel 348, neemt de ondernemingskamer geen beslissing, alvorens de in dat artikel genoemde, op de rechtspersoon toezichthoudende instelling in de gelegenheid te hebben gesteld over het verzoek te worden gehoord.”
220.Zie bijv. ook Blok & Makkink 2022, p. 385-386: “Ook buiten de reikwijdte van deze bepalingen [art. 2:348 en Pro 2:355 BW, A-G] kan een toezichthoudende instantie een belanghebbende zijn.”
221.Zie bijv. ook HR 20 januari 2012, ECLI:NL:HR:20212:BU5613,
222.Zie noot 198 hiervoor.
223.Zie al Hof Amsterdam (OK) 24 november 2008, ECLI:NL:GHAMS:2008:BG5150, kop en rov. 1.4.
224.Zie Hof Amsterdam (OK) 10 juni 2010, ECLI:NL:GHAMS:2010:BM8183, rov. 3.
225.Zie over dit onderscheid tussen ‘inzagebelanghebbenden’ en ‘282 Rv belanghebbenden’ bijv. ook F.G.K. Overkleeft, ‘Inzage, geheimhouding en gebruik van het onderzoeksverslag’, in:
226.Zie Hof Amsterdam (OK) 25 augustus 2010 (op rechtspraak.nl volgens mij abusievelijk gedateerd op 25 augustus 2013), ECLI:NL:GHAMS:2013:4742, rov. 2.4.
227.Met als opschrift: “Optreden van de Staat als belanghebbende onderhevig aan “doorkruisingsleer”; onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrechtelijk kader”.
228.Onder verwijzing naar de
229.De PI, nrs. 106-109 en nrs. 110-118 hebben als opschrift: “Doorkruisingsrechtspraak geldt ook voor optreden door Staat als belanghebbende in een enquêteprocedure”, respectievelijk: “Van onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrechtelijk kader van de Wbg en titel 5.1 t/m 5.3 Awb is sprake”.
230.Zo bijv. ook Geerts 2022, art. 2:349a BW, aant. 3.4.1.9 op, naar aanleiding van het onder 4.70 hiervoor besproken voorbeeld uit de OK-rechtspraak.
231.In zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:266) voor HR 24 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:742,
232.Zie
233.Oorspronkelijk luidde art. 8 lid 1 Wbg Pro: “Onze Minister, die een bevel heeft gegeven of doen geven, kan op kosten van de overtreder doen wegnemen, beletten, verrichten of in de vorige toestand doen herstellen, zonodig met gebruikmaking van alle de overtreder ten dienste staande goederen, productiemiddelen, bedrijfsinstallaties en -benodigdheden en vervoermiddelen, hetgeen in strijd met een bevel is of wordt verricht of nagelaten. (…).” In het kader van de invoering van de Awb is dat een last onder bestuursdwang als bedoeld in art. 5:21 Awb Pro geworden. Art. 8 lid 1 Wbg Pro luidt thans: “Onze Minister, die een bevel heeft gegeven of doen geven, is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang ter handhaving van de bij of krachtens deze wet gestelde verplichtingen.” Deze wijziging van art. 8 Wbg Pro is kort als volgt toegelicht in de memorie van toelichting bij de Aanpassingswet derde tranche Awb I: “157, model 38. Onder de bevoegdheid tot toepassing van bestuursdwang is begrepen de bestaande mogelijkheid dat bestuursdwang kan worden uitgevoerd met gebruikmaking van alle goederen, productiemiddelen, bedrijfsinstallaties, bedrijfsbenodigdheden en vervoermiddelen van degene tot wie het bevel gericht is.” Zie
234.Zie ook het bevel, p. 6-7: “Niet-nakoming van het bevel krachtens artikel 2 Wbg Pro (…) is strafbaar (artikel 9 eerste Pro tot en met derde lid, Wbg). Ter handhaving van de bij het bevel gestelde verplichtingen ben ik eveneens bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang (artikel 8, eerste lid, Wbg).”
235.Zie art. 2 lid Pro 1, aanhef Wbg: “ter verzekering van het beschikbaar blijven van goederen ter voorbereiding op noodsituaties”. Zie ook het bevel, p. 7: “Ik wil met dit bevel voorkomen dat de cruciale bedrijfs- en productiegoederen en vermogensrechten zullen worden verplaatst naar een of meer derde landen buiten de Europese Unie. Hiermee zou een tekort aan chips (moedwillig) kunnen ontstaan en daarmee ook een onaanvaardbare strategische afhankelijkheid van één of meer buitenlandse mogendheden.”
236.Zie
237.Toevoeging A-G: zie ook de toelichting op art. 7 Wbg Pro op dezelfde pagina (zie de vorige noot) over controle op de naleving van een bevel op grond van art. 2 Wbg Pro: “[V]oor het met de wet beoogde doel [zal een geregelde controle op de naleving van een bevel, A-G] meer effect opleveren dan de opsporing van overtredingen, wanneer de voorwerpen reeds verdwenen kunnen zijn. Uit dien hoofde dient bij de contrôle de nadruk te worden gelegd op de preventie.”
238.Eerder in het verweerschrift van EZ, in nr. 3.6, is dit vermoeden onder meer als volgt toegelicht: “De machtsstrijd binnen de onderneming is namelijk direct nadat het Bevel werd gegeven verder tot uiting gekomen. Zo werden door een statutair-bestuurder instructies rondom de naleving van het Bevel gegeven die namens de andere statutair-bestuurder (dus niet door hemzelf) werden tegengesproken c.q. ingetrokken (zie bijlagen 062 en 063 bij het verzoekschrift). De onduidelijkheid rondom de zeggenschap binnen de onderneming versterkte de - bij de Minister reeds bestaande - zorg dat de strafbaarstelling van niet-naleving van het Bevel onvoldoende zal zijn om te garanderen dat het Bevel wordt nageleefd, met hoogstwaarschijnlijk onomkeerbare gevolgen voor de economische veiligheid van Nederland en Europa.”
239.Zie bijv. de annotatie van H.Ph.J.A.M. Hennekens onder de
240.Dit is een relevant gezichtspunt volgens HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965,
241.Zie in deze zin ook de eerstefasebeschikking, rov. 3.4.
242.Zie HR 26 januari 1990, ECLI:NL:HR:1990:AC0965,
243.Zie ook de brief van EZ van 1 oktober 2025, p. 2 (“De Minister steunt de verzoeken van Nexperia c.s. dan ook (…)” en het verweerschrift van EZ, nr. 6.1 (“De Minister concludeert tot toewijzing van de verzoeken van Nexperia c.s.”).
244.Zie ook Geerts 2022, art. 2:349a BW, aant. 3.4.1.9. Overigens geldt het omgekeerde volgens mij niet zonder meer. Indien niet Nexperia, maar (alleen) EZ als belanghebbende bij wijze van zelfstandig verzoek op de voet van art. 282 lid 4 Rv Pro had verzocht om onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW, zou ik dat ook niet zonder meer als een onaanvaardbare doorkruising van het bestuursrechtelijke kader willen aanmerken (zie ook onder 4.77-4.80 hiervoor). Bovendien zou EZ in dat geval door zich te wenden tot de A-G bij het ressortsparket hetzelfde resultaat hebben kunnen bereiken, nu het openbaar belang evident in het geding was.
245.Zie de PI, noot 127.
246.Zie bijv. ook HR 7 oktober 1994, ECLI:NL:HR:1994:ZC1473,
247.Zie bijv. N. du Bois & R.M. Hermans, ‘Gegronde redenen voor twijfel aan een juist beleid of juiste gang van zaken’, in:
248.Zo ook bijv. J.M. de Jongh, ‘Een geschiedenis van het enquêterecht’, in:
249.Zie bijv.
250.Zie hierover nader bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2020:925), onder 3.4, met verwijzingen, in de zaak die bij de Hoge Raad aanhangig is geweest onder zaaknummer 20/00337.
251.Zie HR 14 december 2007, ECLI:NL:HR:2007:BB3523,
252.Zie
253.Zie
254.Zie
255.Zie noot 109 hiervoor.
256.Zie zijn conclusie (ECLI:NL:PHR:1975:AB5277) voor HR 19 maart 1975, ECLI:NL:HR:1975:AB5277,
257.Toevoeging A-G: in het voorgaande citeert A-G Van Soest onder meer uit het SER-advies inzake het enquêterecht, 19 mei 1967, uitgaven van de SER, 1967, no. 5, p. 7 (“Het systeem brengt met zich mede dat de feitelijke grondslag van de procedure van den beginne af aan dezelfde is: hij is reeds in de bezwaren die de verzoekers schriftelijk aan directie en commissarissen kenbaar maken, te vinden. De waardering van die feiten verandert in de loop der procedure. De bezwaren van (….) [thans art. 2:349 lid 1 BW Pro, A-G], zijn een eenzijdige waardering van de feiten door de betrokken partij. De uitspraak van de Ondernemingskamer ex (…) [thans art. 2:350 lid 1 BW Pro, A-G]), dat er gegronde redenen bestaan om aan een juist beleid en een goede gang van zaken te twijfelen, is een voorlopige waardering van de Ondernemingskamer over dezelfde feiten, echter slechts gebaseerd op summiere gegevens. Komt het zover dat er voorzieningen getroffen moeten worden op grond van (…) [thans art. 2:355-356 BW, A-G] dan is de Ondernemingskamer aan de hand van het ingestelde onderzoek in staat te verklaren dat de feiten die eerst tot subjectieve bezwaren, later tot objectieve twijfel aan een juist beleid of een goede gang van zaken aanleiding gaven, al dan niet door wanbeleid veroorzaakt zijn”). Verder wijst A-G Van Soest erop dat de minister deze opvatting van de SER, waaruit een voortschrijdend proces blijkt dat ook tot uitdrukking is gebracht in de wettelijke terminologie, heeft onderschreven in
258.Toevoeging A-G: zie hierover recent ook HR 13 maart 2026, ECLI:NL:HR:2026:403,
259.Toevoeging A-G: dit citaat is niet afkomstig uit de memorie van toelichting (
260.Toevoeging A-G: zie nadien bijv. ook HR 11 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC1918,
261.Zie bijv. ook (in het kader van art. 2:350 lid 1 BW Pro) Asser/J.M.M. Maeijer/G. van Solinge & M.P. Nieuwe Weme,
262.Zie bijv. Winters 2022, p. 111-112, onder verwijzing (in noot 91 aldaar) naar een uitspraak in kort geding: HR 15 maart 1968, ECLI:NL:HR:1968:AB4858,
263.Zie HR 8 april 2005, ECLI:NL:HR:2005:AS5010,
264.Zie Asser Procesrecht/Boonekamp 2024, nr. 113. Ik neem de noten uit het origineel niet over.
265.Zo lees ik bijv. ook (in het kader van art. 2:350 lid 1 BW Pro) Asser/Maeijer/Van Solinge & Nieuwe Weme 2009, nr. 753, onder verwijzing naar HR 11 maart 1992, ECLI:NL:HR:1992:AC1918,
266.Met als opschrift: “Governance”.
267.Met als opschrift: “Beoordelingsmaatstaf is het vennootschappelijk belang van Nexperia, niet het algemeen belang van beschikbaarheid van chips en chipproductie voor Nederland en de Europese Unie; inhoud vennootschappelijk belang Nexperia is afhankelijk van breder pallet aan belangen”.
268.Zie bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:385) voor HR 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:817,
269.Iets anders is dat onder omstandigheden het vennootschapsbelang bij bevordering van het bestendige succes van de met de vennootschap verbonden onderneming kan worden ‘gekleurd’ door, kort gezegd, een publiek belang dat in het spel is. Zie nader bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:385) voor HR 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:817,
270.Zie in het bijzonder HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797,
271.Zie inmiddels ook de eerstefasebeschikking, rov. 3.16-3.25 en in het bijzonder rov. 3.24: “De Ondernemingskamer treedt niet in een inhoudelijke beoordeling van de strategische keuze om zich voortaan te richten op het veiligstellen van haar productiecapaciteit in China. Vanuit het perspectief van Yuching en [A] kan het een verdedigbare inschatting zijn geweest dat de inspanningen van EZ er uiteindelijk niet toe zouden leiden dat Nexperia gevrijwaard zou kunnen blijven van de nadelige gevolgen die de toepassing van de
272.Zo begrijp ik de PI, nr. 124 althans, gelet ook op de verwijzing in noot 155 aldaar (“Vgl.”) naar art. 2:8 BW Pro en HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797,
273.Zie bijv. HR 10 februari 2023, ECLI:NL:HR:2023:199,
274.Zie bijv. HR 4 april 2014, ECLI:NL:HR:2014:797,
275.Zie bijv. mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2024:385) voor HR 7 juni 2024, ECLI:NL:HR:2024:817,
276.Kort gezegd: is twijfel aan een juist beleid en een juiste gang van zaken bij Nexperia gelegen in het niet opvolgen van toezeggingen aan de Staat om de governance van Nexperia te wijzigen, in het bijzonder ten aanzien van de invoering van een raad van commissarissen met belangrijke goedkeuringsrechten?
277.Zie ook de PI, nr. 130, dat kennelijk is bedoeld als toelichting op deze klacht in de PI, nr. 125 en draait om “het belang van het concern als geheel” (“het concernbelang”, “de bredere belangen van [A] en de andere onderdelen van de [A] -groep”) als relevante factor in “concernrelaties”.
278.Illustratief is HR 26 oktober 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD4804,
279.Met als opschrift: “Althans is het oordeel van de Ondernemingskamer onvoldoende gemotiveerd in het licht van essentiële stellingen van Yuching”.
280.Zie de PI, noten 168-175.
281.Met als opschrift: “Het oordeel dat, behoudens terugtreden van de zuster van [bestuurder/CEO] , geen maatregelen zijn getroffen, is onbegrijpelijk”.
282.Zie de PI, noot 176.
283.Voor het overige zijn de stellingen van Yuching (en [bestuurder/CEO] ) dienaangaande niet onderbouwd. Zie bijv. het verweerschrift van Yuching, nr. 14 (“In het vervolg van dit processtuk zal Yuching aantonen (…) dat de door EZK gewenste maatregelen grotendeels zijn geïmplementeerd (…)”) en de verklaring van mr. Polkerman (advocaat van Yuching bij de OK), kenbaar uit het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, p. 7-8 (“(…) acties zijn deels uitgevoerd (tot tevredenheid van de Minister) (…)”).
284.Zie de e-mail van EZ van 12 maart 2025: “We acknowledge the great effort that has been put into the Information Security Framework. (…) Similarly the Trade Secrets Policy and the Nexperia IP Security Policy Summary show a well developed security approach (…). However we have still some concerns because neither the Supervisory Board as to be implemented in your proposal nor any other legal framework ensures that the Dutch and European identity of the Company is guaranteed. (…).” Zie voorts de e-mail van [verweerder 4] van 28 maart 2025, waarover ook de uitgewerkte beschikking, rov. 2.17: “You have seen we have - and will further develop - a robust Information Security Framework. (…) In relation to the outstanding topics on rights and obligations of the Supervisory Board, especially the Dutch/European identity topic (…) we respond as follows. (…).” Zie ten slotte de e-mail van EZ van 28 april 2025, bedoeld in de uitgewerkte beschikking, rov. 2.18: “First of all we agree that your robust Information Security Framework helps to justify our continued support for Nexperia. And we really appreciate the result[.] But as you are fully aware that framework is part of a broader set of measures (i.e. an effective supervisory board with clearly defined and limited powers regarding security and European identity of the company + a process for shareholder diversification whereby a substantial minority is sold either through an IPO or a trade sale to a trustworthy shareholder) we have discussed. (…) For further assistance and help from our side there must be more sufficient assurance by the company and its CEO. This needs to be clarified as well as a clear engagement to implement the broader measures as discussed. (…).”
285.Met als opschrift: “Tegenstrijdig belang”.
286.Daarbij stelde de OK voorop: “ [bestuurder/CEO] heeft een indirect belang in Nexperia van ongeveer 15%. Tegelijk heeft hij een controlerend belang in WSS. Dat betekent dat [bestuurder/CEO] ten aanzien van transacties tussen Nexperia en WSS te maken heeft met onverenigbare belangen waarbij, zeker nu de financiële positie van WSS slecht is, in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen als bestuurder van Nexperia uitsluitend laat leiden door het belang van Nexperia en haar onderneming.” Zie voor het vervolg het citaat in noot 288 hierna. In de volgende noot citeer ik de uitgewerkte beschikking, rov. 3.17.
287.Zie hierover de uitgewerkte beschikking, rov. 3.17, in cassatie onbestreden: “Het voorlopig oordeel heeft in de eerste plaats betrekking op tegenstrijdig belang. In dit verband memoreert de Ondernemingskamer dat een tegenstrijdig belang als bedoeld in artikel 2:239 lid 6 BW Pro zich voordoet indien een bestuurder te maken heeft met zodanig onverenigbare belangen dat in redelijkheid kan worden betwijfeld of hij zich bij zijn handelen uitsluitend laat leiden door het belang van de vennootschap en haar onderneming (vgl. HR 29 juni 2007, ECLI:NL:HR:2007:BA0033, Bruil). De vraag of een tegenstrijdig belang bestaat moet worden beantwoord aan de hand van alle omstandigheden van het geval. Bij aanwezigheid van een tegenstrijdig belang is een hogere mate van zorgvuldigheid vereist in de voorbereiding, besluitvorming en uitvoering van de transactie. Daarbij moeten de te onderscheiden belangen op zorgvuldige wijze gescheiden worden gehouden en dient een zo groot mogelijke openheid te worden betracht. De verhoogde zorgvuldigheid dient in beginsel erop te zijn gericht dat de transactie geschiedt onder redelijke en marktconforme voorwaarden zodat deze zakelijk verantwoord is. Daartoe kan inschakeling van deskundige derden gewenst en onder omstandigheden geboden zijn. Indien in het bestuur beraadslaging en/of besluitvorming plaatsvindt waarbij een bestuurder een tegenstrijdig belang heeft, dient deze zich op de voet van artikel 2:239 lid 6 BW Pro van deelname te onthouden.” Zie overigens recent ook HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:592,
288.Ik citeer: “Tussen Nexperia en WSS zijn in de FSA afspraken gemaakt over wafers die door WSS zouden worden geproduceerd en aan Nexperia zouden worden geleverd. Nexperia heeft uitvoerig onderbouwd dat in 2025 zeer grote orders bij WSS werden geplaatst, in een omvang die Nexperia niet nodig heeft en die zelfs - volgens medewerkers van Nexperia - werden geplaatst
289.Zie nader noot 288 hiervoor, te lezen in het licht van de in noot 286 hiervoor geciteerde vooropstelling van de OK.
290.Daarop sluit het bestreden oordeel ook kenbaar aan (“Bij dit alles moet worden bedacht”, etc.).
291.Zie productie 36 bij het verzoekschrift van Nexperia.
292.Zie het verzoekschrift van Nexperia, nr. 101: “Hun verzet [bedoeld zal zijn: van de CFO en de CLO, [betrokkene 4] en [verweerder 4] , A-G] is de reden dat de
293.Met als opschrift: “Overige omstandigheden”.
294.Onder verwijzing naar de spreekaantekeningen van [bestuurder/CEO] , nrs. 34-36 en het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 oktober 2025, p. 8 (verklaring van mr. Vader, advocaat van [bestuurder/CEO] bij de OK).
295.Kort en goed: zonder overleg of ruggenspraak, en zonder dat de OR was geïnformeerd, laat staan dat de OK op de voet van art. 30 WOR Pro tijdig om advies was gevraagd over een voorgenomen ontslag van [verweerder 4] als statutair bestuurder, dit terwijl de bij de ontslagaanzegging gebruikte woorden (“We therefore aim to terminate your employment agreement and statutory positions”) ondubbelzinnig duidelijk maken dat het ontslagbesluit al vast stond.
296.Zie ook de eerste zin van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21, waarin de OK overweegt: “Vanaf september 2025 wees het optreden van [bestuurder/CEO] zelfs eerder in de tegengestelde richting.” Dit slaat terug op rov. 3.20, in het bijzonder waar de OK erop wijst: dat zeker vanaf het moment dat [A] op de
297.Dit is dus mede te bezien in het licht van de uitgewerkte beschikking, rov. 3.20, waarin de OK al onder meer erop wijst dat het in het belang van Nexperia en haar onderneming was om BZ en/of EZ argumenten te verschaffen jegens de autoriteiten in de Verenigde Staten om de
298.Ik laat nog daar dat de OK in de uitgewerkte beschikking, rov. 3.21 specifiek wijst op de gedragslijn van [bestuurder/CEO] , niet zozeer die van Yuching.
299.Zie bijv. het verzoekschrift van Nexperia, nr. 202 (“Zoals vereist op grond van art. 2:349 lid 1 BW Pro, heeft [verweerder 4] de andere bestuurder van Nexperia Holding en Nexperia B.V. ( [bestuurder/CEO] ) op de hoogte gesteld van het voornemen om dit enquêteverzoek in te dienen. Gelet op de omstandigheden en doordat het voornemen daartoe pas in een lat stadium is geconcretiseerd, heeft [verweerder 4] dit kort voor indiening van het verzoekschrift gedaan. Daarnaast is de ondernemingsraad op de hoogte gesteld van het indienen van het verzoek”).
300.Zie ook noot 296 hiervoor.
301.Want om het intrekken van betalingsbevoegdheden (bankvolmachten) van drie sleutelfunctionarissen én het verlenen van een bankvolmacht aan drie andere personen zonder financiële ervaring.
302.Zie bijv. de uitgewerkte beschikking, rov. 2.22-3.23. Daaruit blijkt onder meer dat [betrokkene 4] , de CFO, in reactie op deze handelwijze ervoor heeft gewaarschuwd dat dit zou leiden tot “significant operational impact” en heeft gewezen op de fiscale gevolgen, de gevolgen voor het
303.Met als opschrift: “Schending van art. 1 EP Pro”.
304.Zie bijv. Schild 2012, p. 46-47, met verwijzingen. Zie recent nog HR 22 mei 2026, ECLI:NL:HR:2026:784, rov. 3.4, met verwijzingen. Aldaar wordt trouwens vereiste (i) geduid als de
305.Dat de bevoegdheid tot het treffen van onmiddellijke voorzieningen op de voet van art. 2:349a BW voldoet aan (i) en (ii) wordt ook aangenomen door Schild 2012, p. 160, en verder bijv. door F. Eikelboom, ‘Een toetsingskader voor het treffen van voorzieningen in het enquêterecht: artikel 1 van Pro het Eerste Protocol bij het EVRM (bescherming van eigendom)’,
306.Zie hierover bijv. HR 16 november 2001, ECLI:NL:HR:2001:AD5493,
307.Zie hierover bijv. A-G Timmerman (ECLI:NL:PHR:2011:BO7067) voor HR 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7067,
308.Zie recent bijv. de conclusie van A-G Van Peursem (ECLI:NL:PHR:2026:153) voor HR 10 april 2026, ECLI:NL:HR:2026:577,
309.Zie HR 25 februari 2011, ECLI:NL:HR:2011:BO7067,
310.Zie de PI, noten 204 en 206.
311.In de PI, noot 205 wordt generiek verwezen naar “nr. 1 t/m 37 en par. 1 hiervoor”, dus eerder in de PI. Daarbij gaat het kennelijk om de inleiding in de PI (die “nr. 1 t/m 37”) en onderdeel 1 van het middel in de PI (die “par. 1”), te vinden in de PI op p. 6-40. Die noot 205 staat bij de verwijzing in de hoofdtekst (de PI, nr. 158) naar “het feit dat Yuching niet gehoord is en de onmiddellijke voorziening op basis van een eenzijdige voorlichting van Nexperia en EZ is getroffen” (gelet op dat “feit” zou, aldus dat nr. 158, bij het geven van de
312.Zie het verweerschrift van Yuching, nr. 201.
313.Elders, in de brief van Yuching van 3 oktober 2025, p. 2 (“mede gelet op de goede procesorde, het beginsel van
314.Zie hierover Schild 2012, p. 162: “[D]e verhouding tussen art. 2:349a lid 2 BW en art. 1 EP Pro [kan] in beginsel als ontspannen worden gekenschetst. Het is met name het
315.Zie ook Eikelboom 2009, onder (iv), die eveneens wijst op de overlap tussen beide toetsingskaders (art. 2:349a BW en art. 1 EP Pro EVRM) en vervolgens opmerkt: “De belangenafweging, die art. 1 EP Pro voorschrijft, is overigens meer specifiek gericht op de belangen van de aandeelhouders, dan de belangenafweging die de Hoge Raad voorschrijft.”
316.Met als opschrift: “Algemeen belang van naleving Bevel en veiligstellen chipproductie geen rechtens relevant belang bij treffen van onmiddellijke voorzieningen”.
317.Met als opschrift: “Plicht tot billijke afweging van belangen en/of motiveringsplicht geschonden”.
318.Volgens het subonderdeel: zijn de
319.Zie J.B.S. Hijink & L.A. van de Sandt, ‘Een empirisch onderzoek van het enquêterecht over de periode 2008-2020’, in:
320.Zie Hof Amsterdam (OK) 30 april 2019, ECLI:NL:GHAMS:2019:1535, rov. 3.9.
321.Zie bijv. Josephus Jitta 2022, p. 832. En inmiddels ook de eerstefasebeschikking, rov. 3.40.
322.Zie bijv. Josephus Jitta 2022, p. 839, in het bijzonder noot 26 aldaar. En inmiddels ook de eerstefasebeschikking, rov. 3.40.
323.Zie bijv. ook het verweerschrift in cassatie van Nexperia, nr. 197.
324.Zie ook het verweerschrift in cassatie van EZ, nrs. 4.3-4.7.
325.Zie bijv.
326.Zie bijv.
327.Ik maak dit op uit de term “opheffen” in art. 28 lid 2 Rv Pro en uit
328.Kenbaar uit de brief van EZ van 13 oktober 2025: “Zoals de Ondernemingskamer ambtshalve zal hebben geconstateerd, is bovengenoemde kwestie sinds 12 oktober 2025 uitgebreid beschreven in de nationale en internationale media. Naar het zich laat aanzien is dat een gevolg van een melding van [A] (…), de indirect 100%-aandeelhouder van de onderneming, bij de Shanghai Stock Exchange en een bericht van [A] op haar officiële WeChat blog (zie ook
329.Zie
330.Zie Rb. Amsterdam 16 juli 2025, ECLI:NL:RBAMS:2025:5906, rov. 3.3; Rb. Amsterdam 3 mei 2023, ECLI:NL:RBAMS:2023:2837, rov. 1.3; Hof Arnhem-Leeuwarden 14 februari 2023, ECLI:NL:GHARL:2023:1283, rov. 1.2; Rb. Rotterdam 15 december 2021, ECLI:NL:RBROT:2021:12928, rov. 3.13; Rb. Den Haag 22 augustus 2018, ECLI:NL:RBDHA:2018:10046; en Rb. Den Haag 7 oktober 2019, ECLI:NL:RBDHA:2019:10511, rov. 1.5.
331.Onder verwijzing naar HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:658,
332.Zie bijv. ook
333.Zie
334.Zie de Wet vereenvoudiging en modernisering bewijsrecht,
335.In de desbetreffende paragraaf van het verzoekschrift van Nexperia staat onder meer: “7. Nexperia verzoekt de Ondernemingskamer tevens, in geval zij bepaalt dat behandeling van deze zaak met gesloten deuren zal plaatsvinden, te bepalen dat deze zaak niet op openbare overzichten van aanhangige zaken wordt gepubliceerd, en dat de griffie desgevraagd geen mededelingen over deze zaak zal doen aan derden (…). In dat kader verzoekt Nexperia de Ondernemingskamer voorts toepassing te geven aan art. 28 lid Pro 1, aanhef en onder b, Rv,
336.Daar staat onder meer: “De Minister steunt deze verzoeken. De uiterst sensitieve geopolitieke aspecten van deze zaak en de mogelijkheid invloed daarvan op de economische veiligheid van Nederland en Europa staan aan een openbare behandeling en iedere vorm van openbaarmaking van het enquêteverzoek in de weg.”
337.Zie
338.Als gevolg van de beslissing van de OK tot een zitting met gesloten deuren op de voet van art. 27 lid Pro 1, aanhef en onder b Rv.
339.Als gevolg van een uitdrukkelijke rechterlijke beslissing naar aanleiding van het verzoekschrift van Nexperia van 1 oktober 2025 en de brief van EZ van dezelfde datum.
340.Naar luid van de
341.Zie bijv.
342.Zie
343.Zie bijv. ook Lock 2026, art. 28 Rv Pro, aant. 1 onder a: “Openbaarheid van rechtspraak blijft ook hier hoofdregel. Een uitzondering daarop - derhalve: vertrouwelijkheid - is steeds het gevolg van een rechterlijke beslissing: sluiting van de deuren, beperking van de toegang tot de zitting dan wel een uitdrukkelijke vertrouwensverklaring (MvT,
344.Dit strookt ook met het citaat onder 4.154.14 hiervoor (over de bescherming die art. 28 lid 1 Rv Pro biedt aan partijen). Zie ook ruimer
345.De klacht noemt als bron daarbij
346.Zie hierover bijv. ook de conclusie van A-G Valk (ECLI:NL:PHR:2025:514) voor HR 5 september 2025, ECLI:NL:HR:2025:1237,
347.Zie HR 21 april 2023, ECLI:NL:HR:2023:658,
348.Gedoeld wordt op
349.Zie noot 330 hiervoor. In die gevallen, waarbij wezenlijk andere casus voorlagen dan de casus in de onderhavige zaak, is telkens door de rechter in kwestie een op de voorliggende situatie afgestemde toepassing aan art. 28 lid 1 Rv Pro gegeven.
350.Zie ook de in noot 346 hiervoor genoemde conclusie van A-G Valk, onder 4.18 (over “de open formulering van wat de rechter kan en mag volgens (…) art. 28 lid 1 onder Pro b Rv (oud en nieuw) (…)”).
351.Onder verwijzing naar het verzoekschrift van Nexperia van 1 oktober 2025, nr. 7 en de brief van EZ van dezelfde datum, p. 2.
352.Evenzo de in noot 346 hiervoor genoemde conclusie van A-G Valk, onder 4.18.
353.Onder verwijzing naar
354.Zie bijv.
355.Zie bijv. Lock 2026, art. 28 Rv Pro, aant. 2 onder c.
356.Zie HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273,
357.Zie bijv. Lock 2026, art. 28 Rv Pro, aant. 1 onder a en de conclusie van A-G Wesseling-van Gent (ECLI:NL:PHR:2018:187) voor HR 28 september 2018, ECLI:NL:HR:2018:1775,
358.Zie bijv.
359.Zie aldus A.F.J.A. Leijten in nr. 7 van zijn annotatie in
360.Zie de PI, nrs. 125, 130, 132, 133, 137.
361.Zie HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1283,
362.Zoals de overeenkomstige toepassing van art. 28 Rv Pro op deskundigen in HR 19 februari 2021, ECLI:NL:HR:2021:273,
363.Zie bijv. ook mijn conclusie (ECLI:NL:PHR:2023:360) voor HR 22 september 2023, ECLI:NL:HR:2023:1283,
364.Een mededeling aan derden omtrent de procedure (zoals in de publicatie van 12 oktober 2025 van [A] , kenbaar uit de brief van EZ van 13 oktober 2025) betekent immers niet zonder meer dat [A] (laat staan Yuching en/of [bestuurder/CEO] ) daarmee aan de delictsomschrijving van art. 272 lid 1 Sr Pro heeft voldaan. Ik citeer: “Hij die enig geheim waarvan hij weet of redelijkerwijs moet vermoeden dat hij uit hoofde van ambt, beroep of wettelijk voorschrift dan wel van vroeger ambt of beroep verplicht is het te bewaren, opzettelijk schendt, wordt gestraft met gevangenisstraf van ten hoogste een jaar of geldboete van de vijfde categorie.” Het gaat in deze bepaling dus om opzettelijke schending van een geheim. Zie over de betekenis van ‘schenden’ in art. 272 Sr Pro bijv. HR 7 april 2020, ECLI:NL:HR:2020:523,